Zaterdag 9 september
ANNA-MARIA MELLA KEEK DOOR HET KEUKENRAAM NAAR BUITEN. De buurvrouw nam de vensterbanken aan de buitenkant van het huis af. Alweer! Ze deed het één keer per week. Anna-Maria was nooit bij hen binnen geweest, maar ze stelde zich voor dat alles daar opgeruimd, stofvrij en bovendien knus gemaakt was.
De ijver van de buren met huis en tuin. Het eeuwige gekruip op de knieën op zoek naar paardebloemen. Het nauwgezette sneeuwruimen en de perfect gevormde sneeuwwallen. Ramen lappen. Gordijnen verwisselen. Soms vervulde het Anna-Maria met onredelijke ergernis. Soms met medelijden. En nu met een soort jaloezie. Het hele huis een keertje opgeruimd hebben, dat zou wat zijn.
‘Nu neemt ze de vensterbanken alweer af,’ zei ze tegen Robert.
Robert bromde vanachter de sportpagina’s en zijn koffiekop. Gustav zat voor het pannenkastje en trok alles wat erin zat naar buiten.
Anna-Maria voelde een trage golf van onvrede over zich heen komen. Ze zouden aan de slag gaan met de zaterdagschoonmaak. Maar zij was degene die daar het initiatief toe moest nemen. De mouwen oprollen en de anderen zover zien te krijgen. Marcus logeerde bij Hanna. Hij probeerde zich te drukken. Ze zou natuurlijk blij moeten zijn dat hij een vriendinnetje had, en vrienden. De ergste nachtmerrie was wel dat de kinderen zonderlingen waren die buitengesloten werden. Maar die kamer!
‘Vandaag mag jij tegen Marcus zeggen dat hij op moet ruimen,’ zei ze tegen Robert. ‘Ik heb de energie niet om te blijven zeuren.’
‘Hallo!’ zei ze na een tijdje. ‘Besta ik nog?’
Robert keek op van zijn krant.
‘Je kunt toch wel antwoord geven. Dan weet je tenminste of iemand geluisterd heeft of niet.’
‘Ja, ik zal het tegen hem zeggen,’ zei Robert. ‘Waarom klink je zo?’
Anna-Maria vermande zich.
‘Sorry,’ zei ze. ‘Het is alleen… Nou ja, die rottige kamer van Marcus. Ik ben bang. Ik denk dat het echt gevaarlijk is om daar naar binnen te gaan. Ik ben in junkiehokken geweest die, nou ja, hiermee vergeleken zo uit een woontijdschrift kwamen.’
‘Pratende, verstofte klokhuizen…’ zei hij.
‘Ze jagen me de stuipen op het lijf.’
‘… dansen stoned in de dampen van een gegiste bananenschil. We moeten hamsterkooitjes aanschaffen voor onze nieuwe vrienden.’
Het is het best het ijzer te smeden als…
‘Als jij de keuken doet, begin ik boven,’ stelde Anna-Maria voor.
Het was maar beter ook. Op de bovenverdieping was het een enorme chaos. De vloer van hun slaapkamer was volgestouwd met vuile was en halfvolle plastic zakjes en tassen van hun vakantie, die nog steeds niet waren uitgepakt. De vensterbanken waren bedekt met dode insecten en bloemblaadjes. De wc was een drama. En de kamers van de kinderen…
Anna-Maria zuchtte. Sorteren en ontginnen was niet Roberts sterkste kant. Het zou hem een eeuwigheid kosten. Hij kon beter het fornuis afnemen, de afwas doen en de benedenverdieping stofzuigen.
Het was intens treurig, vond ze. Duizenden keren hadden ze al afgesproken dat ze de wekelijkse schoonmaak voortaan op donderdagavond zouden doen. Dan zou het opgeruimd en gezellig zijn als de vrijdagmiddag aanbrak en het weekend begon. Vrijdags zouden ze dan wat lekkers kunnen eten, het weekend zou langer worden, de zaterdagen zouden aan iets leukers besteed kunnen worden en ze zouden met z’n allen bij elkaar zijn en zo, in- en ingelukkig in het goed opgeruimde huis.
