HOOFDSTUK 1
Laurie lag heerlijk te soezen in de hangmat, die tussen twee dikke bomen hing. Ofschoon het nog pas begin mei was, leek het wel juli of augustus. De bijen vonden dat blijkbaar ook, want ze waren al druk bezig honing te vergaren, en hun eentonige gezoem verhoogde nog haar gevoel van welbehagen.
Eigenlijk was er helemaal geen reden om zich zo behaaglijk te voelen, hield ze zichzelf streng voor. Ze moest een manier zien te bedenken om haar en haar moeder uit de problemen te halen.
Want problemen hadden ze! In de herfst van het afgelopen jaar had Mrs. Stephens een advertentie gezien in het plaatselijk nieuwsblad, waarin een tot woonhuis verbouwde boerderij te koop werd aangeboden. Hij lag aan het eind van de smalle weg naar de Armoury Cove, aan de zuidkust van Cornwall, niet ver van Penzance. Hij was niet alleen geheel gemeubileerd, maar nog erg goedkoop ook voor deze tijd.
‘Hoe zou dat komen?’ had Mrs. Stephens zich afgevraagd.
‘Er zal heus wel een addertje onder het gras schuilen,’ had Laurie gewaarschuwd.
‘Laten we de sleutels bij de makelaar gaan halen, dan kunnen we eens kijken, wat het is,’ had Mrs. Stephens opgewekt voorgesteld.
Zo gezegd zo gedaan. Op slag waren ze allebei verliefd geworden op Armoury Ranch, zoals het huis heette, en met de beste wil van de wereld konden ze geen ‘addertje’ ontdekken. Het huis was goed onderhouden en het meubilair was eenvoudig, doch van goede kwaliteit. Er was zelfs een zwembad bij het huis. De tuin was enorm groot, en eveneens goed onderhouden.
‘Het is een koopje,’ had Mrs. Stephens gezegd.
‘Ja, moesje, dat wel, maar het is toch niets voor ons,’ had Laurie verdrietig verzucht.
‘Als woonhuis niet, misschien als hotel?’ had Mrs. Stephens aarzelend gezegd. ‘Luister eens, Laurie, de grote zitkamer kan dienst doen als eetzaal, en er zijn zeven - nee negen slaapkamers, als je de twee kamers op de begane grond meetelt. Bovendien zijn er verscheidende badkamers.’
‘Wij hebben ook ieder een slaapkamer nodig,’ herinnerde Laurie haar.
‘Nu, dan nemen wij die benedenkamers.’ Mrs. Stephens had het al helemaal voor elkaar. ‘Twee slaapkamers, een badkamer en een zitkamer - meer hebben we niet nodig. Dat ene slaapkamertje is wel wat klein, voor mij is het echter groot genoeg. Het zou juist zo goed uitkomen, want als je die verbindingsdeur dichtdoet, heb je verder niets met de rest van het huis te maken. Er is zelfs nog een apart tuintje bij met een schutting erom en een hekje, zodat we dat deel van het huis voor onszelf kunnen houden.’
‘En hoe denkt u dat te betalen?’ had Laurie gevraagd. Ze voelde dat ze werd meegesleept door haar moeders enthousiasme, maar wilde zich nog niet gewonnen geven.
‘Oh, dat is geen probleem! We verkopen ons huis in Penzance. Daar heb ik al verschillende mooie aanbiedingen op gehad. Bovendien heb ik het geld van de verzekering nog.’
Het werk van Mr. Stephens had met zich meegebracht, dat hij vrij veel op reis was. Daarom had hij een hoge ongevallenverzekering afgesloten, voor het geval hem onderweg iets mocht overkomen. Toen hij vijf jaar geleden was omgekomen bij een vliegramp, had de verzekeringsmaatschappij een groot bedrag uitgekeerd aan zijn weduwe. ‘Je ziet, zo gaat het best.’
‘En waar moeten we de eerste tijd van leven?’ vroeg Laurie.
‘Ach...’ dat bezwaar had Mrs. Stephens met een luchtig gebaar van haar hand weggewuifd, ‘dat zien we wel. Echtpaar, Laurie, zo’n kans krijgen we nooit meer. En we weten immers wel hoe we een hotel moeten runnen?’
Dat was ook zo. Ze waren allebei werkzaam in een groot hotel, Mrs. Stephens als hoofd van de keuken, Laurie als secretaresse.
‘Toch vertrouw ik het nog niet,’ had Laurie koppig volgehouden. Dat had ze ook tegen de makelaar gezegd, toen ze de sleutels terugbrachten. Zijn antwoord had geloofwaardig geklonken.
‘Er steekt werkelijk niets achter, Miss Stephens,’ had hij verklaard. ‘De tegenwoordige eigenaresse wil het zo snel mogelijk van de hand doen. Daarom is het ook zo goedkoop.’ ‘Maar waarom dan?’ had Laurie gevraagd.
‘Omdat Mrs. Ferries het na de dood van haar man — hij verdronk in de Cove, toen hij een kind wilde redden, dat bij het zwemmen in moeilijkheden was geraakt - niet meer uit kon houden in het huis, waarin ze zo gelukkig was geweest,’ had Mr. Truscott uitgelegd. ‘Vroeger bracht de hele familie daar zijn vakantie door, maar kleine kinderen worden nu eenmaal groot, trouwen en — zoals in dit geval - vertrekken ze soms naar het buitenland.’ Mrs. Stephens had nog een vraag:
‘Mr. Truscott, wat denkt u dat ik voor mijn huis in Tregarth Place kan vragen?’
