6

 

Bowman stopte voor de hotelingang. Geen vijf meter verderop zat Lila alleen aan een tafeltje op het terras. Het was moeilijk te zeggen of ze er nijdig dan wel triest uitzag: in ieder geval zag ze er niet vrolijk uit. 'Vriendje heeft haar laten zitten', verkondigde Bowman. 'We zien elkaar weer over een kwartier. Steegje bij de achteringang van het hotel. Vertoon je niet voordat je een blauwe Citroen ziet. Daar zit ik in. Waag je niet op het terras. Blijf in de vestibule, daar ben je veilig. ' Cecile knikte naar Lila. 'Kan ik met haar praten?' 'Wel zeker. Maar binnen. ' 'Maar als iemand ons ziet.. 'Hindert niet. Ga je haar vertellen wat een verschrikking ik ben?' 'Nee. ' Een weifelend lachje. 'Aha! Dan ga je ons voorgenomen huwelijk aankondigen. ' 'Ook dat niet. ' Weer dat lachje. 'Je wilt een besluit nemen. ' Ze legde een hand op zijn arm. 'Ik geloof dat je misschien best een heel aardige man kunt zijn. ' 'Ik betwijfel of die knaap in de Rhône je gevoelens zou delen' Het lachje verdween. Ze stapte uit, Bowman reed weg, ze keek de verdwijnende wagen met een rimpeltje in haar voorhoofd na, en liep toen het terras op. Ze keek Lila aan, knikte in de richting van de vestibule van het hotel: ze gingen samen, pratend naar binnen. 'Weet je dat zeker?' vroeg Cecile. 'Charles heeft Neil Bowman herkend?' Lila knikte. 'Hoe dan? Hoe zo?' 'Ik weet het niet. Hij is heel erg sluw, weet je. ' 'Iets meer dan een beroemde wijnbouwer of folklorekenner, bedoel je?' 'Zo iets ja. ' 'En hij vertrouwt Bowman niet?' 'Dat is heel zacht uitgedrukt. ' 'Dan staan ze quitte. Je weet wat Bowman van de hertog denkt. Ik ben bang dat ik het op hem houd, Lila. Hij heeft vandaag weer een van die ongure kerels onschadelijk gemaakt... ' 'Hij heeft wat?' 'Hem in de Rhône gesmeten. Ik zag het hem doen. Hij zegt... ' 'Dus daarom zag je eruit als een geest toen je daarnet naar me toekwam. ' 'Zo voelde ik me ook zo'n beetje. Hij zegt dat hij twee anderen gedood heeft. Ik geloof hem. En ik heb hem nog twee van die kerels buiten westen zien slaan. Couleur locale is couleur locale, maar dat zou belachelijk zijn, je kunt geen lijk te voorschijn toveren als er geen lijk is. Hij staat aan de kant van de engelen, Lila. Begrijp me goed, niet dat ik geloof dat de engelen er erg blij mee zijn. ' 'Ik ben geen engel en ik ben met niets van dit alles erg blij', zei Lila. 'Ik ben helemaal de kluts kwijt en ik weet niet hoe ik ermee aan moet. Wat moeten we doen?' 'Ik weet het ook niet meer. Maar we zullen wel moeten doen wat ons gezegd is. ' 'Denk ik ook. ' Lila zuchtte en zag er weer net zo triest uit als daarnet. Cecile keek haar aan. 'Waar is Charles?' 'Weg. ' Ze werd nog somberder. 'Hij is gewoon weggereden met dat chauffeusetje- zo noemt hij haar, zijn chauffeuse- en heeft me gezegd hier op hem te blijven wachten. ' 'Lila!' Cecile staarde haar vriendin aan. 'Het is toch niet mogelijk... ' 'Waarom niet? Waarom is het niet mogelijk? Wat mankeert er aan Charles?' 'Niets, natuurlijk. Helemaal niets. ' Cecile stond op. 'Ik heb over twee minuten een afspraak. Onze meneer Bowman houdt er niet van om te wachten. ' 'Als ik eraan denk dat hij met die kleine kat... ' 'Ze leek mij een heel charmant meisje. ' 'Dat vond ik ook', gaf Lila toe. 