2

 

Voor zo'n ongezond huis in zo'n ongezonde buurt was de huiskamer verrassend comfortabel, hoewel degene die hem had ingericht kennelijk een sterke voorkeur had voor de kleur roodbruin, want zowel de sofa als de leunstoelen, het tapijt en de zware, discrete gordijnen hadden allemaal diezelfde tint of iets dat er veel op leek. Een rookloos kolenvuur - dit was een buurt zonder rook - deed pogingen gezellig te branden in de haard. Wrinfield en Bruno zaten ieder in een leunstoel; Fawcett was in de weer met een draagbare cocktailbar. 'Leg me die zaak met die antimaterie nog eens uit, of hoe het dan ook heet,' zei Bruno voorzichtig. Fawcett zuchtte diep. 'Ik was al bang dat je me dat zou vragen. Ik ben er zeker van dat ik het de eerste keer goed heb verteld, omdat ik mijn lesje uit mijn hoofd had geleerd en gewoon napraatte wat ik zelf had gehoord. Dat moest ik wel, want ik weet zelf ook niet waar het precies om gaat.' Fawcett voorzag iedereen van een drankje - een soda voor Bruno - en streek over zijn kin. 'Ik zal proberen het deze keer wat simpeler uit te leggen. Misschien begin ik er zelf dan ook iets van te begrijpen. We weten dat materie is opgebouwd uit atomen. Die atomen bestaan uit een groot aantal bouwstenen - de geleerden schijnen zich steeds meer te verbazen over de toenemende complexiteit van het atoom - maar wat voor ons leken van belang is, zijn de twee fundamentele elementen van het atoom, elektronen en protonen. Op deze aarde - trouwens, in het gehele heelal — zijn elektronen altijd negatief geladen en protonen positief. Helaas worden de problemen voor onze fysici, chemici en astronomen steeds groter, door een aantal oorzaken. Pas dit jaar is bijvoorbeeld ontdekt dat er deeltjes zijn - waar die dan ook uit mogen bestaan - die zich met een snelheid van vele malen die van het licht verplaatsen; dit is een nogal onthutsende ontdekking voor die geleerden - en in feite geldt dat voor allemaal - die geloven dat niets zich sneller zou kunnen verplaatsen dan het licht. Wij hoeven ons daar op dit moment echter niet mee bezig te houden. Enige tijd geleden deden twee astronomen, Dicke en Anderson, de onwelkome ontdekking, gebaseerd op theoretische berekeningen, dat er positief geladen elektronen moeten bestaan. Het bestaan daarvan is inmiddels een algemeen geaccepteerd gegeven, en men noemt deze positieve elektronen positronen. Om de zaken nog wat ingewikkelder te maken werd het bestaan van antiprotonen ontdekt — op de universiteit van Berkeley - die dus ook een elektrische lading hebben die tegengesteld is aan die van protonen. Een combinatie van positronen en antiprotonen kan de oorzaak zijn van de vorming van wat men nu "antimaterie" noemt. Het bestaan van antimaterie wordt thans door geen enkele gezaghebbende geleerde betwist. Ook wordt door niemand betwist dat als een elektron en een positron of een proton en een antiproton of beide groepen met elkaar in botsing zouden komen, de gevolgen rampzalig zouden zijn. Ze zouden elkaar vernietigen en tegelijk dodelijke gamma- stralen verspreiden. Bovendien zou er een zodanige evenwichtsverstoring en hitteconcentratie ontstaan, dat alle leven tot in een omtrek van honderden vierkante kilometers onmiddellijk zou worden weggevaagd. Daar bestaat geen verschil van mening over. Men schat dat als slechts twee gram antimaterie onze planeet aan de zonzijde zou raken, de aarde, na totale vernietiging van alle leven, binnen de aantrekkingskracht van de zon zou worden geslingerd. Aangenomen dat de aarde bij het eerste contact al niet onmiddellijk zou worden verpulverd.' 'Een aangenaam vooruitzicht,' zei Wrinfield. Hij maakte echter niet de indruk dat hij overtuigd was. 'Zonder onvriendelijk te willen worden; dit lijkt me een wat overdreven fantasie uit een sciencefiction verhaal.' 'Zo dacht ik er aanvankelijk ook over. Maar ik moet toch geloven wat mij verteld wordt. Trouwens, ik begin zelf inmiddels ook overtuigd te raken.' 'Maar deze antimaterie komt toch niet op aarde voor?' 'Gezien de eigenschap van antimaterie dat het onmiddellijk alle materie waarmee het in aanraking komt vernietigt, ligt dat nogal voor de hand.' 'Waar komt het dan wel vandaan?' 