HOOFDSTUK 11

 

 

Stans wist niet wat haar had gewekt. Ze keek op het wekkertje. Was het dan al ochtend? De wijzers wezen tien over drie aan. Ze had heel snel haar wankele positieven weer bij elkaar toen een gestalte in de deuropening verscheen. „Stans, ben je wakker?” vroeg Kemp. „Wat doe je uit bed?” vroeg ze, haar hart bonsde van schrik.

Kemp ging op zijn helft van het voeteneind zitten. „Ik had... een nachtmerrie... dezelfde die ik altijd heb...” Hij sprak tegen niemand in het bijzonder. „Altijd dezelfde.” Zijn blauwe ogen staarden hol naar een punt op de muur. Het was een vreemde gewaarwording Kemp zo te zien. Die wezenloos starende ogen, zijn haar door de slaap in de war. Hij droeg alleen een boxershort en zijn handen met de lange vingers hielden een glas water vast., ,lk word op afgrijselijke wijze gestraft voor het feit dat ik nimmer aflatend op mijn stembanden heb vertrouwd. Ik sta in de studio, met de bladmuziek voor mijn neus. Als ik tot mijn grote schande heb vastgesteld dat ik de tekst niet meer kan lezen en niets meer van de noten begrijp, probeer ik te zingen. Er komt geen woord uit, Stans...” Kemp haperde. „Ik... ben... stom...”

Zijn ogen dwaalden door de ruimte, hij keek haar niet aan.

Schaamde hij zich voor zijn ontboezemingen? Stans luisterde stil, gegrepen door de ernst van zijn onthullingen. Kemp vervolgde. „Maar dat is nog niet alles. Mijn stem is me ontglipt, heel belachelijk, en is een eigen leven gaan leiden. Ha!” Hij lachte smadelijk. „Daar sta ik dan in de ruimte. De technici wachten, de band loopt, ze worden kwaad omdat ik niet begin te zingen, maar ik kan niet. Ik kan nauwelijks mijn mond opendoen, laat staan geluid voortbrengen. Maar zij horen niet wat ik hoor: mijn eigen stem, die door de ruimte weergalmt, van links, dan weer van rechts. Hij bespot en beschimpt me! Hij wordt hoger en hoger: hysterisch! En dan begint dat afschuwelijke gelach. Het geluid wordt ondraaglijk, het maakt me doof. Stokdoof ben ik, en bang. Zo bang! De technici begrijpen er niets van. Ze zijn kwaad en ik...” Kemp slikte en zijn hoofd zakte op zijn borst, „kan niet eens zeggen wat er is. Dat ik bang ben.”

Het was een bizarre situatie. Stans zat rechtop in bed, het dekbed om haar blote lijf heengedrapeerd. Ze luisterde muisstil naar de man die op het voeteneind zat. Niet haar eigen man, met wie ze haar bed zou moeten delen, maar Kemp Feller, van wie ze intussen zoveel was gaan houden. Ze was gewend geraakt aan de vertrouwelijkheid. Stans dacht er niet aan of dit wel de juiste tijd, plaats of persoon was.

