Hoofdstuk 12
Waarin Tom met stokjes leert
eten,
over olifanten discussieert en zich een pracht van een
greep herinnert.
Tom ritste zijn jeans dicht, ging zitten en bekeek de ebbenhouten stokjes heel aandachtig. Hij stak het ene tussen zijn duim en wijsvinger, het andere tussen zijn middel en ringvinger. Het puntje van zijn tong krulde tussen zijn tanden, terwijl hij met de uiteinden van de stokjes een beetje rijst en wat groenten trachtte op te scheppen uit de porseleinen kom. Net toen hij dacht eindelijk beet te hebben, schoten de twee stokjes over elkaar en vloog de rijst in het rond op het tafelblad en op de vloer. Tom zuchtte. Hij schikte de stokjes opnieuw en probeerde het nog eens. Met even weinig succes overigens. Dan legde hij kordaat de stokjes naast zijn kom neer, kneedde met zijn vingers wat rijst tot een bolletje en stak het in zijn mond. Dat deed deugd, want de honger knaagde. Iemand had hier tijdens zijn slaap een kom met eten neergezet. Die iemand wilde dus dat hij at. En daar had Tom bepaald geen aansporing voor nodig. Meer dan het gebakje had hij, sinds hij in Antwerpen ontvoerd werd, nog niet binnen. Dus hapte hij gulzig toe en kauwde en hij vond het nog lekker ook.
Zijn mond zat propvol toen de deur openzwaaide. Een Chinees kwam lachend binnen. Tom stond op, deinsde een stap achteruit en wilde iets zeggen, maar dat lukte niet met zijn mond vol kleverige rijst. Hij slikte drie, vier keer na elkaar. De man stapte op hem af, nam, nog steeds lachend, de stokjes in zijn hand en zei:
‘Zo moet je dat doen. Je legt het ene stokje in de holte tussen je duim en wijsvinger en laat het rusten op de tip van je ringvinger. Met je duim druk je het stevig vast. Met de toppen van je duim, wijs en middelvinger houd je nu het tweede stokje zo vast dat de uiteinden net op dezelfde hoogte komen. Dat is de hele truc. Probeer het maar.’
Tom schudde zijn hoofd.
‘Dank je, ik heb genoeg.’
‘Ook goed. Overigens aangename kennismaking. Mijn naam is Poonh. Mister Poonh! Jij bent Tom Bakkers, als ik goed ben ingelicht?’
Tom knikte, niks op zijn gemak.
‘Wat doe ik hier? Waarom is de deur op slot? Wat ben je met mij van plan?’
‘Wat een hoop vragen tegelijk, Tom. Ga zitten. Ik probeer ze te beantwoorden.’
Tom ging op het voorste randje van een fauteuil zitten. Mister Poonh liet zich languit achterover zakken in de andere.
‘Nu moet je goed naar me luisteren, Tom. Ik ben een zakenman en ik heb dus maar weinig tijd. Doorgaans hou ik me nauwelijks met kleine jongens als jij bezig. Behalve als ik ze in een kist vind, die me door een leverancier wordt toegestuurd. Je zag er belabberd uit, jongen. De reis had niet veel langer moeten duren of van Tom Bakkers had niemand ooit nog gehoord. Je lag bewusteloos tussen het… de… machineonderdelen toen…’
‘Tussen het ivoor, zal je bedoelen’, onderbrak Tom hem.
‘Ivoor?’
Mister Poonh fronste zijn wenkbrauwen.
‘Ivoor heb ik nooit gezien en in mijn bijzijn wordt er niet over gesproken. Nooit! Is dat begrepen? Machineonderdelen dus.’
Tom vroeg zich af welk spelletje die mister Poonh met hem wilde spelen. Hij was hier duidelijk in de macht van een van de kopstukken van de ivoorhandel. Maar wat kon zo iemand in godsnaam met een jongen van dertien beginnen? Tom wachtte af en dacht na terwijl mister Poonh verder vertelde.
‘Mijn personeel heeft je wat opgepept en gewassen, want je stonk. Je had zelfs je water over mijn kostbare lading laten lopen. Maar goed, daar wil ik het nu niet over hebben. Ik liet je meteen naar mijn suite in de Ritz brengen en hier heb je je roes uitgeslapen. Je sliep twee dagen en twee nachten aan een stuk. Vanmorgen ben je even wakker geworden, je hebt wat rondgelopen en dan ben je prompt weer voor vijf uur in slaap gevallen. Ik hoop dat je nu wel even wakker blijft.’
‘Waarom sluit je me op? Laat me hieruit!’