Maar het ging altijd zo. Op donderdag was je volkomen afgepeigerd, opruimen kwam niet meer op je lijstje voor. Vrijdag deed je je ogen dicht voor de bende, huurde een film, waarbij je altijd in slaap viel, en vervolgens ging de zaterdag op aan schoonmaken, je halve weekend verpest. Soms kwam het er niet van voor het zondag was, en dan begon de opruimdienst meestal met een uitbarsting van haar kant.
En al die dingen die nooit gedaan werden. De bergen was in de bijkeuken; ze wist het nooit bij te benen, het was onmogelijk. Al die weerzinwekkende klerenkasten. De laatste keer dat ze haar hoofd in Marcus’ kast had gestoken – ze had hem geholpen naar een of ander kledingstuk te zoeken – had ze een hoop wollen truien en andere zooi opgetild en toen was er een smal kruipdiertje weggeglipt; het was verdwenen in de onderliggende lagen. Ze wilde er niet aan denken. Wanneer had ze het schot voor de badkuip voor het laatst opgetild? Al die keukenlades vol schroot. Hoe konden alle andere mensen er tijd voor hebben? En energie?
Haar werktelefoon speelde zijn melodietje in de hal. Op de display een nummer uit Stockholm dat ze niet kende.
Het was een man die zich voorstelde als Christer Elsner, hoogleraar godsdienstwetenschap. Het ging over dat symbool waar de politie van Kiruna naar had geïnformeerd.
‘En?’ zei Anna-Maria.
‘Helaas heb ik het symbool niet kunnen vinden. Het lijkt op het alchemistische teken voor proef of beproeven, maar die haak die verdergaat door de halve cirkel onderscheidt het teken ervan. De halve cirkel staat vaak voor het onvolmaakte of soms voor het menselijke.’
‘Dus het bestaat niet?’ vroeg Anna-Maria teleurgesteld.
‘Ja, nu komen we meteen bij de moeilijke vragen,’ zei de hoogleraar. ‘Wat bestaat? Wat bestaat niet? Bestaat Donald Duck?’
‘Nee,’ zei Anna-Maria. ‘Hij bestaat alleen in je fantasie.’
‘In je hoofd?’
‘Ja. En in dat van anderen, maar niet in de werkelijkheid.’
‘Hmm. Hoe zit het dan met liefde?’
Anna-Maria lachte verwonderd. Er ging een aangenaam gevoel door haar heen. Ze werd opgewekt doordat ze voor één keertje een nieuwe gedachte kreeg.
‘Nu wordt het lastig,’ zei ze.
‘Ik heb het symbool niet kunnen vinden, maar ik zoek in het verleden. Alle symbolen ontstaan natuurlijk een keer. Dit teken kan nieuw zijn. Er zijn veel symbolen binnen bepaalde muziekgenres. Net zoals binnen bepaalde literaire genres, fantasy en zo.’
‘En wie heeft verstand van dat soort dingen?’
‘Muziekrecensenten. Wat boeken betreft, er is hier in Stockholm een goedgesorteerde boekhandel voor sciencefiction en fantasy en dergelijke, in Gamla Stan.’
Ze hingen op. Anna-Maria vond het jammer. Ze had graag verder gepraat. Alhoewel, wat had ze tegen hem moeten zeggen? Je zou een tijdje in zijn hond moeten veranderen. Dan zou hij met zijn hond gaan wandelen in het bos en vertellen over zijn laatste gedachten en ideeën. Dat deden veel mensen, praten tegen hun hond. Anna-Maria, die op dat moment zijn hond was, zou kunnen luisteren, zonder zich gedwongen te voelen intelligente replieken te geven.
Ze ging de keuken in. Robert had nog geen vin verroerd.
‘Ik moet even naar m’n werk,’ zei ze. ‘Over een uurtje ben ik weer terug.’
