5
Bowmans gesprek met Engeland kwam vrij gauw door, en nog geen kwartier nadat hij het hotel verlaten had was hij alweer terug. De gang die naar zijn kamer leidde was met dik tapijt belegd, zodat zijn voetstappen niet waren te horen. Hij stak zijn hand uit naar de deurknop toen hij in de kamer stemmen hoorde. Geen stemmen, realiseerde hij zich, maar slechts één stem- die van Cecile- en die stem klonk alleen maar met tussenpozen: de toon van haar stem was duidelijk herkenbaar maar door de gesloten deur kon hij de woorden niet onderscheiden. Hij stond op het punt zijn oor tegen de deur te leggen toen er een kamermeisje met een armvol lakens de hoek van de gang om kwam. Bowman liep zorgeloos een eindje verder en wandelde een paar minuten later even zorgeloos terug. Het was nu doodstil in de kamer. Hij klopte en ging naar binnen. Cecile stond bij het raam, draaide zich om en keek hem glimlachend aan toen hij de deur achter zich dichtdeed. Haar glanzende donkere haar was gekamd of geborsteld of wat ze er ook mee gedaan had, en ze zag er aantrekkelijker uit dan ooit. 'Adembenemend', zei hij. 'Hoe heb je het gered zonder mij? Op mijn woord, als onze kinderen op jou lijken... ' 'Iets anders', onderbrak ze hem. De glimlach, merkte hij nu, miste warmte. 'Dat meneer-Parker-gedoe bij de receptie. Je liet toch je paspoort zien, nietwaar- meneer Bowman?' 'Van een vriend geleend. ' 'Allicht. En verder? Is je vriend erg belangrijk?' 'Wat bedoel je?' 'Wat doe jij voor werk, meneer Bowman?' 'Ik heb je toch al verteld... ' 'Natuurlijk. Helemaal vergeten. Een beroepsleegloper. ' Ze zuchtte. 'En nu - nu ontbijten?' 'Ik ga me eerst scheren. Dat zal mijn fraaie uiterlijk wel bederven, maar dat komt wel weer goed. Daarna ontbijten. ' Hij haalde zijn scheergerei uit zijn koffer, ging de badkamer in, sloot de deur, en begon zich te scheren. Hij keek om zich heen. Ze was hier binnen geweest, had zich van al haar mooie maar lastige kleren ontdaan, een heel voorzichtig bad genomen zonder de schmink aan te tasten, zich weer aangekleed, weer wat schmink die hij voor haar achtergelaten had op haar handen gesmeerd, en dit alles binnen vijftien minuten. Om nog maar niet te spreken van het haar borstelen of kammen of wat ook. Hij geloofde het niet, ze zag er zo kieskeurig verzorgd uit als iemand die al bijna dat hele kwartier nodig had om zijn tanden te poetsen. Hij keek in het bad en het was onmiskenbaar nog steeds nat, dus ze had in ieder geval wel de kraan opengedraaid. Hij raapte de verfrommelde badhanddoek op en die was zo droog als het zand van de Sinaï Woestijn. Ze had haar haren geborsteld en dat was alles. Behalve dan dat ze ook nog een telefoongesprek had gevoerd. Na zich te hebben geschoren bracht hij opnieuw wat oorlogskleuren aan en ging met Cecile naar beneden. Zij namen plaats aan een tafeltje in een hoek van de nogal rijkelijk versierde en van standbeelden wemelende patio. Ondanks het betrekkelijk vroege uur zaten er al heel wat late ontbijters en vroege koffiedrinkers. Voor het merendeel waren de gasten kennelijk toeristen, maar er zaten ook vrij veel welgestelde inwoners van Arles tussen, sommigen gekleed in de traditionele fiestakledij van die streek, sommigen als zigeuners. Toen ze gingen zitten werd hun aandacht getrokken en vastgehouden door een reusachtige citroengeel-donkergroene Rolls Royce, die langs de stoeprand geparkeerd stond; ernaast stond de chauffeuse, haar uniform harmoniërend met de kleuren van de wagen. Cecile keek vol openlijke bewondering naar de glanzende automobiel. 'Geweldig', zei ze. 'Wat een pracht. ' 'Ja, inderdaad', stemde Bowman in. 'Je zou nauwelijks geloven dat ze zo'n kolos van een wagen zou kunnen besturen. ' Hij negeerde Ceciles ouderwetse blik en overzag op zijn gemak de patio. 'Je mag driemaal raden wie de armoelijdende eigenaar is. ' Cecile volgde de richting van zijn blik. Drie tafeltjes verderop zaten de hertog en Lila. Er verscheen een kelner met een zeer zwaar dienblad dat hij voor de hertog neerzette, die een glas sinaasappelsap greep en leegdronk nog voordat de kelner tijd had om zijn zonder twijfel pijnlijke rug te strekken. 'Ik dacht dat die kelner nooit kwam. ' De hertog zei het luid en geërgerd. 'Charles. ' Lila schudde haar hoofd. 'Je hebt net al een reusachtig ontbijt gehad. ' 'En nú neem ik er nog een. Geef die broodjes eens aan, chérie. ' 'Goeie god!' Cecile legde een hand op Bowmans arm. 'De hertog- met Lila. ' 'Wat is daar zo verrassend aan?' Bowman keek toe hoe de hertog ijverig bezig was jam uit een grote pot naar binnen te lepelen terwijl Lila hem koffie inschonk. 