Karpov, die zijn eten van de ene kant van zijn bord naar de andere had geschoven, bedankte beleefd. Hij vroeg zich af of hij die nacht een team naar Lantins flat moest sturen om hem voorgoed uit de weg te ruimen. Maar dan zou Maansteen in de lucht komen te hangen, dus hij zou zich moeten beheersen.
Boven zijn dikke, chocoladebruine koffie zei Lantin: 'Ik wou het even over generaal Vorkuta hebben.'
Karpov zat heel stil. In zijn maag vormde zich een ijsklompje. Een stem fluisterde dat ze bij de crux van het dineetje waren gekomen. Karpov vroeg zich af of hij betrapt was, als een jochie met zijn hand in de koektrommel. Wist Lantin van zijn verhouding met Daniëlla? En zo ja, zou hij die kennis tegen hem gebruiken? Maar zo te horen wist hij van niets.
'Ik heb nog geen beslissing over haar genomen,' Lantin nam een slokje koffie en liet een stilte vallen. Het was alsof hij ervan uitging dat Karpov wist wat er in hem omging.
'Hoe zo?' Dat ontwrong zich aan Karpovs keel, en hij haatte zichzelf erom - en Lantin nog meer.
'Hmm.' Was dit een nadenkend gehum, of schraapte hij gewoon zijn keel? 'Ik ben nog niet overtuigd van haar houding.'
Opnieuw liet Lantin te weinig los. Karpov was nu zeer op zijn hoede. Door te antwoorden op deze vage opmerkingen zou hij Lantin een schat aan informatie verschaffen. Maar als hij niets zei was het nog veel erger. Ten slotte probeerde hij een nietszeggend antwoord. 'Ik heb haar altijd een loyale en intelligente agent gevonden.'
'Best mogelijk,' zei Lantin. 'Maar dat is geen antwoord. Ze bewaakt haar afdeling met een ijver die mij verontrustend voorkomt. Voor mij grenst het aan xenofobie. Of anders heeft ze iets te verbergen.'
'Onzin,' zei Karpov meteen. Kijk uit, vermaande hij zichzelf. Je weet niet wat hij weten wil. 'Yuri, ik heb generaal Vorkuta aan het hoofd gesteld van de meest geheime afdeling van de hele sluzhba. Dat hoef ik je niet te vertellen. Dat is een hele opgave voor haar, en ze heeft het er bewonderenswaardig afgebracht. Volgens mij reageer je veel te scherp.'
Lantin haalde zijn schouders op alsof hij het onbelangrijk vond. 'Misschien. Maar ik heb niet weinig ervaring met de manifestaties van een schuldig geweten bij mijn medemensen. Je zult er wel geen bezwaar tegen hebben als ik haar voor alle zekerheid een maand of twee in het oog laat houden.'
'Natuurlijk niet. Als je dat wilt.' Over een schuldig geweten gesproken: Karpov vroeg zich af of Lantin inderdaad aan Daniëlla's loyaliteit twijfelde of dat dit zijn manier was om hem, Karpov, in de gaten te houden. Het was belachelijk om Daniëlla te wantrouwen, en als het om hemzelf ging, had Lantin geen betere methode kunnen verzinnen. Verdomde bemoeizucht, dacht Karpov. Ik kan met geen mogelijkheid twee maanden van haar afblijven.
Op weg naar huis, in Lantins Zil, overwoog hij of hij Daniëlla zou bellen om haar ten minste te waarschuwen. Maar hij bedacht zich meteen. Dat soort activiteiten kon hij zich nu juist niet permitteren in dit stadium van het spel. Maansteen kwam op de eerste plaats. Lantin was de sleutel tot Maansteen. Zolang die ongelukkige omstandigheid voortduurde mocht hij geen duimbreed van het rechte pad afwijken.
Maar, zwoer Karpov, zodra Maansteen de laatste fase is ingegaan en ik Lantins steun niet meer nodig heb, neem ik wraak. En ik neem niet alleen wraak, maar ik zal ervan genieten zoals ik hem vanavond van zijn vette maal heb zien genieten. Ik geef hem vergiftigd vlees te eten - een mooie manier voor kameraad Yuri Lantin om kapot te gaan - en dan zullen Daniëlla en ik samen dansen op zijn graf.
'Hallo, Rodger,' zei Antony Beridien. De jaloezieën in zijn kamer waren neergelaten en door de regelmatige kieren was het Witte Huis zichtbaar in de schemering van Washington, verlicht als een fontein. Op de nadering van zijn assistent draaide Beridien zijn grote hoofd om als een havik. In het vaag verlichte kantoor bleven zijn ogen met de zware wenkbrauwen in diepe schaduw.
'Ik wilde eens met je over onze ijsberg praten,' zei hij. 'Ik heb sinds vijf uur vanochtend aan de computer gezeten.'
Donovan ging in een leren stoel zitten die er als een hangmat uitzag en net zo comfortabel was. 'Wat heb je gevonden?'
Beridien bromde. 'Een heleboel. Hier, kijk hier maar eens.' Hij schoof een pak computer print outs over zijn bureau. Hij sloeg zijn assistent gade terwijl deze de lijsten, tabellen en kaarten doorkeek. 'Het heeft er de schijn van dat Nichiren in eigen persoon onze ijsberg is.'
'Hoe zou dat kunnen? We weten dat hij een free-lancer is.'
'Dat is het juist: Ze willen dat we dat geloven!'
Donovan hief zijn hoofd op. 'Valse informatie? Dat betekent dat de Russen -'
'Precies!' Beridien sloeg met zijn vuist op het bureau. 'Deze ijsberg begint zowel vorm als afmetingen te krijgen, Rodger. En hoe zichtbaarder hij wordt, des te herkenbaarder wordt zijn bron.'
'Karpov?'
'Een goede gok, maar niet goed genoeg.' Het was duidelijk dat Beridien genoot van zijn machtspositie. Dat motiveerde hem in hoge mate, had Donovan ontdekt. Hij vond het niet leuk, maar hij had er in de loop van de tijd mee leren leven. 'Jij snapt nog steeds niet erg veel van de ingewikkelde KGB-bureaucratie. Die tweeëneenhalf jaar dat je voor Buitenlandse Zaken in Parijs zat zijn misschien goed geweest voor andere internationale zaken, maar niet hiervoor.'
Deze oratie, afgestoken in Beridiens vertrouwde bastonen, was een bekend handelsmerk, een van zijn succesvolste kenmerken, volgens de president. Beridien, had hij achter gesloten deuren vaak gezegd, kon alles aan iedereen verkopen, op ieder moment. Zelfs aan doorgaans vijandige subcommissies van de senaat.
Maar Donovan, die er elke dag mee leefde, wist dat Beridien in staat was elke kans te grijpen die zich voordeed, hoe gering ook, en er zijn voordeel mee te doen zonder dat je het in de gaten had.
'Nee,' vervolgde Beridien, 'Nichiren is veel te elegant, daar kan Karpov niet achter zitten.' Hij pakte een kristallen uil en hield hem in zijn hand tot het glas warm werd; toen zette hij hem weer weg. 'Het lijkt erop dat Nichiren geen free-lance sluipmoordenaar is, maar dat hij door een bepaalde bron wordt geleid. En volgens mij is die bron generaal Daniëlla Vorkuta. De KVR stelde niets voor voordat zij er de touwtjes in handen kreeg. Nu moeten we voor de geringste missie op leven en dood met hen vechten.' Hij schudde zijn hoofd alsof hij een definitieve conclusie trok. 'Ik denk dat generaal Vorkuta een ijsberg in ons vaarwater heeft afgestoten die ze steeds meer omhoog laat komen.'
Donovan keek op zijn horloge. 'Het is tijd voor je wekelijkse onderzoek. We kunnen onderweg wel verder praten.'
Ze betraden een gang met kale, kleikleurige wanden. Er kwamen geen deuren op uit. Aan het andere uiteinde schoof een bronzen liftdeur open op de aanraking van Beridiens handdruk. Er waren maar twee knoppen in de lift. Beridien drukte op de onderste en ze gingen naar beneden. Zes verdiepingen lager ging de deur open en kwamen ze in een suite van witte vertrekken, waarvan er één een volledige ingerichte operatiezaal was met de nieuwste apparatuur, inclusief laserscalpels en pathologie-instrumenten. De dienstdoende agent nam hun legitimatiekaarten in ontvangst en stak ze in de gleuf van een terminal, keek vervolgens onbewogen de twee mannen na die in een kil wit vertrek verdwenen. Daarin bevonden zich een onderzoektafel, een wagentje met talloze fiolen, flessen en reageerbuizen, met mysterieuze opschriften in de taal van de geneesheer, een kleine halfronde gootsteen in een hoek, en een pedaalemmer. Naast een stoel waarover men zijn kleren kon hangen stonden een weegschaal en een optometer.
Een jonge verpleegster in gesteven uniform begroette de twee mannen.
' Mooi op tijd, meneer Beridien,' zei ze, alsof hij een kind was. 'Dokter wacht op u.'
'Dokter wacht altijd op mij,' grauwde Beridien. 'Gier.'
'Zei u iets, meneer Beridien?' zei de verpleegster alsof ze niets had gehoord.
Beridien wachtte ijzig tot ze weg was. 'Nu we Nichirens bron kennen, is het noodzakelijker dan ooit hem zo snel mogelijk te elimineren,' zei hij tegen Donovan.
'Hoe krijgen we dat voor elkaar? We hadden al onze hoop op Maroc gesteld.'
'Dat hadden we,' zei Beridien. 'Tot de Sumchun-rivier. Ik begin te geloven dat hij nog maar een halve agent was nadat hij terugkwam van die missie.'
'Zijn mannen waren afgeslacht - door Nichiren, neem ik aan, hoewel zijn verslag nietszeggend was. Misschien hadden we hem moeten vervangen.'
'Al dat gespeculeer heeft nu geen zin meer,' zei Beridien koud. 'Wat is daar gebeurd ? Dat is het enige dat belangrijk is. Afgezien van het bloedbad, bedoel ik.'
Donovan werd nieuwsgierig. 'Hoe weetje dat er iets gebeurd is?'
'Door Marocs houding,' zei Beridien. 'Ik ken mijn mannetjes. Maroc is altijd een goed aangepaste dwarsligger geweest.' Hij lachte kort. 'Ik weet het. Dat klinkt als een tegenstrijdigheid. Dat denkt de president ook. Maar hij heeft ook niet de ervaring die ik heb in deze schaduwwereld. Hoe dan ook, Maroc was naast Stallings onze beste agent. In feite was hij in veel opzichten beter. Hij had ook een opmerkelijke flair voor organisatie. We hebben nooit zo'n schat aan eersteklas informatie van Bureau Hongkong gekregen als toen hij daar aan het hoofd stond. Hij was een geboren leider. Agenten stroomden toe, alleen in de hoop om in zijn eenheden terecht te komen.' Het viel Donovan op dat Beridien voortdurend over Jake Maroc sprak alsof hij dood was.
'Maar dat veranderde allemaal op het moment dat hij terugkwam van de Sumchun-missie. Hij verloor het persoonlijke contact met David Oh en kennelijk ook met zijn vrouw. Het was alsof hij zichzelf afsneed van juist die mensen van wie hij het meest hield in het leven. Als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat hij zich voorbereidde op de dood.'
'In Marocs psychologisch profiel staat niets over doodsverlangen,' zei Donovan. 'In feite, als ik me goed herinner kwamen onze artsen tot precies de tegenovergestelde conclusie. Zijn levenswil was uitzonderlijk krachtig.'
Beridien knikte, terwijl hij zich afwezig begon uit te kleden. 'Des te meer reden om je af te vragen wat er nu eigenlijk is gebeurd.' Hij draaide zich om, hing zijn overhemd op. 'En daarmee zijn we terug bij onze ijsberg. Nichiren. We gaan achter hém aan en komen uit bij generaal Vorkuta. Rodger, ik wil haar daar weg hebben. Zij heeft de KVR in een dodelijk wapen veranderd. We moesten zelf ook maar eens wat valse informatie laten uitlekken, in de hoop dat we Karpov zo aan het schrikken maken dat hij iets doet waar hij anders geen zin in zou hebben.'
'Zoals generaal Vorkuta aan de kant zetten.'
'Dat zou mooi zijn,' stemde Beridien in. 'Maar dat zal tijd en onderzoek vergen. Intussen moeten we Nichiren zo snel mogelijk elimineren. Stuur Stallings maar weer op pad. Die zit graag tussen die lilliputters.' Beridien hees zich op de onderzoektafel. 'Dit is een heel geëtter, weetje dat?'
'Ik zou toch menen,' zei Donovan, terwijl de dokter binnenkwam, 'datje er zo langzamerhand wel aan gewend was. Jij hebt zelfverplicht gesteld dat het hoofd van de Quarry wekelijks onderzocht wordt en dat het onderzoek door een hoge officier wordt bijgewoond.'
De dokter, een vrouw van veertig die Donovan heimelijk begeerde, trok Beridiens witte armen door het ziekenhuisschort. Ze had een mooi, krachtig Slavisch gezicht, zware borsten en fraaie lange benen. Op een dag wilde Donovan die benen beklimmen. Ze schonk beide mannen een professionele glimlach, maar gaf er verder geen blijk van dat zij hen als iets anders dan objecten beschouwde. Eenmaal per maand porde en prikte ze in Donovan, een dag die hij omcirkelde in zijn agenda.
'Nou weet ik het,' zei Beridien. 'Volgende week stuur ik Wunderman in mijn plaats.'
De dokter keek hem streng aan alsof hij een wilde teenager was. Beridien lachte; eindelijk had hij het gevoel dat hij haar eens bij de neus had genomen.
Er brandde nog maar één lamp. In het amberen schijnsel was Mikio Komoto's gezicht hard als steen.
'Maroc-san.'
Alleen de woorden drukten zijn veranderde houding uit, maar voor een Japanner was dat al veelbetekenend genoeg. Hij was uit de volkomen duisternis aan de andere kant van de tuin gekomen, als een steen die oprijst uit de diepten van een bron.
Jake was zich bewust van zijn nadering; toen zag hij de omtrek van zijn bere-lichaam. Het licht bescheen het losse hemd en de hakama. Ten slotte stopte hij voor Jake en kwamen zijn gelaatstrekken naar voren uit de nacht. Zijn gezicht was gesloten. Er was een Japanse uitdrukking voor, maar die wilde Jake niet te binnen schieten. Hij droeg zijn hara - zijn innerlijke kracht - in tastbare vorm. Dat was genoeg.
Hij stak zijn handen uit. Daarin lag de pijl die Jake had geschoten. 'Ik geloof dat deze van u is.'
Als in een droom nam Jake de pijl van de oyabun aan. Hij had zijn handelingen niet overdacht. Het begon tot hem door te dringen wat hij had gedaan en, belangrijker, dat hij was geslaagd.
Deze pijl hoorde bij het wapentuig van een samurai - van déze samurai. In zeer reële zin was hij een deel van zijn erfenis. Zoiets werd nooit weggegeven tenzij uit bewondering voor een daad van buitengewone verdienste. In feodale tijden, herinnerde Jake zich, wisselden sensei - dat wil zeggen meesters - in de martiale kunsten, die elkaar voor de eerste keer ontmoetten, onderdelen van hun persoonlijk arsenaal uit om verdragen voor hun daimyo, hun heren, te bezegelen.
Jake boog. 'Domo arigatö, Komoto-san.'
Toshi was niet meer te zien. Hij en Mikio Komoto waren alleen in de nacht. De hoge zwarte bomen bogen zich over het paar. Vol nestelende vogels en tjirpende insekten deinden ze in de nachtwind, en schonken beweging aan de tuin alsof hij een trog was in een wijde, maan verlichte zee.
'Tijd,' zei de oyabun, 'om te drinken.'
Ze werden dronken van Suntory-whisky. Binnen, zittend op de tatami aan een kleine, glanzende bukshouten tafel, praatten ze over grote en kleine zaken, alsof ze hun hele leven vrienden waren geweest en niet, zoals een uur tevoren nog, vijanden.
'Keu Kisan,' zei Komoto, 'is terug naar zijn voorvaderen en dat is maar goed ook. Hij was agressief, lastig, en verreweg het sluwste lid van zijn clan.'
'Hij bezorgde u moeilijkheden.'
'Ik denk,' zei Komoto terzake kundig, 'dat het veiliger is om te zeggen dat Nichiren ons moeilijkheden bezorgde. Toshima-fcu was een bron van wrijving tussen mijn clan en die van Kisan geworden. Ik ben ervan overtuigd dat dat Nichirens werk was.'
'Waarom?' Jake schonk de glazen vol. 'Wat bezit Toshima-fcu dat al dit bloedvergieten waard is?'
'Afgezien van het feit dat het van oudsher Komoto-territorium is, niets.'
'Dan denk ik niet dat Nichiren ermee te maken had. Hij had geen enkele reden om aan te sporen tot een agressieve politiek en alle reden om de situatie rustig te houden op zijn eigen terrein.'
'Ik betwijfel het,' zei Komoto. 'Volgens onze informatie is Nichiren geheimagent van de KGB.'
Jake staarde hem aan. Hij probeerde het bonzen van zijn hart te bedwingen. 'Mijn informatie zegt dat hij een terrorist is die alleen voor zichzelf werkt.'
'Dan bent u een beetje achter.'
Jake dacht een hele poos na. Ten slotte zei hij: 'Hoe lang werkt hij al voor de Russen?'
Komoto haalde zijn schouders op. 'Ik zal u het hele dossier laten zien. Drie, vier jaar. Dat weten we niet met zekerheid. Maar we weten wel wie hem leidt. Generaal Daniëlla Vorkuta.'
KVR, dacht Jake. Boeddha! Geen wonder dat ze op het Zwaard waren. Hij vroeg zich vluchtig af waarom de Quarry deze informatie niet had opgepikt.
De oyabun staarde naar Jakes gezicht. 'Ik zou zo zeggen dat u óf heel dronken óf heel verbaasd bent.'
'Als ik nog erger dronken was,' zei Jake, 'zou ik niet eens meer begrijpen waar u het over hebt.'
Mikio Komoto schoot in de lach. 'Dit is barbaarse whisky!' riep hij uit.
'De ware drank moet nog komen! Toshi-san, breng de sake binnen!'
Voor Nichiren was het meinichi, de doodsdag.
Gekleed in een zeegroene kimono met een sneeuwwit patroon van dubbele ringen stapte hij met opzettelijke traagheid over het steile, kronkelende pad. Door de dennen en ceders - hun toppen verdwenen in grauwe mist, net als Fuji-yama - liep hij omhoog van het spoorwegstation in het noordwesten van Tokio. Achter hem lag de grote metropool in grijze tinten, hard en gevoelloos in vergelijking met de mistflarden tussen de takken boven zijn hoofd.
Hier en daar veegden jongens in shinto-gewaden met bamboe bezems het stof van eeuwen opzij, hun eerste tempelplichten. Eerst moesten ze nederigheid leren, de eerste stap op het pad naar één-zijn met alle dingen. Nabij de top van de heuvel sloeg hij linksaf en liet de rood-zwarte tempelgebouwen achter zich. Hier eindigde het pad bij een stenen poort. Daarachter was de begraafplaats.
Hoewel het nog vroeg in de ochtend was, kon hij door de mist knielende gedaanten onderscheiden, in gebed voor de stenen gedenkplaten van hun voorouders. De gezangen stegen op en drongen door de mist, ondoordringbaar voor het zonlicht. Hij absorbeerde de heilige woorden terwijl hij over de smalle paden naar de vertrouwde stenen gedenkplaat stapte. Daar knielde hij en legde de wierookstokjes die hij uit de stad had meegebracht voor de steen neer. Voorzichtig, met een gebed op zijn lippen, stak hij ze een voor een aan totdat hun geurige rook met de mist versmolt.
