Een bloem in het labyrinth

Nadat ze de Notre Dame door de hoofdpoort hadden verlaten, keerden ze naar het logement terug om de paarden op te halen. Daarna gingen ze te paard dezelfde weg terug, staken langs een smal bruggetje over naar de linkeroever en reden naar de wijk van de universiteit de Sorbonne; dicht bij het plein daarvan stond het huis van Weienell en haar vader.

Op dit uur van de namiddag waren de straten waar ze door kwamen vol jonge studenten die lachend en joelend de taveernen in en uit liepen, in kleine groepjes op de straathoeken stonden te praten of de meisjes bij de vensters van hun huizen het hof maakten. De meesten spraken in het Latijn, en om die reden stond de wijk waar ze woonden in heel Parijs bekend als de Latijnse Wijk.

De nacht viel terwijl ze stapvoets over het plein van de Sorbonne reden, dat zwak verlicht was door fakkels. Die hingen aan de voorgevel van een bescheiden gebouw waarin de universiteit was gehuisvest, waar Gurielf Lébox vele jaren lang zijn meesterlijke lessen in meetkunde, rekenkunde en astronomie had gegeven. Salietti dacht terug aan de twee jaar die hij als student in de zalen van die universiteit had doorgebracht, en Weienell huiverde toen ze langs dezelfde plekken kwamen waar haar vader en zij zo vaak hadden gelopen sinds ze zich kon herinneren. Ze voelde ook angst, en bij iedere stap was ze bang dat iemand haar zou herkennen en zou willen weten waarom haar vader en zij op een dag zomaar uit hun huis verdwenen waren zonder aan iemand iets over hun vertrek te zeggen, en zonder dat ze ooit meer iets van zich hadden laten horen.

In de steegjes waar ze doorheen gingen brandde geen enkele olielamp of fakkel, zodat niet gauw iemand in die donkere ruiter de mooie Weienell Labox zou herkennen. Enkele karren met vee reden met een enorm geratel van wielen over de keien langs hen, zodat ze hun paarden stil moesten houden en zich tegen de muren van de huizen aan moesten drukken om niet omver te worden gegooid door de benen van de muildieren of de ruwe houten wielen, die door het gewicht van de lading in wel duizend stukken uit elkaar dreigden te spatten.

Weienell wees hun aan het eind van een wat ruimere steeg een deur, versierd met twee zuilen die een stenen dorpel droegen.

'Ik had niet gedacht dat je in zo'n deftig huis woonde,' zei Grimpow toen hij de voorgevel zag.

'Mijn grootvader was een zeer gewaardeerd griffier aan het hof van de koning, en het lukte hem een beetje fortuin te vergaren zodat mijn vader, zijn enige zoon, kon studeren en een behoorlijke woning kon hebben.'

'Op de zolderverdieping van dat huis heb ik de twee mooiste jaren van mijn leven doorgebracht,' zei Salietti droefgeestig.

'Waar heb je de sleutel?' vroeg Grimpow aan Weienell, die bedacht dat ze dit onvermoede kleine mysterie nog zouden moeten oplossen.

'De sleutel die we bij ons vertrek meenamen, is met onze bagage in het logement achtergebleven toen we door de soldaten van baron Figüeltach van Vokko gevangen werden genomen. Maar mijn vader had een sleutel achtergelaten in een holte, verborgen achter het embleem van het gilde der griffiers dat in de stenen kroonlijst boven de deur is uitgehakt.'

'Blijven jullie hier staan en let goed op, voor het geval we in vliegende haast moeten vluchten. Ik ga er met mijn paard heen en pak de sleutel. Verroer je niet tot ik de deur heb geopend en gezien heb dat er geen enkel gevaar is, afgesproken?' zei Salietti half fluisterend.

Weienell en Grimpow knikten, maar toen werd er plotseling een licht ontstoken achter een van de ramen. De ridder hield abrupt stil alsof dat licht zijn paard had verlamd. 'Er is iemand in huis!' riep hij.

'Het licht in de werkkamer van mijn vader is aangestoken!' zei Weienell geschrokken.

'Was er nog iemand anders die de sleutel van die deur had?' vroeg Grimpow, al even verbijsterd als zijn vrienden.

Weienell schudde haar hoofd, niet in staat om een woord uit te brengen. Op dat moment dacht Grimpow erover hun te vertellen dat hij in de Notre Dame het gevoel had gehad dat een schim vanaf de preekstoel naar hem keek, maar op hetzelfde ogenblik had hij al spijt van dat voornemen. Hij zei bij zichzelf dat het allemaal alleen maar het product van zijn eigen verbeelding was geweest, en dat hij, als hij erover sprak, Weienell nog ongeruster zou maken dan ze al was.

Salietti bracht zijn paard naast dat van Weienell en bood haar zijn hand. 'Ik zei je toch al dat het erg gevaarlijk zou zijn hier te komen,' zei hij. 'Iemand moet jullie huis in bezit hebben genomen, erop vertrouwend dat je vader en jij er nooit meer terug zouden komen,' voegde hij er in een vlaag van woede aan toe.

'En wie kon dat weten?' vroeg Weienell nadat ze haar verbijstering te boven was gekomen.

'De dominicaanse geestelijke Bulvar van Goztell of een van zijn spionnen of bedienden. Als je wilt kan ik op de deur kloppen en het op die manier te weten komen, maar dan kunnen we net zo goed van de daken gaan schreeuwen dat jij of iemand die heel dicht bij je vader en de wijzen van het geheime genootschap Ouroboros staat, in Parijs rondloopt,' betoogde Salietti.

'Nee, ik geloof dat het een enorme stommiteit zou zijn als we de handlangers van die moordzuchtige inquisiteur zouden laten weten dat we er zijn,' zei Weienell, vastbesloten om niet in zelfmedelijden te vervallen.

'Laten we dan voorgoed uit Parijs weggaan. Er is toch niets meer dat ons nog hier houdt,' zei Grimpow.

