HOOFDSTUK 8
Stans wilde Kemp de volgende dag zijn sleutels brengen. Ze vroeg de portier waar Kemp lag, maar hij weigerde dat te vertellen. Stans begreep wel waarom. De fans zouden hem niet met rust laten.
„Maar ik heb iets dat zijn eigendom is,” probeerde ze. „Ja, ja,” meesmuilde de portier, „je praatje is goed, je smoesje deugt niet. Wel, als dat werkelijk zo is, dame, dan zal ik het hem wel overhandigen.” Hij verwachtte niet dat Stans werkelijk iets zou achterlaten en keek vreemd op toen ze de sleutelbos met een nijdige klap op de balie smakte. Op dat moment gebeurde er van alles tegelijk. Stans werd op de schouder getikt.
„Hoor ik u net zeggen dat u iets van Kemp Feller in bezit heeft?” Stans keek op in een gezicht dat haar helemaal niet aanstond. Ze gaf geen antwoord aan de gedrongen man met de ronde schouders. Zijn gezicht was te rood, zijn blik indirect. Vagelijk herinnerde ze zich die man. Ze hield hem voor een journalist en spurtte naar de uitgang van het ziekenhuis.
„Hé! Wacht eens even!”
Stans rende naar buiten. De man moest hebben geraden, of gezien, dat ze Kemp’s sleutels bezat.
„Heb jij Kemp hier gisteren gebracht?”
Stans rende de Van Everdingenstraat uit. Een onopvallende man had opeens een camera paraat. Dat was wél een verslaggever.
„Hé, ik kén jou!” riep de gedrongen man haar na. Ze rende de Costerstraat in. Een paar honderd meter verder hield ze haar pas in. Ze werd niet langer gevolgd. Op het bankje waarbij ze haar fiets had gezet, zaten twee mannen te roken. Ze zou hen niet hebben opgemerkt ware het niet dat ze een flard van hun gesprek opving.
„Raar geval gisteren, hoor, zomaar een beroemdheid onder ons dak...”
Stans spitste haar oren.
„Ja, die Feller, hè, da’s toch een zanger?”
„Ja, nou, voorlopig niet.” De chirurg lachte om zijn wrange grapje. „Kon geen letter uitbrengen. Is gisteren binnengebracht met zo’n keel...” Stans zag uit haar ooghoek het gebaar van de geneesheer.,,Ademnood, de valse stembanden zo enorm gezwollen, kwam zowat geen lucht meer door.”
„Wat was je diagnose?”
„Ammonia-intoxicatie,” antwoordde de eerste onaangedaan.
Stans stond als aan de grond genageld. Die verrekte fles ammonia! Ze had hem open laten staan! Het besef dat zij Kemp’s aandoening had veroorzaakt was schokkend. Toch dwong ze zichzelf verder te luisteren. Dat het onfatsoenlijk was, deerde haar niet. Het ging immers om Kemp. Ze moest weten of hij er weer bovenop kwam.
„Zo erg, van alleen maar inademen?” vroeg de collega.
,,Ach, Dirk, je weet hoe het is met die lui die van hun stem afhangen. Als ze horen dat er een griepepidemie op komst is, lopen ze de deur plat voor een anti-griepinjectie.”
„Nou ja, Albert,” wierp Dirk tegen, hij was Stans terstond sympathiek, „denk jij jezelf eens in zonder handen?” Het was even stil. Stans kon eigenlijk niet langer treuzelen. „Maar je bedoelt dat het psychosomatisch is?”
„Precies,” bevestigde Albert zonder een spoor van medeleven.
„Maar hij had het niet gehaald als hij niet de conditie van een jonge stier had. Sterk als een leeuw, en een longen!” Stans’ ontzetting steeg. Afschuwelijk, Kemp was werkelijk op het nippertje aan de dood ontsnapt.
„Tracheotomie?” vroeg Dirk. „Ja, moest wel.”
Stans sloot ontsteld haar ogen. Ze legde een hand op haar keel alsof ze zelf de incisie voelde.
„En toen?”
, ,Heb hem iets kalmerends gegeven. Tja, je kunt jezelf ziek denken, hè? Als-ie zich een beetje rustig houdt, zingt-ie over twee weken weer als een nachtegaal.”
Eindelijk, het verlossende woord. Stans sprong op haar racefiets en trapte weg. Ze zou het zichzelf nooit vergeven. Onbarmhartig gaf ze zichzelf van alles de schuld, ofschoon ze geen notie kon hebben van Kemp’s allergie. Het was een schrale troost dat zij, die hem dat leed had berokkend, hem ook op tijd in het ziekenhuis had gebracht. Ze had nu de ware toedracht gehoord uit eerste hand en tevens, tot haar opluchting, vernomen dat Kemp er weer helemaal bovenop zou komen.
Sinds Dré’s vertrek was haar leven in een krankzinnige stroomversnelling geraakt. Tegen wil en dank werd ze meegesleurd in een kolk van aangrijpende gebeurtenissen. Haar zenuwen werden keer op keer op de proef gesteld en ze was niet voortdurend ertegen bestand. Al die nieuwe problemen, ervaringen en sensaties hadden één noemer: Kemp. Kemp bracht vreugde en verdriet.
De hartveroverende piraat trok als een onbezorgde wervelstorm door haar leven. Stans wist nu dat er een kern van waarheid school in zijn reputatie van hartenbreker.
Het verslag van Kemp’s ongeluk was voorpaginanieuws in de Alkmaarse Courant. Er was een foto van Kemp afgedrukt, zittend in bed, gehuld in zo’n malle ziekenhuiskiel. De pleister over de tracheotomie was duidelijk te zien. Stans viel op de krant aan en las het artikel aandachtig. Er stonden twee dramatische koppen boven: ‘Zanger het zwijgen opgelegd’ en ‘Mysterieuze aandoening velt Kemp Feller’.
