4
Toen Bowman wakker werd, zongen de vogels lustig, de hemel was een wolkeloos doorschijnend blauw, en de stralen van de ochtendzon stroomden gul door het raam. Niet het raam van een hotelkamer, maar het raampje van de blauwe Peugeot, die hij in de vroege ochtenduren binnen de beschutting van een dicht opeenstaand groepje bomen had gereden, dat hen van de weg af volledig aan ieders oog scheen te onttrekken- zo scheen het tenminste in het donker. Nu, bij daglicht, zag hij dat er geen sprake van enige beschutting was en dat ze duidelijk zichtbaar waren voor iedere voorbijganger die maar even de moeite nam een vluchtige zijdelingse blik in hun richting te werpen, en aangezien er niet zo erg ver weg beslist een paar mensen waren wier vluchtige zijdelingse blikken hij liever niet op zich gericht zag, achtte hij het hoog tijd om te vertrekken. Hij aarzelde om Cecile wakker te maken. Ze scheen een betrekkelijk rustige nacht te hebben doorgebracht- of wat er dan nog van de nacht was overgebleven, comfortabel met haar donkere hoofd op zijn schouder, een feit waar hij haar vaag om benijdde omdat hij een hoogst oncomfortabele nacht had gehad, ten dele omdat hij zich nauwelijks kon bewegen uit vrees haar te storen, maar hoofdzakelijk omdat zijn ongewone energieke activiteiten van de afgelopen uren hem overal pijn hadden bezorgd in allerlei spieren die in lange tijd niet zo waren afgebeuld. Hij draaide het raampje aan de bestuurderskant omlaag, snoof de frisse, koele ochtendlucht naar binnen, en stak een sigaret op. Het klikje van de aansteker was al genoeg om haar in beweging te brengen: ze schoot overeind en tuurde nogal verdwaasd om zich heen tot ze zich realiseerde waar ze was. Ze keek hem aan en zei: 'Nou ja, wat hotel betreft was het goedkoop genoeg. ' 'Daar houd ik nou van', zei Bowman, 'de pioniersgeest. ' 'Zie ik eruit als een pionier?' 'Eerlijk gezegd, nee. ' 'Ik wil een bad. ' 'En dat zal je hebben, en gauw ook. In het beste hotel van Arles. Hand erop. ' 'Je bént een optimist. Alle hotels zijn natuurlijk al wekenlang tevoren besproken voor het zigeunerfeest. ' 'Inderdaad. Met inbegrip van mijn hotel. Ik heb mijn kamer al twee maanden geleden gereserveerd. ' 'Aha. ' Ze schoof nadrukkelijk naar haar eigen kant van de bank, hetgeen Bowman inwendig nogal ondankbaar van haar vond gezien het feit dat ze het niet beneden haar waardigheid had geacht het grootste gedeelte van de nacht zijn schouder als hoofdkussen te gebruiken. 'Je hebt je kamer al twee maanden geleden gereserveerd. Meneer Bowman... ' 'Neil. ' 'Ik heb erg veel geduld gehad, nietwaar, meneer Bowman? Ik heb geen vragen gesteld?' 'Dat heb je inderdaad niet gedaan. ' Hij keek haar bewonderend aan. 'Wat een geweldige echtgenote zal jij zijn. Als ik laat van kantoor thuiskom... ' 'Toe. Wat betekent dit toch allemaal? Wie ben je eigenlijk?' 'Een leeglopende niksnut op de loop. ' 'Op de loop? Je zit achter zigeuners aan die... ' 'Ik ben een wraakzuchtige niksnut. ' 'Ik heb je geholpen... ' 'Ja, dat heb je. ' 'Ik heb je mijn wagen laten gebruiken. Je hebt me in gevaar gebracht... " 'Ik weet het. Dat spijt me en ik had er het recht niet toe. Ik zal je in een taxi zetten naar het vliegveld Martignane, dan pak je daar het eerste vliegtuig naar Engeland. Daar zit je veilig. Of je kunt ook deze wagen nemen. Dan lift ik wel naar Arles. ' 'Chantage!' 'Chantage? Dat begrijp ik niet. Ik bied je aan ergens heen te gaan waar je veilig zit. Bedoel je dat je bereid bent met me mee te gaan?' Ze knikte. Hij keek haar bedachtzaam aan. 'Zo veel blind vertrouwen in een man met zoveel en nog maar zo kort geleden vergoten bloed aan zijn handen?' Ze knikte opnieuw. 'Ik begrijp het nog steeds niet. ' Hij staarde door de voorruit voor zich uit. 'Zou het kunnen zijn dat de mooie juffrouw Dubois bezig is verliefd te worden?' 'Wees maar niet bang', zei ze kalm. 'Zulke romantische gevoelens heeft de mooie juffrouw Dubois beslist niet. ' 'Waarom wil je dan met me meegaan? Wie weet liggen ze allemaal op de loer- de dronkaard in het donkere steegje, de kelner met de giffles, de lachende bezoeker met het mes in zijn mouw- al die vrienden van Czerda, om precies te zijn. Dus waarom?' 