'Hoe moet ik dat weten?' Fawcett had geen geërgerde indruk willen maken, hij hield er alleen niet van om naar het onbekende te gissen. 'Wij denken dat ons heelal het enige universum is. Hoe kunnen we daar zeker van zijn? Misschien ligt er nog een heelal voorbij het onze, misschien zelfs een groot aantal. Volgens de laatste wetenschappelijke theorieën is het helemaal niet uitgesloten dat een of meer van die universums uit antimaterie zijn opgebouwd.' Fawcett zweeg even somber. 'Ik neem aan dat als daar intelligente wezens zouden leven, zij er vanuit zouden gaan dat ons universum uit antimaterie bestaat. Natuurlijk kunnen het ook enkel wat resten zijn die zijn overgebleven bij het ontstaan van ons eigen heelal. Wie zal het zeggen?' 'Dus in feite berust de hele theorie op speculatie,' zei Bruno. 'Het is alleen maar een hypothese. Theoretische berekeningen, dat is alles. Er is geen enkel bewijs, kolonel Fawcett.' 'Volgens ons is dat er wel.' Fawcett glimlachte. 'Neem me niet kwalijk dat ik het over "ons" heb. Wat, in termen van het aantal doden, een ramp van enorme afmetingen zou zijn geweest, vond gelukkig plaats in een onbewoond deel van Noord-Siberië in 1908. Toen Russische geleerden het fenomeen onderzochten - bijna twintig jaar later - ontdekten ze een gebied van meer dan honderdvijftig vierkante kilometer waar de bomen door hitte verkoold waren: niet door vuur, maar door een onmiddellijke ontbranding, die er in veel gevallen toe had geleid dat de bomen in verticale stand waren verkoold. Als dit merkwaardige verschijnsel zich bijvoorbeeld in New York of Londen had voorgedaan waren dat geblakerde dode steden geworden.' 'Bewijzen,' zei Bruno, 'we hadden het over bewijzen, kolonel.' 'Dit is een bewijs. Alle andere vernielingen die op aarde zijn veroorzaakt door de inslag van voorwerpen uit de ruimte, zijn bijna zonder uitzondering het gevolg geweest van meteoorinslag. Er was geen spoor te vinden van de meteoor die eventueel deze Siberische ramp veroorzaakt zou kunnen hebben en bovendien leverde de grond waar de meteoor zou zijn ingeslagen geen enkele aanwijzing op: toen meteoren in gebieden in Arizona en Zuid-Afrika insloegen veroorzaakten ze enorme kraters. De nu algemeen geaccepteerde en onvermijdelijke conclusie is dat Siberië getroffen werd door een deeltje antimaterie met een gewicht in de orde van een honderdmiljoenste gram.' Er viel een veelzeggende stilte, toen zei Wrinfield: 'Hoe dan ook, we hebben dit al eens gehoord. Het is nu deze tweede keer wat duidelijker, maar niet veel. Dus?' 'Een jaar of twaalf geleden vroeg men zich in wetenschappelijke kringen af of de Russen het geheim van de antimaterie hadden ontsluierd, maar deze veronderstelling werd onmiddellijk van de hand gewezen op grond van de onaangename eigenschap van antimaterie dat het alle materie vernietigt waarmee het in contact komt, dus de hele schepping. Daarom leek het niet mogelijk het op te slaan of toe te passen. Althans, dat was toen onmogelijk. Wat zouden de gevolgen zijn als dit wel mogelijk of bijna mogelijk zou zijn? Het land dat dit geheim zou ontdekken zou de hele wereld in zijn macht hebben. Hiermee vergeleken zijn kernwapens onschadelijk kinderspeelgoed.' Lange tijd sprak er niemand. Toen zei Wrinfield: 'U zou dit niet zeggen als u geen reden had om aan te nemen dat zulke wapens bestaan of zouden kunnen bestaan.' 'Ik heb inderdaad reden om dat aan te nemen. Deze mogelijkheid heeft de inlichtingendiensten van alle moderne landen al enige jaren geobsedeerd.' 'Het is duidelijk dat wij dit geheim niet bezitten, anders zou u ons dit alles niet vertellen.' 'Dat is duidelijk, ja.' 'En ook een land als bijvoorbeeld Groot-Brittannië heeft het geheim niet ontdekt?' 'In dat geval was er voor ons geen reden tot bezorgdheid.' -'Omdat zij, als het er op aan zou komen, bondgenoten zouden zijn en verstandig zouden optreden?' 'Ik had het zelf niet beter kunnen formuleren.' 'Dus bevindt zich het geheim - als het tenminste al ontdekt is - in handen van een natie die, als het er op aan zou komen, ons niet vriendelijk gezind zou zijn en ook niet verstandig zou optreden?' 'Inderdaad.' Fawcett overwoog dat Pilgrim hem had gewaarschuwd Wrinfields intelligentie niet te onderschatten. 