Gistermiddag heeft een tot nog toe onbekend gebleven jonge vrouw de zanger van de verstikkingsdood gered. Door een kloek optreden heeft men de beroemde Heilooër op tijd kunnen helpen. Kemp Feller verkeerde in ademnood toen hij arriveerde...
Stans las verder, de aandoening zou zijn veroorzaakt door ‘het inademen van sterk irriterende dampen’. Ze was blij dat de doktoren tegenover de schrijvende pers meer tact ten toon hadden gespreid omtrent Kemp’s ziekte. Tijdens het gesprek tussen de twee medici, dat zij had opgevangen, werd er geen blad voor de mond genomen. Een dergelijk minachtende toon zou Kemp’s carrière geen goed doen. Het was niet het laatste woord dat over de affaire was geschreven. Op vrijdagavond las Helen Altenburg hardop uit een roddelblad voor: ,,Is dit Kemp’s behoedster? Een nieuwe romance? Deze mooie jonge vrouw is waarschijnlijk degene die de fans moeten bedanken voor het redden van Kemp Feller’s leven. Afgelopen zondag heeft deze onbekende blondine de zanger naar het hospitaal gebracht. Tevens is zij de vrouw op wie alle fans jaloers kunnen zijn. Kemp kon ons niets vertellen. Het spreken is hem verboden; de blik in zijn ogen zei ons echter genoeg. Haar naam blijft echter geheim.”
Helen brieste. „Het is toch ongehoord dat zulk dom giswerk maar gewoon geplaatst wordt! Kijk, Stans, jij staat op de foto!”
Verontwaardigd wierp haar moeder haar het blad toe. Met een schuin glimlachje voegde ze eraan toe: „In één ding hebben ze gelijk: dat je mooi bent!”
Stans wist niets te zeggen. Als haar moeder al aannam dat het giswerk was, was die dekmantel haar welkom. Maar zou iedereen zo reageren? Stans staarde naar haar beeltenis. Ze was gefotografeerd, vluchtend door de Van Everdingenstraat. Oh ja, zij was de onbekende blondine die Kemp had gebracht. Dat was waar, maar de rest, over de romance en Kemp’s verliefde blik, dat waren je reinste verzinsels. Natuurlijk was haar moeder geneigd het beste van haar te geloven. Ze besloot het niet tegen te spreken. Helen was echter oplettend genoeg om te hebben gezien dat de achtergrond op de foto de hoofdingang van het Sint Elisabeth Ziekenhuis was.
„Wat moest je daar?” vroeg ze derhalve.
De leugen was er al uit, voordat Stans het wist. „Ik heb een wenskaart voor hem achtergelaten.”
„Hè, jij, stille, jij zegt ook nooit eens wat,” verweet haar moeder haar. Die aantijging had ze vaak genoeg gehoord: Stans is zo stil, die hoor je nooit. Welkomer dan op dit moment was haar zwijgzaamheid haar nooit geweest. Gewend als Helen was aan Stans’ zwijgen, vroeg ze niet verder. Ze merkte slechts op: „Had dat even gezegd, dan had ik mijn naam er ook op kunnen zetten...”
„Mam?” Stans twijfelde aan haar oren en legde haar handen achter de kleine schelpjes, die dicht tegen haar hoofd lagen.
„Ja, nou,” Helen wist zich even geen raad. „Ik ben ook een fan van Kemp Feller!”
Stans barstte in lachen uit. „Over nooit iets zeggen gesproken: de pot verwijt de ketel!”
Onderweg naar de bibliotheek, die avond, bedacht Stans dat de dreiging op tijd was afgewend, maar de leugen, die haar zo makkelijk was ontglipt, zat haar toch niet lekker. Wat was er toch met haar aan de hand? Moest ze werkelijk verdraaien en bedriegen om de ware toedracht te verhullen? Stans kwam tot de conclusie dat ze bang was voor haar eigen hachje. In het licht van de waarheid zou zij niet zo sympathiek worden afgeschilderd. Niettemin vond die hele razende maalstroom van gebeurtenissen plaats buiten haar wil om. Het was haar plan geweest om tijdens Dré’s afwezigheid de verbouwing en inrichting van haar huis tot een goed einde te brengen. De betreffende maanden verliepen wel veel gecompliceerder dan ze had gehoopt. De moeilijkheden hadden alleen niets met de verbouwing te maken, die voorspoedig verliep.
Het was rustig in de bibliotheek. Stans zat achter de tekstverwerker als een razende te tikken. Haar collega Carla hing over het beeldscherm heen en hield het sensatieblad, dat Stans eerder thuis al had gezien, ervoor, opengeslagen op het gewraakte artikel.
„Is dit Kemp’s behoedster?” citeerde ze. „Een nieuwe romance... voor Stans?” rijmde ze verder.
„Hé, hé, wat zijn dat voor insinuaties?” weerde Stans af, maar Carla liet zich niet van de wijs brengen.
„Tevens is zij de vrouw op wie alle fans jaloers kunnen zijn,” priemde Carla verder. „Haar naam blijft echter geheim. Wel, dat geheim is gauw genoeg onthuld, nietwaar?” Carla zocht het telefoonnummer van de redactie van het blad. „Zouden ze in Oman ook de Privé lezen?”
Stans speelde het klaar kalm te blijven. Haar geweten was weliswaar niet helemaal zuiver, maar zo’n sluwe aanval liet ze niet ongestraft over haar kant gaan. „Wat haal jij je allemaal in je hoofd, Carla?”