'Maar dat was een uur geleden. ' De hertog was, in feite, helemaal niet in gezelschap van de kleine kat, en ze was ook nergens te zien. Op het grasveld waar de Roemeense en Hongaarse zigeunerwoonwagens stonden, was geen spoor van Carita of de enorme groene Rolls te bekennen en ze konden toch geen van beide onopvallend worden genoemd. De hertog daarentegen was zeer duidelijk aanwezig: niet ver van de groenwitte woonwagen, met een notitieboekje in de hand, stond hij kennelijk zeer geanimeerd te praten met Simon Searl. Czerda bevond zich, zoals het de leider der zigeuners en een steeds erkende kennis van de hertog betaamt, in de buurt maar nam geen deel aan het gesprek; Searl zag er, te oordelen naar de weinige tekenen van emotie die nu en dan op zijn magere, ascetische gezicht waren af te lezen, in alle opzichten uit alsof hij wilde dat hij er ook geen deel aan had. 'Zeer verplicht, M'sieur le Curé, zeer verplicht. ' De hertog straalde van hertogelijke minzaamheid. 'Ik kan u niet zeggen hoe diep ik onder de indruk was van de dienst die u vanmorgen bij het klooster in de openlucht leidde. Ontroerend, hoogst ontroerend. Bij God, ik vermeerder mijn kennis met de minuut. ' Hij bekeek Searl wat nauwlettender. 'Uw been bezeerd, beste man?' 'Een beetje verrekt, meer niet. ' De enige merkbare kwelling uitte zich in zijn gezicht en stem. 'O, maar juist met die lichte spierverrekkingen moet je oppassen- daar kunnen ernstige complicaties uit voortkomen, weet u. Ja, werkelijk, heel ernstige complicaties. ' Hij nam zijn monocle, die aan een dik zwartzijden lint was bevestigd, uit zijn oogholte om Searl beter te kunnen bekijken. 'Heb ik u niet al eens eerder gezien- ik bedoel niet bij die openluchtdienst. Ja, ja, natuurlijk- vanmorgen op het hotelterras. Vreemd, ik kan me niet herinneren dat u toen hinkte. Maar ja, ik ben bang dat mijn gezichtsvermogen... ' Hij zette zijn monocle weer op de oude plaats. 'Nogmaals bedankt. En voorzichtig met dat been. Neem de uiterste voorzichtigheid in acht, M'sieur le Curé. In uw eigen belang. ' De hertog stopte het notitieboekje in een binnenzak en stevende majestueus weg. Czerda keek Searl aan, zonder enige uitdrukking op die gedeelten van zijn gezicht die niet onder pleisters of verband zaten. Searl zelf likte zijn droge lippen, zei niets, draaide zich om en verdween.

*** 

Zelfs voor een scherp waarnemer die hem kende, moest de man achter het stuur van de glanzende blauwe Citroen in het steegje achter het hotel vrijwel volslagen onherkenbaar zijn als Bowman. Hij was uitgedost met witte sombrero, donkere bril, een opzichtig blauwwit genopt hemd, een loshangend geborduurd zwart vest, leren broek en hoge laarzen. De gelaatskleur was lichter, de snor groter. Naast hem op de bank lag een met een koord dichtgesnoerd tasje. Het passagiersportier ging open en Cecile tuurde naar binnen, onzeker met de ogen knipperend. 'Ik bijt niet', zei Bowman bemoedigend. 'Grote hemel!' Ze ging zitten. 'Wat- wat stelt dit voor?' 'Ik ben een garde, een cowboy op zijn paasbest, een van de velen die hier rondlopen. Heb je al gezegd dat ik gewinkeld had. Nu is het jouw beurt. ' 'Wat zit er in dat tasje?' 'Mijn pongo natuurlijk' Ze bekeek hem met de bespiegelende blik die nu bijna een gewoonte van haar was geworden, terwijl hij haar naar het kledingmagazijn reed dat ze al eerder die ochtend hadden bezocht. Een hele poos later fladderde dezelfde madame om Cecile heen, al maar dwepende, bewonderende opmerkingen makend en zowel met haar handen als met haar stem pratend. Cecile was nu uitgedost in het fiestakostuum van een Arlésienne, met een lange, donkere, geborduurde rok, een witkanten lijfje vol strookjes en plooitjes en een hoofdtooi eveneens van witte kant. Onder deze hoofdtooi een donkerrode pruik. 