‘Hm... Het is toch nummer zestien, nietwaar? Hij noemde een bedrag. Mrs. Stephens en Laurie wisten niet wat ze hoorden. Mr. Truscott vervolgde: ‘Ik heb een cliënt, die dat bedrag er graag voor over heeft.’
Daarna was de zaak gauw beklonken. Mrs. Stephens en Laurie namen ontslag en gingen in Armoury Ranch wonen.
De tussenliggende tijd hadden ze gebruikt om het huis grondig schoon te maken en enige veranderingen aan te brengen. Mrs. Stephens had een lijst gemaakt van het huishoudlinnen dat voorhanden was. Laurie had intussen berekend wat hun toekomstige gasten moesten betalen. Ze had een kasboek aangeschaft en een aantal aantrekkelijke folders laten drukken. Ze vroegen de vereiste vergunningen aan en adverteerden in de plaatselijke en landelijke bladen.
Maar nu kwam er toch een kink in de kabel. Er kwamen wel aanvragen om inlichtingen - echter lang niet zoveel als ze verwacht hadden - doch de reserveringen bleven uit. Hoe zou dat toch komen? Ze braken zich er het hoofd over. Hun prijzen waren toch niet buitensporig hoog, de Ranch was schitterend gelegen in de nabijheid van de baai. Bovendien was er nog een zwembad bij het hotel.
‘Misschien vinden de mensen het nog te vroeg om nu al aan hun zomervakantie te denken,’ zei Mrs. Stephens hoopvol. Over een tijdje reserveren ze vast wel.’
Dat viel echter tegen, en Laurie en haar moeder begonnen zich langzamerhand zorgen te maken. Daarom was Laurie vanmiddag naar hun privétuintje gegaan om de dingen nog eens op een rijtje te zetten. Dat pakte echter anders uit dan ze het zich had voorgesteld.
Inplaats van een paar zinnige oplossingen te bedenken, werd ze bevangen door een gevoel van optimisme en tevredenheid. Hoe het kwam wist ze niet, ze was er echter van overtuigd dat binnenkort alles ten goede zou keren.
Even later kwam hun kleine Siamees haar gezelschap houden. Gelukkig voelde het diertje zich ook op haar gemak in het nieuwe huis. Op haar stamboombewijs stond een ingewikkelde oosterse naam, maar zij noemden haar Cherry.
‘Oh, Cherry moet je nu persé bovenop me gaan liggen? Ik heb het al zo warm.’
Cherry trok zich daar niets van aan. Ze draaide een paar keer op Lauries borst in het rond, tot ze het juiste plekje gevonden had. Even later lag ze luid spinnend te slapen, en was de rust in het kleine tuintje weergekeerd.
Opeens weerklonk een luide klap, gevolgd door een angstaanjagende stilte.
Laurie viel van schrik bijna uit de hangmat en was op slag klaar wakker. Een boze, angstige Cherry klom razendsnel in een boom en staarde met uitpuilende ogen naar de rustverstoorder: een auto die op de weg voor het huis reed, had zich in de heg geboord en was tot stilstand gekomen tegen het vogelbadje, dat volkomen vernield was.
Maar bij een auto hoort gewoonlijk een bestuurder. Laurie was woedend op de man, omdat hij haar zo had laten schrikken. Ze rende naar de plaats des onheils om hem eens flink de waarheid te zeggen. Toen ze echter dichterbij kwam, begreep ze dat daar geen sprake van kon zijn. De bestuurder — een jonge man - hing bewusteloos over het stuur. Zijn gezicht zat onder het bloed. Lauries eerste gedachte was: ‘net goed’.
Intussen hadden nog meer mensen het lawaai gehoord. Mrs. Stephens kwam het huis uitgehold. ‘Wat is er in vredesnaam...’ begon ze. Dichterbij gekomen, zei ze medelijdend: ‘Ach, die arme jongen. We moeten hem uit die auto zien te halen. Laurie ga eens kijken of je Trewyn kan vinden.’
Trewyn, de tuinman, had de klap ook gehoord, en voor iemand die zich gewoonlijk voortbewoog met de snelheid van een slak, was hij verwonderlijk vlug ter plaatse. Hij keek allereerst of de motor afgezet was. Vervolgens voelde hij de pols van het slachtoffer. ‘Hij leeft nog wel.’ merkte hij voldaan op. ‘We kunnen hem daar niet laten zitten. Gelukkig is het een open sportwagen. Als u de deur even openhoudt, mevrouw, dan trek ik hem er voorzichtig uit. Kunt u mij misschien even helpen, Miss Laurie?’
De twee vrouwen deden gehoorzaam wat hun werd gezegd. Ze waren al blij dat er tenminste iemand was, die wist wat er gedaan moest worden. Maar dat viel niet mee. In de eerste plaats was het slachtoffer een lange, fors gebouwde man, en daar hij buiten kennis was, gaf hij niet mee. Even later lag hij op een plaid op het gazon.
‘Dat zal een mooi blauw oog worden,’ merkte Trewyn op, terwijl hij het gekneusde, bloedende gezicht bekeek. Zijn wang ligt open tot op het bot. Maar als dat het enige is, mag hij zijn handen dichtknijpen.’ Behendig liet hij zijn handen langs de armen en benen van het slachtoffer glijden. ‘Dat linkerbeen is niet in orde,’ zei hij. ‘Gebroken dijbeen, denk ik. Dat is een klusje voor het ziekenhuis. Mevrouw, zal ik het ziekenhuis bellen, of doet u het? Nee, misschien kan ik het toch beter zelf doen. Ik doe wel eens wat vrijwilligerswerk, zodoende kennen ze me daar.’
