HOOFDSTUK 4
,,Ik kan me hier niet uit verontschuldigen,” had Dré geschreven op de kaart die Stans een paar dagen geleden had ontvangen.
Hij stond vanaf dat moment op het tafeltje naast haar bed. De ansicht was bedrukt met een schreeuwend lelijke foto. De postzegel was veel mooier dan het plaatje van Murbat. Stans had hem dan ook met de beschreven kant naar voren in de lijst van Dré’s foto gestoken. ,,Natuurlijk had ik al veel eerder moeten schrijven. Ben het ook niet vergeten, heb het te druk. Moet achter 101 dingen aanzitten. Belazeren lijkt hier het motto. Grote puinhoop in deze zandbak. , Maar die gasfabriek komt er! Mis je, Stans, veel liefs. Dré.”
Stans had het al honderd keer gelezen, ze kende de tekst uit haar hoofd. Ze hoorde de woorden, uitgesproken door Dré’s rustige stem. De tekst betekende niet zoveel voor haar, maar meer het feit dat Dré in gedachten bij haar was, zoals zij bij hem. Haar ogen bleven op de foto gericht, terwijl de föhn haar lange haar droogblies. Ze borstelde het met de nonchalante zekerheid van iemand die weet dat ze prachtig haar heeft. Met vlugge bewegingen maakte ze er een vlecht van.
Het was kwart voor negen. Stans schoot in een paar lichtbruine mocassins. In de gang greep ze haar jack en stak haar hoofd om de deur van de huiskamer.
,,Ik ga naar de Westerweg!” deelde ze mede.
,,Ik heb zo koffie!” protesteerde haar moeder.
,,Ben met een kwartier terug!”
Het begon langzaamaan te schemeren, de wind was gaan liggen. Het was een prachtige, zwoele mei-avond. Stans zette haar auto voor de deur en liep haar huis binnen. Ze liep voorzichtig om niet te veel stof op te jagen, dat zich op haar schone kleren zou kunnen vastzetten. Ze verliet de kamer door het open gat van de terrasdeuren. Uit de sloot naast de tuin steeg nevel op. Het had, samen met de stoffige, halfduistere kamers, iets spookachtigs. Een lichtgeel schijnsel sneed door de benevelde avondlucht boven de weg. Stans hield haar adem in. Je hoorde zo vaak dat er gestolen werd op de bouw. Zouden de dieven nu al lucht hebben gekregen van de verbouwing in haar huis? Toen herkende ze de gestroomlijnde vorm van Kemp’s zwarte auto.
Kemp stopte voor het tuinpad. Hij remde krachtig, zodat het grind naar alle kanten opspatte en hij slippend tot stilstand kwam. Kemp’s hoofd kwam boven het dak uit. Hij floot schel op zijn vingers. Hij maakte de indruk zeer gehaast te zijn en dat maande Stans aan tot spoed. Ze rende naar de wagen toe. Net wilde ze zeggen dat hij beter alleen door kon rijden en hem succes wensen met zijn optreden, toen het portier aan haar kant openvloog. Stans kon hem nog net ontwijken. Ze keek stomverbaasd.
,,Stap in!” commandeerde Kemp. Stans gehoorzaamde automatisch, te verbouwereerd om te weigeren.
,,Maar Kemp,” begon ze, ,,dat gaat zomaar niet... Ik...” Haar ogen gleden van zijn gezicht met de dwingende blauwe ogen naar de bruine hand, die de handrem loszette en in dezelfde beweging de pook in de eerste versnelling schakelde. Ze waren al op weg. Nu ja, ze kon altijd een stukje teruglopen.
„Lieve meid, zo direct zal ik naar je luisteren.” Kemp remde nauwelijks voor de spoorwegovergang en Stans zette zich schrap. De afstand tot haar huis was al tot een kilometer gegroeid.
„Maar Kemp, ik kan helemaal niet met je meegaan. Dat had ik je willen zeggen!”
