Vrijdag 8 september
POLITIE-INSPECTEUR SVEN-ERIK STÅLNACKE WERD OM HALFVIJF’s ochtends wakker.
Kutbeest, was zijn eerste gedachte.
Gewoonlijk werd hij op dit tijdstip wakker van zijn kat Manne. De kat nam dan een aanloop vanaf de grond en landde verbazingwekkend zwaar op Sven-Eriks buik. Als Sven-Erik alleen even bromde en zich op zijn zij draaide, begon Manne vervolgens heen en weer te lopen over de zijkant van Sven-Eriks lichaam, zoals een bergbeklimmer over de top van een bergrug. Soms stootte de kat een ellendig gejammer uit, wat betekende dat hij wilde eten of naar buiten gelaten wilde worden. Meestal allebei, en wel onmiddellijk.
Soms weigerde Sven-Erik in eerste instantie op te staan, mompelde: ‘Het is midden in de nacht, rotkat’, en wikkelde zich in zijn dekbed. Dan herhaalde Manne de wandeling over het lichaam van het baasje met steeds verder uitgeslagen nagels. Uiteindelijk sloeg Manne zijn klauwen in Sven-Eriks kop.
De kat op de grond gooien of de kamer uit jagen en de deur dichtdoen hielp nauwelijks. Manne stortte zich dan met volle overgave op zachte meubels en gordijnen.
‘Het is een verdomd gewiekste kat,’ zei Sven-Erik altijd. ‘Hij weet dat ik hem er dan uit gooi. En dat is precies wat hij al die tijd al wilde.’
Hij was een behoorlijk imponerende kerel. Hij had sterke bovenarmen, brede handpalmen. Zijn gezicht en houding straalden uit dat hij al vele jaren gewend was om te gaan met zo’n beetje alles: menselijke ellende, herrieschoppende junkies. En hij schiep er een zeker genoegen in onder de plak te zitten bij een kat.
Maar die morgen werd hij niet wakker van Manne. Toch werd hij wakker. Uit gewoonte. Misschien door zijn verlangen naar die gestreepte jongeheer die hem voortdurend terroriseerde met zijn wensen en invallen.
Hij ging moeizaam op de rand van zijn bed zitten. Hij zou echt niet meer in slaap vallen. Het was nu al de vierde nacht dat die verdraaide kat weg was. Eén nachtje kon hij wel eens weg zijn, soms twee. Dat was niets om je ongerust over te maken. Maar vier!
Hij liep de trap af en deed de buitendeur open. De nacht grijs als wol, op weg naar dag. Hij floot een lange riedel, ging de keuken in, haalde een blik kattenvoer, ging op het stoepje voor zijn deur staan en sloeg met een eetlepel op het blik. Geen kat. Uiteindelijk moest hij het opgeven, het werd koud in alleen een onderbroek.
Zo is het, dacht hij. Het is de prijs van de vrijheid. Het risico dat je wordt overreden of opgegeten door een vos. Vroeg of laat.
Hij schepte koffie in de percolator.
Toch is dit beter, dacht hij. Beter dan een zieke, verzwakte Manne die hij uiteindelijk naar de dierenarts had moeten brengen. Dat zou een ontzettend gedonder zijn.
De percolator begon gorgelend te pompen en Sven-Erik ging naar de slaapkamer boven om zich aan te kleden.
Misschien had Manne zich ergens anders geïnstalleerd. Het was eerder voorgekomen dat hij na twee of drie dagen thuis was gekomen en helemaal geen honger had. Duidelijk goed doorvoed en uitgeslapen. Er was vast een of ander oud wijf geweest dat medelijden met hem had gekregen en hem binnen had gelaten. Zo’n gepensioneerde die niks beters te doen had dan zalm te koken en hem room te geven.
Plotseling raakte Sven-Erik vervuld van een redeloze woede tegen die onbekende persoon die een kat binnenliet en verzorgde, terwijl dat beest de persoon in kwestie niet toebehoorde. Begreep zo’n mens niet dat er iemand ongerust rondliep en zich afvroeg waar de kat toch heen was? Je kon toch aan Manne zien dat hij niet dakloos was, zo aanhankelijk en met een glimmende vacht? Hij zou een halsband voor Manne kopen. Dat had hij lang geleden al moeten doen. Hij was alleen bang dat Manne ergens vast zou komen te zitten. Dat was wat hem tot nu toe weerhouden had: de gedachte aan Manne die in een boom hing of vastzat in een bosje waar hij verhongerde.
Hij ontbeet goed. De eerste jaren nadat Hjördis bij hem weggegaan was, had het ontbijt meestal bestaan uit een kop koffie, die hij staande opdronk. Maar hij had zijn leven gebeterd. Lusteloos schepte hij lepels magere yoghurt en biomuesli naar binnen. De percolator was opgehouden en de keuken geurde naar versgezette koffie.
Hij had Manne van zijn dochter overgenomen toen ze naar Luleå was verhuisd. Dat had hij nooit moeten doen. Dat voelde hij nu. Het was gewoon een enorme last, een enorme last.
Anna-Maria Mella zat aan de keukentafel met haar kop ochtendkoffie. Het was zeven uur. Jenny, Petter en Marcus lagen nog te slapen. Gustav was wakker. Hij was in de slaapkamer op de bovenverdieping aan het donderjagen, kroop heen en weer over Robert.
Voor haar op tafel lag een kopie van die huiveringwekkende tekening van de opgehangen Mildred. Rebecka Martinsson had ook kopieën gemaakt van een aantal papieren, maar Anna-Maria snapte er geen bal van. Ze haatte cijfertjes, wiskunde en dat soort dingen.
‘Môge!’
Haar zoon Marcus kwam de keuken binnengeslenterd. Hij opende de deur van de koelkast. Marcus was zestien.
‘Tjongejonge,’ zei Anna-Maria met een blik op de klok. ‘Staat de bovenverdieping in brand of zo?’
Hij grijnsde. Nam melk en cornflakes mee en ging naast Anna-Maria zitten.
‘Ik heb een proefwerk,’ zei hij, terwijl hij melk en cornflakes naar binnen werkte. ‘Dan kun je niet gewoon uit je bed rollen en erheen jakkeren. Je moet je lichaam opladen.’
‘Wie ben jij?’ zei Anna-Maria. ‘Wat heb je met mijn zoon gedaan?’
Het komt door Hanna, dacht ze. God zegene haar.
Hanna was Marcus’ vriendinnetje. Haar gemotiveerde houding op school werkte aanstekelijk.
‘Cool,’ zei Marcus, terwijl hij de tekening van Mildred naar zich toe trok. ‘Wat is dit?’
‘Niets,’ antwoordde Anna-Maria, en ze pakte de tekening van hem af en draaide hem om.
‘Nee, serieus, laat eens zien.’
Hij pakte de tekening weer.
‘Wat betekent dit?’ zei hij, terwijl hij op de grafheuvel achter het bungelende lichaam wees.
‘Tja, misschien dat ze moet sterven en begraven moet worden.’
‘Ja, maar wat betekent dat? Zie je het niet?’
Anna-Maria keek naar de tekening.
‘Nee.’
‘Dat is toch een symbool?’ zei Marcus.
‘Dat is een grafheuvel met een kruis erop.’
‘Kijk dan! De lijnen zijn twee keer zo dik als in de rest van de tekening. En het kruis gaat verder onder de aarde en eindigt in een kronkel.’
Anna-Maria keek. Hij had gelijk.
Ze stond op en graaide de papieren bij elkaar. Ze weerstond de behoefte haar zoon te zoenen en woelde in plaats daarvan door zijn haar.
‘Succes met je proefwerk!’ zei ze.
Vanuit de auto belde ze Sven-Erik.
‘Ja,’ zei hij, nadat hij zijn kopie van de tekening had gehaald. ‘Het is een kruis dat door een halve cirkel gaat en eindigt met een kronkel.’
‘We moeten erachter komen wat het betekent. Wie kan daar antwoord op geven?’
‘Wat zeiden ze op het lab?’
‘Ze krijgen de tekening vandaag pas. Als er duidelijke afdrukken zijn, halen ze die vanmiddag te voorschijn, anders duurt het langer.’
‘Er zou toch een of andere professor in religie moeten zijn die iets weet over dat soort symbolen?’ zei Sven-Erik bedachtzaam.
‘Je bent zo slim als een vos,’ zei Anna-Maria. ‘Fred Olsson mag er zo eentje opsnorren, dan faxen we hem. Ga je nu maar aankleden, dan kom ik je ophalen.’
‘O ja?’
‘Je mag met me mee naar Poikkijärvi. Ik wil met Rebecka Martinsson praten, als ze er nog is.’
Anna-Maria karde met haar vaalrode Ford Escort naar Poikkijärvi. Sven-Erik zat naast haar en drukte zijn voeten reflexmatig tegen de vloer. Waarom moest ze ook altijd rijden als een jonge delinquent?
‘Rebecka Martinsson heeft me ook kopieën gegeven,’ zei ze. ‘Ik snap niks van dat soort dingen. Nou ja, het is iets financieels, maar je weet…’
‘Moeten we de ECO-groep dan niet vragen?’
‘Die zitten altijd tot over hun oren in het werk. Je vraagt iets en krijgt dan een maand later antwoord. We kunnen het net zo goed aan haar vragen. Ze heeft het toch al gezien. Ze weet natuurlijk waarom ze het aan ons gegeven heeft.’
‘Is dit wel zo’n goed plan?’
‘Heb je een beter plan?’
‘Maar wil ze hier echt bij betrokken worden?’
Anna-Maria schudde ongeduldig haar vlecht.
‘Zij heeft die kopieën en brieven toch aan me gegeven! Bovendien zal ze nergens bij betrokken worden. Hoe lang kan het nu helemaal duren? Tien minuten van haar vakantie.’
Anna-Maria remde haastig en draaide naar links, de Jukkasjärvivägen op; ze drukte het gaspedaal in tot negentig, remde weer en sloeg rechts af naar Poikkijärvi. Sven-Erik hield zich vast aan het portier; zijn gedachten gingen van het idee dat hij een pilletje tegen wagenziekte had moeten nemen spontaan naar zijn kat, die een gruwelijke hekel aan autorijden had.
‘Manne is verdwenen,’ zei hij, terwijl hij naar de door de zon verfraaide dennen keek die voorbijzoefden.
‘Gatsie,’ zei Anna-Maria. ‘Hoe lang al?’
‘Vier dagen. Hij is nog nooit zo lang weg geweest.’
‘Hij komt terug,’ zei ze. ‘Het is toch nog steeds warm buiten? Nogal logisch dat hij buiten wil zijn.’
‘Nee,’ zei Sven-Erik met vaste stem. ‘Hij is overreden. Die kat zie ik nooit meer terug.’
Hij hoopte intens dat ze hem tegen zou spreken. Dat ze zou protesteren en bezweren. Hij zou volharden in zijn overtuiging dat de kat voor eeuwig weg was. Zodat hij wat van zijn ongerustheid en bezorgdheid kwijt zou kunnen. Zodat zij een beetje hoop en vertrouwen in hem zou weten te krijgen. Maar ze liet het onderwerp varen.
‘We rijden er niet helemaal heen,’ zei ze. ‘Ik denk niet dat ze op al die aandacht zit te wachten.’
‘Wat doet ze hier eigenlijk?’ vroeg Sven-Erik.
‘Weet ik niet.’
Anna-Maria stond op het punt te zeggen dat ze dacht dat het misschien niet denderend ging met Rebecka, maar ze liet het zitten. Dan zou Sven-Erik haar zeker dwingen van het bezoek af te zien. Hij was altijd zachter in dit soort dingen. Misschien kwam het doordat zij nog thuiswonende kinderen had. Het grootste deel van haar beschermende instincten en haar zorgzaamheid werden thuis verbruikt.
REBECKA MARTINSSON DEED DE DEUR VAN HAAR HUT OPEN. TOEN ZE Anna-Maria en Sven-Erik in het oog kreeg, verschenen er twee diepe groeven tussen haar wenkbrauwen.
Anna-Maria stond voorop, iets geestdriftigs in haar blik: een setter met een geurspoor. Sven-Erik achter haar; hem had Rebecka niet meer gezien sinds ze bijna twee jaar geleden in het ziekenhuis lag. Het krachtige haar dat rond zijn oren groeide was van donkergrijs naar zilver verschoten. Zijn snor zat nog steeds als een dood knaagdier onder zijn neus geplakt. Hij zag er wat beschroomder uit, leek te begrijpen dat ze niet welkom waren.
Ook al hebben jullie mijn leven gered, dacht Rebecka.
Haastige gedachten schoten door haar hoofd, als zijden doekjes door de handen van een goochelaar. Sven-Erik aan haar ziekenhuisbed: ‘We zijn zijn woning binnengegaan en begrepen toen dat we jou moesten zien te vinden. Met de meisjes is alles goed.’
Ik herinner me alles ervoor en erna het best, dacht Rebecka. Ervoor en erna. Eigenlijk zou ik het Sven-Erik moeten vragen. Hoe het eruitzag toen ze bij de woning kwamen. Hij kan me vertellen over het bloed en de lichamen.
Je wilt dat hij zal zeggen dat je gelijk had, zei een inwendige stem. Dat het noodweer was. Dat je geen keus had. Vraag maar, hij zal zeker zeggen wat je horen wilt.
Ze gingen in het huisje zitten. Sven-Erik en Anna-Maria op Rebecka’s bed, Rebecka op de enige stoel. Op het kleine verwarmingselement hingen een T-shirt, een paar sokken en een onderbroek te drogen over de sticker waar het Finse EI SAA PEITTÄÄ op stond.
Rebecka wierp een vluchtige, opgelaten blik op de natte kleren. Maar wat kon ze eraan doen? De natte onderbroek in elkaar frommelen en onder het bed smijten? Of misschien uit het raam?
‘En?’ zei ze kortaf. Ze bracht het niet op beleefd te zijn.
‘Het gaat over die kopieën die je mij hebt gegeven,’ legde Anna-Maria uit. ‘Er zijn wat dingen die ik niet snap.’
Rebecka pakte haar knieën vast.
Maar waarom, dacht ze. Waarom moet je je dingen herinneren? Je erin wentelen en ze herkauwen? Wat levert dat op? Wie kan garanderen dat het helpt en dat je niet alleen maar verdrinkt in het duister?
‘Weten jullie…’ zei ze.
Ze sprak met heel zachte stem. Sven-Erik keek naar de smalle vingers om haar knieschijven.
‘… ik moet jullie vragen te vertrekken,’ vervolgde ze. ‘Ik heb jullie kopieën en brieven gegeven. Die heb ik gekregen door een misdaad te begaan. Als het uitkomt, kost het me mijn baan. Bovendien weten de mensen hier niet wie ik ben. Dat wil zeggen, ze weten hoe ik heet, maar niet dat ik betrokken was bij de gebeurtenissen in Jiekajärvi.’
‘Kom op,’ drong Anna-Maria aan, en ze zat als vastgegoten op haar kont, hoewel Sven-Erik aanstalten maakte op te staan. ‘Ik heb de zorg voor een vermoorde vrouw. Als iemand vraagt wat we hier deden, dan zeg je dat we op zoek waren naar een weggelopen hond.’
Rebecka keek haar aan.
‘Die is goed,’ zei ze langzaam. ‘Twee agenten in burger op zoek naar een weggelopen hond. Tijd voor de politie om de middelenverdeling te herzien.’
‘Misschien is het mijn hond,’ probeerde Anna-Maria, uit het veld geslagen.
Ze zwegen even. Sven-Erik voelde zich dodelijk ongemakkelijk, daar op de rand van het bed.
