Jazz
Sarah Vaughan, die in een afgestampt Concertgebouw haar
jazzliedjes heeft gestreeld, bleek een mooi, jong negerinnetje, met
een lichtbruin korstje op haar stem. Op de grammofoon heb ik 'Time
to go' van haar, een turbulent geschenk van een vriend, die bij de
overhandiging sprak: 'Jongen, deze plaat heeft mij door mijn hernia
heen geholpen. '
Als ik hem opzet, waait hete wind de kamer in, want de muze der
toonkunst onderhoudt in deze geraffineerde vocale prestatie een
zondige relatie met de kleine Eros. In de huiskamer kun je zo'n
plaat dan ook nauwelijks spelen, zonder naar je schoenen te
kijken.
'Stoort het, dat ik hier óók woon?' vraagt mijn vrouw gehinderd en
soms bauwt ze de stem haatdragend na.
Vaders hebben behoefte aan een eigen kamertje voor hun
liefhebberijen, al twijfel ik wel eens of dit er onder valt.
'Naar dat jazzconcert ga je dan maar alléén, ' zei mijn vrouw, of
het een soort kegelen was. Toen iker zat, lekker vooraan, kon ik
overzien hoeveel ergernis zij zich bespaard had. Sarah kwam pas aan
het slot en haar atmosfeer was bijna Schubert, vergeleken bij alles
wat we toen al achter de rug hadden. In een paar uur was de zaal
namelijk volslagen gek gemaakt door de negerband van Illinois
Jacquet, een vastberaden mannetje in een bruin streepjespak, met
het bedwongen-rustige uiterlijk van een kleine, wrede aannemer, die
eigen krotjes melkt en hard is over een nieuwe knop op de
keukendeur, maar toch óók de faculteit bezit, om Slavisch te wenen
in het buurtcafé. Eenmaal aan het spelen, bleek hij dan ook bereid,
voor ons tot de rand van de beroerte te gaan.
Hij blaast een tenorsaxofoon en worstelt met deze grote toeter of
het een lynx is, die hem aldoor de strot wil afbijten. Zijn broer
staat, een tintje lichter, als een arrogant zaalchefje terzijde en
is zéér kwaad op een kleine, blinkende trompet, waardoor hij zo nu
en dan al zijn opgekropte nijd de wereld in scheldt. De onbewogen
pianist berijdt zijn instrument als een tractor, maar de lange,
ranke trombone-speler wappert met de ogen half dicht, als een
wimpel heen en weer in de föhn van de muziek — een heerlijk,
bevrijd deinen, waaraan men zijn hele leven moest kunnen besteden.
De heer Shihab — one of the boys — treedt ernstig bebrild, als de
Uno-afgevaardigde van een verongelijkte woestijn, naar voren en
boert consciëntieus een full house in de microfoon. De bassist, een
grove, verrukteman, gebruikt zijn lompe kist als sparring partner,
de drummer — de steeds open mond vol enorme tanden — beheert zijn
trommels met het doezelig geluk van een dikke, domme vrouw, die aan
het fornuis lekker staat te koken. Terwijl de muzikale spanning
gestadig groeit, komt er over dit troepje een soort boosaardig
plezier, een zondige vervoering, als bij een hanengevecht. Op het
vol publiek gestouwde podium kruipen de fotografen blitzend rond,
als behangers die tijdens een bruiloft het zeil willen leggen. Maar
niemand stoort er zich aan. Men geniet, orgelt, applaudisseert,
brult, kreunt, fluit. Onder het lugubere biljartlicht, waarin de
rook van tóch opgestoken sigaretten grillige slierten droomt, houdt
de stemming het midden tussen een boksmatch en een politieke
meeting. Maar er is ook wijding. De heilige witte os wordt
geslacht. Men stookt een gróót vuur. Men tracht een enorme driftbui
door een heel dun rietje te persen. Men zweet zichtbaar, men is
enórm in leven en men sterft bijna. Als Illinois het aan het eind
tóch nog heeft gewonnen van zijn saxofoon en na een vreselijke
kreet zowat van het podium valt, scheurt een onvoorstelbare ovatie
uit de zaal los. Hitier heeft de Saar geëist. De torero bracht de
stier op de knieën. De wereldkampioen ligt plat. We hebben een
Turks bad genomen, iedereen is gelukkig en niemand weet waarom.
Wat zegt u — instincten?
Ja, daar heeft het stéllig iets mee te maken. Maar we hébben ze
toch?