HOOFDSTUK 13

Onder het lezen waren de tranen gekomen. Het was waar: gluurders zagen dingen die ze beter niet konden zien. Dré hield niet meer van haar. Het was gebeurd. Nimmer had Stans zich zo verlaten gevoeld. Ze was Dré voorgegaan in het in de steek laten van een geliefde, maar het gewicht van die daad voelde ze pas nu het haar werd aangedaan. Wat raar dat ze nu aan Kemp moest denken, aan de romance die zijn gouden glans had verloren.

Stans raapte de snippertjes op van de enveloppe. Nauwkeurig zocht ze na of er niets was blijven liggen. Ze stopte de brief en de gescheurde enveloppe in haar zak. Dré’s ouders moesten deze brief niet zien en nog minder dat zij hem had gelezen. Het zou een wreed einde van hun vakantie zijn. Een schreeuw om hulp van Dré, die zij zo succesvol wisten in Oman.

Als een dief in de nacht verliet ze het huis van Van Son. De ommekeer was volledig. Ze werd pas goed weer bij de persoon betrokken die haar aandacht moest hebben, nu bleek dat ze die had verloren. Ze zat met een huis dat klaar was om door haar en haar man bewoond te worden. Maar die man zou niet komen. Na de voltooiing van de verbouwing had ze de zorg voor hun bruiloft. Een huwelijksfeest dat niet zou plaatsvinden.

De romance met Kemp was een lentegroen blad geweest, en later volgroeid, nu was hij dor geworden en wachtte op de herfststormen om hem af te rukken en voortgeblazen te worden. Stans had geen spijt van haar affaire met Kemp, hij was volmaakt geweest. En zoals het hoorde bij zaken die ideaal waren: ze werden afgebroken op het hoogtepunt ! Er was geen sprake van verveling of een verzadigingspunt. Toch, en dat besefte Stans met onfeilbare zekerheid, was het nu voorbij.

Ze verlangde naar zijn terugkeer uit Tunesië, maar er zou geen draad meer op te pakken zijn. Die was afgebroken. Ze hield nog van hem, ze zou op de een of andere manier van hem blijven houden. Maar samen zouden ze nooit meer kunnen zijn.

Stans zat op haar knieën voor de salontafel. Dré’s brief lag voor haar. Ze zag de tekst niet, onafgebroken streek ze het papier glad. Haar ogen wijd opengesperd. Ze staarden in de verte, heet en droog. In een oeroud gebaar van vertroosting wiegde ze heen en weer. Er was nog geen half uur verstreken sinds ze Dré’s brief had opengemaakt, maar de wereld had in de tussentijd even stilgestaan. Voor Stans waren er slechts scherven. Scherven van geluk, scherven van een oud, vertrouwd leven, scherven van een meisje. Een meisje dat haar jeugd op hardhandige wijze moest afleggen. Ze verlangde wanhopig naar Kemp, het besef van een groot verlies is vaak wanhopig. Hun liefde was zo mooi geweest, sprookjesachtig. Maar er was geen warmte meer om haar hart te doen smelten. Er was meer tussen Kemp en haar gekomen dan afstand. Hun romance was in één klap verworden tot een herinnering, een gloedvolle herinnering, maar niet meer dan dat, kleinoden voor haar geest.

Had ze zich ooit afgevraagd waarom er niet over de toekomst werd gesproken als ze samen waren? Het leek wel intuïtie: niet spreken over onmogelijke zaken. Een toekomst voor hen samen was niet weggelegd. Stans was gebonden aan een andere man. Maar ook in een ander opzicht kon ze niet aan Kemp toebehoren. De jonge zanger was een warm, gevoelig mens, begiftigd met vele talenten. Zijn ambitie was zoveel groter dan zich liet vermoeden. Stans had gezien dat Kemp eindelijk een keus had gemaakt. Hij was-wijselijk-bezweken voor zijn gaven. Van nu af aan zou hij gehoor geven aan zijn uitingsdrang. Ze was blij met deze ontwikkeling, maar het had ook betekend dat ze hem moest laten gaan. Hij zou zijn weg alleen bewandelen, vaak eenzaam, dat eveneens. Niettemin zou hij nimmer omzien, nooit dwalen, voortgestuwd door zijn veelzijdig talent en grote ambitie. De paradijsvogel zou geen vrouw kunnen gebruiken die hem aan de staartveren terugtrok.