'Madame ziet er- fantastisch uit!' zei de vrouw in vervoering. 'Even fantastisch als de prijs', zei Bowman gereserveerd. Hij telde weer een paar bankbiljetten uit en leidde Cecile naar de Citroen. Ze ging zitten en schikte goedkeurend de weelderige plooien van haar japon. Heel mooi, moet ik zeggen. Je vindt het leuk om meisjes op te doffen?' 'Alleen als ik over een hoop van misdadigers afkomstig geld beschik. Maar daar gaat het niet om. Er is een zeker donker zigeunermeisje in mijn gezelschap gesignaleerd. Er is geen verzekeringsmaatschappij in Europa die een cent voor dat donkere zigeunermeisje zou geven. ' 'Juist, ik begrijp het. ' Ze glimlachte flauwtjes. 'Al deze bezorgdheid voor je toekomstige vrouw?' 'Natuurlijk. Wat anders?' 'Het feit dat je het je, eerlijk gezegd, niet kan veroorloven op dit moment je assistente kwijt te raken?' 'Nooit bij me opgekomen. ' Hij reed de Citroën tot dicht bij de plek waar de Hongaarse en Roemeense woonwagens op het grasveld geparkeerd stonden. Hij bracht de auto tot stilstand, pakte zijn met een koord dichtgesnoerd tasje van de bank, stapte uit, richtte zich hoog op en draaide zich om. Op datzelfde moment botste hij tegen een forsgebouwde voetganger op die langzaam voorbijdrentelde. De voetganger bleef staan en wierp hem door een aan een zwartzijden lint bevestigde monocle een woedende blik toe: de hertog was niet gewend dat er iemand zo maar tegen hem opbotste. 'Neem me niet kwalijk, m'sieur', zei Bowman. De hertog keek hem vol minachting aan. 'Al goed. ' Bowman glimlachte verontschuldigend, nam Cecile bij de arm, en wandelde weg. Ze zei, heel zacht en beschuldigend, tegen hem: 'Dat deed je met opzet. ' 'En? Als hij ons niet herkent, wie dan wel?' Hij liep een paar stappen door en bleef toen staan. 'Nee maar, wat is dat nou?' Er was opeens enige deining ontstaan toen een zwarte gesloten bestelwagen het grasveld opzwenkte. De bestuurder stapte uit en vroeg kennelijk een inlichting aan de eerste de beste rondhangende zigeuner, die daarop naar de overkant van het veld wees; de chauffeur stapte weer in en reed de bestelwagen tot vlak bij Czerda's woonwagen. Czerda zelf stond bij het trapje met Ferenc te praten; bij geen van beiden was nog veel vooruitgang te bespeuren in het herstel van hun verwondingen. De chauffeur en een helper sprongen uit de wagen, liepen naar de achterkant van hun voertuig, openden de deuren en schoven, moeizaam en niet afkerig van hulp, een draagbaar naar buiten waarop, linkerarm in draagdoek en gezicht zwaar omzwachteld, de uitgestrekte gestalte van Pierre Lacabro lag. De boosaardige glans in het rechteroog- het linkeroog zat volkomen dicht- toonde duidelijk aan dat Lacabro springlevend was. Czerda en Ferenc, verbijstering op hun gezicht, snelden toe om de dragers te helpen. Onvermijdelijk was de hertog een van de eersten die ter plaatse kwam. Hij boog zich even over de gehavende Lacabro heen, richtte zich toen weer op. 'Tsjongejonge!' Hij schudde droevig het hoofd. 'Niemand is tegenwoordig meer veilig op die drukke wegen. ' Hij wendde zich tot Czerda. 'Is dit mijn arme vriend meneer Koscis niet?' 'Nee. ' Czerda zei het met grote terughoudendheid. 