Hoofdstuk X
Gevaarlijk succes

De dreiging van meteoren was voor Kemlo en zijn vrienden niet zo alarmerend, omdat er - zoals in meer gevaarlijke dingen - een spannend element in zat. Als iemand ver genoeg van een vallende meteoor verwijderd is, kan hij het lichtende spoor er van zien.

Maar wanneer een meteoor in het luchtledige op korte afstand passeren gaat, is hij onzichtbaar en vernietigt alles en iedereen op zijn pad.

De dringende stem van Grayson Hart en het feit, dat Kemlo vlak voor zijn ogen delen van het paardehoofd zag verdwijnen, maakten dat hij snel gehoor gaf aan het bevel terug te keren.

Hij had nu meer kracht nodig om het paard te keren en al gauw bleek, dat een der stijgbuizen door een onzichtbaar meteoordeeltje onklaar gemaakt was. Toen Kemlo beter keek zag hij, dat de buis volkomen weggesmolten was. Hij was verplicht korte tijd onbeschermd te zijn tot het paard achter de schermstralen van de Belt kwam. Het was zonder meer duidelijk, dat de schermstralen van het paard te zwak waren en dat de mogelijkheid bestond, dat Kemlo met paard en al in een onderdeel van een seconde tot stof verpulverd kon worden wanneer er meteorieten in aantocht waren. Er moest ergens een storing in het scherm van het paard zijn en Kemlo kon niets doen dan hopen, dat er toevallig niets zijn pad zou kruisen tot hij weer de veiligheid van de Belt bereikt zou hebben.

„Kan dat ding niet sneller gaan?” Het was de stem van Kemlo’s vader, al even dringend als die van Grayson Hart.

„Ik geef volle kracht,” zei Kemlo, „maar een deel van de voortstuwing is stuk. Het gaat niet harder dan zo!”

„Er is een meteorenzwerm achter je, Kemlo,” zei de stem van Grayson Hart, „maar ik geloof niet dat je er last van hebben zult. Ze kruisen je pad schuin en ik geloof, dat je tamelijk veilig bent. Stel af op -07 graden, dan zal ik zien of ik een magneetlijn naar je kan uitzetten om je sneller hierheen te trekken.”

Kemlo deed wat Hart zei en even later ging het paard aanzienlijk sneller vooruit. Weldra was Kemlo weer binnen het beschermende veld van de Belt.

„Je kan het best naar de scooter-ingang gaan,” zei Grayson Hart. „Ik zal de sluis, waar je door weggegaan bent, weer sluiten. Kom maar kalm naar binnen!”

Kemlo manoeuvreerde het paard voorzichtig naar binnen, waar gewillige handen hem grepen toen hij omlaag klom. Met vele helpers werd het paard naar een open plaats gebracht naast het enkelspoor.

Fussell en de groepsleiders waren snel naderbij gekomen en ze keken sprakeloos naar hun meesterstuk.

„Dat was een gevaarlijk succes vrees ik,” zei Fussell sip.

„Mijn arme mooie paardehoofd,” galmde Kerowski.

„De helft ervan is gewoon weggebrand.”

„Wees blij dat Kemlo niet weggebrand is,” zei Kartin angstig.

„Het was mijn eigen schuld,” zei Kemlo. „Ik ben te ver gegaan. Ik wist dat we niet zeker van de afscherming waren en toen kwam ik toevallig in die kosmische stortbui terecht.”

„Je had het bijna niet meer naverteld,” zei Kullen somber.

„Waarom noem je het een gevaarlijk succes?” vroeg Kemlo aan Fussell. „Het paard is prima. Het beweegt zich gehoorzaam voort en is zeker zo goed bestuurbaar als een ruimtescooter. Het heeft een zwakke plek, maar laten we maar blij zijn, dat die ten minste op de eerste tocht al duidelijk geworden is. Nu kunnen we het veranderen!”

„Zonder dat je uit je koers ging hadden we de zwakke plekken niet kunnen ontdekken, is het wel?” vroeg Kullen aarzelend.

„Toch wel,” zei Kemlo. „Als ik precies gedaan had wat ze gezegd hebben, dan had men vanuit de controlekamer mijn schermstralenschild kunnen controleren.

Dan was het niet zo droef met het paard afgelopen.”