Carla hoefde niet de hele waarheid te weten, maar de verzinsels in het artikel wilde Stans toch ontzenuwen. Ondertussen had het gesprek tussen de twee meisjes de aandacht getrokken van de overige collega’s. Stemmen zwegen, handen staakten hun werk.
„Dit is de Van Everdingenstraat. Je bent daar geweest. De pers móét wel denken dat je Kemp’s nieuwe vriendin bent, als je in zijn kamer bent toegelaten...”
„Ho ho,” Stans hief haar hand om de beschuldigingen een halt toe te roepen. „Je gaat te ver, Carla, ik ben niet in zijn kamer toegelaten. Gewone fans komen daar niet. Alleen de journalist die de foto heeft gemaakt die afgelopen maandag in de krant stond, en zijn manager.” Dat was de waarheid.
Carla droop nog niet af.
„Maar wat moest je daar dan? Of heb je een kennis in het ziekenhuis liggen?”
Stans moest opnieuw liegen. Carla kwam haar te na. Die verrekte sleutels ook. Als ze nou maar zo slim was geweest om ze in een aangetekende, anonieme envelop op te sturen. Kemp zou ze ongetwijfeld hebben ontvangen. „Ik heb een wenskaart voor hem achtergelaten bij de portier...”
„.. .en ben hardlopend gevlucht voor een journalist,” vulde Carla hatelijk aan. Ze moest eens weten hoe dicht ze bij de waarheid zat. De man voor wie ze gevlucht was, was Kemp’s manager, wist Stans nu.
Redding kwam uit een onverwachte hoek. De cheffin kwam tussenbeide om de escalerende ruzie te smoren.
„Daarin zal Stans niet de enige zijn geweest, Carla z'on beroemdheid wordt natuurlijk overladen met post. En wat die uit de lucht gegrepen romance betreft: je weet zelf hoe die bladen dergelijke zaken opblazen. Een knipoog kan al tot een huwelijk leiden.”
Carla ging mokkend weer aan het werk. Het was wel duidelijk dat ze de zaak niet vertrouwde, maar onder het oog van de cheffin zou ze er niet meer over beginnen. Stans was blij met de tussenkomst van mevrouw Van Kampen. Ze had de kant van de aangevallene gekozen. Op die manier kwam Stans nog weg ook met haar leugen. Saved by the bell, dacht ze. De cheffin had een onvoorwaardelijk vertrouwen in Stans. Stans was een deugdelijk meisje, één van de weinigen die, eenmaal aan het werk, dat ook met hart en ziel was. Rustig en stil volbracht Stans haar taak. Ze had een feilloos geheugen voor de zaken die de bibliotheek aangingen en ze had daar al vele keren profijt van gehad. Mevrouw Van Kampen had daarentegen wel de verande ring in het gedrag van Stans opgemerkt. Haar werk deed ze vrijwel foutloos, daar lag het niet aan, maar ze spreidde een nerveuze spanning ten toon. Ilse van Kampen vond dat niet onbegrijpelijk. Ze kende Stans’ vader, Arjen, al vanaf klein jongetje. Hij was altijd, hoewel rechtvaardig, een harde geweest. Hij zou zijn dochter niet sparen. Stans was er het meisje niet naar om zich onder het werk in haar huis uit te draaien met vrouwensmoesjes. Daarmee zou ze bij Arjen niet ver komen. Ilse had de blijmoedigheid waarmee Stans de zware taak op zich had genomen, steeds bewonderd. De verantwoordelijkheid die op haar schouders rustte vergde het nodige van het jonge meisje. De laatste tijd had Stans’ gelijkgestemdheid haar dan ook een paar maal verlaten.
Stans had met stralende ogen verteld van de aankoop van het huis dat ze altijd had willen hebben. Eerder had ze haar collega’s en cheffin deelgenoot gemaakt van het feit dat haar verloofde, Dré van Son, naar Oman zou gaan voor zijn werk. Op de opmerking of ze niet opzag tegen al die maanden alleen, had ze vol vertrouwen geantwoord dat ze Dré zo’n buitenkans niet wilde misgunnen.
Carolien, een getrouwde vrouw van tegen de dertig, die bijna alle ruimte voor zichzelf opeiste in haar huwelijk, had geschertst: „Goh, denkt-ie altijd alleen maar aan zichzelf?”
Ilse herinnerde zich nog hoe Stans het oudere meisje fijntjes onderuit had gehaald met een klinkend weerwoord. „Dat is het niet, het kost mij geen moeite om steeds eerst aan hem te denken.”
Het weerwoord was tekenend voor Stans’ karakter. Zwijgend, observerend, belangstellend, en een scherp verstand. Laat Stans maar schuiven. Nee, dat meisje kon uitstekend haar eigen boontjes doppen. Ilse zou willen dat er meer uit dat hout gesneden waren. Stans zou niet van haar koers afwijken, wist Ilse met onfeilbare zekerheid. Dat was uitgesloten.
Stans werd op datzelfde ogenblik gekweld door minder vleiende gedachten. Die rechtschapenheid, waar ze zich altijd op had voorgestaan, was ver te zoeken. Ze had een instinctieve hekel aan liegen en toch had ze nu al een paar keer toevlucht gezocht tot een leugen. Om bestwil, fluisterde een innerlijk stemmetje. Stans probeerde dat het zwijgen op te leggen; leugens waren altijd om bestwil en derhalve niet goed te praten. Maar hoe ze ook redeneerde: aan de uitkomst kon ze niet ontkomen. Als het erop aankwam, en dat was steeds een gelegenheid waar Kemp bij betrokken was, was ze over de schreef gegaan.
