Maandag 11 september

 

HIJ LIJKT OPGESLOKT DOOR DE AARDE.

Anna-Maria Mella keek naar haar collega’s. Ze hielden ochtendbespreking bij de officier. Ze hadden net geconstateerd dat ze geen enkel spoor van de verdwenen predikant Stefan Wikström hadden gevonden.

Het bleef zes seconden ijzig stil. Politie-inspecteur Fred Olsson, officier van justitie Alf Björnfot, Sven-Erik Stålnacke en politie-inspecteur Tommy Rantakyrö zagen er treurig uit. Dat was het ergste wat je maar kon bedenken: dat hij inderdaad was opgeslokt door de aarde. Ergens begraven lag.

Sven-Erik zag er bedroefd uit. Hij was als laatste binnengekomen bij de morgendienst van de officier van justitie. Dat was niets voor hem. Hij had een pleistertje op zijn kin. Dat was bruin van het bloed. Het teken van de man met een slechte ochtend. De beharing in zijn hals onder zijn adamsappel was aan het mes ontkomen en stak als grove grijze stammen uit de huid. Onder een van zijn mondhoeken waren de resten van opgedroogd scheerschuim als wit voegsel blijven zitten.

‘Nou, voorlopig is het toch een verdwijning,’ zei de officier. ‘Hij was in dienst van de kerk en toen kwam hij erachter dat wij hem op het spoor waren in verband met die reis die zijn gezin met het geld van de wolvenstichting heeft gemaakt. Dat kan genoeg zijn om het veld te ruimen. De angst om zijn goede naam bezoedeld te zien. Misschien duikt hij op als een duveltje uit een doosje.’

Het was stil rond de tafel. Alf Björnfot keek om zich heen. De schare die hier om de tafel bijeenzat, was moeilijk te motiveren. Het was alsof ze alleen zaten te wachten totdat het lichaam van de predikant op zou duiken. Met sporen en aanwijzingen, zodat het onderzoek nieuw leven ingeblazen kon worden.

‘Wat weten we over de periode voor de verdwijning?’ vroeg hij.

‘Hij heeft zijn vrouw vrijdagavond om vijf voor zeven met zijn mobieltje gebeld,’ zei Fred Olsson. ‘Daarna was hij verantwoordelijk voor de jongeren van de kerk, deed hun ruimte van het slot, hield om halftien een korte avonddienst. Hij is even na tienen weggegaan en sindsdien heeft niemand hem gezien.’

‘Zijn auto?’ vroeg de officier.

‘Staat achter het wijkgebouw geparkeerd.’

Dat was zo’n klein stukje, dacht Anna-Maria. Van de jongerenruimte naar de achterkant van het wijkgebouw was misschien maar honderd meter.

Ze dacht aan een verdwenen vrouw van een aantal jaar geleden. Een moeder van twee kinderen was ’s avonds naar buiten gegaan om de honden in de kennel eten te geven. En toen was ze weg. De oprechte vertwijfeling van haar man en de verzekering van diezelfde man en alle anderen dat ze haar kinderen nooit vrijwillig achter zou laten, zorgden ervoor dat de politie de verdwijning prioriteit gaf. Ze hadden haar begraven gevonden in het bos achter het huis. Haar man had haar vermoord.

Toen had Anna-Maria hetzelfde gedacht. Zo’n klein stukje. Zo’n klein stukje.

‘Het natrekken van telefoongesprekken, mail en rekeningen, wat leverde dat op?’ vroeg de officier.

‘Niets bijzonders,’ zei Tommy Rantakyrö. ‘Het telefoongesprek met zijn vrouw was het laatste. Verder wat gesprekken voor zijn werk met diverse gemeenteleden en met de deken, met de jachtleider van de jachtploeg over de elandenjacht, de zus van zijn vrouw… Ik heb hier een lijstje met gesprekken en ik heb ook een korte beschrijving van waar de gesprekken over gingen.’

‘Mooi zo,’ zei Alf Björnfot bemoedigend.

‘Wat zeiden de zus en de deken?’ informeerde Anna-Maria.

‘Met haar zus had hij het erover dat hij ongerust was over zijn vrouw. Dat het misschien weer mis zou gaan.’

‘Ze heeft die brieven aan Mildred Nilsson geschreven,’ zei Fred Olsson. ‘Er lijkt een enorm conflict geweest te zijn tussen het echtpaar Wikström en Mildred Nilsson.’

‘Waar heeft Stefan Wikström het met de deken over gehad?’ vroeg Anna-Maria.

‘Nou, die vraag bracht hem wel in verlegenheid,’ zei Tommy Rantakyrö. ‘Maar hij vertelde dat Stefan zich zorgen had gemaakt omdat wij de boekhouding van de stichting hebben geleend.’

Er verscheen een nauwelijks zichtbare rimpel in het voorhoofd van de officier, maar hij zei niets over ambtsovertredingen en beslag zonder toestemming. In plaats daarvan zei hij: ‘Wat erop zou kunnen wijzen dat hij vrijwillig is verdwenen. Dat hij zich drukt omdat hij bang is voor de schande. Je kop in het zand steken is in dit soort gevallen de gebruikelijkste reactie, neem dat maar van me aan. Je denkt bij jezelf: snappen ze dan niet dat ze het alleen maar erger maken? Maar vaak zijn ze het gezonde verstand al voorbij.’

‘Waarom ging hij niet met de auto?’ vroeg Anna-Maria. ‘Is hij zomaar de bossen in gelopen? Treinen gaan om die tijd niet meer. Vliegtuigen ook niet.’

‘Taxi?’ vroeg de officier.

‘Geen ritten,’ antwoordde Fred Olsson.

Anna-Maria keek waarderend naar Fred Olsson.

Ontzettend koppige terriër, dacht ze.

‘Nou,’ zei de officier van justitie. ‘Tommy, ik wil dat jij…’

‘… rondgaat in de wijk rondom het wijkgebouw, om te vragen of er iemand is die iets gezien heeft,’ zei Tommy gelaten.

‘Inderdaad,’ zei de officier, ‘en…’

‘… en ga nog een keer extra met de jongeren van de jongerengroep praten.’

‘Heel goed. Fred Olsson gaat met je mee.’

‘Sven-Erik,’ zei de officier, ‘jij kunt misschien bellen met de daderprofielgroep om te horen wat zij erover te zeggen hebben.’

Sven-Erik knikte.

‘Hoe gaat het met de tekening?’ vroeg de officier van justitie.

‘SKL is er nog steeds mee bezig,’ zei Anna-Maria. ‘Ze hebben er nog niets uit gekregen.’

‘Prima! Morgenvroeg weer een bijeenkomst, als er niets speciaals gebeurt,’ zei de officier, en hij klapte de pootjes van zijn bril in en stopte hem in zijn borstzakje.

Daarmee was de bijeenkomst afgelopen.

Voordat Sven-Erik naar zijn werkkamer ging, liep hij langs Sonja van de telefooncentrale.

‘Zeg,’ zei hij, ‘als er iemand belt over een toevallig gevonden grijsgestreepte kat, waarschuw me dan even.’