'En waar moeten we dan heen als we klaar zijn met onze naspeuringen in Chartres? We kunnen toch niet de rest van ons leven als voortvluchtigen van de ene plek naar de andere trekken, terwijl we voortdurend bang moeten zijn dat we gearresteerd worden,' zei Weienell.

'Dan gaan we naar Italië. Ik zal het paleisje van mijn grootvader in Piemonte verkopen en dan kopen we een huis in Florence, een vrije, welvarende republiek waar pausen en keizers geen vat op hebben. Daar kunnen we een nieuw leven beginnen zonder angst voor de terreur van de inquisiteurs of voor de hebzucht van de machtige koning van Frankrijk. Wij vormen nu een familie, en Grimpow heeft een thuis nodig waar hij kan wonen en een vrije universiteit waar hij kan studeren en een nieuw geheim genootschap van wijzen oprichten, dat nog steeds Ouroboros zal heten.'

Bij de zuiderpoort van de stadsmuren van Parijs wemelde het van de koetsen, huifkarren, ruiters en voetgangers. Toen ze de stad verlieten en de silhouetten van de kantelen en torens tegen de donkere nachtelijke horizon zagen afsteken, keek Grimpow zelfs niet om, zo druk had hij het met het kijken naar de talrijke stoeten pelgrims die aan hun reis naar Compostela begonnen, profiterend van de naderende zomer. Er stond een warm briesje, hoewel het uit het noorden woei. De hemel was helder, boordevol sterren, die Grimpow in zijn verbeelding in de zwarte duisternis van de hemelkoepel met elkaar verbond tot eindeloze wegen, zoals toen hij de planisfeer van de kaart van de Onzichtbare Weg tekende. En terwijl ze naar de stad Chartres reden, gebruikmakend van de zachte stilte van de nacht, zag Grimpow boven hun hoofden de sterrenbeelden Cassiopeia en Kleine Beer in het noorden, en daaronder de lange staart van de Draak en de Grote Beer, in het zuiden de Maagd met de ster Spica en in het oosten de sterrenbeelden Weegschaal, Schorpioen en de Slangendrager, en in het westen de Tweelingen, Kreeft en de Waterslang.

Ze aten en rustten enkele uren in de zaal van een herberg voor pelgrims die ze op verscheidene mijlen van Parijs vonden, en zodra het eerste licht van de dageraad gloorde gingen ze weer op weg. Naar de stad Chartres was het nog een dagreis te paard, en ze wilden bij de kathedraal aankomen voordat het donker werd en ze haar poorten sloot. De ruiters wisten dat hun reis op zoek naar het geheim der wijzen nu zijn einde naderde. Daarna zouden ze een nieuw leven beginnen, heel ver van Frankrijk, waar niemand hen kende en niemand ooit zelfs maar zou kunnen vermoeden dat zij de enige bezitters waren van de steen der wijzen, de lapis philosophorum, de magische sleutel tot alle mysteries. Maar geen van hen wist wat ze in Chartres zouden vinden, als het al waar was dat in de kathedraal van die stad het geheim der wijzen verborgen was. Het begon hun een beetje moeilijk te vallen zich een wonderbaarlijk ding, maaksel of toestel voor te stellen zoals in het handschrift van Aidor Bilbicum vermeld stond. Het enige waarvan ze zeker waren was dat het niet de Heilige Graal uit de legenden was, en evenmin de Ark des Verbonds of een ander document over de goden of de godsdiensten van de oudheid. Maar wat zou het dan kunnen zijn, waar zou het dan om gaan? Wat was het dat de negen ridders van de Tempel van Salomo tweehonderd jaar geleden van Jeruzalem naar Frankrijk hadden vervoerd in opdracht van het geheime genootschap van wijzen Ouroboros en waar paus Clemens v en de koning van Frankrijk zo begerig naar waren, dat ze beiden bereid waren om zulke meedogenloze slachtingen aan te richten om het maar in handen te krijgen? Zou het geheim der wijzen werkelijk in staat zijn om aan degene die het vond de onsterfelijkheid te verlenen? Of zou het een onmetelijke schat van goud, kostbare stenen en sieraden uit de exotische landen van het Oosten zijn, die de bezitters ervan tot de rijkste mensen op aarde zou maken? Zou het soms om een onvoorstelbaar soort wapen kunnen gaan, in staat om iedere vijand, hoe machtig en geducht ook, te vernietigen, zoals talrijke legenden beweerden?

Deze en nog meer vragen tolden rond in de hoofden van Grimpow, Weienell en Salietti, hoewel geen van hen ze hardop uitsprak. Ze vroegen zich zelfs af wat er zou gebeuren als ze eenmaal het geheim der wijzen hadden ontsluierd, en of ze het mee konden nemen naar Florence om het daar opnieuw te verbergen. Maar wat het geheim der wijzen ook mocht zijn, Grimpow wist dat er op al die vragen een antwoord zou komen als ze maar eenmaal het laatste mysterie in de kathedraal van Chartres hadden opgelost. Zoals hij op zijn lange reis vol ingewikkelde, opeenvolgende raadsels zelf had kunnen constateren, is alles verklaarbaar en begrijpelijk wanneer je maar over de sleutels beschikt. Maar hij zei ook bij zichzelf dat, na alles wat hij had beleefd sinds hij op een dag de steen had gevonden, het best mogelijk was dat hij er niet in zou slagen langs de zuilen van de doortocht te gaan en de doolhof binnen te treden. Dan zou alles een hersenschim blijken te zijn, die er alleen maar toe had gediend dat hij de drang tot leren en tot kennis ontwikkelde. In die zin was het zoeken naar het geheim der wijzen ten slotte niets meer dan het zoeken naar jezelf, het zoeken naar je menselijke identiteit in de verwarde doolhof van het leven, een zoeken dat als een vruchtbaar zaadje in zijn binnenste de bloem der wijsheid zou doen groeien.