Met haar onfeilbare eerlijkheid was het gedaan. Dat ze tot nog toe zo goed wegkwam met haar leugens, was een mirakel. Stel je voor dat Colette het verhaal van haar uitstapje naar Rotterdam met Kemp aan vriendinnen vertelde. Dat was niet eens zo denkbeeldig. Het was ook wel een smeuïg verhaal om onder vriendinnen op te dissen. Stans had Colette’s opgetogen gezichtje voor zich gezien toen ze het relaas deed van die bewuste zaterdagavond, daartoe gedwongen door Stefans losse opmerking.
Colette vond het een spannend avontuur, vooral omdat ze zelf ook een vurig bewonderaarster van Kemp was. „Weet je, de zus van mijn vriend, Stefan, is laatst met Kemp Feller naar Rotterdam geweest...”
Zo zou het gaan. Het hoefde helemaal niet kwaadaardig bedoeld te zijn, maar hoe gemakkelijk was het om daar de opmerking ‘en ze is al verloofd...’ op te laten volgen. En dan had je de poppen aan het dansen.
Carla had ook haar twijfels over Stans’ integriteit. Dat het bij Carla ingegeven was door jaloezie maakte weinig verschil.
Carla was altijd afgunstig geweest ten opzichte van alles waar Stans voor stond. Haar gezonde, knappe uiterlijk, de jongensachtige slankheid en het lange, blonde haar, nog afgezien van Stans’ robuuste karakter en niet in het minst om Dré. Carla had eindelijk een invalshoek gevonden. Stans was toch niet onfeilbaar. Ze zou niet nalaten die wetenschap wereldkundig te maken. Het was ook te mooi om te wensen dat iedereen het artikel zou zien zoals haar moeder dat had gedaan: pure nonsens.
Oh, Kemp, jongen, wat heb je me aangedaan?
Ondanks de penarie waarin ze zat, verlangde ze naar Kemp. Ze had nu zoveel met en door hem meegemaakt, dat ze een vreemde verbondheid voelde. Ze wenste hem beter en hoopte van harte dat hij eerdaags weer uit het ziekenhuis zou worden ontslagen. Ofschoon het beter was dat ze hem niet meer zou zien, was het haar heimelijke wens zijn donkere hoofd om de hoek van de deur in haar huis te zien verschijnen. Hij bracht haar voortdurend in een lastig parket, maar als ze bij hem was, was er haast geen plaats voor overpeinzingen. Op overtuigende wijze legde Kemp argumenten het zwijgen op.
Stans herinnerde zich maar al te goed de zinderende kussen waarmee hij dit placht te doen. Als Kemp in de buurt was, waren er slechts sensaties. Zijn impulsieve, dynamische aard en tomeloze energie waren aanstekelijk. Kemp was, waar dan ook, immer alom aanwezig. Zijn magnetische persoonlijkheid trok onwillekeurig de aandacht. Stans had proefondervindelijk moeten vaststellen dat ze hem niet kon negeren. Hij was onweerstaanbaar en zij, Stans, was lang niet zo sterk als ze wel wilde.
Stans reed niet rechtstreeks naar haar ouderlijk huis, maar naar de Westerweg. De lucht was zwaar en vochtig, er was ongetwijfeld ander weer op komst, maar het was nog heerlijk om buiten te zijn. In tegenstelling tot andere avonden, waren haar vader en haar broers niet aan het werk in het huis. Arjen had een vergadering en de tweeling had de kans schoon gezien om te gaan surfen.
Voor de deur lag een stapel tegels, zand en een paar zakken Portland, zodat Stans achterom moest lopen om het huis in te kunnen.
In de deuropening had Kemp het zich gemakkelijk gemaakt. Stans had niets in de gaten en bij het horen van zijn stem, slaakte ze een afgrijselijke gil en sloeg prompt haar handen voor haar ogen.
Ze was hevig geschrokken en gluurde eerst door haar vingers om te zien of het geen zinsbegoocheling was. Kemp zat daar zo doodgemoedereerd, of hij van de prins geen kwaad wist. Stans had zó over hem ingezeten, dat het niet eerlijk was hem hier zo op zijn gemak te zien zitten.
Het was een onverwacht, ongebruikelijk weerzien. Ze wilde niets liever dan dat hij weer helemaal gezond was. Nu ze dat had geconstateerd maakte haar opluchting snel plaats voor boosheid bij het zien van Kemp’s nonchalante zelfverzekerdheid, alsof er nooit geen reden tot bezorgdheid had bestaan. Ze ventileerde haar geweldige schrik en haar frustratie van eerder op de avond. „Kemp Feller, wie denk je wel dat je bent? Je valt hier maar een beetje te pas en te onpas binnen en jaagt een fatsoenlijk mens de stuipen op het lijf! Me zo aan het schrikken te maken! Als je eens wist wat ik me met jou allemaal op de hals heb gehaald. Breng ik je je sleutels terug, word ik aangeklampt door je manager en een journalist, die me zag wegrennen voor die griezel, heeft het een en ander bij elkaar gecombineerd en me tot jouw nieuwe vriendin bestempeld! Hoe moet ik me eruit praten als uitkomt dat ik je heb weggebracht? Je manager heeft het gezien. Die heeft afgelopen zondag ook geen moment geaarzeld om het nieuws aan het plaatselijke radiostation te melden. Kemp Feller, ik heb me in een wespennest gestoken met jou, en het mooiste is dat ik er niet om heb gevraagd. Jij! Jij duikt hier maar een beetje op en...” Een perfect akkoord had weerklonken, aan de snaren van een gitaar ontlokt door lange, zekere vingers. Hoewel Kemp met zijn rechterhand de snaren stillegde, trilde het geluid nog na en bleef langer hangen in de roerloze avondlucht dan Stans’ tirade. De zuivere schoonheid van de klank had niet overtuigender kunnen zijn. Het aanslaan van de snaren had niet duidelijker ‘houd je mond’ kunnen zeggen dan woorden. Stans hield terstond op te tieren. Opeens sprakeloos staarde ze Kemp aan.