„Het was schitterend, Kemlo,” jubelde Krillie, die zich naar voren drong. „En het paard ziet er prachtig uit. Dus dat was het geheim!”

„Hallo Krillie!” zei Kemlo tegen zijn vriend. „Ja, nu heb je ons geheim gezien. Snap je nu waarom ik het je niet eerder kon vertellen? Als het niet goed gewerkt had, hadden we een modderfiguur geslagen.”

„Jij slaat nooit een modderfiguur,” verklaarde Krillie. „Wie heeft er voor gezorgd, dat het er precies als een paard uitziet?”

„Kerowski. Hij is een echte kunstenaar.”

„Wat? Die lange, dunne...” Krillie aarzelde en schrok, want de lengte van Kerowski en zijn schrale gestalte maakten hem tot het mikpunt van heel wat spotternij. Hij had ook een bijnaam, die niet erg vleiend was en daar had Krillie nog precies op tijd aan gedacht.

„Misschien ben ik een lang en dun iets, jonge vriend,” zei Kerowski streng, „maar het is verstandiger als je me dat niet zegt!”

„Neem me niet kwalijk, Kerowski,” zei Krillie. „Ik wou niets vervelends zeggen - zeker niet nu je zo’n mooi paard gemaakt hebt.”

„Zijn hoofd is foetsie,” zuchtte Kerowski. „Zo - gewoon foetsie voor een deel.”

„Je zal een ander hoofd moeten maken,” zei Fussell kort. „Dat kan je toch wel?”

„Ik denk het wel,” antwoordde Kerowski, „maar ik dacht dat dit nylon onverwoestbaar was?”

„Is het ook, is het ook!” antwoordde Fussell ongeduldig. „Maar je weet heel goed, dat er niets tegen meteoren bestand is. Zelfs een stofdeeltje van een meteoriet gaat dwars door een scooter en zijn inzittenden heen als het schermschild niet werkt.”

„Ja meneer,” antwoordde Kerowski lijdzaam.

Fussell keek rond en zei opgewekt:
„Nu een vraag voor allemaal: We hebben iets buitengewoons gemaakt en wat heeft deze proefvlucht ons geleerd?” Hij tuitte zijn lippen en keek de jongens stuk voor stuk aan. „Eh? Wat hebben we ervan geleerd?”

„Dat we sterkere schermstralen nodig hebben,” zei Kemlo.

„Juist. En wat nog meer?”

„Dat we moeten leren het beest goed te berijden,” zei Kemlo grinnikend.

„Rijden leren?” vroeg Fussell verbaasd. „Je scheen er anders geen moeite mee te hebben.”

„Er deugde niet veel van,” zei Kemlo. „Ik heb gelezen, dat je je met je benen vast moet houden op het zadel, maar ik hing zo’n beetje op de zadelknop waar de instrumenten zitten.”

„Dat komt wel in orde,” zei Fussell. „Voorlopig moeten we twee dingen doen: Kerowski zal een nieuw hoofd maken terwijl de anderen de stijgbuizen repareren en een sterkere schermstraalopwekker inbouwen. Is er nog meer wat veranderd moet worden, Kemlo?”

„Ik zou wat meer snelheid willen hebben.”

„En je zei, dat het nu al moeilijk was in het zadel te blijven?”

„Dat was het alleen wanneer de benen en zo gingen bewegen,” legde Kemlo uit. „Maar als het beest sneller gaat, moet het gemakkelijker zijn in het zadel te blijven zitten.”

„Ik heb je toch gezegd, dat je niet rijden kan,” zei een snibbige stem.

Kemlo draaide zich om en zag Dane staan.

„Zou jij het er beter afgebracht hebben?” vroeg Kullen.

„Daar kan je op rekenen!”

„Jammer dat je het niet geprobeerd hebt!”

„Jullie hebben heus iets aardig gemaakt,” zei Dane neerbuigend. „Maar het blijft een machine, zonder gevoel en zonder eigen wil. Je regeert het met knopjes en schakelaars. Ik zou er los op kunnen zitten op elke snelheid, wat het paard ook zou doen.”

„Zijn alle jongens van de Aarde zulke mispunten?” vroeg Kerowski met een vies gezicht.