'Pilgrim en ik hebben al enige voorzichtige afspraken gemaakt en zijn tot voorlopige overeenstemming gekomen,' zei Wrinfield langzaam, 'maar dit verhaal heeft hij me nooit verteld.' 'Daar was het toen ook niet het juiste moment voor.' 'En dat is het nu wel?' 'Nu of helemaal niet.' 'Natuurlijk wilt u dit geheim, of die formule, of wat het dan ook is, in handen krijgen?' Fawcett begon zijn mening over Wrinfields intelligentie te herzien. 'Ja, wat dacht u dan?' 'Hoe komt u er eigenlijk bij dat wij verstandiger en met meer gevoel voor verantwoordelijkheid zouden optreden dan een groot aantal andere landen?' 'Ik ben in dienst van de regering van de Verenigde Staten; zij betalen mijn salaris. Ik behoef mij die vraag niet te stellen.' 'Het zal u niet zijn ontgaan dat de Gestapo en de SS in de Tweede Wereldoorlog op dezelfde manier redeneerden en dat dat ook geldt voor de Russische KGB in latere jaren?' 'Dat is mij niet ontgaan. Maar ik geloof niet dat de vergelijking opgaat. De Verenigde Staten zijn niet uit op meer macht, gewapende macht. U hoeft me niet te vertellen dat wij reeds de sterkste natie ter wereld zijn. Kunt u zich voorstellen wat er zou gebeuren als dit geheim in handen viel van, laten we zeggen, de niet geheel betrouwbare leiders van een paar van de nieuwe Centraalafrikaanse republieken? Wij gaan er gewoon van uit dat wij meer verantwoordelijkheidsgevoel hebben dan de meeste andere landen.' 'We moeten hopen dat dat zo is.' Fawcett trachtte een diepe zucht van opluchting te verbergen. 'Dat wil zeggen dat u met ons wilt meewerken?' 'Ik zal meewerken. Zojuist zei u dat het nu het juiste moment was om mij dit alles te vertellen. Waarom?' 'Ik hoop dat ik het bij het rechte eind had toen ik dat zei.' Bruno maakte een beweging. 'En wat wilt u van mij, kolonel?' Fawcett was zich ervan bewust dat er momenten waren waarop het weinig zin had om de zaken heen te draaien. 'Zorg dat u de formule in handen krijgt,' zei hij. Bruno stond op en schonk zich nog een soda in. Hij dronk het glas in één teug leeg en zei toen: 'Ik zou hem moeten stelen, bedoelt u?' 'U moet hem in handen zien te krijgen. Zou u het stelen noemen om het geweer uit de handen van een maniak te rukken?' 'Maar waarom heeft u mij uitgekozen?' 'Omdat u een aantal unieke gaven heeft. Ik kan u niet duidelijk maken hoe we ons voorstellen die gaven te gebruiken tot ik een definitief antwoord heb. Alles wat ik nu weet is dat we er vrij zeker van zijn dat er slechts één formule bestaat, slechts één man die de formule in zijn bezit heeft en in staat is hem te reproduceren. We weten zowel waar de man als de formule zich bevindt.' 'Waar?' Fawcett aarzelde niet. 'In Crau.' Bruno's reactie kwam totaal niet overeen met wat Fawcett had verwacht. Toen hij antwoordde was zijn stem al even uitdrukkingloos als zijn gezicht. Toonloos herhaalde hij: 'Crau . . .' 'Inderdaad, Crau. Uw oude vaderland en uw vroegere woonplaats.' Bruno gaf niet onmiddellijk antwoord. Hij liep weer terug naar zijn stoel, bleef een volle minuut bewegingloos zitten en zei toen: 'Als ik in dit plan toestem, hoe kom ik daar dan? Illegaal de grens overschrijden? Een parachute gebruiken?' Fawcett deed een heldhaftige - en ook succesvolle - poging zijn gevoel van opwinding te verbergen. Wrinfield en Bruno - hij had hen nu allebei voor de zaak gewonnen, in slechts luttele minuten. Neutraal zei hij: 'Nee, niets dramatisch. U gaat gewoon met het circus mee.' Dit keer was Bruno kennelijk sprakeloos, dus zei Wrinfield: 'Dat is inderdaad waar, Bruno. Wij - dat wil zeggen, ik - heb erin toegestemd de regering hierbij te helpen. Niet dat ik tot op dit moment precies wist waar het in feite om ging. We gaan een korte tournee maken door Europa, voornamelijk door Oost-Europa. De onderhandelingen zijn al in een vergevorderd stadium. Het is niets bijzonders. Zij sturen ook circussen, dansers en zangers naar ons toe; wij doen mee aan die uitwisseling.' 'Het héle circus?' 'Nee, natuurlijk niet. Dat zou onmogelijk zijn. Alleen de “crème de la crème" laten we zeggen.' Wrinfield lachte flauwtjes. 'We kunnen aannemen dat jij daar ook toe behoort.' 'En als ik zou weigeren?' 'Dan zeggen we de tournee gewoon af.' Bruno wierp een blik op Fawcett. 'Mr. Wrinfields gederfde inkomsten kunnen uw regering zo'n één miljoen dollar gaan kosten.' 