‘Tja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Ik heb je toegestuurd gekregen als… een geschenk, laten we zeggen. Een bijzonder geschenk, dat geef ik toe. En ik was er aanvankelijk ook helemaal niet mee ingenomen. Ik doe zaken. Ik koop en verkoop van alles, maar jongetjes van dertien zijn daar normaal gesproken niet bij. Dat een van mijn leveranciers, mevrouw De Snert – je kent haar – zo dom is geweest jou te ontvoeren, is haar zaak. Dat ze je bovendien naar mij opstuurde, vond ik gewoon crimineel. Ik wilde niet dat ze mij in haar duistere zaakjes betrok. Maar ja, je was nu eenmaal hier en ik moest dus wel een oplossing voor je bedenken. Eigenlijk was ik van plan je zo snel mogelijk vrij te laten, in de buurt van een ambassade bijvoorbeeld. Daar zouden ze naar je bizarre verhaal geluisterd hebben en je weer naar je moeder hebben gestuurd. In elk geval zou de kans heel gering zijn geweest dat ze mij op het spoor waren gekomen. Ik ben een achtenswaardig zakenman uit Hongkong, maar ook hier in Taipei, waar ik zowat de helft van mijn tijd doorbreng, word ik alom gerespecteerd. Niemand zou het in zijn hoofd halen mij te verdenken van de ontvoering van een Belgisch jongetje.’
‘Waarom laat je me dan niet vrij?’
Tom vroeg het bitsig.
‘Tja, alweer de schuld van Lydia de Snert. Zij is heel onzorgvuldig te werk gegaan. Ze heeft jou verpakt samen met die… machineonderdelen en je weet dus precies welke lading zij naar mij verscheept heeft. Je weet gewoon te veel, jongeman. En dus kan ik je, helaas, niet meer laten gaan. Ik heb geen zin om mijn hele handel in gevaar te brengen. Bovendien heeft Lydia de Snert nog een flater begaan. Ze heeft ook je broer gevangen genomen.’
‘Patrick!’ schreeuwde Tom uit.
‘Precies, Patrick Bakkers. Helemaal ongelijk heeft ze natuurlijk niet. Die jongen stak zijn neus ook altijd in andermans zaken. Zolang ze alleen jou in haar macht had, kon ze hem chanteren. Hij zou wel zwijgen omwille van jou. Maar de verdwijning van twee broers zal niet lang onopgemerkt blijven. En dat is dus nog een tweede reden waarom ik je niet meer kan vrijlaten.’
Tom sprong op.
‘Wat wil je dan van me? Wat ga je met me doen?’
‘Dat is moeilijk te zeggen nu. Ik zal op een of andere elegante manier van je af moeten geraken. En liefst zo dat je niets meer van ons handeltje kunt verklappen, als je begrijpt wat ik bedoel.’
Tom begreep het maar al te goed. Die man was gewoon gevaarlijk. Hij moest hier zien weg te komen. Mister Poonh zat nog altijd onderuit gezakt in de fauteuil. Met drie, hooguit vier stappen kon Tom de deur bereiken. Hij herinnerde zich niet dat mister Poonh die weer op slot zou hebben gedaan. Het viel te proberen. Tom spande al zijn spieren en sprong op de deur af. Goddank, die was open. Met één beweging was hij de kamer uit en rende… recht in de armen van twee Chinezen, die hem met vlugge, precieze grepen op de grond legden en zijn armen zo verwrongen dat hij geen vin meer kon verroeren.
De geur van stof prikkelde Tom in zijn neusgaten en toen hij zijn hoofd oprichtte, zag hij mister Poonh grijnzend in de deuropening staan.
‘Goed geprobeerd, Tom. Maar je hebt buiten Li en Yi gerekend. Mijn trouwe lijfwachten zijn altijd in de buurt. Altijd! Heb je dat begrepen? Doe dus geen zulke domme dingen meer.’
Poonh beduidde zijn lijfwachten dat ze hem weer moesten loslaten. Tom stond op en nam de kamer in zich op. Die was veel groter dan zijn slaapkamer. En er waren ramen. Door de glasgordijnen scheen het gefilterde licht van de ondergaande zon. Die warme gloed paste uitzonderlijk goed bij de kleuren van de kamer. Beige en bruin waren de hoofdtinten. In het midden stond een mahoniehouten schrijftafel, die, op een legger en een schemerlamp na, leeg was. In de muur, rechts van de ramen, waren drie deuren. Eén daarvan was die van Toms slaapkamer. Wellicht zouden de overige twee ook wel naar slaapkamers leiden. De middelste kamer leek een stuk groter dan beide andere. Aan de tegenovergestelde muur, links van de ramen dus, leidde een ruime hal met vestiaire naar nog een deur. Daarlangs moet ik eruit, dacht Tom. Maar hij wist eerlijk gezegd niet hoe hij dat voor elkaar zou moeten krijgen.
