24 De zoon van de duivel in Bergen op Zoom

Dit verhaal speelt zich af in de achttiende eeuw rond de vesting van Bergen op Zoom, die in die tijd de drukbevaren Schelde moest bewaken. Het is een verhaal dat inmiddels tot de echte klassiekers behoort in Nederland, een goed voorbeeld van een van onze zeldzame soldatensagen. Waarschijnlijk is het echt gebeurd, in Bergen op Zoom: een militair schiet (per ongeluk) zijn eigen zoon dood.

Dit is de versie van verhalenverteller Josef Cohen, die het opnam in zijn Nederlandsche sagen en legenden (1922).

Bergen op Zoom, in de achttiende eeuw, door Josef Cohen – De duivel was een streng militair. Wanneer hij door de stad reed, door de Steenbergse straat, de Blauwe Handstraat, of over de Grote Markt, zagen de burgers hem vrezend na en menigeen dacht bij zichzelf: liever zou ik willen sterven dan onder de duivel te staan.

In zijn hand droeg hij een kleine karwats die één scheen te zijn met zijn hand. Graag drukte hij ’t paard de sporen in de zijden zodat het steigerde en vonken uit de stenen sloegen. Wanneer dan de voorbijgangers angstig wegstoven, lachte hij schor, en schudde de karwats, alsof hij zeggen wilde: ‘Ik wou dat ik ze allemaal kon ranselen en dat ik de bloedige striemen zag over hun gezicht en hun handen. Of dat ze onder de hoeven van ’t paard raakten en dat ik ze van pijn zag kruipen.’

Hij had een zoon die als vaandrig bij het regiment diende: Alfons was zijn naam. Het was een vrolijke kornuit die geen enkele vreugde versmaadde en die de meisjes van Bergen op Zoom liever had dan de krijgstucht. Hoezee en hier ginder! De Brabantse meisjes, die anders zo kieskeurig zijn, noemden hem de schonen Alfons, ziedegij!

‘Een schoonere jongen dan Alfons vindt gij in Brabant niet,’ zo zeiden ze.

Wie kon begrijpen dat hij de zoon was van de stuurse plaatsmajoor die in geheime lust niets liever deed dan pijn veroorzaken en die eerst genoot wanneer hij iemand kwellen kon?

Een morgen waren de officieren op de binnenplaats der kazerne tezamen, toen zij dof tromgeroffel hoorden. Zij staakten hun gesprek en luisterden.

‘Zou er weer iets met de duivel zijn gebeurd?’ vroeg een jong luitenant.

Nooit noemde men de plaatsmajoor anders, zelfs niet in tegenwoordigheid van de zoon. ’t Was een duivel, dat wist iedereen. Ja, velen zeiden dat hij erger dan de duivel was, slimmer in zijn streken en onmenselijker in zijn wreedheid.

De plaatsmajoor trad op hen toe. Op dertig el afstand schreeuwde hij al: ‘Dat moet uit zijn. Als ik een schildwacht in slaap zie, schiet ik hem dood. Hoe kan ik op mijn soldaten vertrouwen, wanneer ze in slaap vallen?’

In de verte werd een baar gedragen, waaraan een zwart kleed hing. Dof rommelde de trom.

‘Nu zal ’t ze duidelijk zijn,’ grijnsde de duivel. ‘Ik heb er vannacht een gesnapt, die stond net als een paard te slapen. Hij kan er in de hemel of hel over nadenken.’

De officieren zwegen steeds. Wie durfde een woord te spreken? De duivel zag hen aan en gromde: ‘Ik ben blij dat ge ’t met
mij eens zijt, en versta me wel, ik verwacht van u hetzelfde.
Geen genade voor de schildwacht die niet waakt. Ik dank u!’

Hij groette met een kort, dreigend gebaar. Heel in de verte bromde de trom. Niemand zag de zoon aan. Men gevoelde lust om buiten hem de zaak te bespreken.

Toen zei Alfons rauw: ‘Mijn vader is een goed militair.’

Misschien hoorden zij allen dat er angst en schaamte in hem was. Zij wisten het allen dat de man zijn straf had verdiend, maar er was wroeging in hun ziel omdat de duivel hem had gedood. Een huivering voer langs hen heen. Hun gezichten werden strak en menigeen bemerkte dat hij onwillekeurig de hand aan de degen had geslagen.

Alfons vooral bestreed zijn jeugd. Hij hoopte dat een der anderen iets beledigends over zijn vader zou zeggen, zodat hij deze zou kunnen aangrijpen. Toch was hij zichzelf niet meester en voortdurend hoorde hij een stem spreken: ‘Duivel! duivel! jij bent een duivelszoon.’