‘Ga je gang, Trewyn,’ zei Mrs. Stephens afwezig. ‘En moeten we eigenlijk niets aan zijn gezicht doen? Verbinden of zo...’
‘Ach ja, dat konden we wel doen,’ antwoordde Trewyn met het gewone gebrek aan enthousiasme van de deskundige voor de suggesties van de amateur. ‘Haal dat zijden zakdoekje maar uit zijn borstzakje, vouw het kruisgewijze op, en maak er een lange reep van. Bind het dan om zijn wang. Niet te strak, hoor!’
Met grote stappen liep hij terug naar het huis en Mrs. Stephens knielde naast de man neer. Uiterst voorzichtig trok ze het zakdoekje uit zijn zak. Het was tamelijk groot, en vervaardigd van pure zijde. ‘Niets voor een man,’ dacht Laurie minachtend. Ze was nog steeds woedend op de man, omdat hij zoveel drukte had veroorzaakt. Hij had natuurlijk veel te hard gereden! Misschien had hij wel teveel gedronken ook!
‘Laurie, kun jij even helpen?’ vroeg Mrs. Stephens, ‘Ik moet dat doekje met twee handen vasthouden, en ik kan het niet onder zijn hoofd doorhalen, tenzij jij even zijn hoofd optilt.’
Laurie had geen keus. Ze liet haar hand onder zijn hoofd glijden. Haar vingers begonnen vreemd te tintelen, toen ze in aanraking kwamen met het donkere krullende haar. Dat ergerde haar zo, dat ze moeite had, haar hand niet onmiddelijk terug te trekken.
‘Zo, dat zit,’ zei Mrs. Stephens even later. Ze keek naar het slachtoffer en zei medelijdend: ‘Wat een knappe jonge man is het.’
‘Je moet nooit op het uiterlijk afgaan,’ wilde Laurie zeggen. Ze bedacht zich echter. ‘Dat kun je toch nauwelijks een jonge man noemen, moeder. Hij is minstens een jaar of dertig - in ieder geval oud genoeg, om niet zo roekeloos te rijden.’
‘Dat is niet aardig van je, kindje,’ zei Mrs. Stephens verontwaardigd. ‘Kijk nu toch eens, hoe die arme jongen eruit ziet!’
Laurie hoorde niet eens wat ze zei, ze had wel iets anders aan haar hoofd! Het ongeschonden oog - fel blauw van kleur - keek haar strak aan. ‘Hallo, rooie!’ zei een verrassend vaste stem. ‘Ik heb altijd een voorkeur gehad voor meisjes met rood haar, vooral als ze zo’n leuk mopsneusje hebben zoals jij.’ Toen gaf het oog haar een brutaal knipoogje. Daarna viel het weer dicht, en bleef dicht. De man was blijkbaar opnieuw buiten westen geraakt.
Op dat moment kwam Trewyn naar buiten en vertelde dat de ambulance over een goed half uur bij hen kon zijn. ‘Het is nog een heel eind,’ verklaarde hij. ‘Gelukkig dat de ziekenwagen beschikbaar was.’
‘We kunnen die arme jongen daar niet laten liggen,’ protesteerde Mrs. Stephens. ‘Kunnen we hem niet zolang naar binnen dragen?’
Daar wilde Trewyn echter niets van weten. ‘Hoe minder hij zich beweegt, hoe beter het voor hem is,’ zei hij met kennis van zaken. ‘Is hij nog niet bij kennis geweest?’
‘Hij heeft net even zijn ogen opgeslagen, en hij heeft ook een paar woorden gezegd,’ zei Mrs. Stephens, ‘maar ik kon niet verstaan wat hij zei. Jij wel, Laurie?’
‘Nee, ik ook niet,’ jokte Laurie onvervaard. ‘Hij sprak wartaal, denk ik.’ Voor geen geld van de wereld zou ze vertellen wat die idiote vent had gezegd — en gedaan!
‘Dat is niet erg,’ zei Trewyn nonchalant. ‘Zijn ademhaling gaat gelukkig regelmatig. Het is maar goed dat hij zijn veiligheidsgordel om had, anders had het wel eens slechts met hem kunnen aflopen. En wat dat been betreft...’ Hij ging op zijn hurken naast het slachtoffer zitten en wilden juist een nader onderzoek instellen, toen de eigenaar van het been weer begon te spreken, doch nu met een zwakke, bevende stem. ‘Het is inderdaad gebroken. Ik voelde het kraken. Bovendien kan ik het niet bewegen.’