‘Is dat Manne?’

Sven-Erik knikte.

‘Een week,’ zei hij. ‘Hij is nog nooit zo lang weggebleven.’

‘We houden onze ogen open,’ beloofde Sonja. ‘Je zult zien dat hij terugkomt. Het is nog warm buiten. Hij is vast met een poes aan het flirten.’

‘Hij is gecastreerd,’ zei Sven-Erik zwaarmoedig.

‘Ach,’ zei ze. ‘Ik zal het tegen de anderen zeggen.’

De vrouw van de daderprofielgroep van de rijksrecherche nam de telefoon met haar directe nummer op. Ze klonk blij toen Sven-Erik vertelde wie hij was. Veel te jong om zich met dit soort ellende bezig te houden.

‘Ik neem aan dat je de kranten hebt gelezen?’ zei Sven-Erik.

‘Ja, hebben jullie hem gevonden?’

‘Nee, hij is nog steeds verdwenen. Vertel eens: Wat denk jij?’

‘Tja,’ zei ze. ‘Hoe bedoel je?’

Sven-Erik probeerde zijn gedachten te ordenen.

‘Nou,’ begon hij, ‘als we aannemen dat alle kranten gelijk hebben.’

‘Dat Stefan Wikström is vermoord, en wel door een seriemoordenaar,’ vulde ze in.

‘Precies. Dan is het toch nog steeds vreemd?’

Nu bleef ze stil. Ze wachtte totdat Sven-Erik zijn gedachte zou hebben afgemaakt.

‘Ik bedoel,’ zei hij, ‘het is toch zeker vreemd dat hij verdwenen is? Als de moordenaar Mildred heeft opgehangen aan het orgel, waarom doet hij dan niet hetzelfde met Stefan Wikström?’

‘Misschien moet hij hem schoonboenen. Op Mildred Nilsson hadden jullie toch een hondenhaar aangetroffen? Of misschien wil hij hem een tijdje houden.’

Ze onderbrak zichzelf en leek na te denken.

‘Het spijt me,’ zei ze ten slotte. ‘Op het moment dat het lichaam opduikt – als het opduikt, hij kan immers vrijwillig verdwenen zijn – kunnen we verder praten. Kijken of er een patroon in zit.’

‘Oké,’ zei Sven-Erik. ‘Het kan vrijwillig zijn. Hij had geen zuiver geweten, in verband met een stichting die bij de kerk hoorde. En toen ontdekte hij dat wij die wat onfrisse kwestie op het spoor waren.’

‘“Wat onfrisse kwestie”?’

‘Nou, het ging om ongeveer honderdduizend kronen. Het valt te betwijfelen of dat genoeg zou zijn voor een aanklacht. Het was een dienstreis die eigenlijk meer een privé-vakantie was.’

‘Dus je denkt dat hij eigenlijk geen reden had om daarom op de vlucht te slaan?’

‘Eigenlijk niet nee.’

‘Tenzij het feit dat de politie naderbij kwam op zichzelf hem al bang maakte.’

‘Hoe bedoel je?’

Ze lachte even.

‘Niets!’ zei ze nadrukkelijk. Daarna klonk ze opeens formeel: ‘Ik wens jullie veel succes. Bel ons als er iets gebeurt.’

Zodra ze hadden opgehangen, begreep Sven-Erik wat ze had bedoeld. Als Stefan Mildred had vermoord…

Zijn hersenen begonnen meteen te protesteren.

Als we nu gewoon aannemen dat het zo is, volhardde Sven-Erik tegenover zichzelf. Dan zou hij op de vlucht gejaagd zijn als de politie dichterbij kwam. Wat we ook wilden. Al wilden we alleen maar vragen hoe laat het was.

Anna-Maria’s telefoon ging. Het was de vrouw van de sciencefictionwinkel.

‘Ik heb wat gevonden over dat teken,’ zei ze zonder omhaal.

‘Ja?’

‘Een van mijn klanten herkende het. Het staat op de voorkant van een boek dat The Gate heet. Het is geschreven door Michelle Moan, dat is een pseudoniem. Er is geen Zweedse vertaling van het boek. Ik heb het niet. Maar ik kan een exemplaar voor je bestellen. Zal ik dat doen?’

‘Ja! Waar gaat het over?’

‘Over de dood. Het is een doodsboek. Hartstikke duur. Tweeënvijftig pond. En dan komen de verzendkosten er nog bij. Ik heb de uitgever in Engeland trouwens gebeld.’

‘O ja?’

‘Ik vroeg of hij ook bestellingen in Zweden had gehad. Een paar, zei hij. En een in Kiruna.’

Anna-Maria hield haar adem in. Leve de amateur-detectives.

‘Heb je een naam gekregen?’

‘Ja. Benjamin Wikström. Ik heb ook een adres.’

‘Hoeft niet,’ riep Anna-Maria in de hoorn. ‘Bedankt. Ik laat nog van me horen.’

Sven-Erik Stålnacke stond bij Sonja in de telefooncentrale. Hij had zich niet kunnen bedwingen langs te gaan om te informeren.

‘Wat zeiden de telefonistes? Had er iemand iets over de kat gehoord?’

Ze schudde haar hoofd.

Achter Sven-Eriks rug dook Tommy Rantakyrö plotseling op.

‘Is je kat verdwenen?’ vroeg hij.

Sven-Erik bromde bij wijze van antwoord.

‘Hij is vast bij iemand anders ingetrokken,’ zei Tommy luchthartig. ‘Je weet het: katten, die hechten zich niet aan iemand, dat is alleen maar onze eigen projec… dat we onze eigen gevoelens erin zien. Ze kunnen geen genegenheid voelen, dat is wetenschappelijk bewezen.’

‘Wat is dat nou weer voor gelul?’ zei Sven-Erik knorrig.

‘Het is de zuivere waarheid,’ zei Tommy zonder zich te laten weerhouden door Sonja’s blikken. ‘Je weet wel: als ze bezig zijn langs je been te strijken en op die typische kattenmanier kronkelen, nou, dan doen ze dat om geursporen achter te laten en omdat je in feite een voedsel- en rustplaats bent die van hen is. Het zijn geen kuddedieren.’

‘Nee, misschien niet,’ zei Sven-Erik. ‘Maar hij komt wel naar boven om als een baby’tje in mijn bed te slapen.’

‘Omdat het warm is. Je betekent voor die kat niet meer dan een elektrische deken.’

‘Maar jij bent een hondenmens,’ onderbrak Sonja hem fel. ‘Jij kunt je sowieso niet uitlaten over katten.’ Tegen Sven-Erik zei ze: ‘Ik ben ook een kattenmens.’

Op hetzelfde ogenblik zwaaide de glazen deur open. Anna-Maria kwam aangesneld. Ze greep Sven-Erik vast en trok hem mee van de receptie.

‘We gaan naar de pastorie van Jukkasjärvi,’ zei ze alleen maar.

 

KRISTIN WIKSTRÖM DEED DE DEUR OPEN IN OCHTENDJAS EN PAN-toffels. Haar make-up zat enigszins kliederig onder haar ogen. Het blonde haar was achter haar oren gestreken en lag plat en ongekamd tegen de achterkant van haar hoofd.