Ze overwoog even of ze hem zou vragen vast te beginnen met de schoonmaak, maar ze deed het niet. Hij zou het toch niet doen. En als ze hem er dan om had gevraagd, zou ze zo boos en teleurgesteld worden als ze terugkwam en hem hier zittend aan de keukentafel aan zou treffen, op precies dezelfde manier als toen ze wegging.
Ze gaf hem een afscheidskus. Het was beter geen ruzie te hebben.
Tien minuten later was Anna-Maria op haar werk. In haar postvakje lag een fax van het forensisch laboratorium uit Linköping. Ze hadden heel veel vingerafdrukken gevonden op de tekening van Mildred Nilsson. Ze zouden hem nauwkeuriger onderzoeken. Dat zou een paar dagen duren.
Ze belde de telefonische inlichtingendienst en vroeg naar het nummer van een sciencefictionboekhandel die ergens in Gamla Stan moest liggen. De man van de inlichtingendienst vond het direct en verbond haar door.
Ze vertelde de vrouw die opnam waarvoor ze belde en beschreef het teken.
‘Sorry,’ zei de boekhandelaar. ‘Ik kan niet direct iets bedenken. Maar fax een plaatje, dan zal ik het een paar klanten vragen.’
Anna-Maria beloofde dat te doen, bedankte voor de hulp en hing op.
Op het moment dat ze de telefoon neerlegde, ging hij over. Ze pakte de hoorn weer op. Het was Sven-Erik Stålnacke.
‘Je moet komen,’ zei hij. ‘Het gaat over die dominee Stefan Wikström.’
‘Ja?’
‘Hij is verdwenen.’
KRISTIN WIKSTRÖM STOND ONTROOSTBAAR TE HUILEN IN DE KEU-ken van de pastorie in Jukkasjärvi.
‘Hier!’ schreeuwde ze tegen Sven-Erik Stålnacke. ‘Hier is Stefans paspoort. Hoe kunnen jullie daarom vragen? Hij is er niet vandoor, dat zeg ik toch? Zou hij zijn gezin in de steek laten? Hij is de liefste… Ik zeg toch dat hem iets is overkomen!’
Ze smeet het paspoort op de grond.
‘Ik begrijp het,’ zei Sven-Erik, ‘maar we moeten dit toch van het begin af aan doornemen. Ga even zitten.’
Het was net alsof ze hem niet hoorde. Ze liep vertwijfeld in de keuken rond, stootte tegen meubels en bezeerde zich. Op de keukenbank zaten twee jongens van vijf en tien; ze waren samen iets met lego aan het bouwen op een groene plaat en ze leken niet erg onder de indruk van de wanhoop van hun moeder of de aanwezigheid van Sven-Erik en Anna-Maria in de keuken.
Kinderen, dacht Anna-Maria. Ze kunnen alles een plek geven.
Opeens leken de problemen van Robert en haar ontzettend onbeduidend.
En wat dan nog dat ik meer schoonmaak dan hij, dacht ze.
‘Hoe moet het verder?’ riep Kristin. ‘Hoe moet ik het nu redden?’
‘Hij is vannacht dus niet thuis geweest,’ zei Sven-Erik. ‘Weet je dat zeker?’
‘Hij heeft niet in bed gelegen,’ jammerde ze. ‘Ik verschoon de bedden altijd op vrijdag en zijn kant is onbeslapen.’
‘Misschien kwam hij laat thuis en is hij op de bank gaan slapen?’ opperde Sven-Erik.
‘We zijn getrouwd! Waarom zou hij niet bij mij slapen?’
Sven-Erik Stålnacke was naar de pastorie in Jukkasjärvi gegaan om Stefan Wikström wat vragen te stellen over de reis die de familie Wikström op kosten van de stichting had gemaakt. Hij was ontvangen door zijn ontzette echtgenote. ‘Ik wilde de politie net bellen,’ had ze gezegd.
Het eerste wat hij had gedaan, was de sleutel van de kerk lenen en erheen rennen. Er had geen dode predikant vanaf de orgelgalerij naar beneden gehangen. Sven-Erik was genoodzaakt geweest even in een kerkbank te gaan zitten, zo opgelucht was hij. Vervolgens had hij het bureau gebeld, zodat de andere kerken van de stad gecheckt konden worden. Daarna had hij Anna-Maria gebeld.