„Wat?” blafte Kemp. Zijn stugge onbereikbaarheid begon Stans nu te irriteren. Ster of geen ster, ze zat tegen haar wil bij hem in de auto en dat zij eruit wilde moest hij accepteren.
„Waarom heb je dat vanochtend niet gezegd?” snauwde hij. Dit was niet de Kemp die zij kende. Dit was een vreemde, met slechts een uiterlijke overeenstemming met de beroemde zanger.
Stans begreep dat hij nerveus was, al helemaal geconcentreerd op het optreden dat komen ging. Maar hij moest haar ook begrijpen.
„Dat was een vergissing. Dat had ik niet moeten zeggen. Wil je me er nu...” De woorden bestierven op haar lippen. Ze waren de Limmer dorpsgrens al gepasseerd. Als ze de afstand nu terug zou moeten lopen, zou ze er zeker twee uur over doen. Ten einde raad liet Stans haar schouders hangen. De afstand was al te groot, bovendien zag Kemp er niet naar uit of hij onnodig oponthoud kon waarderen. Stans zag de spieren in zijn benen bewegen, de pook schoof in de vijfde versnelling. De Mercedes reageerde gehoorzaam en klom tot grote snelheid, terwijl de motor gewoon zachtjes bleef spinnen, als een tevreden poes.
Het was inmiddels donker geworden.
„Waarom wil je niet mee?” vroeg hij ongeduldig.
,,’t Is niet dat ik niet mee wil, maar het geeft gewoon geen pas dat ik met een ander uitga.”
„Uit piëteit om Dré?” begreep hij.
„Inderdaad.” Boos stompte Stans haar vuisten in haar jaszakken. Ze had een hekel aan zichzelf omdat het opeens zo halfzacht leek. „Maar je hebt me weinig keus gelaten, is het niet?”
„Menigeen zou je je plaatsje benijden.” Stans zag de ondeugende grijns niet.
„Verwaande kwast,” mopperde ze, stug uit het raam kijkend.
Even was het stil. Pas bij een diep gesnuif, begreep Stans dat Kemp zat te lachen. Hij lachte haar gewoon uit!
„Ik word ontvoerd, en jij zit erom te lachen!” tierde Stans met vlammende ogen.
„Doe niet zo dramatisch! Je gaat gewoon een gezellig avondje uit. Dat neemt Dré je toch niet kwalijk?”
„Weet ik veel?” schokschouderde Stans. „Maar ik was niet van plan dat uit te vinden.”
„Ik houd je niet van andere afspraken af?”
„Nee-ee,” jengelde ze.
„Wees realistisch, Stans,” probeerde Kemp, vriendelijker nu.
„Als Dré mee uitgevraagd wordt door zijn collega’s, dan zou hij toch ook geen ‘nee’ zeggen? Nee, want mijn liefste meisje zit ook gewoon thuis.”
Stans begreep dat Dré de gelegenheid een borrel te drinken met zijn collega’s niet zou afslaan en al helemaal niet om de reden waarom zij het wilde doen.
, ,Nee, ” gaf ze kleintjes toe. Maar dat lag anders. Dré bleef dan ‘onder ons’.
„Luister es,” begon Kemp opnieuw. Nu zijn stem zo vriendelijk klonk, hoorde Stans weer die aantrekkelijke ademloosheid erin. Haar oren spitsten zich onwillekeurig. „Je zit een halfjaar of langer zonder hem. Ik begrijp dat je dat niet leuk vindt. Maar waarom zou je die periode niet zo prettig mogelijk zien door te komen? Je móét er doorheen en elke dag is een dag die niet meer terugkomt. Dat je eenzaam bent, weet ik ook. Zie het gewoon zo: ik houd je van een lange zaterdagavond eenzaamheid af. Gewoon een vriendendienst. Dat moet Dré toch kunnen waarderen?” Stans aarzelde. Tja, als je het zo bekeek...