'Onze regering. We zouden er trouwens een miljard dollar voor overhebben om deze formule in handen te krijgen.' Bruno keek van Fawcett naar Wrinfield en toen weer naar Fawcett. Toen zei hij abrupt: 'Ik doe mee.' 'Geweldig. Mijn dank. En de dank van uw land. De details -' 'Ik heb de dank van mijn land niet nodig.' De opmerking klonk wat duister, maar was kennelijk niet beledigend bedoeld. Fawcett was even van zijn stuk gebracht en probeerde de betekenis van de opmerking te doorgronden; toen besloot hij dat hij er beter niets achter kon zoeken. 'Zoals u wilt,' zei hij. 'Zoals ik al zei, de details kunnen tot later wachten. Mr. Wrinfield, heeft Pilgrim u gezegd dat wij graag zouden zien dat u nog twee mensen extra meenam op uw tournee?' 'Nee.' Wrinfield maakte een enigszins geprikkelde indruk. 'Het lijkt me dat er nogal wat dingen zijn die Mr. Pilgrim heeft verzuimd mij te vertellen.' 'Mr. Pilgrim weet wel wat hij doet.' Nu hij bereikt had wat hij wilde, werd Fawcett wat minder voorkomend, maar hij bleef nog steeds hoffelijk en beleefd. 'Het had geen zin u met onnodige details te vermoeien tot we er zeker van zouden zijn dat u-beiden zou meewerken. De twee mensen waar het om gaat zijn een dokter Harper en een amazone, Maria. Het zijn onze mensen, en ze zijn voor de hele gang van zaken bijzonder belangrijk. Dat zal ik u later ook uitleggen. Eerst moet ik dringend enige zaken met Pilgrim bespreken. Waarom heb je eigenlijk erin toegestemd mee te werken, Bruno? Ik moet je waarschuwen dat het erg gevaarlijk voor je zou kunnen zijn, en als je gegrepen wordt hebben we geen enkele keus; dan moeten we ontkennen dat we ook maar iets met je te maken hebben. Dus waarom doe je het?' Bruno haalde zijn schouders op. 'Wie zal het zeggen? Er kunnen heel wat redenen zijn die iemand zelf ook niet kan bevroeden. Het kan dankbaarheid zijn — Amerika nam mij op toen mijn eigen land mij uitbande. Er zijn daar een aantal mensen die ik graag hetzelfde zou aandoen wat ze mij aangedaan hebben. Ik weet dat er in mijn vaderland een aantal gevaarlijke en onverantwoordelijke mensen rondlopen die niet zouden aarzelen dit wapen te gebruiken, als het inderdaad bestaat. Bovendien zegt u dat ik de juiste man ben voor dit karwei. Ik weet nog niet waarom, maar als dat inderdaad zo is, hoe zou ik dan iemand anders in mijn plaats kunnen laten gaan? Niet alleen zou het hem misschien niet lukken de formule te bemachtigen, maar bovendien zou het hem zijn leven kunnen kosten. Dat zou ik niet op mijn geweten willen hebben.' Hij glimlachte zwakjes. 'Zeg maar gewoon dat het een zekere uitdaging is.' 'En de werkelijke reden?' 'Ik haat oorlog,' zei Bruno simpel. 'Juist. Niet bepaald het antwoord dat ik verwachtte, maar het kan er mee door.' Hij stond op. 'Ik dank beide heren voor hun tijd, hun geduld en vooral voor hun medewerking. De auto zal u weer naar huis brengen.' 'En hoe gaat u zelf dan naar Pilgrims kantoor?' 'Ik heb een soort regeling met de „madame" van dit huis. Ik ben er zeker van dat zij wel voor vervoer kan zorgen.'

*** 

Fawcett hield de sleutels gereed toen hij bij Pilgrims appartement aankwam - Pilgrim werkte en woonde daar - maar hij borg ze weer op. Pilgrim had zijn deur niet op slot gedaan, wat zeer ongebruikelijk was; de deur stond zelfs op een kier. Fawcett duwde hem open en ging naar binnen. De eerste, wat onberedeneerde gedachte die bij hem opkwam was dat hij misschien wat optimistisch was geweest toen hij Wrinfield verzekerde dat Pilgrim wist wat hij deed. Pilgrim lag op de grond. Wie hem daar had laten liggen had thuis kennelijk geen gebrek aan ijsprikkers, want hij had niet de moeite genomen de ijsprikker te verwijderen die tot aan het heft in Pilgrims nek stak. Hij moest onmiddellijk dood zijn geweest, want er was geen bloedvlek te zien op zijn hemd van Turnbull and Asser. Fawcett knielde bij hem neer en wierp een blik op zijn gezicht dat even kalm en uitdrukkingloos was als het bij zijn leven was geweest. Pilgrim had niet geweten waardoor hij was geraakt, hij had zelfs niet geweten dat hij werd geraakt. Fawcett richtte zich weer op, liep naar de telefoon en nam de hoorn van de haak. 'Dr. Harper, alstublieft. Vraag of hij onmiddellijk hier komt.'

