HOOFDSTUK 1
Elizabeth Stirling keek met opgetrokken wenkbrauwen naar Jeremy Ffoulkes.
‘U bent niet het type dat met “nee” genoegen neemt,’ zei ze. ‘Natuurlijk niet. Zou je me bewonderen als dat wel zo was?’ Hoewel ze wist dat haar antwoord dwaas klonk - Mr. Ffoulkes was feitelijk haar werkgever - kon ze toch niet nalaten te zeggen:
‘Ik bewonder u helemaal niet, in welk opzicht dan ook.’ Onverwacht begon de man voor haar te lachen.
‘Ik hou wel van vrouwen die een raak antwoord weten te geven,’ zei hij en zijn bruine ogen glinsterden van plezier.
Elizabeth fronste haar wenkbrauwen. Er kwam een behoedzame blik in haar ogen.
‘Ik denk dat u bedoelt dat u het niet prettig vindt als een vrouw als een rijpe appel in uw schoot valt. Er zijn zulke mannen. Als ik de eerste de beste keer dat u het vroeg al met u was uitgegaan, zou u waarschijnlijk geen belangstelling meer voor me hebben gehad. En dat prikkelt u!’
Hij plantte zijn ellebogen op zijn bureau, drukte zijn vingertoppen tegen elkaar en keek haar onderzoekend aan. ‘Mijn belangstelling en mijn nieuwsgierigheid zijn geprikkeld, Elizabeth Stirling, maar niet om de reden die je me gaf. Je bent zo anders dan ik had verwacht.’ Ze keek hem vragend aan. ‘Toen ik nog assistent-redacteur bij de ‘Bay of Plenty Sketch’ was, dacht ik dat ik je aardig had leren kennen door je wekelijkse artikelen voor ons. Ik vond je anders dan de anderen. Ik dacht dat je een eerlijk en aardig iemand was en niet zo ontwijkend en moeilijk te benaderen,’ ging hij verder. ‘Het spelletje spelen: moeilijk te veroveren te zijn.’
Haar wangen begonnen te gloeien. ‘Mr. Ffoulkes, dit gesprek leidt tot niets. Het slaat nergens op en bovendien bent u zowel verwaand ‘Als wat?’ viel hij haar in de rede. Zijn toon klonk belangstellend, niets meer.
‘Dat is niet belangrijk en ik bén niet moeilijk te benaderen. Ik wil echter alleen zakelijk iets met u te maken hebben en als u me niet meer nodig hebt, ga ik weer. naar mijn kantoor.’
‘Ga zitten... ga zitten, Elizabeth,’ snauwde hij. Zijn ogen zagen er dreigend uit en tot haar ergernis gehoorzaamde ze hem.
Ze stak haar kin naar voren en zei: ‘De naam is Miss Stirling.’ ‘Mijn voorganger noemde je altijd Elizabeth.’
‘Uw voorganger was tweemaal zo oud als u en bovendien respecteerde ik hem. Hij was meer dan mijn werkgever. Hij was een vriend van me.’
'Juist en ik wil ook meer zijn dan alleen maar je werkgever.’
'U bent niet op mijn vriendschap uit.’
'Dat is waar, dat heb je goed begrepen, maar toch hoop ik dat vriendschap er een deel van is.’
'Ik betwijfel het. We hebben niets gemeen.’
Er kwam een blik in zijn ogen die ze niet kon thuisbrengen, toen hij zei: ‘Je hebt het bij het verkeerde eind. Ik heb je artikelen gelezen en we hebben veel gemeen. Geef jezelf de kans me beter te leren kennen.’ ‘Ik heb helemaal geen zin om u beter te leren kennen, Mr. Ffoulkes.’ Ze stond weer op en besloot een eind aan het gesprek te maken. ‘Het verbaast me... als ik nou nog een aantrekkelijke blondine zou zijn in plaats van heel gewoon een grijze muis.’ Haar hand streek even door haar korte haar. ‘Ik begrijp het gewoonweg niet.’