'Het spreekt vanzelf dat hij hier is- waar de zigeuners zijn daar is de beroemde zigeunerfolklorist ook. En natuurlijk in het beste hotel. Er begint daarginds een mooie vriendschap te ontluiken. Kan ze koken?' 'Kan ze — grappig genoeg, dat kan ze inderdaad. En heel goed ook. Franse keuken. ' 'Lieve hemel! Hij ontvoert haar vast. ' 'Maar waarom trekt ze nog steeds met hem op?' 'Nogal logisch. Jij schreef haar over Saintes Maries. Daar wil ze dus naar toe. En ze heeft geen wagen meer want die hebben wij meegenomen. Hij wilde er uiteraard ook naar toe. En hij heeft een wagen- ik verwed er alles onder dat die Rolls van hem is. En ze schijnen heel goed met elkaar overweg te kunnen, al mag de hemel weten wat ze in onze dikke vriend ziet. Moet je zijn handen zien- ze werken als een transportband. De hemel geve dat ik nooit samen met hem in een reddingboot kom te zitten als ze de laatste rantsoenen uitdelen. ' 'Ik vind dat hij er knap uitziet. Op zijn manier. ' 'Dat doet een orangoetan ook. ' 'Jij mag hem niet, hè?' Ze scheen er plezier om te hebben. 'Alleen maar omdat hij zei dat jij een... ' 'Ik vertrouw hem niet. Ik vind hem verdacht. Ik wed dat hij helemaal geen zigeunerfolklorist is, nooit iets over ze geschreven heeft en dat nooit doen zal ook. Als hij zo'n beroemde en belangrijke man is, waarom hebben wij geen van beiden dan ooit van hem gehoord? En waarom komt hij drie jaar achtereen hier naar toe om hun gewoonten en gebruiken te bestuderen? Zelfs voor iemand als ik, die niets van folklore afweet, zou eenmaal genoeg zijn. ' 'Misschien is hij dol op zigeuners. ' 'Best mogelijk. En misschien is hij om heel slechte redenen dol op ze. ' Cecile keek hem aan, aarzelde even, en vroeg toen met gedempte stem: 'Denk je dat dit Gaiuse Strome is?' 'Dat heb ik helemaal niet gezegd. En noem die naam hier niet- je wilt toch nog steeds blijven leven, nietwaar?' 'Ik snap niet... ' 'Hoe weet je dat er geen echte zigeuner zit tussen al die verklede mensen hier op de patio?' 'Je hebt gelijk. Dat was dom van me. ' 'Ja. ' Hij keek naar het tafeltje van dé hertog. Lila was opgestaan en zei iets tegen hem. De hertog maakte een verheven handgebaar en ze liep naar de ingang van het hotel. Bowman keek haar peinzend na terwijl ze over de patio liep, het bordes opging, door de vestibule wandelde en uit het zicht verdween. 'Ze is mooi, vind je niet?' mompelde Cecile. 'Hé? Wat?' Bowman keek haar aan. 'Ja, ja, natuurlijk. Jammer genoeg kan ik niet met jullie allebei trouwen- dat mag niet van de wet. ' Nog steeds peinzend keek hij naar de hertog, toen weer naar Cecile. 'Ga eens met onze forsgebouwde vriend praten. Lees hem de hand. Voorspel hem de toekomst. ' 'Wat?' 'De hertog daar. Ga... ' 'Ik vind dat niet grappig. ' 'Ik ook niet. Het zou niet bij me opgekomen zijn zolang je vriendin daar nog zat — ze zou je onmiddellijk hebben herkend. Maar de hertog herkent je vast niet- hij kent je nauwelijks en zoals je er nu uitziet zal hij je zeker niet herkennen. Al geloof ik overigens niet dat er ook maar enige kans is dat hij zich de tijd gunt om even van zijn ontbijt op te kijken. ' 'Nee!' 'Alsjeblieft, Cecile. ' 'Nee!' 'Denk aan de grotten. Ik heb geen enkele aanwijzing. ' 'O, god, niet doen!' 'Nou dan. ' 'Maar wat kan ik doen?' 'Begin met de bekende flauwekul. Zeg dan dat je ziet dat hij in de naaste toekomst grote plannen heeft en als die slagen... houd dan op dat punt op. Weiger hem nog meer te voorspellen en ga weg. Geef hem de indruk dat het hem slecht zal vergaan. Let op zijn reacties. ' 'Je vermoedt dus werkelijk... ' 'Ik vermoed niets. ' Onwillig schoof ze haar stoel achteruit en stond op. 'Bid tot Sara voor me. ' 'Sara?' 'Dat is toch de beschermheilige van de zigeuners, niet?' Bowman keek haar na. Ze ging beleefd een stapje opzij om een botsing te voorkomen met een nieuwe gast die net was binnengekomen, een ascetische en onwerelds uitziende geestelijke: je kon je Simon Searl onmogelijk als iets anders voorstellen dan als een onzelfzuchtige en toegewijde man Gods aan wiens handen je grif je leven zou willen toevertrouwen. Ze mompelden verontschuldigingen; Cecile liep door en bleef bij het tafeltje van de hertog staan, die zijn koffiekopje neerzette en met een alleszins hertogelijke geërgerdheid opkeek. 'Nou, wat wil je?' 'Goedemorgen, meneer. ' 'Ja, ja, ja, goedemorgen. ' Hij nam zijn koffiekopje weer op. 'Wat wil je?' 'Mag ik u de toekomst voorspellen, meneer?' 'Zie je niet dat ik bezig ben? Verdwijn. ' 'Maar tien francs, meneer. ' 'Ik heb geen tien francs. ' Hij zette zijn kopje weer neer en keek haar voor het eerst wat nauwkeuriger aan. 