„Sommigen zijn wel aardig,” zei Fussell. „Misschien wil iemand van jullie hem laten zien hoe alles werkt en wanneer we dan weer met het paard de ruimte in kunnen, zal mijnheer Dane er op rijden.”

„Rijden op een kunstpaard is kinderwerk,” zei Dane misprijzend.

Het zou waarschijnlijk op ruzie uitgedraaid zijn als niet plotseling een luide oproep door de Belt omgeroepen werd.

„Oproep voor Fussell, oproep voor Fussell. Wil mijnheer Fussell onmiddellijk rapport komen uitbrengen bij de oudsten. Graag onmiddellijk rapport bij de oudsten.”

Fussell lachte zenuwachtig en haalde zijn schouders op. „Ze zullen wel geen loper voor me uitgelegd hebben,” zei hij. „En ook geen vlaggen! Jongens, aan het werk! Ik kom zo gauw mogelijk terug.” Hij draaide zich om en liep haastig weg.

Verschillende technici waren naar de scooter-uitgang gekomen om naar het paard te kijken en ze keken vol aandacht naar het vreemde dier.

Kerowski nam nog eens de maten en verdween naar de werkplaats om een nieuw hoofd te maken. Kartin en Kullen begonnen samen met Kemlo de defecte delen van het mechanisme los te maken. Daarvoor moesten ze eerst een deel van het omhulsel open schroeven en nu bleek hoe verstandig het geweest was, dat de paardehuid niet uit een enkel deel bestond.

Twee van de technici keken vol belangstelling. Dane en Krillie begonnen hevig te bekvechten tot Kemlo er een eind aan maakte door te zeggen:
„Klim eens in het zadel, Dane? Dan kan je eens vertellen wat je van het zadel denkt en van de vorm van het paard. Je bent toch zo’n ruiter?”

„Ik zou jullie wel het een en ander kunnen vertellen,” zei Dane. Hij zette een voet in een stijgbeugel en wipte in het zadel. Hij bleef enige ogenblikken zitten, ging toen anders zitten en keek omlaag naar Kemlo.

Ja, het zit aardig goed. Natuurlijk is het wat anders dan een echt paard, omdat je dan beweging onder je voelt, maar jullie hebben het heel goed nagebootst.”

„Ontvang onze dank!” zei Kullen spottend. „We zijn erg blij, dat je er zo gunstig over denkt.”

„Geen dank,” antwoordde Dane ernstig. „Als jullie paarden willen gaan maken dan ben ik hier waarschijnlijk de enige, die goede raad kan geven.”

„Dat denk ik ook,” zei Kemlo, knipogend naar zijn vrienden.

„Waar zijn al die schakelaars voor?” vroeg Dane.

Kemlo ging op zijn tenen staan en legde Dane de werking van de vele instrumenten, schakelaars en handels en knoppen uit.

„Niet moeilijk, wel?” zei Dane. „Zonder Fussy hadden jullie er niets van terecht gebracht denk ik.”

„We zeggen ook niet dat we het alleen gekund zouden hebben,” bromde Kartin. „Jij soms wel?”

„Ik zou het niet eens proberen,” antwoordde Dane schouderophalend. „Waar ik vandaan kom zijn zoveel paarden, dat we geen kunstbeesten nodig hebben.”

„Kom er nu maar af, want je hebt al genoeg gezwetst,” zei Kullen. „We hebben meer te doen dan naar jou te luisteren.”

Dane bleef nog even zitten en drukte op een paar knoppen.

„Er werkt niets van het hele ding,” verklaarde hij minachtend.

„Vanzelf niet,” zei Kemlo. „Er is een contactschakelaar voor de motor en voor de stuw-eenheid.” Hij wees naar de kleine rode schakelaar.

„Ah,” zei Dane. „Ik dacht, dat ik er niet mee spelen mocht, met dit speelgoed van jullie.”

„Schiet op,” zei Kullen scherp. „Kom omlaag en hou je snater!”

„Ik kom al,” grinnikte Dane. Hij liet zich naar beneden glijden en ging even later met Krillie weg. Spoedig waren nu Kemlo en de groepsleiders alleen.

Even later kwam Fussell terug en ze staarden hem aan, vrezend dat de oudsten verder werk aan het paard verboden zouden hebben.

„Jullie verwachten zeker slecht nieuws?” vroeg Fussell rustig.