Hij stond eveneens op en antwoordde: ‘Lieve help, waar haal je dat minderwaardigheidscomplex vandaan? Dat had ik helemaal niet achter je gezocht.’
Ze keek hem recht in zijn gezicht. ‘Daar is iemand net als u verantwoordelijk voor. Daarom mag ik u niet. Op papier mag ik dan erg zelfbewust klinken, maar in werkelijkheid... Ach, laten we erover ophouden.’
Ze draaide zich om en wilde weglopen, maar hij kwam snel achter zijn bureau vandaan, goed gekleed, lang en met brede schouders. Elizabeth haastte zich naar de deur.
De telefoon op zijn bureau rinkelde. Hij mopperde iets en liep terug om de hoorn van de haak te nemen. ‘Met Ffoulkes, een ogenblik.’
Zijn hand gleed over het mondstuk. ‘Wacht even, Elizabeth,’ zei hij. Zijn toon klonk gebiedender dan ze ooit van hem had gehoord. Ze bleef staan en wachtte.
‘Ja, ze is hier,’ zei hij in de hoorn. ‘Het is voor jou, Miss Stirling.’
‘Ik neem hem wel in mijn eigen kantoor.’
‘Je neemt hem hier. We zijn nog niet klaar.’
Hij hield haar de telefoon voor en Elizabeth beet op haar lip. Ze hoopte maar dat iemand haar meteen nodig had.
De stem van haar buurvrouw klonk in haar oor. ‘Je stiefmoeder is helaas niet helemaal in orde, Elizabeth. Ze heeft me geroepen. Er is iets met haar hart.’ De stem begon te fluisteren. ‘Ik denk dat er dit keer echt iets mis is. Ik heb haar in bed gestopt. Het schijnt dat ze het al een poosje weet maar niet wilde dat jij je ongerust maakte. Maar nu je nicht Louisa weg is, dacht ik dat het beter was dat ik je belde.’
‘Dat vind ik ook, Mrs. Brougham. Ik heb het niet zo druk op het ogenblik.’ Haar blik flitste naar haar redacteur. ‘Wacht u even?’
Ze hield de telefoon een eindje van zich af en vroeg: ‘Mr. Ffoulkes, is het goed dat ik naar huis ga? Mijn stiefmoeder is ziek geworden. Ik ben klaar met de...’
‘Ja, natuurlijk. Ik zal je even thuisbrengen.’
‘Ik ben er over een kwartier,’ zei Elizabeth tegen Mrs. Brougham en hing op. ‘U hoeft me niet te brengen, maar in elk geval bedankt voor het aanbod.’
‘Doe niet zo bespottelijk. Ik weet best dat je vandaag je auto niet hebt en de mijne staat vlakbij. Het gaat veel sneller op die manier,’ drong hij ongeduldig aan.
‘Ik was van plan een taxi te nemen.’
‘Toch sta ik erop je thuis te brengen.’
Vijf minuten later reden ze in de richting van Cashmere Hills. Dit was een dure wijk van Christchurch die uitkeek over de vlakten van Canterbury en hoog boven de stank van de stad lag. Het leven in de goedkopere buitenwijken had Maida niets geleken, hoewel deze flat toch wel wat boven hun financiële draagkracht ging. Elizabeth verdiende goed, zelfs meer dan de meeste meisjes van haar leeftijd, maar als ze haar artikelen en korte verhalen niet had gehad, zouden ze toch niet zo’n luxueus leven hebben kunnen leiden.
Nu ze ook meer bekendheid kreeg als romanschrijfster, ging het beter. Maar het geld van haar eerste boek was opgegaan aan een paar ramen in Maida’s slaapkamer, zodat ze zowel ’s morgens als ’s middags van de zon kon genieten.
‘Neem me niet kwalijk, ik verstond niet wat u zei,’ zei ze.
‘Ik vroeg of je stiefmoeder ziekelijk was?’
Ze aarzelde. ‘Ze is niet sterk.’