'Ah, blij dat te horen. Al blijft het natuurlijk erg voor deze arme kerel. O ja, dat is waar ook, zou u zo vriendelijk willen zijn meneer Koscis te zeggen dat ik graag nog even een babbeltje met hem zou willen maken als hij in de buurt is? Wanneer het hem maar even schikt, natuurlijk. ' 'Ik zal zien of ik hem kan vinden. ' Czerda hielp een handje bij het overbrengen van de draagbaar naar zijn eigen woonwagen, en de hertog wendde zich af, waarbij hij bijna in botsing kwam met het Chinese paar dat die ochtend op het terras van het hotel had gezeten. Hij nam zijn hoed af bij wijze van galante verontschuldiging aan de Indo-europese vrouw. Niets van dit alles was Bowman ontgaan. Hij keek eerst naar Czerda, op wiens gezicht zich een duidelijke mengeling van woede en vrees aftekende, toen naar de hertog, en ten slotte naar het Chinese paar. Hij draaide zich naar Cecile om. 'Alsjeblieft', fluisterde hij. 'Ik wist wel dat hij kon zwemmen. Laten we niet al te veel belangstelling tonen in wat hier gebeurt. ' Hij liep een paar passen met haar op. 'Je weet wat ik je nu zou willen vragen te doen- er is geen gevaar bij, dat beloof ik je. ' Hij keek haar na terwijl ze doelloos langs Czerda's woonwagen drentelde en even bleef staan om vlak bij de groenwitte wagen een schoen vast te maken. Het raam aan de zijkant was met gordijntjes afgesloten maar stond op een kier. Voldaan wandelde hij het grasveld over naar de plek waar een aantal paarden in de nabijheid van enkele andere woonwagens aan een paar bomen vastgebonden waren. Hij keek onopvallend om zich heen om te zien of niemand op hem lette, zag de deur van Czerda's wagen achter de naar binnen gedragen Lacabro dichtgaan, graaide in zijn tasje en haalde er een handvol opgerolde, in bruin papier gewikkelde voorwerpen uit, allemaal voorzien van een enkele centimeters lang stukje salpeterpapier; het waren, heel eenvoudig, ouderwetse voetzoekers... In Czerda's woonwagen stonden inmiddels Czerda zelf, Ferenc, Simon Searl, en El Brocador om Pierre Lacabro's nog altijd uitgestrekte gestalte heen. De uitdrukking op het beetje dat er nog van Lacabro's gezicht te zien was, weerspiegelde een mate van ontstemming die niet helemaal aan zijn lichamelijk lijden was toe te schrijven; hij toonde de gekwetstheid van iemand wiens gewonde lichaam niet met de nodige liefhebbende zorg en bekommerde sympathie werd omringd. 'Gek die je bent, Lacabro!' Czerda's stem was bijna een schreeuw. 'Krankzinnige idioot die je bent! Geen geweld, heb ik je gezegd. Géén geweld. ' 'Misschien had je dat beter aan Bowman kunnen zeggen', opperde El Brocador. 'Bowman wist ervan. Bowman hield hem in het oog. Bowman wachtte hem op. Wie licht Gaiuse Strome in?' 'Wie anders dan onze afgezette priestervriend hier', zei Czerda woedend. 'Ik benijd je niet, Searl. ' Aan Searls gezicht was duidelijk te zien dat hij zichzelf evenmin benijdde. Hij zei somber: 'Dat is misschien niet eens nodig. Als Gaiuse Strome is wie we nu allemaal denken dat ie is, dan weet ie het al. ' 'Weet ie het al?' vroeg Czerda op hoge toon. 'Wat kan ie weten? Hij weet niet dat Lacabro een van mijn mannen is en dus een van de zijne. Hij weet niet dat Lacabro helemaal geen verkeersongeluk gehad heeft. Hij weet niet dat dit het werk van Bowman is. Hij weet niet dat we het voor de zoveelste keer hebben klaargespeeld om het spoor van Bowman kwijt te raken- terwijl Bowman alles van ons doen en laten schijnt af te weten. Als je denkt dat je niks hebt uit te leggen, Searl, dan ben je niet goed wijs. ' Hij wendde zich tot Ferenc. 