Nog een overweging die niet aan Grimpows bespiegelingen ontsnapte was dat er al tweehonderd jaren voorbij waren gegaan sinds Aidor Bilbicum en de eerste wijzen van het genootschap Ouroboros hun geheim hadden verborgen. Sindsdien konden er heel veel onvoorziene gebeurtenissen zijn voorgevallen die zij nu niet kenden. De eeuwen veranderen de loop der geschiedenis al even gemakkelijk als een verwoestende regenbui de loop van een rivier wijzigt, en het was zelfs mogelijk dat de wijzen van het genootschap Ouroboros zelf de plaats ervan hadden veranderd of het vernietigd hadden. Het zou ook kunnen dat dit hele mysterie der wijzen niet meer was dan weer een nieuwe legende, net als de vele legenden die de ouden van dagen in koude winternachten bij het vuur aan de jongeren vertelden, of als de legenden die de troubadours in hun epische zangen en ballades ten gehore brachten.

De slanke, spitse torens van de kerken en de kathedraal van Chartres verhieven zich aan de horizon tegen de oranjekleurige hemel, die gloeide in het vuur van de avondschemering en die de korenvelden een gouden tint gaf.

Ondanks de tijd van het jaar en de vele pelgrims die zich naar de kathedraal van Chartres begaven, was de stad die avond ongewoon kalm, wat wel gunstig was voor de drie ruiters. Ze reden over een met keien bestrate en door bomen omzoomde weg. Ze konden het stille water van de rivier zien, de talrijke molens die aan de oevers hun wieken lieten draaien, de looierijen van dierenhuiden en leer, de houten bruggen, de wasplaatsen die als kleine hutten hier en daar tussen de bomen stonden, de huizen, de kerken en de kathedraal zelf, die boven de stad uit torende als een reus van steen.

Ze kwamen op het plein voor de kathedraal aan nadat ze een eindje om waren gegaan door een kleine wijk met schilderachtige vakwerkhuizen, waar ze algauw een stal vonden waarin de paarden na hun lange, afmattende reis wat konden eten en uitrusten. De staljongen verzorgde de paarden zonder iets te zeggen: hij was al vanaf zijn geboorte doof en communiceerde met handgebaren. Daarbij liet hij een onbegrijpelijk gegorgel horen, gevolgd door een enorme glimlach, die zich nog verbreedde toen hij in zijn hand het goudklompje zag dat de heer hem had gegeven.

Toen ze voor het hoofdportaal van de kathedraal stonden, was het eerste wat hen verbaasde dat de deuren in de westelijke gevel gesloten waren. Ze keken om zich heen of ze iemand zagen die hen kon inlichten over de reden voor iets wat midden in de lente zo ongebruikelijk was, en liepen naar een oude man met een volle baard die hun weg kruiste. Salietti wilde weten waarom ze niemand op straat hadden gezien, en vroeg ook waarom de deuren van de kathedraal gesloten waren. De grijsaard zei dat het een feestdag was in Chartres en dat alle inwoners, zowel edelen als gewone mensen, deelnamen aan een landelijke jaarmarkt die tot laat in de nacht in de omgeving van de stad werd gehouden, onder de populieren aan de overkant van de rivier, met grote vuren, banketten en slemppartijen, en met allerlei muziek, dans en feestelijkheden. Maar hij zei ook dat ze het noordelijke portaal van de kathedraal, dat het Portaal der Ingewijden werd genoemd, open zouden vinden.

Die naam wekte Grimpows nieuwsgierigheid, en zonder erbij na te denken vroeg hij aan de oude man: 'Waarom heeft dat portaal zo'n vreemde naam?' alsof hij niet wist wie de 'ingewijden' waren.

'Dat is altijd de poort geweest waardoor de gilden van de bouwers, metselaars, steenhouwers, leerlingen, vaklieden en meesters de kathedraal binnenkwamen, en hij mag nooit gesloten worden ook al is de kathedraal leeg,' legde de bejaarde uit, waarna hij bij wijze van afscheid een buiging maakte en zijn weg naar de rivier vervolgde.

Grimpow had het gevoel alsof iets hem ertoe bracht zich op volkomen natuurlijke wijze door die verbazingwekkende stenen ruimte te bewegen. Het was alsof het niet de eerste keer was dat hij voor de kathedraal stond, of alsof hij het gebouw al vele nachten in zijn slaap had gezien en alle symbolen en geheimen die daar werden bewaard hem bekend waren, hoewel de beelden waarvan hij nu een glimp opving zich door zijn brein verspreidden als een chaos van onafgemaakte dromen.

Terwijl Weienell en Salietti met elkaar over hun toekomst in de welvarende Italiaanse republiek Florence praatten, liep Grimpow naar het portaal van de kathedraal om de beeldhouwwerken te bekijken die de robuuste deuren van de westelijke ingang flankeerden. Toen zag hij dat zich aan de linkerkant de figuren van twee mannen en een vrouw bevonden die op verschillende voetstukken stonden, en rechts, in eenzelfde rechtopstaande houding, de figuren van drie mannen en een vrouw. Allen hielden een dik boek in hun handen, en een van hen een rol perkament. Toen hij ze zag, twijfelde Grimpow er niet aan dat dit een duidelijke afbeelding was van de wijzen van het genootschap Ouroboros, die met hun boeken - de enige wapens van de wijsheid - de wacht hielden bij de ingang van de kathedraal waar het geheim der wijzen verborgen was.

'Laten we om de kathedraal heen lopen en het noordelijke portaal zoeken. Ergens moeten toch de zuilen van de doortocht zijn waar we langs moeten om in de doolhof te komen,' stelde Salietti voor. Hij was vastbesloten om zo vlug mogelijk het geheim der wijzen te vinden, of wat het ook wezen mocht dat daar verborgen was, en hij wilde gebruikmaken van de stilte en de eenzaamheid die nu heersten.

Ze liepen om de kathedraal heen naar het zuidelijke portaal en bekeken in detail de majestueuze pracht van het schitterende bouwwerk, dat wel het werk van goden leek, en waar de steen zijn eigen taal had, zoals de kluizenaar had gezegd die Grimpow en Salietti nabij Ullpens hadden ontmoet. Een taal, geschreven met de tekens van de kunst en de menselijke verbeelding, in staat om de meest sublieme en onvergankelijke schoonheid te scheppen.