‘We hebben de nummers van de bankrekening van je man nodig. Heb je die ergens?’
‘Wat is er met jullie aan de hand? Horen jullie me niet? Jullie moeten op pad om hem te zoeken. Er is iets gebeurd! Hij zou nooit… Hij ligt misschien…’
Ze hield haar mond en staarde naar haar zoons. Daarna stormde ze naar buiten. Sven-Erik ging haar achterna. Anna-Maria maakte van de gelegenheid gebruik om wat rond te kijken.
Ze opende snel de laden in de keuken. Geen portemonnee. Geen van de jassen in de hal bevatte een portemonnee. Ze ging naar de bovenverdieping. Het was inderdaad zo als Kristin Wikström had gezegd: de ene helft van het tweepersoonsbed was onbeslapen.
Vanuit de slaapkamer kon ze de aanlegplaats van de boot van Mildred Nilsson zien. De plaats waar ze was vermoord.
En toen was het licht, dacht Anna-Maria. De nacht voor midzomer.
Geen polshorloge op zijn nachtkastje.
Zijn horloge en portemonnee had hij waarschijnlijk bij zich gehad.
Ze ging weer naar beneden. Een van de kamers bleek Stefans werkkamer te zijn. Ze trok aan de bureaulades. Ze zaten op slot. Na even zoeken vond ze de sleutel achter wat boeken op de boekenplank. Ze deed de lades open. Er zat niet veel in. Een paar brieven, die ze vlug doorkeek. Geen enkele leek met hem en Mildred te maken te hebben. Geen ervan was van een eventuele minnares. Ze keek verholen uit het raam. Sven-Erik en Kristin stonden in de tuin te praten. Mooi.
Gewoonlijk zouden ze het een paar dagen hebben aangezien. Meestal ging het toch om vrijwillige verdwijningen.
Een seriemoordenaar, dacht Anna-Maria. Als we hem dood vinden, hebben we met een seriemoordenaar te maken. Dan weten we het.
Buiten in de tuin was Kristin Wikström neergezegen op een tuinbank. Sven-Erik peuterde informatie uit haar los over van alles en nog wat. Wie ze konden bellen om de kinderen op te vangen. Namen van Stefan Wikströms goede vrienden en familieleden; misschien wist een van hen meer dan zij. Of ze een buitenhuisje hadden. Of het gezin meer auto’s had dan die voor het huis geparkeerd stond.
‘Nee,’ snotterde Kristin. ‘Zijn auto is weg.’
Tommy Rantakyrö belde om te melden dat ze klaar waren met het checken van de kerken en kappellen. Geen dode predikant.
Een grote kat kwam zelfverzekerd over het grindpad naar het huis gekuierd. De vreemdeling in de tuin keurde hij nauwelijks een blik waardig. Hij wijzigde zijn koers niet en sloop ook het hoge gras niet in. Hij zakte misschien iets verder door zijn poten, met zijn staart wat lager. Hij was donkergrijs. Zijn vacht was lang en zacht, wekte een bijna donzige indruk. Sven-Erik vond hem er onbetrouwbaar uitzien. Een platte kop, gele ogen. Als zo’n joekel van een beest Manne had aangepakt, had hij geen schijn van kans gehad.
Sven-Erik zag voor zich hoe Manne zich op katachtige wijze ergens gedeisd hield, misschien in een greppel, of onder een huis. Flink toegetakeld en verzwakt. Uiteindelijk zou hij een makkelijke prooi vormen voor een vos of een jachthond, hoefde alleen zijn ruggengraat nog gebroken te worden – pats.
Anna-Maria’s hand raakte zacht zijn schouder aan. Ze gingen een stukje verderop staan. Kristin Wikström keek strak voor zich uit. Haar rechtervuist gebald voor haar gezicht; ze beet in haar wijsvinger.
‘Wat vind jij?’ vroeg Anna-Maria.