Ze was helemaal geconcentreerd op Kemp en hetgeen hij vertelde. Haar geest was glashelder. Kemp had angst. Zijn zelfverzekerde uitstraling was er steeds als hij tegenover zijn publiek stond. Het bleek een façade. Kemp vertrouwde niet op zijn succes, hij kon het niet. Stans waagde niet om te zeggen dat het alleen maar een droom was. Het was veel meer dan dat. Niet een enkele nachtmerrie, het was een angst waar Kemp regelmatig door gekweld werd. Kemp vertelde verder. Aan zijn aarzelende manier van spreken merkte Stans dat hij tot nog toe in zijn eentje met dit probleem had geworsteld. Voor de buitenwereld had Kemp de schijn opgehouden van de immer goedgehumeurde, vrolijke artiest, maar diep in zijn hart had de zanger met de bliksemcarrière toch ook zijn twijfels en vrees.,,Prompt als er zoiets gebeurt als vanavond krijg ik die droom weer. Ik sta op het podium, voor een ontzagwekkende menigte, duizenden mensen zijn naar me komen kijken. Als ik begin met de show, kan ik maken wat ik wil. Ik heb een soort onherroepelijke macht. Handen, roep ik, en de meute verandert in een massa zwaaiende armen. Ze doen precies wat ik wil. Het optreden is een fabelachtig succes. Dan is het afgelopen. Als dank geef ik nog een toegift. Maar de menigte wil me niet laten gaan. Ik moet blijven. En ik blijf. Maar ik word moe, ik verlang naar een douche, naar rust. Nog meer toegiften. Ik raak uitgeput. De fans weten het podium te beklimmen. De coulissen zijn geblokkeerd. De ordebewakers hebben zich tegen mij gekeerd. In plaats van mij te laten gaan en de fans tegen te houden, mag ik nu niet vertrekken en de fans zijn uitzinnig geworden. Ik moet blijven zingen, maar ik kan niet meer van uitputting. Als ze dat in de gaten hebben, hebben ze het op mij gemunt. Ze grijpen mijn armen en benen. Hoe ik ook worstel, steeds meer handen grijpen me vast. Ze willen mijn bloed en rusten niet voordat dat vloeit.”

Kemp huiverde. „Stans, ik weet dat het belachelijk klinkt. Het is een droom, maar de beelden zijn afschrikwekkend.” Hij streek door zijn rechtopstaande haar, een gebaar van vertwijfeling. Hij sprak tegen haar, maar was geheel in zichzelf gekeerd, afgesneden van menselijk contact.

Het was afschuwelijk Kemp zo ten einde raad te zien. Stans zat te trillen van emotie want hier speelde zich iets af dat niet zomaar weggewuifd kon worden. Angst was een wezenlijke emotie. Psychologen hadden al bibliotheken vol geschreven over het fenomeen. Het kon een mens totaal beheersen. Stans kende een dergelijke vrees niet, maar niettemin begreep ze Kemp uitstekend. Hij leek zich niet meer van haar aanwezigheid bewust, toch dacht ze er niet aan hem nu alleen te laten. Ze moest haar woorden voorzichtig kiezen en hopen dat die hem zouden bereiken.

„Je stem heeft nog nooit gefaald, Kemp,” sprak ze zachtjes. „En dat je je vertrouwen erin geplaatst hebt, is toch niet zo verwonderlijk als je bedenkt dat je van kindsaf aan al bezig bent ’m te trainen. Een marathonloper mag toch ook op zijn benen vertrouwen?” Stans voelde dat haar woorden langs hem gleden. Ze was te aanmatigend geweest te denken dat een geruststelling toereikend zou zijn. Het probleem wortelde dieper. Een gebaar van Kemp trok haar aandacht. Zijn hand lag op zijn keel en bedekte het fijne litteken van de tracheotomie. Er ging Stans een licht op. Ze hoorde de arts op het bankje bij het ziekenhuis weer: „Heb hem iets kalmerends gegeven. Tja, je kunt jezelf ziek denken, hè?”

Iets moest hebben veroorzaakt dat Kemp het falen van zijn stem zozeer vreesde dat hij overgevoelig had gereageerd op het inademen van ammoniadamp. De angst had de reactie bewerkstelligd die hij het meest vreesde. Er waren mensen die zich dompelden in apathie als emoties hen te sterk werden. Kemp reageerde precies omgekeerd. Uit vrees iets op te lopen, riep hij het over zich af. Psychosomatisch, had de arts gezegd. Toch was het meer dan simpele inbeelding of simulatie. Daar was Kemp te kalm en te intelligent voor. Hij was te slim om zichzelf voor de gek te houden. Stans huiverde bij de herleving van dat afschuwelijke moment waarop Kemp de adem werd afgesneden, de paniek die hij had uitgestraald. Stans probeerde nogmaals: „Je kunt toch nauwelijks zeggen dat je blindelings vertrouwt op je succes. Je hebt er hard en lang genoeg voor gewerkt. Het is geen luchtkasteel, maar hecht doortimmerd. Voor zover ik jouw carrière heb kunnen nagaan, heb je de stok nooit te ver gezet.”