'Ik weet het echt niet. ' Hij startte de Peugeot. 'Ik beslist ook niet. ' Maar hij wist het wel. En zij wist het ook. Maar wat zij niet wist was dat hij wist dat zij het wist. Het was, dacht Bowman, allemaal erg verwarrend om acht uur in de ochtend. Ze waren net de hoofdweg opgezwenkt toen ze zei: 'Misschien ben je wel schranderder dan je eruitziet. ' 'Zou dat moeilijk zijn?' 'Ik stelde je een paar minuten geleden een vraag. Die heb je op de een of andere manier niet beantwoord. ' 'Vraag? Welke vraag?' 'Laat maar, ' zei ze berustend, 'ik weet het zelf niet meer. '
***
De hertog, wiens felgestreepte pyjama grotendeels schuilging onder een groot servet, zat in bed te ontbijten. Zijn ontbijtblad was ongeveer net zo breed als het bed en moest dat ook wel zijn om plaats te bieden aan de rijkelijke maaltijd die erop was uitgestald. Hij had net een bijzonder sappig stukje vis aan zijn vork geprikt toen de deur openging en Lila zonder kloppen binnenkwam. Haar blonde haar was ongekamd. Met de ene hand klemde ze een peignoir om zich heen, terwijl ze met de andere een stukje papier omhoog hield. Ze was duidelijk ontsteld. 'Cecile is weg!' Ze zwaaide met het velletje papier. 'Ze heeft dit voor me achter gelaten. ' 'Weg?' De hertog bracht de vork vol vis naar zijn mond en genoot zichtbaar. 'Allemensen, deze rode poon is subliem. Weg waar naartoe?' 'Ik weet het niet. Ze heeft al haar kleren meegenomen. ' 'Laat eens zien. ' Hij strekte zijn hand uit en nam het briefje van Lila aan. 'Schrijf me posterestante Saintes Maries'. Weinig informatief, zou je kunnen zeggen. Die woeste kerel die gisterenavond bij haar was... ' 'Bowman? Neil Bowman?' 'Dat is de woeste kerel die ik bedoel. Ga eens kijken of hij hier nog is. En of je wagen er nog staat. ' 'Daar heb ik niet aan gedacht. ' 'Daar moet je de hersens voor hebben, ' zei de hertog vriendelijk. Hij nam zijn mes en vork weer op, wachtte tot Lila haastig de kamer was uitgegaan, legde mes en vork neer, trok een la van het nachtkastje open en haalde er het notitiebloc uit dat Lila de vorige avond gebruikt had toen ze als zijn onbezoldigde secretaresse fungeerde terwijl hij met de zigeuners praatte. Hij vergeleek het handschrift met dat op het velletje papier dat Lila hem zojuist gegeven had: het was onbetwistbaar hetzelfde handschrift. De hertog zuchtte, legde het notitiebloc weer weg, liet het velletje papier zorgeloos op de vloer vallen en hervatte zijn aanval op de rode poon. Hij had de vis op en was net bezig waarderend het deksel van een schaal niertjes-met-spek op te lichten toen Lila terugkwam. Ze had de peignoir vervangen door het blauwe mini jurkje dat ze de vorige avond gedragen had, en had haar haren gekamd: maar ze was nog steeds opgewonden. 'Hij is ook weg. En de wagen. O, Charles, ik maak me zo ongerust. ' 'Met de hertog naast je, is dat helemaal niet nodig. Ze zijn kennelijk naar Saintes Maries. ' 'Dat denk ik ook. ' Ze twijfelde, aarzelde. 'Maar hoe kom ik daar. Mijn wagen — onze wagen... ' 'Je gaat met mij mee, chérie. De hertog van Croytor heeft altijd wel een vervoermiddel. ' Hij zweeg en luisterde even naar een plotseling geroezemoes van 'stemmen. 'Tjongejonge! Die zigeuners kunnen luidruchtig te keer gaan. Neem mijn blad eens weg, liefje. ' Niet zonder moeite nam Lila het blad weg. De hertog zwaaide zich uit bed, wikkelde zich in een felkleurige Chinese kamerjas en stevende naar de deur. Aangezien het duidelijk was dat het stemmengeluid uit de richting van het voorplein kwam, marcheerde de hertog over het terras naar de balustrade en keek omlaag. Een groot aantal zigeuners dromde bijeen voor Czerda's woonwagen, het gedeelte van de wagen dat van de plaats waar de hertog stond onzichtbaar was. Sommige zigeuners maakten heftige gebaren, anderen schreeuwden: ze waren allemaal kennelijk erg boos over iets. 'Aha!' De hertog sloeg zijn handen in elkaar. 