Dinsdag 5 september

 

POLITIE-INSPECTEUR SVEN-ERIK STÅLNACKE REED VAN FJÄLLNÄS naar Kiruna. Het grind ratelde tegen het onderstel van de auto en achter hem vloog het stof op in een grote wolk. Toen hij afsloeg richting Nikkavägen zag hij links van hem het ijsblauwe lichaam van het Kebnekaise-massief zich naar de hemel verheffen.

Het is eigenaardig dat je er nooit genoeg van krijgt, dacht hij.

Hoewel hij de vijftig was gepasseerd, was hij nog altijd verrukt van de wisselingen van de jaargetijden. De hoge, koude berglucht van de herfst die vanuit het hooggebergte door de langgerekte dalen naar beneden kwam stromen. De terugkeer van de zon in de nawinter. De eerste druppels die van de daken vielen. En het breken van het ijs. Het werd met de jaren haast erger. Nog even en hij zou een week vakantie moeten nemen om domweg naar de natuur te gaan zitten koekeloeren.

Vader had dat ook, dacht hij.

Zijn vader had tijdens de laatste jaren van zijn leven – het waren er zeker vijftien geweest – steeds hetzelfde liedje herhaald: ‘Deze zomer wordt mijn laatste. Deze herfst was de laatste die ik nog mee mocht maken.’

Het was net alsof dat aspect van het sterven hem het meest had beangstigd; niet nog een lente, een lichte zomer, een gloeiende herfst mee te kunnen maken. Dat de jaargetijden zouden blijven komen en gaan, zonder hem.

Sven-Erik wierp een blik op de klok. Halftwee. Nog een halfuur voor de bespreking met de officier van justitie. Hij zou nog even bij Annies Grill langs kunnen gaan voor een hamburger.

Hij wist heel goed wat de officier wilde. Het was nu bijna drie maanden geleden dat predikant Mildred Nilsson was vermoord, en ze waren nog steeds nergens op uitgekomen. De officier had er genoeg van. En wie kon hem dat kwalijk nemen?

Onwillekeurig drukte hij het gaspedaal dieper in. Hij had Anna-Maria om raad moeten vragen, dat meende hij nu. Anna-Maria was zijn groepschef. Ze had ouderschapsverlof en Sven-Erik nam voor haar waar. Het probleem was alleen dat het niet natuurlijk voelde om haar thuis te storen. Het was vreemd. Als ze samen aan het werk waren, voelde ze heel nabij, maar buiten het werk om wist hij niet wat hij moest zeggen. Hij miste haar, maar toch was hij maar één keer bij haar langs geweest, toen het jongetje pas geboren was. Ze was een paar keer langsgekomen op het bureau, maar toen stond het hele kippenhok van kantoor om haar heen te kakelen en dan kon hij net zo goed wegblijven. Half januari zou ze echt terugkomen.

Zoals ze met de buurtbewoners hadden gepraat. Iemand zou iets gezien moeten hebben. In Jukkasjärvi, waar de predikant was gevonden, opgehangen aan de orgelgalerij, of in Poikkijärvi, waar ze woonde. Niets. Ze waren nogmaals met alle buurtbewoners gaan praten. Geen klap.

Dat was zo merkwaardig. Open en bloot op het terrein van het heemkundig museum bij de rivier had iemand haar vermoord. Open en bloot had de moordenaar het lichaam naar de kerk gedragen. Het was weliswaar midden in de nacht, maar het was net zo licht geweest als overdag.

Ze hadden al snel ontdekt dat ze een controversiële predikant was geweest. Toen Sven-Erik had gevraagd of ze vijanden had, had het merendeel van de vrouwen die actief waren in de kerk geantwoord: ‘Iedere willekeurige vent.’ Een vrouw met scherpe lijnen aan weerskanten van haar samengeknepen mond, die op het secretariaat van de kerk werkte, had zonder er veel doekjes om te winden gezegd dat de dominee het aan zichzelf te danken had. Ook toen ze nog leefde, had ze voor krantenkoppen in de lokale pers gezorgd. Trammelant met het kerkbestuur toen ze zelfverdedigingslessen voor vrouwen organiseerde in de ruimtes van de kerk. Trammelant met de gemeente toen haar bijbelstudiegroep voor vrouwen, Magdalena, demonstreerde en eiste dat de gemeentelijke ijsbaan eenderde deel van de tijd gereserveerd zou worden voor ijshockey voor meisjes en voor kunstschaatsen. En onlangs was ze in een conflict beland met een aantal jagers en rendierhouders. Het ging over de wolvin die zich op het grondgebied van de kerk had gevestigd. Mildred Nilsson had gezegd dat het de plicht van de kerk was de wolf te beschermen. In de krant NSD had op de middenpagina een foto gestaan van haar en haar tegenstander in deze kwestie onder de koppen ‘Wolvenliefhebber’ en ‘Wolvenhater’.

En in de pastorie van Poikkijärvi, aan de andere kant van de rivier vanuit Jukkasjärvi gezien, zat haar echtgenoot. Hij zat in de ziektewet en was niet in staat om enige ordening in haar nalatenschap aan te brengen. Sven-Erik voelde opnieuw de gekwelde pijn die hem had vervuld toen hij met de man had gesproken. ‘Jullie weer. Krijgen jullie er nooit genoeg van?’ Elk gesprek was als het kapotslaan van het ijslaagje in een wak van een nacht oud. Het verdriet dat omhoogstroomde. De kapotgehuilde ogen. Geen kinderen om het verdriet mee te delen.

Nu had Sven-Erik zelf wel kinderen – een dochter die in Luleå woonde – maar hij herkende die ellendige eenzaamheid. Hij leefde sinds zijn scheiding alleen. Hoewel hij zijn kat natuurlijk had, en niemand had zijn vrouw vermoord en aan een ketting opgehangen.

Alle telefoontjes en brieven van allerlei gekken die bekend hadden de moord op hun geweten te hebben, waren nagetrokken. Maar dat had vanzelfsprekend niets opgeleverd. Alleen maar menselijk uitschot dat door alle krantenkoppen tijdelijk in een soort koortsachtige brand was ontstoken.

Want koppen kwamen er. De televisie en kranten waren door het dolle heen. Mildred Nilsson was midden in de zomerse komkommertijd vermoord en het was minder dan twee jaar geleden dat een andere religieuze leider in Kiruna was vermoord, Viktor Strandgård, een prominente figuur in de gemeente Bron der Kracht. Er was gespeculeerd over de gelijkenissen tussen de moorden, ondanks dat degene die Viktor Strandgård vermoord had, nu dood was. Maar de invalshoek was toch een uitgemaakte zaak: een man van de kerk, een vrouw van de kerk. Beiden op brute wijze vermoord aangetroffen in hun respectievelijke kerken. Predikanten en pastores mochten hun mening verkondigen in de landelijke kranten. Voelden ze zich bedreigd? Waren ze van plan te verhuizen? Was het rode Kiruna een gevaarlijke stad om als predikant te wonen? De zomerkrachten van de kranten kwamen langs om het werk van de politie nauwgezet te volgen. Ze waren jong en gulzig, en namen geen genoegen met ‘In het belang van het onderzoek… kunnen we in dit stadium geen commentaar geven’. Twee weken had de hardnekkige belangstelling aangehouden.

‘Je moet verdorie onderhand je schoenen omkeren en uitschudden voordat je ze aan kunt trekken,’ had Sven-Erik tegen de commissaris gezegd. ‘Want het kan maar zo gebeuren dat er zo’n journalist met uitgestoken angel uit komt vallen.’

Maar omdat de politie niet opschoot, hadden die persmuskieten de stad uiteindelijk verlaten. Twee mensen die dood waren gedrukt op een festival namen de media-aandacht over.

De hele zomer had de politie volgens de copycat-theorie gewerkt. Iemand had zich laten inspireren door de moord op Viktor Strandgård. De rijksrecherche stond aanvankelijk erg aarzelend tegenover het maken van een daderprofiel. Het ging per slot van rekening niet om een seriemoordenaar, voorzover ze wisten. En het was helemaal niet zeker dat het om een copycat ging. Maar de gelijkenis met de moord op Viktor Strandgård en de enorme media-aandacht hadden er ten slotte voor gezorgd dat een psychiater van de daderprofielgroep van de rijksrecherche haar vakantie had onderbroken om naar Kiruna te komen.

