Hoofdstuk VIII
Proefvlucht en fout

Door het bezoek en de goedkeuring van de oudste bekeken Kemlo en de anderen het ruimtepaard nu met meer bewondering dan eerst.

„Nou!” pufte Fussell vrolijk, „we weten nu in ieder geval waar we aan toe zijn. Of niet soms?”

„Hij was werkelijk enthousiast,” zei Kemlo, „en iemand als hij is toch een van de belangrijkste mensen hier op de Belt. Als hij officieel helpen wil kan dat heel wat voor je betekenen.”

„Ze zullen u een onderscheiding moeten geven, meneer Fussell,” zei Kullen.

„Of een van die zilveren beeldjes voor het beste technische ontwerp van het jaar,” stelde Kartin voor.

„En laat mij dan maar een mooie redevoering houden,” zei Kerowski verlekkerd. „Ik zal uitleggen hoe de mens de natuur weer eens heeft overwonnen. En hoeveel moeilijkheden we moesten overwinnen om het idee van de grote Fussell tot werkelijkheid te brengen.”

Kartin sloeg hem vriendschappelijk om zijn oren. Maar Kerowski stond juist op een been en verloor zijn evenwicht, waardoor hij op de grond tuimelde.

„Er zullen geen onderscheidingen zijn, geen beeldjes en geen redevoeringen,” verklaarde Fussell nuchter, weer even zelfverzekerd als steeds. „Blijf hier, Kerowski, en maak je werk af. Kartin en Kullen hebben nog genoeg aan de machinerie te doen. De liftbuizen moeten twaalf graden meer naar beneden gericht worden. Kemlo, jij moet samen met mij alle verbindingen van binnen in het beest leggen.”

„Dat zullen we allemaal onder het controlepaneel moeten doen als de instrumenten op de manier, die Kerowski voorstelde, geplaatst worden,” zei Kemlo.

Fussell dacht even na en kneep zijn lippen samen. Na enkele ogenblikken knikte hij. „Dat is zo, Kemlo.” Hij keek rond en riep Kerowski, die gewillig naderbij kwam.

„Als we een mooi zadel hebben, moeten we dus het hele paardelichaam vrij van mechanische uitsteeksels houden,” zei Fussell. „Laat me dus eens zien hoe jij dat wilde doen.”

Kerowski stapte naar het paard en legde Fussell uit waar het zadel precies komen zou.

Fussell knikte. „Je hebt gelijk, want zo zouden we er heel wat minder van zien. Maar dan moeten we toch voor een paar dingen een andere plaats binnen in de romp zoeken. En we moeten erg oppassen dat de gyroscopen niet gestoord worden door de krachtbron en door elektrische impulsen. Die evenwichtsvinnen vormen ook nog een probleem. Ik zou het niet erg mooi vinden als die bij de borst van het paard zaten.”

„Laten we dan bij elke hoef een kleine bevestigen,” stelde Kemlo voor. „Dan voeren we alle verbindingen en leidingen verend uit.”

„Mmm,” knikte Fussell. „Het is in orde, Kerowski, maak jij je zadel maar zoals je wilt. We zullen alles wel zo veranderen als je gedacht had.”

Kerowski ging weer aan zijn werk en Kemlo zocht de gereedschappen op, die nodig waren voor de verplaatsing van verschillende onderdelen van het ingewikkeld mechanisme in het paard. Toen hij terugkwam vond hij Fussell maar voor de helft terug; de andere helft zat ergens binnen in het paard.

Het hoofd en het lichaam van het paard waren door Kerowski al voltooid maar de benen en de onderkant van de romp waren nog niet bekleed om het mogelijk te maken het mechanisme verder aan te brengen. Er waren al drie benen klaar maar er moest nog een manier gevonden worden om ze op natuurlijke wijze te laten bewegen. Er waren al verschillende mogelijkheden geprobeerd, maar nog steeds klopte niet alles. Telkens werd er weer een moeilijkheid opgelost en zo kwam het paard steeds dichter bij zijn voltooiing.

Over het algemeen was er een eind aan het zoeken en proberen en ze wisten nu hoe alles werken moest, welke snelheid het paard bereiken zou en op welke manier het onder controle gehouden moest worden. De uren en dagen, die volgden na het bezoek van de oudste, gingen zo snel voorbij, dat Fussell en de jongens vaak vergaten te gaan eten. Ze moesten dan geroepen worden en het werd voor iedereen op de Belt duidelijk, dat er iets bijzonders aan de hand was. Het werd erg moeilijk om de aard van het verborgen werk stil te houden. Een of twee maal moesten zij hun werk onderbreken.

De eerste keer moesten ze met de A groep een bezoek aan de S Belt brengen, waar ze een wedstrijd moesten voetballen voor het interbelt-kampioenschap. De A groep van Belt K won de wedstrijd en ze wilde na een maaltijd naar de eigen Belt teruggaan. Bij die gelegenheid hoorde Kemlo van de kapitein van de S Belt ruimteverkenners, dat er heel wat geruchten in omloop waren over het werk van Fussell en Kemlo met zijn vrienden.