'Dit is wat je noemt een gelukje. Het gebeurt maar zelden dat je zo iets ter plekke meemaakt. Dit is je ware folklore. Kom. ' Hij draaide zich om en liep doelbewust naar de treden die naar het terras omlaag voerden. Lila greep hem bij de arm. 'Maar je kunt daar niet in je pyjama naar toe gaan!' 'Doe niet zo belachelijk. ' De hertog liep door, daalde de treden naar de patio af, negeerde- of, wat waarschijnlijker was, had geen erg in- starende blikken van de vroege ontbijters op de patio, en bleef boven aan het voorpleinbordes staan om het tafereel te overzien. Hij zag dat het parkeerterrein achter de heg al ontruimd was: er stonden geen woonwagens meer en de twee of drie die op het voorplein hadden gestaan waren eveneens verdwenen, terwijl de overige kennelijk voor vertrek gereed werden gemaakt. Maar ten minste vijfentwintig zigeuners stonden nog steeds rondom Czerda's wagen bijeen. Met een angstige en hoogst verlegen Lila achter zich aan, baande de hertog zich gebiedend een weg over het voorplein en dwars door de drom zigeuners rondom de woonwagen heen. Hij bleef staan en keek naar het tafereel voor zich. Gehavend, vol builen en kneuzingen en zwaar in het verband, zaten Czerda en diens zoon op het trapje van de wagen, beiden met het hoofd in de handen, beiden fysiek en mentaal gebroken. Achter hen waren verscheidene zigeunervrouwen zichtbaar, druk bezig met de gigantische taak het interieur van de woonwagen op te ruimen, dat bij daglicht een nog veel ontstellender aanblik bood dan het bij lamplicht had gedaan. Een anarchist met een perfecte precisie in het bommen gooien zou er trots op zijn geweest dit staaltje vernietigingswerk als het zijne te herkennen. 'Tjongejonge! Tjongejonge!' De hertog schudde zijn hoofd in een mengeling van teleurstelling en afschuw. 'Een ordinaire familieruzie. Erg twistziek, weet je, sommige van die Roemeense zigeunerfamilies. Dit is niets voor de ware folkloreliefhebber. Kom mee, liefje, ik zie dat de meeste zigeuners al vertrokken zijn. Het wordt tijd dat wij dat ook doen. ' Hij liep met haar het bordes op en wenkte een passerende portier. 'Mijn wagen, en gauw. ' 'Je hebt je wagen toch niet hier?' vroeg Lila. 'Natuurlijk niet. Lieve hemel, meisje, je verwacht toch niet dat mijn personeel in hetzelfde hotel slaapt als ik? Zorg dat je over tien minuten hier bent. ' 'Tien minuten! Ik moet baden, ontbijten, pakken, mijn rekening betalen... ' 'Tien minuten. ' Ze was binnen tien minuten klaar. Evenals de hertog. Hij droeg een grijs flanellen kostuum met dubbele overslag, een kastanjebruin overhemd en een panamahoed met roodbruine band, maar deze keer ging Lila's verblufte aandacht naar iets anders uit. Ze staarde nogal verbijsterd naar het voorplein. 'De hertog', herhaalde ze mechanisch, 'heeft altijd wel een of ander vervoermiddel. ' Het vervoermiddel bleek in dit geval een schitterende en kolossale met de hand vervaardigde Rolls Royce-cabriolet in twee kleuren te zijn: citroengeel en donkergroen. Ernaast, de achterdeur openhoudend, stond een chauffeuse gekleed in een citroengeel uniform, precies dezelfde tint als die van de wagen, afgebiesd met donkergroen, alweer precies dezelfde tint als de wagen. Ze was jong, klein, roodbruin van haar, en heel knap. Glimlachend hielp ze de hertog en Lila op de achterbank plaats te nemen, ging zelf achter het stuur zitten en reed weg in wat, van binnen de wagen te horen, een volslagen stilte was. Lila keek naar de hertog, die bezig was een grote havana aan te steken met een aansteker die hij uit een hoogst indrukwekkend van knopjes wemelend paneel aan zijn rechterkant had getrokken. 'Wil je mij vertellen', vroeg ze, 'dat je een zo verrukkelijk knap wezentje niet in hetzelfde hotel wou laten logeren als jijzelf?' 'Beslist niet. Niet dat ik me niet om mijn personeel bekommer. ' Hij koos een knopje op het paneel en de afscheidende glasruit gleed geruisloos omlaag in de rugleuning van de bestuurdersstoel. 'En waar heb jij de nacht doorgebracht, Carita, liefje?' 'Nou, meneer de hertog, alle hotels waren vol en... ' 'Waar heb je de nacht doorgebracht?' 