'Maar welverdraaid, alleen zou je blond moeten zijn... ' Cecile glimlachte, profiteerde van het korte ogenblik van bewondering en pakte zijn linkerhand. 'U hebt een lange levenslijn', kondigde ze aan. 'Ik voel me zo fit als een hoentje. ' 'En u bent van edel bloed. ' 'Dat kan iedere gek zien. ' 'U bent erg vriendelijk van aard... ' 'Niet als ik rammel van de honger. ' Hij rukte zijn hand los, greep een broodje, en keek op toen Lila bij het tafeltje terugkwam. Hij wees met zijn broodje naar Cecile. 'Stuur dit schepsel weg. Ze maakt me van streek. ' 'Daar zie je niet naar uit, Charles. ' 'Hoe kan je zien wat er met mijn spijsvertering aan de hand is?' Lila draaide zich naar Cecile om met een lachje dat half vriendelijk en half verontschuldigend was, een lachje dat heel even vervaagde toen ze zich realiseerde wie ze voor zich had. Lila toverde haar lachje weer terug, en vroeg: 'Misschien zou u mij de hand willen lezen?' De toon was volmaakt gekozen, toegeeflijk zonder hooghartigheid, een stille terechtwijzing voor de onbeschoftheid van de hertog. De hertog bleef volkomen onbewogen. 'Een eind hier vandaan dan, alsjeblieft', zei hij gebiedend. 'Ga maar een eind verderop. ' Ze liepen weg en de hertog keek hen na met een gelaatsuitdrukking zo bedachtzaam als maar mogelijk was voor iemand wiens kaken met metronomische regelmaat op en neer gingen. Hij wendde zijn blik van hen af en keek naar het tafeltje waar Cecile gezeten had. Bowman zat hem recht aan te kijken, maar draaide onmiddellijk zijn hoofd om. De hertog probeerde de nieuwe richting van Bowmans blik te volgen en het kwam hem voor dat Bowman strak naar een lange, magere geestelijke zat te kijken die met een kop koffie voor zich zat, dezelfde geestelijke, realiseerde de hertog zich, die hij bij het klooster van Montmajour de zegen over de zigeuners had zien uitspreken. En het leed geen twijfel waar Simon Searls belangstelling naar uitging: hij staarde met onmatige belangstelling naar de hertog zelf. Bowman sloeg Lila en Cecile gade die een eindje verderop samen stonden te praten; hij zag dat Cecile de hand van Lila vasthield en met klem iets scheen te betogen, terwijl Lila enigszins verlegen glimlachte. Hij zag dat Lila iets in Ceciles hand drukte, en verloor toen plotseling alle belangstelling voor de twee meisjes. Uit de hoek van zijn oog had hij iets veel belangrijkers opgevangen; dat dacht hij althans. Buiten de patio was het kleurige en fleurige fiestaschouwspel op de Boulevard des Lices in volle gang. Kooplieden waren nog steeds bezig inderhaast kraampjes op te zetten maar hun aantal werd inmiddels ver overtroffen door ronddrentelende en koopgrage toeristen. Te midden van de bonte menigte viel de zeldzame verschijning van iemand in donker zakenkostuum volkomen uit de toon. Met camera's omhangen toeristen waren veruit in de meerderheid, de meesten uitgedost in die belachelijk zorgeloze uitbundigheid die vele toeristen schijnt te bevangen zodra ze zich buiten hun eigen grenzen begeven, maar zelfs zij vormden een betrekkelijk kleurloze achtergrond voor de drie volkomen verschillende types wier prachtige kledij ieders blik gevangen hield- de meisjes van Arles in hun gracieuze traditionele fiestakledij, de honderden zigeuners uit tal van verschillende landen, en de gardes, de cowboys van de Camargue. Bowman boog zich voorover op zijn stoel, scherp toekijkend. Opnieuw zag hij wat al direct zijn aandacht had getrokken — een flits van roodbruin haar, een flits- maar onmiskenbaar. Het was Marie le Hobenaut, en ze liep erg snel. Bowman wendde zijn ogen van haar af toen Cecile weer bij hem kwam zitten. 'Spijt me. Sta maar weer op. Nieuwe opdracht. Daar links op straat..' 'Maar wil je niet horen... en mijn ontbijt... ' 'Kan allemaal wachten. Zigeunermeisje, roodbruin haar, gekleed in groen en zwart. Ga haar achterna. Kijk waar ze naar toe gaat -en ze gaat ergens naar toe. Ze heeft een geweldige haast. Gauw!' 