Eerder had ze niet opgemerkt dat hij het muziekinstrument bij zich had gehad. Tijdens haar vloed van woorden had Kemp geen spier vertrokken. Met een onbewogen gezicht had hij het gekijf aangehoord. Nu was hij het zat, hij werd ten onrechte beschuldigd en dat nam hij niet. Hij had zijn veelgeplaagde stem niet hoeven forceren door met verheffing Stans tot de orde te roepen. De melancholieke klank van zijn gitaar had voor hem gesproken. Grotere ommekeer had hij niet kunnen bewerkstelligen. Stans’ schouders hingen af. Kemp stond op en nam Stans in zijn armen. Kemp, dolblij dat hij weer uit het ziekenhuis was ontslagen, had helemaal geen zin in moeilijke toestanden. Hij had zijn handen vol aan het feit dat hij nog een week niet mocht zingen. In dat opzicht kon hij wel een beetje steun gebruiken. Zijn mekkerende manager was de afgelopen middag ook niet de aangewezen persoon geweest om zijn stemming mee te delen.
De man had geen moment gewacht Kemp de financiële consequenties van zijn ziekte te vertellen. Kemp was zich dat terdege bewust, maar hij had immers ook niet om die tegenvaller gevraagd. Het was knap vervelend, maar niet het einde van de wereld. Als het tegenover de pers was, was Johan Sleewijk altijd de eerste geweest om te verkondigen dat hij tot het einde zou gaan als het op het vergroten van Kemp’s roem aankwam. Echter, de ster zelf had bij tijd en wijle schoon genoeg van de dwingelandij van Sleewijk. Hoe hoger Kemp’s ster rees, hoe dikker de portemonnee van Johan.
Kemp was realist genoeg om in te zien dat dat vaak bepalend was voor Johan’s enthousiasme.
Bij zijn ouders kon hij niet aankloppen, zij waren op vakantie in het buitenland. Zijn moeder had hem iedere dag gebeld, nadat ze het in de krant had gelezen. Maar lekker even bijpraten met een kopje koffie in zijn ouderlijk huis was er niet bij. Stans was overgebleven. Kemp was niet het type voor zelfmedelijden en blijdschap voerde de boventoon over het feit dat zijn mond voorlopig gesnoerd was. Hij kon het niet nalaten Stans te plagen. „Wat een akelig welkom voor een ziek man.”
Stans zei niets. In haar huis had het onheil plaatsgevonden, door haar toedoen. Ze mocht inderdaad wel eens inbinden. Ze huiverde, zijn stem had nog niet half zijn gewone kracht en volume. Nee, hij had gelijk, hij had een akelig welkom gekregen. „Het spijt me, Kemp,” zei ze oprecht. „Welkom thuis, ik ben blij dat je weer uit het ziekenhuis bent.” „Zo mag ik het horen,” prees hij. Hij duwde Stans op de rand van het terras en ging naast haar zitten. „Wel, wat had je nu allemaal te mopperen? Ik heb toch nooit geen kwaad bedoeld met mijn bezoekjes aan jou? Heb je meegenomen naar Rotterdam voor de gezelligheid, da’s al. Af en toe kom ik eens kijken hoe de verbouwing opschiet. Ik heb bewondering voor al dat werk en hoe jij je daarbij weert. En dat je nu als mijn nieuwe vriendin wordt bestempeld: ach, meissie, laat toch schrijven...”
Stans had nog willen inbrengen dat ze er last mee had gehad op het werk, die avond, maar de manier waarop Kemp de situatie ontzenuwde met zijn kalme uiteenzetting deed haar zwijgen.
Inderdaad, als je het zo bekeek, dan was er niets aan de hand. Kemp was daarentegen een hoge boom, die veel wind ving. Welhaast alles wat hij deed, werd opgeblazen of bekritiseerd in de pers. Beroemd zijn, wat een leven!
Stans voelde een rukje aan haar arm. Ze legde haar hoofd tegen zijn borst. Hij was lief, echt lief. Ze neeg naar zijn visie. Laat ze ook maar praten... Kemp was haar lieve vriend, het was eigenlijk heerlijk om met hem bevriend te zijn.
„Muziekje?” Kemp’s komische blik maakte haar aan het lachen. „Zang kan ik u hedenavond niet bieden.”
Stans knikte, ze nam zijn aanbod graag aan, ook zonder zang. In stille bewondering sloeg ze Kemp gade, die de snaren van het antieke instrument vakkundig beroerde. Hij speelde, Stans luisterde. Er kwam geen noot over zijn lippen, het moest hem de nodige moeite kosten. Kemp speelde een paar van zijn eigen nummers. Stans kende de tekst. Voor iemand die zo gemakkelijk zong als Kemp, moest het zwaar zijn de melodie niet met zang te begeleiden. Kemp was met meer talenten begiftigd dan een prachtige zangstem. De muziek zat gewoon in hem. Ongetwijfeld speelde hij nog meer instrumenten.
Stans wilde het hem vragen, maar het zou de magie van het moment doorbreken en dus hield ze haar mond. De sfeer was betoverend. Een zwoele zomeravond, een prachtige zonsondergang, de volle klank van gitaarmuziek en een inspirerende gitarist. Tijdens het spelen wisselde Kemp af en toe een glimlach met haar. Het mocht nog uren doorgaan, maar bij de schemering werd het tijd om naar huis te gaan. Kemp legde de gitaar weg. „Stans, lieve schat,” fluisterde Kemp.