Ze was zeker niet van plan Mr. Ffoulkes te vertellen dat Maida na haar vaders dood was veranderd in een ingebeelde zieke. Je deed een man die je op een afstandje wilde houden, nu eenmaal geen vertrouwelijke mededelingen. Dokter Chester was erg eerlijk geweest. ‘Je moet uitkijken, Elizabeth, ze beeldt zich van alles in. Als je vader nog had geleefd, was dit nooit gebeurd. Zorg ervoor dat ze je niet helemaal in beslag neemt’.
Met de beste bedoelingen had hij Maida hard aangepakt met als resultaat dat ze een andere dokter had genomen.
‘Mijn buurvrouw vertelde me dat ze al een poosje last had van haar hart maar niets had gezegd,’ vertelde Elizabeth.
‘Dat had ze niet moeten doen, ik houd van openhartigheid.’ Hij grinnikte. ‘In alles. Maar maak je niet ongerust. Ik begin niet opnieuw. Daar is het nu de tijd niet voor. Maar ik ben van mening dat familieleden de moeilijkheden samen onder ogen moeten zien. Bovendien kunnen ze tegenwoordig veel doen aan hartkwalen. Als je een paar dagen vrij wilt, Elizabeth, dan moet je dat zeker doen.’
Ze moest hem hiervoor wel bedanken en dat ergerde haar. Hij zette haar voor de deur af en vroeg of hij verder nog iets voor haar kon doen. Toen ze zei dat dit niet nodig was, nam hij met een armzwaai afscheid.
Elizabeth stapte met gemengde gevoelens het huis binnen. Als Maida echt ziek was, zou ze zich erg schuldig voelen.
Ze hadden gisteravond bijna ruzie gehad. Op haar lieve manier die Elizabeth altijd zo boos maakte, had Maida gezegd: ‘Ik vind het zo heerlijk, Elizabeth, dat juist nu we om geld verlegen zitten, je zo’n succes als schrijfster begint te krijgen...’
Elizabeth had zich niet op haar gemak gevoeld.
'Ja, Maida?’
‘En het is zo fijn dat je zo op je vader lijkt, zo sterk en onbaatzuchtig, je denkt altijd aan anderen.’
Elizabeth besefte dat ze haar een slag voor moest zijn.
‘Maida, als je soms van plan bent het geld van mijn volgende boek uit te gaan geven, kan ik je wel vertellen dat ik nu zélf plannen heb.’ Maida keek haar aan als een kind dat een snoepje werd afgenomen, maar ze herstelde zich snel en zei: ‘O, lieve Elizabeth, ben ik je voor? Had je me willen verrassen met een leuke reis?’
Elizabeth vermande zich. ‘Ik heb voor mezelf een reisje uitgestippeld. Jij bent vorig jaar geweest, Maida.’
Maida had beteuterd gekeken. ‘Maar - maar Elizabeth, jij kunt je hele leven nog op reis gaan. Toen ik jong was had ik ook graag willen reizen maar ik was aan huis gebonden door twee kleine kinderen die niet eens van mezelf waren. Je vader had me beloofd dat we een keer naar Europa zouden gaan. Maar toen is hij gestorven. Bovendien gaat het om mijn gezondheid. En zo duur is het nu ook weer niet. Het is jammer als ik deze kans mis. Weet je nog hoe goed die winter in Queensland is geweest voor de bronchitis van Mrs. Leighton? Een maand daar lijkt me heerlijk. Dokter Fullingham heeft me trouwens aangeraden de winter in het noorden door te brengen.’
Elizabeths antwoord was kort geweest. ‘Zet het maar uit je hoofd. Ik heb je kamer veranderd met het geld van het eerste boek en dat van het tweede is voor mij. We kunnen niet elk jaar de winter ergens anders doorbrengen. Dat kunnen maar weinig mensen zich veroorloven.’
Maida had er verslagen uitgezien. ‘Elizabeth, zo ben je anders nooit. Je bent altijd zo behulpzaam geweest. En ik heb zoveel voor jou en Josie gedaan.’
‘Maar Maida, ik heb toch recht op een eigen leven. Dat moet je kunnen begrijpen. Je weet dat als ik net als Josie trouw, je hier toch niet kunt blijven wonen. Dan zul je tevreden moeten zijn met een flat in de stad.’ Elizabeths stem had bijna wanhopig geklonken.