‘Laat eens zien,’ zei Rebecka uiteindelijk en ze stak haar hand uit naar de map.
‘Het gaat hierom,’ zei Anna-Maria, terwijl ze een papier in de map omdraaide en wees.
‘Dit is een uittreksel uit een boekhouding,’ zei Rebecka. ‘Deze post is gemarkeerd met Tipp-Ex.’
Rebecka wees op een cijfer in een kolom met het opschrift 1930.
‘1930 is een bankrekening. Daar zijn 179.000 kronen van rekening 76 bij gekomen. Dat zijn de overige kosten voor het personeel. Maar er is in de kantlijn met de hand met potlood iets bij geschreven. “Opleiding??”’
Rebecka streek een haarlok achter haar oor.
‘En dit dan?’ vroeg Anna-Maria. ‘Bw – wat betekent dat?’
‘Bewijs, documenten. Dat kan een factuur zijn of iets anders waaruit blijkt waar de kosten uit bestaan. Het lijkt erop dat ze zich iets afvraagt over deze kosten; daarom heb ik het meegenomen.’
‘Wat is dat dan voor organisatie?’ vroeg Anna-Maria zich af.
Rebecka haalde haar schouders op. Daarna wees ze op de rechterbovenhoek van de pagina.
‘Het organisatienummer begint met 81. Dan is het een stichting.’
Sven-Erik schudde zijn hoofd.
‘Stichting Wildzorg Jukkasjärvi,’ zei Anna-Maria na een seconde. ‘Een stichting die zij opgericht heeft.’
‘Ze wilde iets weten over die opleidingskosten,’ zei Rebecka.
Het werd weer stil. Sven-Erik wapperde naar een vlieg die voortdurend op hem wilde landen.
‘Ze lijkt mensen flink geërgerd te hebben,’ zei Rebecka.
Anna-Maria glimlachte vreugdeloos.
‘Ik heb gister met een van die geërgerde figuren gepraat,’ zei ze. ‘Hij haatte Mildred Nilsson omdat zijn ex-vrouw met de kinderen bij haar woonde nadat ze bij hem weg was gegaan.’
Ze vertelde Rebecka over de onthoofde katjes.
‘En we kunnen er niets aan doen,’ rondde ze af. ‘Die huis-, tuin- en keukenkatten hebben geen economische waarde, dus het is geen vernieling. Ze hebben waarschijnlijk niet geleden, dus het is geen dierenmishandeling. Dan voel je je machteloos. Alsof je je nuttiger zou kunnen maken op de fruitafdeling van de ICA. Ik weet niet, heb jij dat ook wel eens?’
Rebecka glimlachte zuur.
‘Ik doe bijna nooit strafzaken,’ zei ze ontwijkend. ‘En als ik het al doe, dan zijn het financiële zaken. Maar inderdaad, dat je aan de kant van de verdachte staat… Soms voel ik een soort weerzin tegen mezelf. Als je zo’n volkomen gewetenloos persoon vertegenwoordigt. Je herhaalt: “Iedereen heeft recht op verdediging”, als een bezwering tegen die…’
Ze sprak het woord zelfverachting niet uit, maar maakte haar zin af met een schouderbeweging.
Het viel Anna-Maria op dat Rebecka Martinsson haar schouders vaak ophaalde, onwelkome gedachten van zich af schudde, misschien een manier om lastige gedachtegangen te onderbreken. Of ze was net als Marcus. Zijn eeuwige schouderophalen was een manier om aan te geven dat hij afstand nam van de rest van de wereld.
‘Heb je dan nooit overwogen van kant te wisselen?’ vroeg Sven-Erik. ‘Ze zijn praktisch altijd op zoek naar assistent-aanklagers. Mensen blijven meestal niet lang, zo hoog in het noorden.’
Rebecka glimlachte een beetje bezwaard.
‘Ach, natuurlijk,’ zei Sven-Erik, en hij voelde zich opeens een idioot. ‘Je verdient waarschijnlijk drie keer zoveel als een officier van justitie.’
‘Dat is het niet,’ zei Rebecka. ‘Ik werk op het moment überhaupt niet, dus de toekomst is…’
Ze haalde haar schouders weer op.
‘Maar je zei tegen mij dat je hier was voor je werk,’ zei Anna-Maria.
‘Ja, ik werk af en toe een beetje. Toen een van de compagnons hierheen ging, wilde ik mee.’
Ze zit in de ziektewet, besefte Anna-Maria.
Sven-Erik wierp haar een bliksemsnelle blik toe; ook hij had het begrepen.
Rebecka stond op om aan te geven dat het gesprek was afgelopen. Ze namen afscheid.
Toen Sven-Erik en Anna-Maria nog maar een paar stappen hadden gezet, hoorden ze de stem van Rebecka Martinsson.
‘Bedreiging,’ zei ze.
Ze draaiden zich om. Rebecka stond op het verhoginkje voor het huisje. Ze stond met een hand tegen een van de palen waarop het afdakje steunde, leunde er licht tegenaan.
Ze zag er heel jong uit, dacht Anna-Maria. Twee jaar geleden was ze een enorme carrièrevrouw. Ze had er superslank en superchic uitgezien, en haar lange donkere haar was in een echt kapsel geknipt, niet gewoon recht zoals bij Anna-Maria. Nu was Rebecka’s haar langer en recht afgeknipt. Ze droeg een spijkerbroek en een T-shirt. Geen make-up. Haar heupbeen, dat boven de band van haar broek uitstak, en die vermoeide, maar koppige rechte houding, zoals ze daar stond terwijl ze de paal vasthield, voerden Anna-Maria’s gedachten naar het soort volwassen kinderen dat ze soms tegenkwam in haar werk. Verwaarloosde maar zelfstandige kinderen die voor hun alcoholistische of psychisch zieke ouders zorgden, eten maakten voor hun broertjes en zusjes, de façade zo goed mogelijk ophielden en logen tegen het maatschappelijk werk en de politie.
‘Die man van de katjes,’ vervolgde Rebecka. ‘Dat is bedreiging. Het lijkt er sterk op dat zijn handelingen erop gericht waren zijn ex-vrouw bang te maken. De wet vereist geen uitgesproken dreigement. En ze werd toch bang, of niet soms? Misschien een overtreding van de wettelijke bescherming van vrouwen. Afhankelijk van wat hij verder heeft gedaan, zou dat voldoende moeten zijn voor een bezoekverbod.’
Toen Sven-Erik Stålnacke en Anna-Maria Mella over de dorpsweg op weg waren naar hun auto, kwamen ze langs een leeuwengele Mercedes. Erin zaten Lars-Gunnar en Nalle Vinsa. Lars-Gunnar keek hen lang aan. Sven-Erik hief zijn hand om hem te groeten; zo lang was het niet geleden dat Lars-Gunnar met pensioen ging.
‘Dat is waar ook,’ zei Sven-Erik, terwijl hij de Mercedes nakeek, die verdween in de richting van Mickes bar & kök. ‘Hij woont hier in het dorp. Ik ben benieuwd hoe het met zijn zoon is.’
DEKEN BERTIL STENSSON HIELD EEN LUNCHDIENST IN DE KERK VAN Kiruna. Eens per twee weken kon de bevolking van de stad tijdens de lunchpauze het Avondmaal vieren. Er waren een stuk of twintig mensen bijeengekomen in de kleine zaal.
Predikant Stefan Wikström zat op de vijfde rij naast het gangpad en hij had spijt van zijn komst.
Er dook een herinnering in zijn hoofd op. Zijn vader, ook deken, thuis op de keukenbank. Stefan naast hem, een jaar of tien. De jongen is aan het babbelen: hij heeft iets in zijn hand, iets wat hij wil laten zien, hij weet nu niet meer wat. Zijn vader met de krant voor zijn gezicht als een vergevene in de tempel. En plotseling begint de jongen te huilen. Vervolgens de soebattende stem van zijn moeder achter hem: Je kunt toch wel even naar hem luisteren? Hij heeft de hele dag op je gewacht. Vanuit zijn ooghoeken ziet Stefan dat ze haar schort om heeft. Het moet etenstijd zijn. Zijn vader laat de krant zakken, geïrriteerd door de onderbreking, het enige moment van rust voor het avondeten; verongelijkt ook, over de verwijtende ondertoon in de situatie.
Stefans vader was al vele jaren dood. Zijn arme moeder ook. Maar het was precies hetzelfde gevoel dat de deken hem nu bezorgde: het geirriteerde kind met behoefte aan aandacht.
Stefan had geprobeerd het bezoek aan de lunchdienst achterwege te laten. Een stem in hem had vastberaden gezegd: Ga niet! Toch was hij gegaan. Hij had zichzelf aangepraat dat hij het niet voor Bertil Stensson deed, maar dat hij zelf behoefte had aan een Avondmaalsviering.
Hij had gedacht dat het makkelijker zou worden nu Mildred er niet meer was, maar integendeel, het was moeilijker geworden. Veel moeilijker.
Het is als bij de verloren zoon, dacht hij.
Hij was de plichtsgetrouwe, oplettende zoon die thuis was gebleven. Hoe vaak had hij al deze jaren niet klaargestaan voor Bertil, had hij vervelende begrafenissen, vervelende diensten in ziekenhuizen en bejaardenhuizen op zich genomen, hem ontlast door papierwerk voor hem te doen – Bertil was geen knip voor de neus waard wat administratieve zaken betreft – en op vrijdagavond de deur opengemaakt voor de jongeren van de kerk?
Bertil Stensson was ijdel. Hij had volledig beslag gelegd op de samenwerking met het ijshotel in Jukkasjärvi. De huwelijken en dopen in de ijskerk waren van hem. Daarnaast had hij zich alle evenementen toegeeigend die ook maar de geringste kans hadden in de lokale kranten terecht te komen, zoals de crisisgroep na het busongeluk waarbij zeven jongeren op skivakantie waren omgekomen, of de bijzondere extra diensten voor bijeenkomsten van de Samen. Tussendoor vond de deken het heerlijk om vrij te zijn. En Stefan was degene die dat allemaal mogelijk maakte, die het toedekte en overnam.
Mildred Nilsson was net de verloren zoon. Of beter gezegd: de verloren zoon zoals hij geweest moest zijn in de tijd dat hij nog thuis woonde. Voordat de rusteloosheid hem naar vreemde landen voerde. Rumoerig en onrustig moest hij zijn vader op de zenuwen hebben gewerkt, net als Mildred.
Iedereen dacht dat hij, Stefan, Mildred het minst had verdragen. Maar ze hadden het mis; Bertil was er alleen beter in geweest om zijn weerzin te verbergen.
Het was anders geweest toen ze nog leefde. Bij alles wat die vrouw aanpakte, ontstonden er conflicten en heibel. Bertil was verheugd en dankbaar geweest over Stefan, de zoon die thuisbleef. Stefan zag voor zich hoe Bertil vaak zijn kamer in het wijkgebouw binnenkwam. Hij had een bepaalde manier van doen, een codesysteem dat seinde: jij bent mijn uitverkorene. Hij verscheen in de deuropening, uilachtig met zijn zilverkleurige dikke haar, zijn gezette lichaam en zijn leesbril ofwel scheef op zijn hoofd, ofwel op het puntje van zijn neus. Stefan keek dan op van zijn papieren. Bertil keek bijna ongemerkt over zijn schouder, glipte naar binnen en deed de deur achter zich dicht. Hij plofte met een zucht van verlichting neer in Stefans bezoekersfauteuil en glimlachte.
Elke keer ging er een soort schokje door hem heen. Meestal had de deken geen speciale reden voor zijn komst – het kon een hele rits kleinigheden zijn – maar hij wekte de indruk even met rust gelaten te willen worden. Iedereen holde naar Bertil; Bertil kneep ertussenuit naar Stefan.
Maar na Mildreds dood was het veranderd. Ze was niet langer die schurende naad in zijn schoen. Nu leek Stefans plichtsgetrouwheid plotseling te schuren. Tegenwoordig zei Bertil vaak: ‘We hoeven natuurlijk niet zo formeel te zijn’, en: ‘God staat het ons vast toe praktisch te zijn’– woorden die hij van Mildred had overgenomen.
En als Bertil over Mildred sprak, gebeurde dat in zulke positieve bewoordingen dat Stefan fysiek onwel werd van alle leugens.
Bertil was er ook mee opgehouden Stefan op te zoeken in zijn kamer. Stefan zat daar, niet in staat iets uit zijn handen te laten komen, en hij werd gekweld en wachtte.
Soms liep de deken langs die open deur. Maar nu waren er andere codes, andere tekens: snelle stappen, een blik door die gapende deuropening, een knikje, een vluchtige glimlach. ‘’k-heb-haast-hoe-is-’ie?’, betekende dat. En voordat Stefan de glimlach had kunnen beantwoorden, was de deken verdwenen.
Vroeger had hij altijd geweten waar de deken zich bevond; tegenwoordig had hij geen idee. Het personeel van het secretariaat vroeg naar Bertil en wierp Stefan bevreemde blikken toe als hij hoofdschuddend een glimlachje te voorschijn perste.
De dode Mildred was onmogelijk te verslaan. Op pad in den vreemde was ze nu vaders lievelingskind geworden.
De dienst was nu bijna voorbij. Ze zongen een afsluitende psalm en gingen heen in vrede.
Stefan had nu moeten gaan. Zonder omwegen naar buiten en dan naar huis. Maar hij kon het niet helpen; zijn voeten stapten op Bertil af.
Bertil maakte een praatje met een van de bezoekers, keek even snel naar Stefan, liet hem niet toe tot het gesprek. Stefan moest wachten.
Het kwam nu heel verkeerd over. Als Bertil hem gewoon even had gegroet, had Stefan hem kort kunnen bedanken voor de dienst en weg kunnen gaan. Nu leek het alsof hij iets bijzonders op het hart had. Hij zag zich genoodzaakt een kwestie te verzinnen.
Eindelijk ging de dralende bezoeker weg. Stefan voelde zich gedwongen zijn aanwezigheid uit te leggen.
‘Ik had het gevoel dat ik het Avondmaal moest vieren,’ zei hij tegen Bertil.
Bertil knikte. De koster bracht de wijn en de hostie weg, keek kort naar de deken. Stefan volgde Bertil en de koster op de voet de sacristie in, deed zonder gevraagd te zijn mee met het gebed voor brood en wijn.
‘Heb je al iets van dat bureau gehoord?’ vroeg hij toen het gebed beeindigd was. ‘Over de wolvenstichting en zo?’
Bertil wurmde zich uit zijn liturgisch gewaad, uit zijn stool en albe.
‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Misschien heffen we die stichting toch niet op. Ik weet nog niet precies wat ik ermee wil.’
De koster nam alle tijd van de wereld om de wijn in de piscine te schenken en de hosties in de ciborie te leggen. Stefan knarsetandde.
‘Ik dacht dat we het erover eens waren dat zo’n stichting niet thuishoort bij de kerk,’ zei hij zacht.
Trouwens, dan nog is het het besluit van het kerkbestuur en niet alleen jouw mening, dacht hij.
‘Ja, ja, maar voorlopig bestaat de stichting hoe dan ook,’ zei de deken, en nu hoorde Stefan het ongeduld duidelijk in de milde stem doorklinken. ‘Of ik nu vind dat we de bescherming van de wolf moeten financieren of geld moeten steken in opleiding, is een kwestie die we later deze herfst zullen bespreken.’
‘En de pacht voor de jacht?’
Nu glimlachte Bertil breed.
‘Nou, daar hoeven wij nu niet over te redetwisten. Dat is een besluit dat het bestuur mag nemen als het moment daar is.’
De deken klopte Stefan op zijn schouder en ging weg.
‘Groeten aan Kristin!’ zei hij zonder zich om te draaien.