'In de wagen. ' 'Tjongejonge!' Het glas schoof weer omhoog en hij wendde zich tot Lila. 'Maar het is, zoals je ziet, een heel comfortabele wagen. ' Tegen de tijd dat de blauwe Peugeot in Arles arriveerde, was er een verkoeling tussen Bowman en Cecile ontstaan. Ze hadden een discussie over kleding gehad en waren het niet bepaald met elkaar eens. Bowman stopte in een betrekkelijk rustige zijstraat tegenover een groot, zij het enigszins goor, kledingmagazijn. Ze keek hem niet aan. 'Nou?' vroeg hij. 'Het spijt me. ' Ze bestudeerde een of ander punt in de verte. 'Het gaat niet door. Volgens mij ben je stapelgek. ' 'Goed dan', knikte hij. Hij gaf haar een kus op haar wang, stapte uit, pakte zijn koffer van de achterbank en liep de straat over, waar hij bleef staan om een paar exotische kostuums in de etalage te bekijken. Hij kon duidelijk de weerspiegeling van de wagen zien, en bijna even duidelijk die van Cecile. Haar lippen waren opeengeperst en ze was kennelijk woedend. Ze scheen even te aarzelen, stapte toen uit de wagen en stak over naar de plek waar hij stond 'Ik zou je kunnen slaan', kondigde ze aan. 'Liever niet', zei hij. 'Je lijkt me een groot en sterk meisje. ' 'O, in godsnaam, houd je mond en zet die koffer in de auto. ' Dus hield hij zijn mond en zette de koffer weer in de wagen, nam haar arm en ging met haar- ze was nog steeds onwillig- het sjofele kledingmagazijn binnen. Twintig minuten later bekeek hij zichzelf in een lange spiegel en huiverde. Hij was nu gekleed in een zwart, hoog dichtgeknoopt en erg strak zittend pak dat hem enig idee gaf hoe de iets te volslanke en heldhaftig ingesnoerde operadiva zich moet voelen als ze uithaalt voor de hoge c. Zijn kostuum werd gecompleteerd door een flodderig wit hemd, zwarte veterdas en zwarte hoed met brede rand. Het was een opluchting voor hem toen Cecile uit een kleedhokje kwam, vergezeld door een gezette, vriendelijke vrouw van middelbare leeftijd in het zwart die, naar Bowman aannam, de eigenares van de zaak was. Maar haar zag hij alleen maar ergens vaag op de achtergrond, want iedere man die niet onmiddellijk een en al oog voor Cecile zou zijn, moest óf een psychiatrisch geval óf nog bijziender zijn dan de meest kippige kerkuil. Hij had haar nooit als een kwelling voor het oog beschouwd, maar nu realiseerde hij zich, voor het eerst maar nu dan ook voorgoed, dat ze een verbijsterend lieftallig wezentje was. Het kwam niet door de prachtige jurk die ze aan had, een mooi, volmaakt passend, exotisch en kennelijk zeer kostbaar zigeunerkostuum, dat niet veel kleuren van de regenboog miste, en het kwam ook niet door haar witkanten hoofdtooi, compleet met zwierige en uiterst provocerende sluier, ofschoon hij weleens had horen zeggen dat het besef iets moois aan te hebben vrouwen een innerlijke gloed geeft die door alles heenschijnt. Het enige dat hij wist was dat zijn hart een paar salto's maakte en pas toen hij haar lieve en heel licht geamuseerde lachje zag slaagde hij erin zijn hart weer tot de orde te roepen en zijn gezicht weer in de naar hij hoopte normale ondoorgrondelijke plooi te brengen. De eigenares van de zaak bracht zijn gedachten onder woorden. 'Madame', fluisterde ze, 'ziet er mooi uit. ' 'Madame', zei hij, 'is mooi. ' Toen kwam hij weer tot zichzelf. 'Hoeveel? In Zwitserse francs. U neemt toch Zwitserse francs aan?' 'Natuurlijk. ' De vrouw riep een bediende die cijfers begon op te tellen, terwijl ze zelf kleren inpakte. 'Ze pakt mijn kleren in', zei Cecile verslagen. 'Ik kan zo niet de straat op gaan. ' 'Natuurlijk wel. ' Bowman bedoelde het hartelijk geruststellend, maar de woorden kwamen er mechanisch uit aangezien hij zijn ogen nog steeds niet van haar kon afhouden. 'Het is volop fiesta tijd. ' 'Monsieur heeft gelijk', zei de vrouw. 'Honderden jonge Arlé siennes gaan in deze tijd van het jaar zo gekleed. Een leuke verandering, en het is nog heel goed voor ze ook. ' 'En ook niet slecht voor de zaken. ' Bowman keek naar de rekening die de bediende hem zojuist had gegeven. 'Tweeduizend en vierhonderd Zwitserse francs. ' Hij pelde drie biljetten van duizend francs van Czerda's bundeltje en gaf ze aan de winkelierster. 