Zijn hoofd was gebogen. Hij dacht alleen aan zijn moeder. Op de steen voor hem stonden twee reeksen ideogrammen, maar hij hoefde er niet naar te kijken; hun boodschap was voor eeuwig in zijn hart gegrift. Hoewel meinichi 'doodsdag' betekende, bestond het woord uit twee ideogrammen die afzonderlijk 'leven' en 'dag' betekenden. Deze schijnbare tegenstrijdigheid was gemakkelijk te verklaren: wanneer men de sterfdag van een voorouder herdacht en de pelgrimage naar de begraafplaats ondernam, liet men in gedachte en daad de doden terugkeren naar de wereld der levenden, althans gedurende deze korte, jaarlijks terugkerende periode.
Het was ook een tijd waarin de familie bijeenkwam om de banden te hernieuwen. Nichiren was bedroefd dat niemand anders hier was. Zijn familie, die net als voor alle Japanners zoveel voor hem betekende, was tot één gereduceerd.
Bittere tranen welden op vanonder zijn neergeslagen oogleden, lagen trillend op zijn wangen alvorens naar beneden te rollen en zijn kimono te bevochtigen.
Yumiko was al jaren dood, maar door het wonder van meimc/n leefde zij weer in Nichiren. Hij herinnerde zich haar gezicht, dat met het verstrijken van de jaren niets van zijn porseleinen schoonheid had verloren. Integendeel, de jeugdige, fijnbesneden trekken hadden zich juist verzacht, de huid was bronsachtig geworden als van een lievelings-m'ngyo. Als kind had hij veel van die poppen in hun glazen kastjes in de etalages zien staan. Hij had zijn neus tegen de ramen gedrukt en had gestaard tot hij scheel begon te kijken. Hij herinnerde zich goedkope poppen van rijstpapier die in zijn kamer hingen tijdens de jaren van zijn ziekte. Veel later had hij begrepen dat dit Yumiko's hoeders waren tegen het kwaad dat hem volgens haar was overkomen. Tijdens die lange dagen dat hij daar lag, door hoge koorts geteisterd, maakten haar vlijtige handen steeds nieuwe poppen om verergering van zijn kwalen af te weren.
En toen hij voldoende was hersteld van zijn aanvallen, had ze hem naar lichaam en geest zo sterk gemaakt dat hij in latere jaren nooit meer ziek was geworden.
Yumiko was zowel moeder als vader voor Nichiren geweest. Ze was nooit hertrouwd. Hij kon zich niet herinneren ooit een minnaar in huis te hebben gezien. In plaats daarvan had ze zich begraven in de duistere teksten die ze opspoorde in de verste uithoeken van Japan. Dikwijls had hij 's nachts in bed gelegen terwijl haar hypnotische gezang in zijn oren klonk, een vreemd gefluister dat zich vermengde met de geluiden van insekten en vogels.
Klein en mooi was ze geweest, maar niettemin in het bezit van een krachtige, ontembare wil. Tetsu no kokoro, haar ijzeren geest. Zelfs in de gouden gloed van zijn herinneringen vond hij nauwelijks een spoor van zachtheid. Ze hield wel van hem, maar had hem haast nooit geknuffeld. In feite had ze hem nauwelijks aangeraakt.
Eén gebeurtenis stond Nichiren nog scherp voor de geest. Hij was thuisgekomen met een hond die hij een schop had gegeven, uit woede of frustratie omdat hij op school werd buitengesloten. Hij had met een venijnige trap van de punt van zijn schoen de nek van het arme beest gebroken.
Yumiko had eenmaal naar het dier gekeken en gezegd dat hij het buiten moest weggooien. Toen had ze hem naar binnen gehaald en hem geslagen. Ze miste de fysieke kracht om hem pijn te doen, maar er was een nagel of een ring in zijn huid blijven steken en hij was begonnen te bloeden. Toen ze dat zag was er een uitdrukking van het diepste afgrijzen op het gezicht van zijn moeder verschenen. Ze had een gemartelde kreet geslaakt, hem tegen zich aan getrokken, hem met haar armen om hem heen gewiegd. Na een poosje had hij haar hete tranen op zijn lippen gevoeld. Haar onaardse kreet weergalmde nog in zijn oren en hij huiverde. Nooit had hij zo'n geluid uit een menselijke keel gehoord. Er lag zoveel wanhoop en zelfverachting in, dat hij had gedacht dat het de mogelijkheden daartoe van één mens oversteeg.
Dat moment was misschien van meer belang voor hen beiden dan ze zelf wisten. Het smeedde hun geesten op ondoorgrondelijke wijze aaneen. Hij deed alles wat Yumiko van hem vroeg. Maar dat had hij altijd al gedaan. Nu deed hij nog meer. Wat zij geloofde, geloofde hij. Hij hield van haar. Voor hem was zij het leven. Hij wilde alles doen om te voorkomen dat ze het ooit weer zo zou uitschreeuwen.
Zijn moeder bleef in zijn herinnering voortleven als de mooiste vrouw die hij ooit had gezien. De tijd had het beeld niet vervaagd. Integendeel, hij zag haar even scherp voor zich alsof hij naar een oude foto keek. Pas toen ze dood was, toen hij haar gereedmaakte voor de begrafenis, zag hij haar voor het eerst naakt. De enige herinnering aan haar die hij uit zijn geheugen zou willen wissen was die aanblik, toen hij de lijkwade wegtrok en, onder een gezicht dat zelfs de dood niet kon schenden, de afzichtelijke verminking van haar kleine lichaam zag.
Meinichi. Op deze dag leefde Yumiko weer, gedurende al de tijd dat hij hier bij haar graf knielde. Hij voelde zich dicht bij haar, voelde hoe haar geest over hem neerdaalde als een mantel op zijn schouders. Toen hij was ontwaakt in het bleke zonlicht van de vroege ochtend, had hij zich onprettig gevoeld. Terwijl hij zich kleedde in zijn ceremoniële gewaad voor deze gelegenheid, was zijn onbehagen gebleven. Hij had van Mariana Maroc gedroomd. In zijn droom had ze hem gekust. Ze had zijn hoofd vastgehouden. Ze had zo teder in zijn oorschelp gefluisterd dat hij in zijn droom had gehuild.
En was wakker geschrokken, zijn oren inspannend om haar woorden te horen. Wat had ze gefluisterd dat hem zo ontroerde? Hij merkte dat hij het dolgraag wilde weten. De klanken dreven kwellend juist buiten het bereik van zijn herinnering. Hij kon ze voelen; maar hij kon ze niet horen. Nu hij Yumiko's geest om zich heen voelde, verdween het onbehagen en hij zuchtte zoals hij als kleine jongen ook had gedaan. Weer herinnerde hij zich de dag dat ze hem had gewiegd, al huilend. Na een poosje had ze om een verklaring gevraagd.
Waarom heb je die hond doodgeschoptl had ze hem gevraagd. Hij had even geaarzeld, omdat hij begreep dat zijn antwoord belangrijk was. Ik was boos, zei hij ten slotte.
Boos op wiel Yumiko's vochtige ogen hadden vorsend in de zijne gestaard.
Op de kinderen op school. Zepesten meomdatikernietbijhoor. Zezeggen dat ik helemaal geen Japanner ben. Ze zijn altijd allemaal tegen mij. Yumiko had hem strak aangekeken. Weten ze datje dat erg vindt 1 !
Ja. Maar ze lachen en schelden me uit, en soms gooien ze met stenen. Waarom heb je je boosheid dan niet op hen gericht? Waarom heb je het leven van een dier genomen dat jou nooit iets heeft gedaanl Hij had beschaamd zijn hoofd laten hangen. Ik ben bang voor hen. Angst, zei Yumiko streng, heeft er niets mee te maken. Het is louter een kwestie van eer. Dat zou elke senseije vertellen. In je hart weet jij dat ook wel. Nu waren er geen tranen meer, geen armen om hem heen. Yumiko's tetsu no kokoro was met zo'n hevigheid teruggekeerd dat elk van haar woorden hem een brandende kogel in het centrum van zijn hersenen toeleek. Je zult geen eer hebben totdatje hen getrotseerd hebt, totdatje hen het verkeerde van hun gedrag hebt laten inzien.
Meinichi. Nichiren ademde de doodsdag in, ademde Yumiko's nagedachtenis in, ademde tetsu no kokoro in, het levende erfdeel dat zij hem had geschonken.
Hij had zijn Bron niet nodig gehad om hem aan deze dag te herinneren. Het had hem verbaasd dat het onderwerp ter sprake was gekomen toen hij de afgelopen nacht de overzeese verbinding had gemaakt.
'Bij het graf van je moeder zul je knielen om de wierookstokjes aan te steken en de gebeden voor de doden te zeggen,' zei Bron, alsof het een zakelijke ontmoeting betrof.
Nichiren had het hoofd in de nek geworpen. 'Meinichiis een persoonlijk ritueel, een familieaangelegenheid. Je hebt geen recht je daarmee te bemoeien.'
'Integendeel,' had Bron gezegd. 'Daar heb ik alle recht toe. Er is nog een ritueel datje moet voltrekken, en alleen ik kan je leiden.'
Nichiren luisterde zeer aandachtig naar de volgende woorden van Bron. Daarna zei hij: 'Hoe weetje dit? Het is ongelooflijk.'
'Ik weet alles wat er over jou te weten valt,' zei Bron met die elektronische klank die het onmogelijk maakte het geslacht van de spreker te bepalen. 'Zo ben je ten slotte ook gerecruteerd. Ik controleer je. De discipline heeft je een doel gegeven dat uitreikt boven de dubieuze functie van een sluipmoordenaar. Het leven kan niet worden afgemeten aan het aantal mensen dat men geëlimineerd heeft. Dat is doelloosheid: pure chaos, het eind van alle dingen.'
Nichiren had niets gezegd. Hij dacht, vreemd genoeg, aan Mariana, hoe weinig het had gescheeld of hij had haar gered. Hoe het op het allerlaatste moment toch was mislukt, door de verraderlijke wind en de regen en de afbrokkelende aarde: de natuur. Levens nemen ging hem beter af dan levens redden. Hij hoorde echo's van zijn moeders woorden in die gedachte. Zonlicht streelde zijn rug als de sterke handen van Yumiko, die hem waste als hij te ziek was om het zelf te doen. Hij keek op. Hij zag de rijen van stenen 'monumenten. Hier en daar, als kleurspikkels van een nauwgezet schilder, liepen mensen op de smalle paden. Voor het overige was de begraafplaats helemaal grijs en groen.
Nichiren keek naar rechts. Zoals Bron gezegd had was daar een open plek. Gereserveerd voor hem, op een dag. Hoe wist Bron dat? Ik weet alles wat er over jou te weten valt. Nichiren kroop naar de lege plek toe, terwijl hij een tuinschepje uit zijn kimono haalde. Hij mat precies zeven centimeter van de linkeronderhoek van de plek af, en toen zes naar boven. Zette zijn schepje in de grasbegroeide leemgrond.
Niemand keek. Op een begraafplaats was iedereen in zichzelf gekeerd: in herinneringen verzonken. Hij groef even met het schepje, maar ging toen verder met zijn vingers, omdat hij niet wilde beschadigen wat er onder de grond lag. Lag te wachten op deze dag, had Bron gezegd. Lag te wachten op hem.
Hij kwam bij de bovenkant van het pak, groef er voorzichtig omheen als een archeoloog die zijn vondst nadert. Eindelijk dolf hij het op: een rechthoek van een bij twee meter, gewikkeld in rijstpapier. Toen hij het pak schoonveegde, zag hij dat de buitenste laag met een vochtwerende substantie was ingesmeerd, want het papier was nauwelijks vergaan. De gedachte schoot door hem heen dat het er al heel lang gelegen moest hebben, misschien wel een jaar of veertig, want er zat geen plastic omheen. Hij maakte het open. En vond een ningyo. Het was net zo'n papieren pop als Yumiko altijd maakte. Ongetwijfeld was deze ook van haar. De pop was vergeeld van ouderdom, maar toch herkende hij haar hand. Breek de pop in tweeën.
Dat had Bron vannacht gezegd. Maar hoe kon hij? De ningyo was gemaakt door zijn moeder. Kon hij zo iets kapot maken ?
Hij stond onder discipline. Jij bent een doder, had Bron jaren geleden tegen hem gezegd, toen hij gerecruteerd werd. Jij vernietigt leven met een harteloosheid die afschuwelijk is. Afschuwelijk en angstaanjagend. Dat is niet, kan ik je vertellen, de reden waarom je in deze wereld bent geboren. Je bent niet de wrekende engel die je moeder dacht datje was. Je bent geen beest in de nacht.
Ik ben Nichiren, had hij gezegd.
Die naam heeft zij je gegeven.
Ze geloofde in mij. Zij was de enige.
Ze geloofde in de dood. Alleen in de dood. Ik geloof in jou. Nichiren brak de pop open.
En vond het achterdeel van een tijger. Het was een lavendelkleurig stuk jade, vaardig en vloeiend besneden. Met zijn adem heet in zijn mond pakte hij het zeemieren bundeltje dat Mariana Maroc in zijn hand had gestopt en maakte het open. Liet de inhoud in zijn handpalm vallen, naast het achterdeel van de tijger. Schouder, nek, woest grijnzende kop. De twee lavendelkleurige stukken jade pasten aan elkaar en vormden een geheel dier, één helft van de/ü.
Macht, die toenam.
'Ik moet u namens de tai pan mijn verontschuldigingen aanbieden,' zei Peter Ng. 'Maar hij zag absoluut geen kans vanavond zelf te komen.'
Drie Eden Tsun glimlachte. 'Het geeft niet,' zei hij op zijn meest geciviliseerde manier. 'Ik ken u bijna net zo lang als Andrew Sawyer, meneer Ng. Ik weet dat u namens hem spreekt.' Hij draaide snel zijn hand om, van palm naar rug. 'Hoe dan ook, deze ontmoeting moest beslist voor maandag plaatsvinden.'
Peter Ng knikte. 'De tai pan heeft begrepen hoe dringend uw uitnodiging was en heeft dienovereenkomstig gehandeld. Ik vertrouw erop dat deze maatregelen afdoende zullen zijn.'
'O, zeer afdoende, meneer Ng. Zeer afdoende.'
Het was een paar minuten over negen. De twee Chinezen zaten in Drie Eden Tsuns luxe hut aan boord van zijn jonk in de haven van Aberdeen. Boven hun hoofden wedijverde de zomernacht met de neonverlichting van de Kolonie.
Drie Eden Tsun sloot zijn ogen, voelde de zachte schommeling van de jonk onder zich. Alles komt in orde, zei hij in zichzelf, terwijl zijn hart in zijn keel hamerde. Heb vertrouwen.
Even later verscheen een van zijn dochters met een dienblad, waarop een theepot en kopjes, kleine borden, eetstokjes, en schalen met dampende visgerechten stonden.
'Men zegt, meneer Ng, dat niets de geest zo verkwikt als Hakka-voedsel.'
Drie Eden Tsun opende zijn ogen en keek toe hoe zijn Nummer Twee Dochter de maaltijd met volmaakte precisie opdiende. Ik heb hen allemaal goed getraind, mijn kinderen, dacht hij.
'Ik hoop dat u honger hebt, meneer Ng.'
Peter Ng, keurig gekleed als altijd in een houtskoolgrijs linnen kostuum met wit overhemd, witgespikkelde duifgrijze das en zwarte schoenen, maakte een knikje met zijn hoofd. 'Ik heb altijd honger op deze tijd van de avond, Eerbiedwaardige Tsun,' zei hij, ondanks het vaag misselijke gevoel in zijn maag. Dat kreeg hij elke keer dat hij op een boot stapte. Het maakte geen verschil dat de jonk voor anker lag, noch dat hij nauwelijks schommelde. De gedachte alleen al was voldoende om Ng de zenuwen te bezorgen. Als kleine jongen was hij door zijn oudere broer in het water gegooid. Het was een onschuldig plagerijtje geweest, maar Peter herinnerde zich nog met uitzonderlijke scherpte de sensatie van het water in zijn neus en mond, dat hij kopje-onder ging, dat hij verdronk in verstikkende duisternis. De tai pan, die Ngs angst had opgemerkt toen ze voor zaken met de veerboot naar Macao moesten, had wel eens geopperd dat hij naar een psychiater moest gaan. Ng had er nooit toe kunnen komen. Hij zag niet in hoe een gwai /o/i-uitvinding hem zou kunnen helpen. Nu, terwijl de maaltijd begon, staalde hij zich - of, nauwkeuriger, zijn maag - tegen het onregelmatige gewiebel.
Zoals de gewoonte was, spraken ze onder het eten alleen over trivialiteiten: het weer, Tsuns kinderen, Ngs familie. Zorgvuldig vermeden ze zakelijke kwesties, zelfs wanneer die niet rechtstreeks op henzelf betrekking hadden.
Ten slotte kwam Nummer Twee Dochter de tafel afruimen. Ze verving de lege theepot door een volle en bracht ook een volle fles Johnnie Walker Black Label en een paar ouderwetse glazen mee.
Nu, dacht Peter Ng, is het alleen nog een kwestie van tijd. De tai pan had hem bij zich geroepen direct nadat hij het telefoontje van Drie Eden Tsun had ontvangen.
'Het begint te broeien,' zei hij tegen Ng. Er lag een flauw lachje over zijn gezicht, een aanwijzing dat hij ernstig nadacht. 'De Eerbiedwaardige Tsun wil mij vanavond ontmoeten.' Hij keek Peter strak aan. 'Ik wil dat jij in mijn plaats gaat, om twee redenen. Tsun zal menen dat ik wel bereid ben om hem aan te horen, maar dat ik echt niet sta te trappelen van nieuwsgierigheid. Bovendien zal hij minder op zijn hoede zijn. Misschien laat hij iets los - met opzet of per ongeluk - dat hij mij nooit zou vertellen.'
'En als hij geen voorstel heeft?'
'O, dat heeft hij heus wel,' zei Sawyer, terwijl hij achterover leunde. 'Daar twijfel ik geen moment aan. Hou je op de vlakte, Peter. Dat is essentieel. Tsun zal zo snel mogelijk tot zaken willen komen. Ik geloof dat hij het voor maandag, als de handelsbeurzen weer opengaan, rond wil hebben. Zelfs als zijn aanbod goed lijkt, moetje niet positief reageren. Als we besluiten dat we met Tsun in zee willen gaan, wachten we tot het allerlaatste moment zondagavond laat. Dan zullen we er ongetwijfeld betere voorwaarden uit kunnen slepen dan nu al.'
En nu, terwijl zijn gastheer chrysantethee met kandij in hun kopjes en drie vingers whisky in de glazen schonk, vocht Peter Ng tegen zijn zenuwen. De lichte maaltijd lag als een blok in zijn rommelende maag. Hij haalde driemaal diep adem en nam een slok zoete thee, waarna hij zich meteen beter voelde.
'Meneer Ng,' zei Drie Eden Tsun, 'uw firma en de mijne hebben nooit veel gemeen gehad. Dat is algemeen bekend. Voor zover we dezelfde belangen hebben, zijn we felle concurrenten. Maar er heeft nooit een vijandige sfeer geheerst. Verbeter me als ik het mis heb.' Er kwam geen antwoord.
