Geschiedenis en legende

De bedienden brachten de paarden naar de stallen; de monniken keerden terug naar de slaapzaal; broeder Brasgdo begeleidde de soldaten van de koning naar de keuken om hun wat te eten en te drinken te geven; de abt nodigde Bulvar de inquisiteur uit om naar zijn privévertrek te komen, waar hij van een overvloedig avondmaal zou kunnen genieten terwijl hij hem de belangrijke redenen voor zijn bezoek vertelde. Durlib en Grimpow trokken zich terug in de pelgrimszaal om te gaan rusten, terwijl in alle hoeken en gaten van de abdij de stilte terugkeerde.

Toen ze op hun strozakken lagen, met als enige verlichting het schijnsel van een olielampje dat op de vloer stond te branden, vertelde Durlib Grimpow fluisterend over zijn ongerustheden. Hij liet zijn hoofd op zijn achter zijn nek gevouwen handen rusten en keek naar de zoldering alsof hij naar het oneindige staarde. 'Denk jij hetzelfde als ik?' vroeg hij.

'Ik geloof het wel.'

'Dat witte paard zonder ruiter zou best het paard van de dode ridder kunnen zijn,' opperde Durlib.

'Dat weet broeder Brasgdo wel zeker. Ik zag zijn panische gezicht toen dat paard langs hem liep,' antwoordde Grimpow.

'Het kan best zijn dat het paard het bos uit vluchtte omdat het van wilde beesten was geschrokken en dat zij het toen in het lage deel van het dal hebben gevonden,' voerde Durlib aan.

'Toen ik merkte dat het paard mank liep,' zei Grimpow, 'keek ik naar zijn benen en zag dat het daar wonden had en bloedvlekken, net beten van wolfstanden.'

Durlib woelde op zijn strozak; hij voelde de beet van een niets ontziende vlo. 'Waar ik me zorgen over maak is dat die dominicaanse geestelijke misschien vragen gaat stellen en broeder Brasgdo dan zijn mond voorbij praat, vooral als hij eerst een paar kruiken wijn heeft gedronken.'

'Ik denk niet dat broeder Brasgdo het zal wagen aan een inquisiteur te vertellen dat hij het spook van een ketter heeft gezien dat de bergen in ging,' stelde Grimpow hem gerust.

'Dan is er ook de abt nog, die de onbegrijpelijke tekens op de zilveren munten wel een beetje raar vond.'

'Je hebt gelijk, maar de abt zal met de afgezant van de paus ook niet over zijn omkoperijen willen praten.'

'Misschien zijn de dominicaanse geestelijke en zijn gevolg gewoon op weg naar Ullpens en hebben ze dat paard louter toevallig in het dal gevonden,' opperde Durlib, alsof hij verder geen belang meer aan de zaak wilde hechten.

'Nee,' zei Grimpow. 'Nu twijfel ik er niet meer aan dat die inquisiteur Bulvar van Goztell de dode ridder achtervolgde om hem op de brandstapel te verbranden. Ik snap alleen niet waarom... hoewel, ik heb zo'n idee dat de boodschap in de verzegelde brief en de steen er veel mee te maken hebben.' Hij sloot zijn ogen om zich te concentreren op de beelden die zich vaag in zijn geest aftekenden, alsof hij een waarzegger was.

'Kun jij echt die dingen zien waar je het over hebt?' vroeg Durlib, nog steeds verbaasd en ongelovig over die visioenen.

'Ik zie alleen maar rare beelden, Durlib, dat is alles,' antwoordde Grimpow vermoeid.

'Probeer nu maar een beetje te slapen, dan ga ik met de monnik praten die met de stallen belast is, om te zorgen dat onze paarden gereedstaan zodra het dag wordt, en dan zal ik meteen iets te weten proberen te komen over die dominicaan en de redenen waarom hij hier gekomen is.'

'Ik ben bang, Durlib,' zei Grimpow, en hij kroop helemaal onder de deken alsof er een sinistere schaduw over hem heen viel.

'Die wonderbaarlijke steen die jij om je nek hebt hangen, zal je beschermen; ga nu maar slapen, morgen zijn we al niet meer hier,' verzekerde Durlib hem, zonder dat hijzelf of Grimpow kon vermoeden hoezeer hij zich vergiste.

Durlib stond op, pakte de olielamp en verliet de zaal via de smalle trap die naar de keuken van de abdij voerde, waar de opgewekte stemmen van de soldaten van de Franse koning opnieuw de regel van de zwijgplicht verbraken.

In het donker haalde Grimpow de amulet van de dode ridder uit het linnen zakje, en op dat moment merkte hij vlak bij zich het zwakke schijnsel op van een gloeiend kooltje dat tussen zijn vingers leek te branden. Hij opende zijn hand, en daar was de steen: levend, roodachtig en flonkerend als een vallende ster die regelrecht uit de hemel kwam. Het ongewone licht van de steen nam toe tussen zijn vingers tot het de pelgrimszaal met vurige tinten verlichtte, zodat zelfs de ribben van het gewelfde plafond zichtbaar werden als het skelet van een reusachtig dier van duizenden jaren oud. Op dat moment voelde hij intuïtief dat niets ooit meer zo zou zijn als vroeger. Hij herinnerde zich het dorpje Obernalt en het armzalige stulpje van zijn ouders, zijn kinderjaren waarin hij voor de varkens en de geiten moest zorgen, het binnenhalen van de oogsten, zijn onbezonnen spelletjes en ruzies met andere kinderen van het dorp, zijn gelach en gehuil in de taveerne van zijn oom Felsdron de Bullebak. Maar nu wist hij zeker dat hij die kindertijd voor altijd achter zich zou laten, in zijn geheugen vervaagd als door de wind meegevoerde mistflarden, en hij was bang dat hij niet in staat zou zijn de moeilijke, gevaarlijke uitdagingen die het licht van de steen hem in het vooruitzicht stelde, het hoofd te bieden. Hij was tenslotte alleen maar een jongen die zojuist was begonnen samen met Durlib het wrede bestaan van de mannen te ontdekken.