‘Probeer het ook maar niet,' waarschuwde Trewyn. ‘Miss Laurie, als u de kussens uit de hangmat haalt, dan leg ik die onder zijn been. Nee, ik spalk het niet, dat moeten ze in het ziekenhuis doen. Als ik het goed wil doen, moet ik de pijpen van zijn pantalon stuk knippen, en dat zou zonde zijn van meneer zijn mooie pak. Dat zal een lieve duit gekost hebben, geloof dat maar.’ *
Hij had gelijk, zag Laurie nu. Ofschoon het op het oog een gewoon sportcostuum was, was het vervaardigd van de fijnste wollen tweed, en zo te zien was het gemaakt door een eerste klas kleermaker. Zoals Trewyn had gezegd, was het vast erg duur geweest. Al zijn kleren waren trouwens van uitstekende kwaliteit. Zijn witte overhemd en zijn sokken waren eveneens van echte zijde. Laurie had wel niet zoveel verstand van die dingen, doch zo te zien waren zijn glimmend gepoetste, bruine schoenen vervaardigd door een maatschoenmaker. Hij was blijkbaar een welgesteld man en als ze naar zijn auto keek, die helemaal in de kreukels lag en versierd was met stukken van de heg, werd die mening nog versterkt. Alleen een rijk man kon zich zo’n exclusieve, snelle sportwagen permitteren. Hij was dus duidelijk een van die rijke nietsnutten, dacht Laurie. Aan de andere kant betekende het ook, dat hij heel goed in staat was de aangerichte schade te vergoeden. En hij zou er wel voor zorgen dat hij dat deed!
Toen de ambulance er was, riep de oudste van de twee ziekenbroeders, na een blik op de man die uitgestrekt op het gras lag, verbaasd uit: ‘Hé, dat is Mr. Audley! Rolf Audley. Hoe is dat nu mogelijk? Hij is een van de beste chauffeurs die ik ken.’
‘Oh, kent u hem?’ vroeg Mrs. Stephens opgelucht. ‘Ik vroeg me al af hoe ik zijn vrouw en zijn familie van het gebeurde op de hoogte moest stellen.’
‘Voor zover ik weet, is hij niet getrouwd,’ zei de man opgewekt. ‘En bloedverwanten... Daar heb ik ook nog nooit van gehoord. Maak u geen zorgen, mevrouw, dat zoeken ze in het ziekenhuis wel uit. Nu, laten we eerst even naar dat been kijken.’ Zorgvuldig onderzocht hij het gewonde been. ‘Dijbeen gebroken,’ constateerde hij even later.’ Geen twijfel mogelijk. Haal even de spalken en het verband uit de auto, John,’ zei hij tegen zijn maat.
Veel eerder dan ze verwacht hadden, reed de ziekenwagen met hun onverwachte bezoeker weg.
‘Weet je, ik heb spijt dat ik niet met hem meegegaan ben,’ merkte Mrs. Stephens op met iets van zelfverwijt in haar stem.
‘Waarom, moeder?’ vroeg Laurie ongeduldig, ‘Het is onze schuld toch niet?’
‘Dat weet ik wel, liefje,’ gaf haar moeder toe, ‘die arme jongen heeft echter geen vrouw en geen familie. Het zien van een bekend gezicht zou hem vast...’
‘Doe niet zo mal, moeder. Uw gezicht komt hem net zo bekend voor als dat van de eerste de beste verpleegster. Hij heeft u nog nooit gezien!’
‘Nee, dat is waar,’ zei haar moeder en tot Lauries schrik vervolgde ze: ‘maar jou wel! Hij heeft zelfs iets tegen je gezegd. Wat eigenlijk?’
‘Hij maakte een vervelende opmerking over de kleur van mijn haar,’ verklaarde Laurie kortaf. Zelfs tegen haar moeder wilde ze niets zeggen over die onbeschaamde knipoog!
Cherry was blijkbaar van mening, dat ze nu lang genoeg aan haar lot was overgelaten. Verontwaardigd begon ze luid te miauwen. Ze wilde nu wel eens uit de boom gehaald worden waarin ze haar toevlucht had genomen. Zodra iemand haar probeerde te pakken, klom ze snel een stukje hoger. Haar ogen glinsterden ondeugend.
‘Laar haar maar zitten,’ zei Mrs. Stephens, ten slotte, ‘ze kan best zelf uit die boom komen, en ik ben niet van plan dat spelletje nog langer mee te spelen. Ik heb trek in een kopje thee en jij ook, denk ik, Laurie, je ziet tenminste zo pips.’
‘Ik voel me anders prima,’ zei Laurie bits. Ik ben alleen wat geschrokken. Voor ik kom theedrinken, moet ik me eerst even opfrissen. Ik voel me zo vies.’
Ze ging naar haar kamer en waste zorgvuldig haar gezicht en handen. Toen liep ze naar haar kaptafeltje en bekeek kritisch haar spiegelbeeld.
Rooie! Wat zeg je me daarvan! Zo hadden ze haar vroeger op school ook genoemd... Met recht waarschijnlijk. Doch de laatste jaren was het wat donkerder geworden, en nu had het een prachtige kastanjebruine kleur, waar Laurie erg trots op was. Bovendien was het erg gemakkelijk te onderhouden. Meestal borstelde ze het naar achteren, tot het in één lange pijpekrul tot op haar schouders hing, terwijl kleine krulletjes haar blanke gezichtje omlijstten. Dit kapsel stond haar erg goed, zoals men haar meermalen had verzekerd. Hij had echter alleen naar de kleur gekeken, en daar had ze ook al heel wat komplimentjes over gehad. ‘Rooie’! Nee, dat was onvergeeflijk! En dan haar neus! Ze boog zich voorover om dit lichaamsdeel nog eens goed te bekijken. Hij wipte aan het eind een beetje omhoog, maar een mopsneus was het in geen geval. Nee, ze vond die jongeman helemaal niet aardig.
Haar moeder riep dat de thee klaar stond op het terras. ‘Ik kom,’ riep Laurie. Haastig haalde ze een kam door haar haren en poederde haar neus. Na een korte aarzeling deed ze wat rouge op haar wangen - iets dat ze bijna nooit deed. Toen ging ze naar het terras. Haar moeder zag de rouge direct, doch zei er niets van.