'Ja, meneer. ' Ze keek hem spottend aan, stond op en ging weg. Hij keek haar niet na. In plaats daarvan wierp hij een vluchtige blik over de patio. Simon Searl maakte aanstalten om weg te gaan en hij deed dat vrijwel meteen; met achterlating van een paar geldstukjes naast zijn koffiekopje. Enkele seconden later was ook Bowman opgestaan en liep achter de geestelijke aan de straat op. De hertog, zijn gezicht grotendeels verborgen achter een enorme koffiekop, sloeg het vertrek van beide mannen nauwlettend gade. Te midden van de kleurige menigte was Searl dank zij de zwarte soutane gemakkelijk te volgen. Wat het nog makkelijker maakte om hem te volgen was het feit dat hij, zoals het een man Gods betaamt, hoegenaamd geen wantrouwen jegens zijn medemensen scheen te koesteren, want hij keek niet één keer om. Bowman legde er een stapje bovenop tot hij nog maar een meter of drie van hem verwijderd was. Nu kon hij ook Cecile goed zien, die niet veel verder voor Searl uit liep en nu en dan ving hij zelfs een glimp op van het roodbruine haar van Marie le Hobenaut. Bowman maakte de afstand tussen hem en Searl nog kleiner en wachtte zijn kans af. Die kwam vrijwel meteen. Vlak bij een paar viskraampjes trachtten een stuk of zes nogal ongunstig uitziende zigeuners een paar paarden te verkopen die betere dagen hadden gekend. Toen Bowman, nu nog maar anderhalve meter van Searl verwijderd, bij de paarden kwam, botste hij tegen een jongeman op met een donker uiterlijk en een vrij knap gezicht en dun snorretje; hij was nogal fatterig gekleed in een strakzittend donker kostuum en had een zwarte sombrero op. Beide mannen mompelden excuses, stapten opzij en vervolgden hun weg. De donkere jongeman draaide zich na twee stappen om en keek Bowman na, die vrijwel niet meer te zien was aangezien hij zich tussen het groepje paarden doordrong. Bowman zag dat Searl iets verderop bleef staan omdat een weerspannig paard begon te hinniken, het hoofd opwierp en hem de weg blokkeerde. Het paard steigerde, Searl sprong achteruit, en op datzelfde moment gaf Bowman hem een trap achter tegen de knie. Searl slaakte een kreet van pijn en viel op zijn andere knie. Bowman, aan beide kanten door de paarden aan het zicht onttrokken, boog zich bekommerd over Searl heen en dreunde de knokkels van zijn vuist tegen Searls achterhoofd. Searl zeeg ineen. 'Kijk uit met die verdomde paarden!' schreeuwde Bowman. Onmiddellijk schoten enkele zigeuners toe om de weerspannige paarden te kalmeren en opzij te trekken om ruimte te maken rondom de gevallen geestelijke. 'Wat is er gebeurd?' vroeg een van de mannen. 'Wat is er aan de hand?' 'Willen jullie dat woeste kreng verkopen?' vroeg Bowman. 'Maak dat rotbeest liever af. Moet je zien, dat paard heeft hem gewoon buiten westen getrapt. Blijf daar niet zo stom staan kijken. Haal een dokter. ' Een van de zigeuners rende meteen weg. De overigen bogen zich over de languit liggende man en terwijl ze dat deden maakte Bowman zich stilletjes uit de voeten. Maar toch niet zo stilletjes dat het dezelfde jongeman die even tevoren tegen Bowman was opgebotst, ontging:, hij stond aandachtig zijn nagels te bestuderen.
***
Bowman was bijna klaar met ontbijten toen Cecile terugkwam. 'Ik heb het warm', kondigde ze aan. Ze zag ernaar uit. 'En ik val om van de honger. ' Bowman wenkte een passerende kelner. 'En?' 'Ze ging een apotheek in. Ze kocht verbandgaas- meters en meters — en een hele massa zalf en toen ging ze terug naar de woonwagens- op een grasveld niet ver hier vandaan... ' 'De groenwitte woonwagen?' 'Ja. Ze werd daar bij de deur opgewacht door twee vrouwen en toen gingen ze alle drie naar binnen. ' 'En die vrouwen?' 'Een van middelbare leeftijd, de andere een jong meisje met kastanjebruin haar. ' 'Maries moeder en Sara. Arme Tina. ' 'Wat bedoel je?' 'Ik klets maar wat. ' Hij keek naar de andere kant van het terras. 'Dat verliefde stel daar. ' Cecile volgde zijn blik naar de hertog, die nu achterover geleund zat met het verheugde gezicht van iemand die maar ternauwernood aan de hongerdood is ontsnapt en Lila toegeeflijk toelachte terwijl ze met haar hand op de zijne enthousiast zat te praten. Bowman vroeg: 'Is die vriendin van jou achterlijk of zo?' Ze wierp hem een lange en koele blik toe. 'Niet meer dan ik dat ben. ' 'Hm. Ze heeft je natuurlijk herkend. Wat heb je haar verteld?' 'Niets- behalve dat je moest vluchten om je leven te redden. ' 'Vroeg ze zich niet af waarom jij met me bent meegegaan?' 'Omdat ik het wou, zei ik. ' 'Heb je haar verteld dat ik de hertog wantrouwde?' 'Nou ja... ' 'Doet er niet toe. Had zij jou nog iets te vertellen?' 'Niet veel. Alleen dat ze vanmorgen even naar een zigeuner dienst hebben gekeken. ' 'Dienst?' 'Ja, je weet wel- openluchtkerkdienst. ' 'Dat zei Lila, ja. ' 'Met een gewone priester. ' 'Ontbijt jij gauw even af. ' Hij schoof zijn stoel achteruit. 'Ik ben zo terug. ' 'Maar ik dacht- ik dacht dat je wou weten wat de hertog zei, zijn reacties. Per slot van rekening heb je me daarom op hem afgestuurd.' 'O ja?' Bowman leek een beetje verstrooid. 'Straks. ' Hij stond op en ging het hotel binnen: het meisje keek hem na met een verwonderde uitdrukking op haar gezicht.