Even nadat ze met hun wandeling waren begonnen, zagen ze in de hoek tussen de van traptreden voorziene voorhof van het zuidelijke portaal en de voorgevel een kleine, half verborgen trap naar beneden, die naar een grote ijzeren deur voerde.

'Daar moet de crypte zijn,' zei Salietti, terwijl hij erheen liep en vergeefs trachtte de afgesloten deur te openen. Grimpow moest meteen aan de lugubere, mysterieuze crypte in Cornill denken. Hij hoopte maar dat de zuilen van de doortocht waar ze nog langs moesten gaan zich niet daar zouden bevinden, in die onderaardse wereld van de doden, waar alles sinister en donker was als in de Hades uit de Griekse mythologie.

Ze liepen nu langs de oostelijke gevel, scherp lettend op elk teken of signaal dat hen in hun zoektocht kon leiden. Ze bleven zich concentreren op het observeren van elk hoekje, elke zuil en kapiteel, elk in de frontons gebeeldhouwd basreliëf en elk beeldhouwwerk van de vele die de kathedraal versierden als voor de eeuwigheid versteende wezens.

Toen ze bij het noordelijke portaal kwamen zagen ze een geopende deur, die toegang gaf tot het interieur van de kathedraal.

'Door deze poort kunnen we binnenkomen,' zei Salietti.

Op datzelfde ogenblik zag Weienell dat er aan weerszijden van het portaal twee zuilen stonden met een reliëf, gegraveerd in enkele nissen die op de kapitelen rustten, en daaronder een vreemde inscriptie in het Latijn.

'Kijk daar eens!' riep ze, er zeker van dat ze had gevonden wat ze zochten.

Grimpow en Salietti keken onmiddellijk naar de kapitelen van die twee slanke zuilen. Ze observeerden de twee taferelen, uitgehouwen in de steen die tot hen begon te spreken met zijn geluidloze stem en zijn hermetische taal.

'In het eerste tafereel van het basreliëf kun je duidelijk een kist zien die op een ossenkar wordt vervoerd, en in het tweede bedekt een man de kist met een sluier midden op een akker en omringd door lijken,' zei Weienell, die een beschrijving gaf van wat ze zag.

'En een van die lijken lijkt wel een ridder in maliënkolder,' voegde Salietti eraan toe.

'Dat is het verhaal van de negen ridders van de Tempel van Salomo die het geheim der wijzen, verborgen in een kar, van Jeruzalem naar Frankrijk overbrengen; daarom bedekt de man in dat tafereel de kist natuurlijk met een sluier,' opperde Grimpow.

'En onder de taferelen met de kar en de kist staat een opschrift in het Latijn,' merkte Salietti op.

'Wat zou die tekst kunnen betekenen?' vroeg Weienell.

'Ik begrijp niet goed wat er staat,' antwoordde Salietti.

Grimpow pakte zijn stuk perkament met aantekeningen en het brokje houtskool en schreef de inscriptie over:

hlc amititur archa cederis

'Zoals ze daar geschreven staan hebben die woorden niet meteen duidelijke betekenis in het Latijn, hic betekent hier, op deze plaats. amititur lijkt zomaar een woord te zijn dat ondanks zijn Latijnse klank niet bestaat, hoewel het een afleiding zou kunnen zijn van amitto, waarvan de betekenis is: "ver heenzenden"; je zou het ook kunnen vertalen als achterlaten of verbergen. Gezien de afbeelding van het reliëf lijkt het me wel duidelijk dat archa "ark", ofwel kist is. Maar het woord cederis is minder duidelijk, en ik kan er geen specifieke betekenis in vinden, of het zou een verbuiging moeten zijn van cedo, wat "afstaan" betekent; of anders van foederis, en in dat geval zou de juiste vertaling "van het verbond" zijn’, zei Salietti, die het Latijn heel goed beheerste omdat het nauw verwant was aan zijn moedertaal.

'Dus volgens jouw theorie schijnt die inscriptie in een weinig gebruikelijk Latijn te zijn geschreven en zou het kunnen betekenen dat hier de afgestane kist of de Ark des Verbonds van veraf heen is gezonden,' vatte Weienell samen.

Salietti bleef in gedachten verzonken staan. Hij probeerde een andere, juistere betekenis aan die onduidelijke inscriptie toe te kennen, maar even later zei hij: 'Ik ben er niet zo zeker van, maar ik geloof wel dat dat een interpretatie zou kunnen zijn die er erg dichtbij komt.'

'Als we bedenken dat, zoals dokter Humius ons in zijn huis in Metz vertelde, in de taal van de oude wijzen niets is wat het lijkt te zijn, dan verbaast het me niets dat het lijkt alsof dit opschrift in het Latijn is geschreven met de bedoeling dat alleen zij die de ware betekenis ervan moeten begrijpen het kunnen interpreteren. En volgens jouw theorie, waarmee ik het eens ben, zou dit opschrift kunnen luiden, zonder het met zoveel woorden te zeggen, dat op deze plaats het geheim der wijzen is verborgen dat van heel ver hierheen werd gezonden,' betoogde Grimpow.

'Ik ben het met die redenering eens,' zei Weienell. 'De reliëfs die in de kapitelen van deze zuilen zijn uitgehakt, geven zonder enige twijfel de dramatische reis weer van de negen tempelridders die het geheim der wijzen van Jeruzalem naar Frankrijk vervoerden. En dat is nu precies de doortocht, gesymboliseerd door de zuilen die onder die naam op de kaart van de Onzichtbare Weg en in het handschrift van Aidor Bilbicum voorkomen. Dus laten we langs de zuilen van de doortocht gaan en de doolhof binnentreden!'

Toen ze door de Poort der Ingewijden naar binnen gingen, verlichtte het zwakker geworden licht van de zonsondergang nog net de talloze gebrandschilderde ramen die de hoge schepen van de kathedraal van Chartres omgaven. Die vormden zo een doorschijnend tapijt van tere nuances van rood, geel, blauw, zwart en groen, dat een oneindig groot aantal taferelen uit de Bijbel en het dagelijks leven werd weergegeven. Nu hij die eindeloze opeenvolging van weergaloze versieringen en afbeeldingen zag, begreep Grimpow waarom het woord arte - kunst - op de kaart van de Onzichtbare Weg deel uitmaakte van de naam chartres. Hij werd stil van verwondering toen de steen die om zijn hals hing begon te gloeien als een kooltje, zoals al eerder was gebeurd op een nacht in de omgeving van de abdij van Brinkdum.