*** 

Dokter Harper was niet direct de karikatuur of het prototype van de goede heelmeester, maar het zou moeilijk zijn geweest zich hem in een ander beroep voor te stellen. De medische wetenschap paste bijna onvermijdelijk bij zijn uiterlijk. Hij was lang, mager, gedistingeerd, met grijzende slapen en een hoornen bril met dikke glazen die hem een scherpe blik gaven, wat schijn kon zijn, opzettelijk of enkel een kwestie van gewoonte. Hoornen brillen met dikke glazen zijn een grote steun voor doktoren! De patiënt kan er nooit achterkomen of hij in blakende gezondheid verkeert of nog slechts een aantal weken heeft te leven. Zijn kostuum was al even onberispelijk als dat van de dode die hij nu zorgvuldig onderzocht. Hij had zijn zwarte dokterstas bij zich maar gebruikte hem niet. 'Dat is dus alles wat u weet van wat er vanavond is gebeurd?' vroeg hij. 'Dat is alles.' 'Weet Wrinfield er misschien meer van? Hij was ten slotte de enige die op de hoogte was. Vóór vanavond, bedoel ik.' 'Van de details was hij voor vanavond ook niet op de hoogte. Absoluut niet. Bovendien had hij de gelegenheid niet; hij was bij mij.' 'En de mogelijkheid van een medeplichtige?' 'Onmogelijk. Wacht maar tot je hem ziet. Zijn staat van dienst is onberispelijk. Reken erop dat Pilgrim dat tot op de bodem heeft uitgezocht. Zijn vaderlandsliefde is boven alle twijfel verheven. Het zou me zelfs niet verbazen als hij een merkje met "God zegene Amerika" op zijn ondergoed had genaaid. Bovendien, geloof je dat hij al die moeite had gedaan om ervoor te zorgen dat zijn hele circus - althans het grootste deel - op tournee naar Europa zou gaan, als hij dit van plan was geweest? Ik weet wel dat hij de bedoeling kan hebben gehad ons zand in de ogen te strooien, een rookgordijn te leggen, een dwaalspoor uit te zetten, noem het zoals je wilt, maar is dat waarschijnlijk?' 'Nee, dat geloof ik niet.' 'Ik vind wel dat we Bruno en hem hier moeten laten komen. Al was het alleen maar om hen te laten zien wat voor tegenstanders ze het hoofd moeten bieden. En we moeten de Admiraal onmiddellijk op de hoogte stellen. Kun jij daarvoor zorgen terwijl ik Barker en Masters probeer te pakken te krijgen?' 'Is dat het codeerapparaat?' 'Ja, dat klopt.' Dr. Harper was nog aan het telefoneren toen Barker en Masters arriveerden - Barker was de chauffeur en Masters de onopvallende man die bij Bruno op het toneel was gekomen. 'Haal Wrinfield en Bruno op,' zei Fawcett. 'Zeg tegen hen dat het zeer dringend is, maar vertel ze niet wat er hier aan de hand is. Laat ze langs de achterkant binnenkomen. En doe het snel.' Fawcett sloot de deur achter hen zonder hem op slot te doen toen Dr. Harper weer ophing. 'We moeten dit alles verborgen houden,' zei Harper. 'Volgens de Admiraal, en hij kan het weten, had hij geen naaste verwanten; dus is hij overleden aan een hartaanval. Daar gaat mijn eed van Hippocrates. Hij komt eraan.' Fawcett keek somber. 'Dat dacht ik wel. Hij zal hier niet zo gelukkig mee zijn. Pilgrim was in zekere zin zijn oogappel en het is geen geheim dat hij kandidaat stond om de Admiraal op te volgen. Hoe dan ook, laat een stel jongens hier komen met -spullen en poedertjes, en laat ze hier rondkijken. Niet dat ze iets zullen vinden, natuurlijk.' 'Ben je daar zo zeker van?' 'Ja. Iedereen die koelbloedig genoeg is om hier weg te gaan met achterlating van het moordwapen, is voldoende zeker van zichzelf. En let eens op de manier waarop hij ligt, met zijn voeten naar de deur, zijn hoofd de andere kant op.' 'Wat wil je daarmee zeggen?' 'Het feit dat hij zo dicht bij de deur ligt is er een bijna zeker bewijs van dat hij zelf heeft opengedaan. En zou hij een moordenaar de rug hebben toegekeerd? Wie de moordenaar ook geweest is, het was in elk geval iemand die Pilgrim niet alleen kende maar ook vertrouwde.'