‘Zo, ga zitten’, beval mister Poonh hem.
Met zijn hand wees hij vaag achter Tom. Die draaide zich om en zag nu tegen de achterste muur een stijlvol ingerichte zithoek, met wel vier of vijf fauteuils in fijn leder. Hier en daar stonden prachtig gesculpteerde tafeltjes en de vele bloemen maakten het bijna gezellig. Tom ging zitten en wachtte af. Mister Poonh richtte zich nu tot zijn beide lijfwachten.
‘Goed, jullie kunnen ons nu wel alleen laten. De deur is toch vast. Ga maar naar jullie kamer. Ik kan hem wel de baas. En ik heb ook dit nog.’
Hij maakte zijn vestje open, sloeg het naar achter en ging zo staan dat Tom duidelijk de revolver kon zien die in een lederen holster onder zijn oksel hing.
‘Maar slaap niet allebei tegelijk. Misschien heb ik jullie wel nodig.’
Li en Yi bogen het hoofd en verdwenen geruisloos naar de slaapkamer in de hoek. Toen de deur dicht was, draaide mister Poonh zich om en ging recht tegenover Tom zitten. Vanaf zijn plaats kon Tom Poonhs gezicht amper zien, want die zat met zijn rug naar het raam. De ondergaande zon tekende zijn silhouet scherp af, maar vervaagde elk detail. Tom vond het jammer dat hij zijn tegenstrever zo slecht zag, maar daar was nu niets meer aan te doen.
‘Wat wil je drinken?’
Mister Poonh vroeg het vriendelijk. Iemand die onverwacht op dat moment was binnengekomen, zou niet in het minst hebben kunnen vermoeden dat Tom hier gevangen werd gehouden.
Drinken? Tom dacht na. Misschien lag hier een kans.
‘Vers geperst sinaasappelsap’, zei hij. ‘Kan dat?’
Mister Poonh glimlachte breed.
‘Natuurlijk kan dat. Maar je zal wel even geduld moeten hebben, want dat moet ik bestellen.’
Hij greep de telefoon en toetste een paar cijfers in.
‘Roomservice? Ja, suite 3 hier. Ik had graag een vers geperst sinaasappelsap. Ja, in orde.’
Hij legde de hoorn neer, stond op en wandelde naar de bar, waar hij zichzelf een dubbele whisky uitschonk. Dan ging hij weer tegenover Tom zitten.
‘Zo, jouw drankje komt eraan. Laten we intussen verder praten. Waar waren we gebleven?’
‘Je zou mij… opruimen.’
Tom trachtte het zo opgeruimd mogelijk te zeggen.
‘Juist. Je begrijpt toch dat ik geen andere keuze heb? Het is de schuld van Lydia de Snert. Je mag dat mij niet kwalijk nemen.’
‘Dat neem ik jou ook niet kwalijk’, spotte Tom. Maar bij zichzelf bedacht hij dat hij zich niet zomaar zou laten afslachten. Hij had een plannetje in zijn hoofd en koortsachtig trachtte hij dat nu tot in de puntjes uit te werken. Maar mister Poonh mocht niets merken. Hij moest het gesprek aan de gang zien te houden.
‘Wat ik je wel kwalijk neem, mister Poonh, is dat je de olifanten laat afslachten. In nauwelijks tien jaar tijd is het aantal Afrikaanse olifanten gehalveerd. Er zijn er nog nauwelijks zeshonderdduizend in heel Afrika. Elk jaar verdwijnt er weer tien tot twintig procent van. En dat is jouw schuld.’
Mister Poonh grijnsde.
‘Je hebt je lesje goed geleerd, Tom. Het is eraan te merken dat je broer bij Traffic werkt. Maar je begrijpt dat ik me met dergelijke flauwe praatjes niet kan bezighouden. De dieren zijn er voor de mens. Olifanten zijn overigens stomme beesten, die alles wat ze op hun weg tegenkomen, platwalsen. In sommige streken van Afrika zijn ze een ware plaag geworden. Allemaal de schuld van die natuurbeschermers, die de wilde dieren in Afrika willen beschermen, terwijl de mensen er creperen van de honger. Ik zorg tenminste voor werk voor de inlanders. Mijn zogenaamde stropers – ik noem ze liever jagers – worden goed betaald. Veel meer dan hun stamgenoten. Mijn mensen kunnen behoorlijk leven in Afrika.’