Kemp knikte zwijgend. In gedachten zag Stans Kemp gitaarspelend, op het terras, een paar weken geleden. „Bespeel je nog meer instrumenten, naast gitaar en keyboards?” Kemp keek verwonderd op bij de abrupte verandering van onderwerp. Hij aarzelde echter geen moment met zijn antwoord. „Saxofoon.”

Het klonk onaangedaan, maar het was ongetwijfeld een feit. Stans had nu zijn aandacht, ze had hem uit zijn isolement weten te krijgen, toch zweeg ze nu. Kemp was een talentvol man, hij was geen snoever. Hij scheen zelfs terughoudend te zijn om zijn vermogens prijs te geven. Stans herinnerde zich hoe feilloos hij de melodie van April Day aan de toetsen van het keyboard had ontlokt. „Een beetje mogen rommelen... helemaal gek van...”

Stans hoorde weer de opmerkingen van Jürgen, die haar bestaan op dat moment vergeten was. „Natuurtalent... verandert in goud...” Kemp was leergierig, een prijzenswaardige eigenschap, en met zijn gevoel voor muziek moest het leren bespelen van een nieuw instrument hem niet te zwaar vallen. Waarom toonde hij zijn gaven niet? Een talent was toch iets om trots op te zijn? Hij had haar zelf verteld dat hij min of meer verslaafd was aan succes. Waarmee hij duidelijk maakte dat hij het prettig vond te laten zien wat hij kon en dat hij daar goed in was.

„Je doet jezelf te kort, Kemp,” zei Stans en hoewel de woorden vriendelijk klonken, zag ze hem tot haar schrik ineenkrimpen. Hoezeer dat haar ook pijn deed, ze was zich niet bewust van een kwetsende opmerking. Integendeel, het was opbouwend bedoeld, ze verontschuldigde zich daarom niet.

Nog meer flarden van gesprekken en beelden dreven haar geest binnen. In de opnamestudio, op het moment dat Kemp en Gerard weer binnenkwamen, de half afgemaakte zin van Hans: ,,... Maar er is iets...” en ze zag opnieuw Kemp hun gespreksonderwerp van eerder die avond afkappen toen hij met grote stelligheid zei: „Precies.”

Ze begreep nu zijn koppige houding, het wilde zeggen: kom me niet te na. Nu had hij onder de druk van een bloedstollende nachtmerrie zijn geheim prijsgegeven, het probleem te groot om erover te blijven zwijgen. Langzamerhand werd het Stans steeds duidelijker. Zijn droom liet zich nu veel gemakkelijker verklaren. Steeds opnieuw moesten terreinen worden veroverd. Omdat Kemp al aardig bekend was, werden die pogingen in het openbaar aan de kaak gesteld. En hij móést voort, stilstand is immers achteruitgang . Kemp was het aan zijn talent, aan zijn fans en aan zijn eigen hang naar succes verplicht. Hij geloofde in wat hij had, niet in wat nog moest komen. Tot op de dag van vandaag had hij bewezen dat hij dat wat hij ondernam, tot een goed einde kon brengen. Stans zag in dat Kemp steeds opnieuw pogingen deed die angst te ontstijgen, maar na mislukte optredens, zoals die van de voorbije avond, werd hij weer onderuit gehaald, terug naar ‘Af gestuurd, op zijn nummer gezet.