Er was geen andere manier hem te bedanken dan met een kus. Bedankt, Kemp, voor je fijne muziek, voor je begrip en je inzicht. Opnieuw bezweek Stans voor de overtuigende dwang en de onweerstaanbare charme van haar favoriet.
Ondertussen raakte Stans aardig bedreven in het verzwijgen van de ontmoetingen met Kemp. Sinds de bewuste zaterdagavond waarop ze met hem naar Rotterdam was geweest, hingen de woorden van haar vader: - ,,’t Is toch niet zo dat we voor niks aan de Westerweg bezig zijn, Stans?” -haar als het zwaard van Damocles boven haar hoofd. Ze wilde niet dat haar ouders wisten van nog andere samenkomsten. Het feit dat Kemp haar opzocht, en niet andersom, zou weinig verschil maken.
Het leek alsof die duvel wist wanneer ze alleen was. Ze verlangde steeds meer naar zijn bezoekjes. Het was opwekkend om zijn bezielende persoon in de buurt te hebben. Stans klaagde niet over haar eenzaamheid, toch was het zo dat ze de afgelopen maanden slechts voor zichzelf had geleefd. Niemand die haar om haarzelf waardeerde, nu Dré zo ver weg was. Wat Kemp bood, vond ze immers niet bij haar ouders. Vriendinnen had ze niet en zij zouden toch ook het gat niet kunnen vullen dat Dré had achtergelaten. Stans had zich nooit tot zo’n dubbelhartigheid in staat geacht. Op de vraag of ze nog van Dré hield, wist ze zelf het antwoord niet. Ze was te zeer betrokken bij Kemp en bijzonder op hem gesteld geraakt. Ze kende nu de man achter de beroemdheid en hechtte zich aan hem. Kemp gaf geen uitsluitsel over zijn voorkeur. Was het werkelijk allemaal zo onschuldig als hij had beweerd?
Halverwege de daaropvolgende week was de badkamer klaar. Stans had tot dat moment gewacht met het laten leggen van de vloerbedekking op de bovenverdieping. Nu zouden er geen vuile voetstappen van haar vader en haar broers meer op komen. Hun taak op de eerste etage was klaar. De keuken was nu aan de beurt. De inbouw van de kastjes, apparatuur en het aanrecht wilde Arjen nog voor de bouwvakvakantie klaar hebben. Hij wilde het zelf zetten en Stans twijfelde geen minuut aan haar vaders vakkundige nauwkeurigheid. De gordijnrails waren al boven de slaapkamerramen bevestigd.
Stans was juist bezig met het ophangen van de fijne vitrage en de overgordijnen, toen haar schoonmoeder een kijkje kwam nemen. Goedkeurend knikkend nam ze het geheel in zich op. Stans zag de verheugde uitdrukking op het gezicht van mevrouw Van Son. „Wat wordt het mooi, Stans! En ik heb nog niet eens gezien hoe het was!”
Stans kwam omhoog uit haar geknielde houding. De vloer was bezaaid met gordijnen, runnertjes, eindstoppen en haken. Ze strekte haar vermoeide rug. „Nou, daar heeft u ook niets aan gemist.”
Ze was blij dat haar schoonmoeder zo ingenomen was met de verrichtingen. Ze liep met haar de vertrekken langs en legde uit wat er allemaal was gedaan. Mevrouw Van Son was onder de indruk. Nu bleek dat ze niet alleen was gekomen om een kijkje te nemen. „Weet je, Stans, nadat je gisteravond bij ons was geweest en vertelde dat de badkamer klaar was, heb ik met pap gepraat en we wilden je bij wijze van huwelijkscadeau de inrichting van de badkamer aanbieden. Stans was sprakeloos; dat was een enorm cadeau. Ze bedacht zich dat ze moest bedanken, maar mevrouw Van Son was nog niet uitgesproken. „Daarom wilde ik je nu vragen om met mij mee te gaan naar Alkmaar, zodat je het helemaal in je eigen smaak kunt houden.”
Stans kuste haar schoonmoeder op beide wangen.
„Ik vind het een fantastisch cadeau, maar jullie maken het weer veel te gek. Heel erg bedankt!”
,, Ach, onzin... Aan je verkering heb je nu ook al niks, met Dré aan de andere kant van de wereld. Misschien kan dit het een beetje vergoeden.”
Stans lachte om die malle redenering. „Wel, dan ga ik direct met u mee.”
Een paar uur later kwam ze terug in Dré’s auto, die uitpuilde van de aankopen. Op de prijs had Stans niet hoeven letten. Zelf zou Stans nooit zo’n uitgebreide inrichting hebben aangeschaft, maar haar schoonmoeder verloor niets uit het oog en drong erop aan dat Stans het kocht. Niets was vergeten. Er was een handdoekkastje voor onder de wastafel, medicijnkastje, badhanddoeken, te veel om op te noemen.
Ze brachten de spullen naar binnen. Stans gunde haar schoonmoeder het plezier het te plaatsen.
Zij ging weer verder met het ophangen van de gordijnen. Opnieuw klonken er voetstappen op de trap. Haar vader of één van haar broers konden het niet zijn. Zij waren overdag ergens anders bezig. Stans schrok zich te pletter toen ze de zwarte kruin van Kemp herkende. Hij had geen ongelegener moment kunnen kiezen. Kemp zag het ontstelde meisje in geknielde houding zitten. Voordat hij echter iets kon zeggen, klonk het vanuit de badkamer: ,,Dag Kemp, hoe gaat het met jou?”