*** 

Het bleek dat Fawcett gelijk had gehad. De twee experts die gekomen waren met hun instrumentjes konden niets vinden. De enige plekken waar ze vingerafdrukken hadden kunnen vinden, op de ijsprikker en op de deurknoppen, waren geheel schoon, wat voor de hand lag. De mannen vertrokken juist toen er iemand ongenood en zonder kloppen binnenkwam. De Admiraal zag eruit als een gezellige oom, een boer in goeden doen, of, wat hij in werkelijkheid ook was, een admiraal van de marine, zij het dat hij nu in ruste was. Hij was gezet, had een rood gezicht en peper-en-zout-kleurig haar, en hij straalde een vreemd soort beminnelijk gezag uit. Hij zag er zeker tien jaar jonger uit dan zijn werkelijke leeftijd van vijfenvijftig, hoewel daar vaak aan werd getwijfeld. Hij wierp een blik op de dode man op de vloer en het beminnelijke aspect van zijn karakter verdween. Hij wendde zich tot Dr. Harper. 'Is de overlijdensakte al opgemaakt? Hartaanval, natuurlijk.' Harper schudde het hoofd. 'Doe dat dan onmiddellijk en laat Pilgrim naar ons eigen mortuarium brengen.' 'Misschien kunnen we daar even mee wachten, met dat mortuarium, bedoel ik,' zei Fawcett. 'Er komen zo meteen twee mensen hier naar toe, een circuseigenaar en onze laatste - eh, rekruut. Ik ben ervan overtuigd dat geen van beiden hier iets mee te maken heeft, maar het is misschien nuttig om hun reacties te peilen. We kunnen er dan ook achterkomen of ze hier nog steeds mee door willen gaan.' 'Wat voor garantie heeft u dat ze hiervandaan niet meteen naar de dichtstbijzijnde telefooncel rennen? Elke krant zou voor dit verhaal graag zijn adjunct-hoofdredacteur sturen.' 'Dacht u dat dat niet bij me opgekomen was?' Fawcetts toon was niet bepaald hartelijk. 'Er is geen enkele garantie, alleen mijn eigen oordeel.' 'Dat is natuurlijk zo,' zei de Admiraal sussend. Bij hem stond dit bijna gelijk aan een excuus. 'Goed dan.' Hij zweeg even en om zijn gezag te herstellen zei hij: 'Ik neem aan dat ze niet kloppen en door de voordeur binnenkomen?' 'Barker en Masters brengen hen. Via de achterzijde.' Als op een teken verschenen op dat moment Barker en Masters in de deuropening. Ze deden een stap opzij om Wrinfield en Bruno door te laten. Fawcett was zich ervan bewust dat de Admiraal en Dr. Harper even gespannen op hun reacties letten als hijzelf. Natuurlijk lette Wrinfield noch Bruno op hen; als je bijna over een vermoorde man struikelt wordt je aandacht niet zo gauw afgeleid. Zoals te verwachten was, toonde Bruno nauwelijks enige reactie: zijn ogen leken zich te vernauwen, zijn mond verstrakte, maar dat kon ook denkbeeldig zijn. Wrinfields reactie liet evenwel niets te wensen over: alle kleur trok weg uit zijn gezicht dat asgrauw werd, met een trillende hand greep hij de deurpost vast en een ogenblik leek het erop dat hij zou vallen. Drie minuten later, drie minuten waarin Fawcett hem alles had verteld wat hij ervan wist, zat Wrinfield, een glas cognac in de hand, nog steeds te trillen. Bruno had een versterking afgeslagen. De Admiraal nam de leiding op zich. 'Heeft u vijanden in het circus?' vroeg hij aan Wrinfield. 'Vijanden? In het circus?' Wrinfield was duidelijk uit het veld geslagen. 'Allemachtig, nee. Ik weet wel dat het wat sentimenteel klinkt, maar wij zijn werkelijk een grote, gelukkige familie.' 'Heeft u in het geheel geen vijanden?' 'Dat heeft iedereen die succes heeft. Een bepaald soort vijanden, tenminste. Rivaliteit, concurrentie, afgunst. Maar echte vijanden?' Hij keek bijna ontzet naar Pilgrim en huiverde. 'In elk geval geen vijanden die hiertoe in staat zijn.' Hij zweeg even en keek toen naar de Admiraal met een uitdrukking die bijna afkeer weerspiegelde; toen hij weer sprak trilde zijn stem niet meer. 'Waarom vraagt u mij dit eigenlijk? Ze hebben mij niet vermoord. Pilgrim is vermoord.' 'Er bestaat verband, niet waar, Fawcett?' 'Er bestaat inderdaad verband. Kan ik vrijuit spreken?' 'Hoe bedoelt u?' 'Gezien de telefooncellen en de adjunct-hoofdredacteuren die opgeofferd zouden worden ...' 'Stel je niet aan. Dat heb ik al teruggenomen.' 