Berouw was geen woord waarmee Stans op haar verhouding met Kemp zou omzien. Hij was een geweldig mens, ze was blij hem zo goed gekend te hebben. Hun liefde was echter van begin af aan gedoemd geweest te mislukken, het had geen levensvatbaarheid.

Nu begreep Stans die huiveringen die ze in zijn nabijheid gewaar was geworden. De wolkjes aan hun gouden horizon waren onheilsboden geweest. Ze was de zijne geweest voor een korte periode. Nu zag ze het in een heel ander licht. Bewonderaar van Kemp als ze was, was ze bezweken voor hetgeen hij vertegenwoordigde: schoonheid, charme, talent en bekendheid. Die benijdenswaardige combinatie had Kemp in zich verenigd. Het was te veel om te weerstaan en zij, een gewoon meisje, had dat niet gekund. Ze had zich gekoesterd in de warme aandacht en liefde van een overrompelende persoonlijkheid.

Haar liefde was gebaseerd op bewondering; een totaal ongelijke basis. Stans was vanaf het eerste moment in het nadeel geweest. Hij was haar idool, ze had hem op een voetstuk geplaatst. Het was geen fundament voor een blijvende relatie. Wat zij nodig had, was een verhouding die gebaseerd was op wederzijds respect, met een gewone - anonieme - jongen. Iemand tegen wie ze niet zou moeten opkijken. Er was geen leven mogelijk met een man die je voortdurend met anderen moest delen. Ze zou wegkwijnen. En dan nog: ze had nooit de zijne mogen zijn. Aan de feiten kon ze echter niets meer veranderen. Er zouden nog vele vragen en harde woorden volgen. Hun relatie was in de openbaarheid gekomen en dat had direct het einde ervan bezegeld. De pers had zich er als een hongerige wolf in vastgebeten en het aan stukken gereten.

Stans wilde zich absoluut terugtrekken in de anonimiteit. Ze begreep dat dat niet mogelijk was zonder eerst langs dat spervuur van beschuldigingen, verwijten en valse roddels te gaan. Ze verliet Kemp. Er lag een moeilijke periode voor haar. Maandag zou ze weer aan het werk gaan. Dat zou de eerste keer zijn dat ze vragen kreeg te beantwoorden. Haar ouders en schoonouders zouden eveneens een verklaring eisen. En dan: Kemp. Hij vermoedde nog niets, onwetend zat hij in Tunesië. Bij zijn terugkeer zou ze hem vertellen wat er was voorgevallen. Dat ze, nu hun romance voor het daglicht was gekomen, niet langer bij hem kon blijven. Dat het ten einde was.

Stans moest niet denken aan zijn poging om haar weer voor zich te winnen. Ze wist hoe overredend hij kon zijn. Nu moest ze sterk zijn, hij mocht niet winnen. Ze zou hem niet helpen door bij hem te blijven. Oh, dat zou hij niet meteen begrijpen. Misschien zag hij later de juistheid van haar beslissing in. Door het artikel in het sensatieweekblad was haar drang tot zelfbehoud boven hun gouden roes uitgestegen. Het was sterker gebleken.

Deze zomer was hun zomer geweest. Hun geheim had een lange, warme zomer geduurd. Het zou niet tegen herfststormen en zwiepende regens bestand blijken. Haar persoonlijkheid zou opgelost zijn in de zijne. Iets had haar weerhouden het zover te laten komen. Wellicht was het het vervloekte artikel geweest dat haar het zetje had gegeven, maar het moment zou onafwendbaar zijn gekomen.