Tom voelde zich woest worden. Mister Poonh wilde laten uitschijnen dat hij de mensheid een dienst bewees door olifanten af te slachten. Straks noemde hij de ivoorjacht nog ontwikkelingshulp.
‘En hoelang denk je dat zoiets blijft duren? Straks is er in Afrika geen enkele olifant meer. Dan is het ook uit met jouw handel!’
‘Dat dacht je maar’, grinnikte mister Poonh. ‘Dan begint het pas goed. Als de olifanten uitgestorven zijn, dan is ivoor pas zeldzaam, want er komen geen nieuwe tanden meer bij. Maar ik heb nog honderden tonnen in voorraad, hier in Taiwan, in Hongkong, in Dubai. De prijs daarvan zal als een raket de hoogte in schieten. Ik doe de slag van mijn leven.’
Tom wilde iets zeggen, maar zijn mond bleef halfweg openstaan. Dat iemand voor zijn eigen gewin in staat was koelbloedig alle olifanten ter wereld te laten afslachten, daar kon hij niet bij. Die man was een gevaar. Olifanten bestonden niet voor hem. Ze waren alleen lastige aanhangsels van een paar slagtanden. Als je ze van het ivoor afhakte, was dat enkel maar een vorm van ontginnen.
Net toen Tom eindelijk iets gevonden had om op zoveel egoïsme te antwoorden, dingdongde een bel.
‘Daar zijn ze met je drankje’, zei mister Poonh en meteen liep hij naar de schrijftafel, waar hij op een knop drukte. Met een zoemend geluid sprong de voordeur uit het slot.
Tom was woest en vol afkeer en hij voelde een vreemde kracht in zich opkomen. Dat is mijn kans, dacht hij. En terwijl een dienster, dienblad in de hand, de deur al openduwde, sprong hij met drie passen tot vlak bij mister Poonh. Die draaide zich net om en wilde naar de zithoek terugkeren. Hij schrok toen hij de gelaatsuitdrukking van Tom zag. Automatisch tastte hij met zijn rechterhand onder zijn vest naar zijn revolver.
‘Morote-seoi-nage!’ prevelde Tom.
Tegelijk pakte hij mister Poonh beet bij de revers van zijn jasje. In een fractie van een seconde draaide hij zich om, bukte zich en trok. Totaal verrast zwaaide mister Poonh door de lucht, raakte daarbij met een voet de kristallen luchter en kwam vervolgens met een plompe plof op zijn zij terecht. Het koude ijzer van de revolver onder zijn vest drukte diep in zijn ribben en naar adem happend bleef hij liggen. De luchter zwierde rinkelend na.
Tom was nog het meest verbaasd van al. Eigenlijk had hij nooit verwacht dat het zo makkelijk zou lukken. Helemaal onthutst deed hij een stap achteruit en groette zijn gevloerde tegenstander alsof het een judokampioenschap betrof. Pas toen Li en Yi in de deuropening verschenen, besefte hij dat hij geen moment meer te verliezen had. Hij liep naar de voordeur. Het arme dienstertje slaakte een gil toen hij haar omverliep. Het dienblad met het glas sinaasappelsap vloog door de kamer.
Tom holde als een razende de trap af, vier, vijf treden tegelijk. Er leek geen eind aan te komen. Hoeveel verdiepingen was hij al afgedaald? Hij was allang de tel kwijt. De weinige hotelgasten die hij op zijn weg ontmoette, sprongen ijlings tegen de muur om hem voorbij te laten razen en besloten in het vervolg toch maar de lift te nemen.
Na veel verdiepingen kwam Tom uiteindelijk, via een brede, met tapijt beklede wenteltrap, de lounge ingestormd. Een piccolo in uniform zag hem aankomen en hield de glazen deur al voor hem open. Tenminste, dat dacht Tom. In feite opende de man de deur om een nieuwe hotelgaste binnen te laten, die net uit een taxi stapte. Tom herkende haar meteen terwijl hij hollend tegen haar opbotste. Ze kwam onzacht en vloekend op de straatstenen terecht en wie dicht genoeg bij haar stond, hoorde een gedempt geluid van brekend glas. Even later verscheen een donkere, vochtige plek op haar bontmantel en een sterke geur van slivovitz verdrong zelfs de stank van de uitlaatgassen van Taipei. Lydia de Snert ging rechtop zitten, staarde stomverbaasd naar Tom en vloekte. Tom keek nog even vluchtig achterom en liep en liep, tot hij helemaal was opgenomen in de mensenmassa’s die bij valavond de straten vulden.