Maar dan nog, hij was en bleef Kemp Feller. Zo gewoon was het dus niet. Ze zat naast een beroemde zanger. Dat bezorgde haar nog steeds een trillerig gevoel. Hij keek haar oprecht aan en wist haar blik vast te houden. Bij dat onwerkelijke gevoel kwam nog dat haar nekharen overeind gingen staan, toen hij nonchalant opmerkte: „Ik vraag je toch niet met me naar bed te gaan?”
Geschokt keek Stans hem aan, maar zijn blik was strak op de weg gericht. Daar was het dus weer. Net als vanmorgen. Zonder er al te veel moeite voor te doen, wist Kemp haar over te halen het vanuit zijn standpunt te bekijken. Zoals hij het voorstelde, klonk het heel onschuldig. Stans was goeddeels geneigd hem te geloven. Wat stak er nu voor kwaad in? Tegenwerpingen of argumenten zouden nu toch niet meer helpen.
Ze reden ter hoogte van Krommenie. Stans schikte zich in haar lot. Als ze dan tegen haar zin meegenomen werd, dan was het maar het beste met Kemp Feller. Kemp’s aanbod vulde precies haar behoefte. Ze miste Dré vreselijk. Ze was van kindsaf aan hem om haar heen gewend geweest, nooit was ze alleen. Nu hij weg was, verlangde ze naar zijn gezelschap .Niet dat van haar ouders, of haar broers, niet dat van haar vriendinnen. Kemp was precies van het kaliber dat ze zocht. Ze was vergroeid geraakt met Dré, ze kenden elkaars gedachten. Het was alsof hij een deel van haarzelf had meegenomen. Stans was in de war en wankel alleen op weg, hunkerend naar een houvast.
Tegen elf uur arriveerden ze bij de Blue Tiek Inn. Daar begon de drukte net op gang te komen. Kemp’s optreden zou om half één beginnen. Kemp parkeerde zijn auto achter de discotheek.
Stans stapte uit en volgde de zanger, die met een grote sporttas zeulde. Kemp floot naar iemand, die kennelijk op de uitkijk stond in het donker.
„Kees, hier!” riep hij ter verduidelijking. De aangesprokene lachte. Stans zag een man op hen afkomen, die het midden hield tussen een gorilla en een fanatieke bodybuilder. Hij liep met zijn armen ongemakkelijk wijd uithangend langs zijn lichaam. Zijn hoofd was bijna kaal. Toch leek de man niet onvriendelijk.
„Feller! Sta daar niet te leuteren! Loop door, druiloor!” De man gaf op onhandige wijze uiting aan zijn bezorgdheid. Kemp, de man met de gouden keel, de nachtegaal van de hedendaagse muziek, moest te allen tijde beschermd worden tegen opdringerige fans. Kees nam Kemp de tas uit handen. Kemp scheen al helemaal gewend aan een dergelijke behandeling. Hij klopte Kees lachend op zijn schouder.
„Dag wijffie!” zei de bodybuilder tegen Stans en grinnikte veelbetekenend naar Kemp. Die gaf geen commentaar en sloeg zijn arm om haar schouders. Opeens waren haar angst en nervositeit weg. Ze voelde zich veilig in Kemp’s omarming. Alle twijfels over haar entrée in een totaal nieuwe wereld waren op slag verdwenen. Aan Kemp’s hand zou het allemaal in orde komen.
Kees leidde hen naar de kleedkamer. Het kamertje deed een beetje denken aan een goedkope hotelkamer. Er stond een tafel met een paar kale stoelen voor een spiegel, waarboven een lamp hing. In de hoek stond een smal bed. Er was een douche achter een schuifdeur. Het was er vreselijk warm. Kemp gooide zijn tas op het bed. Stans ging er stilletjes naast zitten. Ze ritste haar jack los en sloeg haar benen in kleermakerszit. Ondanks haar tegenstrijdige emoties, voelde ze zich nu heel uitverkoren. Het was slechts weinigen gegund mee te maken hoe een artiest zich voorbereidt op een optreden. Dit was iets heel bijzonders. Een optreden meemaken was opwindend, dit was intiem.