‘We zoeken Benjamin,’ zei Anna-Maria. ‘We zouden graag even met hem praten. Is hij thuis?’

‘Wat willen jullie?’

‘Met hem praten,’ zei Anna-Maria. ‘Is hij thuis?’

Kristin Wikströms stem ging een paar tonen omhoog.

‘Wat willen jullie van hem?’

‘Zijn vader is verdwenen,’ zei Sven-Erik geduldig. ‘We moeten hem wat vragen stellen.’

‘Hij is niet thuis.’

‘Weet je waar hij is?’ vroeg Anna-Maria.

‘Nee, jullie zouden Stefan moeten zoeken. Dát zouden jullie tweetjes nu moeten doen.’

‘Mogen we zijn kamer misschien bekijken?’ vroeg Anna-Maria.

De moeder knipperde vermoeid met haar ogen.

‘Nee, dat mogen jullie niet.’

‘Neem ons dan niet kwalijk dat we gestoord hebben,’ zei Sven-Erik vriendelijk, en hij sleepte Anna-Maria met zich mee naar de auto.

Ze reden weg de oprijlaan af.

‘Kut!’ riep Anna-Maria uit toen ze het hek uit reden. ‘Hoe kon ik zo stom zijn hierheen te gaan zonder huiszoekingsbevel?’

‘Laat me er een stukje verderop maar uit,’ zei Sven-Erik. ‘Daarna rijd je zo snel mogelijk naar het bureau om een huiszoeking te regelen en kom je terug. Ik wil haar in de gaten houden.’

Anna-Maria remde af, Sven-Erik glipte naar buiten.

‘Haast je,’ zei hij.

Sven-Erik ging op een drafje terug naar de pastorie. Hij ging achter een van de palen van het toegangshek staan, waar hij beschut werd door een lijsterbes. Hij had uitzicht op zowel de buitendeur als de schoorsteen.

Als die begint te roken, ga ik naar binnen, dacht hij.

Na een kwartier kwam Kristin Wikström naar buiten. Nu droeg ze in plaats van een ochtendjas een spijkerbroek en een trui. In haar hand hield ze een dichtgeknoopte vuilniszak. Ze liep naar de vuilcontainer. Op hetzelfde moment dat ze de klep van de bak opendeed, draaide ze haar hoofd en kreeg ze Sven-Erik in het oog.

Er zat niets anders op. Sven-Erik snelde naar haar toe. Hij stak zijn hand uit.

‘Zo,’ zei hij, ‘geef die maar aan mij.’

Ze overhandigde hem de zak zonder een woord te zeggen. Hij zag dat ze een borstel door haar haar had gehaald en wat kleur op haar lippen had gedaan. Toen begonnen de tranen te stromen. Geen hysterische toestanden, nauwelijks een verandering in haar gezicht, alleen maar tranen. Ze had voor hetzelfde geld uien kunnen snijden.

Sven-Erik knoopte de zak open. Er zaten knipsels over Mildred Nilsson in.

‘Rustig maar,’ zei hij, terwijl hij haar tegen zich aan trok. ‘Rustig maar. Vertel nu maar waar hij is.’

‘Op school natuurlijk.’

Ze liet zich omarmen en vasthouden. Huilde stil tegen zijn schouder.

 

MAAR WAT BEDOEL JE NOU?VROEG SVEN-ERIK TOEN ANNA-MARIA en hij de auto voor de Högalidskolan parkeerden. ‘Dat hij Mildred en zijn vader vermoord zou hebben?’

‘Ik bedoel helemaal niets. Maar hij heeft een boek met hetzelfde symbool als op de dreigtekening voor Mildred. Waarschijnlijk heeft hij het getekend. Verder had hij bergen krantenknipsels over haar.’

De rector van de Högalidskolan was een charmante vrouw van halverwege de vijftig. Ze was wat rond, droeg een rok tot op haar knieën met een apart, donkerblauw jasje erop. Om haar hals droeg ze een kleurrijke sjaal bij wijze van sieraad. Sven-Erik kreeg een goed humeur van haar aanblik. Hij hield van vrouwen die zo energiek overkwamen.

Anna-Maria legde uit dat ze wilde dat Benjamin Wikström zonder tamtam gehaald zou worden. De rector haalde een boek met roosters te voorschijn. Daarna belde ze kort met de leraar die Benjamins klas lesgaf.

Terwijl ze wachtten vroeg ze waar het over ging.

‘We denken dat hij Mildred Nilsson misschien bedreigd heeft, de predikant die afgelopen zomer vermoord is. Daarom moeten we hem wat vragen stellen.’

De rector schudde haar hoofd.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei ze. ‘Maar dat vind ik erg moeilijk te geloven. Benjamin en zijn vrienden. Ze zien er verschrikkelijk uit. Zwarte haren, witte gezichten. Hun ogen zwartig van de make-up. En als je hun truien soms ziet! Vorig jaar had een van Benjamins vrienden een trui aan met een skelet dat zuigelingen at.’

Ze lachte en trok haar schouders op in een gespeelde huivering. Werd ernstig toen Anna-Maria niet meelachte.

‘Maar het zijn echt aardige jongens,’ vervolgde ze. ‘Benjamin had het vorig jaar in de tweede klas een tijdje niet makkelijk, maar ik zou hem absoluut op mijn eigen kinderen laten passen. Als ik kleine kinderen had, bedoel ik.’

‘In welke zin had hij het vorig jaar niet makkelijk?’ vroeg Sven-Erik.

‘Het ging slecht met zijn schoolwerk. En hij werd zo ontzettend… Ze willen zich natuurlijk onderscheiden met hun manier van kleden en zo. Ik denk soms dat ze hun gevoel buitenstaander te zijn aan de buitenkant dragen, het tot hun eigen keuze maken. Maar het ging niet goed met hem. Hij had allemaal wondjes op zijn arm waarvan hij de korstjes voortdurend lospulkte. Het werd een gebied met wondjes dat nooit genas. Maar ergens na kerst begon het beter te gaan. Hij begon met een meisje op te trekken en richtte een band op.’

Ze glimlachte.

‘De band. Mijn god, ze hadden afgelopen lente een optreden hier op school. Op de een of andere manier hadden ze een varkenskop te pakken gekregen, waar ze op het podium met bijlen op in konden hakken. Ze waren overgelukkig.’

‘Is hij goed in tekenen?’ vroeg Sven-Erik.

‘Ja,’ zei de rector. ‘Dat is hij zeker.’

Er werd op de deur geklopt en Benjamin Wikström kwam binnen.

Anna-Maria en Sven-Erik stelden zich voor.

‘We willen je wat vragen stellen,’ zei Sven-Erik.

‘Ik praat niet met jullie,’ zei Benjamin Wikström.

Anna-Maria Mella zuchtte.

‘In dat geval moet ik je aanhouden op verdenking van bedreiging. Dan moet je meekomen naar het bureau.’

Zijn blik op de vloer. Het piekerige haar voor zijn gezicht.