'De doolhof waarover het manuscript van Aidor Bilbicum spreekt kan het labyrint van afbeeldingen zijn die in deze wonderbaarlijke glas-in-loodramen worden weergegeven. Ik geloof dat we ons moeten haasten, voordat de zon echt ondergaat, als we nog te weten willen komen waar we het zaadje moeten zaaien om de bloem te zien groeien,' zei Weienell. Ze was vastbesloten om alle Bijbelse taferelen die op de gebrandschilderde ramen werden weergegeven van het eerste tot het laatste tafereel zorgvuldig te onderzoeken.

Ze begonnen met de rozet van het noordelijke portaal, dat een maagd weergaf, omringd door koningen en profeten. Vandaar gingen ze verder door de oostelijke zijbeuk, waar ze een voor een elk gebrandschilderd raam van onder tot boven onderzochten, alsof de afbeeldingen van de aarde naar de hemel opstegen, en van rechts naar links, zoals ook de tekst van de laatste woorden was geschreven die ze aan de voeten van de duivel in de kathedraal van Parijs hadden gevonden. In elk raam was een groot aantal menselijke en goddelijke figuren afgebeeld, en ook abstracte elementen en siermotieven in de vorm van planten, omlijst door ontelbare cirkels, vierkanten, driehoeken en achthoeken, dat alles opgesteld in een overdadige uitstalling van hemelse lichten en eindeloze kleurschakeringen.

Grimpow hield de steen in zijn hand. Hij voelde de warmte ervan en zag het roodachtige schijnsel als een ondubbelzinnig teken dat het geheim der wijzen nu heel dicht in hun buurt moest zijn: verborgen in een van die kolossale zuilen, of verstopt onder een van de plavuizen die de vloer van de kathedraal bedekten.

Onder de gotische bogen van die gewelven vol wijsheid en mysterie voelden ook Weienell en Salietti intuïtief de nabije aanwezigheid van iets magisch en wonderbaarlijks, iets wat verrassend en onvoorstelbaar was, in staat om voor altijd het duistere universum van hun tijd en dat van de toekomst te verlichten. Per slot van rekening kwamen de woorden universum en tijd niet bij toeval voor in de raadsels die ze hadden opgelost voordat ze in Chartres aankwamen.

Weienell was de eerste die enkele flonkeringen van een gouden licht zag op de plavuizen in het zuiderschip van de kathedraal. En als eerste constateerde ze dat ook het woord korenaar niet zomaar deel uitmaakte van het sterrenbeeld Maagd. Het was evenmin toevallig dat het woord korenaar voorkwam tussen de 'laatste woorden' in het lettervierkant dat ze in de kathedraal in Parijs aan de voeten van de duivel hadden gevonden. Want voor zich zagen ze een grote, witte, platte steen, die anders was dan alle andere plavuizen die de vloer van de kathedraal vormden, en die was ingelegd met een korenaar van net zulk goudkleurig metaal als het goud van de alchemisten.

Weienell huiverde van ontroering toen ze dat zag. 'De korenaar die in het lettervierkant van de laatste woorden voorkwam, bevindt zich ook in de kathedraal van Chartres!' riep ze uit.

'Dan is dat misschien wel het doorslaggevende teken dat het geheim der wijzen onder die plavuis verborgen is. Misschien geeft die korenaar precies de plaats aan waar we het zaadje moeten zaaien om de bloem te zien groeien,' zei Salietti, al even verrast als Weienell.

Grimpow zei niets. Hij bukte zich en hield de steen in zijn hand vlak boven de gouden korenaar, die voor zijn ogen flonkerde in het laatste licht van de dag, dat al plaats begon te maken voor de duisternis van de nacht.

Allen wachtten ademloos tot het wonder zou gebeuren en die witte dekplaat aan zijn voeten een of andere doorgang zou openen die hen eindelijk naar het geheim der wijzen zou voeren, zoals ook was gebeurd in de crypte van de kerk van Cornill en bij de verzegelde kamer van de kastelen van de Cirkel. Maar de korenaar en de plavuis bleven zoals ze waren; en er gebeurde niets meer dan dat er teleurstelling verscheen op Salietti's gezicht.

'Misschien is het niet zo makkelijk als we dachten,' zei Grimpow zonder de moed te laten zakken.

'Ik zal wat kaarsen aansteken, voordat het hierbinnen helemaal donker wordt en we zelfs onze eigen schaduwen niet meer kunnen zien,' zei Salietti, terwijl hij naar het priesterkoor liep, waar enkele lange kaarsen voor het altaar stonden te branden.

Maar toen hij het middenschip in liep zag hij iets wat heel sterk zijn aandacht trok. De stenen vloer nam voor zijn voeten het uiterlijk aan van een reeks grote concentrische cirkels, gevormd door plavuizen van een bruingrijze kleur, die anders waren dan de rest van het plaveisel.

Geschokt door zijn ontdekking holde hij naar het altaar, pakte enkele kaarsen, stak ze aan met de vlam van een andere kaars en keerde terug naar de plek waar Grimpow en Weienell op hem wachtten.

'Ik heb de doolhof gevonden!' riep hij met onbeheerste geestdrift. 'Kom mee, hij is hiernaast, in het middenschip, vlak bij de hoofdingang,' voegde hij eraan toe, terwijl hij Weienell bij de hand pakte en haar meetrok alsof hij haar wilde schaken.