Stans werd uiterst nerveus bij het vooruitzicht van de vele, moeilijke uren die haar nog te wachten stonden. Ze moest Kemp overtuigen van het feit dat wat zij hadden voorbij was. Daarbij moest ze hem een gunst vragen. Ze had nooit zijn minnares mogen zijn. Het was ironisch dat ze dat pas inzag, nadat het feit van hun affaire ontdekt was door de pers. Ze wilde Kemp vragen of, als hij weer in contact kwam met het betreffende weekblad of anderszins in het nieuws kwam, hij melding zou maken van de beëindiging van hun relatie. Verder gaan met Kemp was uitgesloten, maar het zou haar nog meer schade berokkenen dan hem. Hoewel Kemp er niet altijd gelukkig mee was dat de media overal met hun neus bovenop stonden, was hij er beter tegen bestand dan Stans, die volstrekt niét voor het voetlicht wilde treden. Bovendien dwongen haar huiselijke omstandigheden haar Kemp de rug toe te keren.

Haar ouders kwamen die zaterdagavond thuis. Stans was erbij toen de auto en de caravan behouden de thuishaven bereikten. Twee lieve, vertrouwde mensen stapten blij en bruinverbrand uit de wagen. Stans drukte de gedachten aan de onvermijdelijke problemen met geweld opzij. Zolang haar ouders er geen weet van hadden, was ze veilig. Verzwijgen was ditmaal puur zelfbehoud.

Toch was het een geweldige opluchting haar ouders weer in de buurt te hebben. Nu was ze tenminste niet meer zo verschrikkelijk alleen. Er zouden nog wat moeilijke gesprekken volgen, maar voorlopig was de stemming opgetogen. Ze omhelsde haar vader en moeder tegelijkertijd.

,,Dag, allerliefste schatten!” zei ze tussen dikke klapzoenen door. Ze hing tussen hen in. „Hebben jullie het fijn gehad?” Stans hielp haar ouders met uitladen en hoorde ondertussen de blije vakantieverhalen aan. Kon ze zichzelf maar in zo’n onbezorgdheid koesteren. Arjen en Helen waren nieuwsgierig naar hoe Stans was opgeschoten in haar woning. Stans vertelde precies hoe ver ze er in zat. Dat de vloer was gelegd, dat ze de meubels aan had gekregen en dat de gordijnen hingen.

„Arme meid, jij moet altijd maar werken,” zei haar moeder meelevend, „ik zou je zo wel drie weken naar het Comomeer willen sturen. Met Dré!”

Bij die toevoeging beet Stans op haar lip. Waarschijnlijk zou Dré zich nergens meer naar toe laten sturen, niet met haar. Ze zei maar liever niets. Ze had het nog lang niet verwerkt en wist ook niet wat ze met de verdonkeremaande brief aan moest.

Stans sprak af met haar ouders dat ze de volgende dag naar haar vorderingen zouden komen kijken. Eerst moesten ze een nachtje bijkomen van de vermoeienissen in hun eigen bed.

Zondagochtend bezocht Stans haar schoonouders. Het was een vergelijkbaar tafereel. Ook Dré’s ouders waren blij om weer behouden thuis te zijn, vol verheugende vakantiebelevenissen. Stans kreeg een complimentje voor haar goede zorgen.

Na koffie te hebben gedronken verliet ze de Van Sons, die diep in de nacht waren thuisgekomen. In de middaguren verwachtte ze haar ouders in haar woning. Stans had er schik in haar vader en moeder van de ene verbazing in de andere te zien vallen over de veranderingen die haar huis had ondergaan.

De maandag brak aan. Het onheilsmoment liet niet lang op zich wachten. Stans, die al hypernerveus was gearriveerd op haar werk, stond op scherp. Het was valse hoop te denken dat het artikel misschien nog niet ontdekt was door haar collega’s. Carla kwam met volle zeilen aanzetten. Ze smeet het blad, op de gehate pagina opengeslagen, voor Stans’ neus op haar werkplek.

„Hier kun je niet onderuit, hè?” katte Carla.