Kemp had niet nog een aanwezige verwacht, maar hij liet zich niet merkbaar verbouwereren en draaide zich om naar het geluid. „Dag mevrouw Van Son. Wat leuk dat u hier bent!”
Hij liep naar de oudere vrouw toe en schudde haar de hand. Stans keek werkloos toe in stomme verbazing. Kemp kende haar schoonmoeder en andersom! En ze vond het blijkbaar heel normaal dat Kemp hier was! Verwonderd hoorde ze hoe Andrea van Son naar zijn gezondheid informeerde. Ja, zijn ongeluk had in alle kranten gestaan. Wat een naar geval. En was hij er nu alweer een beetje bovenop? Mocht hij alweer zingen? Wat leuk dat hij poolshoogte kwam nemen.
Stans wist dat Dré’s moeder een begripvolle, rustige vrouw was, maar een dergelijke coulante houding had ze niet verwacht. Dit was gewoon lachwekkend. Als ze eens wist dat Kemp min of meer onder Dré’s duiven schoot. Stans kon niet langer daar op haar knieën blijven zitten. Dat zou onbeleefd zijn. Ze liep op de gezellig babbelende Kemp toe en mengde zich in het gesprek. Al spoedig vertrok hij weer. „Wat is het toch een aardige jongen, hè?” merkte mevrouw Van Son op, nadat Kemp was verdwenen.
„Ik wist niet dat u hem kende... eh... persoonlijk dan... „Oh ja, al jaren,” hoorde de verblufte Stans zeggen en nog vond mevrouw Van Son het de gewoonste zaak van de wereld. ..Via Dré, ze waren toch schoolvriendjes? Kemp is wel bij ons thuis geweest. Lieve jongen, keurig opgevoed, alleen zijn school, hè, dat was niet zo’n succes. Tja, jammer,” mijmerde ze verder.
Het ontbrak er nog maar aan dat ze zei: maar hij is toch nog goed terechtgekomen. Maar die kleine Kempie Feller was nu een grote: een beroemdheid. Aan dat feit leek haar schoonmoeder totaal voorbij te streven. ,,U schijnt het heel gewoon te vinden dat hij hier zomaar binnenstapt. Hij is nu toch een hele bekendheid.”
Stans kon er niet van bij: dat ruime begrip. Ze vond het eigenlijk bewonderenswaardig.
,,Hij mag toch wel even kijken in het huis van een oude schoolvriend van hem, nu daar zoveel gaande is. Ja, Dré is er niet. Oh nee, ik vind het niet gek dat hij even langskomt. Zo is Kemp wel. En die beroemdheid van hem: dat imponeert mij niet. Voor mij blijft hij gewoon Kemp. Hij doet toch zelf ook heel normaal?”
Zelfs het feit dat Dré en Kemp nooit echt dikke vrienden waren geweest én elkaar al jaren niet meer hadden gezien tot aan het diner in april, liet haar overtuiging niet wankelen.
,,Jee, wat bekijkt u dat makkelijk...”
,,Ik wel, ja.” Het was even stil.
„Pap en ik hebben wel gezien dat je foto in dat vunzige roddelblad stond. Zelf lezen we het niet, maar het werd ons onder de neus geduwd, hè?” Nou, van die flauwekul trek ik me niets aan, hoor. Ze koppelen ook maar iedereen aan een ster en dan heet het dat dat weer een nieuwe liefde is. Nou ja, kind, we weten wel beter, hoor. Onzin is het, anders niet.”
Stans’ gezicht was een studie waard. Haar mond zakte open in opperste verbazing. Het was maar goed dat ze met haar rug naar de badkamer zat. Uit de eerdere woorden van haar schoonmoeder had Stans wel begrepen dat ze gecharmeerd was van Kemp, ondanks dat ze langs zijn faam heen keek. Allicht was ze met hem ingenomen, geen enkele vrouw kwam onder zijn bekoring uit, jong of oud.
Adrie en Stefan hingen zaterdag alle deuren af. Stans was blij dat haar huis nu dicht was. Zo langzamerhand kwam er meer en meer huisraad in en het geheel werd aantrekkelijker voor inbraak. De dag daarvoor was het ledikant aangeleverd. Stans was een paar uur bezig om het geheel in elkaar te schroeven. Toen het bed in elkaar stond, kon ze het niet nalaten het op te maken. Haar linnenuitzet was al compleet. Ze had de dozen al overgebracht van haar ouderlijk huis naar haar eigen huis. Ze zocht een matrasdek, molton hoes, hoeslaken, overtrek en kussenslopen bij elkaar. Het dekbed zat in een aparte plastic zak. Het gespreide bedje zag er heerlijk uitnodigend uit. Waarom zou ze het niet eens uitproberen? Ja, dat was een goed idee. Ze ging er slapen. De deuren konden op slot, ze zou veilig zijn. Onder het avondeten zou ze het aan haar ouders voorleggen. Toen ze het voorstelde, moest haar vader een beetje smalend lachen. „Malle meid, wat moet je daar nou? Alleen omdat er een bedje staat!”
Stans’ moeder begreep het beter. „Jij wilt bij je spulletjes zijn, hè? Weet je wat, je neemt het een en ander mee zodat je morgen op je gemak kunt ontbijten. En ook nog wat voor vanavond. Pap en ik brengen je er even heen. Dat is een mooi wandelingetje en dan ben ik gelijk maar weer eens op de hoogte van de ontwikkelingen.”
„Prima idee!” stemde Stans in. „Lijkt me gezellig.” Later zag een verbaasde Stans hoe haar moeder een fles wijn en een glas in de koelbox deed.