‘Doe maar.’

 

NOU,’ ZEI ANNA-MARIA TEGEN SVEN-ERIK, ‘ZULLEN WE DAN MAARmet hem gaan praten?’

Benjamin Wikström zat in verhoorruimte 1. Hij had geen woord gezegd sinds ze hem hadden meegenomen. Sven-Erik en Anna-Maria hadden ieder een kop koffie gehaald. En voor Benjamin Wikström een cola.

Hoofdofficier van justitie Alf Björnfot kwam door de gang naar hen toe gegaloppeerd.

‘Wie hebben jullie opgepakt?’ hijgde hij.

Ze vertelden over de aanhouding.

‘Vijftien,’ zei de officier. ‘Zijn voogden moeten erbij zijn. Is zijn moeder hier?’

Sven-Erik en Anna-Maria wisselden een blik.

‘Zorg er dan voor dat ze hierheen komt,’ zei de officier. ‘Geef dat joch wat te eten, als hij wil. En bel het maatschappelijk werk. Ze moeten hier een representant heen sturen. Bel me daarna.’

Hij verdween weer.

‘Ik wil niet!’ steunde Anna-Maria.

‘Ik ga haar halen,’ zei Sven-Erik Stålnacke.

Een uur later zaten ze in de verhoorruimte. Sven-Erik Stålnacke en Anna-Maria Mella aan de ene kant van de tafel. Aan de andere kant zat Benjamin Wikström. Links van hem zat een ambtenaar van het maatschappelijk werk. Rechts van hem zat Kristin Wikström. Haar ogen waren roodomrand.

‘Heb jij deze tekening aan Mildred Nilsson gestuurd?’ vroeg Sven-Erik. ‘We krijgen binnenkort vingerafdrukken. Dus als je het gedaan hebt, kunnen we het er net zo goed over hebben.’

Benjamin Wikström zweeg koppig.

‘Mijn hemel,’ zei Kristin. ‘Wat is dit, Benjamin? Hoe kun je dat doen? Dit is volkomen ziek!’

Benjamins wangen verstrakten. Hij keek omlaag naar de tafel. Zijn armen tegen zijn lichaam gedrukt.

‘Misschien moeten we even pauze nemen,’ zei de ambtenaar van het maatschappelijk werk, en ze legde haar arm om Kristins schouders.

Sven-Erik knikte en zette het opnameapparaat uit. Kristin Wikström, de ambtenaar en Sven-Erik gingen naar buiten.

‘Waarom wil je niet met ons praten?’ vroeg Anna-Maria.

‘Omdat jullie er niks van snappen,’ zei Benjamin Wikström. ‘Jullie snappen helemaal niks.’

‘Dat zegt mijn zoon ook steeds. Hij is net zo oud als jij. Kende je Mildred?’

‘Zij staat niet op die tekening. Snappen jullie dat dan niet? Het is een zelfportret.’

Anna-Maria keek naar de tekening. Ze was ervan uitgegaan dat het Mildred was. Maar hij had zelf ook lang donker haar.

‘Je was met haar bevriend!’ riep Anna-Maria uit. ‘Daarom had je die krantenknipsels.’

‘Zij snapte het,’ zei hij. ‘Zij snapte het.’

Vanachter de sluier van haar drupten een paar tranen op het tafelblad.

Mildred en Benjamin zitten op haar werkkamer in het wijkgebouw. Ze heeft een kop moerasspireathee met honing gemaakt. Die thee heeft ze van een van de vrouwen van Magdalena gekregen, die hem zelf geplukt en gedroogd heeft. Ze lachen omdat het goor smaakt.

Een van Benjamins vrienden heeft belijdenis gedaan bij Mildred. Via die vriend hebben Mildred en hij elkaar leren kennen.

The Gate ligt op Mildreds bureau. Ze heeft het nu gelezen.

‘Wat vind jij er dan van?’

Het boek is dik. Hartstikke dik. Veel tekst, in het Engels. Veel kleurenplaten ook.

Het gaat over The Gate to the unbuilt house, to the world you create. De deur naar het ongebouwde huis, naar de wereld die jij creëert. Het is een aansporing om met behulp van riten en in je hoofd de wereld te creëren waar je tot in de eeuwigheid zou willen leven. Het gaat over de weg ernaartoe. Zelfmoord. Collectief of alleen. De Engelse uitgever is door een groep ouders voor de rechter gedaagd. Vier jongeren die zich samen van het leven hebben beroofd in de lente van 1998.

‘Het idee dat je je eigen hemel maakt, spreekt me aan,’ zegt ze.

Verder luistert ze. Geeft hem zakdoeken als hij huilt. Dat doet hij als hij met Mildred praat. Dat komt door het gevoel dat zij hem tenminste mag.

Hij vertelt over zijn vader. Er speelt ook een beetje wraak mee: dat hij met de Mildred praat die zijn vader verafschuwt.

‘Hij haat me,’ zegt hij. ‘En het doet er niet toe. Als ik mijn haar af zou knippen en rond zou gaan lopen in een overhemd en broeken zonder gaten, mijn best deed op school en voorzitter werd van de leerlingenraad, zou hij nog steeds niet tevreden zijn. Dat weet ik zeker.’

Er wordt op de deur geklopt. Mildred krijgt een geïrriteerde frons tussen haar wenkbrauwen. Als het rode lampje brandt…

De deur gaat open en Stefan Wikström komt binnen. Het is eigenlijk zijn vrije dag.

‘Dus hier ben je,’ zegt hij tegen Benjamin. ‘Doe je jas aan en ga onmiddellijk buiten in de auto zitten.’

Tegen Mildred zegt hij: ‘En jij houdt ermee op je te mengen in mijn familieaangelegenheden. Hij verwaarloost zijn schoolwerk. Hij kleedt zich op een manier waar je van moet kotsen. Maakt de familie te schande zo veel hij maar kan. Geestdriftig aangemoedigd door jou, begrijp ik. Je gaat thee met hem drinken als hij spijbelt van school. Heb je me gehoord? Je jas aan en naar de auto.’

Hij tikt tegen zijn horloge.

‘Je hebt nu Zweeds, ik breng je erheen.’

Benjamin blijft zitten waar hij zit.

‘Je moeder zit thuis te huilen. Je klassenleraar belde naar huis om te vragen waar je uithing. Je maakt je moeder ziek. Is dat wat je wilt?’

‘Benjamin wilde praten,’ zegt Mildred. ‘Soms…’

‘Praten doe je met je familie!’ zegt Stefan.

‘O ja!’ roept Benjamin. ‘Maar je weigert toch om antwoord te geven. Zoals gisteren toen ik vroeg of ik met Kevin en zijn ouders mee mocht naar Riksgränsen. “Knip je haar en kleed je als een normaal mens, dan zal ik ook met je praten als een normaal mens.”’

Benjamin staat op en pakt zijn jas.

‘Ik ga op de fiets naar school. Je hoeft me niet te brengen.’

Hij stormt naar buiten.

‘Dit is jouw schuld,’ zegt Stefan, terwijl hij naar Mildred wijst, die daar nog steeds met haar kop thee in haar hand zit.