Grimpow wist niet hoe lang hij geslapen had. Hij herinnerde zich dat hij in zijn dromen vaag verwarde beelden van voorbije en toekomstige tijden had gezien, die zich zonder enige zin vermengden met heel veel onbekende gezichten die tegen hem spraken in verre, vreemde talen. Hun woorden werden afgewisseld met eindeloze reeksen getallen en onbegrijpelijke tekens. In zijn dromen had hij zelfs heel duidelijk hemelse ontploffingen gezien die de sterren aan het firmament miljoenenvoudig vermenigvuldigden; kolossale wereldwijde natuurrampen die continenten en oceanen veranderden in prachtige, tijdloze landschappen en eeuwige ijsvelden die de wereld bedekten onder een lucht die zwart was van ondoordringbare as. Hij zag besmettelijke ziekten die de aarde teisterden; monsterachtige, meedogenloze machines die wolken van vuur uitstortten te midden van uitbarstingen van verschrikking; oorlogen die miljoenen mannen, vrouwen en kinderen vernietigden.

Tot hij plotseling het gevoel had dat iemand hem uit die nachtmerrie wakker schudde. Hij gilde bijna van ontzetting toen hij, verlicht door het zwakke schijnsel van een kaars, het gerimpelde, macabere gezicht voor zich zag van een oude monnik die hij niet kende.

'Vooruit, opschieten, opstaan!' drong de monnik half fluisterend aan.

'Wat is er?' vroeg Grimpow geschrokken en nog half door de slaap overmand.

'Er is nu geen tijd voor uitleg. Je moet zo vlug mogelijk hier weg,' zei de monnik, en hij trok aan hem om hem zonder dralen overeind te laten komen.

'En Durlib?' vroeg Grimpow, toen hij zag dat de strozak naast de zijne leeg was.

'Daar houden we ons later wel mee bezig, we gaan nu weg.' De oude monnik blies het licht van de olielamp die hij in zijn hand had uit, pakte Grimpow met zijn andere hand bij de arm en liep met snelle stappen door het donker naar de trap die naar het binnenplein van de kerk leidde.

Geschrokken, en tegen hem aangedrukt alsof hij zijn schaduw was, volgde Grimpow hem op de tast en zonder iets te zeggen. Ze lieten de ingang van de kerk links liggen en liepen haastig verder tot achter op de binnenplaats. Daar duwde de monnik, die hem leidde alsof hij een blinde was, met zijn schouder een deur open en voerde hem door een gang die Grimpow als erg lang en naargeestig voorkwam, zo lang duurde het voordat ze het einde ervan bereikten. Te midden van die diepe duisternis hoorde Grimpow alleen het geluid van zijn voetstappen op de plavuizen, en een ver gerucht van water, als van een onderaardse stroom die onder zijn voeten liep, gemengd met het hoge gekrijs van ratten. Toen merkte hij aan het ruwe schuren van zijn huid tegen de muren dat ze een nauwe wenteltrap afdaalden, tot ze eindelijk op een overloop stilhielden; daar stak de oude monnik met een licht beven van zijn benige, ruwe handen de lamp weer aan. Op dat moment zag Grimpow tot zijn schrik een heleboel op elkaar gestapelde doodshoofden, die hem vanuit enkele aan weerszijden van de rotswanden uitgegraven nissen leken aan te staren met hun onzichtbare ogen.

'Wees maar niet bang,' zei de monnik, 'het zijn alleen maar schedels van doden, en ze vinden het niet erg als iemand als jij hun rust van eeuwen komt verstoren.'

Zonder zich aan de panische angst van de jongen te storen liep de monnik enkele passen verder. Hij draaide een van de schedels om alsof hij een niet-bestaande nek wilde breken, en voor Grimpows van verbazing en angst wijd opengesperde ogen begon een gedeelte van de muur vlak voor hen met veel geraas opzij te schuiven, tot er een opening ontstond die wijd genoeg was om zonder moeite een lichaam door te laten. Grimpow dacht nog even dat hij voor de poorten van de hel zelf stond, en hij herinnerde zich wat Durlib hem over de vloek van de dode ridder had gezegd.

'Waar brengt u me heen? Waarom zegt u me niet waar mijn vriend Durlib is?' vroeg hij, zonder ook maar een spier van zijn lichaam te durven bewegen.

'Ik breng je alleen maar naar een veilige plek,' zei de oude monnik. 'Volg me nu, boven zal ik je alles uitleggen.'

Hij keek Grimpow aan met zo veel goedheid in zijn wimperloze ogen, dat al zijn angsten als bij toverslag verdwenen. Nu hij de monnik van zo dichtbij zag, kreeg Grimpow de indruk dat hij op zijn minst tachtig moest zijn, en toch sprak hij en bewoog hij zich met de vlotheid van een novice. Alleen het lichte beven van zijn handen en zijn gebruinde gezicht vol groeven, zo diep als de afgrond waarin ze nu waren afgedaald, wezen erop dat hij niet langer de sterke, geharde man was die hij eens moest zijn geweest.

Grimpow besloot hem te volgen, om zo snel mogelijk te weten te komen wat er nu eigenlijk aan de hand was en waarom hij zich moest verstoppen in dat gat, dat al even verborgen en ontoegankelijk was als een graftombe. Zonder opzij te kijken liep hij door de met doodshoofden omzoomde gang naar de ingang van de kleine, in de muur geopende spelonk. Hij ging een nauwe ruimte binnen, waar een trap begon die al even smal en kronkelig was als de trappen die naar de klokkentorens van kerken of naar kasteeltorens leiden.

Achter de monnik klauterde hij naar boven, en zo kwamen ze in een vierkante zaal waarvan de wanden geheel in beslag werden genomen door boekenplanken boordevol handschriften en perkamenten rollen. Er waren geen deuren of ramen, alleen het luik dat het zwarte trapgat afsloot waarlangs ze gekomen waren. Een ranzige, muffe lucht mengde zich met een aangename geur van gedroogde bloemen, waarvan Grimpow de oorsprong niet kon vaststellen.