Op een ochtend begin juli had ze een bespreking gevoerd met de politie van Kiruna. Ze hadden met een stuk of tien mensen in de vergaderruimte zitten zweten. Ze durfden het risico niet te nemen dat een buitenstaander hun gesprek zou horen en hielden de ramen daarom gesloten.

De gerechtspsychiater was een vrouw van halverwege de veertig. Wat Sven-Erik was opgevallen, was dat ze met zoveel rust en begrip – liefde haast – over gestoorden, massamoordenaars en seriemoordenaars had gesproken. Toen ze voorbeelden uit de praktijk aanhaalde, zei ze vaak: ‘Die arme man’, of: ‘We hadden een keer een jonge jongen die…’, of: ‘Gelukkig voor hem werd hij gepakt en veroordeeld.’ En ze vertelde over iemand die na een paar jaar in een kliniek ontslagen kon worden en nu de juiste dosis medicijnen had en een geregeld leven leidde met een hond en een deeltijdbaan in een verfwinkel.

‘Ik kan het niet genoeg benadrukken,’ had ze gezegd, ‘dat het de zaak van de politie is om te bepalen volgens welke theorie jullie willen werken. Als jullie moordenaar een copycat is, kan ik een waarschijnlijk beeld van hem schetsen, maar dat is dus niet zeker.’

Ze had een PowerPoint-presentatie gemaakt en ze had hun verzocht haar vooral met vragen te onderbreken.

‘Het is een man. Leeftijd tussen de vijftien en de vijftig. Sorry.’

Dat laatste voegde ze eraan toe toen ze hun glimlachen opmerkte.

‘We willen natuurlijk het liefst iets in de trant van “Zevenentwintig jaar en drie maanden, werkt als krantenjongen, woont bij zijn moeder en heeft een rode Volvo”,’ zei iemand schertsend.

Ze haakte erop in: ‘Met schoenmaat 42. Nou, imitatoren zijn in die zin ongewoon dat ze met grove gewelddadigheden kunnen debuteren. Hij hoeft dus niet eerder veroordeeld te zijn voor zwaar geweld. En jullie hebben ook de vingerafdrukken getoetst in het register, zonder treffers te vinden.’

Geknik in het zaaltje.

‘Hij kan in het verdachtenregister voorkomen of veroordeeld zijn voor kleinere misdrijven die typerend zijn voor iemand zonder grenzen. Inbreuk op privacy, zoals bij stalken en voortdurend opbellen, of misschien kruimeldiefstal. Maar als het een imitator is, dan heeft hij anderhalf jaar op zijn kamertje zitten lezen over de moord op Viktor Strandgård. Dat is een bedaarde bezigheid. Het was de moord van een ander. Dat was, tot nu toe, voldoende voor hem. Maar van nu af aan wil hij over zichzelf lezen.’

‘Maar de moorden lijken eigenlijk niet op elkaar,’ had iemand ertegen ingebracht. ‘Viktor Strandgård werd neergeslagen en gestoken met een mes, en zijn ogen werden uitgeboord en zijn handen afgehakt.’

Ze had geknikt.

‘Dat is waar. Maar dat kan verklaard worden doordat dit zijn eerste is. Steken, snijden en boren met een mes zorgt voor meer… hoe zal ik het noemen… nabij contact dan bij een langer voorwerp, zoals in dit geval gebruikt lijkt te zijn. Dat is de hoogste drempel om te nemen. De volgende keer is hij er misschien klaar voor een mes te gebruiken. Misschien houdt hij niet van fysieke nabijheid.’

‘Hij heeft haar toch naar de kerk gedragen.’

‘Maar toen was hij al klaar met haar. Toen was ze niets meer, alleen een stuk vlees. Maar goed, hij woont alleen of hij heeft toegang tot een ruimte waar niemand anders komt, bijvoorbeeld een hobbyruimte waar niemand in mag, of een werkplaats, of, nou ja, een ruimte die op slot kan. Daar heeft hij zijn krantenknipsels. Ze liggen bij voorkeur in het zicht; hij zou ze het allerliefst ophangen. Hij is geïsoleerd, heeft weinig sociale contacten. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij lichamelijk voor iets heeft gezorgd dat mensen op een afstand houdt. Slechte hygiëne, bijvoorbeeld. Vraag daarnaar als jullie een verdachte hebben; vraag of hij vrienden heeft, hij zal ze niet hebben. Maar zoals gezegd, het hoeft geen copycat te zijn. Het kan heel goed iemand zijn die slachtoffer is van tijdelijke razernij. Als we de pech hebben nog een moord op ons dak te krijgen, praten we verder.’

Sven-Eriks gedachten werden onderbroken toen hij een automobilist passeerde die zijn hond trainde door hem aan een riem door een opengedraaid raampje mee te laten rennen. Het was een kruising van een jämthund, zag Sven-Erik. De hond draafde met zijn tong uit zijn bek.

‘Vuile dierenbeul,’ mompelde hij, terwijl hij in zijn achteruitkijkspiegel keek.

Het was waarschijnlijk een elandenjager die zijn hond in conditie wilde houden voor de jacht. Hij overwoog even om te keren en eens met de hondenbezitter te gaan praten. Zulke figuren zouden überhaupt geen dieren mogen hebben. De rest van het jaar zou hij vast opgesloten zitten in een kennel.

Maar hij keerde niet. Onlangs was hij op pad geweest om met een vent te praten die het straatverbod met betrekking tot zijn ex-vrouw overtrad en ook nog eens weigerde naar de hoorzitting te komen als hij werd opgeroepen.

Je bekvecht de godganse dag, dacht Sven-Erik. Vanaf het moment dat je opstaat totdat je weer in bed stapt. Waar moet je de grens trekken? Op een dag sta je in je vrije tijd te bulderen tegen mensen die hun ijspapiertje op straat gooien.

Maar het beeld van de dravende hond en de gedachte aan zijn kapotgelopen eeltkussentjes bleven de rest van de tocht naar de stad aan hem knagen.

Vijfentwintig minuten later stapte Sven-Erik Stålnacke het kantoor van hoofdofficier van justitie Alf Björnfot binnen. De zestigjarige officier zat op de rand van zijn bureau met een kind in zijn armen. Het jongetje trok gelukzalig aan het touwtje van de tl-lamp die boven het bureau hing.

‘Kijk!’ riep de officier uit toen Sven-Erik binnenstapte. ‘Daar hebben we ome Sven-Erik. Dit is Gustav, de zoon van Anna-Maria.’

Dat laatste zei hij tegen Sven-Erik, terwijl hij bijziend tuurde. Gustav had zijn bril gepakt en sloeg ermee tegen het touwtje van de lamp, zodat het heen en weer zwiepte.

Op hetzelfde ogenblik kwam politie-inspecteur Anna-Maria Mella binnen. Ze groette Sven-Erik door haar wenkbrauwen op te trekken en een snel glimlachje op haar paardengezicht te laten doorschemeren. Alsof ze elkaar zoals altijd bij de ochtendbespreking hadden gezien. In werkelijkheid was het al maanden geleden.

Het viel hem op hoe klein ze was. Dat gebeurde hem vaker als ze elkaar een tijd niet gezien hadden, zoals na de vakantie. In zijn herinnering was ze altijd veel groter. Je kon aan haar zien dat ze vrij had gehad. Ze had een diepbruine kleur die pas ver in de donkere winter zou verdwijnen. Haar sproeten waren niet langer zichtbaar, omdat ze dezelfde kleur hadden als de rest van haar gezicht. Haar dikke vlecht was bijna wit. Bij haar haargrens had ze een rijtje kapotgekrabde knutjesbeten, bruine stipjes van opgedroogd bloed.

Ze gingen zitten. De hoofdofficier achter zijn meer dan volgestouwde bureau en Anna-Maria en Sven-Erik naast elkaar op de bezoekersbank. De hoofdofficier hield het kort. Het onderzoek naar de moord op Mildred Nilsson was gestagneerd. Tijdens de zomer had het alle middelen die de politie tot zijn beschikking had in beslag mogen nemen, maar nu zou het een lagere prioriteit krijgen.

‘Het kan niet anders,’ zei hij tegen Sven-Erik, die koppig uit het raam keek. ‘We kunnen de middelen niet blijven opslorpen door andere onderzoeken en vooronderzoeken neer te leggen. Uiteindelijk krijgen we daar last mee.’

Hij laste een korte pauze in en keek naar Gustav, die de inhoud van zijn prullenbak te voorschijn haalde en zijn vondsten in een keurige rij opstelde. Een leeg pruimtabakdoosje. Een bananenschil. Een doosje Läkeröl Special, ook leeg. Een paar proppen papier. Toen de prullenbak leeg was, trok Gustav zijn schoenen uit en gooide ze erin. De officier glimlachte en ging verder.

