Het geheimzinnige vliegtuig
Het groepje ruiters van Crowhead zat zeer verslagen te kijken. Als het werkelijk een bosbrand was, dan kon het vuur zich wel eens uitbreiden tot de gebouwen van de ranch.
’Ik rij terug om alarm te slaan,’ bood Joe aan. ’Dan kunnen ze een vliegtuig hierheen sturen om ons te helpen bij het blussen van de brand.’
Hij keerde zijn paard.
’Wacht eens!’ riep Terry plotseling uit. Toen voegde hij eraan toe: ’Wat denk jij ervan, Pye? Is dat een bosbrand of een kampvuur?’
De Indiaan staarde zwijgend naar de opstijgende rook. Hij keek of hij kon zien of het vuur zich verspreidde, maar hij zag geen tekenen die hierop wezen.
’Geen bosbrand,’ verkondigde hij kalm. ’Man maken vuur. Koken eten.’ Alle blikken richtten zich op de rook, die wat minder scheen te worden, als bewijs dat Pye gelijk had. Maar dat kampvuur moest dan toch door mensen zijn aangestoken.
’Zouden de cowboys van Crowhead daar misschien een kamp hebben opgeslagen?’ vroeg Frank aan Pye.
’Geen koeien, geen mannen,’ antwoordde de Indiaan. ’Pye toch gezegd slechte stuk land daar.’
’Ben je dan wel eens in dat bos daar geweest?’ vroeg Frank verbaasd.
’Pye niet daarheen gegaan zijn,’ antwoordde de man. 'Voorvader zeggen wegblijven daar, dus mij wegblijven.’
’Maar waarom zou het daar niet pluis zijn?’ hield Frank aan.
De Indiaan haalde zijn schouders op.
’Pye niet weten. Maar Pye niet bang. Wij gaan kijken.’
’Zo mag ik het horen,’ prees Frank hem. 'Kom mee.’
De zon stond al laag aan de hemel, toen ze in de buurt van het sombere bos kwamen.
’We moesten eerst maar eens een plek zoeken om te overnachten,’ stelde Frank voor.
’Zijn verstandig,’ prees Pye op zijn beurt. ’Nu gauw donker worden.’
Na even gezocht te hebben in de omgeving, vonden Joe en Terry een ondiep ravijn, die een beschutting vormde tegen de wind en een ideale plek om de nacht door te brengen. Nadat ze hun paarden hadden vastgemaakt, legden de ruiters een vuur aan in het ravijn, zodat de vlammen door eventuele andere kampeerders niet gezien konden worden. Terry zei dat hij en Pye om de beurt ’s nachts de wacht zouden houden.
Frank pakte de etenswaren uit. Hij stak een mals stuk vlees aan een spit en draaide het boven het vuur om en om, tot het sap een vrolijk melodietje siste.
’Tjonge nog aan toe!’ riep Chet uit, terwijl hij de heerlijke lucht van het vlees opsnoof. ’De avondlucht maakt me nog hongeriger dan anders!’
Nadat ze gegeten hadden, maakten de jongens hun slaapplaatsen gereed. Frank en Joe groeven snel een kleine uitholling in de grond, waar hun lichamen precies in pasten, legden de dekens half onder zich, kropen erin en trokken de rest van de dekens over zich heen. Chet stond nog steeds te graven. Ten slotte ging hij ook liggen, evenals Terry.
Pye hield de wacht tot drie uur, waarna Terry het van hem overnam.
De zon kwam net boven de horizon, toen Frank de volgende ochtend wakker werd. Hij schudde Joe bij zijn schouder en gooide een kiezelsteentje naar Chet. Het kwam precies op de sproetenneus van de jongen terecht, die met een schok overeind kwam.
’O, lieve help!’ riep hij uit. Toen voegde hij er grinnikend aan toe: ’Wat een opluchting! Ik droomde dat er een slang over me heen kroop.’
'Slechte droom,’ zei Pye hoofdschuddend. De Indiaan en Terry waren druk bezig met het klaarmaken van het ontbijt. 'Slechte voorteken, dromen van slang,’ voorspelde hij.
’Laten we maar hopen dat we dan vandaag geen pech hebben,’ merkte Frank op. ’Tjonge, dat spek ruikt goed.’
Tegen de tijd dat ze klaar waren met eten, hing de zon als een enorme ballon aan de hemel.