Het was onvergeeflijk wat Maida toen had gezegd. ‘Maar Elizabeth, denk je héus dat je nog eens zult trouwen?’
Gelukkig kwam Elizabeths gevoel voor humor haar te hulp. ‘Maida, tegenwoordig is een meisje van vijfentwintig echter nog geen oude vrijster.’
Even had Maida er niet meer hulpeloos uitgezien en haar blik was kattig geweest, toen ze zei: ‘Ja... maar ben jij wel een type om te trouwen, Elizabeth?'
Elizabeth had haar boze woorden ingeslikt. Ze kon haar stiefmoeder niet zeggen dat, als zij er niet geweest zou zijn, Stephen haar misschien had getrouwd. Maar hij was als was geweest in Maida’s handen. Ze had Elizabeth voortdurend gekleineerd, gezegd dat ze bazig en onvrouwelijk was en dat ze geen charme had; dat ze erop uit was carrière te maken.
Ze had Maida toen graag willen zeggen dat ze wist waarom ze dat had gedaan... omdat Maida niet kon rondkomen van wat haar echtgenoot haar had nagelaten. Ze zou haar bridgepartijtjes en mooie kleren moeten opgeven. Maar Elizabeth had een hekel aan ruzie.
Maida had toen geprobeerd gebruik te maken van haar zwijgen. ‘Ik weet waar je op uit bent... je denkt dat je tijdens een reis een geschikte man zult tegenkomen. Wat ben je toch kinderlijk, Elizabeth! Zo’n georganiseerde reis wordt meestal door oude vrijsters en bejaarde echtparen gemaakt.’
Elizabeths minachtende blik had haar uit het veld geslagen. ‘Ik vind dat een nare opmerking, Maida. Als schrijfster moet je af en toe reizen en ik wil mezelf bewijzen dat ik van mijn schrijverij kan leven. Tegen de tijd dat ik weer een boek af heb, wil ik mijn ontslag nemen bij de krant om meer tijd te hebben. Al zullen we in het begin de buikriem wat strakker moeten aanhalen.’ Haar gezicht had zich wat verzacht. ‘Is het nu zo erg, Maida? Je hebt er vier jaar aan kunnen wennen dat vader er niet meer is. Vrouwen die ouder zijn dan jij werken ook. Misschien kun je huurders nemen als ik een flatje in de stad neem.’
Maar dit viel niet in goede aarde en Maida was hysterisch geworden. Elizabeth die alles niet erger wilde maken dan het al was, had haar mee naar de schouwburg genomen om haar gedachten af te leiden. En ze had daarna de halve nacht wakker gelegen terwijl ze zich afvroeg of ze Maida niet te hard had aangepakt.
Met lood in haar schoenen liep Elizabeth de paar treden op naar het portiek; de verantwoordelijkheid viel haar zwaar.
Maida lag op haar rug in bed en zag er breekbaar en interessant uit. Mrs. Brougham had een kopje thee gezet en een paar flinterdunne boterhammetjes gemaakt en zat nu naast haar bed.
Maida glimlachte dapper. ‘Ik had gehoopt het voor je verborgen te houden, Elizabeth. De dokter had me gewaarschuwd dat het koude weer me geen goed zou doen, maar ik had niet verwacht dat ik het al zo snel zou moeten opgeven.’ Ze haalde diep adem en hijgde even. ‘Ik moest brood halen onder aan de heuvel nu Louisa zo lang weg blijft en jij aan het werk bent. Ik heb geprobeerd weer naar huis te lopen maar ik kwam niet verder dan het hek van Mrs. Brougham. Gelukkig zag ze me, ik had niet geweten wat ik zonder haar had moeten beginnen.’ Maida keek haar buurvrouw met een glimlach aan.
Elizabeth slaagde er ook in te glimlachen en zei: ‘Vriendelijk bedankt, Mrs. Brougham. Ik zag Jenny thuiskomen uit school toen ik aankwam dus zullen we u niet langer ophouden.’