Zwijgend dronken ze hun eerste kopje thee. Cherry, die ten slotte toch maar op eigen kracht uit de boom was gekomen, kwam ook het terras opgelopen. Mrs. Stephens zette een schoteltje melk voor haar neer, waar ze nuffig haar neus voor optrok. Ze begon wel een plasje water op te likken, dat Mrs. Stephens daar die ochtend had gemorst toen ze de planten water gaf. ‘Gek beest,’ zei ze.
Laurie zei niets, en na een korte blik op haar dochter, was Mrs. Stephens verdiept in haar eigen gedachten. ‘Hoe lang zou het duren voor we met goed fatsoen kunnen bellen?’
‘Bellen? Wie.’ vroeg Laurie.
‘Het ziekenhuis, natuurlijk,’ legde Mrs. Stephens uit, ‘ik wil weten hoe het met Mr. Audley is.’
‘Oh ja?’ zei Laurie ongeïnteresseerd. Ze stond op en pakte het theeblad op. ‘Ik vind het helemaal niet nodig, maar ja... Het lijkt me nu in ieder geval nog te vroeg. Als u dan met alle geweld wilt opbellen, zou ik wachten tot vanavond. U zult zien dat ze dan zeggen, dat hij het naar omstandigheden redelijk goed maakt, en dan weet u nog niets.’
‘Misschien heb je gelijk,’ gaf Mrs. Stephens toe. Ze aarzelde even en zei dan:’ Jij schijnt Mr. Audley niet te mogen, Laurie, ik vind hem echter bijzonder aardig. Ik ben ervan overtuigd, dat het ongeluk te wijten was aan een samenloop van omstandigheden. Ik geef hem in ieder het voordeel van de twijfel, totdat het tegendeel bewezen is. Daarom wil ik weten hoe het met hem gaat. En als hij daar prijs op stelt, ga ik hem later bezoeken in het ziekenhuis.’
Laurie haalde haar schouders op. Gewoonlijk konden zij en haar moeder het goed met elkaar vinden, maar in dit geval waren ze het absoluut oneens. Dat was allemaal de schuld van die akelige Mr. Audley.
‘Dat moet u zelf weten, moeder,’ zei ze stroef, ‘maar laat mij er alstublieft buiten.’
‘Dat zal moeilijk gaan. Als ik naar het ziekenhuis ga, zul jij me erheen moeten rijden, anders moet ik dat hele eind lopen, en dat kan ik niet.’
De Stephens hadden een auto. Het was een oud, aftands vehikel, en binnen afzienbare tijd zouden zij er nog een probleem bij krijgen. Waar moesten ze het geld vandaan halen om een nieuwer exemplaar te bekostigen?
Een tweede moeilijkheid was, dat alleen Laurie kon rijden. Haar moeder had altijd hardnekkig geweigerd om rijlessen te nemen. Ze was niet zo technisch, zei ze altijd en was bang dat ze nooit haar rijbewijs zou krijgen. Daarom ging Laurie meestal alleen de boodschappen doen, en als Mrs. Stephens zelf naar de stad ging, moest haar dochter mee om de auto te besturen. Dat hield dus in, dat als Mrs. Stephens voet bij stuk hield en die Mr. Audley in het ziekenhuis ging bezoeken, Laurie er automatisch bij betrokken werd. Echter slechts in beperkte mate, daar zou ze wel voor zorgen.
‘Goed, moeder, ik breng u er wel naar toe, maar ik ben niet van plan mee naar binnen te gaan. Ik wacht wel in de auto.’
Mrs. Stephens ging er verder niet op in, met haar lieve zachte stem zei ze slechts: ‘Dank je, kindje,’ waardoor Laurie het gevoel kreeg, dat ze een onredelijk, ondankbaar monster was. Dat was natuurlijk onzin, en het zoveelste punt in het nadeel van Mr. Audley. En ze had vandaag nog wel het gevoel gehad dat alles ten goede zou keren!
Later op de dag belde Mrs. Stephens het ziekenhuis op. Daar vertelde men haar, dat de patiënt het naar omstandigheden redelijk goed maakte. In antwoord op de vraag of Mr. Audley het op prijs zou stellen als ze hem eens kwam opzoeken, zei de verpleegster dat ze dat even zou vragen. Ze kwam bijna onmiddellijk terug met de boodschap, dat het Mr. Audley genoegen zou doen, Mrs. en Miss Stephens de volgende dag, in de loop van de middag, te ontvangen.
‘Als hij bezoek mag hebben, moet hij zich toch alweer een stuk beter voelen,’ zei ze, toen ze de kamer weer binnenkwam. ‘Daar ben ik erg blij om.’
‘Ik ook,’ verklaarde Laurie droogjes. ‘Hoe eerder hij weer op de been is, hoe eerder hij het ziekenhuis mag verlaten, en dan zijn wij gelukkig van hem af. Alleen moet hij ons nog wel de schade vergoeden die hij heeft aangericht.’
‘Och, kindje, dat doet hij heus wel,’ sprak Mrs. Stephens verwijtend. ‘Misschien is dat wel de reden waarom hij ons wil zien.’
‘U, niet mij, moeder,’ verbeterde Laurie haar. ‘Ik meen het echt, ik wil niets met die Mr. Audley te maken hebben.’