'Waar zijn we?' vroeg hij terwijl hij vol bewondering naar de honderden boeken keek die hem omringden. Hij had het gevoel dat hij ze zou kunnen lezen zonder dat hij ze open hoefde te slaan, alsof hij elk woord dat ze op hun bladzijden bewaarden al kende.

'In een geheime kamer van de bibliotheek van de abdij van Brinkdum.'

De monnik zette de olielamp op een houten tafel die in het midden van dat merkwaardige vertrek stond, pakte een los eindje kaars en stak dat met het vlammetje aan. Daarmee stak hij ook de lampen aan die aan kettingen aan de zoldering hingen, tot het hele vertrek in een warm, oranjeachtig licht was gehuld. Daarna doofde hij het eindje kaars weer uit door met zijn vingers in de lont te knijpen, en Grimpow zag dat de vingertoppen van de oude monnik zwartgekleurd waren. Later zou hij begrijpen dat dat kwam door de inkt waarmee hij zijn leven lang tientallen boeken had gekopiëerd.

'Vuur is de enige meedogenloze vijand die je hierbinnen aan kunt treffen. Je zult heel voorzichtig te werk moeten gaan met het aansteken en uitdoven van de lampen, wanneer je alleen bent,' waarschuwde de monnik, terwijl hij vermoeid plaatsnam op het bankje van een schrijftafel in een hoek van het vertrek.

Grimpow ging tegenover de monnik zitten. 'Bent u van plan mij hier opgesloten te laten?' vroeg hij, onder de indruk van de treurige eenzaamheid van de gevangenschap die de oude monnik hem in het vooruitzicht stelde.

'Hier zit je beter dan in een kerker waar het krioelt van de ratten en kakkerlakken. Ik ken echt geen gerieflijker plekje waar de jachthonden die vanavond in de abdij gekomen zijn je niet kunnen vinden,' zei de monnik.

'En Durlib? Wat is er met hem gebeurd?' vroeg Grimpow angstig.

De oude monnik boog zijn hoofd. Aan de bedrukte uitdrukking in zijn ogen zag Grimpow wel dat hij niets hoopvols te vertellen had.

'Precies weet ik het niet, maar het is best mogelijk dat je vriend op dit moment al gevangenzit in een van die kerkers waar ik het net over had, om door Bulvar van Goztell te worden ondervraagd.'

Toen Grimpow dat hoorde, had hij een gevoel alsof de dolk van de dode ridder die hij om zijn middel verborgen had, zich in zijn ingewanden had geboord en hem een hevige pijn bezorgde. Sinds ze het lijk in de sneeuw hadden gevonden en hij de steen in zijn hand had genomen, had hij een voorgevoel gehad dat een of andere tragedie hem wachtte, en nu wist hij precies wat de oorzaak van zijn onrust was.

'Wat denkt u dat er met Durlib kan gebeuren?' vroeg hij, bezorgd over het lot van zijn vriend.

'Dat weet alleen God.'

'Wie bent u, en waarom denkt u dat de inquisiteur van Lyon en de soldaten van de koning van Frankrijk belangstelling kunnen hebben voor een armzalige dief als Durlib en voor een jongen als ik, die in het miezerige dorpje Obernalt is geboren?' Vroeg Grimpow nieuwsgierig.

De oude monnik hapte naar lucht als een vis op het droge; Grimpow veronderstelde dat hij als gevolg van zijn hoge leeftijd aan ademhalingsmoeilijkheden leed.

'Mijn naam is Rinaldo van Metz, geboren op de tiende september van het jaar 1228, en bibliothecaris van deze abdij sinds meer dan acht lustra. Als je wilt mag je me broeder Rinaldo noemen,' zei de monnik, trots op zijn naam en zijn afkomst.

Grimpow wist niet hoe hij de berekening zo snel had gemaakt, maar hij wist wel meteen dat de oude man die met hem sprak al 85 jaar was. Instinctief tastte hij onder zijn wambuis en voelde aan de punt van de dolk die Durlib hem had gegeven voordat hij de tas van de dode ridder onder het kruis aan de kant van de weg had begraven. Hij dacht bij zichzelf dat hij aan die dolk wel genoeg zou hebben om de bibliotheekmonnik op een afstand te houden als hij hem kwaad wilde doen. Heel even flitste het krankzinnige idee door zijn hoofd dat Rinaldo van Metz, ondanks de verstandige indruk die hij maakte, wel eens een gek zou kunnen zijn.

'U hebt me nog niet verteld wat de inquisitie eigenlijk van ons wil,' drong Grimpow aan toen de monnik bleef zwijgen.

'Inlichtingen over een tempelridder die Bulvar van Goztell al vanaf Lyon achternazit om hem gevangen te nemen, en die blijkbaar gisteren op de vlucht voor zijn achtervolgers deze bergen bereikte. De dominicaanse geestelijke en de soldaten die hem begeleiden hebben aan het begin van het dal zijn paard gevonden, aan de benen gewond door een of ander roofdier: een wolf, een lynx of een beer, wie zal het weten. Het paard had onder het zadel enkele vreemde symbolen van de tempelorde, met een brandmerk aangebracht.'

Het was voor het eerst dat Grimpow over een tempelridder en de tempelorde hoorde spreken, hoewel hij de indruk had dat een deel van hem die geschiedenis al kende.

'Een tempelridder, zei u?'

'Zo is het. Jij bent nog te jong om hierover gehoord te hebben, maar er was een tijd, niet zo lang geleden, dat de wapenfeiten van de ridders van de Tempel van Salomo in alle koninkrijken van het christendom bekend waren.'