Drie Eden Tsun knikte tevreden. 'Ik denk dat onze huizen sterk zijn gebleven dank zij een groot aantal redenen, waarvan onze veerkracht niet de geringste is.
De tijden vereisen een voortdurende aanpassing, over de hele wereld. Dat geldt vooral hier. Dat zult u wel met me eens zijn. In de afgelopen tien jaar hebben we een reeks zakelijke en politieke omwentelingen gezien die het gezicht van Hongkong letterlijk hebben veranderd.
Daardoor zijn we ook gedwongen geweest onze toekomstverwachtingen bij te stellen. Het vertrek van Mattias, King and Company zal ons allen, vrees ik, dwingen tot andere, minder prettige stappen.'
'Het is wel zeker,' zei Ng, 'dat de effecten op korte termijn voor de hele zakenwereld desastreus zullen zijn.'
Vreemd genoeg moest Tsun daarom glimlachen. 'Nu, misschien hoeft niet iederéén eronder te lijden, meneer Ng.'
'Pardon?' Peter deed zijn best elke verborgen nuance in de woorden van zijn gastheer op te vangen.
'Ik ben bereid u een geheim toe te vertrouwen,' zei Drie Eden Tsun. 'Maar eerst zou ik een, eh, teken van de oprechtheid van uw taipan zeer op prijs stellen.'
'Ik zou menen dat mijn aanwezigheid hier op zo'n korte termijn voldoende bewijs daarvan is.'
'Misschien.' Maar uit Tsuns toon was duidelijk op te maken dat hij niet zo gemakkelijk door de knieën ging. 'Maar ik zou toch ook graag willen weten of Andrew Sawyer bereid is een groot risico te nemen om in de komende maanden een fortuin - letterlijk een fortuin - te verdienen.'
Ng overwoog dit even, denkend aan zijn instructies. 'Geld,' zei hij ten slotte, 'is de bron. Een zakenman die geen geld wil verdienen delft het onderspit. Met het verstrijken van de jaren leert men, met vallen en opstaan, zijn - laten we zeggen - zijn verlangen naar kapitaal te temperen met wijze behoedzaamheid.'
Nu heb je nog niets gezegd, dacht Drie Eden Tsun. Maar dat vertelt me ook al een heleboel. We zullen hiervandaan verder moeten gaan. Wanneer een rivier een rots op zijn weg vindt, verandert hij van loop. 'Ach ja,' zei hij,
'gematigdheid, voorzichtigheid, geduld: het credo van de rijke. Ik begrijp het volkomen.' Hij keek op de klok. 'Wel, ik zie dat ik u lang heb opgehouden. Dat was niet mijn bedoeling. Mijn verontschuldigingen.'
Ng raakte in paniek. Hij werd domweg van boord gezet. Als hij met lege handen bij Sawyer kwam aanzetten - terwijl er een overeenkomst in het vat had gezeten - zou hij een rode envelop met zijn ontslagbrief toegestopt krijgen. Vertrouwd lid van het huis of niet, de tal pan zou zo'n stommiteit nooit vergeven.
'Eerbiedwaardige Tsun,' zei hij een beetje te schielijk, 'misschien heb ik me niet duidelijk genoeg uitgedrukt. Neem me niet kwalijk. Ik sta niet zo stevig in mijn schoenen als mijn taipan. Mijn voorouders waren trage en geduldige lieden en zij hebben me geleerd me net zo te gedragen als zij deden.'
Bij de Acht Dronken Onsterfelijken, dacht Drie Eden Tsun, die vent heeft een gouden tong. Die is zo nederig dat elke gwai' loh voor hem in zijn zak zou tasten.
'Geduld is allemaal goed en wel,' zei hij luchtig, om te laten merken dat hij geen aanstoot had genomen, 'maar van tijd tot tijd zien we kai ho, een opening, en wanneer we er dan niet snel doorheen stappen blijven we voorgoed achter.'
'Ik ben ervan overtuigd dat de taipan er ook zo over denkt,' zei Ng, zijn opluchting verbergend.
'Goed.' Drie Eden Tsun knikte. 'Laat ik u dan in alle vertrouwen vertellen dat de beslissing van Mattias, King om de Kolonie te verlaten tot wijziging van bepaalde van hun zakelijke plannen heeft geleid. Met name lange-termijnplannen.'
Ngs pols ging sneller slaan. Hij meende te weten wat er kwam en hij probeerde zijn opwinding in te tomen.
'Zoals u wellicht weet,' vervolgde Drie Eden Tsun, 'zijn Mattias, King, de communisten en ik elk voor eenderde betrokken bij het Kam Sang nucleaire project in de provincie Guangdong. Mattias, King heeft me meegedeeld dat hij zich terugtrekt. Natuurlijk hebben ze mij hun aandeel aangeboden. Maar om eerlijk te zijn, de kosten zijn zo hoog dat mijn andere zaken in gevaar zouden komen.
Daarom bied ik uw handelshuis hun aandeel aan.'
Tienduizend vragen tolden door Ngs hoofd. Waarom Sawyer and Sons, van alle huizen? Waarom niet Five Star Pacific? Had Mattias, King zijn aandeel wel echt aan Tsun aangeboden? Zat hij niet gewoon te liegen over de reden van zijn weigering?
'Kam Sang,' zei hij voorzichtig, 'is een zeer kostbare onderneming, als ik het goed heb begrepen.'
Drie Eden Tsun knikte. 'Zes miljard Amerikaanse dollars.'
Ng verslikte zich bijna in zijn whisky. Dew neh loh moh!dacht hij. Dat is ongelooflijk veel geld voor een energiebron.
'Maar,' ging Drie Eden Tsun voort, 'het winstpotentieel is letterlijk onbeperkt. Als we de bouw van Kam Sang ten minste op tijd kunnen voltooien.'
Ng kneep zijn ogen tot spleetjes. 'Is er dan een probleem?'
'De toekomst van Hongkong en een groot deel van Zuid China is direct afhankelijk van het Kam Sang-project,' zei Drie Eden Tsun. 'Onze energiebronnen zijn zeer beperkt. U weet net zo goed als ik hoe rampzalig het zou zijn wanneer onze watervoorziening zou wegvallen. Kam Sang zal ons niet alleen elektriciteit, maar ook van water voorzien. In onbeperkte hoeveelheden.'
Ng schoot overeind. 'Daar heb ik niets van gehoord.'
'Dat kan ik me voorstellen. Het is topgeheim. Kam Sang moet gaan zorgen voor goedkope ontzilting.'
'Drinkwater uit zeewater!'
Drie Eden Tsun knikte. 'Geen rantsoenering meer voor Hongkong. Geen tekorten meer. Altijd water genoeg.'
'En de problemen?'
'De Sovjets,' zei Drie Eden Tsun. 'Ze hebben al tweemaal geprobeerd het project te saboteren. Er is geen reden om te denken dat ze het niet nog eens zullen proberen. Dat is uw grootste risico. Maar dat zou nog honderd keer zo groot zijn als de Sovjets het geheim van Kam Sang zouden ontdekken.'
Hij keek Ng aan. 'U begrijpt dus wel waarom ik direct antwoord van uw huis moet hebben.'
Het duizelde Ng. 'Ik moet dit natuurlijk met de taipan bespreken.'
'Meneer Ng,' zei Drie Eden Tsun, terwijl hij opstond. 'Ik spreek over uren, geen dagen.'
Peter knikte en stond eveneens op. 'Ik begrijp het volkomen.'
'Goed dan.' Drie Eden Tsun maakte een handgebaar. 'Mijn Nummer Drie Zoon zal u van boord brengen.'
Ng boog. 'Dank voor uw gastvrijheid, taipan.''
'Ik stel interessant gezelschap bij het diner altijd zeer op prijs, meneer Ng.'
Drie Eden Tsun keek Peter Ng na. Even later riep hij zacht. Een gedaante trad uit de schaduwen.
'Het spijt me dat je moest wachten, bou-sehk.' Bou-sehk betekende
'kostbare steen'.
'Dat geeft niet,' zei Bliss, terwijl ze zijn hut binnengingen. 'Ik heb heerlijk gegeten met a-ma.' Bliss had de gewoonte aangenomen zijn Nummer Een Dochter, de oudste dus, 'moeder' te noemen.
'Je hebt informatie voor me.'
'Jake Maroc is in Japan.'
'Ahh. Dus we hebben hem op zijn weg gezet.' Hij schonk haar een glas whisky in. 'Op Jake Marocsjoss.' Ze klonken.
'Het geeft me een raar gevoel,' zei ze. 'Alsof wij Jakes joss gemaakt hebben.'
'Bou-sehk, je weet net zo goed als ik dat joss niet door mensen wordt gemaakt. Het hoort bij de aard der dingen.'
Er lag angst in haar ogen. 'Misschien ...' Ze aarzelde even. 'Misschien wilt u me nu vertellen waarom ik hem naar Japan moest sturen.'
Zijn gezicht betrok. 'Jij bent een instrument van de yuhn-hyun.' Aldus gebruikt kon dit woord 'ring' of 'cirkel' betekenen. 'Ik beschouw je als mijn dochter, bou-sehk, maar je bent anders dan mijn andere kinderen. Jij bent naar me toegebracht en ik heb je opgevoed. Voor mijn andere kinderen ben ik alleen wat ik lijk te zijn. Alleen jij kent de waarheid.'
Hij staarde haar aan. 'Niets mag de yuhn-hyun veranderen.' Toen keek hij naar de kalender op zijn bureau. 'Op dit moment heeft Nichiren ongetwijfeld zijn fragment van de ./M gevonden, zoals de bedoeling was.'
'Maar waarom? Welke betekenis kan die nog hebben in de wereld van tegenwoordig?'
'Macht. Macht die lang geleden gevestigd werd.'
'Macht waartoe?'
'Dat kan ik niet zeggen. Misschien zal de ./u zijn eigen antwoord op die vraag verschaffen.'
Er viel een stilte. Toen vroeg Bliss: 'Vader, wie behoren er nog meer tot de yuhn-hyunT
'Er zijn dingen die je niet geopenbaard kunnen worden.'
'Waarom niet? Het is onvermijdelijk dat Jake vragen gaat stellen. Hoe langer we bij elkaar zijn, des te meer vragen zullen er komen. Is het niet belangrijk hem de antwoorden te geven?'
Een hele poos dacht ze dat hij haar niet gehoord had, of dat hij niet wilde antwoorden. 'Voorlopig moet Jake zo weinig mogelijk weten. Dat is een deel van jouw taak en het zal niet eenvoudig zijn. Maar dat zijn je opdrachten en die moet je uitvoeren zonder vragen te stellen. Je kent me goed, bou-sehk. Beter dan een van mijn eigen kinderen: Beter dan mijn vrouw ooit heeft gedaan. Ik ben een man van traditie. Als men zijn erfdeel verwerpt, houdt men niets over dan as. Onze tradities zijn het enige dat tussen ons en het einde van onze cultuur staat. De gwai loh hebben al zoveel van ons afgenomen. En ze willen nog meer. Ze zijn onverzadigbaar.'
Drie Eden Tsun keek met oude ogen op haar neer. Hij wilde haar aanraken, ook al was dat niet volgens de Chinese gewoonte. Ze was hem zo dierbaar, hij koesterde zoveel genegenheid voor haar. Zijn hand schokte even, maar kwam niet van de stoelleuning af. 'Breek nooit met de traditie, vergeet nooit het land dat je heeft voortgebracht.'
Bliss voelde Drie Eden Tsun naast zich. 'Ik zal doen wat de yuhn-hyun van me vraagt,' zei ze.
'Dat, bou-sehk, weet ik.'
Toen Stallings wakker werd was het al over elven. Hij knipperde en staarde even op zijn horloge. Toen schoot hem te binnen dat hij pas ver na drie uur in het hotel was teruggekeerd. Een lange nacht vol frustraties in de schuilholen van de yakuza. Hij zwaaide zijn benen uit bed en ging rechtop zitten, woelde met zijn vingers door zijn verwarde haren. Hij wist niet meer met hoeveel mensen hij had gesproken, hoeveel verschillende lijntjes hij had uitgezet. Het deed er ook niet toe. Hij had er niets mee bereikt. Dat had hem ook niet verbaasd. Al sprak hij vloeiend Japans, hij bleef een gaijin. Als buitenlander kreeg hij niets te horen dat met de geheimen van de Japanse maatschappij te maken had. O barst, dacht hij. Nog een dag in Tokio met mijn hoofd tegen een stenen muur beuken.
Toen hij opstond, zag hij dat het lichtje op zijn telefoon knipperde. Hij nam de hoorn op en vroeg naar de receptie. Hij kreeg te horen dat er een brief voor hem lag.
'Wanneer hebt u die ontvangen?'
'Het spijt me, meneer. Ik begin om negen uur. Toen lag hij hier al.'
Stallings hing op, zich voornemend die avond navraag te doen bij de nachtreceptionist. Hij nam een douche, kleedde zich aan en ging naar beneden. Op weg naar de onbijtzaal haalde hij de brief op. Na zijn eerste kop koffie maakte hij hem open. Hij zat in een witte, dichtgeplakte envelop. 'Ik heb vernomen,' las hij, 'dat u op zoek bent naar bepaalde inlichtingen. U weet uiteraard dat deze moeilijk te verkrijgen zijn. Bovendien zijn de antwoorden even gevaarlijk als de vragen. Ze zullen dus duur zijn. Wees zo goed om vanmiddag om 12.30 uur op het perron van het Ginza-station van de Toyoko metrolijn te staan.'
Geen handtekening, geen andere aanwijzingen over de afzender op het velletje ongelinieerd papier, noch op de envelop. Natuurlijk geen postzegel en stempel, want de brief was afgegeven. Toen hij de afgelopen nacht zijn sleutel van de receptionist had gekregen was er geen brief geweest, dus hij moest tussen drie en negen uur zijn afgegeven.
Er was nog één ding. Het was onmiskenbaar het handschrift van een man.
Stallings keek op zijn horloge. Het was al over twaalven. Hij zou moeten opschieten als hij op tijd wilde komen. Hij overwoog het even. Was er een reden om niet te gaan? Hij kon er niet een bedenken. Als hij hier niet op inging en op eigen houtje doorging met zijn nachtelijke naspeuringen, zou hij tot de dag des oordeels in Tokio rondlopen.
Maar voorzichtigheid kon geen kwaad. Haastig zette hij een krabbel onder de rekening en liet zijn ontbijt staan. Hij had belangrijker dingen te doen, in zijn kamer, en hij had maar erg weinig tijd.
Wu Aiping zat in het restaurant van het ministerie en wachtte op zijn gast. Met zijn dikke lichaam en grote ogen had hij iets van een reusachtig insekt. Hoewel het niet erg beleefd was, had hij zijn bestelling al opgegeven. Wu Aiping hield niet van wachten.
Na verloop van tijd betrad zijn gast het restaurant en werd door de kleurloze zaal geleid.
'Nin-hao-a,' zei Wu Aiping met een knikje. 'Goedemiddag.'
Zhang Hua zag er een beetje sjofel uit in zijn slechtzittende, verkreukelde pak. Hij drukte zijn bril op zijn platte neusrug. Hij zweette hevig en hij haalde een witte linnen zakdoek te voorschijn, waarmee hij zijn brede, Mongoolse gezicht afveegde.
Wu Aiping stak een hand op. 'Alsjeblieft,' zei hij. 'Ga zitten.' Toen de ander zich niet verroerde keek hij op. 'Ik bijt niet, hoor!'
Er werd thee gebracht en Wu Aiping begon meteen te drinken. Na een poosje schonk hij ook voor Zhang Hua in.
Hoewel hij doodsbang was sinds Wu Aiping hem per telefoon had ontboden, wilde Zhang Hua de ander niets laten merken. Daarom bette hij met veel vertoon zijn gezicht, vouwde zijn zakdoek op, en haalde een pakje tian shan - sigaretten met zwarte tabak - uit zijn zak, zodat hij zijn thee nog niet hoefde aan te raken. Hij schudde er een sigaret uit. Wu Aiping staarde ernaar alsof Zhang Hua zelf volslagen onbelangrijk was. 'Als je met alle geweld wilt roken,' zei hij, 'wil je misschien wel zo goed zijn aan dat tafeltje aan de overkant van de zaal te gaan zitten.'
Zhang Hua liep rood aan en draaide de sigaret in zijn vingers rond voordat hij hem nerveus doormidden brak. 'Wel zo goed,' herstelde hij zich.
'Ik probeer toch te stoppen.' Hij stak de twee helften in zijn zak.
'Bewonderenswaardig,' zei Wu Aiping op een toon die verried dat hij de leugen van de ander geen moment geloofde. Binnen dertig seconden had Zhang Hua zijn gezicht verloren. Dat vond hij onverdraaglijk en hij begon zijn best te doen om het proces om te keren.
'Ik heb niet veel tijd,' zei hij. 'Wees zo goed meteen ter zake te komen.'
Wu Aiping knikte. 'Zoals je wilt.' Hij strengelde zijn vingers ineen. 'Ik zal eerlijk zijn. Zolang Shi Zilin zijn legergeneraals achter zich weet, maakt het niets uit wat ik of de andere leden van de zogenaamde qun doen om een ommekeer in zijn gevaarlijke politiek teweeg te brengen. Daarom heb ik een geheel andere tactiek ontwikkeld.' Hij glimlachte. 'Jij, kameraad minister, gaat me - hoe zullen we het noemen ? - vertrouwelijke informatie over Shi Zilins Hongkong-operatie verschaffen. Ik wil er alles van weten, en wel zo snel mogelijk.' Zijn handen openden zich als een vleesetende plant. 'We kunnen net zo goed meteen beginnen.'
Zhang Hua had het gevoel dat alle lucht uit zijn longen was gezogen. Nooit in zijn leven had hij een Chinees als deze man meegemaakt. Bij wijze van reflex bracht hij zijn theekopje naar zijn trillende lippen. Hij was veel te overstuur om iets te proeven. Hij slikte krampachtig toen hij merkte dat zijn mond was volgelopen.
'Je moet de feiten onder ogen zien, mijn vriend,' vervolgde Wu Aiping.
'Shi Zilin is een oude man. Nog erger voor jou: hij is ziek, zijn toestand verslechterd met de dag. Nu is onze tijd aangebroken. De qun zal de overwinning behalen. Jij kunt met Shi Zilin ten onder gaan of...' Hij haalde zijn schouders op.
'Wat -' Zhang Hua moest zijn mond eerst weer vochtig maken met een slok thee voordat hij verder kon spreken. Hij was zo vervuld van heilige verontwaardiging dat hij haast niet meer kon zien. 'Wat jij voorstelt is een monsterachtige beschaming van eer en vertrouwen! Jij vraagt me alles overboord te gooien waarin ik mijn hele volwassen leven heb geloofd. Shi Zilin is meer voor mij geweest dan een mentor. Hij is als een vader voor mij.'
Hij stond op. 'Jouw voorstel vervult me met zo'n walging dat ik het niet langer kan verdragen met jou in een vertrek te zijn, laat staan thee met je te drinken.'
Wu Aiping onderdrukte een geeuw. 'Het is jouw keus, kameraad minister,' zei hij op ongeïnteresseerde toon. Toen gooide hij een bruin pakketje op de tafel. Er zat een postzegel op. 'Zeg, zou je zo vriendelijk willen zijn dit even te posten als je toch weggaat ? Ik wil het zo gauw mogelijk weg hebben.'
Ondanks zijn woede kon Zhang Hua niet nalaten een blik op het pakketje te werpen. Zijn hart stond stil. Hij kon het bloed in zijn oren horen suizen.