‘Goed, goed, kindje,’ zei Mrs. Stephens sussend, ‘wat zal ik voor hem meenemen? Dat is altijd zo moeilijk met mannen. Voor vrouwen kun je altijd wel een bloemetje meenemen.’ ‘Neem wat lekkers voor hem mee,’ stelde Laurie vinnig voor. ‘De meeste mannen zijn lekkerbekken, en hij zal wel niet veel beter zijn dan de rest.’
‘Dat is een goed idee!’ verklaarde Mrs. Stephens opgelucht. ‘Ik zal de vruchtencake meenemen die ik vandaag gebakken heb, daar heeft hij voor een paar dagen genoeg aan.’
De volgende dag reed Laurie met haar moeder naar het ziekenhuis. Ze zette de auto op de parkeerplaats en nam een boek ter hand om wat te gaan lezen. Dat was ze althans van plan. Maar ze kon haar gedachten er niet bij houden. Ze maakte zich zorgen over haar moeder. Mrs. Stephens was een schat, maar ze was veel te goedhartig. Een man als Rolf Audley kon haar gemakkelijk om zijn pink winden met zijn mooie praatjes. Zonder veel moeite zou hij het zo weten te draaien, dat hij geen schuld had aan het gebeurde. Misschien, dacht Laurie bezorgd, had ze toch beter met haar moeder mee kunnen gaan.
Terwijl ze zat te dubben of ze alsnog naar binnen zou gaan, kwam een jonge verpleegster haastig naar haar toegelopen. ‘Miss Stephens?’ vroeg ze buiten adem. ‘Mr. Audley laat vragen of u een ogenblik bij hem wil komen. Het gaat over een zakelijke aangelegenheid. De hoofdzuster zegt dat u hem vooral niet moet laten wachten, want hij mag zich absoluut niet opwinden.’
Na deze mededeling zat er niets anders op, dan dat Laurie uit de auto stapte en achter de zuster aan naar de ingang liep. Hij moest niet denken dat hij haar kon commanderen! En wat de bezorgdheid van de hoofdzuster betrof... Hij was toch zeker geen klein kind, dat een woedeaanval kreeg als het even wachten moest!
Aan het eind van een lange gang deed de zuster een deur open. Rolf Audley had een kamer voor zich alleen, zag Laurie. Hoe kon het ook anders, met geld krijg je alles gedaan.
Ze ging naar binnen en zag tot haar grote ergenis, dat haar moeder nergens te bekennen was.
‘Niets aan de hand,’ klonk een geamuseerde stem vanuit het bed, ‘ze komt zo terug, en hoewel ik er afzichtelijk uitzie met dat blauwe oog, ben ik niet gevaarlijk. Dat zou ook moeilijk gaan met een gipspoot. Gaat u zitten, Miss Stephens.’
Zijn wang was keurig verbonden, maar zijn oog had alle kleuren van de regenboog. ‘Het doet wel afbreuk aan mijn mannelijke schoonheid, vindt u ook niet?’ zei hij opgewekt, als u het al te walgelijk vindt, kijk dan maar naar de andere helft van mijn gezicht. Zo heeft moeder natuur het min of meer bedoeld.’
‘Mr. Audley, de zuster vertelde me, dat u me wilde spreken over een zakelijke aangelegenheid,’ sprak Laurie koel.
‘Zakelijke...’ herhaalde hij vaag. ‘Oh ja, dat is waar ook. Voor ik daarover begin, wil ik u eerst mijn verontschuldigingen aanbieden.’ Hij zweeg en keek haar ernstig aan met zijn goede oog.
Laurie wachtte tot hij verder zou gaan. Hij was haar inderdaad een excuus schuldig, maar ze was niet van plan, hem de helpende hand toe te steken.
‘Ik heb u natuurlijk de schrik van uw leven bezorgd, toen ik daar zo ongevraagd uw vreedzaam paradijsje binnenviel...’
‘Inderdaad,’ zei ze snibbig,’ bovendien hebt u een groot stuk van onze heg vernield met uw escapades, en het stenen vogelbadje is ook helemaal kapot.’
‘Oh, dat...’ Met een luchtig gebaar van zijn hand wuifde hij haar bezwaren weg. ‘Dat wordt natuurlijk op mijn kosten in orde gemaakt, zodra de mensen van de garage mijn auto hebben weggesleept. Dat zouden ze, geloof ik, morgen doen.’
‘Ik begrijp het,’ zei Laurie, die het gevoel had of de grond onder haar voeten weggleed. Ze was er heilig van overtuigd geweest, dat ze zou moeten vechten voor haar recht. Er volgde een korte stilte.
‘Excuses aanvaard?’ vroeg hij.
‘Natuurlijk,’ zei Laurie op vlakke toon. Weer bleef het geruime tijd stil. ‘Weet u,’ zei hij weifelend, ‘ik heb het gevoel of er meer is dan een kapotte heg en een gebroken vogelbadje. Is dat zo?’
‘Inderdaad,’ zei Laurie op ijzige toon.
‘Voor de dag ermee, alstublieft.’ En toen ze geen antwoord gaf, vervolgde hij: ‘Kom nu, zelfs de grootste misdadiger krijgt nog een kans om zich te verdedigen, en zo’n boef ben ik nou ook weer niet. Toe, vertel het me.’
‘Goed dan,’ zei Laurie. ‘U bent verschrikkelijk grof tegen me geweest.’
‘Ik? Meisjelief... Ik bedoel, Miss Stephens,’ verbeterde hij haastig, toen hij haar afkeurend haar voorhoofd zag fronsen, ‘hoe kan ik nu grof tegen u geweest zijn? Ik was bewusteloos!’