'Juist.' Fawcett ging in gedachten het gesprek na, maar kon zich geen echte verontschuldiging herinneren. Maar het had weinig zin daarop te wijzen. 'Zoals u zegt bestaat er inderdaad verband. Bovendien is er een lek, en dat lek kan alleen in onze eigen organisatie zitten. Zoals ik al zei, en zoals ik de heren al heb uitgelegd, is het duidelijk dat Pilgrim is vermoord door iemand die hij goed kende. Er kan geen duidelijk lek bestaan - alleen uzelf, Pilgrim, Dr. Harper en ik waren van de details van het plan op de hoogte. Maar zeker nog twaalf andere mensen in de organisatie - documentalisten, telefonisten, chauffeurs - wisten dat wij geregeld contact met Mr. Wrinfield hadden. Het zou ongebruikelijk, zo niet uniek zijn dat een inlichtingen- of contra-spionagedienst, welke dan ook, niet zou zijn geïnfiltreerd door een vijandelijke agent, die uiteindelijk zozeer deel uitmaakt van de organisatie dat hij boven alle verdenking is verheven. Het zou naïef van ons zijn om te veronderstellen dat wij de enige uitzondering zouden vormen. Het was bepaald geen groot geheim dat Mr. Wrinfield bezig was een Europese tournee te organiseren - voornamelijk naar Oost- Europa - en het was vrij gemakkelijk om erachter te komen dat Crau tot de steden behoort die zullen worden bezocht. Het kan natuurlijk toeval zijn, maar de mannen in Crau - juister gezegd, de mannen die betrokken zijn bij het onderzoek dat daar gaande is - gaan er zonder twijfel van uit dat een bepaald verband met de CIA te veel voor de hand ligt.' 'Maar waarom hebben ze Pilgrim vermoord? Als waarschuwing?' 'Ja, in zekere zin wel.' 'Kunt u wat duidelijker zijn, Mr. Fawcett?' 'Zeker. Er kan geen twijfel over bestaan dat dit een waarschuwing was. Maar om Pilgrims dood begrijpelijk te maken en te rechtvaardigen moest er nog iets meer achter zitten - we moeten niet vergeten dat we wel met onredelijke, maar niet met onzinnige mensen te maken hebben. De moord op Pilgrim houdt het midden tussen een uitnodiging en een provocatie. Het is een waarschuwing waarvan ze hopen dat hij genegeerd zal worden. Als zij geloven dat Mr. Wrinfields komende tournee door ons in scène is gezet en als wij ondanks Pilgrims dood — waarvan ze zeker weten dat wij hen die in de schoenen zullen schuiven - onze plannen niet opgeven en de tournee gewoon laten doorgaan, dan moeten wij daarvoor wel erg dringende redenen hebben. En het bewijs daarvan denken ze in Crau te kunnen vinden. En vervolgens kunnen wij voor het oog van de wereld afgaan. Stelt u zich voor wat een sensatie het zou betekenen als er een heel circus werd gearresteerd. Denk eens aan de versterkte uitgangspositie van het Oostblok bij komende onderhandelingen. Internationaal slaan we een modderfiguur, we verliezen onze geloofwaardigheid en maken ons zowel in het westen als in het oosten belachelijk. Hierbij vergeleken zou die affaire met Gary Powers en de U-2 kinderspel zijn.' 'Het klinkt plausibel. Denkt u dat we de verrader in de gelederen van de CIA zouden kunnen opsporen?' 'Op dit moment? Onmogelijk.' 'Dr. Harper?' 'Dat is ook mijn mening. Een onmogelijke opgave. Dat zou betekenen dat we elk van de paar honderd personeelsleden in dit gebouw onder bewaking zouden moeten stellen.' 'En wie houdt die bewakers dan weer in de gaten. Bedoelt u dat?' 'Met alle respect, u begrijpt best wat ik bedoel.' 'Helaas, ja.' De Admiraal haalde twee kaarten uit zijn binnenzak en gaf er een aan Wrinfield, de ander aan Bruno. 'Als u mij nodig mocht hebben belt u dan dit nummer en vraag naar Charles. En mocht u naar mijn identiteit hebben gegist - en u zou al even onbekwaam zijn als wij als dat niet het geval was - houdt u die dan voor uzelf.' Hij zuchtte diep. 'Ik ben bang, Fawcett, dat jouw visie op deze zaak helaas opnieuw geheel juist is. Een andere verklaring is niet mogelijk, althans geen zinnige verklaring. Desalniettemin zal alles moeten wijken voor de overweging dat wij dit document tot elke prijs in handen moeten krijgen. Misschien moeten we naar andere mogelijkheden uitzien.' 'Die zijn er niet,' zei Fawcett. 'Nee, die zijn er niet,' zei Harper. De Admiraal knikte. 