Grimpow volgde hen, en zijn gedachten namen de hoge vlucht van een majestueuze adelaar terwijl hij zich probeerde voor te stellen wat er in de doolhof zou gebeuren. In de bibliotheek van de abdij van Brinkdum had hij met broeder Rinaldo van Metz de betekenissen bestudeerd van zeer oude symbolische labyrinten. Er waren historische antecedenten zo ver in het verleden als het labyrint op het eiland Lemnos, dat op Kreta en dat in Clusium. Een labyrint was een plaats van verwarring, een val waar je binnen kon gaan maar onmogelijk weer uit kon komen, of je moest over de draad van Ariadne uit de Griekse mythologie beschikken. Zijn hart begon hoe langer hoe sneller te kloppen, en het licht van de steen die hij in zijn hand had - de sleutel tot alle mysteries - begon van een magische felheid te worden.

Ze bleven staan voor de eerste cirkelvormige lijn van de doolhof. Op de rand waren ontelbare halve cirkeltjes te zien, die er een gekarteld voorkomen aan gaven.

'Ja, dit is zonder enige twijfel een doolhof, hoewel niet precies zo als ik me had voorgesteld. Ik had een ingewikkelde reeks van onderaardse gangen verwacht die onmogelijk van elkaar te onderscheiden waren,' gaf Weienell toe, terwijl ze haar blik over het plaveisel van de kathedraal liet ronddwalen.

'Ik had ook een ingewikkelder doolhof verwacht, moet ik toegeven. Ik dacht dat we de ingang van een of andere onderaardse doorgang zouden vinden. Maar dit labyrint is gewoon aan de oppervlakte, zonder dat er muren of gangen te zien zijn,' zei Grimpow.

'Volgens mij is het één enkele doorgaande gang die, als je de loop van de concentrische cirkels en de ontelbare bochten van zijn tracé volgt, regelrecht naar het centrum van de doolhof leidt,' merkte Salietti op.

'De bloem!' riep Grimpow, niet in staat zijn blijdschap te verbergen. 'De bloem ligt in het middelpunt van de doolhoof,' voegde hij er verbijsterd aan toe. Direct daarop pakte hij zijn vel perkament met aantekeningen en tekende het tracé na dat hij zojuist met zijn blik had gevolgd, en alle drie keken ze stomverbaasd naar de bloemblaadjes van de bloem die duidelijk in het middelpunt van die vreemde, ingewikkelde weg te zien was, omsloten binnen een cirkel


'Laten we de ingang van de doolhof zoeken’, stelde Weienell voor, en ze begon meteen langs de gekartelde rand van de cirkel te lopen tot ze bij een punt kwam waar een opening was die toegang gaf tot de op de vloer van de kathedraal afgebeelde weg.

Alle drie ondergingen ze een intense ontroering nu ze de nabijheid van het geheim der wijzen voelden, alsof de magische aanwezigheid van iets wonderbaarlijks, ook al was het verborgen, voor al hun zintuigen waarneembaar was. De weg om bij de bloem te komen waarover het handschrift van Aidor Bilbicum sprak, lag eindelijk voor hen. Nu hoefden ze hem alleen nog maar te volgen om het zaadje te zaaien, dat niet anders kon zijn dan de steen die Grimpow in zijn hand hield, want de vorm daarvan leek sterk op die van een exotisch zaad. Maar waar moesten ze het zaaien? En wat zou er daarna gebeuren, vroegen ze zich af.

'Laten we naar binnen gaan en de doolhof doorlopen tot we in het midden komen. Dan denken we er wel verder over na hoe we het zaadje moeten zaaien om de bloem te zien groeien,' zei Grimpow.

Weienell en Salietti keken hem aan. Hun ogen straalden van de genegenheid en het respect dat ze voor hem voelden. Geen van hun beiden had zich ooit kunnen voorstellen dat ze een jongen zouden leren kennen die zo pienter en zo wijs was als Grimpow, en ze waren er trots op hem als hun beste vriend te hebben.

'Jij moet alleen het labyrint binnengaan, Grimpow,' zei Weienell, terwijl ze hem vol tederheid bij de hand nam. 'De lijnen van de doolhof zijn maar heel smal, om aan te geven dat de weg naar het middelpunt van de bloem maar door één mens tegelijk doorlopen kan worden, alsof de pelgrim die er naar binnen gaat een lange reis naar het binnenste van hemzelf maakt en ten slotte het geniale wezen ontdekt dat in zijn binnenste woont, en dat met geen enkel ander wonder van het universum gelijk te stellen is.'

'Weienell heeft gelijk. Jij hebt de steen der wijzen gevonden, en die heeft jou gekozen, weet je nog? Jij bent de enige die zijn geheim kan onthullen.'

'Maar we zijn toch allemaal samen hier gekomen! Die geheimzinnige steen is evengoed van jullie als van mij,' protesteerde Grimpow, die zich niet in staat achtte in zijn eentje de verantwoordelijkheid op zich te nemen de doolhof binnen te gaan en het geheim der wijzen te ontsluieren.

'Wij zijn alleen maar met je meegegaan opdat jij de opdracht kon voltooien waaraan onze vaders zijn begonnen. Dat zijn we verplicht aan hen en aan hun droom. Maar noch Salietti noch ik kan de invloed van de steen zo krachtig voelen als jij. In onze handen is de steen niet meer dan dat, een eenvoudig stukje mineraal dat er raar uitziet. Maar in jouw handen verandert die steen in iets heel wonderbaarlijks, met dat roodachtige schijnsel dat het inwendige ervan verlicht.'

'Vooruit, Grimpow, ga de doolhof in. Wij wachten hier op je en we zullen je geen moment uit het oog verliezen,' zei Salietti om hem gerust te stellen.

Grimpow haalde diep adem en stelde zich voor de ingang van het labyrint op. Hij aarzelde even en begon toen langzaam tussen de lijnen door te lopen die het tracé aangaven. Na enkele passen draaide de weg naar links, en liep zo verder tot hij hem naar de andere zijde van de doolhof voerde. Geleidelijk aan begon Grimpow zich wat kalmer te voelen. Hij kreeg het gevoel dat het licht van de steen die hij in zijn hand hield in intensiteit toenam, alsof het zijn geest en zijn ziel verlichtte op een manier die hij nooit eerder had gekend. Toen hij verder kwam in het labyrint, dat nu eens de ene kant en dan weer de andere kant op draaide, van het westen naar het oosten, om dan weer verder naar het zuiden te gaan of naar het noorden, herinnerde hij zich de tekst van het briefje dat Gurielf Labox in de kerk van Cornill voor Salietti had achtergelaten, en de tekst van het handschrift van Aidor Bilbicum. In gedachten reciteerde hij ze alsof ze een mooi, door een minstreel geschreven gedicht waren.