Kemp ritste de tas open en mikte een toilettas en een föhn op de tafel. Hij rommelde door zijn spulletjes en zocht zijn kleren eruit. Een paar schoenen volgde. Toen herinnerde hij zich het blonde meisje dat op het bed zat. Hij stopte met zoeken en keek haar aan. Stans’ blik was nog op zijn handen gericht. „Wat is er?” vroeg Kemp.
Stans haalde haar handen uit de jaszakken. Ze schudde haar hoofd, de vlecht kwispelde. „Niets.”
Ze likte langs haar lippen, die droog waren van de warmte en van de opwinding. Kemp’s handen steunden op het bed. Hij zwaaide naar haar over.
„Stans, meissie,” hij slikte, zijn gezicht was vlak bij het hare. „Ik ben blij dat je bent meegegaan.” Het was een loze opmerking, die diende om het verlangen dat hij voelde te verdoezelen. Stans bleef met wijd opengesperde ogen kijken hoe hij nog dichterbij kwam. Zijn lippen waren droog en warm en niet langer dan een seconde op de hare.
Stans huiverde. In zijn kus had ze zijn verlangen gevoeld, krampachtig beheerst. En erger was, dat ze niet wist bij wie het op het moment sterker was geweest. Kemp’s warme mond had het sluimerende besef met een steekvlam doen opleven. Ze verlangde wanhopig naar lichamelijk contact. De blik in haar groene ogen was smekend, maar Kemp zag het niet. Aan de rukkerige bewegingen waarmee hij in zijn tas graaide, zag Stans dat hij zichzelf nog niet helemaal onder controle had. Eindelijk had hij alles wat hij zocht te pakken. Zonder valse schaamte begon hij zich uit te kleden. Zijn trimschoenen vlogen in een hoek. Stans hield haar mond. Elke opmerking zou verkeerd opgevat worden. De sfeer hing nog bijna tastbaar in het vertrek. Kemp trok zijn sweatshirt uit. Het poloshirt volgde.
Kemp gaf zijn gebruinde bovenlijf bloot aan Stans’ hongerige blik. Hij raakte verstrikt in de hoofdopening van zijn shirt. Stans stak haar hand uit om de zachtheid van zijn huid te ervaren en het bewegen van spieren eronder. „Verdomme, dat heb ik weer! Vergeet altijd die stomme knoopjes!” mopperde Kemp, wurmend met zijn armen. Dat weerhield Stans ervan hem aan te raken. Ze vluchtte het vertrek uit. In de verte hoorde ze het dreunen van de discomuziek. Ze was bang te verdwalen in de wirwar van gangen toen ze het bordje ‘Toilet’ zag. Ervan uitgaand dat de discotheek daar vlakbij moest zijn, liep ze die kant op. Ze waste haar handen in de wastafel. In de spiegel constateerde ze dat ze geen vleugje make-up op had. Ze had het niet nodig geacht aan het begin van de avond. Ze zou immers helemaal niet uitgaan? Kemp’s gespierde bovenlijf kwam weer in haar gedachten en hoezeer ze verlangd had hem aan te raken. Het was absoluut fout geweest mee te gaan.
Stans liep de discotheek in. Op een podium zag ze een technicus bezig Kemp’s apparatuur aan te sluiten op de aanwezige installatie. Hij draaide aan knopjes, zette schuifjes open en dicht en beluisterde het effect op zijn hoofdtelefoon. Stans bleef in een hoekje staan. Ze vond een half pakje kauwgum in haar zak en nam er eentje uit. Om haar heen zag ze slechts zwaar opgemaakte gezichten en opgekamde kapsels. De aanwezige meisjes namen elkaar zogenaamd verveeld op, ondertussen metend of ze de concurrentie de baas konden. De jongens zagen er bijna allemaal hetzelfde uit. Op de dansvloer waren het grotendeels meisjes, die met elkaar dansten. Hun hoofden draaiden onophoudelijk alle kanten op om te zien of er nog iemand was die mooiere kleren droeg dan zij. Het was één grote competitie.