„Om het te vieren, kind,” zei ze met een knipoog. In een andere tas ging een thermoskan koffie, die zouden ze gezamenlijk leegdrinken, fruit voor later op de avond en broodjes voor het ontbijt.
Ze zaten op de klapstoeltjes op de betonnen vloer. Hun stemmen galmden in de kale ruimte. Helen bewonderde het cadeau van Stans’ schoonouders en de slaapkamer. Haar ouders bleven tot de koffie op was en wandelden terug naar de Dorpsstraat.
Alleen, na al die uren die ze hier al werkend in haar eentje had doorgebracht, was dit heel anders alleen. In een onaf huis waar ze ging slapen. Stans was niet bang, ze zou vol vertrouwen gaan slapen, maar nog niet. Ze zette de terrasdeuren open en ging op een trede zitten. De koelbox onder handbereik, zodirect zou ze de wijn ontkurken. Zolang het buiten nog licht genoeg was, werkte ze aan een haakwerkje. Het werd een gordijn voor de ramen van de bijkeuken en de schuur.
Het grind van het zijpad knerpte. Er verscheen een licht racefietsje. Stans, die in het afnemende licht had zitten pietepeuteren, moest haar ogen toeknijpen om de nieuw aangekomene te kunnen onderscheiden.
„Hallo...” groette ze voorzichtig.
„Hallo!” zei Kemp ferm. „Goddank, je bent er! Hèhè, ik kom je gezelschap houden, ik verveel me mottig in mijn eentje!”
Het klonk zo idioot dat Stans in de lach schoot. Onwillekeurig was haar hart opgesprongen toen ze hem zag. Daar was hij weer, haar ster, hij zocht haar op.
Kemp parkeerde zijn lichtgewicht karretje tegen de muur van de bijkeuken. „Hé, zit je nu eindelijk eens rustig. Niet aan het werk?” Stans schudde haar hoofd. Hij was in een heerlijke, roekeloze stemming. „Nee, vanavond zit ik óp. Heb proviand mee van thuis.”
Ze trok de box naar zich toe en begon de kurketrekker in het kurk te drijven. Ze hield de fles op naar Kemp in een zwijgende vraag of hij ook wilde. Hij knikte. „Heb maar één glas bij me. Ik had niet op nog meer gasten gerekend.” „Nog meer gasten?”
„Ja, mijn ouders hebben hier koffie gedronken, nadat ze me hadden weggebracht.”
„Weggebracht?” papegaaide Kemp.
„Ja, ik blijf vannacht hier slapen. ” Stans bood hem het glas aan. „Wel, je hoeft je niet zo lang meer te vervelen. Maandag mag je weer aan het werk.” Stans keek hoe hij zijn lippen aflikte. „Hoe weet jij dat?”
Bijna had ze haar mond voorbij gepraat. Dan zou het afgeluisterde gesprek aan het licht komen. Ze kon Kemp toch niet zeggen dat de ernst van zijn aandoening van zijn angst afhankelijk was geweest. Ze moest hem afleiden. ,,Oh, ik dacht dat je zoiets had gezegd.”
Hij overhandigde haar het halflege glas.
,,Heeft het je veel schade berokkend dat je een aantal optredens niet hebt kunnen nakomen?”
,,Daar moet jij je mooie hoofdje niet over breken.”
Ja dus, dacht Stans en gooide het hoofd achterover om het laatste beetje wijn uit het glas op te drinken. Verdere gedachten werden gedwarsboomd, doordat Kemp een verleidelijke kus op haar hals drukte. Hij was achter haar gaan zitten, een treetje hoger. Zijn lange benen rustten aan weerskanten van de hare, zijn handen lagen onder haar borsten.
Het zat heerlijk zo, met haar hoofd tegen zijn brede borst. Ze zou het niet goed moeten vinden. Nou ja, laat maar even, heel even maar. Kemp vulde het glas bij. Hij boog even voorover. Stans nam zijn oorlelletje tussen haar tanden., ,Hé, je hebt toch eten bij je, niet aan mij knabbelen. ’’ Het was een fijn, sensueel spel. Zodra ze bij zijn lippen kon, verdween haar tong ertussen. Ze ontmoette zijn tong, die nog flauw naar wijn smaakte. Dat was nog meer dronken makend dan rechtstreeks uit de fles.
Stans lachte diep in haar keel. Ze was dronken van macht, ze tolde ervan. Ze dronk het glas leeg en Kemp schonk opnieuw in. Hij nam een slok, slikte het niet door, maar bracht het in haar mond. Opnieuw liet hij haar drinken, nu uit het glas. Kemp’s handen werden vermeteler en dwaalden onder het shirt van haar joggingpak.
Het elastische behaatje was nauwelijks een belemmering voor bedreven handen. Door de hete kussen die ze met Kemp had gedeeld, waren de tepels reeds gezwollen. Haar lichaam reageerde instinctief na een zo lange ontbering. Stans kromde haar rug en bood Kemp opnieuw haar geopende lippen.
De wijn was op. De fles en het glas lagen vergeten op het terras. Stans genoot van Kemp’s opwindende liefkozingen, maar ze wilde meer. Ze wilde volledige bevrediging van haar verlangens. Kemp tilde haar op en droeg haar naar binnen. Hij vleide haar op het bed. Haar joggingpak was snel genoeg uit.
Er was geen weg terug. Stans wilde ook niet terug. Nu ophouden zou wreed zijn.
Kemp kleedde zich uit. Hij stond als een silhouet afgetekend tegen het raam in het licht van de ondergaande zon. Stans hield haar adem in bij het zien van zijn prachtige lichaam.
Ze snakte ernaar dat te bezitten en te beminnen.