Proloog
‘Kedah, waar zit je? Nu is het genoeg!’ Getergd riep de koninklijke kinderjuffrouw haar pupil voor de zoveelste keer. Kedah was echter niet van plan zich te laten vinden – hij had het veel te goed naar zijn zin!
Vanachter het grote standbeeld, waar de kinderjuffrouw een paar tellen geleden nog had gekeken, zag Kedah haar voeten voorbijkomen. Hij kon rennen als de gesmeerde bliksem. Toen ze op weg ging naar de statige trap, onderdrukte hij zijn lachen.
‘Kedah!’ De kinderjuffrouw klonk bepaald kwaad. Begrijpelijk, want aan haar pupil had ze haar handen vol. Desondanks werd het joch aanbeden door het volk van Zazinia, dat buiten het paleis wel rijendik zou staan in de hoop een glimpje van hem op te vangen.
Gewoonlijk stond er slechts een bescheiden menigte wanneer het koninklijke vliegtuig landde, maar dankzij de ondeugende jonge prins was de belangstelling groot.
Kedahs chocoladebruine ogen waren doorspikkeld met goud. Zijn innemende lach had de aandacht getrokken vanaf het eerste moment dat die door een fotograaf was vastgelegd.
In de ogen van het volk kon de jongen niets fout doen. Het was zelfs zo dat Kedahs onstuimige jongensmanieren hem nog beminder maakten. Hij was net zo knap als hij onstuimig was, zeiden ze vaak.
Voor het volk van Zazinia was een saaie parade een stuk vermakelijker door de kleine Kedah die probeerde de strenge bevelen van zijn vader gehoorzaam op te volgen.
Een paar weken geleden had er nog een defilé plaatsgevonden. Kedah had zowat een uur lang stil moeten staan. Al snel had hij zich verveeld.
‘Zorg ervoor dat hij zich gedraagt,’ had Omar, de kroonprins, tegen zijn echtgenote Rina gezegd, want hij had gemerkt dat zijn vader, de koning, zich begon te ergeren. Maar het viel niet mee om de kleinzoon van de koning rustig te houden. Toen zijn moeder hem had gezegd stil te blijven staan, had hij met een brede lach zijn armpjes uitgestoken om zich te laten optillen. Rina had geprobeerd daar niet op te reageren, maar ja, wie kon daar nou weerstand aan bieden? Dus had ze uiteindelijk toegegeven.
Kedah had aan een stuk zitten babbelen, daar op zijn moeders arm, ook al had ze hem herhaaldelijk op vriendelijke toon tot zwijgen gemaand.
De stilzwijgende afkeuring van de koning was tastbaar geweest. De jonge echtgenote van zijn zoon kon zijn goedkeuring niet wegdragen. Bovendien was hij van mening dat je kinderen niet moest zien en niet moest horen.
Omar was gespannen geweest. Rina had haar best gedaan iedereen tevreden te stellen. Helaas had Kedah, niet vatbaar voor de spanning, zijn aandacht op de menigte gericht.
De mensen hadden allemaal naar hem staan kijken, dus had hij gelachen en gezwaaid. Dat was zo’n breuk met de anders zo plechtige en afstandelijke koninklijke manier van doen, dat de onderdanen waren gesmolten. Ze adoreerden de jonge prins. Kedah was grappig – en vreselijk ondeugend.
Hij barstte van de energie zodat hij evenveel werk gaf als vijf andere kinderen. De koninklijke kinderjuffrouw had het maar druk met hem.
‘Kedah!’ riep ze voor de zoveelste keer in het luchtledige. ‘Kom, je moet in bad en je aankleden om netjes te zijn als je vader en de koning komen.’
De prins dook echter weg achter het standbeeld en maakte zich klein. Hij had er geen zin in zijn vader en grootvader te ontmoeten. Tijdens hun afwezigheid van enkele dagen was de sfeer in het paleis veel gemoedelijker gebleken. Zijn moeder leek vaker te lachen, en ook de dienaren leken veel vrolijker als de koning niet in de buurt was.
Bovendien had Kedah weinig zin om zijn speelkleren uit te trekken. Dus toen de kinderjuffrouw de trap afsnelde om hem beneden te zoeken, rende Kedah achter het beeld vandaan, nadenkend over zijn volgende zet.