Eindelijk stelde een gemoedelijk kapitein voor om heen te gaan. ‘Wij hebben niet te oordelen...’

Langzamerhand scheen het dat zij vergeten zouden. Nooit spraken zij er met elkander over. Het waren meerendeels jonge mensen die ’t leven liefhadden en de ouden hadden reeds te veel ondervonden. Binnen enige dagen was het weer tussen hen als vanouds.

Wanneer zij echter nog eens een schildwacht zagen die op zijn post was ingeslapen, was ’t een geheime overeenkomst dat ze hem wekten.

Had de duivel dit bemerkt?

Hij liet een order bekendmaken die ineens de oude geleden geschiedenis in herinnering bracht. Nog strenger dan vroeger luidde het bevel.

Wie een schildwacht slapende zou aantreffen, had ’t recht hem te doden. Wanneer een soldaat het bemerkte, rustte op hem de plicht; als hij deze plicht niet volvoerde, zou hij zelf moeten sterven.

Angstig luisterde Alfons naar deze woorden. Nu bemerkte hij dat de wrok langer bleef in de ogen zijner kameraden en dat ze hem ontweken. Dikwijls zag hij dat ze onder elkander fluisterden, maar als hij hen naderde, was ’t altijd over onbeduidende dingen dat zij spraken.

Zijn vader hield van hem. Dat het een vreemde liefde was van de duivel, kunt gij wel begrijpen. Toen de knaap jong was, had de vader hem naar Den Haag gestuurd – de moeder was jong gestorven – en daar was hij bij een tante opgevoed. De Duivel reed tot Dordrecht om hem te halen. Op de huisweg had hij geen enkel woord gesproken. Pas op het ogenblik dat zij Bergen op Zoom in ’t zicht kregen, zei hij enkele woorden:

‘Voortaan sta je onder mijn commando. Over zaken van dienst wil ik niet met je praten.’

Zo was ’t gebleven.

Nu wist Alfons dat hij gehoorzamen moest, al voelde hij dat men een deel van de haat ook aan hem gaf. Zou hij niet als spion dienen? Men vertrouwde hem niet meer. Hoe wist de duivel alles zo nauwkeurig wat er in dienst geschiedde? Wie kon een betere handlanger zijn dan Alfons?

De jonge vaandrig wist dat hij gemeden werd. Waar hij vroeger algemeen kameraden had gekend, waren thans zijn vijanden. Hij was vogelvrij verklaard. ’t Gerucht sloop door in de stad Bergen op Zoom. De meisjes gingen hem voortaan zonder lach of groet voorbij.

Niemand vermoedde dat hij met zijn vader gesproken had. Hij was te trots om dit te vertellen.

Een avond had hij de duivel buiten de Steenbergse poort ontmoet. Even had hij geaarzeld... toen besloot hij hem te zeggen wat er in hem omging. De duivel hield zijn schreden niet in. Met lange passen liep hij over de weg. Hij had de kraag tegen ’t hoofd geschoven en hij ging iets gebogen, zijn sporen kletterden. Dat gaf zijn gehele figuur iets afwerends, maar flink streefde hem de vaandrig terzijde.

‘Vader!’ riep hij.

De plaatsmajoor matigde zijn snelle, ritmische tred niet. ‘Vader een verzoek...’ Nog altijd zweeg de duivel.

‘Vader ik verzoek... om mijn overplaatsing.’

‘Overplaatsing?’ gromde de oude militair. ‘Waarom?’

‘Omdat ik hier niet op mijn plaats ben.’

‘Niet op je plaats?’

‘Vader! Ik wil overal zijn behalve hier. ’t Is een hel voor mij hier!’

‘Meen je dat ik je zal overplaatsen?’

‘Als u me niet overplaatst…’

‘Bewaar afstand, jonge kemphaan. Jij wordt niet overgeplaatst. En daarmee zeg ik je ingerukt mars! Val mij niet weer lastig!’

Als een echo van zijn vaders scherpe tred was de smart voortaan in zijn jonge ziel. Kon hij zich verweren tegen de gedachte zijner kameraden? En hoelang zou het duren dat hij nog in Bergen op Zoom moest blijven?

Pas een jaar later bewees hij zijn makkers wie hij inderdaad was, trouw tot in de dood. Hij, de blonde, jonge vaandrig, een spion van de duivel? Alles mocht men van hem zeggen, maar dit niet.