‘We vaardigen een opsporingsbevel uit,’ zei Sven-Erik, terwijl hij naar Kristin Wikström keek. ‘Ik heb hier een bijzonder slecht gevoel over. Landelijk, om mee te beginnen. De douane ook. We checken de vliegtuigen, zijn bankrekening en zijn mobieltje. Verder zullen we met zijn collega’s, vrienden en familieleden moeten praten.’
Anna-Maria knikte.
‘Dat wordt overwerk.’
‘Ja, maar wat kan de officier daar in godsnaam tegen inbrengen? Als de pers hier lucht van krijgt, dan…’
Sven-Erik spreidde zijn handen in een hulpeloos gebaar.
‘We moeten haar ook naar de brieven vragen,’ zei Anna-Maria. ‘Die ze aan Mildred heeft geschreven.’
‘Maar niet nu,’ zei Sven-Erik resoluut. ‘Pas als er iemand is geweest om de jongens op te halen.’
MICKE KIVINIEMI KEEK VANAF ZIJN STRATEGISCHE POSITIE ACHTERde bar uit over het eetcafé. Koning van zijn rijk. Zijn lawaaierige, kletterende rijk dat rook naar eten, sigarettenrook, bier en aftershave met een basisgeur van zweet. Hij tapte aan de lopende band bier, tussendoor af en toe een glas rode wijn, of zelfs witte, of een whisky. Mimmi rende als een circusrat tussen de tafels door en kibbelde liefdevol met de klanten, terwijl ze met het doekje veegde en bestellingen opnam. ‘Kippenstoofpot of lasagne, dat hebben we,’ hoorde hij haar zeggen.
De tv in de hoek stond aan en achter de bar speelde de geluidsinstallatie. Rebecka Martinsson zwoegde in de keuken. Eten in en uit de magnetron. Ze haalde kratten met vuile glazen vanachter de bar en kwam terug met schone. Het was net een fijne film. Alle vervelende dingen voelden ver weg: de belastingdienst, de bank, de maandagochtenden waarop hij wakker werd met het gevoel moe te zijn tot in zijn merg en dan ging liggen luisteren naar de ratten die in de afvalbakken rondwroetten.
Als Mimmi nou maar een klein beetje jaloers had kunnen worden omdat hij Rebecka Martinsson werk had gegeven, zou het helemaal perfect zijn. Maar ze had het simpelweg prima gevonden. Hij had zichzelf ervan weerhouden iets te zeggen in de trant van dat Rebecka Martinsson iets nieuws was om naar te kijken voor de kerels. Mimmi zou niets gezegd hebben, maar hij had het gevoel dat ze ergens goed verborgen een klein doosje had. In dat doosje verzamelde ze zijn vergissingen en missers, en op een dag, als het doosje vol zat, zou ze haar spullen pakken en vertrekken. Zonder waarschuwing vooraf. Alleen meisjes wie het iets kon schelen, waarschuwden vooraf.
Maar nu, nu was zijn rijk vol leven als een mierenhoop in de lente.
Dit is werk dat ik aankan, dacht Rebecka Martinsson, terwijl ze de waterstraal over de borden liet kletteren voor het krat de machine in ging.
Je hoefde niet voortdurend na te denken en je te concentreren. Alleen maar tillen, zwoegen en doorwerken. Tempo houden. Ze was zich er niet van bewust hoe ze met haar hele gezicht glimlachte toen ze een krat met schone glazen naar Micke sjouwde.
‘Gaat-ie goed?’ vroeg hij, terwijl hij terugglimlachte.
Ze voelde haar telefoon brommen in de zak van haar schort en haalde hem te voorschijn. Dat kon Maria Taube onmogelijk zijn. Ze werkte weliswaar aan één stuk door, maar niet op zaterdagavond. Dan ging ze uit en werd ze op drankjes getrakteerd.
Måns’ nummer op de display. Haar hart sprong over.
‘Rebecka,’ brulde ze in het toestel, terwijl ze haar hand tegen haar oor gedrukt hield om beter te kunnen horen.
‘Måns,’ brulde Måns Wenngren terug.