'Durlib en ik weten niets van die tempelridder over wie u het hebt, en wij hebben nooit iemand in de bergen gezien,' loog Grimpow, niet in staat om broeder Rinaldo de waarheid te vertellen over het lijk in de sneeuw, de schat en de boodschap die de dode ridder in zijn leren tas bij zich droeg, de steen en de wijze waarop het lijk voor hun ogen was verdwenen.

'Mij hoef je niets voor te liegen, ik probeer je alleen maar te helpen om aan de klauwen van die verdorven monnik te ontkomen.

Inquisiteur Bulvar van Goztell weet dat Durlib de abt in ruil voor een stel paarden van de abdij een aantal zilveren munten met de vreemde tekens van de tempeliers heeft gegeven.'

'En hoe kunt u dat weten?'

'Binnen de muren van de abdij van Brinkdum gebeuren maar heel weinig dingen waar ik niet van weet,' zei de monnik op geheimzinnige toon. 'Maar dat is nu niet van belang.'

'Dus de abt heeft ons aangegeven?' wilde Grimpow weten.

'Zo is het,' gaf broeder Rinaldo luchtig toe, 'maar de abt heeft het met de dominicaan alleen maar over Durlib gehad, niet over jou.'

'Maar waarom heeft hij dat gedaan?'

'Uit angst met de gloeiende ijzers van de inquisitie te worden gebrandmerkt.'

Grimpow voelde een sterke aandrang om te krijsen van woede, toen hij zich voorstelde wat er met Durlib kon gebeuren, in handen van de beulen van de inquisiteur van Lyon. Hij wist niet goed wat de Rechtbank van de inquisitie precies inhield en waarom ze zogenaamde ketters martelden en levend op de brandstapel verbrandden, maar Durlib zelf had hem een keer uitgelegd waarom de Kerk heksen, tovenaars, geleerden en alle bedelmonniken en andere kloosterlingen die haar rijkdommen, leerstellingen en overtuigingen niet aanvaardden, vervolgde tot aan de dood. Dat was kort nadat hij Durlib had leren kennen, op een onheilspellende, warme zomerdag in de stad Ullpens, toen ze een ongelukkige in bebloede lompen op een kar zagen, die met gebonden handen zwakjes een houten kruis tussen zijn vingers vasthield. Een grote open wond in zijn hoofd liet een vormeloze massa hersens en geronnen bloed tussen zijn vastgeklitte haren zien, en zijn gebroken benen hingen heel raar naast het bankje waarop hij was vastgebonden. Een paar trommelslagers liepen voor de troep soldaten uit die hem naar de stapel brandhout op het plein voerden, waar hij levend werd verbrand onder de kreten van ontzetting van de ketter en het gejuich van allen die naar die wrede marteldood stonden te kijken.

'Breng me naar Bulvar van Goztell, dan zal ik hem de waarheid vertellen over die tempelridder naar wie hij op zoek is,' zei Grimpow, dodelijk verschrikt door het idee dat zijn vriend Durlib hetzelfde lot kon overkomen als die ongelukkige.

Broeder Rinaldo keek hem medelijdend aan. 'En denk jij dat dat zal voorkomen dat hij jullie allebei doodmaakt nadat je hem hebt gezegd wat hij wilde weten?' vroeg hij, met zijn wimperloze ogen wijd open.

'Ik weet het niet, maar zo zal ik tenminste beletten dat hij Durlib martelt. Ik zou het niet kunnen verdragen dat ze hem door mijn schuld pijn doen.'

'Jij moet eens ophouden met aan iets te denken dat je met geen mogelijkheid kunt vermijden. Durlib zal zichzelf wel kunnen verdedigen. Maar vertel me wel één ding,' zei de monnik, die vervolgens een ogenblik bleef zwijgen alsof hij niet goed wist hoe hij zijn vraag moest inkleden. Even later vroeg hij: 'Hebben jullie de tempelridder in de bergen overvallen om hem van die zilveren munten te beroven?'

Een ogenblik dacht Grimpow erover te liegen en te zeggen dat de ridder ze hun had aangeboden als ze hem hielpen uit de bergen weg te komen, maar iets in hem bracht hem ertoe broeder Rinaldo de waarheid over het gebeurde te vertellen.

'Nee, ik vond hem dood in de sneeuw in de buurt van onze hut, toen ik terugkwam van de konijnenjacht bij de waterval van het dorp. Durlib zei dat hij misschien van zijn paard weg was geraakt en door de mist in de bergen verdwaald was. Hij moet 's nachts van de kou gestorven zijn.'

'En hebben jullie zijn lijk begraven?'

Deze keer schudde Grimpow alleen maar zijn hoofd en voegde eraan toe: 'U zult het niet geloven, maar dat hoefde niet meer. We dachten erover om naar de abdij te gaan om de abt van onze vondst op de hoogte te stellen, zodat hij hem in de kerk kon begraven, maar ineens verdween zijn lijk in de sneeuw alsof het een wezen uit een andere wereld was.'

In broeder Rinaldo's ogen flonkerde een vreemde schittering. 'Dus het is toch waar!' riep hij uit, en hij sperde zijn wimperloze ogen nog wijder open.

'Hoe bedoelt u?' vroeg Grimpow verbaasd.

'Dat er een geheim is.'

'Ik begrijp u niet. Twijfelt u niet aan wat ik u net verteld heb?'

'Waarom zou ik aan dat wonder moeten twijfelen? Is het soms geen wonder dat de zon elke morgen in het oosten tevoorschijn komt en zich in het westen weer verbergt? Schuilt er soms geen mysterie in de wonderen der natuur, in de bewegingen van de maan of in de rust van de sterren?'

'Maar wat heeft dat allemaal met de geheimzinnige verdwijning van de tempelridder te maken?' drong Grimpow aan, hevig in verwarring.

'Dat de oude legende over het geheim van de tempeliers even waar is als de geschiedenis die jij mij nu vertelt,' zei de oude monnik geestdriftig. 'Dat geheim is nu juist wat Bulvar van Goztell wil ontdekken, en daarom achtervolgde hij de ridder die jij in de bergen dood hebt gevonden.'