Het was hem zojuist gelukt Anna-Maria over te halen op halve kracht terug te komen, totdat ze na kerst weer volledig aan de slag zou gaan. Het idee was dat Sven-Erik verder zou gaan als groepschef en dat Anna-Maria zich bezig zou houden met de moord totdat het tijd was weer fulltime te gaan werken.

Hij schoof zijn bril over zijn neusbrug omhoog en liet zijn blik over de tafel gaan. Ten slotte vond hij Mildred Nilssons rapport en hij schoof het naar Anna-Maria en Sven-Erik.

Anna-Maria bladerde er even in. Sven-Erik keek mee over haar schouder. Hij werd zwaar van binnen. Het was net alsof hij vervuld raakte van verdriet als hij deze pagina’s zag.

De officier vroeg hem een samenvatting van het onderzoek te geven.

Sven-Erik ploegde tijdens een paar seconden bedenktijd met zijn vingers door zijn borstelige snor en vertelde vervolgens zonder veel uitweidingen dat predikant Mildred Nilsson in de nacht van midzomer op 21 juni om het leven was gebracht. Ze had een midzomerdienst geleid in de kerk van Jukkasjärvi die om kwart voor twaalf was afgelopen. Er hadden elf mensen deelgenomen aan de dienst. Zes van hen waren toeristen die in het wildernishotel verbleven. Ze waren al tegen vier uur ’s ochtends uit hun bed gehaald om door de politie verhoord te worden. De andere bezoekers behoorden tot de wijvenbende van de predikant, Magdalena.

‘Wijvenbende?’ vroeg Anna-Maria, terwijl ze opkeek van haar papieren.

‘Ja, ze had een bijbelstudiegroepje dat alleen uit vrouwen bestond. Ze noemden zich Magdalena. Het is zo’n netwerk dat je tegenwoordig wel vaker ziet. Meestal gingen ze naar de kerk waar Mildred Nilsson een dienst hield. Ze hebben in een aantal kwesties kwaad bloed gezet. De term wordt zowel door hun tegenstanders als door henzelf gebruikt.’

Anna-Maria knikte en keek weer in het rapport. Haar ogen versmalden zich toen ze bij het autopsierapport terechtkwam en de bevindingen van chef-arts Pohjanen las.

‘Ze was flink toegetakeld,’ zei ze. ‘“Impressiefracturen op de schedel… barsten in de schedel… kneuzingen in de hersenen onder de raakpunten… bloedingen tussen de harde en zachte hersenvliezen…”’

Ze zag de snelle grimassen van onbehagen bij de officier en Sven-Erik, en nam de tekst verder in stilte door.

Ongespecificeerd geweld met een stomp voorwerp dus. De meeste verwondingen ongeveer drie centimeter lang, met stukjes bindweefsel tussen de randen. Het weefsel was volkomen kapot. Maar hier had je een lange verwonding: ‘Op de linkerslaap lintvormige, roodblauwe plek en zwelling… drie centimeter onder en twee centimeter voor de gehoorgang aan de linkerkant bevindt zich de achtergrens van een stempelwond…’

Stempelwond? Wat stond daar verder over in het rapport? Ze bladerde vooruit.

‘… de stempelwond en de langwerpige verwonding met duidelijke randen op de linkerslaap duiden op een koevoetachtig wapen.’

Sven-Erik vervolgde zijn verhaal.

‘Na de dienst kleedde de predikant zich om in de sacristie, deed de kerk op slot en wandelde naar de oever van de rivier bij het heemkundig museum, waar haar boot lag. Daar werd ze aangevallen. De moordenaar droeg de predikant terug de kerk in. Hij deed de kerkdeur van het slot en droeg haar de orgelgalerij op, bond een ijzeren ketting om haar nek, bevestigde de ketting aan het orgel en hing haar op aan de orgelgalerij. Niet veel later werd ze gevonden door de kosteres, die in een impuls naar het dorp was gefietst om bloemen te plukken voor in de kerk.’

Anna-Maria wierp een blik op haar zoon. Hij had de doos met papieren die door de versnipperaar moesten ontdekt. Hij scheurde het ene na het andere papier in stukken, onvoorstelbaar gelukkig.

Anna-Maria las snel verder. Een grote hoeveelheid fracturen op de bovenkaak en het jukbeen. Een van de pupillen was vergroot. De linkerpupil zes millimeter, de rechter vier. Dat kwam door de zwelling in de hersenen. ‘Bovenlip sterk gezwollen. Rechts een blauwpaarse verkleuring, incisie toont een sterke, zwart-rode bloeding…’ Jezus christus! Alle voortanden in de bovenkaak afgebroken. ‘In de mondholte veel bloed en bloedstolsels. In de mondholte bevinden zich twee sokken die stevig in de keelholte zijn gedrukt.’

‘Ze is bijna alleen tegen haar hoofd geslagen,’ zei ze.

‘Twee verwondingen op de borst,’ zei Sven-Erik.

‘“Koevoetachtig voorwerp.”’

‘Vermoedelijk een koevoet.’

‘“Langgerekte verwonding linkerslaap.” Denk je dat dat de eerste klap was?’

‘Ja. Dus je mag ervan uitgaan dat hij rechtshandig is.’

‘Of zij.’

‘Oké. Maar de moordenaar heeft haar een behoorlijk stuk gedragen. Van de rivier naar de kerk.’

‘Hoe weten we dat hij haar droeg? Misschien heeft hij haar in een kruiwagen of iets dergelijks gelegd.’

‘Nou ja, weten… Je kent Pohjanen. Maar hij heeft ons geattendeerd op de manier waarop het bloed over haar lichaam is gelopen. In eerste instantie liep het omlaag richting rug.’

‘Toen ze op haar rug op de grond lag.’

‘Inderdaad. De technische recherche heeft de plek uiteindelijk gevonden. Maar een klein stukje van de oever waar haar boot gewoonlijk lag. Ze nam soms de boot. Ze woonde namelijk aan de overkant, in Poikkijärvi. Daar op de oever bij de boot lagen ook haar schoenen.’

‘Maar daarna dan? Dat bloed, bedoel ik.’

‘Daarna zijn er minder sterke sporen van de verwondingen aan haar gezicht en hoofd, die richting kruin lopen.’

‘Oké,’ zei Anna-Maria. ‘De moordenaar droeg haar over zijn schouder, waardoor haar hoofd naar beneden hing.’

‘Dat zou een verklaring kunnen zijn. En dat is wel andere koek dan huisvrouwengymnastiek.’

‘Ik zou kracht genoeg hebben om haar te dragen,’ zei Anna-Maria. ‘Haar aan het orgel hangen kan ik ook. Ze was toch tamelijk klein.’

Zeker als ik zo… buiten mezelf was van woede, dacht ze.

Sven-Erik vervolgde: ‘De laatste sporen lopen richting voeten.’

‘Toen ze opgehangen werd.’

Sven-Erik knikte.

‘Dus toen was ze nog niet dood?’

‘Niet echt. Dat staat in het rapport.’

Anna-Maria bladerde door het rapport. Er bevond zich een kleine bloeding onder de verwondingen aan de hals. Volgens gerechtsarts Pohjanen wees alles erop dat ze stervende was geweest. Dus ze was bijna dood toen ze werd opgehangen. Waarschijnlijk niet bij bewustzijn.

‘Die sokken in de mondholte…’ begon Anna-Maria.

‘Van haarzelf,’ zei Sven-Erik. ‘Haar schoenen lagen, zoals ik al zei, nog bij de rivier en ze hing er blootsvoets.’

‘Dat heb ik eerder meegemaakt,’ zei de officier van justitie. ‘Dat is vaak zo als je iemand op die manier ombrengt. Het slachtoffer schokt en rochelt. Dat is tamelijk onaangenaam, en om dat gerochel te stoppen…’

Hij onderbrak zichzelf en dacht aan een geval van vrouwenmishandeling dat was uitgelopen op doodslag. Het halve slaapkamergordijn in de keelholte.

Anna-Maria keek naar een paar foto’s. Het kapotgeslagen gezicht. De mond als een gapend zwart gat zonder voortanden.

En de handen, dacht ze. De pinkzijde van de handen? De armen?

‘Geen tekenen van verweer,’ zei ze.

De officier en Sven-Erik schudden hun hoofd.