‘Wacht even,’ riep ze. ‘Een momentje, het is hier zo’n lawaai.’
Ze draafde het eetcafé door, hief de telefoon op naar Micke en hield de vingers van haar andere hand omhoog, zei geluidloos: ‘Vijf minuten’, met duidelijke mondbewegingen. Micke knikte ter goedkeuring en ze glipte de grindparkeerplaats op. De koele buitenlucht deed de haartjes op haar armen overeind staan.
Nu hoorde ze dat het aan de andere kant ook een enorm kabaal was. Måns was in het café. Toen werd het wat stiller.
‘Zo, nu kan ik praten,’ zei ze.
‘Ik ook. Waar ben je?’ vroeg Måns.
‘Voor Mickes bar & kök in Poikkijärvi; dat is een dorpje een stukje buiten Kiruna. Waar ben jij?’
‘Voor Spyan, dat is een dorpskroegje aan de rand van Stureplan.’
Ze lachte. Hij klonk vrolijk. Niet zo afwijzend. Hij was waarschijnlijk dronken. Daar trok ze zich niks van aan. Ze hadden elkaar niet gesproken sinds de avond waarop ze weg was geroeid van Lidö.
‘Ben je aan het feesten?’ vroeg hij.
‘Nee, eigenlijk ben ik zwart aan het bijklussen.’
Nu wordt hij kwaad, dacht Rebecka. Alhoewel, misschien ook niet, het was een gokje.
Måns lachte hard.
‘Goh, als wat dan?’
‘Ik heb een te gekke baan in de afwas gevonden,’ zei ze met overdreven enthousiasme. ‘Verdien vijftig ballen per uur, dus vanavond tweehonderdvijftig. En ze hebben me beloofd dat ik de fooi mag houden, maar ik weet het niet, hoor. Er zijn zo weinig mensen die de keuken binnenkomen om de afwasser een fooi in de hand te drukken, dat ik denk dat ik een beetje besodemieterd word.’
Ze hoorde Måns aan de andere kant lachen. Een proestend heuheuheuh, dat afgesloten werd met een bijna smekend uhuuhuu. Ze wist dat ge-uhuuhuu vergezeld ging van het uitwrijven van zijn ogen.
Mimmi stak haar hoofd door de deur en keek Rebecka aan met een blik die crisis betekende.
‘Hé, ik moet ophangen,’ zei Rebecka. ‘Anders word ik gekort op mijn loon.’
‘Dan ben je ze geld schuldig, begrijp ik. Wanneer kom je terug?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ik moet je maar komen halen,’ zei Måns. ‘Je bent niet toerekeningsvatbaar.’
Doe maar, dacht Rebecka.
Om halftwaalf kwam Lars-Gunnar Vinsa naar het eetcafé. Hij had Nalle niet bij zich. Bleef in het lokaal staan en keek om zich heen. Hij was als de wind in het gras. Iedereen werd beïnvloed door zijn aanwezigheid. Een paar handen in de lucht en knikjes ter begroeting, een paar gesprekken die werden onderbroken, vertraagden en vervolgens weer opgepakt werden. Een paar hoofden die zich omdraaiden. Hij werd opgemerkt. Hij boog zich over de bar en zei tegen Micke: ‘Die Rebecka Martinsson, is ze ’m gesmeerd?’
‘Nee,’ zei Micke. ‘Ze werkt hier zelfs vanavond.’ Iets in Lars-Gunnars houding deed hem eraan toevoegen:
‘Voor een keertje maar, er is veel volk vanavond en Mimmi zit toch al tot over haar oren in het werk.’
Lars-Gunnar stak zijn berenklauw over de bar en trok Micke met zich mee naar de keuken.
‘Kom, ik wil met haar praten en ik wil dat jij erbij bent.’
Mimmi en Micke wisten een blik te wisselen voordat Micke en Lars-Gunnar door de klapdeuren naar de keuken verdwenen.
Wat nu dan, vroegen Mimmi’s ogen.
Weet ik het, antwoordde Micke.
De wind in het gras weer.