***
'Grote vent, zeg je, El Brocador. Fors gebouwd. Vlug van beweging. ' Czerda wreef zich in pijnlijke herinnering over het gehavende en bepleisterde gezicht en keek naar de vier mannen die om de tafel in zijn woonwagen zaten- El Brocador, de donkere jongeman tegen wie Bowman op straat was opgebotst, Ferenc, Pierre Lacabro, en een nog steeds beduusde en bleke Simon Searl die zich tegelijkertijd over het achterhoofd en de achterkant van zijn knie zat te wrijven. 'Zijn gezicht was donkerder dan je zei', deelde El Brocador mee. 'En hij had een snor. ' 'Donkere gezichten en snorren kun je in bepaalde winkels kopen. Zijn ware aard als krachtpatser kan hij niet vermommen. ' 'Ik hoop die vent gauw eens tegen te komen', zei Pierre Lacabro. Er klonk haast begeerte in zijn stem. 'Ik zou daar maar niet te happig op zijn', zei Czerda droog. 'Je hebt hem helemaal niet gezien, Searl?' 'Ik zag niks. Ik voelde alleen maar die twee dreunen van achteren- nee, die tweede voelde ik niet eens. ' 'Waarom moest je trouwens naar dat hotel terras gaan?' 'Ik wou die hertog van Croytor weleens van dichtbij bekijken. Jij was het, Czerda, die me nieuwsgierig naar hem maakte. Ik wou zijn stem horen. Kijken met wie hij sprak, zien of hij bepaalde contacten heeft die... " 'Hij trekt met dat Engelse grietje op. Hij is ongevaarlijk. ' 'Schrandere kerels doen zulke dingen', zei Searl. 'Schrandere kerels doen de dingen niet die jij doet', zei Czerda grimmig. 'Nou weet Bowman wie jij bent. Hij weet nou vast en zeker ook dat er in de woonwagen van Madame Zigair iemand zwaargewond is. Als de hertog van Croytor is wie jij denkt dat hij is, dan moet hij nou ook weten dat jij hem ervan verdenkt Gaiuse Strome te zijn- en als hij dat inderdaad is, zal hij geen van al die dingen erg leuk vinden. ' De uitdrukking op Searls gezicht liet er geen twijfel aan bestaan dat hij dat zelf ook al had bedacht. Czerda vervolgde: 'Bowman. Hij is de enige oplossing. Deze man moet tot zwijgen worden gebracht. Vandaag. Maar voorzichtig. In alle stilte. Per ongeluk. Wie weet wat voor vrienden deze kerel misschien heeft?' 'Ik heb je al gezegd hoe we dit kunnen klaarspelen', zei El Brocador. 'Prachtidee. We pakken hem vanmiddag. Lacabro, jij bent de enige van ons die hij niet kent. Ga naar zijn hotel. Houd hem in de gaten. Volg hem. We mogen hem niet meer kwijtraken. ' 'Het zal me een groot genoegen zijn. ' 'Geen geweld', waarschuwde Czerda. 'Natuurlijk niet. ' Lacabro trok opeens een ongelukkig gezicht. 'Maar ik weet niet hoe hij eruitziet. Donker en forsgebouwd- er zijn honderden donkere en forsgebouwde... ' 'Als hij de man is die El Brocador beschreef en de man die ik me herinner op het hotelterras te hebben zien zitten, ' zei Searl, 'dan is hij in gezelschap van een meisje in zigeunerkledij. Jong, donker, knap, in een jurk met veel groen en goud, vier rinkelende armbanden om haar linkerpols. '
***
Cecile keek van de restanten van haar ontbijt op toen Bowman weer bij haar aan het tafeltje kwam zitten. 'Je hebt er je tijd voor genomen', merkte ze op. 'Ik heb niet stilgezeten. Even de deur uit geweest. Gewinkeld. ' 'Ik heb je niet zien weggaan. ' 'Ze hebben een achteruitgang. ' 'En nu?' 'Nu moet ik iets dringends gaan doen. ' 'Zoals dit? Gewoon hier zitten?' 'Voordat ik me aan het dringende ga wijden waar ik me aan moet gaan wijden, moet ik iets anders doen dat ook dringend is. En dat houdt in even hier blijven zitten. Weet je dat ze hier in Arles een paar erg bemoeizieke Chinezen hebben?' 'Waar heb je het nou in 's hemelsnaam over?' 'Dat stel dat daarginds vlak bij Romeo en Julia zit. Niet meteen kijken. Man is groot voor een Chinees, jaar of veertig, hoewel dat met die lui altijd moeilijk is te zeggen. Vrouw die bij hem zit is jonger, Indo, heel mooi. Ze hebben allebei een lichtgetinte zonnebril op, van die spiegeldingen waar je van buiten niet doorheen kunt kijken. ' Cecile nam een koffiekopje op en keek terloops over het terras. Ze zei: 'Ja, nu zie ik ze. ' 'Mensen met zo'n spiegelzonnebril op moet je nooit vertrouwen. Hij schijnt erg veel belangstelling voor de hertog te hebben. ' 'Zelfde postuur. ' 'Scheelt niet veel. ' Bowman keek bedachtzaam naar het Chinese paar, toen naar de hertog en Lila, toen weer naar Cecile. Hij zei: 'Kom, we gaan. ' 'Maar, ' zei ze, 'dat dringende- dat eerste dringende waar je je aan moest wijden... ' 'Al gedaan. Ik zal de wagen even voorrijden. ' De hertog zag hem weglopen en zei tegen Lila: 'Nog een uurtje en we zitten te midden van onze mensen. ' 'Mensen, Charles?' 'De zigeuners, kindje. Maar eerst moet ik nog een hoofdstuk van mijn boek schrijven. ' 'Zal ik je pen en papier halen?' 'Niet nodig, liefje. ' 'Bedoel je- bedoel je dat je het allemaal in je geheugen prent? Dat is niet mogelijk, Charles. ' Hij klopte lichtjes op haar hand en glimlachte toegeeflijk. 