'Over wat voor oude legende hebt u het?' vroeg Grimpow, net toen zich in zijn brein vage beelden van lang vervlogen tijden en verre landen begonnen af te tekenen.

'Voordat ik je over die legende vertel, moet je me zeggen of je behalve die zilveren munten nog iets anders bij het lijk van de tempelridder hebt gevonden.'

Weer aarzelde Grimpow tussen Rinaldo de waarheid vertellen en hem iets voorliegen. Ten slotte besloot hij toch hem een opsomming te geven van alle voorwerpen in de tas, maar niets te zeggen over de steen die de dode ridder in zijn hand had en die hij nu verborgen in het linnen zakje om zijn nek droeg.

'Bij het lijk lag een zadeltas met een heleboel zilveren munten, een stuk of wat juwelen en ringen, een paar dolken, een Verzegelde boodschap en een gouden stempel,' zei hij vlot.

'Een kostbare schat, dat is zeker, en die zullen jullie vast wel op een veilige plek verstopt hebben,' zei de monnik peinzend. 'Maar dat interesseert me niet zo, ik heb al heel veel jaren geleden afstand gedaan van de rijkdommen van de wereld. Vertel me liever over die boodschap en dat gouden stempel. Hebben jullie het lakzegel verbroken?'

'Dat heeft Durlib gedaan, met deze dolk,' verklaarde Grimpow terwijl hij de met juwelen bezette dolk vanonder zijn wambuis tevoorschijn haalde. 'Er stonden symbolen op die Durlib en ik niet begrepen. Geen van ons beiden kan lezen of schrijven,' zei hij, zonder helemaal te liegen... maar de inhoud van de boodschap, die hij dankzij de steen van de dode ridder had kunnen begrijpen, hield hij voor zich.

Toen hij de dolk zag, zette de oude monnik grote ogen op, alsof Grimpow over iets sprak wat hij al tientallen jaren had gehoopt te horen. 'Die dolk, met zijn met saffieren en robijnen ingelegde heft, is zonder enige twijfel de dolk van een tempelridder,' zei hij verbluft. 'Heb je die boodschap soms ook bij je?' voegde hij eraan toe met een ernstige, verwachtingsvolle uitdrukking op zijn gerimpelde gezicht.

'Die hebben we in de tas gelaten, met het gouden stempel.'

'Geeft niet, geeft niet. Alles klopt even nauwkeurig, net als elke nacht de hemellichamen aan het firmament verschijnen,' mompelde de monnik bij zichzelf.

'Wat zegt u daar?' vroeg Grimpow.

'Ik dacht alleen maar hardop,' zei broeder Rinaldo, in gedachten verzonken.

Het viel Grimpow op dat de oude monnik hem niet vroeg waar Durlib en hij de schat van de dode ridder hadden verborgen, wat zijn vermoeden bevestigde dat het niet de zilveren munten en ook niet de juwelen waren die de oude man interesseerden.

'En hoe zit het met die oude legende waarover u me zou vertellen?' vroeg Grimpow om hem uit zijn overpeinzingen te halen.

Broeder Rinaldo sloot zijn ogen en hield ze zo gedurende enkele ogenblikken, alsof hij op het punt stond de peilloze diepten van zijn herinnering binnen te gaan om daar het verre begin te zoeken van de legende van het geheim van de tempelridders. Toen opende hij langzaam zijn wimperloze ogen weer.

'Bijna twee eeuwen geleden, om precies te zijn in het jaar 1118, reisden negen Franse en Vlaamse ridders naar Jeruzalem. Ze waren het ridderleven moe en hadden besloten de monnikspij aan te trekken. Ze boden zich bij koning Boudewijn de Tweede aan met de bedoeling beschermers te worden van de christelijke pelgrims die al vanaf de eerste kruistocht in grote menigten naar het Heilige Land stroomden om het graf van Christus te eren. In Jeruzalem vonden ze logies in de vroegere Tempel van Salomo, waar ze lange tijd bleven om zich aan meditatie en gebed te wijden. Volgens de legende was hun werkelijke missie om in de ruïnes van die heilige ruimte een duizenden jaren oud geheim te ontdekken, een geheim waarvan sprake was in zeer oude handschriften die door de kruisvaarders na de verovering van Jeruzalem waren gevonden, een geheim dat aan hen die het vonden macht over de wereld verleende en zelfs onsterfelijkheid. Negen jaar na de aankomst van de negen ridders in de Tempel van Salomo, keerden zes van hen naar Frankrijk terug met een gigantische kar, zodat velen dachten dat ze hun opdracht met succes vervuld hadden.'

Grimpow, in de ban van het verhaal van broeder Rinaldo, onderbrak hem. 'En hebben ze het geheim dat ze zochten ontdekt?'

'Niemand heeft dat ooit met zekerheid geweten, maar velen zeiden toen dat de ridders van de Tempel van Salomo naar Frankrijk waren teruggekeerd met de Ark des Verbonds, waaraan de Bijbel een bovennatuurlijke kracht verleent. Eenmaal aangekomen in Frankrijk, hebben de ridders de Ark opnieuw op een of andere onbekende plek voor de ogen van de mensheid verborgen. Maar weer anderen beweerden dat wat de negen ridders in de stallen van de Tempel van Salomo werkelijk hadden aangetroffen, de Heilige Graal was.'

'De Heilige Graal?'

'Dat is de kelk waaruit onze Heer tijdens het Laatste Avondmaal de wijn dronk,' legde hij uit. 'Men beweerde dat die fabelachtige kelk wonderbaarlijke eigenschappen bevatte die voor de mensen onvoorstelbaar waren.'

'En was dat echt zo?' vroeg Grimpow, die intuïtief aanvoelde dat de steen die hij bezat iets heel anders was dan dat waar de monnik het over had.