‘En geen volledige vingerafdrukken?’ vroeg Anna-Maria.

‘Nee. We hebben een gedeelte van een afdruk op een van de sokken gevonden.’

Gustav was ondertussen overgestapt op het afrukken van de bereikbare bladeren van een grote ficus, die in een pot met kleikorrels op de grond stond. Toen Anna-Maria hem er wegtrok, slaakte hij een kreet.

‘Ik zeg nee en bedoel ook nee,’ zei Anna-Maria toen hij probeerde zich uit haar greep los te worstelen om terug te gaan naar de ficus.

De officier van justitie probeerde iets te zeggen, maar Gustav loeide als een sirene. Anna-Maria probeerde hem te paaien met haar autosleutels en mobieltje, maar alles kwam met een klap op de grond terecht. Hij was begonnen met de ontbladering van de ficus en hij wilde zijn taak volbrengen. Anna-Maria nam hem onder haar arm en stond op. Het gesprek was definitief ten einde.

‘Ik zal een advertentie plaatsen in de rubriek “Gratis af te halen”,’ zei ze met opeengeklemde kaken. ‘Of, ter overname: “Gezond jochie van anderhalf tegen elk aannemelijk bod of te ruil tegen een grasmaaier”.’

Sven-Erik liep met Anna-Maria mee naar de auto. Ze had nog steeds dezelfde krakkemikkige Ford Escort, zag hij. Gustav vergat zijn zorgen toen ze hem op de grond zette, zodat hij zelf kon lopen. Eerst holde hij in waggelende overmoed naar een duif die in wat restjes bij een afvalbak stond te pikken. De vogel vloog vermoeid op en Gustav richtte zijn aandacht op de afvalbak. Er was iets rozigs uit gelopen, het zag eruit als opgedroogd braaksel van afgelopen zaterdag. Anna-Maria greep Gustav vlak voor het moment dat hij er was. Hij begon te huilen alsof zijn leven ten einde was. Ze plantte hem in het kinderzitje en deed het portier dicht. Je kon zijn gedempt gejammer vanuit de auto horen.

Ze richtte zich met een zuur lachje tot Sven-Erik.

‘Ik laat hem daar zitten en ga lopend naar huis,’ zei ze.

‘Nogal logisch dat hij protesteert als jij hem zijn tussendoortje afhandig maakt,’ zei Sven-Erik met een hoofdbeweging naar de weerzinwekkende afvalbak.

Anna-Maria trok haar schouders op in gespeeld afgrijzen. Het was een paar seconden stil.

‘Nou,’ zei Sven-Erik grijnzend. ‘Dan zit je zomaar weer met jou opgescheept.’

‘Ach, stakker,’ glimlachte ze terug. ‘Nu is het gedaan met de rust.’

Toen werd ze serieus.

‘In de kranten stond dat ze een militante feministe was, zelfverdedigingscursussen organiseerde en zo. En toch geen spoor van verdediging!’

‘Ik weet het,’ zei Sven-Erik.

Hij fronste zijn snor bedachtzaam.

‘Misschien verwachtte ze niet dat ze geslagen zou worden,’ zei hij. ‘Misschien kende ze hem.’

Hij grijnsde even.

‘Of haar!’ voegde hij eraan toe.

Anna-Maria knikte peinzend. Achter haar zag hij de windmolens van Peuravaara. Een van hun favoriete gespreksonderwerpen. Hij vond ze prachtig. Zij vond ze oerlelijk.

‘Misschien,’ zei ze.

‘Hij had misschien een hond,’ zei Sven-Erik. ‘De technische recherche vond twee hondenharen op haar kleren en zelf had ze er geen.’

‘Wat voor hond?’

‘Weet ik niet. Na de moord op Helene in Hörby is geprobeerd die techniek te ontwikkelen. Het is niet na te gaan wat voor ras het is, maar als je een verdachte vindt met een hond, kun je de haren vergelijken om te zien of ze afkomstig zijn van die hond.’

Het gebrul in de auto zwol aan. Anna-Maria stapte in en startte. Er moesten gaten in de uitlaat zitten, want toen ze schakelde, klonk het als een getergde motorzaag. Ze reed met een schok weg en scheurde de Hjalmar Lundbohmsvägen op.

‘Het is godgeklaagd hoe jij rijdt,’ riep hij haar na door de olieachtige wolk uitlaatgassen.

Door de achterruit zag hij haar hand omhooggaan in een groet.

 

REBECKA MARTINSSON ZAT IN DE GEHUURDE SAAB OP WEG NAAR Jukkasjärvi. Torsten Karlsson zat op de passagiersstoel met zijn hoofd achterovergeleund en zijn ogen dicht, hij ontspande zich voor de ontmoeting met de deken. Af en toe keek hij door het raam naar buiten.

‘Waarschuw me even als we langs iets komen wat het bekijken waard is,’ zei hij tegen Rebecka.

Rebecka glimlachte zuur.

Alles, dacht ze. Je moet hier naar alles kijken. De avondzon tussen de dennen. De insectjes die boven de wilgenroosjes aan de slootkant gonzen. De barsten in het asfalt van de vorst. Alles wat dood en plat op de weg ligt.

De bijeenkomst met de dekens van de verenigde gemeenten van het district Kiruna zou morgenochtend pas plaatsvinden. Maar de deken van de stad Kiruna had Torsten gebeld.

‘Laat het even weten als jullie dinsdagavond al komen,’ had hij gezegd. ‘Dan laat ik jullie twee van de mooiste kerken in Zweden zien. Die van Kiruna en die van Jukkasjärvi.’

‘Dan gaan we dinsdag,’ had Torsten besloten. ‘Het is ontzettend belangrijk om hem voor woensdag aan onze kant te hebben. Trek iets leuks aan.’

‘Trek zelf iets leuks aan!’ had Rebecka geantwoord.

In het vliegtuig waren ze terechtgekomen naast een vrouw die meteen met Torsten in gesprek was geraakt. Ze was behoorlijk groot, droeg een ruimvallend linnen jack en om haar nek hing een enorme Kalevalahanger. Toen Torsten vertelde dat het de eerste keer was dat hij naar Kiruna ging, had ze haar handen verrukt ineengeslagen. Daarna had ze hem tips gegeven over wat hij allemaal moest zien.

‘Ik heb mijn eigen gids bij me,’ had Torsten met een hoofdbeweging naar Rebecka gezegd.

De vrouw had naar Rebecka geglimlacht.

‘Goh, dus je bent hier eerder geweest?’

‘Ik ben hier geboren.’

De vrouw had haar snel van top tot teen opgenomen. Een glimpje argwaan in haar ogen.

Rebecka had haar blik naar buiten gericht en het gesprek overgelaten aan Torsten. Ze had het vervelend gevonden dat ze eruitzag als een vreemdeling. Netjes verpakt in een grijs mantelpakje en schoenen van Bruno Magli.

Het is mijn stad, had ze gedacht, en ze voelde zich opstandig.

Net op dat moment was het vliegtuig gaan draaien. En de stad lag onder haar. Dat plukje bebouwing dat zich hardnekkig vastklampte aan de berg vol ijzer. Rondom alleen bergen en moeras, toendrabos en riviertjes. Ze had diep gezucht.

Op het vliegveld had ze zich ook een vreemdeling gevoeld. Op weg naar de huurauto waren Torsten en zij een kudde naar huis terugkerende toeristen tegengekomen. Ze hadden naar muggenolie en zweet geroken. De bergwind en de septemberzon hadden hun huid bewerkt. Bruinverbrand, met om hun ogen witte kraaienpootjes van het turen.

Rebecka wist hoe ze zich hadden gevoeld. Gevoelige voeten en vermoeide spieren na een week in de bergen, tevreden en een beetje loom. Ze hadden felgekleurde anoraks en praktische, kakikleurige broeken aangehad. Zelf droeg ze een mantel met een sjaaltje.

Torsten rechtte zijn rug en keek onderzoekend en nieuwsgierig naar een paar vliegvissers toen ze de rivier passeerden.

‘Nou maar hopen dat we dit klaarspelen,’ zei hij.

‘Natuurlijk lukt je dat,’ zei Rebecka. ‘Ze zullen gek op je zijn.’

‘Denk je? Het is toch niet zo best dat ik hier nooit eerder ben geweest. Ik ben potdomme nooit noordelijker geweest dan Gävle.’

‘Nee, nee, maar nu ben je ontzettend blij dat je hier bent. Je hebt hier immers altijd al een keer heen willen gaan om het magnifieke berglandschap te zien en de mijn te bezoeken. Je bent van plan om de volgende keer dat je langskomt een paar vakantiedagen op te nemen om wat dingen te gaan bekijken.’

