Hoofdstuk 9
„Goed luisteren, Ty,” zei de verpleegster. Ze had een pakje sinaasappelsap vast en als ze erin kneep, kwam het sap omhoog door het rietje. „Je moet knikken als je nog een slok wilt.”
Amy keek ademloos toe. Ze hadden Ty rechtop in de kussens gehesen. Zijn ogen waren nog steeds dicht en hij leek niet te reageren. De verpleegster was heel geduldig, maar ze kon ook best streng zijn als dat nodig was.
„Ik zei dat je moet knikken als je nog een slok wilt,” herhaalde ze. „Anders krijg je niks meer!” Ze knipoogde naar Amy. „Als hij soms denkt dat hij zomaar sap van me kan krijgen, heeft hij het mooi mis. Hij kan heus wel knikken en dat weet hij best.”
Amy glimlachte. De mensen van het ziekenhuis waren zo lief en geduldig. Ze pushten Ty elke dag een beetje verder, net zo lang tot hij reageerde. Ook nu was de verpleegster eigenlijk twee dingen tegelijk aan het doen. Ze liet Ty nadenken en beslissen wat hij wilde, maar bovendien leerde ze hem een van de belangrijkste lichaamsfuncties van allemaal terugkrijgen, namelijk het veilig doorslikken van eten en drinken.
Het was pas een week geleden dat Ty’s moeder de eerste verandering had gezien. Voor Amy was de tijd als in een waas voorbijgevlogen. Ze kon er niet over uit hoe goed de mensen in het ziekenhuis hun best deden en hoeveel specialisten Ty hielpen zijn basisfuncties weer terug te krijgen. Ze lieten hem nu een deel van de dag rechtop in bed zitten. Het leek dan of hij wakker was, hoewel hij nog steeds zijn ogen niet had geopend. Hij draaide zijn hoofd naar de geluiden en bewegingen toe, net zoals hij die eerste dag had gedaan, maar zijn reacties waren niet meer onbewust. Hij was heel zwak, maar als hij bewoog, deed hij dat omdat hij dat zelf wilde.
„Hij knikte!” riep Amy opeens uit. „Echt! Ik zag het!”
„Echt waar?” zei de verpleegster vrolijk. „Dat is nou jammer! Ik heb het gemist. Dan moet je het nog maar een keer doen, hè Ty?”
Deze keer knikte Ty heel duidelijk. De verpleegster spoot nog wat sap in zijn mond. Langzaam en met moeite slikte hij het door.
Amy schoof haar stoel aan. „Mag ik het ook eens proberen?”
„Natuurlijk,” antwoordde de verpleegster. „Kom dan maar even hier zitten, anders gaat alles ernaast. Ik moet er wel bij blijven.”
Amy ruilde van plaats met de verpleegster en nam het pakje sap van haar over. Daarna wendde ze zich tot Ty. „Ty, ik ben het. Amy,” zei ze duidelijk. „Wil je nog een slok?”
Ty bleef even heel stil, maar toen knikte hij weer langzaam.
Amy lachte. Het was zo geweldig om te zien hoe Ty weer tot leven kwam. Ze spoot voorzichtig wat sap in zijn mond. De revalidatie verliep helemaal niet zoals ze had verwacht. Het ging zo traag. Ty had nog steeds geen uitdrukking op zijn gezicht. Ze had geen idee wat hij dacht, maar elke dag raakte Amy er meer van overtuigd dat hij vooruitging. Zelfs over de allerkleinste verbeteringen was ze in de wolken.
„Misschien heeft hij nu wel genoeg gehad,” merkte de verpleegster op. „Maar hij kan ook zelf nee schudden, hoor. Dat hebben we gisteren geoefend.”
En zo was het ook. Toen Amy Ty opnieuw een slok aanbood, lukte het hem om zijn hoofd opzij te draaien. Niet echt hoofdschudden dus, maar de boodschap was duidelijk. Amy gaf het pakje sap terug aan de verpleegster.
„Ik moet ervandoor,” zei ze vol spijt. „Maar bedankt dat ik mocht helpen.”
„Dat is nou net wat hij nodig heeft,” lachte de verpleegster. „Veel hulp van zijn vrienden en familie.”
Amy legde haar hand op Ty’s arm. „Later, Ty. Ik kom snel weer terug.”
Wat vond ze het jammer dat hij niet kon zien hoe blij ze was dat hij knikte.