Rebecka Martinsson stond in de keuken afwas voor te spoelen.
‘Zo, Rebecka Martinsson,’ zei Lars-Gunnar. ‘Loop met mij en Micke mee naar de achterkant van het café, dan kunnen we praten.’
Ze gingen door de achterdeur naar buiten. De maan als een vissenschub boven de zwarte rivier. De gedempte cafégeluiden. De toppen van de dennen suisden.
‘Ik wil dat je aan Micke vertelt wie je bent,’ zei Lars-Gunnar Vinsa rustig.
‘Wat wil je weten?’ zei Rebecka. ‘Ik heet Rebecka Martinsson.’
‘Je kunt misschien vertellen wat je hier doet.’
Rebecka keek naar Lars-Gunnar. Als er iets was wat ze op haar werk geleerd had, dan was het wel om nooit te beginnen met kletsen en babbelen.
‘Je hebt kennelijk iets op je lever,’ zei ze. ‘Vertel jij maar.’
‘Je komt hiervandaan, of eigenlijk niet hiervandaan, maar uit Kurravaara. Je werkt als advocaat en jij bent degene die die drie pastores in Jiekajärvi twee jaar geleden de dood in hebt gejaagd.’
Twee pastores en een zieke jongen, dacht ze.
Maar ze verbeterde hem niet. Bleef zwijgend staan.
‘Ik dacht dat je secretaresse was,’ zei Micke.
‘Je begrijpt dat wij ons hier in het dorp dingen afvragen,’ zei Lars-Gunnar. ‘Waarom een advocaat hier onder valse voorwendselen in de keuken komt werken. Wat je vanavond verdient, is waarschijnlijk net zoveel als een lunch in de stad je normaal kost. Dan vraag je je toch af waarom je hier infiltreert en… rondneust. Je moet weten dat het me eigenlijk niks kan schelen. Mensen zijn wat mij betreft vrij om te doen wat ze willen, maar ik vond dat Micke recht had het te weten. En bovendien…’
Hij wendde zijn blik van haar af en keek uit over de rivier. Blies lucht uit. Iets leek hem te bedrukken.
‘… dat je Nalle gebruikte. Hij is in zijn hoofd maar een jongetje. En dat jij het lef had hier met behulp van hem te infiltreren…’
Nu verscheen Mimmi in de deuropening. Micke wierp haar een blik toe waardoor ze naar hen toe kwam, de deur dichtdeed en haar mond hield.
‘Ik dacht al dat ik die naam ergens van kende. Ik heb vroeger bij de politie gezeten, moet je weten, dus ik ken die geschiedenis in Jiekajärvi heel goed. Maar toen viel het kwartje. Jij hebt die mensen vermoord. In elk geval Vesa Larsson. Het kan best zijn dat de aanklager vond dat het niet genoeg was voor een aanklacht, maar je moet weten dat dat voor ons bij de politie geen reet betekent. Geen ene reet. Negentig procent van de gevallen waarin je weet dat iemand schuldig is, eindigt ermee dat er niet eens een aanklacht wordt ingediend. Je mag in je handjes knijpen. Weten te ontkomen met een moord op je geweten, dat is knap gedaan. En ik weet niet wat je hier doet. Of die geschiedenis met Viktor Strandgård naar meer smaakte en je hier in je eentje privé-detective speelt, of dat je misschien voor een krant werkt. Het maakt mij niet uit. Maar nu is die maskerade in elk geval afgelopen.’
Rebecka keek naar hen.
Ik zou natuurlijk een rede af moeten steken, dacht ze. Me moeten verdedigen.
En wat moest ze dan zeggen? Dat ze hier tenminste iets anders had om aan te denken dan dat ze stenen in haar jaszakken moest naaien? Dat ze het werk als advocaat niet meer aankon? Dat ze bij deze rivier hoorde? Dat ze de levens van de dochters van Sanna Strandgård had gered?
Ze deed haar schort af en gaf het aan Micke. Draaide zich zonder een woord te zeggen om. Ze ging niet terug door het eetcafé. In plaats daarvan liep ze direct langs de kippenren, de landweg over naar haar hut.