Stefan kreeg een brok in zijn keel. Hij keek naar zijn handen, de stijve, lange vingers. Echte pianovingers, zei zijn moeder altijd toen ze nog leefde. Tegen het einde, toen ze in haar appartementje in het bejaardenhuis zat en hem meestal verwarde met zijn vader, kwelde dat gezeur over zijn vingers hem. Ze hield zijn handen vast en verordonneerde de verzorging ze te bekijken: kijk naar zijn handen, onaangetast door lichamelijke arbeid. Pianovingers, schrijftafelhanden.
Groeten aan Kristin.
Als je de zaken nu zou durven zien zoals ze er werkelijk voor stonden, dan was de grootste vergissing van zijn leven met haar te trouwen.
Stefan kon voelen hoe hij vanbinnen verhardde. Verhardde tegenover Bertil, tegenover zijn vrouw.
Ik heb ze lang genoeg gedragen. Er moet een einde aan komen.
Zijn moeder moest het begrepen hebben van Kristin. Waar hij bij Kristin voor viel was nu net haar gelijkenis met zijn moeder. Het wat popperige uiterlijk, de innemende manier van doen, de goede smaak.
Maar natuurlijk had zijn moeder het gezien. ‘Zo eigen,’ had zijn moeder over Kristins huis gezegd toen ze voor de eerste keer bij de vriendin van haar zoon op bezoek was geweest. ‘Knus.’ Dat was in de tijd dat hij in Uppsala studeerde. Knus en eigen – twee geschikte woorden om te gebruiken als je niet zonder te liegen kon zeggen dat iets mooi of smaakvol was. Hij herinnerde zich ook zijn moeders bijna geamuseerde glimlach toen Kristin haar bloemstukken van gedroogde strobloemen en rozen had laten zien.
Nee, Kristin was een kind dat maar gedeeltelijk slaagde in imiteren en nadoen. Ze werd nooit dezelfde soort predikantsvrouw als zijn moeder was geweest. En wat een schok had hij gekregen toen hij voor de eerste keer thuis was geweest bij die wanordelijke Mildred. Alle collega’s en hun gezinnen waren bij haar thuis uitgenodigd voor een kerstborrel. Het was een interessante mengeling van mensen geweest: Mildred zelf, Mildreds man met baard en schort, parodistisch onderdrukt, en de drie vrouwen die voorlopig hun toevlucht hadden gezocht in de pastorie van Poikkijärvi. Een van de vrouwen had twee kinderen gehad die alle trends in gedragsstoornissen leken te volgen.
Maar Mildreds huis was net een tekening van Carl Larsson geweest. Dezelfde lichte eenvoud, gezellig maar nergens overdadig, dezelfde smaakvolle eenvoud die in het huis van Stefans kinderjaren had geheerst. Stefan had het niet kunnen combineren met Mildred als persoon. Is dit haar huis? had hij gedacht. Hij had een bohémienachtige wanorde verwacht, met stapels bewaarde krantenartikelen in open boekenkasten en oosterse kussen en tapijten.
Hij herinnerde zich Kristin na de borrel. ‘Waarom wonen wij niet in die pastorie van Poikkijärvi?’ had ze zich afgevraagd. ‘Die is groter, hij zou geschikter zijn voor ons, met de kinderen.’
Zijn moeder had ongetwijfeld gezien dat die kwetsbare kant van Kristin waar Stefan door werd aangetrokken niet alleen iets kwetsbaars was, maar ook iets verscheurds. Iets gebarstens en scherps waaraan Stefan zich vroeg of laat zou verwonden.
Hij werd gegrepen door een plotseling opvlammende bitterheid jegens zijn moeder.
Waarom heeft ze niets gezegd? dacht hij. Ze had me moeten waarschuwen.
En Mildred. Mildred die die arme Kristin gebruikte.
Hij dacht terug aan die dag begin mei toen ze met die brieven had gewapperd.
Hij probeerde Mildred uit zijn herinnering te verdrijven. Maar ze was nu net zo opdringerig als toen. Stampte door, net zoals toen.
‘Mooi,’ zegt Mildred, terwijl ze Stefans kantoor binnenstormt.
Het is 5 mei. Over een kleine twee maanden zal ze dood zijn. Maar nu is ze meer dan levend. Haar wangen en neus zijn rood als pasgepoetste appeltjes. Ze trapt de deur achter zich dicht.
‘Nee, blijf zitten!’ zegt ze tegen Bertil, die uit de bezoekersfauteuil probeert te vluchten. ‘Ik wil tegen jullie beiden spreken.’
“Tegen jullie spreken”– wat zeg je van zo’n aankondiging? Dat alleen al zegt alles over hoe ze kon zijn.
‘Ik heb nagedacht over die wolf,’ begint ze.
Bertils been gaat over het andere. Zijn armen belanden kruislings over zijn borst. Stefan leunt achterover in zijn stoel. Weg van haar. Ze voelen zich berispt en geschoffeerd voordat ze ook maar heeft gezegd wat ze op haar hart heeft.
‘De kerk verpacht zijn grond voor duizend kronen per jaar aan de jachtvereniging van Poikkijärvi,’ vervolgt ze. ‘De overeenkomst geldt voor zeven jaar en wordt automatisch verlengd als hij niet wordt opgezegd. Dat is al zo sinds 1957. Toen woonde de toenmalige deken in de pastorie van Poikkijärvi. En hij hield van jagen.’
‘Maar wat heeft dat met…’ begint Bertil.
‘Mag ik uitpraten! Iedereen kan weliswaar lid worden van de vereniging, maar alleen het bestuur en de jachtploeg hebben profijt van de overeenkomst. Omdat het aantal leden van de jachtploeg in de statuten op maximaal twintig is gesteld, worden er geen nieuwelingen toegelaten. In de praktijk kan het bestuur pas een nieuw lid kiezen als er iemand doodgaat. En alle bestuursleden zijn lid van de ploeg. Dus dezelfde groep kerels zit in die ploeg. De afgelopen dertien jaar is er geen enkel nieuw lid bij gekomen.’
Ze onderbreekt zichzelf en kijkt Stefan strak aan.
‘Met uitzondering van jou, natuurlijk. Toen Elis Wiss de ploeg vrijwillig verliet, werd jij verkozen. Dat is toch zes jaar geleden?’
Stefan geeft geen antwoord – het is de manier waarop ze het woord ‘vrijwillig’ uitspreekt. Hij wordt inwendig witheet van woede. Mildred gaat verder: ‘Volgens de statuten mag alleen de jachtploeg met kogels jagen, dus de jachtploeg heeft zich de volledige elandenjacht toegeëigend. Wat de overige jacht betreft: geschikte leden kunnen dagkaarten kopen, maar alles wat wordt gevangen moet verdeeld worden onder de actieve leden van de vereniging en – surprise! – het bestuur bepaalt hoe de verdeling onder de actieve leden plaatsvindt. Maar ik denk als volgt. Zowel de LKAB als Yngve Bergqvist heeft belangstelling voor de grond. De LKAB voor zijn werknemers en Yngve voor toeristen. Dan zouden we de prijs aanzienlijk kunnen verhogen. En dan bedoel ik ook echt flink. Met dat geld kunnen we ons gaan bezighouden met verantwoorde bosbouw. Want zeg nou eerlijk: wat doet Torbjörn Ylitalo eigenlijk? Speelt de boodschappenjongen van de jachtploeg! We verzorgen zelfs een gratis werknemer voor die ouwelullenclub.’
Torbjörn Ylitalo is de houtvester van de kerk. Hij is een van de twintig leden van de jachtploeg en de voorzitter van de jachtvereniging. Stefan is zich ervan bewust dat een groot deel van Torbjörns werktijd opgaat aan het plannen van de jacht met Lars-Gunnar, de leider van de jachtploeg, onderhoud van de jachthutten en jachttorens van de kerk, en paadjes rooien voor de jagers.
‘Dus,’ besluit Mildred, ‘dat is dan geld voor bosbouw, maar vooral geld voor wolvenbescherming. De kerk kan de pacht doneren aan de stichting. De natuurbescherming heeft haar nu weliswaar aangemerkt als “beschermd”, maar er is meer geld nodig voor het toezicht.’
‘Ik begrijp niet eens waarom je dit bij mij en Stefan aankaart,’ onderbreekt Bertil haar; zijn stem is heel rustig. ‘Veranderingen van de verpachting zijn toch een kwestie voor het kerkbestuur?’
‘Weet je,’ zegt Mildred, ‘ik vind het een kwestie voor de gemeenteleden.’
Het wordt stil in de kamer. Bertil knikt een keer. Stefan voelt pijn in zijn linkerschouder, een pijn die door zijn nek omhoogtrekt.
Ze begrijpen precies wat ze bedoelt. Ze kunnen precies zien hoe deze discussie eruit zal zien als hij in de gemeente wordt gevoerd en, natuurlijk, in de krant: Ouwelullenclub jaagt gratis op de grond van de kerk en legt zelfs beslag op de dieren die ze niet zelf vangen.
Stefan is lid van de jachtploeg; hij zal er niet aan ontkomen.
Maar ook Bertil heeft zijn redenen om achter de jachtploeg te staan. De jachtploeg zorgt ervoor dat zijn vriezer goed gevuld blijft. Bertil kan altijd royaal op elandenfilet en gevogelte trakteren. De jachtploeg heeft ook andere dingen gedaan ter compensatie van de stilzwijgende goedkeuring van hun heerschappij. Bertils blokhut, bijvoorbeeld. De jagers hebben hem gebouwd en onderhouden hem.
Stefan denkt aan zijn plaats in de jachtploeg. Nee, hij voelt eraan. Alsof het een warme, gladde steen in zijn zak was. Want dat is het: zijn geheime kleinood. Hij weet nog heel goed hoe hij de plaats verkreeg. Bertils arm om zijn schouders toen hij werd voorgesteld aan houtvester Torbjörn Ylitalo. ‘Stefan jaagt,’ had de deken gezegd. ‘Hij zou het leuk vinden als hij een plekje in de ploeg kreeg.’ Torbjörn, leenheer in het bosrijk van de kerk, knikte; hij stond zichzelf zelfs geen misprijzende gezichtsuitdrukking toe. Twee maanden later had Elis Wiss zijn plaats in de ploeg opgezegd. Na drieënveertig jaar. Stefan werd gekozen als een van de twintig.
‘Het is onrechtvaardig,’ zegt Mildred.
De deken staat op uit Stefans bezoekersfauteuil.
‘Ik kan dit bespreken als je niet zo geagiteerd bent,’ zegt hij tegen Mildred.
Daarna gaat hij weg. Laat Stefan met haar alleen.
‘Hoe moet dat nou,’ zegt Mildred tegen Stefan. ‘Zodra ik eraan denk, raak ik geagiteerd.’
Stefan kijkt haar verbijsterd aan. Waar staat ze zo om te grijnzen? Snapt ze niet dat ze zich zojuist volkomen onmogelijk heeft gemaakt? Dat ze zojuist een ongeëvenaarde oorlogsverklaring heeft uitgesproken? Het is alsof er in die tamelijk intelligente vrouw – want dat is ze, dat moet hij toegeven – een achterlijke, lallende idioot woont. Wat moet hij nu doen? Hij kan de kamer niet uit stormen, het is immers zíjn kamer. Hij blijft besluiteloos op zijn stoel zitten.
Dan kijkt ze hem opeens ernstig aan, opent haar handtas en haalt er drie enveloppen uit, die ze omhooghoudt. Het is het handschrift van zijn vrouw.
Hij staat op en neemt de brieven aan. Zijn maag trekt samen. Kristin. Kristin! Zonder ze gelezen te hebben weet hij wat voor brieven het zijn. Hij ploft terug in zijn stoel.
‘Twee ervan hebben een tamelijk onaangename toon,’ zegt Mildred. Ja, dat kan hij zich voorstellen. Het is niet de eerste keer. Het is Kristins bekende liedje. Met enigszins verschillende variaties blijft het hetzelfde wijsje. Twee keer eerder heeft hij dit al doorgemaakt. Ze komen op een nieuwe plek. Kristin leidt kinderkoren en organiseert de zondagsschool, een schitterend zangvogeltje dat de lof van die nieuwe plaats in alle toonaarden bezingt. Maar als het gedaan is met de eerste verliefdheid – ja, zo moet hij het noemen – begint haar ongenoegen. Werkelijke en verbeelde krenkingen die ze verzamelt als plakplaatjes in een album. Een periode van hoofdpijn, doktersbezoek en beschuldigingen aan het adres van Stefan, die haar problemen niet serieus neemt. Daarna ontstaan er serieuze strubbelingen tussen haar en een van de medewerkers of gemeenteleden. Al snel gaat ze dan op oorlogspad in de omgeving. Op de vorige plek had je de poppen uiteindelijk flink aan het dansen; de vakbond werd erbij betrokken en een medewerker van het secretariaat van de kerk wilde die psychische instorting geclassificeerd zien worden als arbeidsletsel. Kristin voelde zich alleen maar ten onrechte beschuldigd. En uiteindelijk de verhuizing, onvermijdelijk. De eerste keer was het met één kind, de tweede keer met drie. Nu zit de oudste jongen nog niet zo lang op de middelbare school, een erg kwetsbare tijd.
‘Ik heb er nog twee, in dezelfde stijl,’ zei Mildred.
Als ze weg is, blijft Stefan met de brieven in zijn rechterhand zitten.
Ze heeft hem gestrikt als een sneeuwhoen, voelt hij, en hij weet zelf niet of hij Mildred bedoelt of zijn vrouw.
REBECKA MARTINSSONS CHEF MÅNS WENNGREN ZAT MET ZIJN BUreau stoel te piepen. Het was hem eerder niet opgevallen dat die zo irritant knarste als je hem omhoog en omlaag deed. Hij dacht aan Rebecka Martinsson. Vervolgens zette hij haar uit zijn hoofd.
Hij had eigenlijk bergen werk te verzetten. Telefoongesprekken, mail beantwoorden. Klanten en cliënten onderhouden. Zijn assistent-juristen waren begonnen papieren en gele Post-It-briefjes met berichten op de zitting van zijn stoel te leggen, zodat hij ze zou zien. Maar nu had hij nog maar een uur tot de lunch en kon hij alles dus net zo goed nog wat verder voor zich uit schuiven.
Hij zei vaak over zichzelf dat hij rusteloos was. Hij kon zijn vroegere vrouw Madelene bijna horen zeggen: ‘Ja, dat klinkt een stuk beter dan wispelturig, ontrouw en op de vlucht voor jezelf.’ Maar rusteloos was óók waar. In de wieg had de onrust hem al te pakken. Zijn moeder had hem verteld hoe hij zich het eerste jaar door de nachten had gekrijst. ‘Hij werd wat rustiger toen hij had leren lopen. Eventjes, tenminste.’
Zijn drie jaar oudere broer had al duizenden malen verteld hoe ze kerstbomen hadden verkocht. Een van de pachters van de familie had Måns en zijn broer een baantje aangeboden bij de kerstbomenverkoop. Ze waren nog maar jochies. Måns was net begonnen op school. Maar tellen kon hij al, wist zijn broer te vertellen, vooral geld.
Ze hadden dus kerstbomen verkocht. Twee ventjes van zeven en tien. ‘En Måns verdiende zo ontzettend veel meer dan de anderen,’ vertelde zijn broer. ‘We konden maar niet begrijpen hoe dat kon; hij kreeg toch maar vier kronen provisie per boom, net als wij. Maar terwijl wij anderen alleen maar kleumend stonden te wachten tot het vijf uur was, rende Måns in het rond en maakte praatjes met iedereen die kwam kijken. Als iemand vond dat een boom te lang was, dan bood hij aan hem ter plekke af te zagen; dat kon niemand weerstaan, zo’n kereltje met een zaag die net zo lang was als hijzelf. En daar kwam de aap uit de mouw: hij haalde de takken van de afgezaagde stronken af, en die takken bond hij samen tot grote bossen, die hij voor vijf kronen per stuk verkocht. En die vijf kronen gingen linea recta zijn eigen zak in. De pachter – hoe heette die gast ook alweer, Mårtensson geloof ik – was natuurlijk pisnijdig. Maar wat kon hij eraan doen?’