Amy pakte haar jas en haar tas, en huppelde haast terug naar de hal. Alles leek nu zo veel beter te gaan. Het was wel moeilijk om tijd te vinden om Ty elke dag te bezoeken, maar Amy kreeg het steeds weer voor elkaar.
Elke ochtend voor ze naar school ging, zat ze eerst een halfuurtje bij Dazzle in de wei. Ze had besloten even geen join-up meer te proberen. Het zou beter zijn om hem langzaam aan haar te laten wennen, net zoals de familie Winters deed met hun twee nieuwe mustangs. Ze hoopte dat hij haar zo heel langzaam ging accepteren. Ze zocht elke dag naar een reactie waaruit zou blijken dat hij wat minder gespannen was. Soms dacht ze dat het beter ging, dat hij wat minder woest uit zijn ogen keek, maar ze wist het niet zeker.
„Ed Winters heeft gebeld,” vertelde Lou, toen Amy terugkwam van het ziekenhuis. „Hij zei iets over een vriend met een kleine kudde paarden die hij met je wil bezoeken. Het klonk wel interessant. Ik heb gezegd dat je terug zou bellen. Hoe was het met Ty?”
Amy vertelde wat er in het ziekenhuis was gebeurd. „Hij begint te begrijpen wat er tegen hem wordt gezegd. En hij knikte toen ik zei dat ik snel terug zou komen.”
Lou sloeg Amy op haar schouder. „Wat een goed nieuws! Ik hoop dat je er nu wat geruster op bent.”
„Nou, het helpt zeker!” lachte Amy.
Ze rende naar boven om zich om te kleden en ging daarna Ed Winters bellen.
„Hoi, Amy.” Eds stem klonk hartelijk. „Fijn dat je terugbelt. Hoe gaat het met die mustang van jullie?”
„Langzaam,” gaf Amy toe. „Maar volgens mij wordt hij toch wat rustiger. Ik heb het wit van zijn ogen al in geen dagen gezien.”
„Hartstikke mooi,” meende Ed. „Ik heb wat bedacht. Een ouwe vriend van me heeft een paar wilde paarden op zijn boerderij. Hij heeft heel veel land en hij laat ze lekker vrij rondrennen. Er zijn drie of vier merries en een hengst. Om het jaar verkoopt hij een van de veulens. Het is natuurlijk niet hetzelfde als naar het westen gaan om de echte mustangs te zien, maar het komt in de buurt.”
„Dat klinkt super. Dat zou ik graag zien. Maar waar is die boerderij? Het is hier best druk, dus ik heb eigenlijk niet zo veel tijd.”
„Het is ongeveer een uur rijden,” antwoordde Ed. „Als we vroeg op stap gaan, kan je alles bekijken en toch op tijd terug zijn voor een late lunch. Wat vind je ervan?”
Amy dacht snel na. Het was nu vrijdag. Als ze morgen heel hard doorwerkte, zou ze misschien zondagochtend kunnen gaan. Dan zou ze de beroemde zondagbrunch van haar opa missen, maar dat zou hij vast niet erg vinden.
„Komt zondag uit?” vroeg ze.
„Helemaal prima. Dan kom ik je ’s ochtends vroeg ophalen, want ik ben eigenlijk heel nieuwsgierig naar Heartland. Is half acht te vroeg?”
„Nee hoor,” lachte Amy. „Ik heb er nu al zin in.”
Amy liep het erf op. Het werd al avond, dus was er geen tijd meer om een paard te trainen. Daarom besloot ze bij Sundance langs te gaan. Haar trouwe paard werd de laatste tijd wel een beetje verwaarloosd. Hij stond in een box in het achterste stalgebouw. Toen ze binnenkwam, was hij druk bezig met zijn hooinet. Hij hinnikte een groet en ging weer verder met eten.
„Hallo, jochie,” fluisterde Amy. „Heb je me gemist?”
Ze wreef hem over zijn hals en liet haar handen langs zijn benen glijden. Hij had een tijd geleden een peesblessure opgelopen die pas na een lange tijd over was gegaan, en hij was nog steeds niet helemaal fit. „Ik zou zo graag vaker op je gaan rijden,” zei ze spijtig.
Ooit hadden Amy en Sundance samen meegedaan aan wedstrijden, voordat Storm kwam. Zo veel goede herinneringen kwamen plotseling naar boven: herinneringen aan zonnige buitenritten, herinneringen aan haar moeder, aan Ty.
„Zou Ty zich jou herinneren?” zei ze zacht tegen het paard, maar daarop kreeg ze nu nog geen antwoord.