'Dat weet ik niet,' gaf de monnik toe. 'Het enige zekere is dat korte tijd daarna duizenden soldaat-monniken zich bij de Orde van de Tempel aansloten, en dat deze zich snel over alle koninkrijken van Europa uitbreidde en in elk daarvan talrijke kloosterterreinen, kapellen en kastelen vestigde. Zoveel macht en rijkdom bereikten de tempelridders dat zelfs koningen geloofden dat ze in werkelijkheid een schat van onmetelijke waarde hadden gevonden.'

'Waren ze zo rijk en machtig?' vroeg Grimpow, hem opnieuw onderbrekend.

'Meer dan een koning of keizer ooit had kunnen worden,' zei broeder Rinaldo.

'Waarom worden ze dan nu vervolgd?'

'Voor zover ik van enkele monniken die van Parijs naar de abdij kwamen heb gehoord, heeft de Franse koning Filips lV - ook wel de Schone genoemd ondanks zijn lelijke apenkop - verblind door hebzucht en wreedheid zes jaar geleden zijn soldaten bevel gegeven om alle tempelridders die in het koninkrijk leefden gevangen te nemen. Hij had de laaghartige bedoeling zich van hun kastelen meester te maken, hen van hun rijkdommen te beroven en hun geheimen te ontdekken. Honderden tempelridders, gehard in bloedige veldslagen, werden in gevangenissen opgesloten, vernederd en gemarteld tot de dood erop volgde. Ze werden er vals van beschuldigd Christus te loochenen, op het kruisbeeld te spuwen en een duivels afgodsbeeld te aanbidden dat ze Baphomet noemden. Talrijke tempeliers bekenden onder verschrikkelijke folteringen hun schuld tegenover de inquisitie en werden vervolgens zonder mededogen op de brandstapel verbrand. Zelfs paus Clemens v zelf, bang voor de woede van de Franse koning, verzocht alle koningen van het christendom iedere tempelier te vervolgen die zich in hun domeinen zou verbergen, zonder dat hij ook maar iets deed om die mensen te verdedigen die hem twee eeuwen lang hadden geholpen bij de kruistochten naar het Heilige Land.'

'Was dat de reden dat Bulvar van Goztell de tempelridder achtervolgde die naar deze bergen kwam?' vroeg Grimpow, die alles begrepen meende te hebben wat de oude monnik hem vertelde. Hij was blij te merken dat hij zich niet had vergist toen hij Durlib vertelde over zijn vermoeden dat de dode ridder op de vlucht was voor een wisse dood op de brandstapel.

'Voor een deel wel, maar vanavond hoorde ik Bulvar de Goztell met de abt praten,' zei de monnik, terwijl hij zich onrustig op zijn stoel bewoog. 'Hij zei dat Jacques de Molay, de laatste grootmeester van de Tempel, toen hij samen met de andere commandeurs van de Orde in de toren van Parijs gevangen zat, aan zijn beulen iets heeft bekend. Namelijk dat het geheim dat de negen ridders tweehonderd jaar geleden in de Tempel van Salomo ontdekten slechts bekend was bij een groep wijzen die niemand, ook hijzelf niet, ooit had gezien.'

'En u denkt dat de dode ridder iets met dit geheim te maken had?'

'Daar is de inquisiteur Bulvar van Goztell van overtuigd,' antwoordde broeder Rinaldo. 'En te oordelen naar de boodschap in geheimschrift en het gouden stempel is er ook voor mij geen twijfel aan,' voegde hij eraan toe.

'Maar als die hele legende nu eens onwaar is?' vroeg Grimpow, die niet zomaar aan wilde nemen dat de oplossingen van het geheim van de tempeliers in de zadeltas konden zitten die Durlib en hij bij het kruis hadden begraven.

'Afgezien van het deel over het geheim dat de negen soldaatmonniken twee eeuwen geleden in de Tempel van Salomo ontdekten, is alles wat ik je heb verteld even waar als het feit dat wij hier op dit uur van de nacht klaarwakker zijn. Dat is geschiedenis, geen legende,' zei hij.

Toen kreeg Grimpow een ingeving waar hij tot op dat moment nog niet aan had gedacht. 'U bent eerst tempelridder geweest voordat u zich in deze abdij opsloot, niet?' vroeg hij ineens.

Een grimas van ongerustheid trok over het gezicht van de monnik. Zijn ogen werden heel klein en zijn blik gleed over de handschriften die op de planken rondom hem opgestapeld lagen. 'Er is inderdaad een tijd geweest waarin ik dat was, maar dat is al zo lang geleden dat mijn slechte geheugen niet meer weet waarom ik ermee ben opgehouden,' gaf hij zonder verdriet toe.

'Misschien vindt u het niet prettig u te herinneren wat u toen deed,' zei Grimpow.

'Kan zijn,' zei de monnik, terwijl hij Grimpow aankeek zoals je een profeet aankijkt.

Grimpow merkte een lichte trilling op in de handen van broeder Rinaldo, die hij probeerde te verbergen door ze in zijn schoot te vouwen. Na enkele ogenblikken van intense stilte vertelde de monnik hem de lotgevallen van zijn leven vanaf het tijdstip waarop hij, toen hij nog een jongen was, ietsje ouder dan Grimpow, het territorium betrad van de tempelridders in zijn kleine geboortestad Metz, in Lotharingen, in het noordoosten van Frankrijk. Hij had daarmee gevolg gegeven aan de aansporingen van een oom van hem, die toen commandeur van de orde was. Vanaf zijn zestiende had hij in het Heilige Land geleefd, om de burchten van de tempeliers in Safed, Tripoli, Damascus, Gaza, Galilea, Damiate en Akko met het zwaard tegen de ongelovigen te verdedigen. Ook had hij aan de zevende en de achtste kruistocht deelgenomen, samen met de Franse koning Lodewijk IV, die de christelijke legers aanvoerde maar die in het jaar 1270 aan de Zwarte Dood stierf voor de poorten van de stad Tunis, tegelijk met nog andere leden van de koninklijke familie.