Wanneer je de aartsengel ontmoet

zal de crypte zonder lijk zich openen

waarin de geschiedenis sluimert.

Reis naar de stad van de boodschap

en vraag daar naar wie niet bestaat,

dan zul je de stem uit de duisternis horen.

Volg de weg van het teken

en zoek de verzegelde kamer

waar de tijd leven is en dood is.

Maar alleen als je de onsterfelijkheid bereikt

zul je erin slagen de Onzichtbare Weg te zien.

Die zal je leiden naar het eiland van Jipsar,

bewoond door fantastische wezens en monsters;

bied de duivel het hoofd,

en aan zijn voeten zul je de laatste woorden vinden.

Ga dan door de zuilen van de doortocht

en treed de doolhof binnen.

Zaai daar het zaadje

en je zult de bloem zien groeien.

En in elkaar snel opvolgende beelden overzag hij zijn leven vanaf de dag waarop hij, nog maar een jongen, vertrokken was uit het dorp waar hij geboren was. Hij herinnerde zich het lieve gezicht van zijn moeder toen ze afscheid van hem nam, dat van zijn vriend Durlib, de dode ridder in de bergen van de streek Ullpens, de monniken van de abdij van Brinkdum en alles wat hij bij hen had geleerd. En hij vond dat hij geluk had gehad dat hij Salietti had leren kennen en met hem was vertrokken om het geheim der wijzen te zoeken. Samen hadden ze de aartsengel ontmoet en in de crypte in Cornill het handschrift van Aidor Bilbicum gevonden, dat de geschiedenis van de steen bevatte. Samen hadden ze Weienell uit de klauwen van baron Figüeltach van Vokko gered. Met haar waren ze naar het logement van Junn de Mankepoot in de stad Straatsburg gereisd, waar ze met zijn hulp degene die niet bestond hadden gevonden en de stem uit de duisternis hadden gehoord, waarna ze voor Bulvar van Goztell waren gevlucht naar de kastelen van de Stenen Cirkel. En Weienell en hij hadden de onsterfelijkheid bereikt doordat het hun was gelukt de val van de verzegelde kamer te overleven, waarin de tijd leven was en dood was, zoals Salietti erin was geslaagd zijn leven te redden uit de slachting van hertog Gulf en zijn trouwe ridders, die op brute wijze waren verslagen door de legers van de onwetendheid. Maar dat had niet verhinderd dat ze de Onzichtbare Weg hadden gevolgd die hen naar het eiland van Jipsar leidde, in de stad Parijs, een eiland bewoond door fantastische wezens en monsters, waar ze aan de voeten van de duivel de laatste woorden der wijzen hadden gevonden, die naar de kwadratuur van de cirkel verwezen en naar de vereniging van de mens met God. En nu waren ze door de zuilen van de doortocht gegaan, en hij had de doolhof gevonden.

Hij hoefde nu alleen nog maar het zaadje te zaaien en de bloem te zien groeien.

In het midden van de doolhof keek Grimpow naar de bloemblaadjes van de bloem. Het licht van zijn steen was zo fel dat hij louter vuur leek, hoewel de aanraking ervan niet warmer was dan een zachte streling.

Grimpow wist niet waar hij het magische zaad dat hij in zijn hand had moest zaaien, maar voordat hij zich daarin verdiepte, keek hij naar de plek vanwaar Weienell en Salietti hem observeerden. Ze waren heel dicht bij hem en toch zag hij hen alsof hij door een afgrond van hen gescheiden was, of alsof de werkelijkheid in die doolhof anders was dan alles wat erbuiten lag. Toen nam hij zijn vel perkament met aantekeningen en tekende de bloem na.


Toen hij klaar was met zijn tekening, merkte hij dat er precies in het midden van de bloem in de vloer van de kathedraal een kleine opening was, niet groter dan zijn eigen steen. Hij bukte zich langzaam en legde zonder aarzelen de steen erin.

Toen gebeurde het wonder: het roodachtige schijnsel van de steen veranderde in een blauwachtig licht, zo fel dat het hem zelfs verblindde. En als een gloeiende vonk die zich verplaatst met de snelheid van een door de hemel flitsende vallende ster, breidde het felle licht zich plotseling uit over de hele tekening van de bloem en zette zijn baan voort, waarbij het nu elke lijn verlichtte, kronkelend langs elk hoekje van het labyrint, tot dit in zijn geheel leek te branden met een vreemd, blauwachtig vuur. Alle gebrandschilderde ramen in de muren rondom de doolhof lichtten op alsof de zon midden in de nacht ontvlamd was, en de zwarte koepel van de kathedraal vulde zich met minuscule sterren en kleine bewegende planeten, alsof op dat ogenblik het heelal zelf werd geschapen.

Tot zijn verbazing zag Grimpow dat boven de bloem van de doolhof een prachtige hemelbol zweefde, omringd door dunne nevelsluiers. Daarbinnen ontstond een eindeloze opeenvolging van getallen en wiskundige formules, beelden uit lang vervlogen en toekomstige tijden, onvoorstelbare tekens en symbolen. Hij hoefde alleen maar aan iets te denken dat hij niet wist om in de hemelbol het antwoord te vinden, hoewel hij het niet kon interpreteren. Maar hij begreep al snel dat alle raadsels van de natuur en de kosmos daar waren, vlak voor zijn ogen, en dat alles kon worden begrepen en verklaard als je maar de sleutels had om hun mysterieuze aard te onthullen. Ze hadden dezelfde kosmische aard als zijn steen, de steen der wijzen, de lapis philosophorum, de sleutel tot alle mysteries, die de mensheid zou helpen om de totale wijsheid te bereiken die die wonderbaarlijke bol, en het donkere, oneindige firmament waarin hij ronddraaide, al duizenden miljoenen jaren bevatten, sinds de tijd dat alleen nog maar het niets bestond.