‘Oké.’

‘En geen gelul in de trant van “Hoe houden jullie het hier uit tijdens die lange donkere winter als de zon niet eens opkomt?”’

‘Vanzelfsprekend.’

‘Ook niet als ze er zelf grapjes over maken.’

‘Ja, ja.’

Rebecka parkeerde de auto bij de klokkentoren. Geen deken. Ze liepen over het grindpad naar de pastorie. Rode houten lambrisering en witgeverfde hoeken en daklijst. Een stukje lager dan de pastorie stroomde de rivier. Het water stond zoals altijd in september laag. Torsten danste de knutjesdans. Er deed niemand open toen ze aanbelden. Ze belden nogmaals aan en wachtten. Ten slotte draaiden ze zich om om weg te gaan.

Door de opening in het hek naar het kerkhof kwam een man aangelopen. Hij zwaaide even en riep naar hen. Toen hij dichterbij kwam, zagen ze dat hij een overhemd met collaar droeg.

‘Hallo,’ zei hij toen hij bij hen was. ‘Jullie moeten van Meijer & Ditzinger zijn.’

Hij stak zijn hand eerst uit naar Torsten Karlsson. Rebecka nam de secretaressepositie in, een halve pas achter Torsten.

‘Stefan Wikström,’ zei de predikant.

Rebecka stelde zich zonder titel voor. Hij mocht denken wat hij wilde. Ze observeerde de predikant. Hij was ergens in de veertig. Spijkerbroek, gympen en overhemd met witte bef. Hij had dus niet net iets voor zijn werk hoeven doen. En toch een collaar.

Zo’n vierentwintiguurspredikant, dacht Rebecka.

‘Jullie hadden afgesproken met de deken, Bertil Stensson,’ vervolgde de predikant. ‘Helaas is hij vanavond verhinderd, en daarom heeft hij mij gevraagd jullie te ontvangen en rond te leiden in de kerk.’

Rebecka en Torsten antwoordden beleefd en gingen met hem mee naar het rode houten kerkje. Het rook naar teer van het spaanderdak. Rebecka bleef in het kielzog van de mannen. De predikant richtte zich uitsluitend tot Torsten als hij sprak. Torsten gleed soepel in het spel en richtte zich ook niet tot Rebecka.

De deken kon natuurlijk echt verhinderd zijn, dacht Rebecka. Maar het kon ook betekenen dat hij had besloten het aanbod van het kantoor niet te accepteren.

Het was schemerig in de kerk. De lucht stond stil. Torsten krabde aan twintig nieuwe knutjesbeten.

Stefan Wikström vertelde over het achttiende-eeuwse kerkje. Rebecka liet haar gedachten hun eigen weg gaan. Ze kende het verhaal over het mooie altaarstuk en de doden die onder de grond rustten. Toen ze merkte dat ze van onderwerp veranderd waren, luisterde ze weer.

‘Daar. Voor het orgel,’ zei Stefan Wikström wijzend.

Torsten keek omhoog naar de glimmende orgelpijpen en het Samische zonneteken in het midden van het orgel.

‘Het moet een enorme schok voor iedereen zijn geweest.’

‘Wat?’ vroeg Rebecka.

De predikant keek naar haar.

‘Ja, dit is de plek waar ze hing,’ zei hij. ‘Mijn collega, die afgelopen zomer is vermoord.’

Rebecka keek hem verdwaasd aan.

‘Afgelopen zomer is vermoord?’ herhaalde ze.

Er ontstond een verwarde stilte tussen hen.

‘Ja, afgelopen zomer,’ probeerde Stefan Wikström.

Torsten Karlsson staarde naar Rebecka.

‘Dat meen je niet,’ zei hij.

Rebecka keek hem aan en schudde bijna onmerkbaar haar hoofd.

‘Er is afgelopen zomer een vrouwelijke predikant vermoord in Kiruna. In deze kerk. Wist je dat niet?’

‘Nee.’

Hij keek haar verontrust aan.

‘Je moet de enige zijn in Zweden die… ik ging ervan uit dat je het wist. Het heeft in alle kranten gestaan. Elk nieuwsbulletin…’

Stefan Wikström volgde hun gesprek als een tafeltenniswedstrijd.

‘Ik heb deze zomer geen kranten gelezen,’ zei Rebecka. ‘En geen televisie gekeken.’

Torsten draaide zijn handpalmen omhoog in een hulpzoekend gebaar.

‘Ik dacht echt…’ begon hij. ‘Maar natuurlijk, helemaal niemand…’

Hij onderbrak zichzelf en keek even beschaamd naar de predikant, begon vergevingsgezind te glimlachen en vervolgde: ‘… niemand heeft het er met je over durven hebben. Misschien wil je liever buiten wachten? Of wil je een glas water?’

Rebecka was op weg naar een glimlach. Toen veranderde ze van gedachten; ze kon niet beslissen welke gezichtsuitdrukking ze op zou zetten.

‘Het is al goed. Maar ik ga graag even naar buiten.’

Ze liet de mannen achter in de kerk en ging naar buiten. Bleef staan op de kerktrap.

Ik zou natuurlijk iets moeten voelen, dacht ze. Misschien wel flauw moeten vallen.

De middagzon verwarmde de muur van de klokkentoren. Ze kreeg zin om ertegenaan te leunen, maar deed het niet vanwege haar kleren. De geur van warm asfalt vermengde zich met de geur van het pasgeteerde dak.

Ze vroeg zich af of Torsten op dit moment aan Stefan Wikström vertelde dat zij degene was die de moordenaars van Viktor Strandgård had doodgeschoten. Misschien schudde hij een leugentje uit zijn mouw. Hij deed waarschijnlijk wat hij dacht dat het beste was voor de zaak. Tegenwoordig zat ze immers in het sociale snoepzakje, tussen smakelijke anekdotes en pikante roddels. Als Stefan Wikström advocaat was geweest, had Torsten uitgelegd hoe de vork in de steel zat. Dan had hij het zakje te voorschijn gehaald en getrakteerd op Rebecka Martinsson. Maar predikanten vormden misschien niet zo’n roddelzieke beroepsgroep als juristen.

Ze kwamen tien minuten na haar de kerk uit. De predikant schudde hun beiden de hand. Het was net alsof hij hun handen liever niet los wilde laten.

‘Het kwam erg ongelegen dat Bertil genoodzaakt was weg te gaan. Er was een auto-ongeluk gebeurd en dan kun je geen nee zeggen. Als jullie even wachten, probeer ik hem mobiel te bereiken.’

Terwijl Stefan Wikström de deken probeerde te bellen, wisselden Rebecka en Torsten een blik. De deken was dus echt verhinderd. Rebecka vroeg zich af waarom Stefan Wikström er zo op gebrand was dat ze hem voor de bijeenkomst van morgen zouden ontmoeten.

Hij wil iets, dacht ze. Maar wat?

Stefan Wikström stopte de telefoon met een verontschuldigende glimlach in zijn achterzak.

‘Helaas,’ zei hij. ‘De voicemail. Maar we zien elkaar morgen.’

Een kort en luchtig afscheid, want ze zouden elkaar na een nacht slapen toch al weer zien. Torsten vroeg Rebecka om een pen en schreef de titel van een boek op dat de predikant hem had aangeraden. Hij toonde oprechte belangstelling.

Rebecka en Torsten reden terug naar de stad. Rebecka vertelde over Jukkasjärvi. Hoe het dorp er voor de grote toeristenexplosie uit had gezien. Dommelend aan de rivier. De bevolking die stilletjes wegstroomde, als zand in een zandloper. De Konsum-supermarkt was een waar voedselantiquariaat. De zeldzame toerist in het heemkundig museum kreeg te lang doorgekookte koffie en een chocolaatje waarop een wit ouderdomslaagje was verschenen. De huizen raakte je aan de straatstenen niet kwijt. Stil en hologig hadden ze daar gestaan, met lekkende daken en muizen in de wanden. De weides overwoekerd door opslag.

En nu: er kwamen toeristen van over de hele wereld om tussen rendierenvellen in het ijshotel te slapen, sneeuwscooter te rijden bij dertig graden onder nul, hondenslee te rijden en ingezegend te worden in de ijskerk. En als het geen winter was, gingen ze naar de sauna op saunavlotten en deden aan rafting.

‘Stop!’ riep Torsten plotseling. ‘Daar kunnen we eten.’