Zo druk als het zaterdag was, had Amy het nog nooit meegemaakt. Ze ging eerst een half uur naar Dazzle, zoals ze altijd deed, en daarna trainde ze achter elkaar met Solly, Candy, Blackjack en Silver.
Na de lunch werd Willows lege box ingenomen door een prachtig voskleurig wedstrijdpaard, dat Gold Dust heette. Hij was opeens vreselijk bang geworden voor geluid en schrok nu zelfs van de gewoonste geluiden. Zijn eigenaar had verteld dat hij een ongeluk had gehad met een dekzeil en dat Gold Dust nu zo bang was dat gewoon rijden bijna onmogelijk was geworden.
Amy liet de eigenaars het bedrijf zien en zette Gold Dust daarna in de rustigste wei om een beetje te wennen.
Aan het eind van de middag liet Amy zich moe in de auto neerploffen naast Jack, die had aangeboden om haar naar het ziekenhuis te brengen.
„Zo te zien ben je doodop,” zei Jack, toen Amy met haar hoofd tegen de hoofdsteun leunde. „Het is een goed idee om morgen naar die boerderij te gaan. Je kunt wel een verzetje gebruiken.”
„Bedankt, opa. Ik hoop maar dat ik er iets van opsteek. Ik heb zo weinig tijd, dat ik die niet mag verspillen.”
„Maak jij je nou maar geen zorgen,” meende Jack. „Je mag ook wel eens gewoon plezier maken. Je hebt heel veel verantwoordelijkheden voor je leeftijd, zeker nu Ty in het ziekenhuis ligt. Een mens moet af en toe ook lol maken, weet je.”
Amy keek hem plagerig aan. „Ik vraag me af waarom je dat zegt. Toch niet omdat je zelf de laatste tijd meer lol hebt?”
Jack lachte. „Tja, zo is het leven. Vol onverwachte dingen.” Hij was even stil. „Nu we het er toch over hebben, Nancy komt morgen lunchen. Als jij terugkomt van de boerderij, zul je haar ontmoeten.”
„O, leuk,” lachte Amy. „Dan kan je indruk maken met een van je geweldige brunches. Wat ga je maken?”
Jack keek even opzij naar zijn kleindochter. „Ik heb nog geen menu samengesteld.”
„Nou, ik vind het in elk geval leuk om haar te ontmoeten. Ze is vast heel aardig.”
Ze kwamen bij het ziekenhuis aan en gingen samen naar boven. Zoals altijd op zaterdagmiddag, was het er druk en er waren al een paar mensen op Ty’s kamer. Zijn moeder was er met zijn vader, die terug was van zijn zakenreis. Ook een van Ty’s oude schoolvrienden, Felix, was langsgekomen. Amy en Jack zeiden hallo en gingen erbij zitten.
„Hij slaapt,” zei mevrouw Baldwin. „Ik denk dat we hem hebben uitgeput.”
Amy lachte. „Is er vandaag nog iets veranderd?”
Mevrouw Baldwin knikte. „Hij maakt nu geluiden, achter in zijn keel. De dokters zeggen dat hij probeert te praten. Ze denken dat het hem over een dag of twee wel zal lukken.”
„Echt?” Amy veerde op. „Dat is geweldig!”
„Ja, hè?” straalde mevrouw Baldwin. „Hij gaat het redden, Amy. Ik weet het zeker.”
Amy keek naar Ty’s vredige gezicht en zuchtte blij. Wat wilde ze graag met hem praten en zijn stem horen.
Niet veel later ging Felix weg en ook Ty’s moeder zei dat ze naar huis moest om te werken. De Baldwins stonden op en namen afscheid. Nu waren alleen Amy en Jack nog over.
„Wij moesten ook maar gaan,” stelde Jack voor.
Amy knikte met tegenzin. „Nog tien minuutjes?”
„Tuurlijk,” knikte Jack. „Ik wacht beneden wel in de auto.”
„Bedankt, opa.”
Nu ook Jack weg was, was het opeens heel stil in de kamer. Amy zat naast Ty en luisterde naar zijn ademhaling. Het was prettig om even alleen met hem te zijn, zelfs al lag hij te slapen.
Ze pakte zijn hand vast en Ty bewoog zich een beetje. Ze schudde zachtjes aan zijn hand en hoopte dat hij wakker zou worden. Hij knipperde met zijn ogen. Dat had hij wel eerder gedaan. Zelfs toen hij nog heel diep in coma lag, had hij soms zijn ogen open gehad, zonder iets te zien. Maar nu kon hij ook focussen en zag hij echt wat.