Hij ging op de koude vloer van de kathedraal zitten en bleef zo urenlang in zichzelf verzonken de harmonie aanschouwen van dat kleine universum, dat op magische wijze was ontstaan uit het licht van zijn, steen. Nu onderscheidde hij heel duidelijk dezelfde beelden die hij in de abdij van Brinkdum in zijn verwarde dromen had menen te zien. Hij zag hemelse uitbarstingen die de sterren aan het firmament met miljoenen vermenigvuldigden; grote planetaire natuurrampen die hele continenten en oceanen in prachtige tijdloze landschappen veranderden; eeuwige ijsvlakten die de wereld overdekten onder een hemel die zwart was geworden door ondoordringbare asmassa's; epidemieën die de aarde teisterden; monsterachtige, meedogenloze machines die tongen van vuur uitspuwden te midden van afschuwelijke explosies; en oorlogen die miljoenen mannen, vrouwen en kinderen uitroeiden. Maar in die fascinerende hemelbol zag Grimpow ook weergaloze kunstwerken, wonderbaarlijke objecten en onwaarschijnlijke apparaten met ontelbare toepassingen in evenzovele vormen; fantastische steden met glazen paleizen vol licht die pulseerden in het duister van de nacht en die tot in de hemel reikten; mensen met een stijlvol voorkomen, uitgedost in vreemde, gedurfde kleding, die rondliepen te midden van duizenden snelle, fonkelende metalen wagens die voortdurend bewogen, reusachtige toestellen die vlogen als gigantische, exotische, zilverkleurige vogels en kolossale pijlen van vuur die het firmament doorkruisten en verre sterrenstelsels bereikten, verloren in de complexe oneindigheid van het universum.

Grimpow wist nu dat hij het geheim der wijzen had gevonden in dat wonderbaarlijke universum van licht, dat door de aanraking met de steen de mogelijkheid verschafte om de totale wijsheid te bereiken, en misschien ook de onsterfelijkheid. Maar hij wist ook dat het geheim der wijzen een onafgebroken, luisterrijk mysterie was waarvan nog slechts het eerste begin was ontsluierd, en dat er nog duizenden jaren voorbij zouden gaan voordat de mensheid erin zou slagen dat oneindige raadsel in zijn geheel te ontcijferen. Hij kwam zelfs niet te weten welk magisch toestel in staat was de wonderen te creëren die hij voor zich zag, maar dat deerde hem niet. Waarschijnlijk hadden de wijzen van het genootschap Ouroboros het ook nooit geweten want, zoals de blinde, honderdjarige monnik Uberto van Alessandria hem had verzekerd, het antwoord op die vraag lag voorbij de sterren, en dat was weer een nieuwe Onzichtbare Weg die geen enkel mens alleen ooit zou kunnen gaan. Zoals de laatste woorden der wijzen duidelijk maakten, ging het om een kwestie van tijd en een doel van het universum, waaraan de hele mensheid zou moeten deelnemen. Maar de kaart van die nieuwe Onzichtbare Weg was er en was ook in zijn steen. Zij zouden beginnen die te interpreteren, en van nu af aan zouden ze in de natuur en de kosmos de magische aard van de steen en van de menselijke ziel zoeken, die eens met God zou versmelten.

Hij werd wakker van enkele zonnestralen die bij het aanbreken van de dageraad door de gebrandschilderde glazen van de rozet boven de oostpoort van de kathedraal van Chartres schenen. Grimpow lag op de plavuizen van de doolhof, in het middelpunt van de bloem. Hij had de steen der wijzen in zijn hand, die oplichtte met een felle blauwe kleur alsof het een kostbaar juweel was. Weienel 1 streelde zijn voorhoofd en hielp hem overeind.

'Het is allemaal weer verdwenen,' zei Grimpow vermoeid, terwijl hij naar de koepel van de kathedraal keek, waar hij nauwelijks enkele uren eerder een wonderbaarlijke hemelbol had zien zweven door een oneindig firmament vol sterren.

'Nu heb je dat universum van wijsheid in je hand’, zei Salietti.

'Er zal een nieuwe tijd aanbreken die voor altijd het universum van de mensen zal verlichten. Dat is altijd de droom van onze vaders geweest en van alle wijzen van het geheime genootschap Ouroboros, en jij bent nu hun enige erfgenaam’, verzekerde Weienell hem op tedere toon.

Salietti wilde zeggen dat ze zo gauw mogelijk naar Florence moesten vertrekken, maar een gedruis van gezang en van mensen, dat de kathedraal naderde, deed hen opschrikken. De inwoners van Chartres hadden het nachtelijke feest beëindigd en kwamen nu allemaal naar de kathedraal om de vroegmis bij te wonen.

De grote deuren van het hoofdportaal van de kathedraal gingen wijd open voor de nieuwe dag, en een vrolijke, feestelijke stoet kwam het middenschip binnen, terwijl Grimpow, Weienell en Salietti het gebouw stilletjes verlieten door dezelfde Poort der Ingewijden waardoor ze waren binnengekomen. Nauwelijks waren ze langs de westgevel gelopen om naar de stal te gaan waar ze hun paarden hadden gelaten, toen de stem van een oude man die te midden van de menigte aan het schreeuwen was hun nieuwsgierigheid wekte. Ze letten goed op wat hij riep, en Grimpow dacht dat die stem hem niet onbekend voorkwam.

Hoor mijn woorden,

ongelovigen die de aarde bevolken,

mensen die elk wonder met argwaan begroeten,

ongelovigen en sceptici die de magie nooit

in verwarring brengt of verontrust.

Let goed op en geloof mij,

want het verhaal dat hier verteld wordt,

is niet alleen mooi maar ook waar.

Scherp jullie zintuigen,

stel ze open voor de grootsheid,

en laat de verbeelding je leiden,

zonder bedrog of valsheid,

naar een kasteel tussen de sterren...