‘Ik heb met je te doen, Stefan,’ antwoordt ze. ‘Het moet erg eenzaam zijn om je heen.’

 

‘WE LATEN HEM GAAN,’ ZEI ANNA-MARIA TEGEN DE OFFICIER VAN JUSTI-tie en zijn collega’s. Ze liep de koffieruimte in en vroeg de medewerker van het maatschappelijk werk om moeder en zoon naar huis te vergezellen.

Daarna ging ze naar haar kamer.

Ze voelde zich moe en moedeloos.

Sven-Erik kwam langs en vroeg of ze mee ging lunchen.

‘Het is al drie uur,’ zei ze.

‘Heb je dan al gegeten?’

‘Nee.’

‘Pak je jas. Ik rijd.’

Ze grinnikte.

‘Waarom ga jij rijden?’

Tommy Rantakyrö dook op achter Sven-Eriks rug.

‘Jullie moeten komen,’ zei hij.

Sven-Erik keek hem grimmig aan.

‘Ik praat niet eens met je,’ zei hij.

‘Vanwege die kat? Dat was toch een grapje? Maar dit moeten jullie horen.’

Ze liepen met Tommy Rantakyrö mee naar verhoorruimte 2. Daar zaten een vrouw en een man. Ze droegen allebei buitensportkleding. De man was vrij groot; hij hield zijn legergroene dumppetje in zijn vuist en wiste het zweet van zijn voorhoofd. De vrouw was onnatuurlijk mager. Ze had van die diepe groeven boven haar lippen en in haar gezicht die het gevolg zijn van jarenlang roken. Boerenzakdoek om haar hoofd en bessenvlekken op haar spijkerbroek. Allebei roken ze naar rook en muggenolie.

‘Mag ik misschien een glas water?’ zei de man toen de vier agenten de ruimte binnenkwamen.

‘Hou nou toch op!’ zei de vrouw, op een toon waaruit bleek dat niets wat de man zei of deed goed zou zijn.

‘Kunnen jullie nog een keer vertellen wat jullie aan mij hebben verteld?’ verzocht Tommy Rantakyrö.

‘Nou, vertel jij maar!’ zei de vrouw geïrriteerd tegen haar man.

Haar blik fladderde gestresst van de ene agent naar de andere.

‘Tja, we waren ten noorden van Nedre Vuolusjärvi bessen aan het plukken,’ zei de man. ‘Mijn zwager heeft daar een hut. Fantastische velden vol kruipbramen als het daar het seizoen voor is, maar nu waren we vossenbessen aan het plukken…’

Hij keek op naar Tommy Rantakyrö, die wat met zijn hand wapperde om aan te geven dat de man ter zake moest komen.

‘Nou, we hoorden daar ’s nachts lawaai,’ zei de man.

‘Het was een gil,’ stelde de vrouw vast.

‘Ja, ja. Hoe dan ook, we hoorden een schot.’

‘En daarna nog een schot,’ vulde de vrouw aan.

‘Vertel jij het dan!’ zei de man geïrriteerd.

‘Nee, ik zei toch dat jij het nu aan de politie moet vertellen.’

De vrouw perste haar lippen op elkaar.

‘Tja, dat was het eigenlijk wel,’ rondde de man af.

Sven-Erik keek hen ontsteld aan.

‘Wanneer was dat?’ vroeg hij.

‘De nacht van vrijdag op zaterdag,’ zei de man.

‘En nu is het maandag,’ zei Sven-Erik langzaam. ‘Waarom komen jullie nu pas?’

‘Ik zei toch tegen je dat…’ begon de vrouw.

‘Ja ja, hou jij je kop nou maar,’ onderbrak de man haar.

‘Ik zei al dat we meteen naar de politie moesten gaan,’ zei de vrouw tegen Sven-Erik. ‘En jee, toen ik de dominee op de voorpagina’s zag staan… Denken jullie dat hij het is?’

‘Hebben jullie iets gezien?’ vroeg Sven-Erik.

‘Nee, we waren al naar bed,’ zei de man. ‘We hoorden alleen precies wat ik net vertelde. Ja, en we hoorden een auto. Maar dat was veel later. De autoweg naar Laxforsen loopt daar immers langs.’

‘Begrepen jullie niet dat het iets ernstigs kon zijn?’ vroeg Sven-Erik mild.

‘Ik weet het niet, hoor,’ zei de man stuurs. ‘De elandenjacht is ook bezig, dus zo gek is het niet dat er wordt geschoten in het bos.’

Sven-Eriks stem was onnatuurlijk geduldig.

‘Het was toch midden in de nacht? Tijdens de jacht is het vanaf een uur voor zonsondergang verboden te schieten. En wie schreeuwde er? De eland?’

‘Ik zei toch dat…’ begon de vrouw.

‘Nou ja, geluiden klinken soms heel vreemd in het bos,’ zei de man obstinaat. ‘Het kan een vos geweest zijn. Of een bronstige reebok. Heb je dat wel eens gehoord? Nou, nu hebben we het in elk geval verteld. Dus nu kunnen we misschien naar huis.’

Sven-Erik staarde de man aan alsof hij krankzinnig was.

‘Naar huis!’ riep hij uit. ‘Naar huis? Jullie blijven hier! We halen een kaart en bekijken het gebied. Jullie moeten ons vertellen waar het schot vandaan kwam. We gaan uitzoeken of het een kogel was of hagel. Jullie moeten nadenken over wat voor schreeuw het was – konden jullie woorden onderscheiden? En we gaan het ook over het geluid van die auto hebben. Waarvandaan, hoe ver weg – alles. Ik wil een exact tijdstip wanneer dit is gebeurd. En we zullen het allemaal heel nauwkeurig doorspreken. Meerdere malen. Begrepen?’

De vrouw keek vragend naar Sven-Erik en zei: ‘Ik zei tegen hem dat we meteen naar de politie moesten gaan, maar je moet weten, als hij eenmaal bezig is met bessen plukken…’

‘Ja, en je ziet hoe het gaat,’ zei de man. ‘Ik heb voor drieduizend ballen vossenbessen in de auto. Ik moet in elk geval die jongen bellen, zodat hij ze kan komen halen. Het zal me goddomme niet gebeuren dat die bessen beginnen te rotten.’

Sven-Eriks borstkas ging op en neer.

‘Maar die auto was in elk geval een diesel,’ zei de man.

‘Neem je me in de maling?’ vroeg Sven-Erik.

‘Nee, zo’n ding herken ik heus wel. De hut ligt een stukje van de weg, maar toch. Maar zoals ik al zei: het was een tijdje later. Het hoeft niks met dat schot te maken te hebben.’

 

OM KWART OVER VIERS MIDDAGS VLOGEN ANNA-MARIA MELLA EN Sven-Erik Stålnacke met een helikopter naar het noorden. Onder hen slingerde de Torneälven als een zilveren band door het landschap. Een enkele wolk wierp zijn schaduw op de bergwanden, maar verder scheen de zon over het goudgele landschap.