Wat moest het frustrerend zijn je talenten op drijfzand te funderen. Zijn succes, zijn beroemdheid waren goed onderbouwd, dat bewezen de hordes enthousiaste fans wel, die bij elk optreden opnieuw samendromden, en de verkoop van zijn platen. Hij was niet bang zich te bewijzen. Dat kwam wel uit: anders was hij nooit zover gekomen. Maar de angst bleef: de fans wilden zijn bloed in de nachtmerrie. Het was een soort geestelijke pleinvrees. De vrees voor de sprong in het duister. Wat zou de uitkomst zijn? Zovele mijlpalen al bereikt, hoeveel stonden er nog, aan het oog onttrokken door een mist van vragen en twijfels? Eindelijk kon Stans het definiëren: het was faalangst. Nu pas kon ze Kemp tot in het diepst van zijn ziel kijken. Een ambitieus, talentvol man als Kemp Feller: het moest dodelijk zijn je achtervolgd te weten door faalangst. Hij wilde wel - dolgraag - en was ook al ver gekomen, maar er was een beperking. Faalangst weerhield hem ervan te geloven dat wat hij had, zou blijven, dat het uitgebouwd kon worden: de stem die hem ontglipte in de studio. De pressie die op hem werd uitgeoefend, werd hoger. Zijn faam breidde zich uit. Het was enerzijds genot, anderzijds een straf. De kooi kreeg steeds meer glazen panelen. Zovele ogen op hem gericht, zoveel dwingende, veeleisende stemmen. Kemp’s terughoudendheid was zijn zelfbehoud. Hij moest er zijn voor de fans, altijd, steeds weer. Maar de menigte had niet het begrip hem zijn rust te gunnen: de geblokkeerde coulissen, de grijnzende, kwaadwillende ordebewakers, die de dolgeworden meute zijn gang liet gaan. Er mocht niets misgaan, mislukken paste niet in zijn stramien: de handen die hem verscheurden. Als hij niet al zijn talenten prijsgaf, was er altijd nog een ontsnappingsmogelijkheid. Stans reikte naar zijn hand, in haar gedachtengang was een wijziging gekomen. Ze voelde geen medelijden meer met Kemp, daarmee zou hij ook niet geholpen zijn. Wel iets van spijt, ze betreurde Kemp’s gebrek aan zelfvertrouwen. Ze bleef erbij dat hij zich te kort deed. Ze was ervan overtuigd dat wie dan ook gegeven talenten moest uitbuiten. Geen licht onder de korenmaat stellen. Uiteindelijk was er geen gelukkiger mens dan iemand die zich had kunnen uitleven in zijn begaafdheden.

Nogmaals poogde ze, omzichtig naar woorden zoekend, Kemp een nieuwe visie op de dingen te geven. „Luister goed naar me,” zei ze dwingend en drukte zijn hand. Langzaam richtte Kemp zijn hoofd op: hij luisterde. „Niemand kan jou kwalijk nemen dat je een begaafd man bent. Iemand die daar aanstoot aan neemt, is niet goed bij zijn hoofd. Je hebt meer in je mars dan je wilt laten blijken.” Stans wachtte er wel voor om belerend te zijn. Het was toch al een waagstuk om Kemp bij zijn kladden te pakken en hem - geestelijk - door elkaar te rammelen. Maar er was niemand anders. Zij moest het wel doen. Kemp had dit nog nooit openbaar gemaakt. Blijkbaar had hij het altijd weten te omzeilen. Over zijn lancering in Duitsland had Kemp tegen Johan Sleewijk gezegd dat er voor hem geen plaatsje was tussen die grote Engelse en Amerikaanse idolen. Wel, die hielden hun buik maar even in. Kemp zou zijn eigen ruimte wel krijgen, een plaatsje onder de zon. Hij had het blad Bravo aangevoerd als statistiek: het was een dekmantel voor zijn werkelijke gevoelens.