'Inderdaad, die zijn er niet. Het is dus Bruno of helemaal niets?' Fawcett schudde het hoofd. 'Het is Bruno én het circus of helemaal niets.' 'Daar ziet het wel naar uit.' De Admiraal keek onderzoekend naar Wrinfield. 'Vindt u het een prettig idee om eventueel gemist te moeten worden?' Wrinfield dronk zijn glas leeg. Zijn hand trilde niet meer en hij had zijn houding weer teruggevonden. 'Nee, eerlijk gezegd niet.' 'Ook niet om enige tijd vast te zitten?' 'Ook dat trekt me niet aan.' 'Natuurlijk. Slecht voor de zaken. Moet ik daaruit opmaken dat u van mening bent veranderd?' 'Ik weet het niet, ik weet het werkelijk niet.' Wrinfield wendde zich tot Bruno, zijn blik nadenkend en zorgelijk, 'Bruno?' 'Ik ga ermee door.' Bruno's stem klonk vlak en zonder intonatie, bepaald niet melodramatisch of sentimenteel. 'Als het moet ga ik zelfs alleen. Ik weet nog niet hoe ik er zal komen en wat ik er moet doen, maar ik ga ermee door.' Wrinfield slaakte een zucht. 'Dat geeft de doorslag.' Hij glimlachte flauwtjes. 'Dit kan een man niet op zich laten zitten. Een Amerikaan van de vijfde generatie zal niet de kans krijgen een Amerikaan van de eerste generatie voor schut te zetten.' 'Dank u, Mr. Wrinfield.' De Admiraal keek naar Bruno en zijn gezichtsuitdrukking verried nieuwsgierigheid; hij trachtte de ander te peilen. 'En ik dank u ook. Waarom bent u zo vastbesloten om hiermee door te gaan?' 'Zoals ik al tegen Mr. Fawcett zei, ik haat oorlog.'

*** 

De Admiraal was vertrokken, en ook Dr. Harper was verdwenen. Wrinfield en Bruno waren weer teruggegaan en Pilgrim was de kamer uitgedragen: over drie dagen zou hij worden begraven in alle plechtigheid en zijn doodsoorzaak zou nooit bekend worden, wat niet ongewoon was voor hen die zich bezighielden met spionage en contraspionage en wier loopbaan tot een abrupt einde was gekomen. Fawcetts vlezige gezicht had een verbeten en harde uitdrukking. Hij ijsbeerde door de flat van zijn vermoorde collega toen de telefoon ging. Fawcett nam hem onmiddellijk op. De stem aan de andere kant van de lijn klonk schor en bevend. 'Fawcett? Fawcett? Ben je daar, Fawcett?' 'Ja. Met wie spreek ik?' 'Dat kan ik over de telefoon niet zeggen. Je weet verdomd goed wie ik ben. Jij hebt me hierin gehaald.' De stem trilde zo erg dat hij bijna niet herkenbaar was. 'Kom in godsnaam hierheen, er is iets verschrikkelijks gebeurd.' 'Wat?' 'Kom hier naar toe.' De stem klonk smekend. 'En kom in godsnaam alleen. Ik ben in mijn kantoor. Het kantoor in het circus.' De verbinding werd verbroken. Fawcett drukte een paar keer snel op de toets, maar hij hoorde niets meer. Hij hing op, liep de kamer uit, deed de deur achter zich op slot, nam de lift naar de ondergrondse garage en reed door de duisternis en de regen naar het circus. De buitenverlichting van het circus brandde niet meer, op enkele zwakke lampen na - het was al zo laat dat al het circuspersoneel de nachtverblijven in de trein had opgezocht. Fawcett stapte uit de auto en rende naar de dierenverblijven waar Wrinfields kleine, pre-fabricated kantoortje zich bevond. Het was hier tamelijk goed verlicht. Er was niemand te bekennen, wat Fawcett in eerste instantie vreemd vond, gezien het kapitaal aan viervoeters dat hier was gehuisvest, maar onmiddellijk realiseerde hij zich dat het eigenlijk niet zo ongewoon was omdat niemand zich ten slotte met een Indiase olifant of een Nubische leeuw uit de voeten zou maken. Niet alleen waren de dieren wat lastig in de hand te houden, maar bovendien was er het probleem waar men er uiteindelijk mee naar toe moest. De meeste dieren lagen al te slapen, alleen de olifanten, al dan niet slapend, en met één poot vastgeketend, stonden nog rechtop en zwaaiden voortdurend heen en weer. In een grote kooi liepen de Bengaalse tijgers rusteloos heen en weer, zo nu en dan grommend om onduidelijke redenen. Fawcett haastte zich naar Wrinfields kantoor en bleef enigszins verrast staan omdat er geen licht brandde achter het enige raam. Hij deed een stap naar voren en probeerde de deur te openen. Hij was niet op slot. Fawcett opende hem, tuurde in de donkere ruimte en plotseling werd hem alles zwart voor de ogen.