Hier stopte zijn broer altijd even en fronste zijn wenkbrauwen op een manier die alles zei over de machteloosheid van de pachter tegenover de uitgekookte zoon van de grondbezitter. ‘Eens een zakenman,’ besloot hij, ‘altijd een zakenman.’
Tot op middelbare leeftijd had Måns zich verdedigd tegen dat etiket. ‘Recht is niet hetzelfde als zaken,’ had hij gezegd.
‘Zeker wel,’ zei zijn broer dan. ‘Zeker wel.’
Zelf had zijn broer als jonge volwassene in het buitenland gewoond en god weet wat en meer nog gedaan, en ten slotte was hij teruggekomen naar Zweden, had de sociale academie afgerond en hij was nu chef van de sociale dienst in Kalmar.
Mettertijd was Måns in elk geval opgehouden zich te verdedigen tegenover zijn broer. Waarom moest je je trouwens altijd verontschuldigen voor succes?
‘Zeker,’ zei hij tegenwoordig, ‘zaken en geld op de bank.’ Vervolgens vertelde hij dan iets over zijn nieuwste aankoop op het gebied van auto’s of gewoon over zijn nieuwste mobieltje.
De haat van zijn broer kon Måns aflezen in de ogen van zijn schoonzus.
Måns snapte het niet. Zijn broer had zijn huwelijk bij elkaar weten te houden. De kinderen kwamen langs.
Nee, nu doe ik het, dacht hij, en hij stond op uit zijn kraakstoel.
Maria Taube kwetterde ‘Doeg!’ in de hoorn en hing op. Die stomme clienten ook; ze belden op en braakten vragen uit die zo ongespecificeerd en algemeen waren dat ze niet te beantwoorden waren. Het duurde alleen al een halfuur om te snappen wat ze wilden.
Er werd op haar deur geklopt en voordat ze antwoord had kunnen geven, stak Måns zijn hoofd naar binnen.
Heb je dan echt helemaal niets geleerd op Lundsberg, dacht ze geïrriteerd. Bijvoorbeeld te wachten op een ‘Binnen’?
Alsof hij haar gedachte achter haar glimlach had kunnen lezen, vroeg hij: ‘Heb je tijd?’
Wanneer had hij voor het laatst nee te horen gekregen op die vraag? dacht Maria. Ze maakte een gebaar naar haar bezoekersstoel en drukte een binnenkomend gesprek weg.
Hij deed de deur achter zich dicht. Een slecht teken. Haar gedachten gingen op jacht naar iets wat ze over het hoofd had gezien of had vergeten, een cliënt die reden had ontevreden te zijn. Ze kon niets bedenken. Dat was het ergste van deze baan; ze kon leven met de stress, de hiërarchie en de overuren, maar niet met die donkere afgrond die soms onder je voeten openscheurde. Zoals die misser van Rebecka. Het was zo gruwelijk gemakkelijk om een paar miljoen te verspelen.
Måns ging zitten en keek rond, zijn vingers trommelend tegen zijn dij.
‘Mooi uitzicht,’ zei hij met een lachje.
Buiten haar raam drong de vuilbruine gevel van de buren zich op. Maria lachte beleefd, maar hield haar mond.
Gooi het er nou maar uit, dacht ze.
‘Hoe gaat het met…’
Måns maakte zijn vraag af met een onbestemd gebaar naar de stapels papier op haar bureau.
‘Goed,’ antwoordde ze, en deed er het zwijgen toe voordat ze begon te vertellen waar ze mee bezig was.
Hij wil het niet weten, wees ze zichzelf terecht.
‘En… heb je nog iets van Rebecka gehoord?’ vroeg Måns.
De schouders van Maria Taube zakten een centimeter.
‘Ja.’
‘Ik hoorde van Torsten dat ze nog een tijdje blijft.’
‘Ja.’
‘Wat doet ze?’
Maria aarzelde.
‘Dat weet ik niet precies.’
‘Doe nou niet zo ontzettend moeilijk, Taube. Ik weet dat het jouw idee was dat ze daarheen zou gaan, en ik zal je eerlijk zeggen dat ik het geen briljant idee vond. Nu wil ik weten hoe het met haar is.’
Hij zweeg even.
‘Ze werkt hier per slot van rekening,’ rondde hij af.
‘Vraag het haar zelf,’ zei Maria.
‘Zo makkelijk is dat niet. De vorige keer dat ik het probeerde, schopte ze een enorme scène, zoals je misschien nog weet.’
Maria dacht eraan hoe Rebecka weg was geroeid van het bedrijfsfeest. Ze was niet goed bij haar hoofd.
‘Ik kan niet met jou over Rebecka praten. Dat snap je toch wel, ze zou strontchagrijnig worden.’
‘En ik dan?’ vroeg Måns.
Maria Taube glimlachte beminnelijk.
‘Jij bent toch al voortdurend strontchagrijnig,’ zei ze.
Måns grijnsde even, verfrist door dit kleine teken van respectloosheid.
‘Ik weet nog dat je voor me begon te werken,’ zei hij. ‘Vriendelijk en lief. Je deed wat je werd opgedragen.’
‘Ik weet het,’ zei ze. ‘Wat dit kantoor met mensen doet…’
REBECKA MARTINSSON EN NALLE DOKEN ALS TWEE DAGLONERS OP bij de buitendeur van Sivving Fjällborg. Hij ontving ze alsof ze verwacht werden en nodigde ze uit in de verwarmingsruimte. Bella lag in een houten kist met een laag voddenkleden erin en sliep met de jonge hondjes op een hoop onder haar buik. Ze opende alleen een oog en bonkte met haar staart ter begroeting toen de gasten binnenkwamen.
Om een uur of een was Rebecka naar Nalles huis gegaan en had aangebeld. Nalles vader Lars-Gunnar had opengedaan. Hij was groot in de deuropening. Toen ze daar op het stoepje stond, voelde ze zich net een vijfjarige die aan de ouders van een vriendje vraagt of dat vriendje buiten mag komen spelen.
Sivving zette de koffie op en pakte dikke porseleinen mokken met een grof patroon van gele, oranje en bruine bloemen. Hij legde zachte roggebroodjes in een mand en haalde boter en een pakje cervelaatworst uit de koelkast.
Het was koel in de kelder. De geur van hond en verse koffie vermengde zich met de zwakke lucht van aarde en beton. De herfstzon viel binnen door het smalle kelderraampje bij het plafond.
Sivving keek naar Rebecka. Ze moest kleren hebben gehaald uit de voorraad van haar grootmoeder. Hij herkende die zwarte anorak met witte sneeuwvlokken. Hij vroeg zich af of ze wist dat die van haar moeder was geweest. Waarschijnlijk niet.
Er was vast ook niemand die haar had verteld hoezeer ze op haar moeder leek. Hetzelfde donkerbruine, lange haar en de geprononceerde wenkbrauwen. Die hoekige ogen en de iris van het oog in een onbestemde lichte zandkleur met een donkere ring.
De pups werden wakker. Grote poten en oren, gerommel en rumoer, staarten als propellertjes ritmisch tegen de rand van de houten bak. Rebecka en Nalle gingen op de grond zitten en deelden hun boterhammen met de hondjes, terwijl Sivving afruimde.
‘Niets ruikt lekkerder dan dit,’ zei Rebecka, en ze ademde diep in, terwijl ze haar neus tegen een hondenoortje gedrukt hield.
‘En die je daar vasthebt, is nog niet besproken,’ zei Sivving. ‘Hap je toe?’
Het hondje kauwde met zijn vlijmscherpe tanden op haar hand. Zijn vacht was chocoladebruin en zo kort en zacht dat het aanvoelde als een fluwelige huid. Zijn achterpoten waren voor de helft in wit gedoopt.
Ze zette hem neer in de bak en kwam overeind.
‘Dat gaat niet. Ik wacht buiten wel.’
Ze had bijna gezegd dat ze te veel werkte om een hond te kunnen hebben.
Rebecka en Sivving rooiden aardappels. Sivving ging voorop en trok het loof met zijn gezonde hand omhoog. Rebecka kwam erachteraan met de wieder.
‘Gewoon graven en hakken,’ zei Sivving. ‘Het is alsof de duivel ermee speelt. Anders had ik Lena gevraagd; ze komt dit weekend met de jongens.’
Lena was zijn dochter.
‘Ik doe het graag,’ zei Rebecka.
Ze trok met de wieder – het ging makkelijk in deze zanderige aarde – en raapte de amandelaardappeltjes op die losgeraakt waren van het loof en in de aarde waren blijven zitten.
Nalle rende rond over het grasveld met de vleugel van een auerhaan aan een touwtje; hij speelde met de hondjes. Af en toe rechtten Rebecka en Sivving hun rug en keken in hun richting. Je moest wel glimlachen. Nalle, met zijn hand met het touwtje hoog boven zich in de lucht, rende gillend rond met geheven knieën, de pups met onbeteugelde jachtlust in een meute achter hem aan. Bella lag zich op haar zij in het gras te warmen in de herfstzon. Af en toe hief ze haar kop op om naar een irritante hommel te happen of even naar haar jongen te kijken.
Ik ben natuurlijk niet normaal, dacht Rebecka. Ik ben niet in staat om te gaan met collega’s van mijn eigen leeftijd, maar bij een oude knar en een achterlijke jongen – ja, daar heb ik het gevoel dat ik mezelf kan zijn.
‘Ik weet nog toen ik klein was,’ zei ze. ‘Nadat jullie volwassenen de aardappels hadden gerooid, maakten jullie ’s avonds altijd een vuur op het land. En wij mochten de aardappels die achter waren gebleven dan poffen.’
‘Zwart verbrand aan de buitenkant, een beetje gaar vlak onder de schil en vanbinnen rauw. Ik weet het nog heel goed. En jullie daarna, als jullie thuiskwamen: van top tot teen beroet en modderig.’
Rebecka glimlachte bij de herinnering. Je had geleerd ontzag te hebben voor vuur; eigenlijk mochten kinderen daar niet verantwoordelijk voor zijn. Maar de avond na de aardappeloogst was een uitzondering; dan was het vuur van hen. Van haar, haar neefjes en nichtjes en Sivvings Mats en Lena. Ze zaten op de donkere herfstavond in de vlammen te kijken. Porden met stokjes. Voelden zich net indianen uit een jongensboek.
Ze kwamen pas om een uur of elf ’s avonds terug bij grootmoeders huis, dat was bijna midden in de nacht. Gelukkig en smerig. Dan waren de volwassenen al een tijd geleden naar de sauna geweest en zaten ze samen wat te drinken. Grootmoeder, oom Affes vrouw Inga-Lill en Sivvings vrouw Maj-Lis thee, Sivving en oom Affe ieder een Tuborg. Ze herinnerde zich de mannetjes op het etiket en het woord HVERGANG.
Zij en de andere kinderen hadden het benul om in de hal te blijven en niet het halve aardappelveld mee de keuken in te slepen.
‘Ja hoor, daar komen de hottentotten,’ lachte Sivving. ‘Ik weet niet hoeveel het er precies zijn, want het is in de hal zo donker als een mijnschacht en hun huid is helemaal zwart. Kom op, lach eens breed, dan kan ik jullie tanden tellen.’
Ze lachten. Ze pakten de handdoeken aan van grootmoeder en renden naar de sauna bij het strandje aan de rivier om daar in de achtergebleven warmte te gaan zitten.
DE VOORZITTER VAN DE JACHTVERENIGING VAN POIKKIJÄRVI, Torbjörn Ylitalo, stond hout te zagen op zijn erf toen Anna-Maria Mella arriveerde. Ze parkeerde de auto en stapte uit. Hij stond met zijn rug naar haar toe. Vanwege de rode beschermkappen op zijn oren had hij haar niet gehoord. Ze maakte van de gelegenheid gebruik om enigszins ongestoord rond te kijken.
Goedverzorgde geraniums in het raam achter fijngeruite keukengordijnen. Waarschijnlijk getrouwd dus. De bloemperken aangeharkt. Geen enkel blaadje op het grasveld. Het hek netjes roodbruin geverfd met witte uiteinden.
Anna-Maria dacht aan haar eigen met algen overdekte hek en de plastic verf die in schilfers aan de zuidwand van het huis hing.
Volgende zomer moeten we schilderen, dacht ze.
Maar had ze vorige herfst niet precies hetzelfde gedacht?
Torbjörn Ylitalo’s motorzaag vrat zich met een doordringend gepiep door het hout. Toen hij het laatste stuk naast zich neergooide en bukte om een nieuw meterslang stuk te pakken, riep Anna-Maria hem.
Hij draaide zich om, trok de beschermkappen naar beneden rond zijn nek en zette de zaag uit. Torbjörn Ylitalo was in de zestig. Wat grof gebouwd, maar op een bepaalde manier verzorgd. Het haar dat zich nog op zijn hoofd bevond, was net als zijn baard grijs en netjes geknipt. Toen hij de veiligheidsbril had afgezet, ritste hij zijn glanzend blauwe werkmansjack open en haalde een soepele, montuurloze bril te voorschijn, die hij vervolgens op een grote klomp van een neus vastklemde. Zongebruinde en verweerde huid boven de witte nek. Zijn oorlellen waren twee grote lappen huid, en het viel Anna-Maria op dat het scheerapparaat daar ook overheen was gegaan.
Niet zoals bij Sven-Erik, dacht ze.
Uit zijn oren groeiden soms fikse heksenbezems.
Ze gingen in de keuken zitten. Anna-Maria nam koffie toen Torbjörn Ylitalo zei dat hij zelf ook een kop zou nemen.
Hij schepte de koffie in het koffiezetapparaat en zocht onhandig in de vriezer, leek opgelucht toen Anna-Maria zoete broodjes afsloeg.
‘Heb je vakantie, zo voor de elandenjacht?’ vroeg Anna-Maria.
‘Nee, maar ik kan mijn werktijd redelijk vrij indelen.’
‘Hmm, je bent houtvester bij de kerk.’
‘Inderdaad.’
‘En voorzitter van de jachtvereniging, lid van de jachtploeg.’
Hij knikte.
Ze babbelden wat over jacht en de bessenpluk.
Anna-Maria haalde een opschrijfboekje en pen uit de binnenzak van haar jas, die ze niet uit had gedaan. Ze legde ze voor zich op tafel.
‘Zoals ik buiten al zei, gaat het over Mildred Nilsson. Jullie konden het niet goed met elkaar vinden, heb ik gehoord.’
Torbjörn Ylitalo keek haar aan. Hij glimlachte niet; dat had hij tot nog toe geen enkele keer gedaan. Hij nam zonder haast een slok van zijn koffie, zette de kop op het schoteltje en vroeg:‘Wie heeft dat gezegd?’
‘Was het zo?’
‘Wat zal ik ervan zeggen? Het staat me tegen kwaad te spreken van de doden, maar ze zaaide veel verdeeldheid en woede in dit dorp.’
‘Op welke manier dan?’
‘Ik zeg het maar eerlijk: ze was een mannenhaatster. Ik denk dat ze echt wilde dat de vrouwen uit het dorp zouden gaan scheiden van hun mannen. En dan kun je niet veel meer doen.’
‘Ben je getrouwd?’