Meestal verstopte hij zich in de bibliotheek, maar deze dag rende hij naar een plek waar hij niet mocht komen. Jaddi, zijn grootvader, beschikte over zijn eigen vleugel in het paleis. Vandaag bleken er geen bewakers aanwezig te zijn – wat inhield dat het de jongen vrij stond daar eens leuk rond te neuzen. Maar onderweg bleef hij abrupt staan. Zijn grootvader mocht dan afwezig zijn, Jaddi was wel zo intimiderend dat Kedah zijn weg toch maar liever niet vervolgde. In plaats daarvan rende hij naar de vleugel van de kroonprins, het verblijf van zijn ouders. Daar zag hij evenmin bewakers.
Kedah kwam daar zelden. Normaliter kwamen zijn ouders op bezoek bij hem in de kinderkamer of de speelkamer. In de wetenschap dat hij ervanlangs zou krijgen als hij het middagdutje van zijn moeder verstoorde, overwoog hij even naar het balkon te gaan. In plaats daarvan toog hij naar de werkvertrekken. Zijn sandalen had hij al veel eerder uitgeschopt, dus maakte hij nauwelijks geluid op zijn blote voeten.
Hoewel hij haast had omdat hij op zoek was naar een goede schuilplaats, bleef hij even staan om naar de portretten te kijken, zoals altijd wanneer hij hier was. Hij vond ze fascinerend, al die voormalige kroonprinsen. Het waren imposante mannen in oorlogskledij, elk met zijn hand op het gevest van zijn zwaard. Ze staarden allemaal op hem neer met koele grijze ogen en grimmige gezichten.
Hij keek naar de jongere versie van zijn grootvader, de koning, en vervolgens naar zijn vader. Wat zagen ze er streng uit. Op een dag, had zijn moeder hem verteld, zou zijn portret daar ook hangen, want hij was geboren om koning te worden. ‘En, Kedah, je zult een heel goede koning zijn. Een die naar zijn volk zal luisteren.’ Hij had de broze ondertoon in zijn moeders stem gehoord toen ze naar de portretten had gekeken.
‘Waarom lachen ze eigenlijk niet?’ had Kedah gevraagd.
‘Omdat het een serieuze aangelegenheid is, kroonprins te zijn,’ had zijn moeder geantwoord.
‘Maar dan wil ik het niet,’ had Kedah lachend gezegd.
Nadat hij de portretten genoeg had bekeken, rende hij verder, naar een werkkamer met een aantal bureaus. Hij verstopte zich onder een daarvan. Daar zou hij absoluut niet gevonden worden.
Hoewel… Opeens hoorde hij geluiden vanachter een grote houten deur. Hij herkende de stem van zijn moeder die iets riep.
Achter die deur bevond zich het privékantoor van zijn vader. Wat deed zijn moeder daar?
Nu hoorde hij een zacht gejammer. Het klonk alsof zijn moeder zich pijn had gedaan. Zijn uitdrukking, die net nog zo blij was, veranderde in bezorgdheid toen hij onderdrukte snikken en kreunen hoorde.
Zijn vader had hem gezegd goed op zijn moeder te passen tijdens zijn afwezigheid. Zo jong als Kedah was, wist hij dat men zich zorgen maakte over haar omdat ze soms nogal onvoorspelbaar kon zijn.
Daarom kwam hij onder het bureau vandaan, zich afvragend wat hij moest doen. De deurknop zat te hoog voor hem. Een ogenblik overwoog hij naar de kinderjuffrouw te rennen om haar te waarschuwen dat er iets met zijn moeder was, maar toen bedacht hij zich. Het kwam vaker voor dat zijn moeder moest huilen, maar noch de bedienden noch de rest van de koninklijke familie schenen zich daar iets van aan te trekken.
Daarom haalde hij er niemand bij maar sleepte een stoel door het vertrek. De stoel was gemaakt van hetzelfde hout als de zware deur, en het leek eeuwen te duren tot hij het meubelstuk ver genoeg had getrokken om erop te kunnen klimmen. Nu kon hij proberen de deur open te krijgen.
‘Ummu?’ riep Kedah naar zijn moeder toen hij op de stoel staand de massieve knop omdraaide. ‘Ummu?’ zei hij weer toen de deur openzwaaide.
Toen fronste hij zijn wenkbrauwen omdat hij de situatie niet begreep. Zijn moeder zat op het bureau, omhelsd door Abdal.
‘Intadihr!’ Zijn moeder riep hem toe te blijven waar hij was. Zij en Abdal schoven opzij zodat hij hen niet meer kon zien.
Kedah gehoorzaamde. Even later liep de man langs hem het koninklijke privévertrek uit. Kedah mocht hem niet. Abdal deed altijd heel boos wanneer Kedah naar zijn moeder wilde.
Kedah staarde Abdal na die haastig de gang door liep. Daarna, nog steeds op zijn stoel staand, keek hij naar zijn moeder.