Hij wees op een bord langs de kant van de weg. Dat bestond uit twee handbeschilderde planken boven elkaar. Ze waren tot pijlen verzaagd en wezen naar links. Groene letters op een witte ondergrond verkondigden OVERNACHTING EN ETEN TOT 23 U.

‘Nee, dat kan niet,’ zei Rebecka. ‘Dat is de weg naar Poikkijärvi. Daar is helemaal niks.’

‘Kom op, Martinsson,’ zei Torsten, terwijl hij verwachtingsvol langs de weg tuurde. ‘Waar is je gevoel voor avontuur gebleven?’

Rebecka zuchtte als een moeder en sloeg de weg naar Poikkijärvi in.

‘Hier is helemaal niks,’ zei ze. ‘Een kerkhof, een kapel en wat huizen. Ik kan je verzekeren dat degene die dat bord daar een eeuwigheid geleden heeft neergezet een week later failliet is gegaan.’

‘Als we dat zeker weten, keren we om en rijden we naar de stad om daar te eten,’ zei Torsten zorgeloos.

De asfaltweg ging over in een steenslagweg. Links van hen stroomde de rivier en je kon Jukkasjärvi aan de andere kant zien liggen. De stenen knarsten onder de autobanden. Aan beide kanten van de weg stonden houten huizen, de meeste rood geverfd. Sommige tuinen werden opgeleukt met wegkwijnende bloemen in tractorbanden en miniatuurmolentjes, andere met schommels en zandbakken. Honden renden mee in hun kennels zo lang als ze konden en blaften hees naar de passerende auto. Rebecka kon de blikken vanuit de huizen voelen: een auto die ze niet kenden, wie zou dat kunnen zijn? Torsten keek om zich heen als een gelukkig kind, leverde commentaar op de lelijke aanbouwen en zwaaide naar een oudere man, die stopte met bladeren harken om hen na te staren. Ze passeerden jongetjes op de fiets en een uit de kluiten gewassen kerel op een bakbrommer.

‘Daar,’ wees Torsten.

Het restaurant lag aan de andere kant van het dorp. Het was een verbouwde voormalige garage. Het gebouw zag eruit als een vierkante, wittige kartonnen doos, het vuilwitte pleister had op een flink aantal plaatsen losgelaten. Twee grote garagedeuren aan de lange kant van het gebouw kwamen uit op de weg. In de deuren waren langwerpige ramen aangebracht voor het licht. Aan de ene korte kant zaten een gewone deur en een raam met tralies. Aan weerskanten van de deur stonden twee plastic vuilnisemmers met oranjegele afrikaantjes. De garagedeuren, de deur en de raamkozijnen waren geverfd met schilferende bruine verf. Aan de andere korte kant, de achterkant van het eetcafé, stonden wat fletsrode sneeuwploegen in het hoge, dorre herfstgras.

Drie kippen fladderden op en verdwenen om de hoek toen Rebecka de onverharde parkeerplaats op reed. Tegen de lange muur aan de rivierkant stond een stoffige neonreclame geleund met de tekst LAST STOP DINER. Een inklapbaar houten bord naast de deur verkondigde BAR OPEN. Er stonden drie andere auto’s geparkeerd.

Aan de andere kant van de weg stonden vijf blokhutachtige gebouwtjes. Rebecka vermoedde dat je daar kon overnachten.

Ze zette de motor af. Op hetzelfde moment kwam de bakbrommer die ze eerder hadden ingehaald aanrijden en werd bij de muur van het huis geparkeerd. Er zat een uit de kluiten gewassen jongen op het zadel. Hij bleef even op de brommer zitten alsof hij niet kon beslissen of hij van het zadel af zou stappen of niet. Vanonder de rand van zijn helm staarde hij dommig naar Rebecka en Torsten in die onbekende auto en hij wiegde een paar keer heen en weer naar het stuur en terug. Zijn krachtige kaak bewoog van links naar rechts. Ten slotte stapte hij van de brommer af en liep naar de deur. Hij liep licht voorovergebogen, zijn blik naar de grond en zijn armen gebogen in een hoek van negentig graden.

‘De chef-kok gaat naar zijn werk,’ grapte Torsten.

Rebecka stiet een ‘hm’ uit, het geluid dat door assistent-juristen werd gebruikt als ze niet wilden lachen om botte grappen, maar ook niet doodstil wilden blijven en daarmee de compagnon of cliënt voor het hoofd stoten.

Nu stond de grote jongen voor de deur.

Hij heeft wel iets van een enorme beer met een groene jas, dacht Rebecka.

Hij draaide zich om en liep terug naar de bakbrommer. Hij knoopte zijn groene windjack open, legde het voorzichtig op de deksel van het voertuig en vouwde het op. Daarna deed hij zijn helm af en legde hem, alsof hij van dun glas was gemaakt, midden op het opgevouwen jack. Hij deed zelfs een stap achteruit om het te controleren, ging er weer naartoe en verplaatste de helm een millimeter, zijn hoofd nog steeds gebogen en enigszins scheef. Hij keek vanuit zijn ooghoeken naar Rebecka en Torsten, en wreef over zijn grote kin. Rebecka schatte hem op een jaar of twintig. Maar in zijn hoofd nog een jongetje, dat was duidelijk.

‘Wat doet hij?’ fluisterde Torsten.

Rebecka schudde haar hoofd.

‘Ik ga naar binnen om te vragen of we al warm kunnen eten,’ zei ze.

Rebecka stapte uit de auto. Vanuit het open raam met een groene hor klonk het geluid van een of ander sportprogramma op televisie, zacht gepraat en het gerinkel van serviesgoed. Vanaf de rivier klonk het geluid van een buitenboordmotor. Het rook naar eten. Het was wat killer geworden. De middagkoelte veegde als een hand over het mos en de bosbessenstruikjes.

Het is net thuis, dacht Rebecka, terwijl ze naar het bos aan de andere kant van de weg keek. Een zuilenhal van smalle dennen op de karige zandgrond. De zonnestralen reikten ver tussen de koperkleurige stammen die tussen de lage struikjes en de bemoste stenen groeiden.

Opeens kon ze zichzelf zien: een klein meisje in een gebreide, synthetische trui, die je haar statisch maakt als je hem over je hoofd trekt. Een ribbroek die aan de pijpen is verlengd met een bies. Ze komt uit de bosrand. In haar hand houdt ze een stenen beker vol bosbessen die ze geplukt heeft. Ze is op weg naar de zomerstal. Daarbinnen zit grootmoeder. Op de betonnen vloer brandt een rokerig vuurtje tegen de muggen. Het vuurtje is precies goed; als je er te veel gras op gooit, beginnen de koeien te hoesten. Grootmoeder melkt Mansikka; ze houdt de koeienstaart met haar voorhoofd tegen Mansikka’s flank geklemd. Het klettert in de emmer. De kettingen rammelen als de koeien zich vooroverbuigen naar meer hooi.

‘En, Pikku-piika,’ zegt grootmoeder, terwijl haar handen de koeienspenen ritmisch aandrukken. ‘Waar ben jij de hele dag geweest?’

‘In het bos,’ antwoordt de kleine Rebecka.

Ze stopt een paar bosbessen in de mond van haar grootmoeder. Nu pas merkt ze hoe hongerig ze is.

Torsten tikte tegen de autoruit.

Ik wil hier blijven, dacht ze, en ze verbaasde zich over de hevigheid waarmee ze dat dacht.

De pollen in het bos zagen eruit als kussens. Bekleed met glimmende, donkergroene en dichtbebladerde vossenbessentakken, en kwetsbaar groene bosbessentakjes die voorzichtig naar rood begonnen te verschieten.

Kom hier toch liggen, fluisterde het bos. Leg je hoofd te rusten en kijk hoe de wind de boomkruinen heen en weer wiegt.

Nog een tik tegen de autoruit. Ze knikte bij wijze van groet naar de grote jongen. Hij bleef op de trap staan toen zij naar binnen stapte.