Stans had op slag een hekel aan de ongeïnteresseerde uitdrukking op die vele gezichten. Ze was niet zo’n discoliefhebster en dit deed er zeker geen goed aan. Het was een schijnwereld van dreunende muziek en kille verlichting. Het kon haar gestolen worden. Het viel haar op dat ze in haar ruimvallende matrozentrui, haar strakke spijkerbroek en mocassins niet uit de toon viel. Maar onopgemaakt een discotheek binnenstappen was duidelijk een doodzonde, las ze op de afkeurende gezichten. Ze voelde zich heel erg alleen.
Stans dacht dat ze de muziek niet langer meer zou kunnen verdragen. Op dat moment kondigde de discjockey Kemp’s optreden aan. Stans glimlachte om de plotselinge verandering op de uitdrukkingsloze gezichten om haar heen. Opeens werd de onverschilligheid enthousiaste verwachting. Het licht in de ruimte veranderde van toon. Een schijnwerper gaf aan waar Kemp Feller verwacht werd. Zonder het te merken was ook Stans weer één en al aandacht. Zo was het podium nog leeg, zo was het gevuld met een man, die zoveel dynamiek uitstraalde, dat je er onwillekeurig van onder de indruk raakte.
,,Goeienavond samen!” riep Kemp. Hij greep de microfoon en liep over de bühne heen en weer. ,,Zo, mensen in de Blue Tiek Inn, is het gezellig?”
En of geen mens zich tot op dat moment stierlijk had verveeld, riep iedereen volmondig: ,,Ja!” Het gefluit gierde door de ruimte.
Kemp had zich niet zo formeel aangekleed. Hij droeg een spijkerbroek, zij het een iets jongere dan die hij onderweg had gedragen. Daarop een wit overhemd, een smalle stropdas en een kort colbertjasje met een grote ruit.
Stans verloor hem geen moment uit het oog. Toen hij begon te zingen, veranderde de sfeer in de discotheek. Weg was de kille, onvriendelijke stemming. Zodra Kemp een grote hit inzette, luisterde zijn publiek roerloos. Kemp zette zijn microfoon weer op de standaard en beduidde - al zingend - dat er met de armen gezwaaid moest worden. Als bij toverslag werd het publiek een zee van zwiepende armen. Vlug en lenig bewoog Kemp over de bühne. Een paar keer hoorde Stans duidelijk zijn lach door zijn zang heen. Ze merkte niet eens dat zij haar plaatsje verliet. Ze drong door de menigte heen tot ze vlak voor het podium stond. Kemp had het publiek helemaal op zijn hand. Hij kon het laten doen wat hij wilde. Soms hield hij even op met zingen en trouw brulden zijn toehoorders de passage die hij niet zong. Kemp gaf zich helemaal. Hit na hit volgde. Er straalde warmte van hem uit, en zoveel leven en vitaliteit. Hij bracht de zaal tot het kookpunt. Hij had er schik in deze mensen te geven waarvoor ze kwamen. Hij genoot van zijn macht. Langzame nummers, snelle nummers. Tussen de songs door reageerde hij met een grapje op wat er voor hem gebeurde. Stans stond helemaal vooraan en ging compleet in hem op. Ze vergat zichzelf. Ze deed niet mee met het armenzwaaien, maar heel stil dronk ze Kemp’s overdonderende aanwezigheid in. Wat een zanger, wat een vakman was hij! Weer tilde hij haar uit het gewone leven. Kemp zette een wervelende show neer. In zijn eentje spreidde hij een overweldigende dynamiek ten toon. De ster in zijn element, hij kwam helemaal tot zijn recht.
Het publiek voelde het einde van de show naderen en brulde om een toegift. Stans moest het hoofd in de nek leggen om hem te kunnen volgen. Ze beet op haar lip. Dit was meer dan een emotie, dit was meer dan ze aankon. Ze vroeg zich niet af hoe het mogelijk was dat hij haar in de menigte ontdekt had, maar toen hij zijn hand uitstak, begreep ze direct dat het voor haar was bedoeld.