'Wat jij voor me kunt doen, is een liter bier laten aanrukken. Het wordt akelig warm. Ga eens op zoek naar een kelner, wil je?' Lila liep gehoorzaam weg en de hertog keek haar na. Zijn gelaatsuitdrukking had niets toegeeflijks meer toen hij zag dat ze even lachend bleef staan praten met het zigeunermeisje dat haar enkele ogenblikken geleden de toekomst had voorspeld; er was ook geen spoor van toegeeflijkheid op zijn gezicht toen hij een onderzoekende blik wierp op het Chinese paar aan het tafeltje naast hem; nog minder toen hij Cecile op straat bij Bowman in een witte auto zag stappen; en het allerminst toen hij zag dat er enkele seconden nadat Bowmans witte wagen was weggereden een andere auto wegreed. Cecile bekeek stomverbaasd het interieur van de witte Simca. Ze vroeg: 'Wat betekent dit allemaal? Hoe kom je opeens.. 'Er zijn zulke dingen als telefoons', legde hij uit. 'Heb dit geregeld terwijl jij zat te ontbijten. Twee, eigenlijk. ' 'Twee wat?' 'Twee huurwagens. Je weet nooit wanneer je om zo'n ding verlegen zit. ' 'Maar- in zo korte tijd. ' 'Garage is hier een eindje verderop in de straat — ze stuurden even een mannetje om te zien of alles in orde is. ' Hij haalde Czerda's nauwelijks gedunde bundel Zwitserse bankbiljetten uit zijn zak, knisperde er even mee en stak het geld weer weg. 'Hangt van de borgsom af. ' 'Je bent wat je noemt amoreel, niet?' Het klonk bijna bewonderend. 'Wat bedoel je daar nou weer mee?' 'De manier waarop jij andermans geld rondstrooit. ' 'Het leven is voor de levenden, geld moet rollen', zei Bowman plechtig. 'In een doodshemd zitten geen zakken. ' 'Je bent hopeloos', zei ze. 'Volkomen hopeloos. En waarom deze auto overigens?' 'Waarom die verkleedpartij van je?' 'Waarom... o, ik snap het. Natuurlijk, de Peugeot kennen ze. Daar had ik niet aan gedacht. ' Ze keek hem nieuwsgierig aan toen hij bij een wegwijzer de Simca de richting naar Nimes liet opzwenken. 'Waar wil je eigenlijk naar toe?' 'Weet ik nog niet zeker. Ik zoek naar een plek waar ik ongestoord kan praten. ' 'Met mij?' 'Niet zo ongeduldig. Ik heb mijn hele leven nog om met jou te praten. Nee, toen we op het terras zaten, was er een onguur uitziende zigeuner met een gehavend gezicht die in een gehavende Renault tien minuten lang naar ons zat te kijken. Ze zitten nou allebei honderd meter achter ons. Ik wil met die gehavend uitziende zigeuner praten. ' 'O!' 'Zeg dat wel. Je vraagt je toch af hoe die trawanten van Gaiuse Strome ons zo gauw op het spoor komen. ' Hij wierp haar een zijdelingse blik toe. 'Je kijkt me op een heel eigenaardige manier aan, als ik zo vrij mag zijn dat te zeggen. ' 'Ik zit te denken. ' 'En?' 'Als ze je op het spoor zijn, waarom dan al die moeite om van wagen te wisselen?' Bowman zei geduldig: 'Toen ik de Simca huurde wist ik niet dat ze me op het spoor waren. ' 'En ben je nu bezig mij opnieuw in gevaar te brengen? Of wat gevaar zou kunnen zijn?' 'Ik hoop van niet. Als het zo is, dan spijt het me. Maar als ze me op het spoor zijn, dan zijn ze ook het charmante zigeunermeisje op het spoor dat naast me heeft gezeten- vergeet niet dat jij het was waar die priester achteraan ging toen hij slachtoffer werd van dat akelige ongelukje met die paarden. Had je liever dat ik je liet zitten zodat je alleen met ze kon afrekenen?' 'Je biedt me niet veel keus', klaagde ze. 'Ik heb maar heel weinig te bieden. ' Bowman keek in het spiegeltje. De gehavende Renault reed nog geen honderd meter achter hem. Cecile keek om. 'Waarom stop je hier niet even om met hem te praten? Hier zou hij nooit iets durven doen. Veel te veel mensen in de buurt. ' 'Inderdaad veel te veel', stemde Bowman in. 'Als ik met hem praat wil ik dat er binnen een halve kilometer geen mens te zien is. ' Ze keek hem even aan, huiverde en zei niets. Bowman reed de Simca de Rhônebrug over naar Trinquetaille, sloeg linksaf de weg naar Albaron in en reed toen opnieuw links de weg op die in zuidelijke richting langs de rechteroever van de Rhône liep. Hier minderde hij vaart en bracht de wagen rustig tot stilstand. De bestuurder van de Renault, merkte hij, deed op veilige afstand hetzelfde. Bowman trok de Simca weer op, en de Renault volgde. Anderhalve kilometer verder op de kale vlakte van de Camargue stopte Bowman opnieuw. De Renault stopte eveneens. Bowman stapte uit, liep naar de achterkant van de wagen, keek even naar de honderd meter verderop staande Renault, opende de bagage klep, pakte iets uit de gereedschapstas, stopte het in zijn binnenzak, klapte de kofferdeksel dicht, en schoof weer achter het stuur. Het stuk gereedschap legde hij naast zich op de vloer. 'Wat is dat?' vroeg Cecile met een stem die al even angstig was als het gezicht dat ze trok. 'Een wielsleutel. ' 'Iets niet in orde met de wielen?' 