'In datzelfde jaar, toen ik er genoeg van had zoveel lijken, zoveel verminkte lichamen en zoveel in de naam van God nutteloos vergoten bloed te zien, besloot ik me van de wereld, zijn wreedheden en ellende af te keren. Ik zocht mijn toevlucht in de afgelegen abdij van Brinkdum, met als enig doel de rest van mijn levensdagen door te brengen met het bestuderen van de kostbare handschriften in de onmetelijk grote bibliotheek. De geschriften die je hier om je heen ziet, zijn de boeken die door de Kerk verboden zijn. Ze worden hier al eeuwenlang bewaard, beschermd tegen de nieuwsgierige blik van de monniken,' besloot hij met een zucht.

'Hebt u ze allemaal gelezen?' vroeg Grimpow, terwijl hij verbaasd om zich heen keek.

'Allemaal, zonder één uitzondering,' zei de monnik trots, 'en ze bevatten zoveel wijsheid dat ik heel wat keren aan het bestaan van God ben gaan twijfelen.'

'Dat begrijp ik niet,' mompelde Grimpow.

'Als het denkbeeld van God als schepper van de hemel en de aarde ons dient om alles wat ons omringt te verklaren, dan wordt het wel moeilijk nog in Hem te geloven wanneer de hemel en de aarde zo ver kunnen komen in het zichzelf verklaren. Vele wijzen beginnen hier vorderingen in te maken, en hun vernuftige theorieën staan in deze wonderbaarlijke boeken die de inquisitie als ketterij bestempelt. Maar zelfs als ik zou aannemen dat God bestaat, dan zal ik toch nooit meer geloven in de oorlogszuchtige, meedogenloze God die pausen, koningen en keizers aanbidden om hun hebzucht te bevredigen,' zei de man geestdriftig. 'Toen ik uit het Heilige Land terugkwam, zag ik dat veel monniken die liefdadigheid en armoede predikten, omdat ze tot de bedelorden behoorden, daarvoor werden vervolgd en gevangengezet. Zelfs de eerste tempelridders waren er voorstanders van om armoede en wijsheid te betrachten zolang hun verblijf van negen jaar in Jeruzalem duurde. Maar na het stichten van de orde veranderden ze na verloop van tijd in krijgers die al even eerzuchtig en arrogant waren als hun vijanden van nu. Slechts enkelen bleven trouw aan hun beginselen, en dat waren de enige erfgenamen van het geheim van de negen ridders van de Tempel van Salomo. De legende die ik je heb verteld noemt die groep van tempelridders die nooit gebruik van het zwaard maakten, de "Uitverkorenen".'

'De Uitverkorenen?' vroeg Grimpow, vol belangstelling voor de nieuwe wending die zijn gesprek met de oude monnik had genomen.

'Een Uitverkorene bezit de drang tot leren en kennis, als een innerlijke kracht die hem de werkelijkheid van de wereld kan tonen, om zo de schakels te vormen van een keten van wijsheid die de mensheid overstijgt en die hem in staat zal stellen het geheim der wijzen te ontdekken. Die wonderbaarlijke schat, die niemand nog ooit heeft gezien en waarvan de deuren voor velen gesloten zijn, is alleen bereikbaar voor hen die hem zoeken door de juiste tekens en wegen te volgen.'

'En u, zoekt u ook naar die schat?'

'Ik sta al te dicht bij de dood om nog avonturen te ondernemen die meer iets voor de jeugd zijn. Maar jij hebt nog de mogelijkheid om het geheim der wijzen te onthullen.'

'Gelooft u dus dat de dode tempelridder een Uitverkorene was?'

'Zonder ook maar de minste twijfel. En het lot heeft ook jou gekozen,' zei hij. 'Als jij het lijk in de sneeuw hebt gevonden, samen met het stempel en de boodschap die het bij zich droeg, dan moet jij wel degene zijn die de opdracht voortzet die aan hem was toegekend en die hij niet heeft kunnen volbrengen.'

Wat Grimpow daar hoorde, bevestigde de gedachten die hij had toen hij in de bergen het warme contact met de steen tussen zijn vingers voelde. Hij wist dat hij de taak moest voortzetten die door de ongelukkige dood van de tempelridder was onderbroken, maar hij had geen idee hoe hij dat moest doen, alleen dat hij in de verre stad Straatsburg Aidor Bilbicum moest zoeken, de man voor wie de perkamenten boodschap bestemd was.

'En wat kan ik doen om dat geheim te onthullen?' vroeg hij om zich uit zijn bedwelming los te rukken.

'In de eerste plaats zul je de boodschap van de verzegelde brief moeten ontcijferen, die je op het lijk van de ridder hebt gevonden. De tempeliers bedienden zich van de joodse kabbala en van een groot aantal in hiërogliefen of geheimschrift geschreven talen, die alleen zij die er de sleutels van bezaten konden begrijpen. Zelfs ik, hoewel ik toch vele jaren lang een van hen ben geweest, weet niet zeker of ik je wel zal kunnen helpen, zelfs als ik de verzegelde boodschap onder mijn ogen heb.'

Grimpow twijfelde niet aan de oprechtheid waarmee broeder Rinaldo had gesproken, en hij besloot die te beantwoorden door hem te vertellen hoe hij de brief met behulp van de steen had kunnen ontcijferen. Hij dacht dat de oude monnik hem misschien wel zou kunnen helpen achter de werkelijke betekenis te komen van die raadselachtige tekst, die van de hemel, de duisternis en het licht sprak.

'En als ik u nu eens zeg dat ik de boodschap van die verzegelde brief heb begrepen toen ik hem zag?'

De oude monnik kreeg een schok van verbazing en keek hem ongelovig aan, in de verwachting dat Grimpow verder zou gaan met zijn onthullingen. Toen die bleef zwijgen, vroeg hij half fluisterend, bang voor het antwoord: 'Heb jij een bovennatuurlijk visioen gehad?'