„Mij kan je het toch wel vertellen, nietwaar?” vroeg de S Belt kapitein na de maaltijd aan Kemlo.

„Wat moet ik je vertellen, Simbo?” vroeg Kemlo verbaasd.

„Hoor eens, Kemlo - we zijn al lange tijd goede vrienden. We zijn allebei kapitein van de ruimteverkenners. Je kan me dus vertrouwen en me vertellen wat jullie geheim nu eigenlijk is.”

„Natuurlijk kan ik dat,” antwoordde Kemlo vlug.

„Maar het is niet alleen mijn geheim, maar ook van de anderen.”

„Dus er is werkelijk een geheim op jullie Belt,” zei Simbo triomfantelijk. „Ik wist dat jullie ergens aan werken. Het is begrijpelijk dat jullie niet zomaar zonder bijzondere reden al je vrije tijd met een der leraren wilt doorbrengen.”

„Het is een soort cursus,” zei Kemlo.

„Mij maak je niets wijs,” lachte Simbo. „Er zijn in de vakantietijd geen cursussen. Dat vinden de oudsten niet eens goed. Jullie zijn ergens aan bezig maar als je het me niet vertellen wilt -” Hij haalde zijn schouders op. „Och, ik dacht ook wel, dat je niets zeggen zou.”

„Ik wou dat ik het kon vertellen, Simbo,” zei Kemlo eerlijk. „Bedankt voor het prettige spel. Neem ons niet kwalijk, dat we gewonnen hebben.”

„Het is jammer,” zuchtte Simbo. „Ik denk weleens dat onze jongens niet hard genoeg werken en oefenen. Maar ja, de beste ploeg wint altijd.” Simbo aarzelde en keek naar een groepje, dat dichterbij kwam. Ook een jongen in een ruimtepak naderde.

„Dat is toch die Aardjongen?” vroeg Simbo, op Dane wijzend. „Hoe heet hij ook weer?”

„Dane.”

„Hm! Een vreemde knaap, niet? Hij had overal wat op aan te merken, maar dat was gauw afgelopen toen een van ons hem liet struikelen. Hij dacht, dat er op Aarde beter voetbal gespeeld werd.”

„Toch is hij niet kwaad,” zei Kemlo, „maar hij is naar de ruimte gekomen met allerlei verkeerde voorstellingen.”

„Bedoel je, dat hij hier kwam om eens flink op te scheppen?”

„Zoiets!” gaf Kemlo toe. „Krillie en ik namen hem mee in onze scooter omdat we dachten hem er een plezier mee te doen.”

„Beviel het hem dan niet?”

Kemlo lachte. „Niet erg. Het werd wel een verrassing voor hem. Gek eigenlijk, Simbo...” Kemlo aarzelde, maakte zijn zin niet af.

„Wat wil je zeggen?”

„Ik wilde zeggen hoe gek het is dat er nog goede dingen kunnen voorkomen doordat zo’n hatelijke lummel bepaalde dingen zegt...”

„Waar heb je het toch over?”

„Over ons geheim natuurlijk,” grinnikte Kemlo. „Als Dane niet zo vervelend geweest was, dan hadden wij het idee niet gekregen. Ik weet dat ik voor jou in raadsels spreek, maar over een tijdje zal je begrijpen wat ik bedoel.” Hij reikte Simbo zijn hand. „We zien jullie volgende maand op onze Belt voor de revanche?”

„Reken daarop!” beloofde Simbo.

Ze verlieten de speelzaal en gingen met het enkel spoor naar het punt waar de scooters vertrekken zouden. Na enige tijd waren alle verkenners in hun toestellen en Kemlo gaf het signaal voor vertrek. Dane zat bij Kemlo in de scooter, maar hij was erg stil.

„Heb je je vermaakt, Dane?” vroeg Kemlo, die nog op toestemming van de controlekamer wachtte.

„Dat ging wel,” zei Dane. „Als je eenmaal een Belt gezien hebt, ken je ze gelijk allemaal.”

„Ze lijken wel op elkaar,” gaf Kemlo toe. „Maar de bewoners zijn toch allemaal verschillend.”

„Jullie hebben vanmiddag goed gespeeld,” gromde Dane onverwacht.

„We hadden geluk. En daarom wonnen we.”

„Nee, dat was geen geluk,” zei Dane op vriendelijker toon. „Jullie voorhoede was werkelijk uitstekend.” Gelijk leunde hij weer knorrig achterover alsof hij zich er over ergerde, dat hij iets vriendelijker dan gewoonlijk geweest was.

Kemlo keek even naar hem, glimlachte, maar zei niets. Op dat moment zond de controlekamer een sterke richtlijn over naar Belt K. Kemlo stelde zijn instrumenten hier op af en wachtte tot de andere scooters hetzelfde gedaan hadden. Toen liet hij zijn scooter de grote leegte in schieten voor de terugreis.

