HOOFDSTUK 5

 

 

,,Zo, mevrouw komt ook nog eens een keertje thuis!” Het waren geijkte woorden. Arjen’s opluchting dat zijn dochter ongedeerd thuis was gekomen, sloeg onmiddellijk om in kwaadheid. Stans kon de reactie van haar vader, na urenlange ongerustheid, billijken. Het was ook schandelijk van haar.

„Arjen, is dat Stans?” riep haar moeder van boven.

„Ja!” riep haar vader terug.

De rustig tikkende klok aan de wand gaf onverbiddelijk kwart over vier aan.

„Wat zijn dat voor vreemde manieren?” vroeg Arjen Altenburg dreigend. Voor het eerst van haar leven was Stans bang voor haar vader, omdat ze zich bewust was van zijn nauwelijks bedwongen aandrang om haar eens flink door elkaar te rammelen.

„Pap, het spijt me...” verontschuldigde Stans zich, maar die simpele woorden wogen niet op tegen de uren die hij en zijn vrouw in onzekerheid hadden doorgebracht.

„Op zijn minst...” schamperde Arjen. „Waar ben je toch in Godsnaam geweest?”

Op dat moment ging de deur van de huiskamer open en Helen Altenburg vloog haar dochter om de hals. „Goddank dat je weer heelhuids thuis bent!” Ze kuste Stans, die haar moeder voelde trillen van spanning. Arjen liet zich niet afleiden door zijn vrouw, die hun dochter veel hartelijker onthaalde. „Waar ben je geweest? Je auto stond de hele avond aan de Westerweg.”

Ze hadden haar werkelijk gezocht! Stans schaamde zich diep, dit had ze niet gewild voor haar ouders.

„Ik kan het uitleggen...” begon ze kleintjes.

„Dat mag ik hopen.”

Ze zou het inderdaad wel kunnen verklaren, Arjen had er echter weinig fiducie in dat wat hij ging horen, hem zou aanstaan. „Geloof me, ik was echt niet van plan zo lang weg te blijven...” „Maar dat was lang geleden,” vulde Arjen droog aan. Geschrokken keek Stans haar vader aan. Ja, zo voelde het inderdaad. Haar onwil om met Kemp mee te gaan leek in een ander leven te hebben plaatsgehad. De betoverende avond, in zijn gezelschap doorgebracht, was veel meer op de voorgrond in haar geest.

„Maar voor ik het wist, zat ik bij hem in de auto.

„Je bent met een andere vent op stap geweest?” viel Arjen haar in de rede. Haar vader vroeg niet naar de naam van ‘die andere vent’. Voordat hij kon uitvaren tegen zijn dochter, riep Helen hem tot de orde. „Laat haar nu eens uitpraten.” Arjen gromde, maar hij luisterde.

„Hij zou naar Rotterdam gaan. Ik zei hem dat ik niet mee wilde. Dat ik bij mijn huis stond om te zeggen dat hij alleen moest gaan, maar hij ontvoerde me als het ware. In een mum van tijd waren we het dorp uit.” Haar ouders luisterden aandachtig naar haar vage verhaal. „Toen ik hem aan zijn verstand had gebracht dat ik niet mee wilde, waren we Limmen al voorbij. Dat was al te ver om terug te lopen, dus wat voor keus had ik? Ik moest wel mee.”

„Waarom heb je niet gebeld?”

Stans keek haar vader aan. Een telefoon? Ze had aan het bestaan van een dergelijk apparaat niet meer gedacht. Kemp had haar te zeer in beslag genomen. Voordat ze kon antwoorden dat het niet in haar hoofd was opgekomen, mengde haar moeder zich in het gesprek.

„Met wie ben je meegegaan?”

Stans keek stomverbaasd. Ze was nog zozeer gegrepen door Kemp Feller, ze zag hem nog voor zich. Het leek haar onmogelijk dat haar ouders het niet konden raden.

„Met... met Kemp Feller,” stamelde ze.

„Oh, mijn God!” mompelde Helen geschrokken, die de aantrekkelijke verschijning van de jonge, donkere zanger in gedachten voor zich zag.

„Kemp Feller?” herhaalde haar vader. „Je bedoelt die zanger?”

Hij was niet op de hoogte van de ontmoeting die ze laatst met hem had in haar huis, dat had ze alleen aan haar moeder verteld, en zij had het kennelijk voor zich gehouden. Laat staan van de ontmoeting van die zaterdagmorgen, daarover had ze niemand ingelicht.