De twee garages van de voormalige werkplaats waren verbouwd tot een eetgelegenheid en een bar. In de ruimte stonden zes tafels van donker gebeitst grenen langs de muren opgesteld. Elke tafel bood plek aan zeven mensen, als er eentje aan het hoofdeinde zat. De kunststof vloerbedekking met koraalrode marmerprint paste bij het roze geverfde, gecoate behang waarop een patroon was geschilderd dat in de hele ruimte doorliep, zelfs dwars over de klapdeur naar de keuken. Om de zichtbare, roze geverfde buizen van de waterleiding had iemand lianen van kunstklimop gewikkeld in een poging het geheel wat extra cachet te geven. Achter de donkergebeitste bar links in de ruimte stond een man met een blauw schort glazen af te drogen, die hij op een plank zette, waar ze zich met de drankvoorraad verdrongen. Hij groette toen Rebecka binnenstapte. Hij had een donkerbruin stoppelbaardje en een ringetje in zijn rechteroor. De mouwen van zijn zwarte T-shirt waren opgerold over zijn bolle spieren. Aan een van de tafels zaten drie mannen met een mandje brood voor zich op hun eten te wachten. Het bestek in wijnrode servetten gerold. Hun blikken op het voetbal op televisie gericht. Hun knuisten in het broodmandje. De werkmanspetten lagen op een hoopje op een van de vrije stoelen. Ze waren gekleed in verwassen flanellen overhemden over met reclame bedrukte T-shirts met versleten boorden. Een van hen droeg een blauwe werkmansbroek met hengsels waarop een bedrijfslogo stond. De twee anderen hadden hun blauwe overalls opengeritst en het bovenste gedeelte, dat nu achter hen op de grond hing, uitgetrokken.

Een vrouw van middelbare leeftijd, die alleen zat, doopte haar brood in een bord soep. Ze glimlachte vluchtig naar Rebecka en stopte toen snel het stuk brood in haar mond voor het uit elkaar viel. Aan haar voeten lag een zwarte labrador met witte ouderdomsstrepen op zijn snuit te slapen. Over de stoel naast haar hing een onwaarschijnlijk versleten barbie-roze gewatteerde lange jas. Haar haar was erg kort, je zou het kapsel op z’n vriendelijkst kunnen typeren als praktisch.

‘Kan ik je ergens mee helpen?’ vroeg de jongen met het ringetje vanachter de bar.

Rebecka draaide zich naar hem toe en kon niet meer zeggen dan ‘Ja’, voordat de klapdeur van de keuken openzwaaide en er een vrouw van halverwege de twintig binnen kwam stormen met drie borden. Haar lange haar was gestreept in de kleuren blond, onnatuurlijk rood en zwart. Haar wenkbrauw was gepiercet en ze had twee glimmende steentjes in haar neusvleugel.

Wat een prachtig meisje, dacht Rebecka.

‘Ja?’ zei het meisje aansporend tegen Rebecka.

Ze wachtte niet op antwoord, maar zette de borden neer op de tafel van de wachtende mannen. Rebecka was van plan geweest te vragen of ze al avondeten serveerden, maar ze kon nu zien dat dat inderdaad zo was.

‘Er staat OVERNACHTING op het bord,’ hoorde ze zichzelf zeggen. ‘Hoeveel kost dat?’

De jongen met het ringetje keek onthutst naar haar.

‘Mimmi,’ zei hij. ‘Ze vraagt naar overnachtingsmogelijkheden.’

Mimmi, de vrouw met het gestreepte haar, wendde zich tot Rebecka, droogde haar handen af aan haar schort en veegde een zweterige haarlok uit haar gezicht.

‘We hebben simpele hutten,’ zei ze. ‘Ze kosten 270 kronen per nacht.’

Waar ben ik mee bezig, dacht Rebecka.

En prompt daarop dacht ze: Ik wil hier blijven. Alleen.

‘Oké,’ zei ze zacht. ‘Ik kom zo meteen met een man binnen om te eten. Als hij ook vraagt naar een kamer, zeg dan dat er alleen plaats is voor mij.’

Er ontstond een rimpel tussen Mimmi’s wenkbrauwen.

‘Waarom zou ik?’ zei ze. ‘Dat betekent dat wij minder verdienen.’

‘Helemaal niet. Als je zegt dat je ook plek voor hem hebt, bedenk ik me en dan slapen we allebei in Vinterpalatset in de stad. Dus: één gast, of geen.’

‘Heb je er moeite mee om die vent van je af te houden of zo?’ grijnsde de jongen met het oorringetje.

Rebecka haalde haar schouders op. Ze mochten denken wat ze wilden. Wat zou ze ook moeten zeggen?

Mimmi haalde ook haar schouders op.

‘Goed dan,’ zei ze. ‘Maar willen jullie wel allebei wat eten? Of moeten we zeggen dat er alleen genoeg is voor jou?’

Torsten las de menukaart. Rebecka zat hem vanaf de andere kant van het tafeltje te bekijken. Zijn ronde wangen waren rood gekleurd van plezier. Zijn leesbril was zo laag op zijn neusbrug vastgeklemd als maar mogelijk was zonder zijn luchtwegen dicht te drukken. Zijn haar warrig. Mimmi stond over hem heen gebogen en wees in de menukaart, terwijl ze tegelijkertijd voorlas. Als een onderwijzeres en een schooljongen.

Hij vindt dit geweldig, dacht Rebecka.

De mannen met hun grove armen en de messen die in hun schedes aan hun broek hingen, die opgelaten bromden toen Torsten in zijn grijze kostuum kwam binnenzeilen en hen opgewekt groette. Die knappe Mimmi met haar grote boezem en haar harde stem, zo anders dan de inschikkelijke meisjes van Sturecompaniet als maar mogelijk was. Nu al vormden zich verhaaltjes in zijn hoofd.

‘Of je neemt het menu van de dag,’ zei Mimmi, en ze wees naar een zwarte lei aan de muur waarop stond ELANDENROLLADE MET PADDESTOELEN- EN GROENTERISOTTO. ‘Of je neemt iets uit de vriezer. De dingen die hier staan, kun je krijgen met aardappels, rijst of pasta – wat je wilt.’

Ze wees in de menukaart waar een aantal gerechten werd opgesomd onder het kopje ‘Uit de vriezer’: lasagne, gehaktballen, gekookte bloedworst, rendierstoofschotel, gerookt elandenvlees, rundvleesstoofschotel.

‘Misschien zou ik eens gekookte bloedworst kunnen proberen,’ zei hij verrukt tegen Rebecka.

De deur ging open en de reusachtige jongen van de bakbrommer kwam binnen. Hij bleef binnen bij de deur staan. Zijn immense lijf was in een gestreept, pasgestreken katoenen overhemd gestopt, dat tot aan zijn hals was dichtgeknoopt. Hij durfde niet goed naar de andere gasten te kijken. Hij hield zijn hoofd enigszins scheef, zodat zijn grote kin in de richting van het langgerekte venster wees. Alsof zijn kin een vluchtweg aanduidde.

‘Maar Nalle!’ riep Mimmi uit, en ze liet Torstens voedseloverwegingen in de steek.

De grote jongen glimlachte verlegen en keek haar even snel aan.

‘Kom eens hier en laat me naar je kijken!’ riep de vrouw met de hond, terwijl ze haar soepbord van zich af schoof.

Nu zag Rebecka hoezeer Mimmi en de vrouw met de hond op elkaar leken. Ze moesten moeder en dochter zijn.

De hond aan de voeten van de vrouw tilde zijn kop op en kwispelde twee keer vermoeid. Daarna legde hij zijn kop weer neer en sliep verder.

De jongen ging naar de vrouw met de hond. Ze sloeg haar handen in elkaar.

‘Wat zie je er chic uit!’ zei ze. ‘Gefeliciteerd met je verjaardag! Wat een prachtig overhemd.’

Nalle glimlachte gevleid en hief zijn kin richting plafond in een bijna komische pose die Rebecka aan Rudolf Valentino deed denken.

‘Nieuw,’ zei hij.

‘Ja, we zien natuurlijk heel goed dat het nieuw is,’ zei Mimmi.

‘Ga je uit dansen, Nalle?’ riep een van de kerels. ‘Mimmi, regel jij vijf bakken eten uit de vriezer? Pak maar wat je wilt.’

Nalle wees op zijn broek.

‘Ook,’ zei hij.

Hij strekte zijn armen recht voor zich uit, zodat iedereen zijn broek goed kon zien. Het was een grijze katoenen broek, die op zijn plaats gehouden werd door een militaire riem.

‘Is die ook nieuw? Hartstikke mooi!’ verzekerden beide bewonderende vrouwen hem.

‘Kom,’ zei Mimmi, en ze trok de stoel tegenover de vrouw met de hond naar achter. ‘Je vader is er nog niet, maar je kunt vast bij Lisa gaan zitten terwijl je op hem wacht.’

‘Taart,’ zei Nalle toen hij ging zitten.