Ilse van Kampen’s geloof in Stans was geschokt geweest toen ze in het weekeinde het verslag over haar affaire met Kemp Feller had gelezen. De foto bewees het onomstotelijk. Een knappe man en een mooi meisje, duidelijk gek op elkaar. Toch wilde Ilse er nog niet aan. Ze moest het eerst van Stans zelf horen. Het was niet de netste manier, afluisteren hoe het gesprek zich tussen Carla en Stans ontspon, maar ze kon nu geen partij kiezen. Onthutst hoorde ze Stans zeggen: „Nee, daar kan ik niet onderuit.”

Het klonk kalm, maar Ilse wist dat Stans gespannen was. Dat kon niet anders. Ondanks de ongunstige verwikkelingen bewonderde Ilse toch Stans’ moed. Ze was ongetwijfeld schuldig, getuige de hangende schouders en het gebogen hoofd, maar ze weigerde zich klein te laten krijgen.

De aanwezige boekenruilers luisterden met gespitste oren naar de woordenwisseling achter de balie. Ilse moest tussenbeide komen. Ze duldde niet dat de orde werd verstoord in haar bibliotheek. Ze kon echter niet voorkomen dat Carolien en Carla als samenzweerders naar elkaar lachten. Stans had zich lelijk in de nesten gewerkt. Later riep ze het meisje bij zich in haar kantoortje.

„Stans, zo gaat het niet goed,” begon Ilse voorzichtig, „ik weet wat er zich heeft afgespeeld. ” Ze zweeg even, het was niet aan haar om een waarde-oordeel te vellen over privé-zaken. „Als je soms liever naar huis gaat...”

om mijn wonden te likken? Nee, dank u, ik blijf.” Stans sprak ferm. Ilse stond versteld over de standvastigheid van het meisje en de manier waarop ze haar problemen onder ogen kwam. Ilse kon niet weten dat Stans al het hele weekend had lopen piekeren en zo langzamerhand haar standpunt had bepaald.

De beschuldigingen waren keihard en vlijmscherp. Ze hoefde niet op sympathie te rekenen. Stans had geen zelfmedelijden: ze was zich goed bewust van haar fouten. Maar dat er zo over haar heen werd gevallen was toch wel wat veel gevraagd van haar gespannen zenuwen. Thuiszitten zou niets veranderen. Ze zou de beschuldigingen daar niet horen, maar ze zouden haar blijven achtervolgen. Overspel, vreemdgaan, de woorden had ze nooit in betrekking tot zichzelf gezien. Ze waren haar door Carla en Carolien voor de voeten geworpen.

Het kwam er in feite op neer. Ze was ‘vreemdgegaan’ met Kemp, terwijl ze Dré trouw had beloofd. Ze was niet zo feministisch om er haar schouders over op te halen dat ze haar plezier bij een andere man had gezocht. Zo alledaags was het niet. Haar avontuur was voorbij. Ze had er nog altijd geen berouw van.

Carla kon het niet nalaten te dreigen Dré in te lichten over de pikante ontwikkelingen aan het thuisfront.

„Niet meer nodig,” deed Stans dat af. „Dré heeft er geen belang meer bij.”

Hier keek ook Carla van op. „Je bedoelt...”

„...dat het uit is? Ja.”

Carla’s mond zakte open. Carolien had het gehoord. Ze liep langs met een stapel boeken en merkte als terloops op: „Van dubbelop naar niks, hè? Goh, ik heb met je te doen, hoor, Stans.” Ze legde de boeken bij de computer.

Stans zei niets. Het begrip vreemdgaan was ook betrekkelijk als je je bedacht dat haar verhouding ook voorbij was. Stans had de woorden nog niet voor zichzelf uitgesproken. Ze gaf het nu tegenover Carla voor de eerste keer toe. Het zat haar niet lekker, maar kon ze het niet beter onder ogen zien?