„Ty?” fluisterde ze.
Zijn ogen zochten haar gezicht, nog wazig van de slaap.
„Ik ben het, Amy.”
Ty probeerde zijn blik te richten.
Amy keek hem diep in zijn ogen en zocht naar een antwoord op de vraag die steeds maar door haar hoofd maalde: Herinner je je mij?
Er verscheen een glimlachje om zijn lippen en hij deed zijn mond open.
Amy hield haar adem in. „Gaat het? Wil je iets drinken?”
Ty maakte een mompelend geluid. „Mmmmm,” perste hij eruit. Hij fronste en probeerde het opnieuw, zijn ogen nog steeds op Amy’s gezicht gericht. „Ammm… Ammmy,” zei hij. „Amy.”
„Ty!” Amy leunde naar voren en sloeg haar armen om hem heen, uitzinnig van vreugde. „Je weet nog wie ik ben! O, wat fantastisch!”
Zelfs toen Ty weer in slaap was gevallen, kon Amy zich maar met moeite losscheuren. Toch moest het, want Jack stond op haar te wachten. Ze kneep nog een keer in zijn hand en rende opgetogen naar beneden. Als Ty haar naam nog wist, dan zou hij zich ook zeker hun relatie herinneren.
Terug op Heartland ging ze fluitend weer aan het werk. Haar tweede sessie van die dag met Solly was heel grappig. Het paard was in een speelse bui en duwde steeds plagerig zijn neus tegen haar aan. Amy lachte blij om de streken van de jaarling. Ze wilde hem niet bestraffen omdat ze zo boordevol hoop zat. Het was ook onmogelijk om streng te zijn als er net zoiets opwindends was gebeurd. Nu had ze pas echt de hoop dat alles weer zoals vroeger zou worden.
Toen ze later nog één keer bij de paarden ging kijken, liep ze ook even door naar Dazzle. Op weg naar zijn weiland hoorde ze gierend gehinnik. Wat zou er aan de hand zijn? Ze zette het op een rennen.
Bij Dazzle’s weiland bleef ze stomverbaasd staan. Een uitzinnige Dazzle galoppeerde roepend en briesend langs het hek heen en weer. Een ander paard gaf antwoord. Amy keek waar het geluid vandaan kwam. Het was Gold Dust, het nieuwe paard in de wei ernaast.
Maar Gold Dust is een ruin, dacht Amy verbaasd. Waarom zou Dazzle naar een ruin roepen? Ze leunde over het hek. „Dazzle!” riep ze zachtjes.
De hengst stopte en staarde haar aan. Daarna draaide hij zich vliegensvlug om en racete met een hoge bok naar het andere eind van de wei. Hij bleef schril hinniken.
Amy snapte er helemaal niets van. Dazzle leek nog kwader en gefrustreerder dan anders. Maar een ruin was toch geen bedreiging voor hem?
De volgende ochtend wachtte Amy tot Ed Winters haar zou komen halen. Ze maakte zich nog steeds zorgen over Dazzle’s gedrag van de vorige avond. Misschien was alles wat ze had bereikt nu weer ongedaan gemaakt en Amy wist niet zeker hoe lang Dazzle’s eigenaars hem op Heartland zouden laten als er geen verbetering optrad.
Ed Winters kwam precies op de afgesproken tijd. Nadat Amy hem de stallen had laten zien, nam ze hem mee naar Dazzle.
„Dat is een beste hengst,” merkte Ed op. „Daar heb je zeker je handen vol aan. Je ziet het vuur in zijn ogen.”
„Ja,” knikte Amy, terwijl ze naar de auto liepen. „Ik twijfel eigenlijk of het wel gaat lukken met hem.”
„Wacht maar af. Je moet gewoon stug volhouden,” sprak Ed haar moed in.
Ze stapten in de auto en gingen in het vroege ochtendlicht op weg. Het was een prachtige rit door het beeldschone landschap van Virginia. De bomen die ze passeerden, hadden de meest spectaculaire rode, oranje en gouden herfstkleuren. Langzaam begon Amy er lol in te krijgen. Jack had gelijk, ze was echt aan een verzetje toe.
De omgeving werd nog landelijker en de boerderijen stonden steeds verder uit elkaar tussen de heuvels. Amy draaide haar raampje naar beneden en snoof de frisse lucht op.
„Hier woont Pete,” zei Ed en hij draaide een lange oprijlaan met bomen op. Het was een grindpad dat omhoog liep langs een heuvel.