„Vertel het ons maar,” verzocht Kemlo.

„Hebben de oudsten u een standje gegeven meneer?” vroeg Kullen.

„Standje? Waarvoor?”

„Weet ik niet,” antwoordde Kullen. „Zomaar voor het een of ander?”

„De oudste waar ik al eerder mee sprak, was er,” zei Fussell. „Hij was erg tevree, maar het beviel hem alleen niet, dat Kemlo van de route afgeweken was.”

„Hij heeft gelijk,” zuchtte Kemlo. „Maar mogen we verder gaan met het paard?”

„Dat mogen we. Nee, dat moeten we!” zei Fussell triomfantelijk. „De oudsten vinden, dat er een aantal van deze paarden gemaakt moet worden, liefst een beetje kleiner zodat de jongere jongens en meisjes er op rijden kunnen.”

„Dat is geweldig!” riep Kemlo verheugd. „Ben je niet trots, Fussell?”

„Ja.” Fussell glimlachte. „Ja, Kemlo, ik ben erg trots. Laten we nu maar weer aan het werk gaan.”

Ze werkten nu met meer ijver dan voorheen, omdat met de proefvlucht gebleken was, dat ze iets goeds gemaakt hadden. De kosmische gevaren, die bijna het paard vernietigd hadden, waren ook te overwinnen, in ieder geval af te schermen.

Nu de bewoners van de Belt allen wisten van het ruimtepaard, kon Fussell ook aan meer anderen raad vragen in moeilijke vraagstukken, wat het werk erg vergemakkelijkte. Hij kreeg advies van de beste straal-deskundigen en met hun hulp werd een versterkt stralenscherm ontwikkeld dat voor inbouw in het ruimtepaard geschikt was. Andere technici hielpen met de versterking van de krachtbron. Er werd zoveel veranderd en toegevoegd, dat de jongens zich gingen afvragen hoe het paard zonder al deze veranderingen ooit had kunnen vliegen.

Kerowski werd door de kunst-onderwijzer geholpen, die hem betere gereedschappen leende en hem allerlei tips gaf over kleurenmenging.

Het leek er op of iedereen op de Belt helpen wilde bij de vervolmaking van het ruimtepaard en Kemlo en de groepsleiders voelden vaak hoe weinig ze zelf overal van wisten.

Maar ten slotte stond het paard, versterkt, verjongd en glanzend, weer overeind.

***

Kemlo zou de volgende morgen de tweede testvlucht maken. Hij was zich aan het kleden toen de deur dicht viel en van buiten op slot gedaan werd. Hij lette er niet eens op, want zijn vrienden deden zoiets wel meer bij wijze van grap, maar toen hij de deur open wilde maken en buiten geen gegiechel of gelach hoorde, begon hij zich af te vragen wat er aan de hand was.

Hij wist het al gauw toen iemand op de deur bonsde en Krillie hem riep: „Kemlo! Kemlo, ben je klaar? Kemlo, waar ben je?”

„Ik zit opgesloten, lummel,” antwoordde Kemlo. „Maak open!”

Even later was de deur open en Krillie stormde met grote angstogen naar binnen.

„Ik heb gezegd, dat jij het niet geweest bent,” zei hij schor.

„Wat ben ik niet geweest?”

„Vanmorgen vroeg - de sluis van de scooter-sectie was open!”

„Dat weet ik,” zei Kemlo. „Dat was omdat sommigen lesvluchten moesten maken.”

„En toen is hij weggegaan,” zei Krillie wanhopig. „Zowat een half uur geleden!”

„Krillie, wil je eens verstandige taal spreken!” verzocht Kemlo. „Ik weet dat de deuren open waren en ik weet dat de scooters gingen oefenen. Ik kwam hier terug om een ander uniform aan te trekken. Iemand sloot me op en jij kwam me er uit halen. Nou, wat is er nu voor bijzonders aan de hand?”

„Het paard,” zei Krillie halfhuilend. „Jouw paard, Kemlo. Die Aardse pummel Dane heeft het paard genomen en is verdwenen!”

Even stond Kemlo naar zijn vriend te staren. Toen greep hij Krillie bij zijn arm. „Kom op dan! Sta niet te suffen! We gaan hem achterna!” Hij rende naar de scootersectie met Krillie op zijn hielen.