Niet rennen, vermaande ze zichzelf. Ze voelde hun blikken in haar rug.
Geen van hen kwam haar achterna om uitleg te eisen. Ze graaide haar bezittingen bij elkaar, propte ze in haar tas en toilettas, smeet ze op de achterbank van haar huurauto en reed weg.
Ze huilde niet.
Wat maakt het uit, dacht ze. Ze zijn volkomen onbeduidend. Iedereen is onbeduidend. Niemand betekent iets.
Gele Poten
BITTERKOUDE FEBRUARI. DE DAGEN WORDEN LANGER, MAAR DE KOU is als de harde vuist van God. Nog steeds onverbiddelijk. De zon is niet meer dan een beeld in de hemel, de lucht is net hard glas. Onder een dikke, witte laag banen muizen en woelmuizen zich een weg. Hoefdieren knagen zich door de ijzige bast van de bomen heen. Ze vermageren en wachten op de lente.
Maar veertig graden vorst en sneeuwstormen die het hele landschap met zich meetrekken in een langzame, witte golf van vernietiging, hinderen de roedel wolven niet. Integendeel. Dit is de beste tijd. Het beste weer. In de sneeuwstorm houden ze een picknick met activiteiten in de openlucht. Er is voldoende voedsel. Ze hebben een groot territorium en een goede jachtploeg. Geen warmte die ze teistert. Geen bloedzuigende vliegende beestjes.
Voor Gele Poten zijn de dagen geteld. De glimmende hoektanden van het alfateefje zeggen dat het tijd is. Spoedig. Binnenkort. Nu. Gele Poten heeft alles gedaan. Heeft op haar knieën gekropen in een smeekbede om te mogen blijven. Die februarimorgen is het zover. Het is haar niet toegestaan de familie te benaderen. Het alfawijfje doet een uitval. Haar kaken klakken in de lucht.
De uren verstrijken. Gele Poten gaat niet meteen weg. Ze blijft een eindje van de roedel vandaan, hoopt op een teken dat ze terug mag komen. Maar het alfawijfje is onvermurwbaar, komt steeds weer overeind om haar te verdrijven.
Een van de mannetjes, de halfbroer van Gele Poten, wendt zijn blik af. Haar kop wil haar snuit in zijn vacht boren, op zijn schouder slapen.
De jonge wolven kijken met lage staarten naar Gele Poten. Haar gele poten willen zich uitstrekken terwijl ze hen tussen de oude sparren achternazit, over de kop slaan in een stoeipartij, weer op de been komen, om vervolgens zelf achternagezeten te worden door de sneeuw.
En de welpen, nog even en ze zijn eenjarigen, stoer, doldriest, nog steeds welpig. Ze begrijpen genoeg van wat er nu gebeurt om zich koest op afstand te houden. Janken onzeker. Ze wil een gewonde haas naar hen toe slepen en zien hoe ze in wilde jachtvreugde achter hem aan gaan, in hun enthousiasme over elkaar heen buitelen.
Ze probeert het een laatste keer. Doet een vragende stap. Ditmaal jaagt het alfawijfje haar helemaal tot aan de bosrand, het grauwe, naaldloze rijshout van de oude dennen in. Vanonder het kreupelhout bekijkt ze de roedel en het alfawijfje, dat rustig terugkeert naar de anderen.
Nu zal ze alleen slapen. Eerder heeft ze kunnen rusten in de slaapgeluiden van de roedel, het keffen en jagen in de dromen, het gebrom, de zuchten, de winden. Nu zullen haar oren waken, terwijl ze zelf rond zal zweven in een onrustige sluimering.
Vreemde geuren zullen haar neus vullen, de herinnering aan deze wolven, haar zusters en broeders, halfzusjes en halfbroertjes, achternichtjes en achterneefjes, welpen en ouderen verdrijven.
Ze gaat ervandoor in een trage draf. Haar stappen in één richting. Verlangen naar het andere. Hier heeft ze geleefd. Daar zal ze overleven.