'De rest is voor u. ' 'Maar dat is al te vriendelijk van monsieur. ' Uit haar verbijsterde gelaatsuitdrukking maakte hij op dat de inwoners van Arles niet bepaald gul waren als het op fooien aankwam. 'Zo gewonnen zo geronnen', zei hij filosofisch, en leidde Cecile de winkel uit. Ze stapten in de Peugeot; hij reed een paar minuten door en stopte toen op een vrijwel verlaten parkeerterrein. Cecile keek hem vragend aan. 'Mijn cosmeticatasje', legde hij uit. Hij reikte over de rugleuning heen naar de achterbank en haalde een zwartleren tasje met ritssluiting uit zijn koffer. 'Ga nooit zonder dat ding op reis. ' Ze keek hem een beetje eigenaardig aan. 'Een man heeft geen cosmeticatasje bij zich. ' 'Deze wel. Je zal zien waarom. ' Twintig minuten later, toen ze voor de receptie van het chicste hotel van Arles stonden, begreep ze waarom. Ze waren nog net zo gekleed als toen ze het kledingmagazijn hadden verlaten, maar verder waren ze nauwelijks als dezelfde mensen herkenbaar. Ceciles teint was verscheidene tinten donkerder, evenals de kleur van haar hals, handen en polsen, verder had ze felrode lippenstift op en veel te veel rouge, mascara en oogschaduw. Bowmans gezicht had nu de kleur van oud mahoniehout, waar zijn pas verworven snor adembenemend op uitkwam. De receptionist gaf hem zijn pas terug. 'Uw kamer is gereed, meneer Parker', zei hij. 'Dit is mevrouw Parker?' 'Doe niet zo mal', zei Bowman terwijl hij Ceciles plotseling verstarde arm greep en de piccolo naar de lift volgde. Toen de deur van de slaapkamer achter hem dichtging, keek ze Bowman met een merkbaar gemis aan enthousiasme aan. 'Moest je dat tegen die receptionist zeggen?' 'Kijk naar je handen. ' 'Wat mankeert er aan mijn handen- afgezien van het feit dat ze door die rommel van jou akelig vies zijn geworden?' 'Geen ring. ' 'O! !' 'Zeg dat wel: o! Iedere ervaren receptionist ziet zulke dingen automatisch- dat is de reden waarom hij het vroeg. Omdat hém vragen kunnen worden gesteld — nog verdachte paartjes binnengekomen vandaag?- dat soort dingen. Wat de misdaad betreft is een man die met zijn liefje op stap is automatisch boven alle verdenking verheven- ze gaan er vanuit dat hij wel andere dingen aan zijn hoofd heeft. ' 'Het is niet nodig om zo de... ' 'Over de bloemetjes en de bijtjes vertel ik je later nog wel. Van belang is intussen dat de man me vertrouwt. Ik ga even de deur uit. Neem jij fijn je bad. Maar was die rommel niet van je armen, gezicht en hals. Zoveel heb ik niet meer. ' Ze keek in een spiegel, hief haar handen op en bestudeerde die, evenals haar gezicht. 'Maar hoe kan ik in 's hemelsnaam een bad nemen zonder... ' 'Ik wil je wel even helpen, als je daar prijs op stelt', bood Bowman aan. Ze liep naar de badkamer deed de deur dicht en draaide de knip om. Bowman ging de trap af en bleef een ogenblik buiten een telefooncel in de hotelhal staan, zijn kin wrijvend, een man die diep in gedachten stond. De telefoon had geen draaischijf, hetgeen betekende dat uitgaande gesprekken via de hotelcentrale moesten lopen. Hij liep naar buiten, de heldere zonneschijn in. Zelfs op dat vroege uur was de Boulevard des Lices stampvol. Niet met vakantiegangers of toeristen, maar met plaatselijke kooplieden die bezig waren letterlijk honderden kraampjes op de brede trottoirs van de boulevard neer te zetten. De middenweg was al even stampvol als de trottoirs, met drommen voertuigen, variërend van zware vrachtwagens tot gammele handkarren waar allerlei goederen uit werden geladen, van zware landbouwwerktuigen af tot alle soorten levensmiddelen, meubelen, kleren, en zelfs de prulligste souvenirs toe, dat alles gecompleteerd door eindeloze rijen emmers vol bloemen. Bowman ging een postkantoor binnen, zocht en vond een lege telefooncel, haalde wat wisselgeld bij een loket en vroeg een nummer aan in Londen. Terwijl hij op de verbinding wachtte, viste hij het verkreukelde codebericht dat hij in Czerda's woonwagen gevonden had uit zijn zak en streek het papier glad.