‘Yep!’
‘Probeerde ze je vrouw zover te krijgen dat ze bij je wegging?’
‘Nee, haar niet. Maar anderen.’
‘Waar hadden jullie precies onenigheid over?’
‘Tja, dat quotum voor de jachtploeg was een verschrikkelijk idee van haar. Nog een kopje?’
Anna-Maria schudde haar hoofd.
‘Je weet wel: de helft voor de dames. Zij vond dat een vereiste als wij de pachtovereenkomst met jachtrecht verlengd wilden hebben.’
‘En dat vond jij een slecht idee.’
Nu kreeg zijn anders haast trage manier van praten iets nadrukkelijks.
‘Buiten haar was er in feite niemand die het een goed idee vond. En ik ben geen vrouwenhater, maar je moet toch echt concurreren voor plekken in besturen van bedrijven en het parlement, en dat geldt ook voor onze kleine jachtploeg. Het zou pas echt discriminatie zijn als je een plaats kreeg alleen omdat je vrouw was. En hoe zou je dan respect kunnen verwerven? Bovendien: wat is er mis mee om de mannen bezig te laten zijn met de jacht? Soms denk ik dat de jacht de laatste buitenpost is. Laat ons die dan tenminste rustig voor onszelf houden. Ik stond er verdomme toch ook niet op om mee te mogen doen met haar vrouwenbijbelgroep?’
‘Dus daar hadden jullie onenigheid over, Mildred en jij?’
‘Onenigheid, onenigheid… ze wist wat ik ervan vond.’
‘Magnus Lindmark zei dat je graag je geweer tegen haar kop had gezet.’
Anna-Maria vroeg zich even af of ze dit wel had moeten vertellen. Maar het was net goed voor zo’n klootzak die koppen van katten hakte.
Torbjörn Ylitalo leek niet geschokt. Hij glimlachte zelfs een beetje, voor de eerste keer. Een vermoeide, bijna onmerkbare glimlach.
‘Dat gaat eerder over Magnus’ eigen gevoelens,’ zei hij. ‘Maar Magnus heeft haar niet gedood. En ik ook niet.’
Anna-Maria gaf geen antwoord.
‘Als ik haar had vermoord, dan zou ik haar hebben doodgeschoten en haar goed diep hebben begraven in een moeras.’
‘Wist je dat ze jullie pachtovereenkomst wilde beëindigen?’
‘Jawel, maar ze had niemand van het kerkbestuur aan haar kant, dus dat had niks te betekenen.’
Torbjörn Ylitalo kwam overeind.
‘Nou, als dat alles was, ga ik nu verder met het hout.’
Anna-Maria stond op. Ze zag hoe hij hun koppen op het aanrecht zette.
Daarna pakte hij de koffiekan en zette hem met de warme koffie erin in de koelkast.
Ze maakte er geen opmerking over. Buiten op het erf zeiden ze elkaar heel rustig gedag.
Anna-Maria Mella reed weg bij Torbjörn Ylitalo. Ze zou weer bij Erik Nilsson langsgaan en hem vragen of hij wist wie die tekening naar zijn vrouw had gestuurd.
Ze parkeerde haar auto voor de ingang van het hek van de pastorie. De brievenbus puilde uit van de kranten en post, de klep stond omhoog. Nog even en de regen zou de brievenbus binnenkomen. Rekeningen, reclame en kranten zouden een grote klomp papier-maché worden. Anna-Maria had zulke uitpuilende brievenbussen eerder in haar leven gezien. De buren bellen, de brievenbus zit vol, de politie gaat naar binnen en vindt de dode. In wat voor toestand dan ook.
Ze ademde diep in. Eerst zou ze aan de deur voelen. Als de man van de predikant binnen lag, zou hij heel goed open kunnen zijn. Was hij op slot, dan zou ze door de ramen van de begane grond naar binnen kijken.
Ze ging de veranda naar de voordeur op. Die was versierd met sober, witgeschilderd houtsnijwerk, witte rieten stoelen en grote blauwgeglazuurde potten waarvan de inhoud was ingedroogd tot hard beton met daarin verschroeide, knisperende resten van zomerbloemen.
Op hetzelfde ogenblik dat ze haar hand op de deurkruk legde, werd die naar beneden gedrukt en werd de deur van binnenuit opengemaakt. Anna-Maria gilde niet. Waarschijnlijk vertrok ze geen spier. Maar inwendig sprong ze op. Haar maag trok samen.
Er kwam een vrouw naar buiten; ze botste bijna tegen Anna-Maria op en slaakte een kreet van schrik.
Ze was een jaar of veertig en had opengesperde donkerbruine ogen met lange, dichte wimpers. Niet veel langer dan Anna-Maria – klein dus. Maar ze was smaller en tengerder. De hand die omhoogschoot naar haar borst had lange vingers, de pols was smal.
‘Oei,’ glimlachte ze.
Anna-Maria Mella stelde zich voor.
‘Ik zoek Erik Nilsson.’
‘O…’ zei de vrouw. ‘Hij… is er niet.’
Haar stem zweefde weg.
‘Hij is verhuisd,’ zei ze. ‘Want ja, de pastorie is natuurlijk van de kerk. Er is echt niemand die hem gedwongen heeft te vertrekken, maar… Sorry, ik ben Kristin Wikström.’
Ze stak haar tengere hand naar Anna-Maria uit. Daarna kreeg ze iets verlegens over zich en leek behoefte te krijgen haar aanwezigheid toe te lichten.
‘Mijn man, Stefan Wikström, zal de pastorie nu betrekken, nu Mildred… Ja, hij niet alleen, de kinderen en ik natuurlijk ook.’
Ze lachte kort.
‘Erik Nilsson heeft zijn meubels en bezittingen niet weggehaald en we weten niet waar hij uithangt… ik ging even langs om te kijken hoeveel er te doen is.’
‘Dus jullie weten niet waar Erik Nilsson uithangt?’
Kristin Wikström schudde haar hoofd.
‘En je man?’ vroeg Anna-Maria.
‘Die weet het ook niet.’
‘Nee, ik bedoel: waar hangt hij uit?’
Boven de bovenlip van Kristin Wikström ontstonden kleine rimpeltjes.
‘Hem wat vragen.’
Kristin Wikström schudde met een bezorgd gezicht langzaam haar hoofd.
‘Ik zou echt graag willen dat hij met rust gelaten werd,’ zei ze. ‘Hij heeft een erg zware zomer achter de rug. Geen vakantie. Voortdurend politie. Journalisten, ze bellen zelfs ’s nachts, moet je weten, en we durven de stekker er niet uit te trekken, want mijn moeder is oud en ziek – moet je je voorstellen dat zij zou bellen. En die angst die we allemaal voelen omdat er een of andere gek is die… Je durft de kinderen niet alleen buiten te laten. Ik ben voortdurend ongerust over Stefan.’
Maar over het verdriet over een verloren collega zei ze niets, stelde Anna-Maria kil vast.
‘Is hij thuis?’ vroeg Anna-Maria genadeloos.
Kristin Wikström zuchtte. Keek Anna-Maria aan alsof ze een kind was waarin ze teleurgesteld was, diep teleurgesteld.
‘Ik weet het eerlijk gezegd niet,’ zei ze. ‘Ik ben niet het soort vrouw dat voortdurend totale controle wil hebben over haar man.’
‘Dan probeer ik het eerst bij de pastorie van Jukkasjärvi en als hij daar niet is, ga ik naar de stad,’ zei Anna-Maria, en ze onderdrukte de neiging haar ogen ten hemel te heffen.
Kristin Wikström blijft staan op de veranda van de pastorie van Poikkijärvi. Ze kijkt de rode Escort na. Ze mag die agente niet. Ze mag niemand. O ja, natuurlijk wel. Ze houdt van Stefan. En de kinderen. Ze houdt van haar gezin.
In haar hoofd heeft ze een filmprojector. Ze denkt niet dat dat gebruikelijk is. Soms vertoont hij alleen maar dwaasheden. Maar nu zal ze haar ogen sluiten om naar een film te kijken waar ze erg van houdt. De herfstzon verwarmt haar gezicht. Het is nog steeds nazomer; je kunt bijna niet geloven dat dit Kiruna is, zo warm is het. Het komt goed uit, want de film is van afgelopen lente.
De lentezon schijnt door het raam en verwarmt haar gezicht. De kleuren zijn zacht. Het beeld is zo gedempt dat het net is alsof ze een aureool rond haar haar heeft. Stefan zit op een stoel naast haar. Hij zit voorovergebogen met zijn hoofd in haar armen. Haar handen bewegen zich over zijn haar. Ze zegt: ‘Sst.’ Hij huilt. ‘Mildred,’ zegt hij. ‘Ik breng het haast niet meer op.’ Het enige wat hij wil is rust en kalmte. Werkrust. Rust thuis. Maar Mildred die gif zaait in de gemeente… Ze strijkt over zijn zachte haar. Het is een heilig moment. Stefan is zo sterk. Hij zoekt nooit troost bij haar. Ze geniet ervan om dit allemaal voor hem te kunnen zijn. Iets doet haar opkijken. In de deuropening staat hun oudste zoon, Benjamin. God, wat ziet hij eruit met dat lange haar en die strakke, zwarte, gescheurde spijkerbroek. Hij staart zijn ouders aan, geeft geen kik. Hij heeft alleen een verwilderde blik in zijn ogen. Ze fronst haar wenkbrauwen om aan te geven dat hij moet verdwijnen. Ze weet dat Stefan niet wil dat de kinderen hem zo zien.
De film is afgelopen. Kristin grijpt de leuning van het trapje vast. Dit zal het huis van haar en Stefan worden. Als de man van Mildred denkt dat hij alle meubels gewoon kan laten staan en dat niemand ze weg zal durven halen, heeft hij het mis. Als ze naar de auto loopt, laat ze de film weer afspelen in haar hoofd. Dit keer knipt ze haar zoon Benjamin eruit.
ANNA-MARIA REED DE OPRIJLAAN VAN DE PASTORIE VAN JUKKASJÄRVI op. Ze belde aan, maar niemand deed open.
Toen ze zich omdraaide, zag ze een jongen naar het huis komen lopen. Hij was van Marcus’ leeftijd, een jaar of vijftien. Zijn haar was lang en glanzend zwart geverfd. Onder zijn ogen zat koolzwart oogpotlood. Hij droeg een versleten zwartleren jack en een zwarte nauwsluitende broek met enorme gaten op de knieën.
‘Hallo!’ riep Anna-Maria. ‘Woon je hier? Ik ben op zoek naar Stefan Wikström. Weet jij of…’
Verder kwam ze niet. De jongen staarde haar aan. Toen draaide hij zich abrupt om en begon te hollen. Hij rende ervandoor over de weg. Een ogenblik had Anna-Maria het gevoel dat ze hem achterna moest rennen om hem te pakken, maar daarna bedacht ze zich. Waarom zou ze?
Ze ging in de auto zitten en reed richting stad. Keek toen ze door het dorp reed uit naar die zwartgeklede jongen, maar hij was nergens te bekennen.
Zou het een van de kinderen van het predikantengezin zijn? Of was het misschien iemand die van plan was in te breken en die was verrast door haar aanwezigheid?
Er bleef ook iets anders in haar kop doorbonzen.
De vrouw van Stefan Wikström. Ze heette Kristin Wikström.
Kristin. Die naam kende ze ergens van.
Toen wist ze het. Ze reed de berm in en zette de motor af. Pakte de stapel brieven aan Mildred die Fred Olsson had uitgezocht omdat ze hem van belang leken.
Twee ervan waren ondertekend met ‘Kristin’.
Anna-Maria las ze vluchtig door. De ene was in maart gedateerd en geschreven in een verzorgd handschrift:
Laat ons met rust. We willen kalmte en rust. Mijn man heeft rust nodig om te kunnen werken. Wil je dat ik op de knieën ga? Ik ben op de knieën. En ik vraag je: laat ons met rust.
De andere was ruim een maand later gedateerd. Je kon zien dat hij door dezelfde persoon was geschreven, maar de woorden waren meer opeengepakt, de halen van de g waren langer en sommige woorden waren slordig doorgehaald:
Je denkt misschien dat we het niet WETEN. Maar iedereen begrijpt dat het geen toeval is dat je hier in Kiruna hebt gesolliciteerd, slechts één jaar nadat mijn echtgenoot hier was komen werken. Maar ik VERZEKER je: we WETEN het. Je werkt samen met groepen en organisaties die als enige taak hebben hem tegen te werken. Je vergiftigt bronnen met je HAAT. Maar die HAAT zul je zelf drinken!
Wat doe ik nu? dacht Anna-Maria. Teruggaan en haar met haar rug tegen de muur zetten?
Ze belde Sven-Erik Stålnacke met haar mobiel.
‘We gaan eerst eens met haar man praten,’ stelde hij voor. ‘Ik was toch net op weg naar het wijkgebouw om de boekhouding van die wolvenstichting te halen.’
STEFAN WIKSTRÖM ZAT ZWAAR TE ZUCHTEN ACHTER ZIJN BUREAU. Sven-Erik Stålnacke had plaatsgenomen in de bezoekersfauteuil. Anna-Maria stond met haar armen over elkaar tegen de deur geleund.
Soms was ze zo… weinig diplomatiek, dacht Sven-Erik en hij keek naar Anna-Maria.
Eigenlijk had ik die vent zelf moeten doen, dat was beter geweest. Anna-Maria mocht hem niet en had geen zin dat te verbergen. Tuurlijk, Sven-Erik had ook over de ruzie tussen Mildred en deze predikant gelezen, maar nu waren ze hier in functie.
‘Ja, ik weet van die brieven af,’ zei de predikant.
Hij zat met zijn linkerelleboog op tafel en liet zijn voorhoofd tegen zijn vingertoppen en duim steunen.
‘Mijn vrouw… het… het gaat soms niet goed met haar. Niet dat ze psychisch ziek is, maar af en toe is ze wat instabiel. Zo is ze eigenlijk niet.’
Sven-Erik Stålnacke en Anna-Maria Mella zwegen.
‘Ze ziet zo nu en dan spoken op klaarlichte dag. Ze zou nooit… jullie denken toch niet…?’
Hij liet zijn voorhoofd los en sloeg met zijn handpalm op tafel.
‘Dat zou dan volstrekt absurd zijn. Godnogantoe, Mildred had honderden vijanden.’
‘Waaronder jij?’ vroeg Anna-Maria.
‘Helemaal niet! Ben ik ook verdacht? Mildred en ik waren het met elkaar oneens over zakelijke aangelegenheden, dat is waar, maar dat ik of die arme Kristin iets te maken zou hebben met de moord…’
‘Dat hebben we toch ook niet beweerd?’ zei Sven-Erik.
Hij fronste zijn wenkbrauwen op een manier die Anna-Maria deed zwijgen en luisteren.
‘Wat zei Mildred over deze brieven?’ vroeg Sven-Erik.
‘Ze stelde me ervan op de hoogte dat ze ze had gehad.’
‘Waarom denk je dat ze ze bewaarde?’
‘Dat weet ik niet. Ik bewaar zelf alles, ook alle kerstkaarten.’
‘Wisten meer mensen hiervan?’
‘Nee, en ik zou jullie dankbaar zijn als dat zo kon blijven.’
‘Dus Mildred heeft het niet aan iemand anders verteld?’
‘Nee, niet dat ik weet.’
‘Was je haar daar dankbaar voor?’
Stefan Wikström knipperde even met zijn ogen.
‘Wat?’
Hij barstte bijna in lachen uit. Dankbaar. Zou hij zich dankbaar moeten voelen tegenover Mildred? Wat een bizarre gedachte! Maar wat moest hij zeggen? Niets kon hij vertellen. Mildred hield hem nog steeds gevangen in haar netten. Ze had zijn vrouw gebruikt als extra strik. En op zijn dankbaarheid gerekend.