'Hier,' zei Wu Aiping, terwijl hij een hand naar de ander uitstak, die zich verdwaasd weer op zijn stoel liet vallen. 'Je ziet er helemaal niet best uit. Een kopje thee misschien?' Hij duwde een kopje in zijn trillende hand. Zhang Hua morste de thee over buik en broek. Hij voelde het niet. Zijn ogen lieten de naam en het adres op het pakket niet los.
'Dit -' De adem raspte in zijn keel. 'Dit is geadresseerd aan mijn vrouw.'
Wu Aiping rekte zijn lange hals. 'Klopt het straatnummer?'
Zhang Hua keek op. Hij streek met zijn vingers door zijn haar. 'Wat zit daarin?'
De jongere minister haalde zijn schouders op. 'Als je zo geïnteresseerd bent, kun je net zo goed zelf kijken.'
Zhang Hua aarzelde even; toen scheurde hij het pakketje open. Hij vond een getypt briefje aan zijn vrouw. 'Dit zal u misschien interesseren,' las Zhang Hua. Het zat met een paperclip vast aan een tiental grote foto's. Hij vloekte. Op alle foto's was hij te zien: in bed met een jonge vrouw jong, huwbaar, en zeer acrobatisch.
'Je geheime leven. Je maitresse.' Wu Aiping zuchtte. 'Je diepe verontwaardiging van zoeven wekt mijn belangstelling. Daaruit blijkt dat mijn interpretatie van je persoonlijkheid juist is.
Jij bent een rechtschapen man, kameraad minister. Jij laatje leiden door bepaalde duidelijke voorschriften. Zoals jezegt, eer en vertrouwen staan bij jou voorop. Als het erop aankomt zijn mensen van jouw soort de beste spionnen, en ik zal je zeggen waarom. Niemand zou eraan denken jouw integriteit in twijfel te trekken. Bovendien, nu je eenmaal betrapt bent, ben je aan mij gebonden. Ik heb je volkomen in mijn macht, omdat je nu gebukt gaat onder zelfverachting en schuldgevoelens. Absoluut in je rechtschapenheid en absoluut in dit opzicht.'
Wu Aiping lachte flauw. 'Maar je kunt bewijzen dat ik ongelijk heb, kameraad minister. Je hoeft alleen maar de foto's terug te doen in de envelop. Ik maakte maar een grapje; ik kan hem zelf ook wel posten.'
Maar Zhang Hua scheurde de foto's in tweeën. En de helften verscheurde hij ook.
'Goed zo,' zei Wu Aiping zacht. 'En nu ter zake.'
'De negatieven.' Zhang Hua kon de woorden nauwelijks uit zijn keel krijgen. 'Wanneer krijg ik de negatieven?'
'Dat lijkt me nogal duidelijk,' zei Wu Aiping. 'Als Shi Zilin verslagen is, of dood.'
De maaltijd werd opgediend, en Zhang Hua maakte van de gelegenheid gebruik om althans iets van zijn verloren evenwicht te herwinnen. Hij was zo verdoofd dat hij nauwelijks helder kon denken.
'Waarom doe je me dit aan?' vroeg hij. 'De premier heeft Shi Zilin de wacht aangezegd. Wat heb je nog meer nodig?'
Wu Aipings glimlach verkilde de onderminister. 'Men heeft jouw baas al eerder de wacht aangezegd. Hij heeft het toen niet alleen overleefd, maar bovendien liggen zijn vijanden door zijn toedoen onder de grond. Ik zal ervoor zorgen dat hij deze keer geen kant op kan. Ik zal hem verpletteren, Zhang Hua, daar kun je zeker van zijn.
Shi Zilins ideeën voeren China over een rampzalig pad dat uiteindelijk zal leiden tot totale verwestersing van ons land. Hij wil onze ideologie overboord gooien, de kern van onze macht. Hij wil die macht ondermijnen, waarmee we het lot van zeshonderd miljoen zielen beheersen. Zonder ons zou er totale anarchie in China heersen. Dood en vernietiging, rellen en plundering. Opnieuw een Boxersopstand!
Wel, om hem tegen te houden moet ik allereerst weten wat de basis van zijn Hongkong-operatie is.' Hij schonk zich een kop thee in en wachtte. Toen Zhang Hua weigerde te antwoorden, zei hij: 'Kom, kom, kameraad minister. Je hebt het moeilijkste al achter de rug. De eerste stap is genomen. Je integriteit is al gecompromitteerd. De tweede stap kan nooit zo moeilijk zijn.'
Er ging een siddering door Zhang Hua heen. Toen zei hij: 'In opdracht van Shi Zilin speel ik valse informatie door aan de Russische KGB. We hebben samen besloten mij vatbaar voor chantage te maken via de familie van mijn broer in Hongkong. Nu breng ik rechtstreeks rapport uit aan generaal Daniëlla Vorkuta, hoofddirecteur van de KVR in Departement S.'
'Ik wil alle communicatie tussen jou en deze KGB-functionaris zien,' zei Wu Aiping meteen. 'Ik moet deze dialoog nauwkeurig bestuderen. Zorg ervoor dat ik de documenten krijg.'
'Dat zal niet eenvoudig zijn. Er zijn geen fotokopieën van - alleen de originelen.'
'De berg moeilijkheden waar je je op bevindt, zal daar wel een oplossing voor baren,' zei Wu Aiping. 'Laten we één ding meteen heel duidelijk afspreken. Je doet wat ik zeg en praat er met niemand over. Als er problemen zijn hoefje niet te proberen je er vanaf te maken. Geen gezeur. Wat heb je me nog meer te vertellen?'
Zhang Hua trilde van woede onder de bejegening van deze schoft. Hij opende zijn mond om iets te zeggen, maar zag er vanaf. Hij wist dat hij absoluut geen keus had. 'Omdat de Sovjets zich zo druk maken om Hongkong,' zei hij, 'laat Shi Zilin een groot deel van ons werk door hen opknappen. De hele operatie draait om de valse informatie die we de KGB
toespelen, en om de instructies aan onze eigen hooggeplaatste agent aldaar.'
'Wie is dat?'
'Codenaam "Mitre". Zijn ware naam is Sir John Bluestone, een van de vijf taipan aan het hoofd van het handelshuis Five Star Pacific.'
'De communicatie met "Mitre" moet ik ook hebben. Hoe eerder hoe beter. Tref me vanavond om acht uur. Je neemt de bus, lijn negen, naar het eindpunt. Hong Miao. Ik wacht op je in het theehuis, drie blokken ten westen van het depot. Zorg datje alles bij je hebt waarom ik heb gevraagd. Anders krijgt je vrouw per speciale koerier een stapeltje afdrukken.' Zijn felle ogen staarden Zhang Hua aan. 'Ik neem aan dat ik zo duidelijk genoeg ben.'
Zhang Hua knikte stom.
Lachend betaalde Wu Aiping de rekening. 'Kop op, kameraad minister. Het valt niet mee om patriot te worden.'
Stallings had lange tijd in New York gezeten, dus hij dacht dat hij wel gewend was aan menigten en ondergrondse spoorwegen. Maar New York was niets vergeleken bij Tokio. Hij was in deze stad in geen jaren onder de grond geweest. Het was er niet vuil en er was haast geen lawaai, maar de overstelpende mensenmassa op de perrons was ontstellend. Hij keek op zijn horloge: 12.28 uur. Aan zijn kant naderde een trein. De glimmende metalen voorkant suisde razendsnel op hem af. Hij kwam tot stilstand en de deuren schoven open. De mensen stortten zich naar voren voordat de passagiers die eruit wilden een voet konden verzetten. De toegangen veranderden in chaotische slagvelden.
Toen de trein weer weg was, stond Stallings even vrijwel alleen aan zijn kant van het perron. Zijn blik gleed over de rails en hij zag een jonge vrouw in een roze-oranje kimono recht tegenover zich staan.
Ze had houten geta aan en droeg een janomegasa, een geoliede rijstpapieren paraplu. Zelfs van deze afstand was de zware make up van de geisha goed te zien. De huid van haar gezicht was lijkwit, haar lippen felrood. Ze wenkte hem.
Stallings was even de kluts kwijt. Het was zeer ongebruikelijk dat een vrouw in het openbaar zo'n gebaar maakte.
Toen keek hij op zijn horloge en zag dat het precies half een was. Hij haalde het briefje uit zijn broekzak en wuifde ermee. De geisha wenkte weer.
Negentig seconden later stond hij aan de andere kant van de rails. Op dat moment liep een trein het station binnen. De geisha leidde hem er zonder een woord in. Er was maar één lege zitplaats, waarop zij zedig ging zitten. Hij stond boven haar. Hij probeerde niet te staren. Ze was beeldschoon. Ze reden naar het noorden, in de richting van Kita-Senju, maar na station Naka-Okachimachi stond de geisha op en ging bij de deur staan. Stallings volgde haar. Ueno was de volgende halte. Ze hadden nog geen achttien minuten in de trein gezeten.
Ze kwamen van het kunstlicht van het station in het zonlicht van Ueno Park.
' Yappari aoi kuni da!'
Dat waren haar eerste woorden sinds hij haar had gezien. Stallings knikte; hij had meer oog voor eventuele achtervolgers dan voor het weelderige gebladerte van de vroege zomer. Ze liepen door het park. Aan weerskanten van het pad stonden kerse-en pruimebomen. Hun bloesems waren al afgevallen.
In een scherpe bocht bleef de geisha staan voor een groep struiken. 'Dit zijn tairin,' zei ze met haar prettig hese stem. 'Een variëteit van asagao, het ochtendgelaat. Amerikanen noemen ze dagbloemen, nehT
'Ja.'
'Deze soort heet Rode Draak. Een Chinese naam, want ze zijn uit China ingevoerd tijdens de Nara-periode, in het midden van de achtste eeuw volgens de westerse tijdrekening.' Ze stak haar fijne hand uit; de felrode nagels glansden in het zonlicht. 'In tegenstelling tot jullie variëteiten, die bloeien tot het middaguur, zijn deze in hun volste bloei om vier uur in de ochtend. Om negen uur zijn ze verwelkt.'
'Wat zonde,' zei Stallings enigszins afwezig. Hij loerde nog steeds naar achtervolgers.
'O nee,' zei de geisha. 'Wij koesteren de kortstondigheid van de Rode Draak boven alle andere bloemen, want hij weerspiegelt de vluchtigheid van het leven, zo krachtig in ons bewustzijn, maar zo snel voorbij.'
'Kunnen we tot zaken komen, meisje?' Stallings had genoeg van de botanische les; hij had belangrijker zaken te bespreken. De geisha boog haar hoofd. Haar blauwzwarte haar glansde; het gecompliceerde kapsel werd perfect bijeengehouden door paarlemoeren kanza- shi, staafjes in haar haar. 'We zijn al begonnen,' zei ze. Stallings keek onthutst om zich heen. 'Ik zie hier verder niemand,' zei hij. De geisha lachte zacht. 'Moet dat dan?' Haar toon was spottend.
' Yakuza laten hun werk nooit door vrouwen opknappen. Ik dacht dat jij voor iemand werkte die zelf geen contact met me wilde opnemen. In dat briefje stond ...'
De geisha was naar een stenen bank gelopen, halfverscholen onder de woekerende asagao. Ze ging zitten. 'Waarom zocht u die informatie?'
Stallings ging naast haar zitten. Ze had twee vingers op de steel van haar janomegasa. Hij voelde zich slecht op zijn gemak en zenuwachtig, alsof hij de situatie al niet meer in de hand had. 'Ik ben hier niet om vragen te beantwoorden, maar om ze te stellen.'
De geisha zweeg even. Ze staarde hem raadselachtig aan.
'Ik weet niet eens hoe je heet,' zei hij ten slotte.
'Eiko.'
'Eiko, en verder?'
'Wat wilt u van deze man Nichiren?'
Hij staarde haar met opengesperde ogen aan. 'Je verwacht toch niet dat ik daar antwoord op geef? Ik betaal jou om mij antwoorden te geven!' Maar hij begon te vermoeden dat ze die helemaal niet had. Instinctief verdween zijn hand in zijn jasje en zijn vingers sloten zich om de kolf van een pistool.
'Ik denk dat het verstandig zou zijn naar een drukker gedeelte van het park te gaan,' zei hij, terwijl hij het wapen te voorschijn haalde. Maar de geisha bewoog haar handen al, razendsnel. Het heft van de janomegasa was blootgelegd. In plaats van bamboe schoot nu een smal stalen mes op hem af. De punt doorboorde het vlezige gedeelte van zijn rechterhand vlak onder de duim.
Stallings hand verslapte en het pistool kletterde over het stenen pad, om voor de voeten van de geisha te blijven liggen.
'Laten we maar blijven waar we zijn,' zei ze, terwijl ze opstond. Ze hield hem vastgeprikt. Ze schopte het pistool in de struiken onder de bank. 'Kom maar mee.'
Ze drukte op het zwaard en Stallings voelde een brandende pijn door zijn arm omhoog schieten tot in zijn oksel. Ze moet pal op een zenuw zitten, dacht hij, woedend op zichzelf.
Ze leidde hem om de bank heen. In het midden van de asagao stonden ze in dicht struikgewas, volkomen onzichtbaar vanaf het bochtige pad. De geluiden van park en stad waren verstomd als onder zware sneeuwval. Stallings, nog steeds door het dunne mes aan de geisha geketend, stond zijn krachten te verzamelen. Geen vrouw is mij de baas, dacht hij. Hij klemde zijn tanden op elkaar en drukte zijn vastgeprikte hand naar beneden. Hete vlammen laaiden door zijn arm omhoog toen het staal door zijn vlees gleed. Maar toen was hij los en hij dook op de geisha af, ineengedoken, de vingers van zijn gezonde hand uitgestoken naar het heft van de janomegasa.
In plaats van zich te verzetten liet de geisha hem komen, liet hem zelfs het mes grijpen, maar toen gaf ze hem tot zijn verrassing een venijnige slag in de lever waardoor hij versuft en krachteloos door zijn knieën ging. Zijn hoofd was zo ver naar voren gebogen dat hij haar kimono langs zijn haren voelde strijken. Hij probeerde overeind te komen, maar voelde haar hand op zijn schouder. Haar vingertoppen zochten en vonden de zenuwknoop. Zijn hele linkerzijde werd verlamd. Hij hield zijn bloedende rechterhand op zijn dijen, als een gewonde vogel, niet in staat te bewegen. Stallings hijgde zwaar. Het leek wel alsof hij niet genoeg zuurstof in zijn longen kon krijgen. Er was een zwartheid in zijn ooghoeken, en toen hij die herkende werd hij bang.
Heel vaak had hij tijdens gevechten gevallen kameraden getroost. Zij hadden hem verteld hoe het was om voor je leven te vechten, hoe het voelde als dat leven uitje wegebde. Hoe ze hadden geworsteld om het leven vast te houden terwijl ze al bevangen werden door de dood.
Nu hing de dood in de lucht. Met een koortsige rilling herkende Stallings die klamme aanwezigheid. De dood was gekomen in de gedaante van een geisha, hoe onwaarschijnlijk het ook leek. De geisha stond boven hem; haar rechterhand drukte het leven uit zijn lichaam.
Stallings wilde niets liever dan opstaan en haar neermaaien. Hij wilde haar neergevloerd voor zich zien liggen. Hij voelde zich vernederd dat zo'n broos schepseltje hem op de knieën had gekregen. Hij was ten slotte soldaat, en als hij dan toch dood moest, wilde hij een soldatendood. Niet dit. Toen voelde Stallings een hand in zijn haar en zijn hoofd werd omhoog getrokken zodat hij in het geverfde gezicht van de geisha staarde. Grote God, dacht hij, wat is ze mooi. Mooi en dodelijk.
Haar ogen waren donkerder dan de nacht, haar lippen een volmaakte boog. 'U wilt me natuurlijk niet vertellen wat u weet,' zei de geisha. 'U bent een beroeps.'
'Er valt niks te vertellen.' Zelfs die paar woorden bezorgden hem ondraaglijke pijn.
'Niets?' De gelaatstrekken van de geisha werden hard en lelijk. 'U
bedoelt alles.'
Stallings hoestte. De adem voelde als vlammen in zijn keel. Toen tastte de geisha tussen zijn benen. Haar lange, smalle vingers maakten zijn rits open. Zonder het te begrijpen zag hij haar hand uit het gezicht verdwijnen. Toen werd hij gehuld in onvoorstelbare pijn, een eeuwigheid lang, totdat hij wenste te sterven.
En na die verschrikking - zijn hoofd voorover, badend in zweet bekende hij zijn zonden alsof hij in de biechtstoel van een kerk zat. 'Ze wilden de dood van Mariana Maroc.' Zijn stem was droog en gebarsten als een rietstengel in de winter. 'Ze stuurden mij achter haar aan.'
'U bent haar moordenaar,' stemde de geisha in. 'Hebt u niet gevraagd waarom u haar moest doden?'
Ontsteld over wat hij had gedaan mummelde Stallings: 'Nee, maar ik vermoed dat het was omdat ze bij Nichiren was. Ze dachten dat zij hem een tip had gegeven over de inval van haar man in O-henro Huis.'
'U voerde het uit, maar Nichiren was de oorzaak van haar dood.' De stem van de geisha was etherisch en zacht als een avondbriesje. Door tranende ogen zag Stallings met afgrijzen de verandering over zijn tegenstander komen. Haar vrije hand ging naar haar volmaakte coiffure en trok eraan. De pruik viel en verstikte de slapende asagao-bloemen.
'Ahh!' Een schorre kreet ontwrong zich aan Stallings keel. Nu kon hij door de zware make up heen kijken alsof er opeens een raam naar de ziel van de ander was opengegaan.
Dit was geen geisha. Dit was helemaal geen vrouw.
'Wie...' Het duizelde hem. 'Wie ben jij?'
De zwarte ogen staarden hem aan. 'Uw discrete naspeuringen vannacht hebben de aandacht getrokken, meneer Stallings. Ik heb veel vrienden in deze stad. Zij hebben me op de hoogte gebracht van uw belangstelling. Ik ben Nichiren. En ik ben uw dood.'
Verbijsterd zag Stallings die lange felrode nagels de lucht doorklieven. Toen ze hem aanraakten sloot hij zijn ogen. Ze gingen pas weer open toen alle gevoel uit hem geweken was.
Shanghai
LENTE 1927-ZOMER 1937
Na Mai's dood hielden Zilin en Hu Hanmin zich zes weken lang schuil in een godown van Barton Sawyer. Na die tijd had generaal Tsjiang wel andere problemen aan zijn hoofd dan twee voortvluchtige mannen. De linkse leiders van de Kwomintang, van wie Wang Jingwei de belangrijkste was, scheidden zich af zoals Tsjiang en zijn volgelingen een paar maanden tevoren zelf ook hadden gedaan.
En zo werden ze op een avond door een koelie naar het kantoor van de tai pan gebracht, waar Sawyer een feestmaal van tien gangen had aangericht om hun verlossing te vieren. Maar na de vreugde van hereniging en nieuwe vrijheid kwam de harde realiteit. Zilin was zijn baan bij de havenmeester kwijtgeraakt. Drie weken tevoren was er iemand anders in dienst genomen.
Sawyer bood Zilin een baan in de firma aan, maar gezien de omstandigheden weigerde hij. Zijn tweede broer had zich al een stevige positie verworven in de Hongkongse afdeling van de firma, en Zilin wilde niet alles op een kaart zetten. Daarom wachtte hij zijn tijd af.