‘Je kunt toch best begrijpen dat ze wilden blijven om bessen te plukken en niet naar de stad wilden om daarmee hun vakantie te verstoren,’ zei Anna-Maria.

Sven-Erik zwichtte en lachte.

‘Wat hebben mensen toch?’

Ze keken naar de kaart.

‘Als de hut hier aan het noordelijke uiteinde van het meer ligt en het schot vanuit het zuiden kwam…’ zei Anna-Maria, terwijl ze op de kaart wees.

‘Volgens hem leek het dichtbij.’

‘Ja, en verder naar het zuiden staan er huisjes langs de waterkant. En ze hebben ook een auto gehoord. Dat kan niet meer dan één, maximaal twee kilometer van de hut vandaan zijn geweest.’

Ze hadden een gebied op de kaart omcirkeld. De volgende dag zou de politie het samen met de nationale reserve doorzoeken.

De helikopter daalde een stukje. Volgde het langwerpige meer Nedre Vuolusjärvi noordwaarts. Ze lokaliseerden de hut waar de bessenplukkers verbleven.

‘Vlieg nog wat lager, dan kijken we zo goed we kunnen,’ riep Anna-Maria tegen de piloot.

Sven-Erik had een verrekijker. Anna-Maria vond het makkelijker zonder. Berken en veel moeras. Het bospad dat bijna tot aan het noordelijke uiteinde langs de oever van het meer liep. Hier en daar een rendier dat dom stond te staren en een elandkoe met een kalfje die er door het kreupelhout vandoor galoppeerden.

Maar toch, dacht Anna-Maria, terwijl ze tuurde om te proberen iets anders te zien dan dwergberkjes en struiken. Je kunt niet zomaar iemand begraven. Wortels en andere zooi.

‘Wacht,’ riep ze plotseling. ‘Kijk, daar.’

Ze stootte Sven-Erik aan.

‘Zie je?’ zei ze. ‘Er ligt daar een boot ten zuiden van die rendierweide. Die gaan we bekijken.’

Het meer was ruim zes kilometer lang. Er liep een paadje van het bospad naar het meer. Over het laatste gedeelte lag een vlonder. De witte plastic roeiboot was op het land getrokken. Netjes omgekeerd, zodat hij niet vol zou raken met water.

Ze draaiden de roeiboot samen om.

‘Prachtig schoon,’ zei Sven-Erik.

‘Bijzonder prachtig schoon,’ zei Anna-Maria.

Ze ging op haar hurken zitten en bekeek de bodem van de boot zorgvuldig. Keek op naar Sven-Erik en knikte. Hij ging ook op zijn hurken zitten.

‘Jawel, er zit altijd bloed in,’ zei hij.

Ze keken uit over het meer. Dat lag er glanzend en rustig bij. Een vis deed het oppervlak rimpelen. Ergens riep een fuut.

Daar beneden, dacht Anna-Maria. Hij ligt in het meer.

‘We gaan terug,’ zei Sven-Erik. ‘Het heeft geen zin hier rond te stampen zodat de technische recherche kwaad wordt. We nemen Krister Eriksson en Tintin hier mee naartoe. Als ze wat vinden, halen we er een duiker bij. Laten we het pad maar niet gebruiken, er kunnen sporen of zo zitten.’

Anna-Maria keek op haar horloge.

‘We halen het nog voor het donker,’ zei ze.

Het was al na halfvijf ’s middags toen ze opnieuw bij het meer kwamen, Anna-Maria Mella, Sven-Erik Stålnacke, Tommy Rantakyrö en Fred Olsson. Ze wachtten op Krister Eriksson en Tintin.

‘Als hij in de buurt ligt, zal Tintin hem vinden,’ zei Fred Olsson.

‘Hoewel ze niet zo goed is als Zack,’ zei Tommy.

Tintin was een zwarte herderteef. Ze was van politie-inspecteur Krister Eriksson. Toen hij vijf jaar geleden in Kiruna was komen wonen, had hij Zack bij zich gehad. Een herderreu met dikke ruige vacht in beige en bruinzwart. Brede kop. Niet echt een tentoonstellingshond. Een eenkennig beest. Alleen Krister was van belang. Als iemand probeerde hem te begroeten of te aaien, keerde hij onverschillig zijn kop af.

‘Het is een eer met hem te mogen werken,’ had Krister zelf over de hond gezegd.

De bergreddingswerkers hadden een meerstemmig loflied op hem aangeheven. Zack was de beste lawinehond die ze ooit hadden gezien. Hij was ook goed in speurwerk. De enige gelegenheid waarbij je Krister Eriksson in de koffieruimte van het politiebureau zag, was als Zack op taart trakteerde. Of beter gezegd: als een dankbaar familielid of iemand wiens leven hij had gered op taart trakteerde. Anders benutte Krister Eriksson zijn koffiepauzes voor wandelingen of trainingen met de hond.

Hij was niet echt sociaal te noemen. Misschien kwam dat door zijn uiterlijk. Voorzover Anna-Maria had begrepen, was een brand in Kristers puberteit verantwoordelijk voor zijn verwondingen. Ze had het nooit durven vragen, zo’n type was hij niet. Zijn gezicht leek van varkensroze perkament. Zijn oren waren twee gaten die zijn hoofd in gingen. Hij had geen haargroei, geen wimpers of wenkbrauwen – niets.

Van zijn neus was ook niet veel over. Twee langwerpige grotten in zijn schedel. Anna-Maria wist dat hij door zijn collega’s Michael Jackson genoemd werd.

Toen Zack nog leefde, deden er grappen de ronde over het baasje en de hond. Dat ze ’s avonds samen een biertje opentrokken en sport zaten te kijken. Dat Zack het vaakst goed gokte bij de toto.

Sinds Krister Tintin had, had ze niets gehoord. Waarschijnlijk gingen de grappen door, net als vroeger, maar omdat Tintin een teefje was, waren ze waarschijnlijk te grof om te vertellen als Anna-Maria meeluisterde. ‘Ze wordt goed,’ zei Krister vaak over Tintin. ‘Nog een beetje te enthousiast. Te jong in de kop, maar dat trekt nog wel bij.’

Krister Eriksson kwam tien minuten na de anderen. Tintin zat op de passagiersstoel, vastgegespt in een autogordel voor honden. Krister liet haar naar buiten.

‘Is de boot er al?’ vroeg hij.

De anderen knikten. Een helikopter had hem aan de noordkant van het meer neergelaten. Het was een oranje boot met weinig diepgang, voorzien van schijnwerpers en een echolood.

Krister Eriksson deed Tintin een reddingsvest aan. Ze wist precies wat dat inhield: werk, leuk werk. Ze draaide enthousiast om zijn benen heen. Haar bek stond verwachtingsvol open. De neus snuffelde alle kanten op.

Ze gingen de boot in. Krister Eriksson gaf Tintin het commando op het platformpje te gaan zitten en meerde af. Zijn collega’s bleven achter en keken hoe ze weggleden. Ze hoorden Krister de motor aanzetten. Ze zochten tegen de wind in. In het begin trippelde Tintin opgewonden in het rond, ze piepte en danste. Uiteindelijk vond ze een plekje, zat op het voorschip en leek aan iets anders te denken.