Toen ze haar buurvrouw had uitgelaten en naar de slaapkamer terugliep, wist ze plotseling niet meer wat ze moest doen.
Maida stak een welverzorgde hand naar haar uit. Onwillig pakte Elizabeth deze vast.
‘Lieverd, het spijt me verschrikkelijk,’ zei Maida. ‘Ik weet hoe je je moet voelen. Maar dat is niet nodig hoor, deze aanval heeft niets te maken met onze ruzie van gisteravond. Het was alleen maar die koude wind.’ Ze glimlachte flauw. ‘Ik zal me beter inpakken en uit de koude kamers blijven.’ Ze zweeg en keek Elizabeth verwachtingsvol aan.
Elizabeth deed opzettelijk of ze haar niet begreep. Maida verwachtte dat ze zou zeggen dat ze nu toch maar naar Queensland moest gaan.
Maida’s ogen vulden zich met tranen. Ze keek de andere kant op alsof ze zich verlegen voelde. ‘Elizabeth, kijk niet zo verslagen. Ik weet zeker dat het niets met gisteravond te maken heeft. Je moet het je niet zo aantrekken. Zelfs toen ik wist hoe het met mijn hart stond, had ik ’t niet willen vertellen, maar ik dacht dat nu de hypotheek afbetaald was, we ons wat meer luxe zouden kunnen veroorloven. Je vader had altijd gehoopt me dat eens te kunnen geven, maar hij stierf, die arme lieverd, voordat hij zijn woorden waar kon maken. En ik ben er zeker van dat het niet zijn schuld was dat er zo weinig geld was.’
Elizabeth kon geen woord uitbrengen - zeker niet de woorden die Maida verwachtte.
‘Ik weet niet wat hij nog méér had kunnen doen, Maida,’ slaagde ze erin te zeggen. ‘Tenslotte had je een hekel aan de boerderij en vader heeft dat alles voor jóu in de steek gelaten. Zelfs het leven in de flat beviel je niet. Je moest en zou hier wonen. Dat betekende dat hij een hoge hypotheek moest nemen en langer moest werken dan goed voor hem was. Je hebt steeds je zin gekregen en je zou toch eindelijk eens tevreden moeten zijn.’
Haar stiefmoeder keek haar koel aan. ‘Ja, maar jij barst van energie en je begrijpt niet wat ik voel. Laten we er maar over ophouden. De dokter zegt dat het niet erg is met mijn hart maar dat mijn gezondheid wel ieder ogenblik achteruit kan gaan. Ik moet voorzichtig zijn. O, Elizabeth, ik ben bang dat ik de was nog niet heb gedaan. Nu Louisa weg is heb ik teveel van mezelf gevergd, denk ik.’
‘Louisa zag er zelf slecht uit,’ zei Elizabeth langzaam. ‘Ze had dit uitstapje hard nodig. En ik dacht dat ik het meeste extra werk had gedaan.’
Maida’s hand gleed naar haar borst. Haar adem ging gejaagd. ‘Dat weet ik, lieverd. Ik praat liever nu niet meer... Neem een kopje thee. Laat me maar, ik blijf hier wel liggen.’
Met een gevoel dat ze een monster was liep Elizabeth de kamer uit. Haar knieën knikten. Wat een dag! Eerst bijna ruzie met haar nieuwe redacteur en nu Maida weer.
Ze liep plotseling weer terug naar de slaapkamer. ‘Maida, wanneer ben je bij de dokter geweest?’
Maida lag met gesloten ogen en Elizabeth moest haar vraag herhaIen. ‘Eergisteren. Waarom vraag je dat?’ zei Maida tenslotte.
Elizabeth ontweek haar vraag. ‘Ik wou dat je het me had verteld. Maak je maar geen zorgen; we moeten opletten dat je niet oververmoeid raakt.’
Elizabeth besloot zelf naar dokter Fullingham te gaan om te vragen wat Maida precies scheelde en wat er aan gedaan kon worden.