***
Ten minste honderd zigeuners knielden op het grasveld neer terwijl de in het zwart gehulde priester een zegening uitsprak. Toen hij zijn arm liet zakken, zich omdraaide en naar een vlak bij staand zwart tentje wandelde, stonden de zigeuners op en begonnen zich te verspreiden, sommigen doelloos ronddrentelend, anderen op de terugweg naar hun woonwagens, die enkele kilometers ten noordoosten van Arles op de berm van de weg stonden geparkeerd; achter de wagens rezen de majestueuze contouren op van het oude klooster van Montmajour. Te midden van de geparkeerde voertuigen waren er drie direct herkenbaar: de groenwitte woonwagen waarin Alexandres moeder en de drie jonge zigeunermeisjes woonden, Czerda's woonwagen die nu gesleept werd door een helgeel geverfde kraanwagen en de imposante groene Rolls van de hertog van Croytor. De kap van de Rolls was open, want de hemel was wolkeloos en de ochtend was al aardig warm. De chauffeuse, haar kastanjebruine haar onbedekt ten teken dat ze op dit moment geen dienst had, stond met Lila naast de wagen: de hertog, behaaglijk op de achterbank achterover geleund, verkwikte zichzelf met een of andere ondefinieerbare vloeistof uit de opengeklapte bar voor zich en overzag het tafereel vol belangstelling. Lila zei: 'Dit heb ik nooit met zigeuners in verband gebracht' 'Begrijpelijk, begrijpelijk', gaf de hertog minzaam toe. 'Maar ja, jij wist natuurlijk niets van zigeuners af, liefje, terwijl ik op dat gebied een Europees expert ben. ' Hij zweeg even, dacht na, en corrigeerde zichzelf. 'De Europese expert. Wat natuurlijk betekent: de expert van de wereld. Het religieuze element kan heel sterk zijn en hun oprechtheid en devotie komen nooit duidelijker tot uiting dan wanneer ze op reis gaan om het gebeente te vereren van Sara, hun beschermheilige. In de laatste fase van hun reis komt er altijd een geestelijke bij hen om Sara te zegenen en hun... Maar genoeg! Ik moet je niet met mijn kennis vervelen. ' 'Vervelen, Charles? Het is allemaal erg fascinerend. Waar dient in vredesnaam dat zwarte tentje voor?' 'Een mobiele biechtstoel- waar weinig gebruik van wordt gemaakt, vrees ik. De zigeuners hebben hun eigen opvattingen van goed en kwaad. Goeie god! Daar gaat Czerda naar binnen. ' Hij keek op zijn horloge. 'Kwart over negen. Dat duurt tot lunchtijd voor hij eruit komt. ' 'Je mag hem niet?' vroeg Lila nieuwsgierig. 'Denk je dat hij... ' 'Ik weet niets van die vent', zei de hertog. 'Ik zou alleen maar willen opmerken dat een gezicht als het zijne niet de sporen draagt van een leven vol goede daden en vrome gedachten. ' Daar was inderdaad niets van te bespeuren toen Czerda, zijn gehavende gezicht opeens verontrust en grimmig, de deurflap van de tent achter zich dichtdeed en goed afsloot. De tent zelf was klein en rond, niet meer dan drie meter in doorsnee. De enige meubilering bestond uit een door lappen omsloten hokje dat als biechtstoel diende. 'Je bent welkom, mijn zoon. ' De stem uit het hokje was zwaar en afgemeten en autoritair. 'Doe open, Searl', zei Czerda bars. Er volgde wat gestommel en er viel een donker linnen gordijn omlaag, waardoor een op een stoel gezeten geestelijke zichtbaar werd, een man met een montuurloos brilletje op en een mager ascetisch gezicht, het toonbeeld van de man Gods wiens devotie gepaard gaat met fanatisme. Hij bekeek, onbewogen, even Czerda's gehavende gezicht. 'De mensen zouden je kunnen horen', zei de geestelijke koel. 'Ik ben M'sieur le Curé of Eerwaarde. ' 'Voor mij ben je Searl en dat zal je altijd blijven', zei Czerda verachtelijk. 'Simon Searl, de afgezette priester. Dat klinkt als een kinderversje. ' 'Ik ben hier niet om kinderversjes aan te horen', zei Searl ernstig. 'Ik kom van Gaiuse Strome. ' De kwaadaardigheid trok langzaam uit Czerda's gezicht weg; alleen de verontrusting bleef, en werd nog duidelijker zichtbaar toen hij naar het effen gezicht van de geestelijke keek. 'Ik geloof', zei Searl kalm, 'dat een verklaring van je ongelooflijke geklungel gewenst is. Ik hoop dat het een heel goeie verklaring is. '