Dank zij de baggerconcessie en de vertrouwelijke gegevens die de tai pan met behulp van Zilin had verkregen, de opiumaanvoer van Zilins jongste broer en de voortvarende aanpak van zijn middelste broer in Hongkong, werd Sawyer and Sons drie jaar later alleen nog door Mattias, King and Company in grootte overtroffen.
Op grond van het contract dat Zilin met Barton Sawyer had gesloten, bezaten de Shi-broers twintig procent van de firma, met optie op nog eens tien binnen vijfjaar na de ondertekening.
In augustus vond Zilin een baan in het douanekantoor. Het was geen moeilijk werk, maar zoals in alle dingen wist hij er het beste van te maken. Omdat hij zo snel van begrip was, vertrouwden zijn superieuren hem gaandeweg steeds meer werk toe dat ze eigenlijk zelf hadden moeten doen. Op die manier werd Zilin ingewijd in de diepste geheimen van de handel in Shanghai.
En zoals ze waren overeengekomen, gaf hij regelmatig veel van deze nieuwtjes door aan Barton Sawyer, aldus hun beider winsten vergrotend. Maar de beste tips hield hij voor zichzelf en zijn broers, zodat ze hun eigen firma konden opbouwen. Op twee paarden wedden, dacht Zilin. Dat is de enige weg naar succes.
In 1935 was hij een rijk man. In dat jaar was er in Nanking een centrale nationalistische regering uitgeroepen, na de vergeefse poging van de communisten om Kanton in te nemen. Generaal Tsjiang ondervond steeds meer verzet van de communisten, uit wier gelederen twee nieuwe, krachtige leiders waren opgestaan: Mao Tse-tung en Tsoe En-lai. In het midden van 1935 waren zij aan de Lange Mars begonnen, die begon in het zuiden en eindigde in Yenan in het noorden.
Misschien was het toepasselijk dat Zilin zijn toekomstige vrouw ontmoette op een stralende, zonnige zondag, dezelfde dag waarop Mao en Tsoe met hun zegevierende leger Yenan binnentrokken. De lucht leek schoongewassen en fris als de lente. Een van die zeldzame dagen in China waarop de drukkende zomerhitte even wordt verjaagd.
Het was misschien een vreemde dag om op een begraafplaats te zijn, maar sinds Mai's dood kwam Zilin hier elke twee weken. Toen Zilin en Hu Hanmin in de godown verscholen zaten, had Barton Sawyer navraag gedaan en ten slotte Mai's stoffelijk overschot weten op te sporen. Op wens van Zilin was ze hier begraven.
Deze zondag betrad Zilin de begraafplaats met in zijn witte vuisten de joss-stokjes die hij zou aansteken wanneer hij voor het graf knielde, onder het reciteren van boeddhistische soetra's.
Er kwamen niet veel mensen naar deze begraafplaats. Dit was niet de favoriete plek voor de doden, zo ver van het drukke stadscentrum. Bovendien waren er veel gwai loh begraven, missionarissen en dergelijke lieden. Toen hij naar Mai's graf liep, werd Zilin zich bewust van een andere aanwezigheid. Hij keek om zich heen en zag een slanke vrouw met gebogen hoofd voor een stenen gedenkplaat met een christelijk kruis staan. In haar handen, die ze voor haar middel hield, droeg ze een klein maar fraai boeket van roze en paarse bloemen. Ze was in het zwart gekleed. Het was een westerse vrouw met donkere haren en ogen.
Gewoonlijk was Zilin volledig geconcentreerd op zijn plichten. Hij dacht zelden aan iets anders dan aan Mai tijdens deze smartelijke bezoeken. Maar nu bleef hij staan op het stenen pad en staarde openlijk naar de vrouw alsof hij een ongemanierde gwai loh was. Zilin had nog nooit schoonheid gezien in een westerse vrouw. Het was domweg nooit bij hem opgekomen dat hij zich tot een gwai loh aangetrokken kon voelen. Maar dit was iets heel anders. Met moeite maakte hij zijn blik los van haar slanke gestalte en liep plechtig naar het einde van het pad, waar hij neerknielde en in het ritueel verzonk.
Met een schok besefte hij dat er iemand achter hem stond. De schaduw streek over zijn schouders en verduisterde de traag walmende yass-stokjes. Hoe lang zit ik hier al? dacht hij onnozel. Hij was klaar met zijn soetra's. Hij tilde zijn hoofd op en staarde in de smeulende ogen van de slanke vrouw. Op hetzelfde moment verloor hij zijn hart aan haar.
'Neem me niet kwalijk,' zei ze in redelijk Kantonees. 'Ik hoop dat ik u niet gestoord heb. Ik wilde wachten tot u klaar was. U bent toch klaar?' Toen er geen antwoord kwam, ging ze dapper voort: 'Ik ben de weg kwijt. Ik ben hier met een taxi gekomen, maar ik weet niet meer hoe ik terug moet. Gaat u naar het centrum?' Ze glimlachte aarzelend. 'Mijn broer ligt hier begraven. Hij was missionaris...' Haar stem stierf weg. Ze vreesde dat ze hem gestoord en voor het hoofd gestoten had.
Zilin kwam langzaam bij uit zijn verdoving. Hij schraapte zijn keel, die opeens was volgeschoten van emotie. 'Nee, het is goed. Ik ben helemaal klaar.' Hij stond op. 'Mijn vrouw.'
'Dat spijt me.'
Hij zag dat ze het meende en dat bracht hem nog meer van zijn stuk. Hij slikte moeizaam. 'En het spijt mij, van uw broer.'
Ze glimlachte weer. Het was het schuchtere lachje van een klein meisje.
'Hij was hier erg gelukkig. Hij ging helemaal op in zijn werk.'
Er viel even niets meer te zeggen. De stilte was zwaar en onaangenaam. Over het water klonk een scheepshoorn.
Zilin beschouwde het als een teken. 'Natuurlijk zal ik u naar het centrum brengen. Maar als u nog wat tijd hebt, er is een tempel hier vlakbij. Long Hua. Een prachtige plaats uit mijn jeugd. Misschien dat een korte wandeling ons van de zwaarmoedigheid van het rouwen kan verlossen.'
De slanke vrouw keek hem aan. 'Is dat wel verstandig. Wat zouden de mensen wel niet zeggen?'
'Wat kunnen ze zeggen?' vroeg hij verbaasd.
Ze schoot in de lach, en het geluid trof hem in zijn hart. 'O, van alles en nog wat, als je nagaat hoe gek Chinezen op roddelpraatjes zijn.' Ze glimlachte ongedwongen. 'Een geheim rendez-vous van twee minnaars, bijvoorbeeld.'
Zilin bloosde. 'Maar dat is belachelijk.'
'Ja,' stemde ze in, nog steeds glimlachend, 'belachelijk.' Ze haalde haar schouders op. 'Maar je kunt de gedachten van andere mensen niet intomen
- en hun tongen ook niet.'
Zilin bedacht dat de rollen in de loop van hun gesprek waren omgedraaid. Ze praatte tegen hem alsof hij de gwai loh en zij een Chinese was. Wat vreemd, dacht hij. En verwarrend.
'Bent u dan bang voor wat anderen over u zeggen?' vroeg hij. Ze lachte weer. 'Als ik dat was, zou ik hier niet zijn. Men zegt dat China geen plaats is voor een nette dame, en mijn familie en mijn vrienden nemen aan dat ik dat ben.'
'Vergissen ze zich dan?'
'In mijn land zou een heer die vraag nooit durven stellen.'
'Misschien bent u daarom wel hier,' zei hij half schertsend.
'Nee.' Opeens was ze ernstig. 'Ik ben hierheen gekomen om mijn broer te begraven. Hij is gestorven aan malaria.' Maar is dat wel de waarheid ? vroeg ze zich af. Hij is al een maand geleden begraven. Mijn rouwperiode is voorbij. Trouwens, Michael was gelukkig. Dat is meer dan ik van mezelf kan zeggen. Ze overdacht wat Zilin had gezegd.
Abrupt kwam ze tot een besluit. 'Hoe kan ik ergens met u heen gaan, meneer? We zijn niet eens aan elkaar voorgesteld.'
'Duizend verontschuldigingen,' zei hij, alweer blozend. 'Mijn naam is Zilin Shi.' Hij verwesterde zijn naam met opzet, door zijn achternaam het laatst te noemen, om haar niet in de war te brengen.
'Wel, Shi Zilin,' zei ze, de oosterse spreekwijze gebruikend, 'het is me een genoegen. Mijn naam is Athena Nolan.'
Ze had een donkere huid voor een gwai loh, gebruind en zonder rimpels. Haar amandelvormige ogen waren van het diepste bruin dat hij ooit had gezien. Ze zei dat ze de ogen van haar moeder had, die een Hawaiiaanse was, een nazaat van de eerste vorst van de Eilanden, Kamehameha de Eerste. Haar vader was een Engelsman, een wilskrachtige man die, net als zijn vader voor hem, over de hele wereld had gereisd.
Dit vernam Zilin allemaal een dag of acht na hun eerste ontmoeting, die eindigde met de terugkeer naar de stad. Na hun vrijmoedige gesprek hadden ze elkaar niet willen compromitteren. Zilin was teleurgesteld in zichzelf. Vanaf zijn jeugd had hij geweten dat hij een eenling was. Hij was zijn tijdgenoten altijd ver vooruit. Nu schaamde hij zich dat hij gevangen zat in het web van zeden en gewoonten van zijn maatschappij. Maar dat duurde niet lang, want ruim een week later ontmoette hij Athena weer op een gala van Sawyer and Sons. In feite was het Barton Sawyers oudste zoon, Andrew - negentien nu en reeds werkzaam in de firma - die hen aan elkaar voorstelde.
Ze vonden het allebei komisch net te doen alsof ze elkaar nog nooit gezien hadden.
Zilin maakte een diepe buiging voor Athena. Toen nam hij haar hand in de zijne en drukte er naar westers gebruik een kus op. Athena was verrukt.
'Het is me een genoegen, meneer Shi.'
Hun ogen lachten, maar hun monden niet. En hun eerste ontmoeting op de begraafplaats zou altijd hun geheim blijven.
Toen zei hij iets en ze schoot in de lach. Haar arm streek langs de zijne. De aanraking was als een elektrische schok.
Natuurlijk wilde hij weten hoe ze aan haar naam kwam.
'Die vraag is mij al vaak gesteld, meneer Shi. Het was de naam van mijn grootmoeder van vaders kant. Zij was een Griekse. Ze ontmoette mijn grootvader in Klein-Azië. Het waren archeologen bij Schliemann in Hissarlik. Troje.'
Zilin keek haar niet-begrijpend aan. 'Ik ben bang dat ik nog nooit van Troje heb gehoord.'
'En ook niet van Homerus?'
'Homerus?' Hij proefde het woord op zijn tong alsof het een onbekende wijn was. 'Nee.'
'Goed,' zei ze opgewekt. 'Als u me dan over China vertelt, kan ik u voorlezen uit Homerus en u iets leren over de westerse oudheid.'
Hij vond de Iliasniet zo mooi, niet vanwege de poëzie, die hij wel degelijk kon bewonderen, maar vanwege het verhaal zelf, dat hem te veel aan het oorlogsverleden van China deed denken.
Maar de Odyssee vond hij prachtig en hij genoot van de lange queeste. Hij haalde zijn hart op aan de listigheid van Odysseus, die zijn talrijke vijanden te slim afwas, en hij zuchtte voldaan toen de antieke held eindelijk wraak had genomen.
'Een fantastisch verhaal,' zei hij, toen Athena op een koele avond een paar maanden later het boek ten slotte neerlegde. Het was een oud en gerafeld exemplaar in het oorspronkelijke Grieks, dat ze hem al vertalend had voorgelezen.
Maar hij dacht niet zozeer aan Homerus' poëzie dan wel aan Athena. Zij absorbeerde informatie als een spons en, wat meer was, ze bewaarde alles. Hij had haar niets over de Chinese geschiedenis geleerd dat ze niet moeiteloos kon herhalen. Hij had nog nooit een Chinese vrouw - of man - ontmoet met zo'n grote dorst naar kennis op elk gebied. Hij begon haar te beschouwen als de praktische belichaming van zijn boeddhisme. Boeddha leerde dat het individu één was met alle dingen. Athena voelde zich zo thuis in China, besefte hij, omdat ze zich één voelde met de wereld. Zilin was ervan overtuigd dat China's eeuwige zwakheid zijn géïsoleerdheid was. Dat stamde van de traditionele Chinese afkeer van de gwai loh. In plaats van in te zien dat er van de buitenlandse duivels belangrijke dingen te leren waren, hadden de Chinezen hun ogen gesloten voor alles wat vreemd was aan het Rijk van het Midden.
Daarom schoot hun begrip te kort. Daarom waren ze verslagen. Daarom waren de gevreesde gwai loh naar China gekomen en hadden genomen wat ze wilden.
Zilin wist dat hij van Athena hield. Hij wist dat hij zijn ziel aan haar had verloren. Dat beangstigde hem meer dan toen hij de dood in het gezicht had gestaard in de nacht dat Mai was vermoord. Hoe oecumenisch hij ook dacht, in zijn hart bleef hij een Chinees. Hij was nog nooit met een westerse vrouw samen geweest, had nog nooit de regen en de wolken met een westerse vrouw ervaren. Dus het was geen wonder dat hij sidderde als hij in haar buurt was. Hij dronk weinig, maar had het gevoel dat hij een vat rijstwijn had verzwolgen.
Het was het fysieke contact dat hem het bangst maakte. Wanneer hij haar aanraakte, vreesde hij, zou zijn essentie - zijn geschiedenis, het unieke dat hem tot Chinees maakte - voor altijd verloren gaan. Kortom, hij was ervan overtuigd dat hij, door haar te beminnen, iets anders opofferde dat hem dierbaar was.
Maar toch kon hij zich niet van haar losmaken. Overdag kon hij zich op zijn werk concentreren. Regelmatig ontmoette hij Barton en Andrew Sawyer en vertrouwde hun de waardevolle geheimen toe die hem op het douanekantoor ter ore waren gekomen. Ook zijn jongste broer sprak hij vaak - de middelste broer was te ver weg in Hongkong - en samen namen ze de zakelijke beslissingen die de geldkisten van de Shi's deden volstromen. Zijn vader stierf en een paar weken later zijn moeder. Nu bestond de familie uit de drie broers en ...
Daar droomde Zinin 's nachts van. In zijn onderbewustzijn hoorde Athena al bij de familie.
Hu Hanmin zag hij nog maar zelden. De geleerde had zich weer bij de communisten aangesloten; hij had een paar maal geprobeerd zijn vriend mee te nemen, maar Zilin had er geen oren naar.
Ook hier weer zag Zilin met zijn opmerkelijke verstand wat anderen niet zagen: dat het communisme niet beter of slechter was dan een andere regeringsvorm. De theorieën stelden in wezen niets voor. Het communisme was ontworpen door mensen en moest door mensen worden uitgevoerd. Lang geleden was Zilin al tot de slotsom gekomen dat zuivere theorie en het menselijk wezen elkaar wederzijds uitsloten.
Dat had hij keer op keer gemerkt in zijn tijd als communist, toen Mai nog leefde. De partij werd niet geleid door de harde theorie, maar door mannen in het bezit van alle ondeugden die de mens kenmerken. Ze waren hebzuchtig, hoogmoedig, omkoopbaar, hardvochtig en, het ergst van alles, als maniakken op macht belust. Misschien was Sun Zhongshan anders geweest. Maar die was dan ook door zijn eigen volgelingen uit het zadel geworpen.
De mens handelde niet op grond van een theorie. Hij voelde zich gedwongen te interpreteren. En Zilin had geleerd dat interpretatie corruptie betekende. Het communisme was een ideaal dat nooit bereikt kon worden. Op zijn best was het een onvolmaakt hulpmiddel waarmee een kleine groep machtige mensen een groot aantal minder machtige mensen onder de duim kon houden.
Dat alles vertelde hij op een avond aan Athena. Op het moment zelf wist hij niet waarom, maar later begreep hij dat hij haar op de proef had gesteld. Hij had willen zien of ze negatief zou reageren. Hij had willen zien of ze het begreep. Als dat niet het geval was geweest, had hij hun relatie zonder gewetensbezwaren kunnen verbreken.
'Dan ben jij geen idealist,' zei ze, toen hij was uitgesproken. 'Michael, mijn broer, was wel een idealist. Zoals ik je heb verteld, was hij missionaris. Hij hield van zijn werk. Maar ik kon het niet accepteren. Ik geloof niet in bekeringswerk. De katholieke priesters gingen met Pizarro naar Peru, met Cortez naar Mexico. In beide gevallen werden complete beschavingen vernietigd. Vergeet niet dat ik uit een familie van archeologen kom. Al die mensen met hun bekeringsijver, ze laten andersdenkenden geen ruimte. Me dunkt dat dat ook geldt voor jouw kleine groep machtige mensen.'
Op dat moment wist Zilin dat hij met Athena zou trouwen. Naar aanleiding van de toenemende dreiging van het imperialistische Japan voerden Mao en generaal Tsjiang in het begin van 1936 een reeks geheime gesprekken. Maar, zoals Zilin wel had verwacht, werden de onderhandelingen abrupt en met veel rancune weer afgebroken. De Kwomintang en de communisten waren nog steeds met elkaar in oorlog. Sinds de eeuwwisseling had zijn land niets dan burgeroorlog gekend, en hij overwoog dat, zelfs als zijn landgenoten zijn vooruitziende blik hadden bezeten, ze het veel te druk hadden met elkaar te bevechten om enige aandacht te schenken aan China's toekomst op lange termijn. Dat was een sombere gedachte maar, moest hij toegeven, een die zijn afkeer van het communisme wat verzachtte. Een verenigd China was de eerste stap op de weg naar de toekomst. Hij was ervan overtuigd dat Tsjiangs despotisme niet juist was; evenmin geloofde hij in de uitvoering van de principes van het communisme. Hij verdacht de Russische leiders er al van dat ze de revolutie verrieden; hij zag hen niet als de communistische bondgenoten die ze volgens Mao waren, maar als toekomstige vijanden aan China's kwetsbare noordelijke grenzen. Maar toch leek het communisme hem in veel opzichten de enige weg naar de consolidatie van macht, binnenlandse orde en stabiliteit.
Ongeveer op hetzelfde moment dat Mao en Tsjiang hun gesprekken afbraken, trouwde Zilin met Athena. Hij wilde een boeddhistische plechtigheid. Athena zei dat zij geen godsdienst had en dat het haar dus niet uitmaakte. Dit verontrustte Zilin wel een beetje, maar hij was in zo'n staat van euforie dat hij er verder niet bij stilstond.
De plechtigheid vond plaats in de Long Hua-tempel. In de Hal van de Hemelse Bewakers legden ze hun geloften af. Op het feest naderhand werd er druk gepraat over Mao's toenemende macht, Tsjiangs defensieve opstelling, de Japanse dreiging. Van werkelijke ongerustheid, merkte Zilin tot zijn ontsteltenis, was bij de gasten geen sprake. Deze gebeurtenissen, die voor hem zo essentieel waren, leken voor deze mensen deel uit te maken van een andere wereld. Hij wendde zich af en staarde somber uit het raam. Hij dacht aan Japan en Rusland, en het maakte hem bang te bedenken hoe kwetsbaar een verdeeld China was.
Later sprak hij er met Athena over, en zij zei op haar rationele manier: 'Jij bent een zakenman, Zilin. Maar je hebt het over politieke problemen. Die vragen om politieke oplossingen.'
'Betekent dat dan dat ik me er niet mee mag bemoeien ?' Hij dacht aan de Hemelse Bewakers uit zijn jeugd. 'Misschien moet ik wel helpen.'