De scooters vlogen op behoorlijke afstand om elkaar bij eventuele storingen niet te hinderen. Ten slotte bestond altijd de mogelijkheid, dat de schermstralen, die elke scooter omgaven, ergens een open plek hadden doordat er een mankement kon optreden in de ingewikkelde machines, die deze stralen opwekken.

Na een uur bereikten ze hun eigen Belt en weldra waren Kemlo en zijn vrienden weer in de werkplaats. Hier wachtte hun een grote verrassing.

„Het schijnt voor iedereen een succesvolle dag geweest te zijn,” glunderde Fussell, die vergenoegd zijn handen tegen elkaar wreef. „We zijn klaar voor de proeven en jullie hebben je wedstrijd gewonnen, niet?”

„Klaar voor de proeven?” herhaalden ze verrast.

„De zaak zit in elkaar. Dus -?” vroeg Fussell.

„Ja, maar -”

„Niks te maren. Ons werk is klaar en het is tijd voor een proef. Maar we kunnen nog niet naar buiten. We moeten eerst eens kijken of alle onderdelen bewegen en werken zoals het moet.” Hij wees naar de verhoging waar het paard stond. Het glansde en zag er schitterend uit door zijn krachtige vloeiende lijnen.

De huid, die de hele zaak omhulde, had nog wat meer kleur nodig omdat hij nog tamelijk doorzichtig was. Maar dat was niet belangrijk meer en alle werkelijke problemen schenen opgelost te zijn.

„Maar we kunnen hier binnen toch niet de uranium voortstuwing gebruiken?” protesteerde Kemlo.

„Doe niet zo dom, zei Fussell. „Ben je dan vergeten hoe uranium-voortstuwers getest kunnen worden?”

„Ik dacht er even niet aan,” bekende Kemlo. Hij wees naar een klein kastje dat Fussell bij het zadel had geplaatst. „Wil je het met kortegolf-stralen testen?”

„Natuurlijk, vanzelf!” bevestigde Fussell. „Ik heb hier een sterke plastic riem, die we onder het paard doorhalen. We hijsen de hele zaak op tot de benen vrij van de grond komen en dan kunnen we zien of alles in orde is.”

Denk je werkelijk, dat dat plastic sterk genoeg is om alles op te takelen?” vroeg Kemlo aarzelend.

„Natuurlijk. Er is niets wat sterker is.”

„ Ik veronderstel dat u gelijk hebt, meneer,” zei Kartin, „maar ik ben er bang voor. We weten niet precies hoe zwaar het paard geworden is.”

„We weten het toch wel ongeveer,” weerlegde Fussell. „Maar waarom staan jullie zo te aarzelen? Help liever een handje.”

Ze lachten even en hielpen toen met het op de juiste plaats brengen van de sterke riem. Daarna klom Kerowski, die het langst was, op het paard en haakte de riem aan de takel. Gespannen keken allen toe toen Kerowski een schakelaar omzette waardoor de katrollen zouden gaan draaien en het paard omhoog zou gaan. Gewoonlijk werd dit hijstoestel gebruikt voor het optillen van kleine voorwerpen.

Tot hun opluchting ging het paard gemakkelijk omhoog. Op ongeveer twintig centimeter boven de vloer bleef het hangen. Het was een prachtig gezicht en het was de verdienste van Kerowski, dat het leek alsof de spieren onder de huid zich bolden en spanden.

Ze gingen naar Fussell, die hevig manipuleerde met een kortegolf-instrument.

„Klaar?” vroeg hij.

„Klaar!” antwoordden zij en allen keken naar het paard toen Fussell de handels overhaalde.

Een bewonderend gemompel klonk op toen de benen van het paard ritmisch gingen bewegen, terwijl het trotse hoofd fier op en neer ging. De bewegingen werden sneller terwijl Fussell aan zijn wijzerplaten en knoppen prutste. De benen van het paard schenen een gracieuze draf uit te voeren. Even kwam er nog een extra verrassing toen Fussell een knop indrukte, waardoor de ogen van het dier gingen gloeien.

„Ik dacht wel, dat jullie dat leuk zouden vinden,” grinnikte hij. „Dat is aardig verzonnen, niet?”

Ze knikten verheugd, maar dit plezier werd wreed verstoord door een andere verrassing - toen de plastic riem losschoot. Het paard kwam op zijn hoeven terecht, roffelde even, galoppeerde van het platform af.

Koortsachtig draaide Fussell aan zijn knoppen en het paard keerde om. Maar Fussell vergat de snelheid te minderen en gelijk stortte het paard zich op de toeschouwers. Ze vlogen in alle richtingen door het lokaal en over de grond.

Ze krabbelden overeind en Kerowski deed een vertwijfelde sprong naar de nek van het razende dier. Kemlo deed precies hetzelfde. Midden in hun sprong botsten ze. Het paard sprong daarna boven op de jongens. Gelukkig kreeg Fussell op dat moment de goede knop te pakken.

„Het was een overweldigende proef, meneer,” zei Kerowski zwak, „maar ik geloof haast zeker, dat u een fout gemaakt hebt.”