Er verstreken veertig minuten. Tommy Rantakyrö krabde aan zijn hoofdhuid. Tintin was gaan liggen. De boot voer heen en weer over het meer, ging langzaam zuidwaarts. De andere agenten verplaatsten zich met de boot mee over de oever.

‘Shit, wat bijten ze,’ klaagde Tommy Rantakyrö.

‘Mannen met honden. Dat is toch eigenlijk jouw ding?’ zei Sven-Erik tegen Anna-Maria.

‘Hou je mond,’ bromde Anna-Maria waarschuwend. ‘Het was zijn hond trouwens niet.’

‘Wat dan?’ zei Fred Olsson nieuwsgierig.

‘Niets!’ zei Anna-Maria.

‘Nou, als je a hebt gezegd…’ zei Tommy Rantakyrö.

‘Sven-Erik heeft a gezegd,’ zei Anna-Maria. ‘Vertel maar! Zet me maar te kakken.’

‘Het moet in de tijd zijn geweest dat je in Stockholm woonde,’ begon Sven-Erik.

‘Toen ik naar de politieschool ging.’

‘Nou, Anna-Maria trok in bij een man. En ze kenden elkaar niet zo goed.’

‘We woonden twee maanden samen en erg veel langer kenden we elkaar nog niet.’

‘Je moet maar zeggen als ik het mis heb, maar toen ze op een dag thuiskwam, lag er een zwarte leren string op de vloer van de slaapkamer.’

‘Met een pornosluiting,’ zei Anna-Maria. ‘Bovendien zat er een gat aan de voorkant. Je hoefde niet lang na te denken over wat daaruit hoorde te steken.’

Ze pauzeerde even en keek naar Fred Olsson en Tommy Rantakyrö. Ze had ze nog nooit van haar leven zo gelukkig en verwachtingsvol meegemaakt.

‘Bovendien,’ zei ze, ‘lag er een maandverband op de grond.’

‘Dat meen je niet!’ zei Tommy Rantakyrö aandachtig.

‘Ik was echt gechoqueerd,’ vervolgde Anna-Maria. ‘Ik bedoel, wat weet je eigenlijk van een mens? Dus toen Max thuiskwam en vanuit de hal riep, zat ik daar maar in de slaapkamer. En hij: “Hoe is ’ie?” En ik wees op die leren string en zei: “We moeten praten. Over dat ding.” Hij reageerde niet eens. “O,” zei hij volstrekt onaangedaan. “Die moet van de klerenkast zijn gevallen.” Dus hij legde de string en het maandverband op de kast. Hij was doodkalm.’

Toen grijnsde ze even.

‘Het was een hondenbroekje. Zijn moeder had een boxerteef waar hij soms op paste. En als ze loops was, had ze dat broekje aan, met een gat voor haar staart en een maandverband erin. Zo simpel was het.’

Het gelach van de drie mannen rolde over het meer.

Ze bleven nog lang nagrinniken.

‘Ja, jezus zeg,’ piepte Tommy Rantakyrö, terwijl hij zijn ogen droogde.

Toen kwam Tintin overeind in de boot.

‘Let op,’ zei Sven-Erik Stålnacke.

‘Alsof iemand van ons ook maar van plan was om net op dit moment op te houden met opletten,’ antwoordde Tommy Rantakyrö, terwijl hij reikhalzend naar de hond keek.

Tintin was recht overeind gaan staan. Haar lichaam was helemaal verstijfd. Haar snuit wees als een kompasnaald naar het midden van het meer. Krister Eriksson verminderde de snelheid totdat hij nog net stuur over de boot hield en hij stuurde hem in de richting waarin Tintins snuit wees. De hond begon te janken en te blaffen, ze trappelde in het rond en krabde. Ze blafte steeds hardnekkiger en ten slotte hing ze met haar bovenlijf over de rand. Toen Krister Eriksson de boei met het zinklood te voorschijn haalde om de vindplaats te markeren, kon Tintin zich niet meer beheersen. Ze sprong het water in en zwom om de boei heen, blafte en proestte water uit.

Krister Eriksson riep haar, pakte de handgreep van het reddingsvest vast en trok haar omhoog. Even leek het erop dat hij zelf in het water zou vallen. In de boot bleef Tintin janken en huilen van geluk. De agenten hoorden Krister Erikssons stem door het geluid van de motor heen en boven het gekef uit.

‘Het is prachtig, meisje. Goe-oed zo.’

Nat als een spons sprong Tintin aan land. Ze schudde zich uit, zodat alle agenten een flinke douchebeurt kregen.

Krister Eriksson prees haar en aaide haar kop. Ze stond maar een seconde stil. Daarna spurtte ze het bos in en schreeuwde uit hoe waanzinnig goed ze was. Ze hoorden haar geblaf van verschillende kanten.

‘Was het de bedoeling dat ze erin zou springen?’ vroeg Tommy Rantakyrö.

Krister Eriksson schudde zijn hoofd.

‘Ze raakte gewoon door het dolle heen,’ zei hij. ‘Maar dat ze beetheeft en vindt wat ze zoekt, mag alleen maar een positief gevoel voor haar zijn en daarom mag ik haar niet op haar kop geven omdat ze erin sprong, maar…’

Met een mengeling van onmetelijke trots en bedachtzaamheid keek hij in de richting van het hondengeblaf.

‘Ze is zo goed,’ zei Tommy, onder de indruk.

De anderen vielen hem bij. De laatste keer dat ze Tintin hadden gezien, had ze een verdwenen demente vrouw van zesenzeventig in het bos aan de andere kant van Kaalasjärvi gevonden. Er moest een groot gebied doorzocht worden en Krister Eriksson had heel langzaam in een jeep gereden over oude steenslagwegen die gebruikt werden voor houtkap. Op de motorkap had Krister een badmatje bevestigd, zodat Tintin niet weg zou glijden. De hond had als een sfinx op de motorkap gezeten met haar snuit in de lucht. Een imposante vertoning.

Zo vaak was je niet in de gelegenheid zulke lange gesprekken met Krister Eriksson te voeren. Tintin kwam terug van haar pochronde en zelfs zij werd getroffen door het plotselinge gevoel van saamhorigheid in de groep. Ze ging zelfs zover dat ze een rondje om de agenten rende en vluchtig aan Sven-Eriks broek snuffelde.

Toen was het moment voorbij.

‘Zo, dat was het dan,’ zei Krister, op het korzelige af, en hij riep de hond en trok haar haar reddingsvest uit.

Het begon te schemeren.

‘We hoeven alleen de technische recherche en de duikers nog te bellen,’ zei Sven-Erik. ‘Ze kunnen komen zodra het morgen licht wordt.’

Hij voelde zich tegelijkertijd opgewekt en verdrietig. Het ergste was gebeurd. Er was nog een predikant vermoord, dat was nu bijna zeker. Maar aan de andere kant: in de diepte lag een lichaam. Er zaten sporen in de roeiboot en ongetwijfeld ook bij het paadje. Ze wisten dat de auto op diesel liep. Nu hadden ze weer iets om mee aan de slag te gaan.