Stans was het er niet mee eens. Zijn faam moest zich niet alleen uitbreiden, ook zijn andere talenten moesten bekend worden gemaakt. Kemp handhaafde een terughoudendheid wat betrof zijn muzikale aanleg. Dat deel wilde hij voor zichzelf houden, zodat hij niet helemaal uitgekleed kon worden door zijn publiek. Paranoia? Stans zag dat anders.

Als hij al bekendheid zou genieten op het muzikale gebied, zou dat een prima vangnet zijn. Als er een dag kwam dat men op zijn zang zou zijn uitgekeken - Stans zag dat nog in geen jaren gebeuren - kon hij altijd nog musiceren. Dat zou het publiek dan ook al van hem weten. Kwam hij niet in een gespreid bedje? Echte fans zouden hem volgen. „Wees niet bang dat ze je opvreten, Kemp. Laat zien wat je waard bent. Plavei de weg voor jezelf. Toon je talenten.”

Stans had niet het lef om te zeggen dat het publiek nog weleens vlugger uitgekeken kon zijn op een zanger met een éénzijdig talent - alleen zingen - dan één met bredere vaardigheden. Ze deed hem dus een voorbeeld aan de hand van een komiek die jarenlang zijn publiek dubbel had laten liggen en er sinds een paar jaar bij was gaan zingen. Het bleek een groot succes. „Als je fans meerdere facetten van je kennen, kun je nooit door één ervan volledig falen. De overige zullen je op de been houden.”

Kemp luisterde zwijgend, zijn ogen strak op Stans gericht. Ze wist niet wat er in zijn hoofd omging. Het was te veel gewenst dat hij haar woorden direct voor de enige echte waarheid zou aannemen, daarvoor waren zijn gevoelens te zeer vastgegroeid. Hij zou zich niet van de ene dag op de andere over zijn credo heenzetten.

Als hij haar betoog maar op zich zou laten inwerken. Als het waar was dat Johan Sleewijk de plannen voor een buitenlandse lancering had klaarliggen en wachtte op een juist tijdstip, moest de groei van Kemp’s roem in de hand te houden zijn. Stans zette de gedachte aan het financieel gewin voor het hele circus dat om Kemp heen hing, met geweld opzij. Het kon niet misgaan. „Fans zijn bewonderaars,” besloot ze. „Lieve Kemp, laat je bewonderen, je hebt zoveel te bieden.”

Kemp zei niet veel. Hij was onder de indruk van Stans’ observerende natuur. Hij had haar zijn droom verteld, niet veel meer, maar ze had aan een klein beetje genoeg gehad. Luisterend, concluderend, begrijpend. Hij had haar vorsende blikken gezien. Stans, lieve, zwijgzame Stans, had met een paar raak gekozen woorden het probleem vlak gestreken. Haar visie was glashelder. Hoe moeilijk Kemp zich ook voelde, hij moest inzien dat Stans gelijk had. „Stans... Constance,” zei hij schor, ,,je bent sterk, lieve schat, heel sterk. Bedankt voor je kracht.”

Voor je weloverwogen gekozen woorden, voor het niet belerend doen, in het overbrengen van je zienswijze, dacht hij erachteraan.

Stans tikte hem op de wang. „Mafkees.” Ze had lang genoeg in spanning gezeten, nu moest dat moment maar eens over zijn. „Ik ga wat te drinken halen.”

Ze was in een ommezien terug met een fles Liebfraumilch en twee glazen. Kemp trok het blote meisje tussen zijn benen en knuffelde haar stevig.

Ze dronken een glas, toen nestelden ze zich weer in bed, alletwee bibberig tegenover elkaar, na zoveel emoties en ontboezemingen.

„Weet je,” zei Stans, „ik durf te wedden dat je ook nog teksten schrijft...”

Ze hoorde een poos niets, maar bij een diepe ademtocht begreep ze dat Kemp lachte. Hij trok haar slanke lijf tegen zich aan en zei grinnikend: „Ik heb een map vol.”