,,Ja, diezelfde, ja.” Nu ze het voor haar ouders had toegegeven, drong de omvang van haar daad langzaam tot haar door. Ze begon wat afstand te nemen. De show in de Blue Tiek Inn en de intimiteiten in de kleedkamer kon ze nu wat objectiever bekijken. Het leek zo uit verband gerukt, nu ze tegenover haar vader en moeder stond in de vertrouwde huiskamer. Maar het was allemaal echt gebeurd, getuige haar ouders in ochtendjassen en de klok, die naar half vijf gleed. Stans schudde haar hoofd en knipperde met haar ogen. Maar de illusie ging niet weg. Ze was werkelijk nabij Kemp geweest en kon zijn kus nog voelen op haar lippen. „Stans, Stans, kindje...” mompelde haar moeder hoofdschuddend.

Stans raadde de onuitgesproken woorden van haar moeder. Hoe had ze het kunnen doen? Ze had meer op haar stuk moeten staan. Het was de machteloosheid om het gebeurde ongedaan te maken die Stans het hoofd op de borst liet zakken.

Haar vader barstte uit: „Waar zit je verstand, Stans?”

Ze liet de retorische vraag bewust onbeantwoord. Dit was niet de plaats voor snedigheden. Bovendien was ze haar verstand werkelijk kwijt geweest, ze had de voorbije avond geleefd op gevoel. Stans liet het grootste deel van zijn tirade over zich heen gaan. Ze kon weinig tot haar verontschuldiging aanvoeren. Het speet haar heel erg dat ze haar ouders zo’n rotavond had bezorgd. Ze probeerde niet zich er uit te praten. Arjen gaf lucht aan zijn kwaadheid, hij had daar alle recht toe. Haar moeder was eerder bezorgd dan boos, ze zei niet veel, maar ze was zich bewust van de gevaarlijke dreiging.

Murw gepraat zocht Stans haar bed op. Ze lag op haar rug en staarde naar het plafond. Rust wilde ze. Ze kreeg het niet. Ze probeerde in het donker Dré’s foto te onderscheiden. Haar hoofd vulde zich met een kaleidoscoop van beelden en sensaties. Om beurten verschenen zowel Dré als Kemp. Het was om gek van te worden. Stans was in de war. Waar moest ze staan? Weer die woorden: waarom zou je die periode niet zo prettig mogelijk zien door te komen? Ze was geneigd Kemp’s gewetenloosheid te volgen. Natuurlijk had ze niet moeten gaan, maar ze had het wél gedaan. Daartoe een handje geholpen door Kemp. Ze had te zeer genoten om de hele ervaring als iets verkeerds te zien. Ze stond versteld van haar eigen ruimdenkendheid. Vroeger was alles zo simpel, zo rechtlijnig geweest. Dré hield alles in perspectief met zijn kalme manier van doen. Kemp daarentegen leefde impulsief, bij het uur. Te moe om te analyseren viel Stans in slaap.

Ze werd wakker met een vaag onrustig gevoel. Het duurde maar even tot alles weer helder voor haar stond. Dat de stemming verbeterd zou zijn, was ijdele hoop. Zodra ze in de huiskamer kwam, zag ze aan het gezicht van haar vader dat hij het voorval nog niet vergeten was. Haar moeder was nerveus. Ze zag het aan de drukke bewegingen waarmee ze breide. Stans wenste hun met een benepen stem ‘goedemorgen’. De tweeling was al weg, hun plagerijen werden haar bespaard. Eindelijk gooide Arjen eruit wat hem op het hart drukte: ,,’t Is toch niet zo dat we voor niks aan de Westerweg bezig zijn, Stans?”

Hij vreesde het einde van de verloving van Dre en Stans.

Hè toe nou, pap!” Stans zette met een klap de lege koffiebeker op tafel. Ze voelde zich wel heel ongemakkelijk onder de directe aanpak van haar vader. ,,Er is niets gebeurd, hoor!”

Dat was niet helemaal waar. Maar Stans vrees was weg. De sensatie van de avond tevoren was verdwenen en ze geloofde opnieuw dat ze Kemp aankon.

Je begrijpt toch wel, dat je je, met dat huis, een verantwoordelijkheid op de schouders hebt gehaald? Je hebt mensen voor je aan het werk en je kunt je geen wispelturigheden veroorloven.” Arjen klonk nadrukkelijk.