'Ga de wagens langs. Meteen. We breken binnen een half uur op. Zeg ze dat we vanavond ons kamp opslaan bij Vaccarès. Wat was dat?' Buiten had het duidelijke en scherpe geluid geklonken van een reeks harde knallen. Mannen schreeuwden, paarden hinnikten van angst, er snerpte een politiefluitje, en intussen ging dat doffe staccatogeknal maar door. Czerda rende, door de anderen gevolgd naar de deur van zijn wagen en smeet die open. Ze waren niet de enigen die verontrust en nieuwsgierig probeerden te ontdekken wat er aan de hand was. Zonder overdrijving kon gezegd worden dat binnen dertig seconden de ogen van iedereen die zich op het grasveld bevond, gericht waren op de noordoostelijke hoek, waar een groep zigeuners en gardes, met Bowman als een der actiefsten, zich inspande om een aantal steigerende, ronddraaiende, hinnikende en kennelijk dolzinnig angstige paarden in toom te houden. Slechts één paar ogen hield zich met iets anders bezig, en die waren van Cecile. Ze stond, dicht tegen de zijkant van de groenwitte woonwagen aangedrukt, op haar tenen door een kier tussen de gordijntjes te gluren. Het was, met die gesloten gordijnen, donker in de wagen, maar de duisternis was verre van volledig en zelfs Ceciles zwakke ogen raakten spoedig aan de schemering gewend; en toen het zover was kon ze een onwillekeurige kreet van afgrijzen nauwelijks bedwingen. Een meisje met donker, kortgeknipt haar lag voorover op een bed- kennelijk de enige manier voor haar om te kunnen liggen. Haar blote en zwaar mishandelde rug was niet omzwachteld maar was volgesmeerd met de een of andere zalf. Haar voortdurende krampachtige bewegingen en gekreun nu en dan maakten het duidelijk dat ze niet sliep. Cecile liet het gordijn los en liep weg. Madame Sigair, Sara, en Marie le Hobenaut stonden op het trapje van de wagen naar de andere kant van het grasveld te kijken, en Cecile passeerde hen zo onverschillig als ze maar kon, wat niet meeviel met een paar wankele benen en een misselijk gevoel van binnen. Ze liep het grasveld over en bleef bij Bowman staan, die er net in was geslaagd een van de in paniek geraakte paarden te kalmeren. Hij keek haar aan, maar behoefde dat niet eens zo scherp te doen. 'Je vond het niet prettig wat je zag, wel?' vroeg hij. 'Leer me hoe ik een revolver moet gebruiken en ik doe het. Ook al kan ik slecht zien. Ik ga dan wel een beetje dichterbij staan. ' 'Was het zo erg?' 'Zo erg was het. Ze is nog maar een kind, een klein tenger wezentje, en ze hebben haar rug vrijwel gevild. Het arme kind moet verschrikkelijk veel pijn hebben. ' 'Dus je hebt niet zo erg meer te doen met de man die ik in de Rhône heb gegooid?' 'Ik zou met hem te doen hebben. Als ik hem tegenkwam. Met een revolver in mijn hand. ' 'Geen revolvers. Ik heb er zelf ook geen. Maar ik begrijp wat je bedoelt. ' 'En je schijnt wat ik je nu vertel erg kalm op te nemen. ' 'Ik ben net zo razend als jij, Cecile, alleen ben ik nou al een hele tijd razend en ik kan het niet steeds maar blijven tonen. Wat de afranseling betreft die het meisje heeft gekregen, het moest wel zo iets zijn. Net als Alexandre werd het arme kind wanhopig en probeerde een boodschap door te geven, een of andere inlichting, en dus leerden ze haar wat naar ze geloofden een blijvende les voor haarzelf en de andere vrouwen zou zijn, en dat zal het waarschijnlijk ook wel. ' 'Wat voor boodschap?' 