Stans was blij dat haar dienst erop zat. Eindelijk kon ze uit de vijandige omgeving ontsnappen. Ze had gekozen om te blijven, weggaan zou laf zijn, maar het was haar niet licht gevallen. Ze maakte haar eten klaar en at het met lange tanden op. Na het eten zocht ze een karweitje. Kort na achten zag ze haar vader op het terras verschijnen. De uitdrukking op zijn gezicht voorspelde niet veel goeds. Toen ze zag dat haar moeder en schoonouders hem volgden, sloeg de schrik haar om het hart. Het uur van de waarheid was aangebroken. Arjen zei niets, haar moeder nam als eerste het woord. „Stans, kindje, we moeten nu toch eens even met je praten.”

Stans begreep onmiddellijk dat Dré’s ouders verontrust contact hadden gezocht met haar ouders. Stans mokte, was het nodig dat ze zich tegenover vier man sterk moest verantwoorden? Waarschijnlijk betrof de zorg van wederzijdse ouders meer materiële zaken. Theo van Son beheerde de financiële zaken van Dré tijdens zijn afwezigheid. Arjen vreesde wellicht dat al zijn werk aan het huis voor niks was geweest. Een vrees, die hij niet had verzwegen. Stans herinnerde zich die woorden maar al te goed. Mede daarom had ze thuis nooit wat van een romantische betrekking buiten haar verloving laten merken.

De vaders keken ongelovig, de moeders waren teleurgesteld en zenuwachtig. Stans werd bang. Het werd haar ondertussen te veel. De hoon van Carla en Carolien was niet misselijk geweest, maar ze had zich erdoorheen geslagen. Het wantrouwen van ouders en schoonouders vreesde ze veeleer. ,,Stans, wat is er van waar?” vroeg haar moeder. Het behoefde geen nadere uitleg. Het sensatieblad had zijn vernietigende werk gedaan. Ze kon het niet misverstaan. Het had ook geen zin eromheen te draaien.

Stans gaf zich schouderophalend gewonnen. „Het is allemaal waar.”

Doorgaans moesten de artikelen in het roddelblad met een korreltje zout worden genomen. De verslaggever had weliswaar deze keer ook geen bevestiging gevraagd, maar hij had goed geraden. „Oh!” Verslagen grepen de moeders elkaars handen. Het deed pijn.

Stans wist dat het maar weinig troostend was om eraan toe te voegen: „Maar het is voorbij.”

Arjen had daar zo zijn bedenkingen over. Hij was van mening dat als Stans er eenmaal ingetuind was, er wel een volgende keer zou volgen. Hij kon zijn dochter wel slaan. Waar haalde ze het lef vandaan om zo rechtop te blijven staan en haar blik zo strak te houden? Hij had geen flauw idee dat slechts haar houding haar redde, Stans was de wanhoop nabij. Ze wilde alles bekennen, maar ze was doodsbenauwd voor de gevolgen. „Ben je daar wel zo zeker van? Wat heeft veroorzaakt dat het voorbij is?”

„Publiciteit.” Stans’ stem was nog heser dan anders, maar duidelijk te verstaan. „Nu het bekend is geworden, is het afgelopen. Ik wil niet in de publiciteit staan.”

Arjen was tijdelijk verslagen. Daar zat wat in. Toen daagde hem iets. „Dus als het niet ontdekt zou worden, zou het nog door zijn gegaan?”

Stans’ hoofd zakte op haar borst. Dat gaf ze toe.

„Wel, jij, kleine, valse...” Stans hoorde haar vader opstaan, maar hij werd tegengehouden door Theo van Son. Op dat moment brak Stans. Haar schouders schokten, ze begon te huilen. Arjen bokte: „Nou, als ik die lelijke slijmerd in mijn vingers krijg, dan zal ik hem eens wat vertellen! Beroemdheid of niet, hij heeft van mijn dochter af te blijven!”

Stans’ beeld werd vertroebeld door tranen, maar in gedachten zag ze weer duidelijk Kemp’s liefde voor haar, die heerlijke uren die ze samen hadden doorgebracht. Haar keel was door het huilen dichtgesnoerd, maar ze wist uit te brengen: „Dat wil ik niet hebben!”