'Eerlijk gezegd,' zei ze, 'denk ik dat de gebeurtenissen al veel te veel uit de hand gelopen zijn. China bevindt zich in de macht van een reusachtige vloedgolf.'
'Maar wij zijn toch niet machteloos!' protesteerde hij.
'Jawel,' zei ze zacht. 'Jij en ik zijn machteloos.' Hij stond bij het raam in hun nieuwe huis en ze keek naar hem.
'Zilin,' zei ze nu, 'kom in bed.' En toen hij niet reageerde wierp ze de lakens van zich af. 'Vind je me niet aantrekkelijk?' Ze keek naar zijn rug. Hij bewoog zich niet. Hij was gevangen in zijn vrees voor haar. Nu het moment daar was, voelde hij haar fysieke aanwezigheid als een stalen gewicht op zijn borst. Hij vroeg zich af of hij dit kon overleven, of zijn voorouders hem ooit zouden vergeven dat hij zijn hart aan een gwai loh had verloren.
'Zilin, kijk naar me.'
Eindelijk draaide hij zich om en wist dat hij verloren was. Wat er in de volgende ogenblikken ook met hem zou gebeuren, hij kon haar niet weerstaan. Ze lag op de zachtroze lakens, haar dikke donkere haar op de kussens, golvend als de inktzwarte nachtzee. Ze had hem erin laten lopen. Ze droeg geen nachtjapon.
In het warme lamplicht gloeide haar huid van topazen vuur. Het was de eerste keer dat hij haar naakt zag en hij was als verdoofd. Ze was als een vijver waarin hij zich wilde storten. Het verbijsterde en beangstigde hem hoe diep hij zichzelf in haar essentie wilde verliezen. Ze was klein, maar gevormd zoals geen oosterse vrouw ooit kon zijn. Haar borsten waren groter, haar middel smaller, haar heupen breder. Ze lachte verleidelijk naar hem en toen hij de richting van haar blik zag, keek hij naar beneden. Hij schrok van de bobbel in zijn broek.
'Je lichaam heeft antwoord gegeven,' zei ze hees, 'ook al zwijgt je mond.'
Ze'strekte haar naakte armen naar hem uit en Zilin had nog nooit zo'n erotisch gebaar gezien. 'Kom bij me.'
Hij kwam bij het bed staan en staarde naar beneden terwijl Athena zijn riem losgespte. Stukje bij beetje ontdeed ze hem van zijn westerse kledij, totdat hij naakt voor haar stond, nauwelijks ademend, zijn heilige lid zo hard als een houten pilaar.
Toen sloot Athena haar vingers om de schacht en bewoog ze op en neer. Het was alsof hij werd gestreeld met een handschoen van satijn. Ze trok hem zacht op het bed, in haar geurigheid. Met een diepe kreun boog hij zich over haar heen, en zijn lippen openden zich om de binnenkant van haar dij te kussen.
Athena liet hem niet los. Hij zat gekromd boven haar in de houding van een aanbidder. Zijn handen omvatten haar middel, gingen omlaag, voelden de heupen, het bekken. Ze had vollere billen dan de meeste Chinese vrouwen en dat wond hem op. Hij kneedde ze hartstochtelijk terwijl zijn tong haar liefkoosde.
Opeens wilde hij in haar dringen. Hij draaide zich om en knielde tussen haar benen. Haar vingers trokken hem naar voren.
'Kom in me,' fluisterde ze op precies dezelfde manier als ze een paar minuten daarvoor 'kom bij me' had gezegd.
Haar vingers gleden langs zijn trillende schacht toen hij haar naderde. Zijn gezwollen kroon beroerde haar natte lippen en ze steunde. Ze hijgde, haar onderbuik golfde op en neer.
Hij ging bij haar naar binnen, langzaam en voorzichtig, totdat ze zijn kroon had omvat met haar vochtigheid zoals ze dat zoeven met haar vingertoppen had gedaan. Hij verhief zich boven haar en zijn ogen dronken haar in, keken naar de uitwerking van de maalstroom die zijn heupen maakten op haar vlees.
Maar toen tilde Athena haar armen op. Haar vingers knepen in zijn schouders en ze kreunde: 'Kom op me liggen. Ik wil je op me voelen als ik kom.' En hij liet zich neervallen op het hete kussen van haar borsten.
'O, nu, ja, nu!'
Versmolten met haar bereikte hij de regen en de wolken, in extatische uitbarstingen, een eindeloze stroom in de gloeiende kern van haar wezen. Er dreigde oorlog met Japan. Het was het begin van 1937. In Shanghai gingen de zaken door als altijd. De stadsbewoners waren aan de gespannen situatie gewend.
Op een koude, winderige februaridag kwam Andrew Sawyer Zilin opzoeken in het douanekantoor. Dat was nogal opmerkelijk, want Zilin en Barton Sawyer streefden ernaar hun zakelijke samenwerking zo geheim mogelijk te houden.
Andrew was uitgegroeid tot een lange, krachtige jongeman. Hij had de ijsblauwe ogen van zijn vader en het strokleurige haar van zijn moeder. Hij torende al een paar jaar boven Zilin uit. Kennelijk was hij zich scherp bewust van dat verschil in lengte, want hij ging altijd zitten in Zilins aanwezigheid. Zo ook nu; hij trok een stoel naar Zilins bureau. Hij had niet de moeite genomen zijn zware overjas uit te trekken. Zijn wangen waren rood van de winterwind die over de Bund gierde.
'Mijn verontschuldigingen, Oudere Oom, voor mijn onverwachte komst.' Andrew Sawyer sprak beter Kantonees dan zijn vader. Hij gebruikte dat dialect altijd in zijn gesprekken met Zilin.
'Dat geeft niets,' zei Zilin. 'Bij dit werk zijn onderbrekingen dikwijls maar al te welkom. Vooral door jou, Andrew.' Zilin was zeer op de jongen gesteld. Hij had niet de superieure houding van vrijwel alle gwai loh ten opzichte van de Chinezen. Hij hoefde er nooit aan herinnerd te worden aan wie dit land toebehoorde. Alle Chinezen met wie hij in aanraking kwam mochten hem, omdat ze zich in zijn bijzijn op hun gemak voelden. Andrew knikte met zijn knappe hoofd. 'Dat is heel vriendelijk van u, Oudere Oom. Ik weet hoe druk u het de hele dag hebt.' Hier aarzelde hij, maar Zilin voelde dat hij nog meer had willen zeggen.
Zilin vond dat hij hem op weg moest helpen. 'Je lijkt me overstuur, Andrew. Kan ik iets voor je doen?'
De jonge Sawyer zuchtte van opluchting, en zijn brede schouders zakten een beetje in. 'Ik vroeg me af...' Weer stierf zijn stem weg. Hij kneep zijn handen in elkaar, wreef ze langs elkaar alsof hij jeuk had. 'Dat is te zeggen, Oudere Oom ... ik vroeg me af...' Zijn hoofd kwam omhoog, en Zilin schrok van de pijnlijke uitdrukking in de ogen van de jongeman. 'Mag ik u vanavond thuis opzoeken ... onder vier ogen?'
'Vindt je vader dat goed?'
'Mijn vader weet hier niets van, Oudere Oom,' zei Andrew haastig. Er lag een smekende klank in zijn stem. 'En dat moet zo blijven.'
Even staarde Zilin de jongeman alleen maar aan. Maar daar werd Andrew zo zenuwachtig van dat hij begon te beven.
'Natuurlijk, natuurlijk,' zei Zilin glimlachend. 'Jij bent altijd welkom in mijn huis, Andrew. Zou negen uur je schikken?'
'O ja. Natuurlijk, Oudere Oom.' Andrew sprong op. 'Dank u.' Hij vergat zichzelf even en greep Zilins hand. 'Het spijt me dat ik u heb lastig gevallen.'
Zilin keek hem na terwijl hij haastig wegliep over de kade. Loodkleurige regen kletterde tegen de luiken van Zilins werkvertrek toen Athena Andrew binnenliet. Ze bracht de mannen thee en trok zich terug. Zilin legde zijn handen in zijn schoot. 'Deze storm. Het is al U chun, het Begin van de Lente. Over een maand is het alweer ^'ing zhe, het Ontwaken der Insekten.' Hij schudde zijn hoofd. 'Het weer is te onstuimig voor de tijd van het jaar.'
'Oudere Oom ...' Andrew tilde zijn hoofd op. Hij zette zijn theekopje neer, na maar een klein slokje genomen te hebben. 'Ik zit in een vreselijk dilemma.' Het kwam er ineens uit, als de eerste knal van een kanon. En hij is naar mij toegekomen, dacht Zilin. Waarom is hij niet naar zijn vader gegaan ? Maar hij herinnerde zich Andrews woorden van die middag. Ook Zilin zette nu zijn kopje neer. De tijd voor een ernstig gesprek was aangebroken. Maar hij zei niets, wetend dat hij de jongeman alleen maar meer in verlegenheid zou brengen wanneer hij aandrong.
'Oudere Oom,' begon Andrew, 'ik heb al een poosje verkering.' Hij wrong zijn handen onder het spreken; zijn ogen waren neergeslagen. 'Ik ben geen .. .ik ben geen losbol. Ik ontmoette dit meisje in goed vertrouwen. Ik voelde iets voor haar. Maar tegelijkertijd was ik... nou, ik was niet zeker van mijn zaak. Niemand wist ervan. Dat wil zeggen, niemand van de familie. Sommige bedienden hebben misschien iets geweten of vermoed.'
Andrew zweeg even en nam een slok lauwe thee.
Het was allemaal nogal gewoon, vond Zilin, die wel vermoedde hoe Andrews avontuurtje was afgelopen.
Met een trillende hand zette de jongeman het kopje neer. Het rinkelde in de stille kamer. 'Nu heeft ze me verteld dat ze in verwachting is.' Hij keek op. 'Oudere Oom, ik heb in mijn hart gekeken. Ik hou niet van haar. Ik wil niet met haar trouwen.'
'Neem me niet kwalijk, Andrew,' zei Zilin. 'Maar me dunkt dat dit probleem eenvoudig op te lossen is. Je gaat gewoon naar je vader en -'
'Nee!' riep Andrew. 'Mijn vader - niemand in de familie - mag ooit weten dat dit gebeurd is. Oudere Oom, mijn opvolging als taipan staat op het spel.'
'Waarom zou dat zo zijn, Andrew?'
'Omdat,' zei de jongeman, terwijl hij zijn hoofd afwendde, 'het een Chinees meisje is.'
Boeddha! dacht Zilin. 'Dan neem ik aan dat haar familie er ook bij betrokken is.'
'Ja. Dat is het juist.'
Zilin haalde een paar maal diep adem om zijn kalmte te hervinden. Het was één ding voor een gwai loh om een bordeel te bezoeken en de regen en de wolken te ervaren bij een Chinese courtisane. Maar een clandestiene affaire met een Chinees meisje uit de mandarijnenstand was iets heel anders. Vooral voor de telg van een van de leidende tai pan-huizen in Shanghai. De familie had aanzien, geld, invloed. Misschien deed Barton Sawyer wel zaken met haar vader. Misschien was het wel een wederverkoper. Hoe dan ook, hij zou genoegdoening eisen. Andrew zou met het meisje moeten trouwen. En de jongen had volkomen gelijk. Als Barton Sawyer de titel van tai pan aan Andrew zou overdragen, zou het huis bij de familie van de bruid in de schuld staan. Dat zou de oude Sawyer nooit laten gebeuren. Met tegenzin zou hij tot de conclusie komen dat een van de jongere broers taipan van Sawyer and Sons moest worden. Zilin kende hen goed; geen van beiden was Andrews gelijke in durf of zakelijk inzicht. Geen van beiden, kort gezegd, was een taipan.
'Wat is haar familienaam?'
'Jiu.'
'Jiu Ximin?'
Andrew zat met zijn hoofd in zijn handen. Zijn stem was niet meer dan een fluistering. 'Ja, Oudere Oom.'
O, o, o, dacht Zilin. Jiu Ximin was een vakbondsleider. Zeventig procent van de Chinese arbeidskrachten van Sawyer and Sons stond onder zijn invloed. Hij kon het hele bedrijf stilleggen als hij tegen zijn haren werd ingestreken.
'Het is een puinhoop, Oudere Oom. Ik geef het toe.' Andrew wreef over zijn dichtgeknepen ogen. 'Een onherstelbare puinhoop.'
Zilin keek naar de trillende bamboeluiken, die werden gegeseld door de gierende winterstorm. Dit leek hem de druppel die de emmer deed overlopen, de belichaming van de vrees die hij had gevoeld voor de naderende oorlog. Hij had steeds het gevoel gehad dat deze rampspoed zijn land onherroepelijk zou veranderen. Andrews crisis had zijn vrees voorzijn land naar de voorgrond gehaald. Hij herinnerde zich Athena's woorden: Jij en ik zijn machteloos. Op dat moment wist hij dat ze zich vergiste. Hij richtte zijn blik weer op de jongeman die voor hem zat te huilen. Zijn hersens werkten op volle toeren. 'Kom, kom, Andrew,' sprak hij op de scherpste toon die hij kon opbrengen. 'Zo gedraagt een toekomstige taipan zich niet! Je moet altijd sterk zijn, zelfs tegenover de duisterste tegenspoed. Je mag nooit je angst tonen. Niemand mag op de gedachte komen dat een tai pan zwak is; hij heeft te veel vijanden die misbruik van die zwakheid zouden willen maken. Per slot van rekening heeft een taipan een heel huis om aan te denken, een geschiedenis van groei en expansie die heilig is.'
'Ja, Oudere Oom.' Andrew veegde de tranen uit zijn ogen.
'Til je hoofd op.'
'Ja, Oudere Oom.'
'Laat niemand ooit zien dat de heer en meester van een nobel huis zijn hoofd laat hangen. Dat is een bewijs van zijn nederlaag. Voor jou geen nederlagen, Andrew. Niet als je op een dag de plaats van je vader wilt innemen.'
'Ik begrijp het, Oudere Oom.'
'Goed zo,' zei Zilin. 'En nu over Jiu Ximins dochter. Je houdt niet van haar?'
'Nee, Oudere Oom.'
'Dan is een huwelijk uitgesloten. En wees er maar verzekerd van, Andrew, dat Jiu een huwelijk van je zal eisen.' Hij staarde de jongeman doordringend aan. 'En terecht.'
Andrew slikte moeizaam, maar hij wendde zijn blik niet af. Zilin dacht: wat een kans heeft deze jongen me in de schoot geworpen. Een spleet in het harnas van de gwai loh. Ik moet goed oppassen als ik mijn zwaard er in steek om hem wijder te maken. Zo'n kans krijgt een mens maar eens in zijn leven. Wees voorzichtig, vermaande hij zichzelf, gooi zo'n schat niet over de balk.
Hij bedwong zijn stijgende opwinding en richtte zijn gedachten op Jiu Ximin, een zwartogige draak van een man, onbuigzaam en buitensporig hebzuchtig. Hebzucht, dacht Zilin. Misschien, ja, misschien kunnen we hem daarmee vangen. Hij aast al jaren op mijn godownsin Huang Cheng. Als hij er langsloopt, begint hij bijna te kwijlen. Ja, de godowns in Huang Cheng kunnen de oplossing zijn. Maar ik moet voorzichtig zijn. Jiu Ximin is een lastige en slimme kerel. Reken maar dat hij ons flink zal laten betalen voor wat Andrew met zijn dochter heeft gedaan.
Zonder iets van deze gedachten te laten merken zei hij: 'Maar er zijn altijd wel uitwegen uit zulke netelige situaties. Het is een kwestie van behoedzaam onderhandelen. En geld, natuurlijk.'
'Ik heb niet genoeg geld, Oudere Oom.'
'En evenmin heb je al de handigheid voor zulke subtiele onderhandelingen. Maar je zult me bij alle gesprekken vergezellen. Je moet een houding aannemen van kruiperige nederigheid. Dat zal Jiu Ximin zeer op prijs stellen. Het zal hem een gevoel van macht over je vader geven.'
'Dat mag niet gebeuren, Oudere Oom!'
'Natuurlijk niet, Andrew. Wees wat dat betreft maar gerust. Ik zal met Jiu Ximin praten en al doende zul jij een onschatbaar inzicht in het voeren van onderhandelingen opsteken. Maar' - Zilin stak een vinger op - 'zulke buitengewone lessen hebben hun prijs.'
'Ik zal u betalen wat u maar -'
Zilins opgestoken hand bracht hem tot zwijgen. 'Op zo'n grove manier doe je geen zaken, Andrew. Trouwens, ik wil geen geld. Ik wil liever datje een eed aflegt.'
'Ik zal alles doen wat u wilt, Oudere Oom.'
Zilin glimlachte. 'Pas op. Je moet in de eerste plaats aan Sawyer and Sons denken.'
Andrew knikte.
'Je eed geldt dienstbetoon in de toekomst. Er kan een tijd komen dat ik naar je toekom - of contact met je opneem via een derde. Je zult hem herkennen omdat hij het ontbrekende deel van een voorwerp bij zich heeft, waarvan ik ook jou een stuk zal geven. Dan zul je aan dit moment denken en doen wat je gevraagd wordt.'
Andrew Sawyer boog diep uit het middel. 'Zoals u wenst, Oudere Oom. Ik zweer het bij mijn eer als toekomstige tai pan en bij de eer van mijn voorvaderen.'
Alle goden zijn getuige, zei Zilin bij zichzelf. Ik zal van deze jongen een van China's grote tai pan maken. Nu ben ik net zo aan hem gebonden als hij aan mij. Dank zij zijn stommiteit ben ik bevrijd van het nietsdoen dat dreigde me ten gronde te richten. Bij alle grote en kleine goden, hij heeft me mijn brug naar het westen gegeven.
Grote Boeddha, wellicht zal ik de rol van Hemelse Bewaker van China bekleden. Vandaag is mijn levenslange strijd begonnen om China te verheffen uit de modder waarin ons land door de buitenlandse duivels en eigen domheid terecht is gekomen.
Jiu Ximin was een reus van een man met een hard uiterlijk en smeulende ronde oogjes. Lianhua, het meisje dat Andrew zwanger had gemaakt, was zijn kind en hij was terecht in woede ontstoken over haar toestand. Maar ze was ten slotte maar een dochter en dus ook weer niet zó belangrijk voor hem. Zijn zoons waren zijn leven; zij zouden de Jiu-lijn voortzetten. Zilin had een Chinees uitgezocht wiens familie ten zeerste was ingeno-men met een huwelijk van hun zoon met de dochter van de roemruchte Jiu. Zelfwaren ze zo rijk dat Jiu Ximin zich onmiddellijk opgelucht voelde toen hun naam werd genoemd. Hij liet het natuurlijk niet merken - en Zilin had geen reden gezien Andrew wijzer te maken - maar ondanks al zijn getier zou hij zijn dochter nooit met een gwai loh hebben laten trouwen. Jiu Ximin zag gwai loh niet alleen als barbaren, maar daarbij als culturele zuigelingen. De Chinese beschaving was meer dan vierduizend jaar oud. Wat waren tweeof driehonderd jaar daarbij vergeleken ? Hij wilde niets met hen te maken hebben.
Hij wilde de godowns in Huang Cheng.
Op de vierde dag van hun gesprekken, toen de sfeer tijdens de onderhandelingen enigszins ontdooid was, werd er door een jonge vrouw jasmijnthee geserveerd. Ze kon niet ouder zijn dan negentien of twintig, eenjaar of twee ouder dan Lianhua.