***
'Ik moet eruit! Ik moet eruit!' Tina, het donkere, kortharige, jonge zigeunermeisje staarde door het raam van de woonwagen naar de biechttent, draaide zich toen met een ruk om naar de andere drie zigeunervrouwen. Haar ogen waren rood en gezwollen, haar gezicht was erg bleek. 'Ik moet even lopen! Ik moet frisse lucht inademen! Ik- ik hou het hier niet meer uit. ' Marie le Hobenaut, haar moeder, en Sara keken elkaar aan. Ze zagen er geen van allen vrolijker uit dan Tina. Hun gezichten waren nog steeds net zo bedroefd en verbitterd als toen Bowman hen die vorige avond gezien had. 'Doe je voorzichtig, Tina?' vroeg Maries moeder angstig. 'Je vader- je moet aan je vader denken. ' 'Stil maar, moeder', zei Marie. 'Tina weet er alles van. Ze weet het nu. ' Ze knikte naar het donkere meisje dat haastig de deur uitging, en vervolgde zachtjes: 'Ze hield zo erg veel van Alexandre. Dat weet je. ' 'Ik weet het', zei haar moeder zuchtend. 'Het is jammer dat Alexandre niet zoveel van haar hield. ' Tina liep door het achtergedeelte van de woonwagen. Op het trapje zat een zigeuner van achter in de dertig jaar. Anders dan de meeste zigeuners was Pierre Lacabro op het wanstaltige af klein en dik en breed, en hij had- ook anders dan de meeste zigeuners die met hun scherpgesneden trekken een aristocratisch, knap uiterlijk hebben- een zeer breed, verdierlijkt gezicht met een smalle, wrede mond, varkensoogjes en een litteken dat, kennelijk nooit gehecht, van zijn rechterwenkbrauw tot onder zijn kin doorliep. Hij was zonder enige twijfel buitengewoon sterk. Hij keek op toen Tina te voorschijn kwam en ontblootte zijn afgebroken tanden in een grijns. 'En waar ga jij naar toe, mooi lekkertje?' Hij had een zware, krassende, rauwe en uiterst onaangename stem. 'Eindje wandelen. ' Ze deed geen poging de afkeer uit haar gezicht te houden 'Ik heb frisse lucht nodig. ' 'We hebben wachtposten uitgezet- en Maca en Masaine staan nu op wacht. Dat weet je?' 'Denk je dat ik ervandoor zou gaan?' Hij grijnsde opnieuw. 'Jij bent veel te bang om ervandoor te gaan. ' Met een tijdelijk opwellende flits van moed zei ze: 'Voor Pierre Lacabro ben ik niet bang. ' 'Waarom zou je ook, voor den donder?' Hij hief zijn handen op, palmen omhoog. 'Mooie jonge meisjes zoals jij- verrek, ik ben als een vader voor ze. ' Tina huiverde en liep het trapje af.
***
Czerda's uitleg van zaken ging er bij Simon Searl helemaal niet goed in. Searl deed geen moeite zijn verachting en ongenoegen te verbloemen: Czerda werd volledig in de verdediging gedrongen. 'En ik dan?' bitste hij. 'Ik ben degene die eronder te lijden heeft, niet jij en niet Gaiuse Strome. Ik zeg je, hij heeft alles in mijn wagen kort en klein geslagen- en mijn tachtigduizend francs gejat. ' 'Die niet eens van jou waren. Dat was geld van Gaiuse Strome, Czerda. Hij zal het terug willen hebben; als hij het niet krijgt kost het jou je leven. ' 'Godallemachtig, die Bowman is ervandoor! Ik heb geen idee... ' 'Je zult hem vinden en dan knal je hem hiermee neer. ' Searl stak zijn hand in de plooien van zijn soutane en bracht een revolver te voorschijn met een op de loop geschroefde knaldemper. 'Als het je niet lukt, stel ik voor dat je ons veel moeite bespaart en er jezelf mee neerknalt. ' Czerda bleef hem een hele poos aankijken. 'Wie is deze Gaiuse Strome?' 'Ik weet het niet. ' 'We zijn eens vrienden geweest, Simon Searl... ' 'Ik zweer het voor God, ik heb hem nooit ontmoet. Zijn instructies komen per brief of per telefoon en zelfs dan nog via een tussenpersoon. ' 'Weet je dan wie deze man is?' Czerda greep Searl bij de arm en sleurde hem mee naar de deurflap van de tent, waarvan hij een gedeelte opentrok. Hij wees naar de hertog, die duidelijk zichtbaar was en kennelijk net zijn glas opnieuw gevuld had. De starende blik van de hertog was recht op hen gericht en de uitdrukking op zijn gezicht was zeer bedachtzaam. Czerda deed de flap haastig weer dicht. 'Nou?' 'Die man heb ik meer gezien', zei Searl. 'Een rijke edelman, geloof ik. ' 'Een rijke edelman die Gaiuse Strome heet?' 