Half mei had hij zich deemoedig opgesteld en was hij naar Mildred gegaan om haar om de brieven te vragen. Hij hield haar gezelschap op een wandeling over de Skolgatan op weg naar het ziekenhuis. Ze zou bij iemand op bezoek gaan. Dit was de ergste tijd van het jaar. Thuis in Lund niet natuurlijk, maar wel in Kiruna. De straten lagen vol grind en allerhande soorten afval die vanonder de gesmolten sneeuw te voorschijn waren gekomen. Geen groen, alleen viezigheid, rommel en die hopen grind.
Stefan had zijn vrouw gesproken aan de telefoon. Ze was met de jongste kinderen bij haar moeder in Katrineholm. Haar stem klonk opgewekter.
Stefan kijkt naar Mildred. Ze lijkt ook opgewekt. Ze wendt haar gezicht naar de zon en ademt af en toe diep en genietend in. Het moet een zegen zijn om geen gevoel voor schoonheid te hebben. Dan tasten grind en vuil je humeur vast niet aan.
Toch is het vreemd, denkt hij, niet zonder bitterheid, dat Kristin opgewekter wordt en krachten opdoet door een tijdje bij hem weg te zijn. Dat is eigenlijk niet zijn beeld van een huwelijk; je haalt kracht en steun bij elkaar. Dat zij niet de steun is waar hij op had gehoopt, heeft hij al lang geleden aanvaard. Maar nu begint hij het gevoel te krijgen dat zij ook niet vindt dat hij haar genoeg geeft. ‘O, nog een tijdje,’ antwoordt ze ontwijkend als hij zich afvraagt hoe lang ze nog weg denkt te blijven.
Mildred wil hem de brieven niet geven.
‘Je kunt mijn leven op elk moment aan flarden slaan,’ zegt hij met een zuur lachje tegen haar.
Ze kijkt hem met vaste blik aan.
‘Dan moet je je erin oefenen om mij te vertrouwen.’
Hij kijkt haar van opzij aan. Als ze zo naast elkaar lopen, is het goed te zien hoe klein ze is. Haar voortanden zijn echt onnatuurlijk klein. Ze ziet er in alle opzichten uit als een woelmuis.
‘Ik ben van plan de kwestie over de pacht van de jachtvereniging van Poikkijärvi te bespreken in het kerkbestuur. De pachtovereenkomst loopt met kerst af. Als we de grond verpachten aan iemand die meer kan betalen…’
Hij kan zijn oren niet geloven.
‘Dus zo staan de zaken ervoor,’ zegt hij, en hij verbaast zich erover hoe rustig hij klinkt. ‘Je dreigt! Als ik voor verlenging van de huidige pachtovereenkomst stem, dan vertel jij over Kristin. Wat laag, Mildred. Nu laat je je ware aard zien.’
Hij voelt hoe zijn mond een eigen leven leidt in zijn gezicht. Die vertrekt zich tot de grimas van iemand die bijna moet huilen.
Als Kristin nu gewoon wat uit kan rusten, zal ze de balans weer vinden. Maar als dat met die brieven uitkomt… Hij weet dat ze dat niet aankan. Hij kan al horen hoe ze mensen ervan beschuldigt achter haar rug over haar te praten. Ze zal nog meer vijanden maken. Nog even en ze voert oorlog op meerdere fronten tegelijk. Dan zullen ze ten onder gaan.
‘Nee,’ zegt Mildred. ‘Dit is geen dreigement. Ik hou hoe dan ook mijn mond. Maar ik zou alleen graag willen dat je…’
‘… dankbaarheid zou voelen?’
‘… me in één enkele kwestie tegemoet zou komen,’ zegt ze vermoeid.
‘Tegen mijn geweten handelen?’
Dan valt ze uit, laat ze haar diepste wezen zien.
‘Ach, kom op zeg! Dat kun je het toch nauwelijks noemen – een gewetenskwestie?’
Sven-Erik Stålnacke herhaalde zijn vraag:‘Was je haar er dankbaar voor? Aangezien jullie niet de beste vrienden waren, was het toch ruimhartig van haar om niemand over die brieven te vertellen.’
‘Ja,’ wist Stefan er na een tijdje uit te persen.
Sven-Erik bromde even. Anna-Maria’s rug kwam los van de deur.
‘Nog iets,’ zei Sven-Erik. ‘De boekhouding van de wolvenstichting. Ligt die hier in het wijkgebouw?’
De irissen van Stefan Wikström bewogen zich onrustig in zijn oogwit, als aquariumvissen in een kom.
‘Wat?’
‘De boekhouding van de wolvenstichting, is die hier?’
‘Ja.’
‘Hebben jullie daar geen toestemming van de officier van justitie of zo voor nodig?’
Anna-Maria en Sven-Erik keken elkaar snel even aan. Sven-Erik stond op.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei hij. ‘Ik moet even gebruikmaken van het toilet. Waar…?’
‘Links, naar buiten door de deur van het secretariaat en dan direct weer links.’
Sven-Erik verdween.
Anna-Maria haalde de kopie van de tekening van de opgehangen Mildred te voorschijn.
‘Iemand heeft dit aan Mildred Nilsson gestuurd. Heb je dit eerder gezien?’
Stefan Wikström pakte hem aan. Zijn hand trilde niet.
‘Nee,’ zei hij.
Hij gaf de tekening terug.
‘Je hebt niet iets soortgelijks gekregen?’
‘Nee.’
‘En je hebt geen idee wie hem kan hebben gestuurd? Ze heeft er nooit iets over gezegd?’
‘Mildred en ik waren niet vertrouwelijk met elkaar.’
‘Misschien kun je een lijstje voor me maken met namen van mensen van wie jij je voor kunt stellen dat ze ze in vertrouwen nam. Dan bedoel mensen die in de kerk werkten, of hier in het wijkgebouw.’
Anna-Maria keek naar hem terwijl hij schreef. Ze hoopte dat Sven-Erik wat hij daarginds moest doen snel zou doen.
‘Heb je kinderen?’ vroeg ze.
‘Ja. Drie jongens.’
‘Hoe oud is de oudste?’
‘Vijftien.’
‘Hoe ziet hij eruit? Lijkt hij op je?’
Stefan Wikströms stem klonk ineens wat lijzig.
‘Dat is onmogelijk te zeggen. Je weet niet hoe hij eruitziet onder al die haarverf en make-up. Hij bevindt zich in… een fase.’
Hij keek glimlachend op. Anna-Maria begreep dat die vaderlijke glimlach en die kunstmatige pauze en het woord ‘fase’ dingen waren die hij uit routine gebruikte als hij over zijn zoon sprak.
Stefan Wikströms glimlach doofde.
‘Vanwaar die belangstelling voor Benjamin?’ vroeg hij.
Anna-Maria pakte de lijst uit zijn hand.
‘Bedankt voor de hulp,’ zei ze, en ze vertrok.
Sven-Erik Stålnacke stapte direct vanuit Stefan Wikströms kamer het secretariaat binnen. Er zaten daar drie vrouwen. Een van hen gaf de bloemen in de vensterbank water, de andere twee zaten achter hun computers. Sven-Erik liep naar een van hen toe en stelde zich voor. Ze was van zijn leeftijd, tegen de zestig, glimmend neuspuntje en aardige ogen.
‘We willen de boekhouding van die wolvenstichting graag bekijken,’ zei hij.
‘Goed.’
Ze verdween naar een van de boekenplanken en kwam terug met een map waar nauwelijks iets in zat. Sven-Erik keek er nadenkend naar. Een boekhouding hoorde te bestaan uit grote hopen papieren, facturen, kolommen en rekeningen.
‘Is dat alles?’ vroeg hij wantrouwend.
‘Ja,’ zei ze. ‘Zoveel transacties zijn er niet. Voornamelijk stortingen.’
‘Ik leen deze map even.’
Ze glimlachte.
‘Hou maar. Het zijn allemaal uitdraaien en kopieën. Ik print wel nieuwe vanuit de computer.’
‘Weet je,’ zei Sven-Erik, en hij dempte zijn stem. ‘Ik zou je ergens iets over willen vragen. Kunnen we…’ Hij maakte een hoofdbeweging naar het lege trappenhuis.
De vrouw ging met hem mee naar buiten.
‘Er is een factuur over opleidingskosten,’ zei Sven-Erik. ‘Een tamelijk grote post…’
‘Ja,’ zei de vrouw. ‘Ik weet welke je bedoelt.’
Ze aarzelde even, alsof ze een aanloop nam.
‘Dat was niet juist,’ zei ze. ‘Mildred was erg kwaad. Stefan is eind mei met zijn gezin op vakantie geweest naar de vs. Van het geld van de stichting.’
‘Hoe kon hij dat doen?’
‘Hij, Mildred en Bertil waren ieder afzonderlijk gemachtigd voor de stichting. Dat was dus geen probleem. Hij dacht waarschijnlijk dat niemand het zou merken, of hij deed het om haar te treiteren, ik weet het niet.’
‘Wat gebeurde er toen?’
De vrouw keek hem aan.
‘Niets,’ zei ze. ‘Ze hebben er vast een streep door gehaald. Mildred zei dat hij Yellowstone had bezocht, waar ze een wolvenproject hebben. Dus nee, voorzover ik weet is er geen ruzie over ontstaan.’
Sven-Erik bedankte haar en ze ging terug naar haar plaats achter de computer. Hij overwoog of hij terug zou gaan naar Stefans kantoor om hem ook naar die reis te vragen. Maar er was geen haast bij, ze zouden het er morgen met hem over kunnen hebben. Instinctief voelde hij dat hij hier even over na moest denken. Het had geen zin om in de tussentijd mensen bang te maken.
‘Hij vertrok geen spier,’ zei Anna-Maria tegen Sven-Erik. ‘Toen ik Stefan Wikström de tekening liet zien, vertrok hij geen spier. Of hij is volkomen harteloos, of hij deed heel hard zijn best te verbergen wat hij voelde. Je weet wel: je bent er zo op gericht om rustig te lijken dat je vergeet dat je toch zou moeten doen alsof je op de een of andere manier reageert.’
Sven-Erik humde.
‘Hij had tenminste enige belangstelling moeten tonen,’ vervolgde Anna-Maria. ‘Er even naar moeten kijken. Zo zou ik gereageerd hebben. Ik zou geschokt zijn geweest als het iemand was op wie ik gesteld was, en een beetje geprikkeld door de sensatie als ik haar niet had gekend of haar gewoon niet mocht. Ik zou even gekeken hebben.’
Hij gaf trouwens geen antwoord op mijn laatste vraag, dacht ze later. Toen ik vroeg of hij enig idee had wie hem gestuurd kon hebben. Hij zei alleen dat Mildred en hij niet vertrouwelijk met elkaar waren.
Stefan Wikström ging het secretariaat in. Hij voelde zich enigszins misselijk. Hij zou naar huis moeten gaan voor het avondeten.
De vrouwen van het secretariaat keken nieuwsgierig naar hem.
‘Ze hebben wat routinevragen gesteld over Mildred,’ zei hij.
Ze knikten, maar hij kon zien dat ze zich toch dingen afvroegen. Wat een woord: routinevragen.
‘Hebben ze ook met jullie gesproken?’ vroeg hij.
De vrouw die met Sven-Erik had gesproken, gaf antwoord.
‘Ja, die grote man wilde de boekhouding van de wolvenstichting.’
Stefan verstijfde.
‘Die heb je hem toch niet gegeven? Ze hebben het recht niet…’
‘Natuurlijk kreeg hij die! Er staan toch geen geheimen in?’
Ze keek hem scherp aan. Hij voelde de blikken van de anderen ook. Toen draaide hij zich bruusk om en liep met enkele snelle passen zijn kamer weer in.
De deken kon zeggen wat hij wilde, maar nu moest Stefan hem spreken. Hij belde Bertil op zijn mobiel.
De deken zat in de auto. Zijn stem viel soms weg.
Stefan vertelde dat de politie langs was geweest en dat ze de boekhouding van de wolvenstichting hadden meegenomen.
Bertil leek niet geschokt. Stefan zei dat er formeel gezien geen fouten gemaakt waren, aangezien ze beiden in het bestuur van de stichting zaten, maar toch.
‘Je weet wat het beeld zal zijn als het in het nieuws komt: we zullen afgeschilderd worden als zwendelaars.’
‘Dat komt wel goed,’ zei Bertil rustig. ‘Nou, nu moet ik parkeren, we spreken elkaar nog.’
Uit zijn kalmte maakte Stefan op dat de deken niet achter hem zou staan als zijn reis naar de vs uitkwam. Hij zou nooit toegeven dat ze het er samen over hadden gehad. ‘Er zit zoveel geld in de stichting dat op dit moment geen doel dient,’ had de deken toch zelf gezegd? Daarna hadden ze een soort competentieverhogende reis besproken. Ze zaten in het bestuur van een stichting voor wildzorg, maar wisten niets van wolven. Daarom hadden ze besloten dat Stefan naar Yellowstone zou gaan. En op de een of andere manier was het zo gelopen dat Kristin en de jongste jongens ook mee waren gegaan; op die manier kreeg hij haar weer thuis vanuit Katrineholm.
Stilzwijgend was duidelijk dat geen van hen van plan was Mildred te vertellen dat het geld afkomstig was van de stichting. Maar toen was er natuurlijk iemand van het secretariaat geweest, die het niet had kunnen nalaten naar haar toe te snellen om het door te smiezen.
Ze had hem ermee geconfronteerd toen hij terugkwam van de reis. Hij had bedaard uitgelegd dat het noodzakelijk was dat iemand uit het bestuur van de stichting kennis had. Hij was daar in feite de aangewezen persoon voor, als jager en buitenmens. Hij zou respect en begrip kunnen kweken die Mildred nooit zou krijgen, al zou ze het duizend jaar proberen.
Hij had een woede-uitbarsting verwacht. Een klein, weggestopt deel van hem zag er bijna naar uit, verheugde zich op de rode vertoning van haar verloren controle tegen het diepblauwe fond van zijn eigen rust en beheersing.
In plaats daarvan had ze zich over zijn bureau gebogen. Zwaar, op een manier die hem een ogenblik deed denken dat ze misschien in het geheim ziek was, iets met haar nieren of haar hart. Had haar gezicht naar hem toe gedraaid. Wit, onder het rood van de nawinterzon. Haar ogen twee zwarte kringen. Een belachelijk stoffen beest met ogen van knoopjes dat tot leven is gekomen en begint te praten en plotseling heel angstaanjagend blijkt.
‘Als ik met het kerkbestuur praat over de verandering van de pachtovereenkomst voor de jaarwisseling, dan hou jij je gedeisd, begrijp je dat?’ zei ze. ‘Anders mag de politie uitzoeken of dit goed of fout was.’
Hij had geprobeerd te zeggen dat ze zich belachelijk maakte.
‘De keuze is aan jou,’ had ze gezegd. ‘Ik ben niet van plan om je tot in de eeuwigheid met fluwelen handschoentjes aan te pakken.’
Hij had haar verbijsterd nagekeken. Wanneer had ze hem met fluwelen handschoentjes aangepakt? Ze was altijd een bos brandnetels.
Stefan dacht aan Bertil Stensson. Hij dacht aan zijn vrouw. Hij dacht aan Mildred. Hij dacht aan de blikken van de medewerkers van het secretariaat. Plotseling had hij het gevoel dat hij de controle over zijn ademhaling verloor. Hij hijgde als een hond in een auto. Hij moest proberen te kalmeren.