'Ik weet niet goed wat dat is,' antwoordde Grimpow. 'Maar toen ik de vreemde tekens op dat perkament zag, begreep ik ze alsof een inwendige stem op magische wijze hun betekenis aan mij onthulde.'

'Dat is wonderbaarlijk!' riep broeder Rinaldo uit. Hij veegde met zijn hand over zijn voorhoofd alsof hij zweette, ondanks de felle kou die in het vertrek heerste.

'De verzegelde boodschap zei alleen maar: "In de hemel heersen duisternis en licht. Aidor Bilbicum. Straatsburg".'

Voldoening was op het gezicht van de oude monnik te lezen toen hij Grimpows woorden hoorde. 'Een wachtwoord, een persoon en een stad,' mompelde hij peinzend.

'En?' vroeg Grimpow, in de verwachting dat broeder Rinaldo nog iets meer zou zeggen dan wat hij al wist.

'Alles klopt, alles klopt,' zei hij eenvoudig. Toen herhaalde hij op luide, melodieuze toon: 'In de hemel heersen duisternis en licht.'

'Wat denkt u dat dit kan betekenen?' vroeg Grimpow.

'In de hemel heersen duisternis en licht, de nacht en de dag, donkerte en helderheid, onwetendheid en wijsheid,' zei hij.

'Ik dacht ook al zoiets.'

'Ik geloof dat het een code is. Wanneer hij die boodschap krijgt, zal die zogeheten Aidor Bilbicum weten wat hem te doen staat. Maar wat ik maar niet kan verklaren is hoe jij, een jongen die zelfs niet kan lezen of schrijven, dit raadsel kon ontcijferen.' Met die woorden stond hij op, liep naar een van de boekenplanken achter hem en pakte een dik, verlucht handschrift. Hij legde het opengeslagen op de tafel en hield de brandende olielamp er zo dicht bij dat de bladzijden gouden tinten aannamen.

'Kom dichterbij,' zei hij tegen Grimpow, in opgewonden afwachting.

Grimpow gehoorzaamde en kwam naast hem staan. Zijn blik rustte op de bladzijden van het omvangrijke boek, waar hij een in twee kolommen geschreven tekst zag die rondom vier gelijke cirkels was aangebracht. In elke cirkel waren taferelen van engelen en monniken afgebeeld, geschilderd in felle rode en blauwe kleuren, naast een ommuurde stad die met bladgoud was omlijst.

'Kun jij begrijpen wat hier staat?' vroeg de oude monnik, zonder zijn blik van Grimpows gezicht af te wenden, terwijl hij met zijn wijsvinger het begin van de tekst aanwees, met prachtige letters in het Latijn geschreven.

'En de muur van de stad werd gebouwd van jaspis en de stad zelve van zuiver goud, gelijkend op zuiver glas. De rijen muren van de stad werden versierd met alle soorten van edelstenen...' begon

Grimpow te lezen, alsof het Latijn de taal van zijn ouders was en hij het vanaf zijn geboorte had leren spreken.

'Genoeg, genoeg,' mompelde de oude monnik met een gezicht dat zichtbaar vervormd was door zijn verbazing, terwijl in zijn ogen een lichtend vonkje schitterde.

'Durlib is ervan overtuigd dat alles wat ons overkomen is sinds we in de bergen het lijk gevonden hebben, het werk van de duivel zelf is,' merkte Grimpow op.

'Eigenaardige, uitzonderlijke dingen zijn het die jij vertelt, dat is zeker, en als ik niet met mijn eigen ogen had gezien hoe je die Latijnse tekst vertaalde zonder te kunnen lezen en zonder die oude taal te kennen, dan zou ik denken dat het alleen maar fantasieën van onnozele komedianten en poppenkastspelers waren. Maar het is wel duidelijk dat, of het nu om een wonder gaat of om tovenarij, er iets onverklaarbaars met jou is gebeurd sinds je die geheimzinnige dode ridder hebt aangetroffen. Veel mensen bestempelden de tempelridders als tovenaars en geestenbezweerders en beweerden dat ze hun rijkdommen door de slinkse kunsten van de tovenarij hadden verkregen. Maar na alles wat jij me hebt verteld en wat ik zelf heb gezien, ben ik ervan overtuigd dat hun geheim iets veel fantastischers en raadselachtigers is dan een simpele toverformule.'

Grimpow hoefde nu alleen nog maar te vertellen over de amulet, dan zou broeder Rinaldo tot in alle bijzonderheden weten wat er was gebeurd. Grimpow veronderstelde dat de monnik zou kunnen bevestigen of het inderdaad die merkwaardige steen was die de wonderen in zijn brein tot stand bracht. Maar juist op dat moment begonnen de klokken van de abdijtoren te luiden voor de metten.

'Ik moet nu weg; de abt en de inquisiteur zullen me missen als ze tijdens het gebed mijn bank in het koor leeg zien,' zei de oude monnik.

Hij verwijderde zich van de tafel. Grimpow zag dat hij met zijn handen achter een van de naburige planken begon te tasten en daarna achter een andere, tot plotseling een van de rekken vol boeken draaide, zodat er een opening ontstond die zwart was als de nacht.

'Komt u gauw weer terug?' vroeg hij toen de monnik aanstalten maakte om naar de andere kant te gaan van wat, veronderstelde Grimpow, een van de zalen van de echte bibliotheek was.

'Ik zie je straks weer, na het eerste uur, als het licht wordt. Ik zal proberen je iets te eten te brengen en ook nieuws over je vriend Durlib,' zei broeder Rinaldo, terwijl hij even onder de bovendorpel bleef staan die door de hoogste boekenplanken werd gevormd.

'U vergeet het olielampje,' waarschuwde Grimpow voordat hij wegging.

Maar de oude monnik draaide zich om en vertrok uit de geheime kamer. 'Mijn ogen zijn eraan gewend in het donker te zien.'

De broze, ietwat gebogen gestalte van de oude man verdween in de duisternis. Even later sloot de boekenkast zich weer met een doffe klap, en Grimpow bleef achter in totale eenzaamheid.