Hij keek naar zijn collega’s. Merkte dat die elektriciteit bij hen allemaal zat.

‘Ze moeten vanavond al komen,’ zei Anna-Maria. ‘Ze kunnen in elk geval een poging doen in het donker. Ik wil hem nu boven water hebben.’

 

MÅNS WENNGREN ZAT IN CAFÉ GRODAN NAAR ZIJN MOBIELTJE TE kijken. Hij had de hele dag tegen zichzelf gezegd dat hij Rebecka Martinsson niet moest bellen, maar nu wist hij niet meer waarom niet.

Hij zou haar bellen en luchtig vragen hoe het met haar zwarte baantje ging.

Hij had van die gedachten die hij had toen hij vijftien was. Hoe haar gezicht eruit zou zien vlak voor het moment dat je bij haar binnendrong.

Gênante ouwe lul, zei hij tegen zichzelf, en hij draaide haar nummer.

Na drie keer overgaan nam ze op. Ze klonk moe. Hij vroeg luchtig naar het zwartwerken, precies zoals hij had bedacht.

‘Het ging niet zo goed,’ zei ze.

Toen gutste het hele verhaal eruit, over hoe ze er door Nalles vader van beschuldigd werd haar neus in andermans zaken te steken.

‘Het was zo lekker om een tijdje niet “die vrouw die drie mannen heeft gedood” te hoeven zijn,’ zei ze. ‘Ik hield het niet geheim, maar er was ook geen reden om het te vertellen. Het ergste is dat ik ervandoor ben gegaan zonder de rekening te betalen.’

‘Je kunt toch wel per giro betalen of zo?’ zei Måns.

Rebecka lachte even.

‘Dat denk ik niet.’

‘Wil je dat ik het voor je regel?’

‘Nee.’

Nee, natuurlijk niet. Zelf doen.

‘Dan zul je er toch heen moeten om te betalen,’ zei hij.

‘Ja.’

‘Je hebt niets verkeerd gedaan, je hoeft je hoofd niet te buigen.’

‘Nee.’

‘Zelfs als je wel iets verkeerd hebt gedaan, moet je je hoofd niet buigen,’ vervolgde Måns.

Het werd stil aan de andere kant.

‘Zo is het moeilijk om met je te praten, Martinsson,’ zei Måns.

Hou je kop erbij, zei Rebecka tegen zichzelf. Gedraag je niet voortdurend als een psychisch wrak.

‘Sorry,’ zei ze.

‘Zet dat nu maar even uit je hoofd,’ zei Måns. ‘Ik bel je morgenochtend vroeg om je op te peppen. Naar een uithoek rijden om een rekening te betalen, dat kun je wel. Weet je nog die keer dat je Axling Import zelf mocht doen?’

‘Mm-mm.’

‘Ik bel je morgen.’

Hij belt niet, dacht ze toen ze hadden opgehangen. Waarom zou hij?

Om vijf over tien ’s avonds vonden de duikers van de reddingsdienst het lichaam van Stefan Wikström in het meer. Ze haalden hem omhoog met de brancard, hij was zwaar. Er was een ijzeren ketting om hem heen gewikkeld. Zijn huid was volkomen wit en poreus, alsof hij in de week was gezet en was verschoten. In zijn voorhoofd en borst zaten kogelgaten met een doorsnee van een halve centimeter.

 

Gele Poten

HET IS BEGIN MEI. DE BLADEREN ONDER DE SNEEUW ZIJN SAMENGE-perst tot een bruine schil op de aarde. Her en der steekt voorzichtig iets groens op. Warme winden vanuit het zuiden. Vogelvluchten.

De wolvin is nog steeds in beweging. Soms wordt ze overmand door grote eenzaamheid. Dan strekt ze haar keel naar de hemel en laat alles komen.

Vijftig kilometer ten zuiden van Sodankylä ligt een dorp met een open vuilstort. Daar wroet ze een tijdje rond, vindt etensresten en graaft vette, geschrokken ratten op. Ze vult haar maag goed.

Een stukje buiten het dorp staat een Karelische berenhond aan een ketting. Als de wolvin te voorschijn komt uit de bosrand, begint hij niet als een bezetene te blaffen. Hij wordt evenmin bang en probeert niet te ontkomen. Staat stil op haar te wachten.

De mensengeur boezemt haar weliswaar angst in, maar ze is nu al zo lang eenzaam geweest en deze onbevreesde Kareliër is geschikt voor haar. Drie dagen lang keert ze naar hem terug als de avond valt. Ze durft helemaal naar hem toe te komen. Snuffelt en laat zich besnuffelen. Ze maken elkaar het hof. Dan keert ze terug naar de bosrand. Daar blijft ze staan en kijkt naar de reu. Wacht tot hij haar achternakomt.

De hond rukt aan zijn ketting. Overdag eet hij niet meer.

Als de wolvin de vierde avond terugkomt, is hij er niet meer. Ze blijft een tijdje aan de bosrand staan. Dan draaft ze het bos weer in. En trekt voort.

De sneeuw is volledig verdwenen. De grond dampt en trilt van verlangen naar leven. Overal krioelt en tsjirpt het, kraakt het en baldert het. De bladeren breken los uit de barende bomen. De zomer welt op als een onbedwingbare groene golf.

Ze trekt twintig kilometer noordwaarts langs de Torneälven. Steekt een mensenbrug over in Muonio.

Kort daarna knielt er voor de tweede keer in haar leven een man voor haar. Ze ligt met haar tong ver uit haar bek in het berkenbos. Haar poten bestaan niet. De bomen boven haar bevinden zich in een onscherpe nevel.

De man op zijn knieën is een wolvenonderzoeker van de natuurbescherming.

‘Wat ben je mooi,’ zegt hij, terwijl hij haar flanken en haar lange, gele poten streelt.

‘Ja, ze is prachtig,’ vindt ook de dierenarts.

Ze geeft haar een vitamine-injectie, controleert haar gebit, buigt voorzichtig haar ledematen.

‘Drie jaar, misschien vier,’ schat ze. ‘In prima conditie, geen schurft, niets.’

‘Een echte prinses,’ zegt de onderzoeker, terwijl hij een zendertje onder haar hals schroeft, een merkwaardig sieraad voor een koninklijke wolf.

De helikopter draait nog steeds. De grond is zo drassig dat de piloot de motor niet uit heeft durven zetten; dan zinkt hij misschien zo diep weg dat hij niet meer op kan stijgen.

De dierenarts geeft de wolvin nog een spuitje en dan is het tijd om haar alleen te laten.

De onderzoeker komt overeind. Voelt haar nog steeds in zijn handen. De dikke, gezonde vacht. De wol dicht op haar huid. De grove, lange haren in de buitenste laag. De zware poten.

Als ze zijn opgestegen, zien ze hoe ze weer overeind komt. Een beetje wankel.

‘Taai beest,’ merkt de dierenarts op.

De onderzoeker stuurt een wens naar hogere machten. Een gebed om bescherming.