'Dat weet ik niet. Ik wil het niet weten. ' 'Dit is de derde keer dat ik deze man bij onze pelgrimage tegenkom. Het is ook het derde jaar dat ik voor Gaiuse Strome werk. Hij stelde gisteravond allerlei vragen. Vanmorgen kwam hij kijken naar de schade die aan onze woonwagen was toegebracht. En nou zit hij ons pal aan te staren. Ik denk... ' 'Denk jij nou maar alleen aan Bowman', adviseerde Searl. 'Afgezien daarvan, houd je vermoedens voor je. Onze baas wil anoniem blijven. Hij wil niet dat iemand zijn neus in zijn privézaken steekt. Begrepen?' Czerda knikte onwillig, stak de revolver onder zijn hemd en vertrok. Toen hij naar buiten kwam, zat de hertog peinzend naar hem te kijken, over de rand van zijn glas heen. 'Goeie God', zei hij zacht. 'Nu al klaar met biechten. ' Lila vroeg beleefd: 'Wat zeg je, Charles?' 'Niets, liefje, niets. ' Hij wendde zijn starende blik van Czerda af en kreeg Tina in het oog, die verdrietig en zo te zien doelloos over het grasveld drentelde. 'Verdraaid, dat is een opvallend mooi veulentje. Beetje bedroefd, misschien, ja, beslist bedroefd. Maar mooi. ' Lila zei: 'Charles, ik begin te geloven dat jij een kenner bent op het gebied van mooie meisjes. ' 'Altijd het voorrecht van de aristocratie geweest. Carita, liefje, naar Arles en zo snel je maar kunt. Ik val flauw. ' 'Charles!' Lila was onmiddellijk bezorgd. 'Voel je je niet goed? De zon? Als we de kap opzetten... ' 'Ik heb honger', zei de hertog eenvoudig. Tina keek naar de geruisloos wegzoevende Rolls en wierp toen een vluchtige blik om zich heen. Lacabro zat niet meer op het trapje van de groenwitte woonwagen. Ze zag hem nergens. Ook Maca en Masaine waren nergens te zien. Heel toevallig, zo scheen het, stond ze opeens voor de ingang van het zwarte biechttentje. Zonder het aan te durven nog eens goed rond te kijken of ze niet in het oog werd gehouden, trok ze de deurflap opzij en ging naar binnen. Ze liep een paar aarzelende stappen naar het hokje. 'Eerwaarde! Eerwaarde!' Haar stem was een bevend gefluister. 'Ik moet met u praten. ' Van binnen het hokje kwam Searles zware grafstem: 'Daarvoor zit ik hier, mijn kind. ' 'Nee, nee!' Nog steeds gefluister. 'U begrijpt het niet. Ik moet u iets verschrikkelijks vertellen. ' 'Voor een man Gods is niets te verschrikkelijk om aan te horen. Je geheimen zijn bij mij veilig, mijn kind. ' 'Maar ik wil niet dat ze veilig bij u zijn! Ik wil dat u naar de politie gaat. ' Het gordijn viel open en Searl kwam te voorschijn. Zijn magere, ascetische gezicht was een en al medeleven en bezorgdheid. Hij legde zijn arm om haar schouders. 'Wat je ook mag kwellen, dochter, je zorgen zijn voorbij. Hoe heet je, lieve kind?' 'Tina. Tina Daymel. ' 'Vertrouw op God, Tina, en vertel me alles. '
***
In de groenwitte woonwagen zaten Marie, haar moeder en Sara somber zwijgend bijeen. Nu en dan snikte de moeder even en bette met een zakdoek haar ogen. 'Waar zit Tina toch?' zei ze eindelijk. 'Waar kan ze zijn? Ze blijft zo lang weg. ' 'Maak u niet ongerust, Madame Zigair', zei Sara geruststellend. 'Tina is een verstandig meisje. Ze zal heus geen dwaze dingen doen. ' 'Sara heeft gelijk, moeder', zei Marie-. 'Na vannacht... ' 'Ik weet het. Ik weet dat ik mal doe. Maar Alexandre... ' 'Toe, moeder... ' Madame Zigair knikte en zweeg. Plotseling werd de deur van de woonwagen opengerukt en werd Tina naar binnen gesmeten: ze viel met een dreun voorover op de vloer van de wagen. Lacabro en Czerda stonden in de deuropening, de eerste grijnzend, de laatste ten prooi aan nauwelijks beheerste woede. Tina bleef liggen waar ze was terechtgekomen, roerloos, kennelijk buiten bewustzijn. Haar kleren van haar rug gescheurd, die met bloed bevlekt was en vol zat met ontelbare afzichtelijke rode en paarse striemen: ze was woest en genadeloos met een zweep afgeranseld. 'Ziezo, ' zei Czerda zacht, 'zullen jullie het nou eindelijk leren?' De deur ging dicht. De drie vrouwen staarden vol afgrijzen naar het wreed mishandelde meisje en vielen toen op hun knieën om haar te helpen.