‘Niet de hele tijd...’ Oh, wat was ze begonnen.
‘Toe, ga verder,’ smeekte hij, ‘anders blijf ik er de hele dag over piekeren, en dan krijg ik weer verhoging en wordt de hoofdzuster boos op me.’
‘Goed dan,’ zei Laurie roekeloos. ‘U opende uw ogen en keek me aan...’
‘Nu, mag dat dan...’ begon hij. Laurie viel hem direct in de rede: ‘U zei “rooie” tegen me,’ vervolgde ze onbewogen, ‘en u verklaarde ook nog, dat u een zwak had voor meisjes met die kleur haar, vooral als ze een mopsneusje hadden.’
‘Heb ik dat echt gezegd?’ riep hij uit, terwijl hij half overeind kwam. ‘Mijn beste Miss Stephens, hoe kan dat nu? Ik lag volledig in de kreukels!’ Hij staarde haar onderzoekend aan. ‘Uw haar heeft een prachtige kastanjebruine kleur, en een mopsneusje hebt u absoluut niet. Een schattig wipneusje, zou ik zeggen als ik het moest omschrijven.’
Hij dacht natuurlijk, dat ze naar een complimentje viste. ‘En u gaf me ook nog een brutale knipoog,’ besloot ze.
‘Oh.’ Daar moest hij even over nadenken. ‘Kan dat niet een onbewuste reflex geweest zijn?’
Laurie dacht van niet, het antwoord werd bespaard door de terugkomst van haar moeder.
‘Alles is in orde, Mr. Audley,’ zei ze voldaan. ‘De zuster vindt het een prima idee. ’
‘Wat is dat voor een idee, moeder?’ vroeg Laurie, hoewel ze al vermoedde wat die twee hadden bekokstoofd.
‘Liefje, als Mr. Audley het ziekenhuis mag verlaten, komt hij een poosje bij ons wonen,’ verklaarde Mrs. Stephens opgewekt. ‘Vind je dat geen goed idee?’
‘Helemaal niet,’ protesteerde Laurie fel. ‘De Ranch is een hotel, geen herstellingsoord. We zijn er niet op ingericht om invaliden te verzorgen. Er is geen lift, en we hebben niemand die Mr. Audley de trap op kan helpen.’
‘Oh, maar ik kan u verzekeren, dat u weinig last van me zult hebben, Miss Stephens.’ Rolf sprak nu heel ernstig. Als hij ergens zijn zinnen op had gezet, was hij daar niet gemakkelijk vanaf te brengen, dat begreep Laurie wel. ‘Bovendien komt Hutton met me mee.’
‘Hutton?’
‘Mijn chauffeur, huisknecht, manusje van alles,’ legde Rolf uit. ‘Hij is van alle markten thuis, dus ik neem aan dat hij ook een prima kindermeisje is.’
Laurie ondernam een laatste poging. ‘Is het niet een beetje dom van u, om zich minstens zes weken op te bergen in een hotel, waar u verder niets vanaf weet?’ vroeg ze niet erg bemoedigend.
‘Hutton komt morgen wel even kijken hoe het eruit ziet. Dat hadden we toch afgesproken, nietwaar, Mrs. Stephens?’
‘Inderdaad,’ bevestigde Mrs. Stephens, die Lauries blik hardnekkig ontweek. ‘Zoals gezegd, verwacht ik Mr. Hutton morgen om een uur of elf.’
‘Hutton kennende, zal hij stipt op tijd zijn,’ beloofde Rolf. ‘Ik kan u niet zeggen, hoe dankbaar ik u ben. Ik zag er zo tegen op, naar een revalidatiecentrum te moeten gaan.’
‘Dat hoeft nu niet meer,’ verzekerde Mrs. Stephens hem. ‘En nu, Mr. Audley, gaan we weg. U zult wel moe zijn van al dat gepraat.’
‘Een beetje wel,’ gaf hij toe. ‘Tot ziens, Mrs. Stephens, en nogmaals, hartelijk dank. En u ook, natuurlijk, Miss Stephens,’ voegde hij er na een bijna onmerkbare aarzeling aan toe.
Zonder iets te zeggen, liep Laurie de kamer uit, gevolgd door haar moeder, die zich blijkbaar niet erg op haar gemak voelde. Geen van beiden spraken een woord tot ze buiten waren. Toen zei Laurie verontwaardigd: ‘Moeder, hoe kon u dat nu doen?’
‘Ik kon niet anders,’ verklaarde Mrs. Stephens, ‘echt waar, Laurie, die arme jongen heeft helemaal geen bloedverwanten, tenminste niet in dit land. Zijn zuster woont in Canada, maar daar heeft hij natuurlijk niet veel aan.’
‘Hij kon toch ook naar een verpleegtehuis gaan? Hij zal het ongetwijfeld kunnen betalen.’
‘Ongetwijfeld,’ gaf Mrs. Stephens toe, ‘maar dat is toch geen omgeving voor een jonge man die gezond van hart is. Net zoals hij zei, het is vreselijk deprimerend om de hele dag tussen zieke mensen te moeten zitten. Nee, wat hij nodig heeft, is een gezellige, huiselijke omgeving, waar hij zich helemaal op zijn gemak voelt...’ Op kalme toon vervolgde ze: ‘Dat is één kant van de zaak. En besef je wel wat het voor ons betekent?’ ‘Natuurlijk,’ antwoordde Laurie ongeduldig. ‘Daarom...’ ‘Nu moet je eens goed naar me luisteren, Laurie,’ zei Mrs. Stephens op vastberaden toon, ‘ik wil Mr. Audley graag van dienst zijn. Zelfs al was dit niet het geval, dan zou ik nog blij zijn als hij en zijn bediende hun intrek bij ons namen. We kunnen hen gewoon niet afwijzen. We hebben het geld hard nodig.’