’Laten we maar weer eens op pad gaan,’ drong Frank aan.
’Gaan langzaam. Uitkijken voor slechte man en slang,’ adviseerde Pye.
’S-slangen?’ stotterde Chet.
'Misschien grote voorvader wel vergiftige slang bedoeld hebben,’ zei Pye schouderophalend, terwijl het groepje voorzichtig het bos in reed. Plotseling liet de Indiaan de anderen stilhouden. Hij zei dat ze ver genoeg gereden hadden en dat ze nu maar beter te voet verder konden gaan.
’Aanbinden dierensporen,’ beval hij.
De jongens bonden de nagemaakte dierenpoten aan. Joe werd een vos, Frank een beer en Chet een poema. Pye en Terry werden een hert en een wolf. Toen liepen ze voorzichtig verder en zochten naar aanwijzingen, die hen op het spoor zouden kunnen brengen van Pijlen-Charlie of tenminste van de mannen, die verantwoordelijk waren voor de vreemde gebeurtenissen van de laatste tijd.
Maar hun zoeken bleef zonder resultaat en ze vorderden slechts moeizaam. Als er al mannen een kamp hadden opgeslagen, dan hadden ze hun sporen goed uitgewist en als er al ruiters naar het bos kwamen, dan gebruikten ze beslist een geheel andere weg.
Ten slotte gingen de jongens en de beide mannen van Crowhead terug naar hun paarden. Net toen ze op het punt stonden op te stijgen, drong het geluid van een vliegtuig tot hen door. De jongens tuurden door het dichte gebladerte, maar ze zagen niets.
'Geef me eens vlug je verrekijker, Chet,’ zei Joe.
Hij deed de draagriem van de verrekijker om zijn nek en liep naar een hoge boom. Hij trok zich op aan de eerste tak en klom toen vlug naar de top. Hij bracht de kijker naar zijn ogen en bestudeerde de omgeving. Even later zag hij een klein vliegtuig. Het zag er precies zo uit als het toestel dat de jongens al eerder hadden gezien. Er hing een lang touw uit. Het raakte bijna de toppen van de bomen, toen het vliegtuig er overheen vloog. Aan het eind van het touw hing een pakje. Terwijl Joe zijn blik strak op het pakje gericht hield, verdween het toestel uit het gezicht achter een bos op een heuvel. Joe klom naar beneden en bracht verslag uit van wat hij gezien had.
’Denk je dat het vliegtuig het pakje liet vallen?’ vroeg Frank opgewonden.
’Kan wel, maar misschien had de piloot het ook wel juist opgepikt,’ antwoordde Joe.
’Dat bewijst dat de rook inderdaad afkomstig was van een kampvuur,’ zei Terry. ’En het kan niet ver hier vandaan zijn.’
’Laten we dan direct op weg gaan!’ zei Joe, die zo snel mogelijk wilde vertrekken.
’Niet zo snel,’ adviseerde Pye. ’Vijand van Crowhead misschien heel slim.’
’Pye heeft gelijk,’ stemde Frank in. ’We kunnen beter te voet gaan.’
’En bovendien ieder apart,’ zei Terry. ’Het zou jammer zijn als we allemaal tegelijk overrompeld werden.’
De raad van de zingende cowboy opvolgend, bonden ze allemaal hun paarden vast en gingen in verschillende richting onderweg, maar ze liepen wel in de richting waar Joe het vliegtuig gezien had. Ze spraken af dat ze na twee uur weer bij hun paarden zouden zijn. Frank ging het eerst. Hij sloop omzichtig tussen de bomen door. Nadat hij een paar honderd meter gelopen had, bleef hij even staan om te luisteren. Hij hoorde van links een vaag geluid. Waarschijnlijk Chet, dacht Frank, maar voor alle zekerheid verborg hij zich achter een dikke boom en wachtte.
Wat hij toen zag, deed hem het hart in de keel kloppen. Een Indiaan met een grimmig gezicht kwam achter een boom vandaan met een boog in zijn linkerhand. Vijf pijlen met witte veren staken uit de pijlkoker, die hij op zijn rug droeg. Het waren net zulke pijlen als waarmee meneer Hardy neergeschoten was!
In paniek vroeg Frank zich af waar de rest van het groepje was en hij hoopte dat ze de Indiaan zouden zien voor hij gebruik zou maken van zijn boog.