'Je kunt wielsleutels ook voor andere dingen gebruiken. ' Hij reed verder. Na enkele minuten begon de weg enigszins te klimmen, maakte een onverwacht scherpe bocht naar links en plotseling lag daar, haast pal onder hen en op nog geen zes meter afstand, het modderige glanzende water van de Grand Rhône. Bowman trapte zwaar op de rem, was uit de wagen gesprongen nog voor het ding helemaal stilstond, en liep vlug terug in de richting van waar hij gekomen was. De Renault kwam de bocht om en de volledig verraste bestuurder bracht de wagen nog geen tien meter van Bowman af slippend tot stilstand. Bowman, één hand op zijn rug, liep op de Renault toe, en rukte het bestuurdersportier open. Pierre Lacabro staarde hem woedend aan, zijn brede verdierlijkte gezicht verwrongen in een wrede grijns. 'Ik begin te geloven dat je me volgt', zei Bowman vriendelijk. Lacabro gaf geen antwoord. In plaats daarvan, met één hand op het stuur en de andere op de deurlijst om zich zo krachtig mogelijk af te zetten, sprong hij met een voor een man van zijn omvang verrassende snelheid uit de wagen. Bowman had niets anders verwacht. Hij stapte snel opzij en toen de ineengedoken Lacabro langs hem stoof, liet hij de wielsleutel op Lacabro's linkerarm neerzwaaien. Het geluid van de klap, de verrassend luide knak van een brekend bot, en Lacabro's gil van pijn klonken vrijwel tegelijkertijd. 'Wie stuurde jou achter me aan?' vroeg Bowman. Lacabro, kronkelend op de grond en zijn beschadigde linkeronderarm omklemmend, blafte iets onverstaanbaars in het Roemeens. 'Luister alsjeblieft even goed naar me', zei Bowman. 'Ik heb met moordenaars te doen. Ik weet dat ik met moordenaars te doen heb. Wat belangrijker is, ik weet wat ik met moordenaars moet doen. Ik heb al één van je botten gebroken- je arm, zou ik zo denken. Ik wil graag meteen doorgaan zoveel botten te breken als maar nodig is- aannemende dat je bij bewustzijn blijft- tot ik weet waarom die vier vrouwen in die groenwitte woonwagen halfdood zijn van angst. Als je bewusteloos raakt, blijf ik gewoon een sigaretje zitten roken tot je weer bijkomt, en dan ga ik nog meer van je botten breken. ' Cecile was uit de Simca gestapt en stond nu vlak bij hen. Haar gezicht was erg bleek. Ze staarde Bowman vol afgrijzen aan. 'Ben je soms van plan... ' 'Houd je mond!' Hij richtte zijn aandacht weer op Lacabro. 'Vooruit, vertel me hoe dat met die vrouwen zit. ' Lacabro gromde weer iets dat beslist een nieuwe verwensing was, liet zich snel opzij rollen, en toen hij op zijn rechterelleboog steunend iets overeind kwam, slaakte Cecile een gil. Lacabro had een revolver in zijn hand maar door schrik of pijn of allebei was zijn reactievermogen vertraagd. Hij stiet een nieuwe pijnkreet uit, en zijn revolver vloog de ene kant op en de wielsleutel een andere. Hij drukte beide handen tegen zijn gezicht; er sijpelde bloed door zijn vingers. 'Dat kost je je neus, niet?' vroeg Bowman. 'Dat donkere meisje, die Tina, ze is zwaargewond, is het niet? Hoe zwaar is ze afgetuigd? Waarom werd ze afgetuigd? Wie heeft haar afgetuigd?' Lacabro nam zijn handen van zijn bloedende gezicht weg. Zijn neus was niet gebroken, maar bood geen bijzonder prettige aanblik en dat zou voorlopig wel zo blijven. Hij spuwde bloed en een gebroken tand uit, blafte opnieuw iets in het Roemeens en staarde Bowman als een wild beest aan. 'Jij hebt dat gedaan', zei Bowman met zekerheid in zijn stem. 'Ja, dat heb jij gedaan. Jij bent een van Czerda's beulsknechten, niet? Misschien wel de opperbeulsknecht. Ik vraag me toch af makker, ik vraag me toch af- was jij het die Alexandre in die grot vermoord heeft?' Lacabro, zijn gezicht het gezicht van een krankzinnige, krabbelde dronken overeind en bleef al net zo dronken zwaaiend staan. Hij scheen een bezwijming nabij, met woest rollende ogen in zijn verkrampte gezicht. Bowman liep op hem toe, waarop Lacabro, met vertoon van een ongelooflijke weerstand tegen pijn, een dierlijke sluwheid, en een al even dierlijk herstellingsvermogen, plotseling naar voren stapte en zijn rechtervuist opzwaaide voor een kolossale slag die, vermoedelijk meer door geluk dan berekening, Bowman tegen de zijkant van de kin trof. Bowman wankelde achteruit, verloor zijn evenwicht en smakte neer op de smalle berm, nauwelijks een meter van de loodrechte rotswand die de oever van de Rhône vormde. Lacabro maakte geen aanstalten om op hem af te springen. Hoewel versuft van pijn, wist hij zijn voordeel beter uit te buiten. Hij draaide zich om en rende naar de revolver die nog geen halve meter van de plek was terechtgekomen waar Cecile stond, de ontzetting op haar gezicht weerspiegeld in de roerloosheid van haar lichaam. Bowman duwde zich enigszins versuft op een arm omhoog. Hij zag het allemaal in vertraagde beweging gebeuren: het meisje met de revolver aan haar voeten, Lacabro die erop afsprong, het meisje dat stokstijf bleef staan. Misschien zag ze het verdomde ding niet eens, dacht hij wanhopig, maar zo slecht konden haar ogen niet zijn, als ze een revolver die nog geen halve meter van haar aflag niet eens kon zien, had ze het recht niet zonder een witte stok