Halverwege kon Amy tussen de bomen door zien dat het een beetje een rommelig geheel was. De grote weilanden waren niet begraasd of gemaaid. Het gras, dat in de zomer net zo hoog was gegroeid als de hekken, was nu droog en geel. Andere weilanden waren zo overwoekerd dat het bijna weer bos was en haast alle omheiningen waren vervallen. Toch rook het allemaal heerlijk naar herfst en kreeg ze er een heel goed gevoel bij. Het leek hier wel een beetje op de echte wildernis en haar hart begon sneller te kloppen.
„Pete heeft die halve heuvel hier,” legde Ed uit bij de zoveelste bocht in de oprijlaan. „Het land is al jaren in de familie en ze doen er nu niet zo veel meer mee. Niet voor gewassen, zelfs niet voor brandhout.”
Na een heel eind rijden kwamen ze eindelijk bij een huis, met allemaal schuurtjes eromheen. Amy stapte uit de auto en rekte zich uit. Het was doodstil, alleen het liedje van een eenzame vogel klonk uit het bos.
Toen ging de deur open en kwam er een lange, dunne man naar buiten. Amy schatte hem ongeveer net zo oud als Ed. „Hé, hallo Ed,” groette hij.
„Pete, dit is Amy,” zei Ed.
Pete strekte zijn hand uit en Amy schudde die met een glimlach. Pete keek naar de grond en daarna over haar hoofd in de verte. Hij haalde heel diep adem en haakte zijn duimen in zijn riem.
Er was iets vreemds aan hem, maar Amy kon niet precies bedenken wat. Ze liep achter de twee mannen aan een enorme keuken in, die zo te zien al heel lang niet was schoongemaakt. De zon viel door de ramen naar binnen en stofdeeltjes glinsterden in de lucht. Op het fornuis stonden wat vieze pannen.
„Ik krijg niet vaak bezoek,” verontschuldigde Pete zich. „Ik heb eigenlijk niks in huis, behalve koffie.”
„We hoeven ook niks, hè, Amy?” zei Ed met een knipoog. „We hebben eigenlijk niet zo veel tijd. Zullen we maar meteen naar de paarden gaan?”
„Best,” knikte Pete. „Eén momentje.” Hij dronk zijn gebarsten mok met koffie leeg en liep weer voor hen uit naar buiten. „We nemen deze wel,” zei hij en hij wees op een terreinwagen die onder de modder zat. „De weg is niet zo best, daarboven.”
Ze stapten allemaal in. Amy ging op de achterbank zitten.
Ed gaf haar een verrekijker die hij onder een stoel vandaan viste. „Deze is misschien wel handig.”
Ze rammelden over een paadje dat achter het huis de heuvel op ging. Al snel weken de bomen uiteen en reden ze door een meer open landschap, hetzelfde soort ruw grasland als Amy eerder had gezien, maar dan nog wilder.
„Enig idee waar ze zijn?” vroeg Ed aan Pete.
„De laatste keer dat ik hier was, waren ze in het oosten. Dus daar gaan we eerst maar eens naartoe.”
Algauw verdween het pad helemaal en hobbelden ze langzaam verder over het gras.
Amy speurde door haar verrekijker naar de horizon, op zoek naar de paarden. Opeens zag ze ze, aan de rechterkant. „Daar!”
Pete reed meteen in de richting die Amy aanwees.
Ondertussen probeerde Amy de paarden in het oog te houden, maar dat was niet makkelijk, want de auto schudde vreselijk heen en weer. Ze zag dat er drie paarden bij elkaar stonden en een eindje verderop nog twee. Ze wist het niet zeker, maar het leek alsof er nog een paard achter stond.
De paarden hoorden de auto aankomen en gooiden geschrokken hun hoofden omhoog.
Pete remde. „Als ik dichterbij kom, gaan ze ervandoor. We kunnen ze het beste vanaf hier bekijken.”
Nu de auto stilstond, kon Amy de paarden veel beter zien. Het was snel duidelijk welk dier de hengst was. Hij was donkerbruin en veel gespierder dan de merries. Hij was bij het horen van de auto direct begonnen zijn kudde te verzamelen. Met zijn hals laag naar voren gestrekt, dreef hij de merries bij elkaar en joeg ze daarna naar de top van de heuvel. Nu kon Amy ook het zesde paard goed zien. Het was nog jong, niet meer dan een jaarling.
„Ga je die houden, Pete?” wilde Ed weten.