Ik kan mezelf hieruit halen, dacht hij. Wat is er mis met mij?
Als kind al had hij vriendjes opgezocht die hem onderdrukten en uitbuitten. Hij moest karweitjes voor ze opknappen en zijn snoep afgeven. Later moest hij banden lek prikken en stenen gooien om te bewijzen dat de zoon van de deken geen lafbek was. En nu, als volwassene, zocht hij mensen en verbanden op waar hij werd behandeld als oud vuil.
Hij pakte de telefoon. Eén gesprek maar.
LISA STÖCKEL ZIT OP DE TRAP VAN HAAR PEPERKOEKHUISJE. DE meesterproef van de blowende banketbakker, zoals Mimmi het noemt. Ze zal zo naar het eetcafé lopen. Ze eet er tegenwoordig elke avond. Mimmi lijkt het niet vreemd te vinden. In de keuken heeft Lisa nu alleen nog een diep bord, een lepel en een blikopener voor het kattenvoer. De honden scharrelen rond bij de erfafscheiding. Snuffelen en pissen op de bessenstruiken. Ze vindt dat ze er enigszins vragend uitzien als ze niet tegen ze schreeuwt.
Pissen jullie maar waar jullie willen, denkt ze met een halve glimlach.
De hardheid van een mensenhart is een merkwaardige kwestie. Die is net als zomervoeten. Je kunt over dennenappels en grind rennen, maar als je hiel scheurt, scheurt hij diep.
De hardheid is altijd haar kracht geweest. Nu is ze haar zwakte. Ze probeert woorden te vinden om iets tegen Mimmi te zeggen, maar het is volkomen uitzichtloos. Alles wat gezegd kan worden, had lang geleden al gezegd moeten worden, en nu is het te laat.
Wat zou ze ook dan gezegd moeten hebben? De waarheid? Niet echt. Ze herinnerde zich dat Mimmi zestien was. Tommy en zij waren al jaren gescheiden. Hij dronk zich de weekenden door. Het was een geluk dat hij zo’n bekwame tegelzetter was. Zolang hij werk had, hield hij het van maandag tot donderdag bij bier. Mimmi maakte zich ongerust. Vanzelfsprekend. Ze vond dat Lisa met hem moest gaan praten. Vroeg: ‘Kan papa je dan niets schelen?’ Lisa had ‘Jawel’ gezegd. Dat was een leugen. Zij die besloten had dat het afgelopen moest zijn met de leugens. Maar Mimmi was Mimmi. Tommy kon Lisa geen flikker schelen. ‘Waarom ben je eigenlijk met papa getrouwd?’ had Mimmi een andere keer gevraagd. Lisa had zich gerealiseerd dat ze geen idee had. Dat was een haast verwarrende ontdekking. Ze was er niet in geslaagd zich te herinneren wat ze had gedacht of gevoeld tijdens die periode waarin ze met elkaar om begonnen te gaan, met elkaar naar bed gingen, zich verloofden, toen ze vervolgens zijn eigendomsmerk om haar vinger kreeg. En daarna kwam Mimmi. Ze was zo’n heerlijk kind geweest. Tegelijkertijd was ze de boei die hen voor altijd verbond. Lisa met Tommy. Ze had getwijfeld aan haar moederlijke gevoelens. Wat moet een moeder voelen voor haar kind? Ze wist het niet. Ik zou voor je kunnen sterven, had ze soms gedacht, terwijl ze naar Mimmi had staan kijken als ze sliep. Maar dat betekende niets. Dat was net zoiets als buitenlandse reizen beloven als je een miljoen zou winnen in de lotto. Makkelijker om in theorie voor je kinderen te sterven dan te gaan zitten om ze een kwartiertje voor te lezen. De slapende Mimmi maakte haar ziek van verlangen en gewetenswroeging. De wakkere Mimmi met haar kleine handjes die op zoek gingen over haar gezicht en haar armen, op jacht naar huid en nabijheid, bezorgde haar kriebels.
Het had onmogelijk geleken weg te gaan uit het huwelijk. Toen ze het later eindelijk deed, was ze verbaasd hoe makkelijk het ging. Ze hoefde alleen maar haar spullen te pakken en te vertrekken. Tranen en gegil waren als olie in water.
Met de honden wordt het nooit ingewikkeld. Haar stugheid kan ze niets schelen. Ze zijn onvoorwaardelijk eerlijk en onvermoeibaar vrolijk.
Net als Nalle. Lisa moet glimlachen als ze aan hem denkt. Ze kan het zien aan zijn nieuwe vriendin, die Rebecka Martinsson. Toen Lisa haar de eerste keer zag, dinsdagavond, droeg ze die mantel die tot haar kuiten reikte en dat glimmende sjaaltje, ongetwijfeld echte zijde. Kaksecretaresse van een of andere hoge pief, of wat ze ook was. Er was iets met haar, een microseconde vertraging misschien. Alsof ze altijd goed nadacht voor ze antwoord gaf, gebaarde of zelfs maar een glimlach opzette. Nalle kan dat soort dingen niets schelen. Hij banjert het hart van mensen binnen zonder zijn schoenen uit te doen. Eén dag met Nalle en daarna was Rebecka Martinsson gekleed in een anorak uit de jaren zeventig en had ze haar haar opgebonden met een bruin elastiekje, zo eentje dat de helft van je haar meetrekt als je het uitdoet.
Hij weet ook niet hoe je moet liegen. Eens in de twee weken organiseert Mimmi een afternoon tea in het eetcafé. Het is uitgegroeid tot iets waar de vrouwen uit de stad voor naar Poikkijärvi komen. Verse scones en jam, zeven soorten koekjes. Afgelopen donderdag had Mimmi met strenge stem gebulderd: ‘Wie heeft een hap van de koekjes genomen!’ Nalle, die had zitten eten, boterhammen met melk, had bliksemsnel zijn hand in de lucht gestoken en onmiddellijk bekend: ‘Ik!’
Gezegende Nalle, denkt Lisa.
Precies de woorden die Mildred duizend keer heeft gezegd.
Mildred. Toen Lisa’s hardheid barstte, stroomde Mildred naar binnen. Lisa raakte volledig geïnfecteerd.
Nog maar drie maanden geleden lagen ze op de bedbank in de keuken. Zo ging het vaak, want de honden hadden haar bed bezet, en Mildred zei dan: ‘Jaag ze toch niet weg, zie je dan niet hoe ze het daar naar hun zin hebben?’
Begin juni heeft Mildred het eigenlijk heel druk. Schooljaarafsluitingen, belijdenissen, laatste bijeenkomst van kindergroepen, afscheid van de jongerengroep van de kerk en een heleboel huwelijken. Lisa ligt op haar linkerzij en steunt op haar elleboog. In haar rechterhand houdt ze een sigaret. Mildred slaapt, of misschien is ze wakker, waarschijnlijk iets ertussenin. Haar rug is helemaal behaard, bedekt met zacht dons dat langs haar ruggengraat groeit. Dat is een extra geschenk, dat Lisa, die zo dol is op honden, een geliefde krijgt die een rug heeft als de buik van een puppy. Of misschien de buik van een wolf.
‘Wat is dat toch met jou en die wolf?’ vraagt Lisa.
Mildred heeft een wolvenlente doorgemaakt. Ze heeft negentig seconden gekregen in het nieuwsprogramma Aktuellt om over wolven te praten. Het radioprogramma Tusen Toner heeft een concert uitgezonden, waarvan de opbrengsten naar de stichting gaan. Ze heeft zelfs over de wolvin gepreekt.
Mildred draait zich op haar rug. Ze neemt de sigaret over van Lisa. Lisa tekent op haar buik.
‘Oei,’ zegt ze, en je kunt merken dat ze haar best doet om de vraag te beantwoorden. ‘Er is iets met wolven en vrouwen. We lijken op elkaar. Ik kijk naar deze wolvin en zie waarvoor we geschapen zijn. Wolven zijn ongelooflijk taai. Moet je je voorstellen dat ze in poolgebieden leven bij vijftig graden onder nul en in de woestijn bij vijftig graden boven nul. Ze zijn zich ontzettend bewust van hun territorium, stellen keiharde grenzen. En ze zwerven ver weg en vrij. Ze helpen de roedel, zijn loyaal en houden meer van hun welpen dan van al het andere. Ze zijn net als wij.’
‘Jij hebt toch geen welpen?’ zegt Lisa, en ze heeft er onmiddellijk spijt van, maar Mildred is niet beledigd.
‘Ik heb jullie toch?’ lacht ze.
‘Ze durven te blijven als het nodig is,’ vervolgt Mildred haar preek. ‘Ze durven te vertrekken als het nodig is; ze durven ruzie te maken en van zich af te bijten als het moet. En ze zijn… levend. En gelukkig.’
Ze blaast de rook uit, probeert kringetjes te blazen terwijl ze nadenkt.
‘Het heeft te maken met mijn geloof,’ zegt ze. ‘De hele bijbel staat vol mannen met hun missie die voor al het andere komt, vrouw, kinderen en… ja, alles. Abraham en Jezus en… Mijn vader trad in hun voetsporen in zijn werk als predikant. Mijn moeder moest de verantwoordelijkheid op zich nemen voor huis en haard, tandartsbezoek en kerstkaarten. Maar voor mij is Jezus degene die vrouwen de mogelijkheid geeft te beginnen met denken, weg te gaan als ze dat moeten, te leven als een wolvin. En als ik bitter en dreinerig dreig te worden, zegt hij tegen me: “Kom op zeg, wees toch gelukkig.”’
Lisa tekent verder op Mildreds buik, haar wijsvinger loopt over haar borsten en haar heupbeenderen.
‘Je weet dat ze haar haten, hè?’ zegt ze.
‘Wie?’ vraagt Mildred.
‘De kerels van het dorp,’ zegt Lisa. ‘Van de jachtploeg. Torbjörn Ylitalo. Begin jaren tachtig werd hij veroordeeld wegens een overtreding van de jachtwet. Hij had een wolf doodgeschoten in Dalarna. Zijn vrouw komt ervandaan.’
Mildred gaat rechtop zitten.
‘Je houdt me voor de gek!’
‘Ik hou je niet voor de gek. Eigenlijk had hij zijn wapenvergunning kwijt moeten raken. Maar je begrijpt, Lars-Gunnar zat bij de politie, en de politie verstrekt die dingen, dus hij maakte gebruik van zijn contacten en… Waar ga je heen?’
Mildred is opgesprongen van de bedbank. De honden komen aangestormd. Ze denken dat ze naar buiten mogen. Ze negeert ze, kleedt zich haastig aan.
‘Waar ga je heen?’ vraagt Lisa weer.
‘Die godgeklaagde ouwelullenclub,’ brult Mildred. ‘Hoe kun je? Hoe kun je dit de hele tijd geweten hebben?’
Lisa gaat overeind zitten. Ze heeft het altijd al geweten. Ze was immers getrouwd met Tommy, en Tommy was bevriend met Torbjörn Ylitalo. Ze kijkt naar Mildred, die er niet in slaagt haar horloge om te doen en het daarom maar in haar zak stopt.
‘Ze jagen gratis,’ briest Mildred. ‘De kerk dient ze op alle mogelijke manieren, ze laten godverdomme geen hond toe, vooral vrouwen niet. Terwijl de vrouwen werken en regelen en mogen wachten op hun beloning in de hemel. Ik ben het spuugzat. Dit geeft werkelijk signalen af over de houding van de kerk tegenover mannen en vrouwen, maar nu zal ik ze, verdomme!’
‘God, wat ben je aan het vloeken.’
Mildred draait zich om naar Lisa.
‘Dat zou jij ook moeten doen!’ zegt ze.
MAGNUS LINDMARK STOND IN DE AVONDSCHEMERING ACHTER ZIJN keukenraam. Hij had de lampen niet aangedaan. Alle contouren en voorwerpen binnen en buiten waren vaag geworden, begonnen op te lossen, werden langzaamaan opgeslokt door de duisternis.
Toch zag hij duidelijk dat jachtleider Lars-Gunnar Vinsa en Torbjörn Ylitalo lopend over de landweg naar zijn huis kwamen. Hij bleef verdekt opgesteld achter de gordijnen staan. Wat wilden ze in godsnaam? En waarom kwamen ze niet met de auto? Hadden ze hun auto’s een eindje verderop geparkeerd en kwamen ze het laatste stuk lopend? Waarom dat? Een sterk onbehagen maakte zich van hem meester.
Wat ze ook zouden willen, hij zou hun eens goed duidelijk maken dat hij geen tijd had. In tegenstelling tot die twee had hij namelijk een baan. Ja, tuurlijk, Torbjörn Ylitalo was houtvester, maar werken – nee, dat deed hij niet, dat kon niemand beweren.
Zo vaak kreeg Magnus Lindmark tegenwoordig geen bezoek, nu Anki ervandoor was met de jongens. Toen had hij het strontvervelend gevonden met al haar familieleden en de vriendjes van zijn zoontjes. Het was zijn stiel niet om te huichelen en beleefd te grijnzen. Dus uiteindelijk gingen haar zussen en vrienden ervandoor als hij thuiskwam. Dat was hem heel goed uitgekomen. Hij vond het maar een gedoe als mensen urenlang zaten te zeiken. Hadden ze niets beters te doen?
Nu stonden ze op de veranda bij de voordeur aan te kloppen. Magnus’ auto stond buiten, dus hij kon niet doen alsof hij niet thuis was.
Torbjörn Ylitalo en Lars-Gunnar Vinsa stapten naar binnen zonder te wachten tot Magnus de deur open zou doen. Nu stonden ze in de keuken.
Torbjörn Ylitalo deed de keukenlamp aan.
Lars-Gunnar keek om zich heen. Magnus zag plotseling zelf zijn keuken.
‘Het is een beetje… Er is zoveel gebeurd,’ zei hij.
De gootsteen puilde uit van muffe afwas en oude melkpakken. Twee papieren tassen vol natte lege blikjes naast de deur. Kleren die hij op de grond had gedumpt voor hij ging douchen; hij had ze in de bijkeuken moeten gooien. De tafel overvol gestouwd met reclame, post, oude kranten en een yoghurtkom waarin de yoghurt was opgedroogd en gebarsten. Op het aanrecht naast de magnetron lag een uit elkaar gehaalde buitenboordmotor die hij een keertje zou repareren.
Magnus bood het aan, maar geen van hen wilde koffie. Ook geen biertje. Magnus nam zelf een pilsje, zijn vijfde vanavond.
Torbjörn wond er geen doekjes om:
‘Wat loop jij aan de politie te vertellen?’ vroeg hij zich af.
‘Hoe bedoel je?’
De ogen van Torbjörn Ylitalo versmalden zich. De houding van Lars-Gunnar Vinsa kreeg iets dreigends.
‘Doe je niet dommer voor dan je bent, ventje,’ zei Torbjörn. ‘Dat ik de dominee had willen afschieten.’
‘Ach, wat een gelul! Die politietrut lult uit haar nek, ze…’
Verder kwam hij niet. Lars-Gunnar had een stap naar voren gedaan en gaf hem een draai om zijn oren – het was net een oorvijg van een grizzlybeer.
‘Sta ons hier niet midden in ons gezicht voor te liegen!’
Magnus knipperde even met zijn ogen en bracht zijn hand naar zijn gloeiende wang.
‘Jezus christus,’ jammerde hij.
‘Ik heb je gedekt,’ zei Lars-Gunnar. ‘Je bent een ontzettende loser, dat heb ik altijd gevonden. Maar vanwege je vader mocht je bij de jachtploeg. En mocht je blijven, ondanks de rotzooi die je uitvrat.’
Even schitterde er verzet in Magnus.
‘Hoezo? Ben jij een beter mens of zo? Ben jij chiquer dan ik?’