Ze kon later onmogelijk vertellen hoe ze op de anderhalve meter hoge bühne was geklommen, maar ze was in zijn armen. In een impulsieve reactie op zijn weergaloze show, zoende ze hem op zijn mond. In de roes van zijn optreden bezat hij een enorme kracht. Hij tilde Stans bijna op toen hij naar de coulissen rende, ze merkte niet dat ze bewoog. Buiten het licht van de schijnwerper, achter de zware gordijnen, was het enthousiaste publiek slechts geraas op de achtergrond.
„Stans, schat van me,” Kemp’s ademhaling kwam zwaar en moeilijk. „Het was fantastisch! Je bent... je bent een geluksmeisje!” Hij greep haar stevig vast en kuste haar. In een wilde beweging plunderde zijn tong haar mond.
Van schrik kon Stans niets anders dan zich aan hem vastklampen. Ze trilde op haar grondvesten. Deze kus bracht haar de sensualiteit die haar eerder op de avond bijna te veel geworden was, terug in herinnering. Ze bezweek bijna onder zoveel dwang. Toch leek het een volkomen normale reactie, als uiting van zijn blijdschap over het geslaagde optreden. Nu was het Stans’ beurt om te hijgen.
Weg was Kemp weer, terug naar zijn publiek. Hij gaf nog een kleine toegift, wenste iedereen nog een prettige avond en hij dook weer op achter de coulissen, waar Stans wachtte. Ademloos, bewegingloos wachtte ze op hem. „Kemp, oh, Kemp!”
Hij lachte als een triomfator. Ze omhelsden elkaar opnieuw. Hun kus was onstuimig en wild. Stans’ handen gleden over zijn rug en langzaam drong het tot haar door dat het overhemd drijfnat was. Het jasje had hij al na een paar nummers uitgetrokken. Instinctief trok ze haar jas uit en legde die om zijn schouders.
Ze werden meegenomen naar de kleedkamer, voortgeduwd door bedrijvige handen en bezorgde stemmen. Kemp noch Stans hoorden het, ze lieten zich meevoeren. In de kleedkamer stonden bloemen, er was drank gebracht en er stond een schaal met sandwiches. Geen van beiden scheen het te merken, ze gingen in elkaar op en lachten samenzweerderig. Toch stond Kemp enkele mensen te woord. Hij nam een koel blikje bier en dronk er met gretige teugen van. Stans sloeg hem gade. Ze was volledig geconcentreerd op zijn wezen en kon haar blik niet losmaken. De betovering was compleet. Het was of er geen andere mensen in het vertrek waren. Een onzichtbare band bond haar aan hem. Dat ze dergelijke betrekkingen zou moeten vrezen, drong niet tot haar door. Na een poosje verlieten de mensen van de discotheek de ruimte.
Kemp nam een douche en Stans ruimde de kleren op, die hij achteloos op de grond liet vallen. Het water spetterde, Stans zag alleen zijn donkere hoofd duidelijk. Zijn naakte, bruine lichaam werd vertekend door de kunststof deuren van de cabine. Ze raapte het overhemd op en drukte het als in een omhelzing tegen zich aan en snoof de geur op. Kemp sloeg een royaal wit badlaken om zijn heupen, voordat hij uit de cabine kwam. Als Stans al dacht dat dit gebaar een tegemoetkoming was aan haar verlegenheid, had ze het mis. Ongehinderd liet hij het vallen en begon zich aan te kleden. Stans scheurde haar blik los van zijn verleidelijke naaktheid. Het beeld van bewegende spieren onder een zijdezachte huid bleef haar echter bij. De blikjes frisdrank gaven haar een excuus haar aandacht ergens anders te bepalen. Het was een beproeving, een test en Stans bevond zich in het nadeel. Ze was al weken alleen geweest en hunkerde naar fysiek contact. Het zien van Kemp’s prachtige lichaam werd haar bijna te veel. Ze geloofde niet in Kemp’s kwade opzet. Hij had dan ook niets om zich voor te schamen. Stans had al eerder foto’s van hem gezien in bladen, waarop hij slechts een zwembroek droeg, maar de werkelijkheid was zoveel indrukwekkender. In gedachten liet ze de cola door haar keel glijden.