'Dit is Sheng Li,' zei Jiu Ximin terloops. 'Een vriendin van Lianhua. Een jeugdvriendin.' Opzettelijk nam hij een slok thee. Hij keek zelfs niet in haar richting. 'Nu mijn dochter een volwassen vrouw is' - zijn blik schoot met tastbaar venijn naar Andrew - 'moet ze haar kinderlijke behoeften opzijzetten.' Hij sprak over haar alsof ze niet meer was dan een knuffeldier van zijn dochter, dat nu naar de brandstapel moest worden verbannen.
'Lianhua zal in haar nieuwe leven, haar nieuwe familie, veel te veel te doen en te leren hebben om overtollige bagage met zich mee te slepen. Daarom stel ik voor, Shi Zilin, als onderdeel van onze overeenkomst, dat u haar meeneemt. Doe met haar wat u wilt, het kan me niet schelen.'
Zilin, die van mening was dat het meisje maar beter zo ver mogelijk uit de buurt van deze man kon zijn, ging ermee akkoord.
Een poosje later, nadat hij Sheng Li in het huis van een bevriende Chinees had geïnstalleerd, vernam hij waarom Jiu Ximin zich van haar had willen ontdoen.
'Ik kwam in Jiu's huis met mijn moeder,' vertelde Sheng Li, toen hij haar op een middag opzocht. 'In die tijd was ik nog te jong om te werken, dus ik werd Lianhua's speelkameraad.' Ze had een zijden japon aan die haar smalle heupen goed deed uitkomen. Ze droeg haar dikke, nachtzwarte haar in een paardestaart die over haar rug golfde. Toen Zilin was gekomen, had ze de deur voor hem opengedaan en was voor hem in het stof gevallen. Ze sprak hem altijd aan als Shi zhu ren, wat Shi, de man aan het hoofd, betekende.
'We werden vriendinnen,' vervolgde ze, 'tot Jiu Ximins grote ongenoegen. Ziet u, hij kwam erachter dat mijn vader een Japanner was. Mijn eigenlijke naam, de naam die mijn vader me gegeven heeft, is Yumiko. Mijn moeder was stervende en Jiu Ximin keek in haar papieren om te zien of er familie was naar wie hij haar kon terugsturen, zodat hij de kosten van een dokter en een begrafenis kon uitsparen.
Maar we hadden geen familie, en Jiu Ximin moest in zijn buidel tasten. Maar hij hield het van mijn salaris af, zodat ik de laatste zes maanden geen geld van hem kreeg. Dat kon me niet schelen. Het was mijn plicht voor mijn moeder te zorgen en dat heb ik gedaan.
U bent al zo goed voor mij geweest, Shi zhu ren. Ik voelde me verplicht u van mijn stigma te vertellen. U hoeft me niet te houden of me geld te geven. Nu ik alleen ben kan ik mijn eigen weg zoeken. U zult me nooit meer zien.'
Zilin keek naar haar gezicht. Het was volmaakt oosters gevormd. Grote, amandelvormige ogen met zware oogleden, een breed, intelligent voorhoofd, platte Mongoolse jukbeenderen en een gebogen mond. Ze had niet het typerende Chinese vollemaansgezicht, wat hij toeschreef aan haar half-Japanse afkomst. Hij zag een vurigheid van geest - een felschitterende vonk die hem pijnlijk aan Mai deed denken - vermengd met haar vrouwelijke gedweeheid. En opeens wist hij waarom hij Sheng Li niet naar zijn eigen huis had meegenomen. Er was een punt waar, ondanks alle inspanningen, oost en west elkaar niet konden ontmoeten. Er was een punt - misschien was het gewoon de opvatting van y in en yang die een oosters paar impliciet begreep
- waar Chinezen en gwai loh omheen konden cirkelen als motten om een kaarsvlam, maar waar ze elkaar nooit konden vinden.
Sheng Li, dacht hij, terwijl hij haar nog eens aandachtig opnam. Die naam betekende Overwinning.
Aan het eind van de lange dag, toen hij in de vallende schemering naar huis terugkeerde, wachtte Athena hem bij de voordeur op om hem te vertellen dat ze in verwachting was.
Zilin voelde zich niet schuldig omdat hij een verhouding met Sheng Li had. In de eerste plaats waren er in het China van die tijd talloze maitresses. Maar in de tweede plaats - en dat vond hij veel belangrijker - voelde hij geen vervreemding van Athena of hun pasgeboren baby, die ze Jake had genoemd, naar haar vaders vader. In feite was hij een gelukkiger mens geworden, omdat een kant van hem die Athena niet kon begrijpen, nu gevoed werd.
Sinds Sheng Li in zijn leven was gekomen - sinds ze samen de wolken en de regen hadden ervaren - was zijn innerlijke angst voor Athena verdwenen. Hij had niet langer het gevoel dat hij iets kostbaars kwijtraakte wanneer hij haar jade poort doorging. Want wat zijn liefde voor een gwai loh van hem afnam werd teruggegeven door Sheng Li's devotie. Nog geen twee jaar nadat hij haar van Jiu Ximin had meegenomen schonk ze hem een zoon. Het kind was bijna zes weken te vroeg geboren en toen het ter wereld kwam was het veel te licht en leed aan geelzucht. Sheng Li zorgde dag en nacht voor de baby. Zilin was zo dikwijls bij haar als hij durfde, maar hij wist dat dat niet genoeg was. Eenjaar eerder had hij een woning voor haar gekocht en haar bij zijn vriend weggehaald. Maar er waren nog meer problemen te overwinnen. De oorlog met Japan was eindelijk als een onweer boven China losgebarsten. Het slagveld omvatte Shanghai en een groot deel van Noord China. Voorlopig hield het leger dapper stand tegen de Japanse oorlogsmachine, maar Zilin wist hoe het onvermijdelijk moest aflopen.
Het uitbreken der vijandelijkheden maakte het geheim van Sheng Li's moederschap des te gevaarlijker. Zozeer zelfs dat Zilin had geweigerd een amah voor de baby in dienst te nemen, uit angst dat haar half-Japanse afkomst zou uitkomen. In het paranoïde klimaat dat in de stad heerste kon niets fataler voor Sheng Li zijn.
Bovendien, nu Zilin twee zoons had om voor te zorgen, werden de belangrijke beslissingen waarvoor hij zich geplaatst zag nog moeilijker. Het was nu oktober 1936. Het Japanse leger had de meeste grote steden in het noorden bezet. Wat nog erger was, ze beheersten de belangrijke wegen. In het zuiden hadden ze een groot deel van de Yangzi-vallei in hun macht. Shanghai begon te wankelen.
Het keerpunt dat Zilin voor zijn land had voorzien was nabij. Het werd tijd om te doen wat hij doen moest. Hij wist ook dat het net zo was als in wei qi: als hij het eenmaal gedaan had, zou hij niet meer terug kunnen. Als hij bij Athena en Sheng Li was en de baby's aan zijn borst drukte, verdween zijn vastberadenheid. Dan richtten zijn zelfzuchtige gedachten zich op de pijn die hij zou toebrengen aan de mensen van wie hij het meest ter wereld hield. Maar tegenover dat menselijk lijden stond het lijden van China. Hij wist dat hij zich ieder offer moest getroosten om zijn land te helpen zich te verlossen van zelfvernietiging en verdeeldheid. Maar of hij nu bij Athena of bij Sheng Li was, vaak stond hij op in het holst van de nacht en sloop weg van hun warmte en de vertroosting van hun lichamen. Alleen en afgezonderd van de wereld, in de zuchtende stilte van de grote duisternis, weende hij dan tranen van zelfmedelijden. Hij was een man met twee gezinnen, maar binnenkort zou hij geen gezin meer hebben. Dan zou er geen tijd zijn voor zelfmedelijden. China riep hem.
Zoals ze bijna zijn hele leven hadden gedaan, waren het de Japanners die hem in het ongeluk stortten. Vanwege hen, vanwege Sheng Li's geheim, kon hij niemand bij haar in huis toelaten.
Nichiren - dat was de naam die Sheng Li aan het kind had gegeven - had zich met moeite hersteld van zijn geelzucht en was wat zwaarder geworden. Maar hij bleef ziekelijk, en Sheng Li of Zilin moest hem voortdurend medicijnen toedienen.
Op een avond toen Zilin bij geen van beide vrouwen was, werd het kind ziek. Zijn temperatuur steeg alarmerend totdat hij op het Uur van de Hond, omstreeks elf uur 's avonds, van binnenuit leek te verbranden. Zijn huid was heet en droog en lag zo strak over zijn vlees dat Sheng Li de aderen kon zien kloppen en opzwellen.
Ze wreef hem in met koud water, met alcohol, maar niets scheen te helpen. Ze raakte in paniek. Ze had geen vriendinnen tot wie ze zich kon wenden, en met toenemende vrees voor de veiligheid van haar zoon wikkelde ze hem in dekens en vluchtte met hem de nacht in. Sheng Li dacht niet aan zichzelf of aan de gevolgen van haar overijlde vlucht. Ze wilde alleen haar Nichiren in veiligheid brengen.
Het gebons drong maar vaag tot Athena door. Ze kwam pas uit bed toen de amah haar wekte. Ze wreef de slaap uit haar ogen, trok een zijden kamerjas aan en slofte achter de oude vrouw aan, het donkere huis door. Sheng Li stond huiverend van kou en angst op de drempel. De amah wrong haar handen en kwetterde als een aap in een dialect dat Athena nooit had kunnen doorgronden.
Sheng Li, nog banger nu ze oog in oog stond met deze gwai loh die, zoals ze wist, de meesteres van het huis was, wilde zich ter aarde werpen. Maar de kermende baby in haar armen maakte dat onmogelijk.
'Mevrouw,' fluisterde ze. 'O ...'
'Wat wil je hier?' vroeg Athena.
'Mijn baby ...'
'Ah Han,' beval Athena terwijl ze wees. De amah nam het kind uit Sheng Li's armen, begon het met grote zorg en tederheid te onderzoeken. Sheng Li staarde naar haar met wijd opengesperde ogen. Ze haalde diep adem en probeerde haar gehijg te bedwingen.
Toen keek ze Athena aan en zei: 'Ik wil Shi zhu ren spreken.'
Maar Zilin was op dat moment ver van Shanghai. Hij zat aan boord van een verduisterde lorcha, die voor anker lag in een van de talloze zijrivieren van de Huang Pu. Te midden van het oorverdovende geschreeuw van de nachtvogels, het gegons van de insekten, zat hij daar met zijn jongste broer. Met grote plechtigheid overhandigde Zilin hem een dik, in een rode doek gewikkeld pak.
Zilins broer woog het op zijn eeltige hand. 'Bij de Acht Dronken Onsterfelijken,' zei hij, 'dat is een heleboel geld.'
'Alles wat ik heb,' zei Zilin met trillende stem. 'Afgezien van de twee huizen en het geld dat ik opzij heb gelegd voor de vrouwen en mijn zoons.'
Zilins broer nam hem scherp op. 'Dan is er voor jou niets meer over.'
'Als je nagaat waar ik heen ga, is dat maar beter ook. Geld zou me maar verdacht maken.'
De jongere man stopte het pak onder zijn hemd, achter zijn riem. 'Het is heel gevaarlijk, wat jij van plan bent.'
'Het hele leven is gevaarlijk,' zei Zilin. 'Ik doe dit voor ons allemaal.'
'Jij en ik,' zei de ander voorzichtig, 'zien elkaar misschien nooit meer terug.'
Zilin zei niets, maar staarde over de zwak lichtgevende rivier. Ergens spetterde een vis.
'Pas maar op met Mao. Hij kan je wel levend verslinden, Oudere Broer. Ik heb een heleboel verhalen gehoord. Meestal luister ik niet naar geruchten, maar er wordt te veel over Mao gezegd om dat zomaar te negeren. Hij zal je nooit de leiding geven.'
'Die wil ik ook niet,' zei Zilin. Hij boog zich naar voren. 'Als we de Japanners overwinnen, als we China onder het communisme kunnen verenigen, zullen we een zeker succes behaald hebben. Natuurlijk zal Mao meteen met de eer gaan strijken. Met zijn zelfverheerlijking en zijn ego zal hij een held voor het land worden, een levende legende. Maar zoals je weet, Kleine Broer, hebben legenden bij ons de neiging in stof uiteen te vallen. Alles is veranderlijk; China bloeit op verandering.
De eigenschappen die Mao tot een geboren leider maken zullen hem volgens mij uiteindelijk ook vernietigen. Zijn ideeën zijn veel te radicaal. Na de revolutie zal er een tijd van herbezinning komen, misschien zelfs van reactie.' Hij haalde zijn schouders op. 'Wie zal het zeggen ? Maar ik zal niet samen met hem sterven als zijn tijd gekomen is.'
'Maar bij de Geest van de Witte Tijger, en ik dan?'
'Jij vaart naar Hongkong,' zei Zilin. 'Maar je gaat niet naar je broer. Hij weet datje komt. Ik heb hem ingelicht. Gebruik het geld dat ik je gegeven heb verstandig. Investeer en word rijk. Maar neem wel een andere naam aan.'
' Een andere naam ? Waarom ? Bij de Hemelse Blauwe Draak, dan zullen zelfs mijn voorouders me niet meer herkennen.'
Zilin schoot in de lach. 'Heus wel.'
'Bij de Acht Dronken Onsterfelijken, ik hoop het!'
'Goed dan,' zei Zilin. 'Ikzelf zal je een naam geven. Dan zullen ze het horen.' Hij keek zijn broer aan en lachte weer. 'Een bijnaam, dat is wat jij nodig hebt, Jongere Broer. Bijnamen zijn heel gewoon in Hongkong, en ik heb precies de goede voor jou: Drie Eden. Drie Eden Tsun.'
Natuurlijk begreep Athena het niet. Tot op dat moment was ze er zeker van geweest dat Zilin alleen van haar hield. Nu wist ze dat dat niet waar was. Ze wist best dat veel mannen een maltresse hadden; maar van haar echtgenoot kon ze het niet accepteren.
Ze kon zijn behoefte aan een andere vrouw niet begrijpen. Ze voelde zich vernederd, alsof hij haar met haar gezicht in de modder had geduwd. Was dat wat Zilin wilde - dat ze voor hem kroop ? Maar waarom was hij dan met haar getrouwd? Hij wist toch dat kruipen voor Chinezen was. Een deel van haar schaamde zich voor haar gedachten, en ze vocht ertegen, zoals ze ook vocht tegen het gevoel van vernedering. Maar het was een verloren strijd. Ze kon het gehuil van de vreemde baby niet verdragen; ze kon niet tegen de aanblik van Sheng Li, slank en fijngebouwd, het hoofd gebogen, gedwee als een lam.
Athena voelde rode razernij in zich opwellen. Deze vrouw was alles wat zij niet was. En ze had Zilin van haar afgepakt.
Krijsend stuurde ze alle bedienden het huis uit. Ze legde de kermende baby op een stoel. Toen ging ze weer naar Sheng Li toe. Woede vulde haar hart. Ze was als een moederdier met gewonde of verdwenen jongen. Als Zilin er was geweest, zou hij haar niet herkend hebben.
Voor de eerste keer in haar leven voelde Athena alle redelijkheid uit zich wegstromen. De gedweeë houding van de Chinese vrouw maakte haar razernij alleen maar erger.
Ze haalde uit met haar vuist, en Sheng Li's hoofd knakte op de slanke hals. Nog eens sloeg Athena. Haar borst ging zwaar op en neer. Ze staarde neer op Sheng Li, die uitgestrekt en krachteloos tussen haar benen lag. Sheng Li's mantel was opengevallen en Athena zag de lange, volmaakt gevormde benen, de tere welving van haar billen, de bocht van haar naakte en glanzende heup.
Met een dierlijke kreet draaide ze zich om en rende naar de keuken. Toen ze terugkwam had ze een ijzeren staaf in haar witte vuisten. De punt gloeide rood.
Grijze rook kringelde traag van de punt, de geest van een draak in de geladen atmosfeer. Met een hete windvlaag, als adem uit gapende kaken, suisde de geest naar beneden, achter het ijzer aan dat schroeide in het zachte vlees.
BOEK DRIE
HSING-I
[Eenheid van denken en handelen]
Hongkong/Tokio/Moskou/Peking/Washington
ZOMER, HEDEN
'Vijfhonderd op Fa Shan!'
'Daar ga ik overheen! Achthonderd op Horrelvoet Su!'
'Jullie zitten er allebei naast, bij alle goden! Hun roeiers zijn zo slap als een babypiemel! De boot van Drie Eden Tsun gaat winnen, en daar zet ik duizend op!'
'Dat is niet netjes tegenover onze gastheer,' riep een vierde stem. 'Ik zet al mijn winsten van de hele verneukeratieve week op de Drakeboot van T.Y. Chung!'
Dat was het sein voor een nieuwe ronde van weddenschappen, nog verhitter dan de eerste.
T.Y. Chung bekeek hen door zijn schuine ogen uit de stuurhut van zijn jacht, Loong Wang, de Drakekoning. Hij was een magere, kleine man met een vollemaansgezicht, die tussen de zeventig en tachtig jaar oud was. Het was zondag, de Dubbele Vijf, de vijfde dag van de vijfde maand volgens de Chinese kalender, en T.Y. Chung had dit reisje aan boord van zijn jacht georganiseerd voor vrienden, zakenrelaties en vijanden. Het was de dag van de traditionele Drakebootraces, waarvan de belangrijkste hier in Aberdeen werd gehouden.
'Tweeduizend op Fa Shan! Zijn boot heeft de eerste en de derde serie gewonnen! En net ging er een grote meeuw over zijn boot heen! Ik voel het aan mijn heilige lid!'
'Zo neem jij al je besluiten!' Een koor van rauw gelach volgde. 'De regengoden zijn vandaag met Horrelvoet Su. Vijfentwintighonderd!'
'Nog eens drieduizend op T.Y. Chung! Vorig jaar heeft-ie immers ook gewonnen? Alle goden zijn mijn getuigen, vandaag doet-ie het weer!'
Niemand sprak over de geruchten die het vorige jaar de ronde hadden gedaan. Hoewel er geen officieel protest was ingediend, beweerden sommigen dat T.Y. Chungs boot een onreglementaire slinger had gemaakt, waardoor de boot daarnaast op die van Drie Eden Tsun was gebotst, op honderd meter van de finish. Door dat oponthoud had Chung de overwinning behaald. En nu vroegen alle gasten zich af of dit het moment van Drie Eden Tsuns wraak zou worden.
De lange, ranke boten met de beschilderde drakekoppen op de voorstevens stelden zich op voor de start. Elk vaartuig had vijftig roeiers. In het midden zat een trommelaar die het tempo aan zou geven. De eigenaars van de boten waren magnaten als T.Y. Chung en Drie Eden Tsun, vissersfamilies, cargadoorsfirma's, sportclubs. Er was ook een politieboot bij, maar elk jaar zorgde een der deelnemers er met medeweten van de anderen voor dat die niet won.
Het was traditie dat de voornaamste deelnemers niet meededen aan de weddenschappen, en dat heroïsche feit scheen de goklust van alle andere partijen nog te verhogen.
Van alle partijen, behalve Sir John Bluestone. Deze lange, hoekige man stond als een schaduw naast T.Y. Chung. Van tijd tot tijd spraken ze met elkaar alsof zij niets te maken hadden met de spanning en vrolijkheid om hen heen. Met regelmatige tussenpozen openden ze flesjes ijskoud bier, waaruit ze met lange teugen dronken.