„Weest u nou maar niet meer bezorgd, pap.”

Helen keek op naar haar dochter, verbaasd over het vertrouwen dat ze uitstraalde. Was haar vrees ongegrond? Arjen was nog niet klaar. ,,Wat zou Dré ervan zeggen?” „Wel verdomme!” Stans vloog op. Nu ging hij te ver. Hij stelde haar relatie met Dré in een heel verkeerd daglicht. „Dré is mijn verloofde, hebben jullie dat goed begrepen?” Haar brutaliteit was onvergeeflijk. „Hij is geen wrekende macht!” Het dichtslaan van de deur onderstreepte de kracht van haar woorden. Stans rende de deur uit. Ze dook in haar autootje. Alleen, helemaal alleen wilde ze zijn. De tranen liepen haar over de wangen.

„Dré, Dré, Dré!” huilde ze.

Helen vloog naar het raam. Machteloos keek ze het kleine autootje na, dat door trefzekere handelingen werd bestuurd. Arjen kwam naast haar staan en sloeg een arm om haar heen. „Onze dochter heeft zojuist het huis verlaten,” zuchtte ze.

„Ze trekt wel bij.” Arjen probeerde eerder zijn eigen geweten te sussen, dan dat hij het als troost bedoelde. Helen schudde vastberaden het hoofd. „Dit zat er al een hele tijd aan te komen. Ik had ook niet gedacht dat Kemp Feller de aanleiding zou zijn. Dat was wel een vreemd motief. De bekende druppel, Arjen...”

Eindelijk begreep hij het. „Ze gaat nu haar eigen gang.” Stans parkeerde haar Mini op het tuinpad en hoorde opnieuw Kemp’s woorden: het wordt tijd dat je eens je eigen leven gaat leiden. Hoe bot het ook had geklonken, hij had gelijk gehad. Ze besefte dat ze er zojuist mee was begonnen.

Ze hees zich in een overall, die Stefan te klein was geworden. Op haar gevoel van zelfstandigheid was niet zachtzinnig een aanspraak gemaakt. Om te beginnen moest ze het stellen zonder Dré, om op terug te vallen. Ze had de taak de verbouwing van een huis te leiden en het in te richten. En daarbij was Kemp die haar zo verontrustend na wist te komen. Ze had Dré harder nodig dan ooit. Stans klapte een trapje uit. Met een klauwhamer ging ze het oerlelijke plafond te lijf. Ze rukte en trok en bij beetjes kwam het zachtboardplaat los. Uren was ze bezig. Ze sloopte de platen en reed met de kruiwagen heen en weer om het puin in de container te storten. Ze reageerde het gebeuren af met hard werk, dat eigenlijk te zwaar was voor haar.

„I am all alone, but lonely I am not...” De warme stem van Kemp Feller stierf net weg. Een ratelende discjockey kondigde de plaat af. Maar Stans was al weer terug in Rotterdam. Ze ging het plafond met nog meer agressie te lijf. Ze voelde haar lichaam tintelen onder de sensaties die ze had doorgemaakt. Ze was boos op hem geweest, ze had naar hem verlangd, ze had hem bewonderd. Hij was veel te aantrekkelijk, hij was ongelooflijk bot. Kemp bezat geen scrupules, maar hij had zo’n aanstekelijke vrolijkheid, dat je je wel moest overgeven. Knap, jong, een fluwelen stem en een groot charisma. Kemp Feller was levensgevaarlijk. Hij had Stans helemaal ingesponnen. Lief en tegelijkertijd bikkelhard, dat was Kemp. Stans had zich nog nooit zo levend gevoeld, als juist in zijn aanwezigheid. Met zijn bedoeling haar een leuke avond te bezorgen, had hij haar in moeilijkheden gebracht. Naast alle doorstane emoties, was er die onrust die ze maar niet het zwijgen kon opleggen.

Met gefronste wenkbrauwen werkte Stans door, zich onderwijl afvragend of haar gevoelens voor Dré veranderd waren. Het enige dat ze kon vaststellen was, dat ze opeens een stuk volwassener waren geworden. Haar vermogen tot zelfanalyse liet haar behoorlijk in de steek. Langzaam kwam ze tot een definitie van die vage dreiging. Ze had absoluut geen spijt van haar escapade met Kemp.