„Klaar?” Ze keek opzij in een paar van levenslust fonkelende, blauwe ogen, ze rook de frisheid van zijn schone lichaam en haar adem stokte bij de aanblik van al die mannelijke heerlijkheid. Ze wenste geen einde aan hun samenzijn, ze genoot met volle teugen van zijn nabijheid. Haar enige zorg was niet toe te geven aan de verleiding. Kemp was in een zorgeloze stemming. Hij had een fantastisch optreden weggegeven, hij had gegeten en gedronken en hij was frisgewassen. Zijn vermoeidheid scheen met het douchewater te zijn weggespoeld. Hij dacht er niet aan Stans te na te komen. Toch was ze op haar hoede. Eerder op de avond was de teneur ook in een fractie van een seconde omgeslagen. Ze hoorde het rinkelen van sleutels naast haar hoofd. „Wat...?”
Ze keek niet-begrijpend naar het bosje sleutels aan de ring. „Jij rijdt,” deelde Kemp mee.
„In jouw auto?” vroeg ze ongelovig.
„Allicht, liefje, daarin zijn we gekomen,” grapte hij.
„Ja, maar...” Hij scheen haar angst niet te begrijpen.
„Je hebt je rijbewijs toch?”
„Jawel, maar...” Ze had nog nooit zo’n machtige auto bestuurd. Kemp’s auto, het was een hele verantwoordelijkheid. Maar zijn blinde vertrouwen deed haar goed. „Weigeren kan zeker niet?” protesteerde ze nog.
Kemp schudde resoluut zijn hoofd. „Ik heb gedronken,” weerlegde hij. Hij won weer, maar hij had dan ook een geldig argument.
Kemp liet haar pas los nadat ze de auto bereikt hadden. Stans gleed achter het stuur en trok de stoel naar voren. Voorzichtig reed ze tussen de andere geparkeerde auto’s uit. Kemp rommelde in het dashboardkastje en zette een bandje op. Een zangeres vertolkte Portugese fado’s. Er sprak een grote weemoed uit de toon, het paste precies bij Stans’ stemming. Op Kemp’s aanwijzingen reed ze Rotterdam uit. Over de nachtstille wegen schoot ze lekker op. De snelheidsmeter wees meestentijds de toegestane honderdtwintig kilometer per uur aan. Beiden spraken niet veel, het stilzwijgen was vriendschappelijk. Kemp raadpleegde zijn horloge. „Over een half uur zijn we thuis.”
Stans zoog hoorbaar haar adem in, haar ogen groot van schrik.
„Oh jee!” De wagen minderde snelheid, omdat haar voet van het gaspedaal gleed. „Oh mijn God!”
Kemp keek verbaasd naar het geschrokken gezichtje. „Wat is er mis?”
Thuis! Ze had gedurende de hele lange, opwindende avond niet meer aan thuis gedacht. Stans probeerde zich tegelijkertijd voor te stellen hoe woedend haar ouders zouden zijn, na zich de hele avond ongerust te hebben gemaakt èn hoe ze de situatie het best voor Kemp kon omzeilen. Ze wilde hem niet opschepen met haar problemen. Ze zei: „Ik heb ze thuis niet laten weten dat ik de hele avond weg zou zijn.” Ze had gezegd een kwartier weg te zullen blijven. Kemp zag niet in dat dat een probleem zou kunnen vormen. „Nou èn?” Hij haalde zijn schouders op.
„Nou èn?” bauwde Stans zijn woorden na, opeens kwaad dat hij daar zo gemakkelijk over kon doen. Ze wilde hem niet opzadelen met haar problemen. Daarom hoefde hij haar grootmoedigheid niet met voeten te treden. De sfeer van saamhorigheid was verdwenen.