Nu gaf Torbjörn hem een duw tegen zijn borst. Magnus wankelde achteruit, stootte de achterkant van zijn dij tegen het aanrecht.
‘Nu moet je eens heel goed luisteren, mannetje!’
‘Ik heb veel van je door de vingers gezien,’ vervolgde Lars-Gunnar. ‘Dat je buiten rondhing en met je vrienden je nieuwe geweer inwijdde door op verkeersborden te schieten. Die enorme vechtpartij in de jachthut twee jaar geleden. Je kunt niet tegen drank, drinkt toch en doet dan ongelooflijk stomme dingen.’
‘Jezus, die vechtpartij, het was toch Jimmy’s neef die…’
Opnieuw een stomp van Torbjörn tegen zijn borst. Magnus liet zijn blikje bier op de grond vallen. Daar bleef het liggen. Het bier liep over de vloer.
Lars-Gunnar wiste het zweet van zijn voorhoofd. Het gutste van zijn wenkbrauwen over zijn wangen naar beneden.
‘En dan die godgeklaagde jonge katjes…’
‘Verdomme, ja,’ viel Torbjörn hem bij.
Magnus lachte enigszins schaapachtig en aangeschoten.
‘Jezus zeg, een stelletje katten…’
Lars-Gunnar sloeg hem in het gezicht. Gebalde vuist. Recht op zijn neus. Het gevoel alsof zijn gezicht barstte. Het bloed stroomde warm over zijn mond.
‘Kom op,’ bulderde Lars-Gunnar. ‘Hier, hier.’
Hij wees naar zijn eigen kin.
‘Kom op dan! Hier! Nu heb je de kans eens met een echte vent te vechten. Vrouwen slaan, dat kun je. Wat ben jij een godgeklaagd gênante figuur. Kom op, lafbek!’
Hij vormde beide handen tot haken waarmee hij Magnus naar zich toe wenkte, stak zijn kin naar voren als lokaas.
Magnus hield zijn rechterhand onder zijn bloedneus; het bloed liep de mouwen van zijn overhemd in. Hij wuifde afwerend met zijn linkerhand.
Plotseling zocht Lars-Gunnar steun bij de keukentafel, leunde er zwaar tegenaan.
‘Ik ga naar buiten,’ zei hij tegen Torbjörn Ylitalo. ‘Voor ik een ongeluk bega.’
Voordat hij door de deur verdween, draaide hij zich om.
‘Je kunt aangifte doen als je wilt,’ zei hij. ‘Mij kan het niet schelen. Dat is precies wat ik van jou verwacht.’
‘Maar dat doe je niet,’ zei Torbjörn Ylitalo toen Lars-Gunnar weg was. ‘En nu hou je sowieso je bek met die praatjes van je over mij en de jachtploeg. Hoor je me?’
Magnus knikte.
‘Als ik weer iets te horen krijg over jouw roddelende losse lippen dan zal ik er persoonlijk op toezien dat je daar spijt van krijgt. Begrepen?’
Magnus knikte weer. Hij had zijn hoofd in zijn nek gelegd, zodat zijn neus zou stoppen met bloeden. Nu stroomde het bloed echter zijn keel in, een ijzersmaak.
‘De pachtovereenkomst zal rondom de jaarwisseling verlengd worden,’ vervolgde Torbjörn. ‘Als er allemaal gezeur en geruzie van komt… ja, wie weet. Er is in deze wereld niets zeker. Je hebt je plaats in de ploeg, maar je moet je gedragen.’
Ze waren een tijdje stil.
‘Nou, zorg dat je er wat ijs op legt,’ zei Torbjörn ten slotte.
Toen ging hij ook weg.
Op het trappetje zat Lars-Gunnar Vinsa met zijn hoofd in zijn handen.
‘Kom op, we gaan,’ zei Torbjörn Ylitalo.
‘Shit,’ zei Lars-Gunnar. ‘Maar mijn vader sloeg mijn moeder, weet je. Dus ik raak door het dolle heen… Ik had hem dood moeten meppen – mijn vader, bedoel ik. Weet je, toen ik de politieschool had afgemaakt en terugverhuisde naar het dorp, probeerde ik haar zover te krijgen dat ze van hem ging scheiden. Maar in de jaren zestig was je gedwongen eerst met de dominee te praten. En die klootzak haalde haar over om bij haar man te blijven.’
Torbjörn Ylitalo keek uit over de dichtgegroeide wei die grensde aan Magnus Lindmarks grond.
‘Kom,’ zei hij.
Lars-Gunnar Vinsa stond moeizaam op.
Hij dacht aan die dominee. Zijn glimmende, haarloze schedel. Zijn nek als een stapel worstplakken. Goddomme. Zijn moeder had daar gezeten met haar mooie mantel aan. Haar tas op schoot. Lars-Gunnar zat als steun naast haar. De dominee had licht geglimlacht. Alsof het verdomme een grapje was. ‘Mevrouwtje,’ had de dominee tegen haar gezegd. Zijn moeder was net vijftig geworden. Ze zou nog meer dan dertig jaar leven. ‘Kunt u zich niet beter met uw echtgenoot verzoenen?’ Naderhand was ze heel stil geweest. ‘Dat is nu geregeld,’ had Lars-Gunnar gezegd. ‘Nu heb je met de dominee gesproken, nu kun je van hem scheiden.’ Maar zijn moeder had haar hoofd geschud. ‘Het gaat beter nu jullie kinderen uit huis zijn,’ had ze geantwoord. ‘En hoe zou hij zich anders moeten redden?’
Magnus Lindmark zag de twee mannen over de weg verdwijnen. Hij deed de vriezer open en zocht. Hij vond een plastic zakje met ingevroren gehakt, ging op de bank in de woonkamer liggen met een nieuw biertje en het bevroren gehakt tegen zijn neus en zette de tv aan. Er was een documentaire over dwergen, die arme stakkers.
REBECKA MARTINSSON KOOPT EEN PAKKETJE ETEN VAN MIMMI. ZE IS op weg naar Kurravaara. Misschien blijft ze daar vannacht slapen. Met Nalle voelde het prima om er te zijn. Nu gaat ze het alleen proberen. Ze zal de sauna opwarmen en in de rivier springen. Ze weet hoe het zal voelen. Koud water, scherpe stenen onder haar voeten. Het heftige inademen als je erin springt, de snelle slagen. En dat onverklaarbare gevoel één te zijn met alle leeftijden van jezelf. Als zesjarige, als tienjarige, als dertienjarige is ze daar het water in gesprongen, heeft ze daar gezwommen, totdat ze uit Kiruna vertrok. Het zijn dezelfde grote stenen, dezelfde kustlijn. Dezelfde kille avondlucht van de herfst die als een rivier van lucht over de rivier van water stroomt. Het is net een Russische pop waar alle onderdelen eindelijk in elkaar passen en waarvan het bovenen onderdeel in elkaar gedraaid kunnen worden, terwijl je weet dat zelfs het allerkleinste poppetje daarbinnen veilig opgeborgen zit.
Daarna zal ze haar avondeten in haar eentje in de keuken nuttigen, terwijl ze televisie kijkt. Ze kan de radio aan laten staan als ze afwast. Misschien komt Sivving langs als hij ziet dat er licht brandt.
‘Dus je bent vandaag met Nalle op avontuur geweest?’
Micke, de eigenaar van het eetcafé, stelt de vraag. Hij heeft aardige ogen. Die vallen moeilijk te rijmen met zijn getatoeëerde, opgepompte armen, zijn baardje en het ringetje in zijn oor.
‘Ja,’ antwoordt ze.
‘Leuk. Mildred en hij gingen vaak samen op pad.’
‘Ja,’ zegt ze.
Ik heb iets voor haar gedaan, denkt ze.
Nu komt Mimmi met Rebecka’s bakje eten uit de keuken.
‘Morgenavond,’ zegt Micke, ‘zou je hier dan willen komen bijverdienen? Het is zaterdag, iedereen is terug van vakantie, de scholen zijn begonnen, er zullen veel mensen komen. Vijftig kronen per uur, van acht tot een, plus fooi.’
Rebecka kijkt hem stomverbaasd aan.
‘Prima,’ zegt ze, en ze valt weer stil door zijn geamuseerde gezicht. ‘Waarom niet?’
Ze gaat weg. Voelt zich vol baldadigheid.
Gele Poten
NOVEMBER. HET OCHTENDLICHT KOMT GRAUW EN TRAAG. HET heeft die nacht gesneeuwd en er dwarrelen nog steeds vederlichte vlokken naar beneden in het witte woud. Ergens klinkt het geluid van een raaf.
De roedel wolven slaapt, volledig bedekt door sneeuw, in een klein dal. Zelfs hun oren steken niet omhoog. Op één na hebben alle welpen de zomer overleefd. Nu heeft de roedel elf leden.
Gele Poten staat op en schudt de sneeuw van zich af. Snuffelt. De sneeuw heeft zich als een deken over alle oude geursporen gelegd, heeft de lucht en de grond schoongeveegd. Ze spitst haar zintuigen. Het scherpe oog. Het wakkere oor. En daar. Ze hoort het geluid van een eland die opstaat uit zijn nachtleger en de sneeuw van zich af schudt. Hij bevindt zich een kilometer verderop. De honger maakt zich kenbaar als een pijnlijke holte in haar maag. Ze wekt de anderen en gebaart. Ze zijn met velen nu en kunnen daardoor op grotere prooi jagen.
Een eland is een gevaarlijk soort wild. Hij heeft sterke achterpoten en scherpe hoeven. Hij kan met gemak haar kaak wegtrappen, als was het een takje. Maar Gele Poten is een bekwame jager. En onverschrokken.
De roedel begeeft zich op een drafje in de richting van de eland. Ze vangen het geurspoor snel op. Met geïrriteerd, zacht gekef en gehap worden de welpen, die nu zeven maanden zijn, gemaand om achter de rest van de roedel te blijven. Ze zijn al begonnen klein wild te vangen, maar bij deze jachttocht mogen ze alleen als toeschouwer meedoen. Ze weten dat er iets groots gaande is en trillen van ingehouden opwinding. De ouderen sparen hun krachten. Alleen de af en toe in de lucht gestoken snuiten verraden dat dit geen normale verplaatsing is, maar het begin van een inspannende jachtpartij. Het is waarschijnlijker dat die mislukt dan slaagt, maar Gele Poten heeft iets resoluuts in haar tred. Ze werkt tegenwoordig steeds hard voor de gemeenschap, ze durft de groep niet te verlaten om, zoals vroeger, alleen trektochten te ondernemen. Ze heeft het gevoel dat ze verdreven wordt uit de gemeenschap. Op een dag zal het haar misschien niet toegestaan worden bij hen terug te keren. Haar halfzus, het alfawijfje, houdt haar erg kort. Gele Poten benadert het leiderspaar structureel met gebogen achterpoten en een gekromde rug om hun haar onderwerping te tonen. Haar achterste sleept over de grond. Ze kruipt en likt hun mondhoeken. Ze is de beste jager van de roedel, maar dat helpt niet meer. Ze redden zich prima zonder haar en ergens weten ze allemaal dat haar dagen geteld zijn.
Puur fysiek gezien is Gele Poten superieur. Ze is snel en langbenig. Het grootste wijfje van de roedel. Maar ze heeft geen leiderskarakter. Houdt ervan zelfstandig uitstapjes te maken, weg van de roedel. Houdt niet van ruzie en leidt de aandacht graag van stennis af door zich uit te sloven en de onruststokers tot spel te verleiden. Haar halfzus daarentegen komt overeind na haar dutje om zich uit te rekken en kijkt tegelijkertijd om zich heen met een keiharde vraag in haar blik: Zo, is er iemand die van plan was vandaag ruzie met mij te zoeken? Ze is compromisloos en onbevreesd. Je past je aan of je smeert ’m, dat zullen haar jongen snel leren. Ze zou nooit aarzelen om te doden als er heibel kwam. Met haar in het leiderpaar moeten rivaliserende roedels heel goed opletten niet op hun territorium te komen. Haar rusteloosheid krijgt de hele roedel op de been om op jacht te gaan naar een prooi of zich te verplaatsen om het territorium uit te breiden.
Nu heeft de eland lucht gekregen van de roedel. Het is een jonge stier. Ze horen het gekraak van takken die breken als hij snelheid maakt in het bos. Gele Poten versnelt haar pas tot een galop. De verse sneeuw is niet diep; het gevaar dat de eland van hen wegrent, is groot. Gele Poten maakt zich los van de anderen en rent in een halve cirkel om hem de pas af te snijden.
Na twee kilometer haalt de roedel hem in. Gele Poten heeft hem tot staan weten te brengen, doet kleine uitvallen, maar blijft uit de buurt van de hoeven en het gewei. De anderen stellen zich op rondom het grote dier. De stier stampt rond, klaar om zich te verdedigen tegen de eerste die zich waagt aan een uitval. Het wordt een van de mannetjes. Hij bijt zich iets onder de knie vast. De eland rukt zich los. Het is een grote wond, spieren en pezen zijn gescheurd. Maar de wolf trekt zich niet snel genoeg terug en de eland schopt hem omver, zodat hij achteruitrolt. Als hij weer op de been is, strompelt hij een beetje. Er zijn twee ribben gebroken. De andere wolven trekken zich enkele passen terug en de eland weet uit te breken. Bloedend uit zijn poot verdwijnt hij in het kreupelhout.
Hij heeft te veel kracht over. Ze kunnen hem het best bloedend laten lopen, zodat hij zich uit zal putten. De wolven zetten de achtervolging op hun prooi in. Met bedaarde tred deze keer. Geen haast. Ze zullen dat grote beest snel weer inhalen. De geschopte wolf strompelt in hun kielzog. Om te overleven zal hij de komende tijd volledig afhankelijk zijn van het geluk in de jacht van de anderen. Als de buit te klein is, zal er voor hem niet veel meer dan wat botten overblijven als hij aan de beurt is om te eten. Als ze te lang onderweg zijn tijdens de jacht, zal hij niet genoeg kracht hebben om ze te volgen. Als de sneeuw diep wordt, zal het pijnlijk worden om vooruit te komen.
Vijf kilometer verderop valt de roedel opnieuw aan. Nu is het Gele Poten die het zware werk doet. Ze loopt in galop op kop. De afstand tussen de roedel en de eland wordt snel kleiner. De anderen lopen zo dicht op haar dat haar achterpoten hun koppen kunnen voelen. Het enige wat er is, is die grote. Zijn bloed in haar neus. Ze hebben hem ingehaald. Ze gaat aan zijn rechterachterpoot hangen. Dat is het gevaarlijkste ogenblik; ze laat niet los en het moment daarop hangt er ook een wolf aan zijn andere poot. Een ander neemt de houdgreep van Gele Poten bliksemsnel over als ze loslaat. Ze neemt een snelle sprong naar voren en klapt haar kaken dicht om de strot van de eland. De eland valt op zijn knieën in de sneeuw. Gele Poten trekt aan zijn nek. Het grote dier probeert zijn krachten te mobiliseren om op te staan. Strekt zijn kop naar de hemel. Het alfamannetje bijt in zijn snuit en trekt zijn kop naar de grond. Gele Poten krijgt opnieuw grip rond de nek en scheurt zijn strot open.
Het leven vloeit snel uit de eland weg. De sneeuw kleurt rood. De welpen krijgen een teken: ga je gang. Ze komen aangestormd en storten zich op het stervende dier, mogen delen in de triomf van de jacht, sjorren aan poten en snuit. De oudere wolven rijten de stier met hun sterke kaken in stukken. Het lichaam dampt in de ochtendkou.
In de bomen boven hen verzamelen zich zwarte vogels.