Het was tijdens een feest. Overal klonk muziek tot diep in de nacht. Men kon niet begrijpen dat er ooit enige smart in Bergen op Zoom was geleden. De benen werden niet moe van het dansen, de ouden van dagen waagden nog eens een horlepiep en waar was al het bier gebrouwen? Er waren vreemde dingen te zien… een Vlaamse reuzin en een grijnzende neger, de dikste vrouw ter wereld was ook in Bergen op Zoom. Op de markt blies en stampte een doedelzakman, een beer sprong duizend sprongen, een heidin zei de toekomst. Marskramers klopten aan de huizen en ze lieten de schoonste kralen in de zon schitteren. Want het waren dagen van zonlicht waarin men leefde! ’t Kan in Brabant niet regenen als er feest is. ’t Zonlicht werd niet moede tot laat in de avond en het was een festijn waarin de hele wereld schik had, van ’t kleinste kind tot de gerimpeldste bes. De soldaten en officieren waren vooraan.

Niet de duivel en niet de jonge vaandrig.

Wee de soldaat die op het appel ontbrak! Iedere avond hield de plaatsmajoor zijn stille ronde. Het pistool hield hij stevig in zijn vuist.

Niemand bemoeide zich met de zoon. Stil ging hij zijn weg. Er was op zijn jong, roerloos gelaat geen leed. Het leed was binnen hem besloten. De derde avond van het feest passeerde een troep jonge officieren, luid lachend, een schildwacht. Hij riep geen ‘werda,’ toen ze hem voorbij gingen.

‘De duivel zal hem halen,’ lachte een luitenant, ‘de kerel is in slaap gevallen. Hij mag blij zijn dat de plaatsmajoor de ronde niet heeft gedaan.’ Goedhartig wekte hij hem.

‘Vooruit kerel! uit de dut. ’t Is goed dat de duivel jou niet gesnapt heeft.’

Verschrikt was de soldaat opgesprongen. Hij was niet in staat om een woord te zeggen, want de angstige werkelijkheid dat hij ternauwernood de dood ontgaan was, deed hem de roes vergeten. Zij hadden hem getrakteerd en de slaap had gemakkelijk ingang gevonden in zijn beneveld brein.

De officieren lachten. ‘Arme kerel die vandaag niet kan feestvieren!’

‘Vooruit!’ riep een jong luitenant die nooit genoeg van het leven kon krijgen, ‘daarginder wacht ons Bergen op Zoom. We hebben de Vlaamse reuzin nog niet gezien. En avant !’

Zingend en jubelend verliet de vrolijke schare de eenzame post. In de verte klonk de duizendstemmige muziek der stad. Wat is ieder feest ter wereld tegen de echte Hollandse kermis? Een week per jaar is de Hollander uitbundig; leve de vreugde!

De soldaat luisterde naar ’t gejoel en geraas. Zijn handen beefden... Als de officieren niet toevallig voorbij waren gekomen, zou hij dood geweest zijn. Nu kon hij luisteren naar de geluiden van het verre geluk.

Een half uur later kwam de duivel de post voorbij.

Hij zag dat de schildwacht was ingeslapen. Zonder een ogenblik te aarzelen trok hij zijn pistool en schoot. Hij ging verder in zijn stille ronde.

De volgende dag vond men Alfons dood bij het schildwachthuisje.

Toen de officieren hun weg waren gegaan, kwam Alfons tevoorschijn en met rustige schreden liep hij naar de schildwacht.

‘Je wilt zeker wel graag feestvieren?’

De arme kerel wist niet wat hem geschiedde. Zou ’s duivels zoon geen listen willen gebruiken om hem in ’t verderf te storten? En toch... hoe lokte de kermis. Alle stemmen van jeugd en blijdschap lokten hem.

‘Kom,’ zei Alfons, en zijn eerlijke woorden hadden de trillende klank der geheime smart, ‘ga maar gerust heen, vriend. Ik zal waken als de duivel komt. Het is donker weer.’

De schildwacht geloofde hem. Hij moest hem geloven. Hij bedankte hem met geen woord. Hij groette zwijgend en ging heen. Zijn stem zou een golf zijn van het bruisende feest, zijn vreugde zou teloorgaan en toch een deel zijn van deze ontzaglijke vreugde, die geen grenzen kende. Alfons stond op zijn verlaten post.

Het zou niet lang meer duren of de duivel zou zijn ronde gaan. Dan zou hij vinden dat alles in orde was. Hij loerde er natuurlijk op om iemand te snappen!

Toen bedacht de jonge vaandrig dat hij moe was. Niet moe van lichaam, maar moe van ziel. Meden niet alle kameraden hem? Vroeger was hij de eerste geweest bij ieder feest, elk jaar weer. Men minachtte hem. Men beschouwde hem als een spion. Niemand gaf hem gelegenheid zich te verdedigen. De vreugde in de stad die hij in zijn verlatenheid hoorde, lokte hem in geen enkel opzicht. Ze voerde stromen van droefgeestigheid door zijn bloed. Hij weende niet. Hij voelde zijn leed zoals men angst voelt: in heel zijn wezen.