Kemp maakte het nog een tikje erger door op te merken: ,,Je bent een grote meid, niet?”
„Dat is het ook niet. Je wilt het gewoon niet begrijpen.” Stans was diep verontwaardigd over zijn gebrek aan tact. „Jij hoeft misschien met geen mens rekening te houden.” Ze trachtte hem met haar woorden te raken, maar hij bleef ijzig kalm. Het maakte haar nog woedender. Hij scheen gemakshalve te zijn vergeten dat hij haar tegen haar wil had meegenomen. „Ze weten wel dat ik niet in zeven sloten tegelijk loop. Mijn gevoel voor fatsoen,” deze woorden sprak ze nadrukkelijk uit, maar het was verspilde moeite, „dwingt me ertoe dat ik mijn ouders rekenschap afleg. Ze rekenen erop dat ik op zijn minst méld dat ik wegga.” Kemp bleef haar niet-begrijpend aankijken.
„Ik ben verloofd, weet je nog?” Ze leek iets vreemds te horen aan die woorden, maar in het vuur van haar betoog negeerde ze dat. Voor het eerst die avond dacht ze aan Dré. „Niet alleen blijf ik een avond onaangekondigd weg tot diep in de nacht; ik ga ook nog eens met een andere man uit!”
Kemp was nog steeds niet onder de indruk. Hij was te zeer gewend aan het feit dat hij alleen voor zichzelf verantwoordelijk was. „Het wordt tijd dat je eens je eigen leven gaat leiden.”
Stans was verbluft over het botte gemak achter die opmerking. Ze vermoedde dat Kemp zichzelf maar zeer zelden ter verantwoording riep. Stans was de hele avond niet bepaald consciëntieus geweest, maar de gedachte aan haar thuiskomst en de woedende ouders, die haar ongetwijfeld wachtten, deden haar weer in een oude gewoonte vervallen. „Het is geen opoffering, hoor, je ouders op de hoogte te stellen van je gangen.”
De blauwe ogen stonden koel. „Daar komt dan zodirect verandering in stelde hij vast., ,Je bent bang voor een uitbrander.”
Het was wel zeker dat haar een flinke te wachten stond.
,,Je zegt gewoon dat je met mij bent weggeweest.”
Kemp Feller, de talentvolle zanger, was opnieuw een vreemde voor haar geworden. „Dat zal de klap nauwelijks verzachten.”
Het zou de situatie er juist erger op maken. Of Kemp de woorden als troost bedoeld had, wist Stans niet. In ieder geval hadden ze het omgekeerde effect. Toch zou ze niet liegen. Hoe pijnlijk ook, ze zou haar ouders de waarheid vertellen. Ze vond een schrale troost in het gegeven dat het verzwijgen van een gedeelte van de waarheid niet onder liegen viel en besloot geen melding te maken van de hartstochtelijke kussen, die ze in een extatische roes gedeeld hadden.
Ze waren Heiloo binnen gereden. Stans stopte de wagen voor het huis met de gapende gaten. Ze zocht in haar zak naar haar eigen autosleutels. Kemp liep om naar de bestuurdersplaats.
„Nou meissie,” hij nam Stans’ bedremmelde gezichtje tussen zijn handen, „sterkte.”
Het woord trilde door in de nacht. Stans keek hem aan. Een beetje spijt had hij wel over de moeilijkheden waarin hij haar had gebracht. Maar niet lang. Nog voordat hij zat in de auto, was hij alweer de sympathieke, gewetenloze schurk.
„Zie ik je nog?” vroeg hij onbeschaamd. Stans schudde ongelovig haar hoofd over zijn lef.
„Daar ben ik de baas niet over,” antwoordde ze, zijn overdonderende tactiek indachtig.
Kemp knikte goedkeurend om haar klinkende weerwoord. Hij kuste haar snel en hard. „Dag.”
Overrompeling was zijn charme. En hij wist het.