‘Ja, natuurlijk krijg je taart. Denk je soms dat ik dat vergeten ben? Na het eten!’

Mimmi’s hand ging naar zijn hoofd en aaide hem vluchtig over zijn haar. Daarna verdween ze de keuken in.

‘Ik wil hier vannacht blijven slapen,’ zei Rebecka. ‘Je weet wel, ik ben aan deze rivier opgegroeid, een flink stuk stroomopwaarts, dus werd ik overvallen door nostalgie. Maar ik breng je naar de stad en haal je morgen weer op.’

‘Geen probleem,’ zei Torsten, met zijn rode avonturierswangen in volle bloei. ‘Ik kan hier ook blijven.’

‘Maar ze hebben hier geen Hästens-bedden in de kamers staan, neem ik aan,’ probeerde Rebecka.

Mimmi kwam naar buiten met vijf aluminium bakken onder haar arm.

‘We wilden hier vannacht blijven slapen,’ zei Torsten tegen haar. ‘Hebben jullie kamers vrij?’

‘Sorry,’ antwoordde Mimmi. ‘We hebben nog maar één huisje. Met een bed van negentig centimeter breed.’

‘Dat geeft niet,’ zei Rebecka tegen Torsten. ‘Ik breng je naar de stad.’

Hij glimlachte naar haar. Onder de glimlach en de goedbetaalde, succesvolle compagnon zat een dik jongetje met wie ze niet wilde spelen en dat wilde overkomen alsof hem dat niks kon schelen. Er ging een steek door haar borst.

Toen Rebecka terugkwam uit de stad, was het bijna helemaal donker. Het bos stond als een silhouet afgetekend tegen de zwartblauwe lucht. Ze parkeerde de auto voor de bar en deed hem op slot. Buiten het gebouwtje stond een aantal auto’s geparkeerd. Vanuit de bar klonken de stemmen van brede kerels, het geluid van vorken die met kracht door vlees gedrukt werden en tegen het bord stootten, de televisie als grondtoon van het geheel, de overbekende reclamedeuntjes. Nalles bakbrommer stond nog steeds buiten. Ze hoopte dat hij binnen een fijne verjaardag had gehad.

Het huisje waar ze in zou slapen stond aan de andere kant van de landweg bij de bosrand. Een lampje boven de deur verlichtte het cijfer 5.

Ik voel me vredig, dacht ze.

Ze liep naar de deur van het huisje, maar draaide zich plotseling om en liep een paar meter het bos in. De sparren stonden stil en ze keek omhoog naar de sterren die waren begonnen te schitteren. Hun lange, blauwgroene fluwelen mantels bewogen zich voorzichtig over het mos.

Rebecka ging op de grond liggen. De dennen bogen hun hoofden naar elkaar toe en fluisterden sussend. De laatste muggen en knutjes van de zomer zongen in een intensief koor en begaven zich naar die plekken van haar lichaam waar ze bij konden. Daar wilde ze wel op trakteren.

Ze merkte Mimmi, die buiten kwam om afval weg te gooien, niet op.

Mimmi ging naar Micke in de keuken.

‘Oké,’ zei ze. ‘Waanzinwaarschuwing.’

Ze vertelde dat hun logé zich te rusten had gelegd, niet in haar bed in de hut, maar buiten op de grond.

‘Je blijft je verbazen,’ zei Micke.

Mimmi hief haar ogen op ten hemel.

‘Nog even en dan ontdekt ze dat ze van sjamanen afstamt, of een heks is, verhuist ze naar het bos, bereidt ze kruidendrankjes boven een vuur en danst ze in een heksenkring.’

 

Gele Poten

HET IS PAASTIJD. ALS DE WOLVIN DRIE JAAR OUD IS, WORDT ZE VOOR het eerst door een mens gezien. Dat gebeurt in Noord-Karelië, bij de rivier de Vodla. Zelf heeft ze al vele malen mensen gezien. Ze herkent hun scherpe lucht. En ze begrijpt waar deze mannen op dit moment mee bezig zijn: ze vissen. Toen ze nog een slungelige eenjarige was, sloop ze in de schemering vaak naar de rivier om van alles wat de tweebenigen hadden achtergelaten, naar binnen te schrokken: visafval, ingewanden, voorn en winde.

Volodja zet ijsnetten uit met zijn broer. Zijn broer heeft vier wakken gehakt en ze zullen drie netten uitzetten. Volodja zit op zijn knieën bij het tweede wak, klaar om de stok die zijn broer onder het ijs door schuift aan te pakken. Zijn handen zijn nat en doen pijn van de kou. Hij vertrouwt het ijs niet. Hij let er goed op de ski’s voortdurend in de buurt te hebben. Als het ijs breekt, kan hij op zijn buik op de ski’s gaan liggen en zich aan land trekken. Alexander wil de netten hier graag uitzetten omdat dit een goede plek is. Er is veel vis en er staat een sterke stroming. Alexander heeft met de ijspriem precies op die plekken gehakt waar de ondiepe stukken steil aflopen, de diepe rivierbedding in.

Maar het is een gevaarlijke plek. Als het water stijgt, vreet de rivier het ijs van onderaf weg. Dat weet Volodja. Het ijs kan de ene dag drie handbreedtes dik zijn en de volgende dag twee vingers.

Hij heeft geen keus. Hij is deze Pasen op bezoek bij het gezin van zijn broer. Alexander woont met zijn vrouw en twee dochters dicht op elkaar op de benedenverdieping. De moeder van Alexander en Volodja resideert op de bovenverdieping. Alexander is gebonden door de verantwoordelijkheid voor de vrouwen. Zelf leidt Volodja een trekkend bestaan voor de oliemaatschappij Transneft. Vorige winter zat hij in Siberië. Afgelopen herfst aan de baai van Vyborg. De laatste maanden heeft hij in het bos op het Karelisch schiereiland gezeten. Toen zijn broer hem voorstelde op pad te gaan om netten uit te zetten, kon hij niet weigeren. Had hij geweigerd, dan was Alexander alleen op pad gegaan. En dan zou Volodja morgenavond bij de avondmaaltijd marene zitten te eten die hij zelf niet had willen vangen.

Zo ziet de woede van zijn broer eruit; hij dwingt zichzelf en zijn jongste broer het gevaarlijke ijs op. Nu ze hier zijn, lijkt de druk op zijn hart af te nemen. Hij glimlacht bijna, nu hij met zijn blauwe verstijfde handen in het wak staat. Misschien zou die verbeten woede getemperd worden als hij een zoon kreeg, denkt Volodja.

En net op dat ogenblik, in de vluchtige gedachte richting de Maagd dat het kind in de buik van de vrouw van de broer een jongen mag zijn, krijgt hij de wolf in het oog. Ze staat hen vanuit de bosrand aan de andere kant van de rivier gade te slaan. Helemaal niet ver weg. Scheefogig en langbenig is ze. Haar vacht is wollig en dik vanwege de winter. Er steken lange, grove zilverkleurige haren uit de wollige vacht. Hij heeft het gevoel dat hun blikken elkaar kruisen. Zijn broer ziet niets. Hij staat met zijn rug naar haar toe. Haar poten zijn bijzonder lang. En geel. Ze ziet eruit als een koningin. En Volodja zit voor haar op zijn knieën op het ijs als een dorpsjongen, met zijn natte handschoenen en leren muts met oorflappen scheef op het bezwete haar.

Zjoltye nogi, zegt hij. Gele poten.

Maar alleen in zijn hoofd. Zijn lippen bewegen niet.

Hij zegt niets tegen zijn broer. Misschien zou Alexander het geweer dat tegen de rugzak leunt, oppakken en een schot lossen.

Hij moet haar loslaten met zijn blik om de lijn van het net los te maken van de stok. Als hij weer opkijkt, is ze weg.

Als Gele Poten driehonderd meter het bos in is gelopen, is ze de twee mannen op het ijs al vergeten. Ze zal nooit meer aan hen denken. Na twee kilometer blijft ze staan en jankt. Ze krijgt antwoordt van de andere roedelleden; die bevinden zich een kleine tien kilometer verderop en ze begint te draven. Zo is ze, ze trekt er vaak alleen op uit.

Volodja herinnert zich haar de rest van zijn leven. Elke keer dat hij terugkomt bij de plek waar hij haar zag, speurt hij de bosrand af. Drie jaar later ontmoet hij de vrouw die zijn echtgenote wordt.

Als ze voor de eerste keer in zijn armen rust, vertelt hij haar over de wolf met de lange, gele poten.