Voetstappen naderden.

Door al het gedruis hoorde hij de klank der naderende voetstappen, ja zelfs hun echo trilde in zijn geest en zijn ziel. Dat was de stille ronde, sluipende, gereed om te springen. Dat was de vloek van zijn jeugd.

Zijn smart was als een vuist die zijn keel dicht knelde en hem ruggelings ter aarde wierp. Wilde hij opzettelijk doen of hij sliep? Was het buiten zijn wil om, dat hij zijn adem inhield terwijl de dreigende voetstappen naderden?

Hij lag stil. Uit de stad kwamen de klanken van het feest, maar zwakker en zwakker werden ze, en ze verstomden tegen de regelmatige tred van zijn vader, de strenge plaatsmajoor van Bergen op Zoom. Het was niet waar dat er een andere klank bestond. Hij kende geen vrees. Hij was een held, stervend voor zijn plicht.

’t Heeft niet één seconde geduurd dat de duivel zich over hem heen boog.

‘Dat is de derde maal,’ mompelde hij toen hij zijn pistool had afgevuurd.

Eensklaps, fel-uit, klonk het blijde feest weer door. Niemand had ’t gehoord dat er een schot was gevallen. ’t Geluid is er nooit anders geweest dan als een echo van verre, en ongehinderd ging alles verder.

Men was verwonderd toen men de volgende morgen Alfons vond. Men berichtte de plaatsmajoor dat zijn zoon door een pistoolschot was gedood, op de plaats waar de schildwacht was geweest. Rechtop hoorde de duivel het bericht aan.

‘Ik zal mijn eigen zoon doden als hij zijn plicht niet doet.’ Zijn handen bleven strak op tafel liggen en geen oogwenk beefden ze. Zijn ogen zagen star voor zich uit. Onbewogen ging hij door de stad, met gelijkmatige tred. Hij ging tot de plek waar het lijk van zijn zoon lag. Wie weet wat de duivel dacht? Herinnerde hij zich niet de dagen dat hij met de kleine Alfons had gespeeld? Zonnig was de wereld geweest, het kleine knaapje stelde hem duizend vragen over mensen en dingen, en de duistere duivel beantwoordde ze alle. Het kind had geluk gekend bij iedere bloem, bij iedere vlinder en vogel; alles wat fel was van kleur had hij liefgehad en naar alles wat vliegen kon hadden zijn tedere handen gegrepen. Later nog had de duivel hem op een paard getild en rechtop als grote mensen had de kleine jongen zich gezet, en glimlachend van trots naar zijn vader gezien. Het waren zeker de kleine dingen die de plaatsmajoor zich herinnerde en alle waren ze machtig binnen in zijn ziel. Ze fluisterden en hoonden tot hem. Liefelijke gedaanten waren het geweest; plots werden ze dreigend van stem en gebaar.

Hij ging buiten de stad tot aan de plaats waar zijn zoon was gestorven. Niet met zijn scherpregelmatige tred, maar vermoeid. Hij trok het pistool, en met rustige hand schoot hij zichzelf dood.

En wanneer het stormt, loopt de plaatsmajoor nog altijd door Bergen op Zoom. Eerst hoort u de lachende stemmen, zijn het de officieren die de slapende soldaat wekken? Dan wordt ’t even stil. Er is dan een zacht geritsel, geschuifel, in de verte klinkt wanluidende muziek, het is de kermis die blijft doorrazen, terwijl er klanken murmelen: de soldaat en de vaandrig spreken tezamen. Een hels lawaai is er in de verte. De kermis wil niet eindigen, de duivel gaat zijn stille ronde. Zijn ritmische tred klinkt scherp, zijn sporen rinkelen. Een pistool wordt afgeschoten. Alles eindigt in een lange kreet van bovenmenselijke smart.

Mysteries in Noord-Brabant
titlepage.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_0.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_1.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_2.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_3.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_4.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_5.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_6.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_7.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_8.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_9.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_10.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_11.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_12.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_13.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_14.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_15.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_16.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_17.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_18.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_19.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_20.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_21.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_22.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_23.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_24.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_25.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_26.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_27.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_28.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_29.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_30.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_31.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_32.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_33.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_34.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_35.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_36.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_37.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_38.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_39.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_40.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_41.xhtml
awb_-_mysteries_in_nb_split_42.xhtml