Haar woorden waren zo nadrukkelijk dat ze terstond de aandacht van de vier ouders had. „Er waren er twee voor nodig. Zowel Kemp als ik hebben schuld. We zijn dit samen begonnen. Ik zal hem zelf vertellen dat het uit is!” Arjen stoof op. „Jij komt niet meer naar hem toe!”

Stans stapte achteruit, om de vermeende aanval af te weren, maar Theo greep opnieuw in.

„Dat maak ik zelf wel uit!” Het was een onvergeeflijke brutaliteit, maar na alles wat er gebeurd was, kon dit er ook nog wel bij. „Ik leid mijn eigen leven, nu, en hoewel ik er tot nu toe niet veel fraais van heb gemaakt, kun je me de les niet meer lezen. Ik heb niet veel hoop op vertrouwen, maar ik beloof jullie dat het werkelijk over is!”

„Stans, die foto bij het ziekenhuis, was je toen al...” vroeg Helen.

„Nee, toen was ik nog niet zijn minnares, maar dat doet niets af aan het feit dat ik het later wel was.” Stans keek de kring rond, ze zag slechts beschuldigende blikken. Opnieuw welden de tranen op. „Toe maar, ga je gang en beschuldig me maar! Ik zal niets ontkennen, maar berouw zullen jullie niet van me zien. Ik hield van hem en zal geen verzachtende omstandigheden voor mezelf aanvoeren.

Maar voordat jullie me veroordelen, wil ik dat jullie dit weten!”

Stans trok in een blinde greep Dré’s brief uit de lade van de tafel. Vier hoofden bogen zich over het vel papier. De ontzetting steeg. Dré trok zich terug uit zijn verloving? Na het lezen van de onthutsende woorden viel er een moeilijke stilte. De vier oudere mensen waren verslagen. Stans voelde geen triomf over het toebrengen van de slag. Het was een bijkomende complicerende factor. Ze wilden de waarheid weten, welnu ze zouden de héle waarheid weten.

Het werd één van de meest bewogen avonden van haar leven. Het kwam niet meer tot een zinnig gesprek. Zowel voor de oudere, meer ervaren mensen als voor het jonge meisje was het allemaal te veel van het goede.

Voor Stans werd het een slapeloze nacht. Opnieuw brak er een dag aan waarop ze vijandigheid onder ogen zou moeten komen.

Op vrijdagavond ging Stans naar de caravanstalling. Haar weerspannige hart sprong op bij het zien van de Mercedes. Er was geen reden meer om zich te verheugen over het feit dat Kemp terug was uit Tunesië. Nerveus en met bezwaard gemoed belde Stans aan. De deur ging open en Stans zag Kemp boven aan de trap staan.

,,Stansepansie!” riep Kemp uit. Hij denderde de trap af en sloot haar in zijn berenomhelzing. Stans zag wel dat hij nog bruiner was, gezond en stralend, blij over het weerzien met zijn geliefde. Echter, Stans was gekomen om iets te doden. Het was verschrikkelijk willens en wetens iets moois te vernietigen, maar het bestaansrecht was ontnomen. Het voelde heerlijk om hem weer in haar armen te sluiten. Wat ze hadden, was opwindend. Bij Kemp had ze zich immer zo levend gevoeld. Deze wervelwind wist haar volledig op te branden. Stans wenste elke vrouw zo’n ervaring toe, maar het had geen levenskansen. Ze weerde hem af.

,,Hé, wat is dat?” vroeg Kemp verbaasd. Nu zag hij haar beteuterde toetje en, scherpzinnig als hij was, voelde hij nattigheid. ,,Oh jee...” mompelde Kemp.