Dokter Fullingham staarde Elizabeth aan. ‘U vraagt me hoe erg het met haar is? Ik ben bang dat ik u niet helemaal begrijp. Ik heb uw stiefmoeder niet gezien sinds ze drie weken geleden klaagde over een verkoudheid. Daar had ze me niet voor hoeven roepen. Wat wil ze toch? Ze heeft me steeds gevraagd of het geen bronchitis was en overdreef de symptomen schromelijk. Ze was teleurgesteld toen ik zei dat ze binnen een paar dagen beter zou zijn.’
Elizabeth werd vuurrood. Ze kende deze dokter niet zo goed, maar wist meteen dat ze hem mocht en vertelde hem wat er was gebeurd.
De dokter schudde verbaasd zijn hoofd. ‘Wat een vrouw... ze hebben niet genoeg te doen en beschouwen zichzelf als invaliden. Maar dit is nog erger. Ik vind dat u haar streng moet aanpakken. Als u niet oppast, gaat ze u misbruiken. Ik zal haar de volgende keer dat ze hier komt de les lezen... als ze ooit nog komt.’
Hij zweeg en lachte. ‘Ik herinner me plotseling dat ze over u heeft gesproken. Ze beschreef u als een soort manwijf en ik dacht dat u minstens veertig moest zijn, een echte oude vrijster. Nou, daar ziet u toch allerminst naar uit, zo slank en blond.’
Er liep een koude rilling over Elizabeths rug. Ze lachte binnensmonds. ‘Ze wil dat ik de steunpilaar van haar oude dag word. Maar ik zal haar toch van dat idee moeten af helpen en snel ook.’
‘Dat vind ik ook,’ zei de dokter en hij klopte haar bemoedigend op de schouder voor ze wegging. ‘Ik wou dat ik erbij kon zijn. Ik ben er zeker van dat ze me niet meer komt opzoeken. Vertel haar keihard de waarheid. Haar hart is net zo gezond als het uwe. Ik kan het weten want ik heb haar vaak onderzocht. Veel sterkte!’
Ze lachte op weg naar de auto, maar ondanks haar vastbeslotenheid reed ze tweemaal het blok rond voordat ze naar huis ging.
Maida luisterde naar de radio en keek zielig op. 'Ik voelde me te ziek om in de andere kamer naar de televisie te gaan kijken, Elizabeth. En ik heb ook liggen denken, ik geloof dat ik het deze winter kalm aan moet doen, mijn bed is de beste plaats daarvoor. Misschien kunnen we de televisie in deze kamer zetten, tenslotte zit jij het grootste deel van je vrije tijd op je eigen kamer achter je schrijfmachine en Louisa komt wel hier zitten als ze iets speciaals wil zien.’
Met knikkende knieën liep Elizabeth door de kamer en ze zette de radio uit. Haar ogen keken Maida open aan. ‘Nee, we zetten de televisie niet in deze kamer, Maida. We maken helemaal geen extra onkosten meer. En je gaat deze winter ook niet naar Queensland of Tauranga en je blijft óók niet in bed! Je kunt best de handen eens uit de mouwen steken hier in huis. Louisa heeft meer last van haar reumatiek dun jij van je zogenaamde zieke hart!’
Maida's lichtblauwe ogen gingen wijd open en ze hijgde toen ze zei: 'Mijn zogenaamde zieke hart? Elizabeth, hoe durf je...’
'Hoe ik dat durf? Dat is toch niet zo moeilijk, ik heb het tenslotte gehoord van iemand die het ’t beste kan weten... dokter Fullingham! Ik ben naar hem toe gegaan om te vragen hoe erg het met je was. Hij was woedend. En ik vraag me af hoe vaak jij de laatste jaren je zin hebt gekregen door net te doen alsof, Maida. Maar ik heb er genoeg van! Je kunt maar beter met een schone lei beginnen. Je hebt al laten doorschemeren dat je verwacht dat ik je meer geld voor kleren zal gaan geven nu de hypotheek is afgelost, maar dat kun je wel vergeten. Je hebt genoeg gehad en je hoeft het ook niet meer weg te gooien aan de paardenrennen en je bridgepartijtjes. Knoop dat góed in je oren!’