'Er komt wind opzetten,' zei een van T.Y. Chungs gasten oordeelkundig. Hij keek met toegeknepen ogen naar de hoge wolken. 'Uit het noordwesten.' Hij spoog. 'Dat zal de race beïnvloeden. Maar hoe, bij alle goden?
Welke boot zal er iets aan hebben?'
'Nu zullen we zien hoe de schippers zich houden,' zei een ander.' Verneukeratieve regen! Op die manier kun je niks met zekerheid zeggen.'
'Een goede schipper is een goede schipper, ongeacht het weer,' zei de vierde man. 'Zullen de goden niet met hem zijn? Dat verneukeratieve weer maakt voor goden niets uit. En voor de winnende schipper zal het ook niks uitmaken.' Hij lachte. 'Jij schijt natuurlijk in je broek. Jouw heilige lid zal wel zo slap wezen als een dooie pier. Je kunt je inzet nog veranderen.'
'Krijg de pestpokken,' antwoordde de ander. 'Ik heb mijn keus gemaakt en bij alle goden, daar wijk ik niet van af, verneukeratief pokken weer of geen verneukeratief pokken weer!'
'Oh ko, dat is de ware geest, Eerbiedwaardige Wo! Zullen we een gokje wagen op de regen? We verdubbelen onze inzet. Ik zeg dat het droog blijft tot de voorste twee door de laatste bocht zijn. Nou?'
De Eerbiedwaardige Wo priemde zijn dikke wijsvinger in de lucht. Hij stak zijn tong uit en proefde de wind. 'Eeee,je zit er alweer naast, Eerbiedwaardige Soong! Alle goden zijn mijn getuige: ik neem het aan.'
T.Y. Chung lachte in stilte toen hij deze mannen zo tekeer hoorde gaan. Het zijn net kinderen, dacht hij spottend, die fan tan spelen. Ik weet wel belangrijker plaatsen om mijn geld te vergokken. Alleen het vooruitzicht van een goede weddenschap en de opwinding van een spannende race, wist hij, kon zoveel rivalen bijeenbrengen. Zolang ze bij elkaar op dit dek stonden werd al het kwade bloed weggespoeld door het havenwater. Dat, en het feit dat ze allemaal bang voor me zijn. Behalve Bluestone, denk ik. De gwai loh is machtig, maar misschien toch niet zo machtig als hij zelf gelooft.
'Ayaal Daar gaan ze!'
'En de wind wordt harder! Recht in het gezicht van de voorste twee!'
'De andere boten lopen in! Een pik in de reet van alle gwai loh\ Kijk nou toch eens!'
T.Y. Chungs Drakeboot was traag van start gegaan. Maar de krachtige wind vertraagde de boot die ervoor lag. Nu passeerde T.Y. Chungs vaartuig dat van Horrelvoet Su. Het lag er vlak achter en aan lijzijde van dat van Drie Eden Tsun. De race was al half voorbij; nu moest er iets gebeuren.
'Kijk eens hoe-ie daar ligt! Hij kan de boot van Eerbiedwaardige Tsun niet inhalen!'
'Pies en poep!' kraaide Soong. 'Hij vaart niet op volle kracht! Hij blijft uit de wind, achter Eerbiedwaardige Tsun!'
'Ja, ja,' gilden de anderen opgewonden. 'Bij alle goden, hij heeft gelijk!'
Ze verdrongen elkaar bij de verschansing, hevig zwetend en zwaaiend met hun armen.
De hemel was grijs geworden en ze voelden de warme wind op hun gezichten. De luchtdruk daalde snel en de lucht voelde klammig aan. De boten van Drie Eden Tsun en T.Y. Chung gingen door de laatste bocht, direct gevolgd door de derde Draak. Op dat moment voelden ze de eerste dikke regendruppels.
'Ayeeyal' schreeuwde Soong. 'De goden zijn met mij!'
Nu naderden de Drakeboten de finish. De mannen aan boord van de Loong Wangkonden de gekromde ruggen van de roeiers zien, nat van zweet en regen. Vuurwerk knetterde steeds harder naarmate de race voortschreed. T.Y. Chung stond nog steeds naast Sir John Bluestone. Hij stelde zich ermee tevreden zijn biertje te drinken en op zachte toon te praten alsof er geen vuiltje aan de lucht was of, zoals Wo zacht tegen Soong zei: 'Alsof hij al weet hoe de race zal aflopen.'
'Als de boot van Eerbiedwaardige Chung nu niet inloopt -'
'Maar dat doet-ie wel! Kijk maar!'
Ze konden het allemaal goed zien, hoewel een eindje verderop de lucht paarszwart was geworden. Langs Victoria Peak kletterde de regen al neer.
'Dew neh loh mohl Dat verneukeratieve weer zal het eind van de race verpesten!'
'Ik zeg van niet. Wedden om duizend?'
Nu was duidelijk te zien dat de trommelaar in Drie Eden Tsuns Drakeboot het tempo aanzienlijk had opgevoerd. Het was onmogelijk iets anders te horen dan het knallende vuurwerk en het steeds luidere geschreeuw van de gokkers.
T.Y. Chungs boot begon aan de eindspurt. Met eendrachtige inspanning verkleinden de vijftig roeiers de afstand tot ze neus aan neus lagen, een duel van twee woest beschilderde drakekoppen in de wervelende wind. De regen trof allen als een groengrijze muur. Het Eiland verdween uit het gezicht en even waren ze geïsoleerd van de rest van de wereld. Maar dé
toeschouwers dachten er niet over om te schuilen. Ze bogen zich over de verschansing, met hun handen boven hun ogen, en wilden allemaal de eerste zijn die aankondigde welke boot gewonnen had.
'Wie?'
'Wie heeft gewonnen? Eerbiedwaardige Tsun of Eerbiedwaardige Chung?'
'De pestpokken voor dit strontweer en voor alle weersvoorspellers! Ik weet het niet!'
'T.Y. Chung!' kwam een schreeuw uit de neerplenzende regen.
'T.Y. Chung met een verneukeratieve haarbreedte! Op het laatste moment brak er een riem op de boot van Eerbiedwaardige Tsun!'
'Loof alle goden tot in de eeuwigheid!' krijste Soong. 'Vandaag ben ik dubbel gezegend!'
Maar toch niet zo gezegend als ik, dacht T.Y. Chung triomfantelijk. Hsun-feng Teh-li, temper de winden en haal je winst binnen. In gedachten wreef hij zich in de handen.
De regenval werd minder en hun wereld werd weer zichtbaar. De Drakeboten deinden lusteloos op de korte golven; de roeiers zaten voorovergebogen op hun banken terwijl de regen op hun blote hoofden kletterde. Vuurwerk ging af met hernieuwde hevigheid en vormde een flikkerend, rokerig schijnsel door het dampende regengordijn. Champagne werd geschonken en de bankier Soong, rood van geluk, hief zijn glas. 'Op T.Y. Chung, winnaar van de Drakebootraces voor het tweede achtereenvolgende jaar!'
Overal klonk gejuich op, terwijl de lucht nevelig werd van de regen en de rookwolken van het vuurwerk.
Toen het wat rustiger was geworden, loodste Sir John Bluestone T.Y. Chung uit het groepje zakenlieden.
'Was het alleen uw goede joss waardoor uw boot vandaag heeft gewonnen?'
T.Y. Chung haalde zijn schouders op, en keek door toegeknepen oogjes naar de lange tai pan. 'Wat anders dan jossT
'Vorig jaar werd de leidende boot gehinderd; dit jaar brak er een riem op de leidende boot. Beide incidenten gebeurden vlak voor de finish. In beide gevallen profiteerde uw boot ervan.'
'Dikwijls grijpt joss de gelegenheid bij de keel,' zei T.Y. Chung listig.
'En als er geen kwetsbare plek te vinden is?'
T.Y. Chung veegde een draadje van zijn dure kostuum. 'Men moet, meneer Bluestone - hoe zal ik het zeggen - zorgen dat er een keel is om in te bijten.' Ze waren allebei op hun hoede - ze peilden de diepte van het water, als het ware. Dat was alleen maar juist en op zijn plaats als men een nieuw zakelijk bondgenootschap overwoog.
Hij heeft al deze tai pan aan boord gehaald om hen te laten zien wie er de baas is, dacht Bluestone, terwijl hij in T.Y. Chungs ogen keek. Dat heeft hem heel wat prestige opgeleverd, vooral door mijn aanwezigheid. Hij pronkt met zijn macht alsof het een kunstwerk is.
'Hebt u geld verdiend vanmiddag?' vroeg Bluestone zo achteloos als hij kon.
'Hoezo ?' antwoordde T. Y. Chung met een spottende uitdrukking op zijn gezicht, waar hij van alles achter kon verbergen. 'U weet toch dat de voornaamste deelnemers aan de race niet mogen wedden?'
Bluestone glimlachte. 'Ik giste maar. Ik dacht dat u misschien voor een keel had gezorgd.'
'Denkt u dat ik me om zo'n sommetje zou bekommeren?' Zijn gezicht verstrakte, zag Bluestone.
'Maar waarom hebt u het dan gedaan?'
'Om te winnen, meneer Bluestone.' Nu stond er woede op T.Y. Chungs gezicht geschreven. 'Om er zeker van te zijn dat Drie Eden Tsun geen prestige behaalt bij zo'n belangrijke gelegenheid. Dat prestige komt mij ten goede bij mijn zaken. Het is goud waard. Het -'
Hij wilde doorrazen, in de greep van zijn woede, maar hij hield zich in. Hij haalde zijn schouders op. 'Prestige is prestige.'
Maar Bluestone wist dat hij dat helemaal niet had willen zeggen. Het lichtje in T.Y. Chungs ogen had betekend: 'Het is alles waard.' En Bluestone vroeg zich af waarom. Het antwoord, dacht hij, is Tsun. Dat moet wel. Maar wat is er gebeurd tussen die twee, dat ze elkaar zo haten ? En hoe kan ik in de komende weken mijn voordeel doen met die haat?
Toen Kamisaka de deur opende, hijgde ze van verrassing. 'Boeddha!' riep ze, terwijl ze hem in haar armen klemde. 'Je ziet eruit alsof je uit het land van de kami komt.'
Nichiren wist dat het een vergissing was geweest om hierheen te komen. Toch had hij het gedaan. Hij had veel beter naar de familievilla van Kisan kunnen gaan. Dat zei zijn verstand, maar zijn hart had iets anders gezegd. Hij had het Kisan-huis vermeden omdat hij zich daar niet veilig voelde. Hier in de kleine usagigoya, midden in de eeuwige drukte van Tokio, voelde hij weer een zekere vrede.
Sinds de aanval op zijn hut op de top van het Zwaard had hij zich door wanhoop overmand gevoeld. Tijdens de executie van Gerard Stallings was het tot een hoogtepunt gekomen. Hij had zich voldaan moeten voelen toen hij de man vernietigde die Mariana Maroc had vermoord, maar hij voelde zich niet voldaan. In plaats daarvan hielden zijn diepste gedachten zich steeds bezig met Mariana, die ronddraaide als een tol, in afgrijselijke beweging gezet door de gierende kogels. Hij voelde haar bloedspatten als hete brandmerken op zijn gezicht. Hij voelde zichzelf over de modderige aarde kruipen, wanhopig zoekend naar haar, verbeten trachtend haar te bereiken.
Op de rand van de wereld stak hij zijn hand uit, in zekerheid dat hij haar in veiligheid kon brengen. Maar in plaats daarvan had zij het/«-fragment in zijn hand gedrukt. Waarom? En waarom bezat hij nu een tweede stuk van diezelfde Ju, die hem bond aan Jake Maroc?
Maar hij wist dat zij tweeën al veel langer aan elkaar verbonden waren. Vanaf het moment dat hij de dagboeken van zijn moeder tussen haar persoonlijke bezittingen had gevonden en ze had gelezen, hoe onvolledig ze ook waren, had hij geweten dat hij en Jake Maroc doodsvijanden moesten zijn, zoals hun moeders voor hen waren geweest.
Het was Jakes moeder die, toen zij probeerde Nichirens vader af te pakken, Yumiko bewusteloos had geslagen en haar toen met een withete pook had gebrandmerkt, als een aandenken aan barbaarse wreedheid. Was dat moment niet verwezenlijkt bij de Sumchun-rivier?
Maar nu ds fa: bron van onmetelijke macht. Jake had een stuk, maar hij nu ook. Uit dezelfde bron. Wie? Yumiko? Had Jakes moeder bij haar aanval een stuk van Yumiko's/M gestolen? Maar hoe had Yumiko, een Japanse, een fa kunnen hebben?
En even belangrijk, welke macht werd erdoor vertegenwoordigd? Jake Marocs Bron ? Waarom had hij, Nichiren, dan ook een stuk? Hun Bronnen waren tegenpolen.
Deze vragen had hij zijn Bron gesteld nadat hij verteld had van het incident op Tsurugi.
'Jij bent de toekomst,' zei Bron, 'kun je dat accepteren?'
'Ik kan alles accepteren behalve wat de twee stukken jade schijnen te beduiden.'
'En dat is?'
'Ik wil niets met Jake Maroc gemeen hebben. Ik heb het vermoeden dat de ./w-scherf die ik heb opgegraven niet van mijn moeder afkomstig is. Ik denk dat jij hem in de grond hebt gestopt. Dat heb je al heel lang in je achterhoofd gehad, om me op de een of andere manier te binden aan Jake Maroc.'
'Als het moet, dan -'
'Nee!' Hij had het door de overzeese verbinding gegild. 'Geen sprake van!'
'Je hebt geen keus in deze kwestie.' De stem van Bron was kalm, verstoken van emotie. 'In de eerste plaats was de fa-scherf van je moeder. In de tweede plaats sta jij onder discipline. Dacht je dat ik je zomaar heb losgerukt uit de toekomst die je moeder voor je uitstippelde? Zo ga ik niet te werk. Er is een reden voor alle daden, een rol voor elk individu.'
'Maar dit is te veel,' had Nichiren gezegd, terwijl Mariana door de afgronden van zijn geest stortte, neertuimelend, bloedend, haar bloed op zijn gezicht en schouders. De uitdrukking in haar ogen. 'Zo kun je niet voor god spelen over mensen. Deze manipulatie gaat te ver. Het kan nooit slagen.'
'Je kunt beter,' had Bron gezegd, 'voor ons allen tot jouw vorm van de Boeddha bidden dat het wél werkt. Anders zullen we te gronde gaan door verwoesting.'
'Uit welke hoek?'
'Uit welke hoek niet? Amerika, Rusland, China, alle landen zullen erdoor getroffen worden. De hele wereld.'
'Wat heeft dit met mij te maken, en met Jake Maroc?'
'Dat zul je weten als jullie elkaar ontmoeten.'
'We hebben elkaar ontmoet,' had Nichiren gezegd, 'meerdere malen. Er kwam alleen maar dood uit voort.'
'De fit zal dat allemaal veranderen. Die zal jullie samenbinden. Die zal jullie leven schenken. Geloof me.'
Hij wilde zeggen: maar ik geloof niet in Boeddha. Ik heb geen geloof, en daarom kan ik jou niet geloven. Maar hij had er het zwijgen toe gedaan. Zijn gedachten joegen elkaar na als gouden vissen tussen koraalriffen. Uitgeput aanvaardde hij Kamisaka's geschenk en liet zich in haar open armen vallen, zodat ze beiden wankelden. Ze schopte de deur dicht en trok hem op tafei'-voeten mee naar de piepkleine woonkamer. Met enige moeite bukte ze en gooide haar studieboeken van de futon, die was opgevouwen in de vorm van een sofa. Samen lieten ze zich erop neervallen.
Ze wilde opstaan, maar hij hield haar vast.
'Thee.'
'Nee,' mompelde hij, met zijn gezicht tegen haar schouder. 'Nu niet. Niet weggaan.'
Kamisaka was bezorgd en blij tegelijk. Zijn pijn deed haar hart breken, maar ze was in de wolken dat hij bij haar was teruggekomen. Hij had haar nodig. Ze wist dat hij naar andere schuilplaatsen had kunnen vluchten. Maar hij was hierheen gekomen. Bij haar.
'Nichiren-c/ian,' fluisterde ze. Ze kuste zijn slaap. Ze trok hem tegen zich aan. Wat was er met hem gebeurd ? Zijn wereld was een mysterie voor haar. Ze las de kranten; ze had gehoord over de sluipmoordenaar Nichiren. Maar ze kon dat beest uit de buitenwereld en de media niet in verband brengen met deze man die ze beminde met heel haar hart en ziel. Maar nu ze hem in deze toestand zag, wilde ze voor het eerst weten - alles weten. Ze wilde begrijpen waardoor zo'n ellende in een menselijk wezen veroorzaakt kon worden. Nu wilde ze weten wat hij deed. Ze wilde weten waarom.
Alleen wanneer ze zijn diepste wezen leerde kennen kon ze verhinderen dat hij haar weer zou verlaten. Zou hij iemand doden als hij wegging? Ze wist het niet; en het kon haar niet schelen. Als hij maar niet wegging. Ze stak haar hand uit en raakte hem aan. Het was een gebaar van zo'n eindeloze tederheid en bezorgdheid dat het Nichiren niet kon ontgaan, ook al zat hij met gesloten ogen en afgewend gelaat.
Langzaam draaide hij zich om op de foton totdat zijn ogen de hare ontmoetten. Ze had haar hand niet van zijn heup gehaald. De aanraking was als een luide kreet in de stille kamer. Ze bezat een diepte die in woorden niet uitgedrukt kon worden.
Tot haar ontsteltenis zag Kamisaka dat hij had gehuild, en het was door haar aanraking dat hij het aan haar liet zien. Zijn overgave aan haar deed haar hart smelten. Tranen welden op in haar ogen, maar met een inspanning van haar wil drong ze ze terug. Enkel door haar aanraking had ze zijn pijn verzacht.
'Dat ik ben teruggekomen,' fluisterde hij, 'heeft een bedoeling.' Hij sloot zijn ogen om de kracht van haar handpalm, vingers, nagels beter in zijn heup te voelen stromen. 'Iemand vond de dood in de bergen. Hoog in de bergen. Het onweerde. Er was regen. Er was bloed.' Zijn stem was ijl en hortend, alsof hij praatte in zijn slaap. 'Ze rolde van me weg. Haar bloed spatte over mij heen. Heel even waren we door haar levenssap aan elkaar verbonden. Toen stortte ze in de diepte. De bodem was zacht van de regen. De modder begon te schuiven; we gleden allebei naar beneden. Ik greep me vast aan een boomstam. Ik wilde haar ook redden.' Hij had zijn ogen dichtgeknepen. 'Ik wilde haar ook redden.'
Kamisaka kon hem alleen maar wiegen zoals haar moeder haar had gewiegd toen ze nog een kind was.
Jake ontwaakte met zijn hoofd vol glasscherven. Hij had van Mariana gedroomd. Hij was in een kamer geweest waar een vreemd licht heerste. Hij was naakt. Het was koud in de kamer, zodat hij in beweging moest blijven, ook al was hij uitgeput. Plafond, vloer, en drie wanden van de kamer waren grauw.
De vierde wand bestond uit een dikke glasplaat. Aan de andere kant was Mariana. Hij zag haar door hun flat lopen. Ze kwam uit bed, ging naar de wc, waste zich, borstelde haar haar, kleedde zich aan. Ze ging aan tafel zitten en schreef brieven. Ze maakte een ontbijt, ging een boek zitten lezen, staarde uit het raam. Het leek wel of ze ergens op wachtte. Na een poosje besefte Jake dat ze op hem wachtte.