'Als ik dat wist zou ik die vier vrouwen binnen tien minuten uit die wagen en in veiligheid hebben. ' 'Als je het niet wilt vertellen, vertel het dan niet. ' 'Kijk, Cecile... ' 'Het is goed. Het doet er niet toe. ' Ze zweeg even. 'Weet je dat ik er vanmorgen vandoor wou gaan? Toen we van de Rhône terugkwamen?' 'Het zou me niet hebben verbaasd. ' 'Nu niet. Nu niet meer. Je zit nu met me opgescheept. ' 'Ik zou niet graag met iemand anders opgescheept zitten. ' Ze keek hem bijna verrast aan. 'Je zei dat zonder te lachen. ' 'Ik zei het zonder te lachen', zei hij. Ze kwamen bij de Citroën, draaiden zich om en keken naar het grasveld. De zigeuners liepen in grote bedrijvigheid rond. Ferenc, zagen ze, rende van de ene woonwagen naar de andere, praatte dringend met de eigenaars, en zodra hij doorliep begonnen ze voorbereidingen te treffen om hun trekkers aan de wagens vast te haken. 'Gaan ze weg?' Cecile keek Bowman verbaasd aan. 'Waarom breken ze zo plotseling op? Om die paar voetzoekers?' 'Om onze vriend die in de Rhône gevallen is. En om mij. ' 'Jou?' 'Ze weten nu, sinds onze vriend van zijn bad is teruggekomen, dat ik ze op de huid zit. Ze weten niet hoeveel ik weet. Ze weten niet hoe ik er nu uitzie, maar ze weten dat ik er anders zal uitzien dan vanmorgen. Ze weten dat ze me hier in Arles niet te pakken kunnen krijgen omdat ze er geen idee van hebben waar ik ben of waar ze me zouden kunnen vinden. Ze weten dat ze me, om me te pakken te krijgen, zullen moeten isoleren en cm dat te doen zullen ze me uit mijn tent moeten lokken. Vanavond zullen ze hun kamp ergens in open terrein opslaan, ergens diep in de Camargue. En daar zullen ze hopen me te pakken te krijgen. Want ze weten nu dat waar ook hun woonwagens zijn, ik daar ook zal opduiken. ' 'Jij kan mooie toespraken houden, niet?' Er blonk geen plaagzucht in de groene ogen. 'Het is gewoon nuchter redeneren. ' 'En je hebt niet bepaald een geringe dunk van jezelf, is het wel?' 'Nee. ' Hij keek haar peinzend aan. 'Dacht je dat zij dat wel hadden?' 'Het spijt me. ' Ze streelde met een gebaar van berouw even de rug van zijn hand 'Zo praat ik altijd als ik bang ben. ' 'Ik ook. En dat is meestal het geval. We vertrekken zodra je je spullen uit het hotel hebt gehaald en dan gaan we ze vooruit om ze te schaduwen. Want als we achter ze aan rijden, zullen ze bij tussenpozen lieden op de uitkijk zetten om iedere wagen die de karavaan volgt in de gaten te houden. En zoveel wagens zullen er niet naar het zuiden gaan- vanavond is het de grote fiestanacht in Arles en de eerstkomende achtenveertig uur zullen er maar weinig mensen de kant van Saintes Maries opgaan. ' 'Zouden ze ons herkennen? Zoals we nu uitgedost zijn? Ze kunnen toch zeker niet... ' 'Ze kunnen ons niet herkennen. Ze kunnen ons onmogelijk nu al in de gaten hebben. Deze keer niet. Daar ben ik zeker van. Maar dat hoeft ook niet. Ze zullen uitkijken naar een auto met een paartje erin. Ze zullen uitkijken naar een auto met Arlesnummer platen, want het zal een gehuurde wagen moeten zijn. Ze zullen uitkijken naar een verkleed paartje, want in deze dagen is iedereen verkleed en dat betekent in deze streken alleen maar verkleed in zigeuner of andere geijkte fiestakledij. Ze zullen uitkijken naar een paartje met nu inmiddels welbekende kenmerken, zoals dat jij slank bent, hoge jukbeenderen en groene ogen hebt, terwijl ik verre van slank ben en bepaalde littekens op mijn gezicht heb die alleen met schmink kunnen worden verhuld. Hoeveel auto's met hoeveel paartjes die vanmiddag in zuidelijke richting naar Vaccarès rijden, zullen aan al deze bijzonderheden beantwoorden?' 