op straat te gaan. Maar zo slecht waren haar ogen inderdaad niet. Plotseling bukte ze zich, raapte de revolver op, gooide het wapen in de Rhóne en liet zich dan met prijzenswaardig overleg plat op de grond vallen toen Lacabro, zijn gehavende, bloedende gezicht een masker van bloed en haat, op haar afkwam om haar neer te slaan. Maar zelfs op dat ogenblik, waarop hij tot blinde razernij moest zijn gebracht en zijn instinct hem ertoe moest hebben aangezet zich op het meisje te storten dat hem zijn revolver afhandig had gemaakt, wist Lacabro nog altijd zijn voordeel beter uit te buiten. Hij negeerde het meisje, draaide zich om en ging diep ineengedoken op Bowman af. Maar Cecile had Bowman alle tijd gegeven die hij nodig had. Tegen het moment dat Lacabro bij hem kwam, stond hij weer overeind, nog steeds behoorlijk versuft en ietwat onvast ter been, maar niettemin weer in vol bedrijf. Hij ontweek Lacabro's stormloop en uitzwaaiende laars en greep de zigeuner beet toen hij langs hem stoof; het kwam 20 uit dat hij hem bij de linkerarm greep. Lacabro schreeuwde het uit van pijn, rukte ten koste van wat voor ellende ook zijn arm los en kwam opnieuw aanstormen. Dit keer deed Bowman geen poging hem te ontwijken maar sprong met dezelfde snelheid op hem af. Zijn opzwaaiende rechtervuist bereikte zonder enige moeite Lacabro's kin, want Lacabro had nu geen linkse dekking meer. De zigeuner tuimelde een paar passen achteruit, wankelde even op de rand van de afgrond, en viel toen achterover in de Rhône. De plons waarmee zijn lichaam in het modderwater terechtkwam, leek ongewoon luid. Bowman keek behoedzaam over de rand van de afgrond: er was niets van Lacabro te zien. Als hij bewusteloos was geweest toen hij in het water terechtkwam, zou hij tot op de bodem zijn gevallen en dat was dat: het zou onmogelijk zijn hem in dat donkere water te zien liggen. Niet dat Bowman er veel voor voelde om te proberen de zigeuner te redden: als hij niet bewusteloos was zou hij vast en zeker zijn dankbaarheid uiten door zijn best te doen zijn redder te verdrinken. Bowman voelde niet voldoende genegenheid voor Lacabro om dat risico te nemen. Hij liep naar de Renault, stelde een kort onderzoek in, vond wat hij verwachtte te vinden- niets, startte de motor, schakelde de eerste versnelling in, stuurde de wagen naar de oever van de rivier en sprong eruit. Het wagentje hobbelde naar de rand van de afgrond, kantelde over de rand heen en stortte in de rivier met een daverende klap, waarbij het water wel tien meter omhoogspatte. Veel van dit water regende op Lacabro neer. Hij lag in halfzittende houding op een smalle richel van kiezels en zand onder een overhangend gedeelte van de rotswand. Zijn kleren waren doorweekt, zijn rechterhand omklemde zijn linkerpols. Zijn versufte en verbijsterde gezicht vertoonde een mengeling van pijn en ontzetting en ongeloof. Het was, hoe dan ook, het gezicht van een man die op één dag genoeg had meegemaakt. Cecile zat nog steeds op de grond toen Bowman bij haar kwam. Hij zei: 'Je vernielt die mooie zigeunerjurk door zo maar op de grond te gaan zitten. ' 'Ja, dat vrees ik ook. ' Haar stem was nuchter, merkwaardig kalm. Ze accepteerde zijn hand, stond op en keek om zich heen. 'Is hij weg?' 'Laten we zeggen dat ik hem niet kan vinden. ' 'Dat was geen- dat was geen eerlijk gevecht. ' 'Dat was ook niet de bedoeling, engeltje. Als de situatie natuurlijk ideaal was geweest, zou hij me met kogels hebben doorzeefd. ' 'Maar- kan hij zwemmen?' 'Hoe zou ik dat verdomme moeten weten?' Hij bracht haar terug naar de Simca, en nadat ze anderhalve kilometer zwijgend hadden afgelegd, keek hij haar nieuwsgierig aan. Haar handen beefden, haar gezicht was doodsbleek, en toen ze de vraag stelde was haar stem een dof gefluister met een trilling erin: klaarblijkelijk was ze ten prooi aan een vertraagde shock. Ze vroeg: 'Wie ben je toch?' 'Doet er niet toe. ' 'Ik — ik heb vandaag je leven gered. ' 'Nou ja, inderdaad, dat is zo, bedankt. Maar je had die revolver moeten gebruiken om hem neer te schieten of in bedwang te houden. ' Het bleef lang stil, toen snoof ze luid en zei haast jammerend: 'Ik heb nog nooit van mijn leven een revolver afgevuurd. Ik kan niet genoeg zien om een revolver af te vuren. ' 'Dat weet ik. Het spijt me. Alles spijt me, Cecile. Maar wat me het meeste spijt is dat ik jou ooit in deze verdomde rotzooi betrokken heb. God, ik had beter moeten weten. ' 'Waarom jezelf verwijten maken?' Nog steeds iets van gesnik in haar stem. 'Je moest gisteravond ergens binnenvluchten en mijn kamer... ' Ze zweeg plotseling, keek hem aan en fluisterde: 'Je zit aan iets anders te denken, is het niet?' 'Laten we teruggaan naar Arles', zei hij. Ze bleef hem aankijken, wendde haar blik toen af en probeerde een sigaret op te steken, maar haar hand trilde zo dat hij het maar voor haar deed. Haar hand beefde nog steeds toen ze weer bij het hotel kwamen.