En daar, moest Laurie toegeven, was niets tegenin te brengen.
Hutton arriveerde de volgende morgen stipt op tijd. Hij was een gezette man van middelbare leeftijd met een gezellig voorkomen. Hij was niet kruiperig onderdanig, maar ook niet te familiair. Mrs. Stephens mocht hem direct. Laurie eigenlijk ook, als hij niet namens Rolf Audley was gekomen.
Ze was vastbesloten bij het hele gesprek aanwezig te blijven. En al konden ze het geld nog zo goed gebruiken, zij zou er wel voor zorgen, dat er geen nieuwe concessies gedaan werden.
In het begin liep alles gesmeerd. Hutton sprak zijn goedkeuring uit over de zit- en de eetkamer, en was vol lof over de keuken. ‘Het zenuwcentrum van iedere huishouding,’ verklaarde hij, ‘of het nu een privé-woning is of een hotel. En mag ik nu nog even de slaapkamers zien?’
Die konden eveneens zijn goedkeuring wegdragen en daar was ook alle reden toe. Ze waren allemaal eenvoudig gemeubileerd, de gordijnen en spreien waren schoon en fris van kleur, en ze keken allemaal uit op zee.
‘Erg gezellig,’ zei hij. Toch meende Laurie enige twijfel in zijn stem te bespeuren. Toen ze weer naar beneden gingen, kwam de aap uit de mouw. Hij schudde zijn hoofd en keek Mrs. Stephens aan.
‘Alles wat u me hebt laten zien, vond ik zeer geschikt — op een enkele uitzondering na. Deze trap. Zelfs met mijn hulp kan Mr. Audley niet naar boven komen met dat gipsbeen.
Lauries hart sprong op van vreugde. Hutton had gelijk. Het was een smalle wenteltrap met tamelijk diepe treden. Misschien zou hij toch...
‘Ja, dat zal wel,’ mompelde Mrs. Stephens teleurgesteld. Hutton was echter niet voor één gat te vangen.
‘Als we de kamers op de begane grond konden krijgen, waren alle problemen opgelost. Mr. Audley vertelde me, dat daar ook nog een paar kamers waren. Als dat zou kunnen...’
‘Nee, dat zal niet gaan,’ viel Laurie bits uit. ‘Dat zijn onze privé-vertrekken. Die verhuren we niet.’
‘Ik begrijp het,’ zei Hutton ernstig, ‘en Mr. Audley zal dat ongetwijfeld begrijpen. Misschien mag ik ze toch even bekijken. Je kunt niet weten of u toch nog van gedachte verandert...’
‘Daar hoeft u niet op te rekenen,’ hield Laurie koppig vol. Maar het hielp niet. Mrs. Stephens liep al voor hem uit naar hun kamers en een half uur later had ze erin toegestemd, hun privé-vertrekken aan Mr. Audley te verhuren. Zij en Laurie zouden dan tijdelijk op de bovenverdieping gaan slapen.
Namens zijn werkgever bedankte Hutton heel hartelijk voor de betoonde bereidwilligheid. Vervolgens noemde hij het bedrag dat Mr. Audley bereid was neer te tellen voor zijn verblijf op de Ranch. Het was zo hoog, dat Laurie een moment naar adem snakte. Mrs. Stephens protesteerde en zei dat het veel te veel was, maar dat bezwaar wuifde Hutton achteloos weg.
‘Het is helemaal niet teveel, mevrouw. De kamers zijn prachtig. De grote kamer is natuurlijk voor Mr. Audley, en de kleine kamer is goed genoeg voor mij. En het heeft het voordeel, dat ik direct bij de hand ben, als hij me ’s nachts nodig mocht hebben. Bovendien staat u uw privé-vertrekken af en moet u zich behelpen met een paar kamers op de bovenverdieping. Dat moet u ook incalculeren.’
Toen hij weg was, wendde Mrs. Stephens zich tot Laurie. ‘Het spijt me wel, liefje, wat moest ik anders?’ zei de verontschuldigend. En toen Laurie niets zei, vervolgde ze: ‘En je zult moeten toegeven dat we dat geld goed kunnen gebruiken.’ ‘Dat wel,’ antwoordde Laurie, ‘ik snap alleen niet, hoe Hutton kon weten wat Mr. Audley wilde betalen.’
‘Ja, dat begrijp ik ook niet,’ zei Mrs. Stephens weifelend.
‘Ik wel!’ riep Laurie ongeduldig. ‘Dat had Mr. Audley hem al van te voren verteld. Hij was ervan overtuigd dat we onze kamers zouden afstaan.’
‘Ja, dat is wel eigenaardig,’ moest Mrs. Stephens bekennen. ‘Ik weet zeker dat ik hem niet verteld heb, welke kamers wij in gebruik hebben.’ Ze dacht er nog even over na, haalde dan haar schouders op en zei: ‘Nu ja, het doet er ook niet toe. Hij komt en dat is het voornaamste.’
‘Dat denk ik ook,’ zei Laurie droogjes. Mr. Audley was niet alleen een onaangenaam mens, doch er was ook iets geheimzinnigs aan die man. Hoe kon hij anders weten dat er beneden ook nog een paar kamers waren?