Rina streek blozend haar jurk glad toen ze naar hem toe kwam.
Ditmaal stak Kedah zijn armen niet uit om te worden opgetild. ‘Waarom was Abdal hier?’ vroeg hij. ‘Waar zijn de bewakers?’ Kedah liet zich niets wijsmaken, ook al was hij nog zo jong.
‘Geen zorgen,’ zei Rina terwijl ze hem van de stoel tilde. ‘Mama was van streek en wilde niet dat iemand dat zag. Ik moest huilen.’
‘Waarom?’ vroeg Kedah, zijn moeder nauwlettend bekijkend. Haar gezicht was helemaal rood, en hij had inderdaad haar snikken gehoord. ‘Waarom ben je eigenlijk altijd zo verdrietig?’
‘Omdat ik mijn vaderland soms zo mis, Kedah. Abdal komt daar ook vandaan. Hij is hier om de overgang voor mij makkelijker te maken en te helpen onze twee landen met elkaar te verenigen.’
Kedah bleef zijn moeder aanstaren terwijl ze gehaast verder sprak.
‘Je vader zou het heel vervelend vinden als hij wist dat ik moest huilen toen hij weg was. Hij heeft al heel veel aan zijn hoofd, vooral omdat de koning nooit dingen wil veranderen. Daarom is het beter hem niet te vertellen wat je zonet zag.’
Kedah keek nog dieper in haar ogen, proberend haar gedachten te lezen. Zijn moeder zag er niet verdrietig uit. Wel bang. Hij voelde zijn hart ineenkrimpen uit angst om haar, en dat begreep hij niet. ‘Ik wil niet dat je ongelukkig bent.’
‘Dan zal ik dat ook niet zijn,’ zei Rina. Ze legde een hand tegen Kedahs wang. ‘Ik heb immers heel veel om dankbaar voor te zijn. Ik heb een knappe zoon en een prachtig huis…’
‘Dus hoef je niet meer te huilen,’ zei Kedah. Hij kneep die schitterende, chocoladebruine ogen van hem halfdicht. Standvastig haalde hij zijn moeders hand van zijn wang en keek haar recht in de ogen. Voor iemand die zo jong was, sprak hij heel gebiedend. ‘Nooit meer!’
‘O, Kedah, ben je daar…’
De jongen en zijn moeder schrokken op toen ze de kinderjuffrouw hoorden. Hij begreep niet waarom de blozende kinderjuffrouw zo stamelde terwijl ze zich verontschuldigde omdat ze haar jonge pupil uit het zicht was verloren. ‘Ik heb hem echt overal gezocht…’
‘Het is al goed,’ zei Rina. Ze droeg Kedah over aan de andere vrouw. ‘We zullen het er niet meer over hebben.’
Enige tijd later keerden zijn vader en de koning terug, en het leven ging verder. Kedah bleef onstuimig, maar zijn houding was vanaf die dag wel uitdagender geworden. Hij kneep zijn bruine ogen tot spleetjes als iemand te dichtbij kwam. Hij bewaarde zijn geheim en vertrouwde niemand.
Een paar jaar later werd zijn broer geboren, een modelkind.
De koning had genoeg van de onbesuisde, jonge Kedah en stuurde zijn kleinzoon naar het buitenland, zodat de kleine prins op een kostschool in Londen terechtkwam.
De jongen was zich ervan bewust dat hij een geheim kende dat, als hij dat onthulde, niet alleen desastreus was voor de mensen van wie hij hield maar misschien ook voor zijn koninkrijk.
Terwijl hij opgroeide, besefte hij steeds beter hoe dramatisch de gevolgen voor zijn moeder zouden zijn als haar ontrouw uitkwam. Het zou een immense schande betekenen. De koning zou van haar moeten scheiden en haar zonen bij haar weg moeten halen.
Helaas hadden geheimen hun eigen manieren om zelfs langs de zwaarstbewaakte deuren te glippen. Dienaren roddelden terwijl om hen heen kinderen speelden, koninklijke kinderjuffrouwen trouwden uiteindelijk en praatten misschien in bed over dingen die hen bezighielden.
Geruchten werden ver gedragen op de woestijnwind en kwamen in duizendvoud terug.
In de vakanties keerde Kedah terug naar Zazinia. Hij begon de portretten van zijn voorouders met andere ogen te bekijken. Misschien klopten de geruchten. In elk geval leek hij volstrekt niet op hen of op zijn vader. Zijn twijfels kwamen echter niet voort uit de geruchten over zijn afstamming die in de loop van de tijd steeds rond bleven gonzen – Kedah wist wat hij had gezien.