'Eén. ' Ze huiverde. 'Jou ontgaat niet veel, wel?' 'Hun ook niet. Dus we gaan voor ze uit. Als ze ons niet achterop komen, kunnen we altijd omdraaien om uit te zoeken waar ze zijn blijven staan. Auto's die uit het zuiden komen, zullen ze niet verdenken. Dat hoop ik tenminste. Maar houd die donkere bril op je neus: die groene ogen verraden je direct. ' Bowman reed terug naar het hotel en stopte op ongeveer vijftig meter van het terras, de dichtstbijzijnde parkeerplaats die hij kon krijgen. Hij zei tegen Cecile: 'Ga pakken. Vijftien minuten. Over tien minuten ben ik in het hotel bij je. ' 'Jij hebt natuurlijk eerst nog iets dringends te doen?' 'Inderdaad. ' 'Zin om me te vertellen wat het is?' 'Nee. ' 'Dat is gek. Ik dacht dat je me nu wel vertrouwde. ' 'Allicht. Ieder meisje dat met me gaat trouwen... ' 'Dat verdien ik niet. ' 'Dat verdien je zeker niet. Ik vertrouw je, Cecile. Blindelings. ' 'Ja. ' Ze knikte als van voldoening. 'Ik zie dat je dat meent. Wat je niet vertrouwt is mijn vermogen om onder druk niet te praten. ' Bowman keek haar een hele poos aan, en zei toen: 'Heb ik, in de loop van de afgelopen nacht, de mogelijkheid geopperd dat je niet- eh- zo scherpzinnig was als je wel zou moeten zijn?' 'Je hebt me een paar keer een malle dwaas genoemd, als je dat bedoelt. ' 'Kun je opbrengen het me te vergeven?' 'Ik zal het proberen. ' Ze glimlachte, stapte uit de auto en liep weg. Bowman wachtte tot ze het terras was opgegaan, stapte toen zelf ook uit, liep terug naar het postkantoor, nam een telegram in ontvangst dat bij het loket 'posterestante' voor hem klaarlag, liep ermee terug naar de wagen en scheurde het open. De inhoud, niet in code, luidde: BEDOELING ONDUIDELIJK STOP AANHALEN HET IS VAN ESSENTIEEL BELANG DAT INHOUD UITERLIJK MAANDAG 28 MEI INTACT EN HERHAAL EN INCOGNITO WORDT AFGELEVERD AIGUES MORTES OF GRAU DU ROI STOP ALS SLECHTS EEN MOGELIJK INHOUD NIET AFLEVEREN STOP ALS WEL MOGELIJK SPELEN KOSTEN GEEN ROL STOP GEEN ONDERTEKENING. Bowman las het telegram tweemaal over en knikte peinzend. De betekenis was voor hem verre van onduidelijk: niets, dacht hij, was nu nog onduidelijk. Hij haalde een doosje lucifers uit zijn zak en verbrandde het telegram, snipper voor snipper, in het asbakje van de wagen, en wreef zelfs de verkoolde stukjes papier nog tot as. Hij keek telkens even op om te zien of iemand ongewone belangstelling voor zijn ongewone bezigheid toonde, maar zag niets verdachts. In zijn achteruitkijkspiegeltje zag hij dat de Rolls van de hertog ongeveer driehonderd meter achter hem voor een verkeerslicht stopte. Zelfs een Rolls, mijmerde hij, moest voor een rood licht stoppen: zulke vervelende kleinigheden moesten voor de hertog een voortdurende bron van hertogelijke ergernis zijn. Hij keek door de voorruit en zag de Chinees en diens charmante Indo-gezellin op hun gemak naar het hotelterras drentelen. Bowman draaide zijn raampje omlaag, scheurde de envelop van zijn telegram in kleine snippertjes en liet deze in de goot dwarrelen: hij hoopte dat de burgers van Arles hem deze straatvervuiling zouden vergeven. Hij stapte uit en liep het hotelterras op, en passeerde daarbij het Chinese paar. Ze keken Bowman van achter hun spiegelende brillenglazen onbewogen aan, maar Bowman verwaardigde hen met geen blik.