Stans zocht naar woorden, maar ze was geen vrouw voor prachtige volzinnen en zeker niet in zulke situaties. ,,Kemp, ik kan je dit niet zachtzinnig brengen,” zei ze, nadat hij haar naar de woonkamer had gebracht.,, Alles is uitgekomen. Er heeft een foto van ons gestaan in een blad. Nu is het laatste wat ik wil publiciteit en door dat artikel ben ik gaan inzien dat ik daarin meegesleurd word als ik met je blijf omgaan. Het moet dus over, Kemp. Het spijt me.” De argeloze Kemp keek haar sprakeloos aan. „Stans...” fluisterde hij moeilijk. „Dit kun je niet menen. Je tilt veel te zwaar aan die roddelbladen, schat. De meeste keren moeten ze wat te schrijven hebben. Laat toch waaien...” Ze kon wel merken dat Kemp nog niet de geringste twijfel had over hun verhouding. Hij hield nog steeds evenveel van haar, terwijl zij al afstand had genomen. „Nee, Kemp, je begrijpt het niet. Ze mogen dan de waarheid weleens ruim nemen, ze zullen je toch achtervolgen over je romance. Daarom is het beter te zeggen dat het voorbij is. Ik kan toch niets voor je betekenen.”

Kemp snoof. „Je moest eens weten wat je voor me betekent.” Hij wilde haar knuffelen, maar Stans weerde hem af.

„Echt Kemp, het is beter voor ons allebei als we er een punt achter zetten.” Ze greep zijn hand en drukte die stevig.

„Ik begrijp het niet,” Kemp schudde ongelovig zijn hoofd, „maar je schijnt vastbesloten.”

Stans kon het inderdaad wat objectiever bekijken, hoewel haar hart brak dat ze hem dit moest aandoen. Het liefst zou ze hem troosten en bij hem blijven. Het was onrechtvaardig zo’n nietsvermoedend persoon zoiets aan te doen. Ze begon zachtjes te huilen. „Kemp, je was mijn allerliefste vriend, ik zal nooit vergeten wat we hadden, want het was perfect. Ik heb geen minuut spijt, maar het kan niet meer, lieverd. Ik kan je niet meer zien.”

Kemp zat er stilletjes bij. „Verdomme, Stans, het staat me niks aan. Ik ben stapelgek op je.” Hij zuchtte, zijn schouders hingen af. „Wat moet ik?” zei hij, na even te hebben nagedacht. ,,Je stelt me voor een voldongen feit. Ik heb weinig keus, wel?”

Het kostte Stans de grootste moeite, maar ze schudde haar hoofd. Kemp stond op, hij was verontwaardigd, niet zonder meer bereid zijn verlies te aanvaarden. ,,Je gaat terug naar...”

Stans knikte. ,,Ja.” Het was een leugen, maar ze moest Kemp laten geloven dat ze terugging naar Dré. Als hij wist dat haar verloving uit was, zou hij alles in het werk stellen om haar terug te krijgen.

,,Ik had het kunnen weten,” zei hij zuur. ,,Dré van Son is een geluksvogel.” Weer was het even stil. ,,Wat een belachelijke toestand!” riep Kemp uit. ,,Ik wist toch dat je verloofd was! Laat ik dan ook niet soebatten. Zo netjes was het niet van me, andermans verloofde te stelen.” Hij trok Stans naar zich toe, zijn voorhoofd rustte tegen het hare.

,, Alleen... dat hebben we ons een beetje laat bedacht, hè?” Stans wilde weg. Als hij zó was, kon ze hem niet weerstaan. ,,Ik heb er nogal wat last mee gehad, weetje,” zei ze zachtjes.

„Dat spijt me oprecht, lieve Stans. Kom hier en kus me vaarwel.” Kemp trok een gepijnigd-komisch gezicht. „Oh jij, idioot!” Stans gaf zich over aan zijn laatste, zoete kus. „Beloof je het?” vroeg ze fluisterend. Ze zag de veranderende uitdrukkingen op zijn gezicht. Hij dacht aan hun fijne liefde. Het betekende nog steeds heel veel voor hem. „Omdat jij het bent.” Het klonk als een grapje, maar zelden waren woorden zo oprecht gemeend. Stans had haar schepen achter zich verbrand. Het was haar zwaar gevallen. Bij de gedachte aan de verslagen Kemp kon ze wel huilen van ellende.