*** 

De hertog, opgehouden door dat verkeerslicht, toonde verrassend genoeg helemaal geen tekenen van ergernis. Hij zat ingespannen aantekeningen te maken in een notitieboek dat, vreemd genoeg, niet hetzelfde was dat hij doorgaans gebruikte ter vermeerdering van zijn gestadig toenemende kennis van de zigeunerfolklore. Blijkbaar voldaan over wat hij genoteerd had, borg hij het notitieboek weg, stak een grote havana op en drukte het knopje in dat het glazen tussenschot bediende. Carita keek hem in het achteruitkijkspiegeltje vragend aan. 'Ik hoef je nauwelijks te vragen, liefje', zei Le Grand Duc, 'of je mijn instructies hebt uitgevoerd. ' 'Tot op de letter, meneer de hertog. ' 'En het antwoord?' 'Negentig minuten, met een beetje geluk. Zonder geluk, tweeëneenhalf uur. ' 'Waar?' 'Antwoord in viervoud, meneer de hertog. Posterestante, Arles, Saintes Maries, Aigues-Mortes en Le Grau-du-Roi. Dat is naar uw genoegen, hoop ik?' 'Voortreffelijk. ' De hertog glimlachte van voldoening. 'Er zijn ogenblikken mijn lieve Carita, dat ik nauwelijks zou weten wat ik zonder jou moest beginnen. ' De glasruit gleed geruisloos omhoog, de Rolls zoefde weg toen het licht op groen sprong, de hertog, sigaar tussen de vingers, leunde achterover en overzag de wereld met zijn gebruikelijke patriarchale blik. Plotseling, na een nogal verwonderde blik door de voorruit van de wagen, boog hij zich wel vijf centimeter naar voren, een handeling die bij de hertog wees op een bijzonder hoge mate van belangstelling. Hij drukte het knopje van het tussenschot in. Er is parkeerruimte daar achter die blauwe Citroën. Stop daar. ' De Rolls kwam tot stilstand en de hertog volvoerde de bijna ongehoorde activiteit van helemaal eigenhandig het portier te openen en uit te stappen. Hij drentelde bedaard naar voren, bleef staan en keek naar de stukjes geel telegrampapier die in de goot lagen, toen naar de Chinees die zich langzaam oprichtte met een paar snippertjes in zijn hand. 'U schijnt iets te hebben verloren', zei de hertog hoffelijk. 'Kan ik helpen?' 'Al te vriendelijk van u. ' De Chinees sprak onberispelijk Oxford Engels. 'Het is niets. Mijn vrouw heeft zojuist een van haar oorbellen verloren. Maar het ding ligt niet hier. ' 'Het spijt me dat te horen. ' De hertog liep door, drentelde het terras op, passeerde de aan een tafeltje zittende vrouw van de Chinees en knikte hoffelijk een vluchtige groet. Ze was, merkte de hertog, onmiskenbaar van gemengd bloed en heel mooi. Niet blond, natuurlijk, maar mooi. Ze droeg ook twee oorbellen. De hertog schreed vorstelijk over het terras en voegde zich bij Lila, die net aan een tafeltje plaats nam. De hertog bekeek haar ernstig. 'Je voelt je ongelukkig, liefje. ' 'O nee, nee. ' 'O, ja, jawel. Ik heb een onfeilbare intuïtie voor zulke dingen. Om onnaspeurlijke redenen koester je enige bedenkingen tegen mij. Mij! Mij, als ik het zeggen mag, de hertog van Croytor!' Hij greep haar hand. 'Bel je vader op, mijn vriend de graaf Delafont, nu direct. Hij zal je geruststellen, mijn woord erop. Mij! De hertog van Croytor! 'Toe, Charles. Alsjeblieft. ' 'Dat is beter. Maak je klaar om meteen te vertrekken. Spoedgeval. De zigeuners breken op- diegenen tenminste die onze belangstelling hebben- en waar zij naar toe gaan, gaan wij ook. ' Lila maakte aanstalten om op te staan maar hij hield haar met een handgebaar tegen. 'De spoed is maar betrekkelijk. Laten we zeggen, over een uurtje- we moeten eerst nog even een hapje eten voordat we de ongastvrije wildernis van de Camargue intrekken. '