Pete schudde zijn hoofd. „Hij moet weg. De hengst zal hem anders toch uit de kudde zetten en hij kan hier nergens heen. Hij kan niet in z’n eentje blijven.”
„O, het is een hengstje,” begreep Ed. ,,Dat kon ik vanaf hier niet zien.”
De paarden draafden weg en Pete startte de auto weer. Terwijl ze op een afstandje achter de mustangs aan hobbelden, dacht Amy na over hoe kuddes in elkaar zaten. Ze wist dat de hengst de baas was, tot hij werd uitgedaagd en verstoten door een jongere, sterkere hengst. Ook wist ze dat de zonen door de hengst werden weggejaagd en zelf een kudde gingen zoeken. Daar had Pete het over toen hij zei dat de jaarling nergens heen kon. Er waren hier geen andere paarden op de heuvel. En paarden wilden niet graag alleen zijn, omdat ze zich veiliger voelden in een groep. Jonge hengsten zochten elkaar dus op tot ze oud en sterk genoeg waren om zelf merries te vinden.
Opeens herinnerde ze zich wat er de vorige avond was gebeurd, toen Dazzle naar Gold Dust stond te gillen. Nu begreep ze het: Dazzle was eenzaam. Hij stond al die tijd alleen in de wei. En hij was een wilde hengst die zo van de vlakten was geplukt, een hengst die het gewend was om een hele kudde om zich heen te hebben. Dazzle was in Gold Dust geïnteresseerd, gewoon omdat het een ander paard was.
Amy wendde zich naar Ed. „Volgens mij mist Dazzle zijn kudde. Ik weet zeker dat hij zich eenzaam voelt. Had Patchwork dat ook?”
Ed knikte vol herkenning. „En daar gaat het nou juist om. Ook mensen kunnen deel uitmaken van zijn kudde, nietwaar?”
Natuurlijk! Dat was het! Amy was zo in beslag genomen door Dazzle’s wildheid en vuur, dat ze helemaal niet aan hem had gedacht als kuddedier. En kuddedieren hadden gezelschap nodig, anders voelden ze zich niet veilig. Ze hadden er alles voor over om de veiligheid van een groep te vinden, zelfs als ze daarvoor mensen in hun kudde moesten toelaten.
Ze reden nog een uur achter de kudde aan. Steeds bleef de hengst zijn merries leiden door ze bij elkaar te houden en van achteren op te drijven. Het was fascinerend. Amy had wel de hele dag naar ze kunnen kijken, maar het werd steeds later en toen de mustangs een beek overstaken, stelde Ed voor om terug te gaan.
„Onwijs bedankt, Pete,” zei Amy toen ze weer terug waren bij het huis. „Ik heb heel veel geleerd, hartelijk bedankt.”
Pete glimlachte verlegen. „Graag gedaan,” zei hij onbeholpen. „Sorry, dat ik niet gastvrijer was. Dat krijg je als er geen vrouw in huis is, ben ik bang.”
Hij was zo verlegen en eerlijk dat Amy hem meteen in haar hart sloot. „Ik heb genoten, echt waar.”
Ed gaf Pete een hand en ze stapten weer in de auto.
„Dus je vond het leuk,” zei Ed. „Dacht ik wel. Pete is een vreemde snuiter, hè? Tja, een paar jaar geleden is zijn vrouw overleden en daar is hij nooit helemaal overheen gekomen.”
Amy dacht weer terug aan haar eerste indruk van Pete. Dus dat was het. Een man die in z’n eentje in de heuvels woonde. Eenzaamheid, daar wordt iedereen een beetje raar van, peinsde ze. Ze reden de lange oprijlaan weer af naar de hoofdweg. Niet alleen paarden hebben elkaar nodig, dacht ze met een glimlach. Mensen zijn ook kuddedieren.
Op Heartland was de lunch net achter de rug. Jack was koffie aan het zetten, terwijl Lou het toetje opschepte.
„Kom binnen, kom binnen,” zei Jack hartelijk. Amy vond dat zijn wangen wat roder waren dan anders en al snel ontdekte ze waarom. „Dit is Nancy,” zei hij en hij legde zijn handen op de leuning van haar stoel. „Nancy, dit is mijn kleindochter Amy en… Ed Winters, toch?”
„Dat klopt.” Ed maakte het zich gemakkelijk aan de keukentafel.
Amy glimlachte naar Nancy, die duidelijk een beetje zenuwachtig was, ook al was ze veel ouder dan Amy. Ze was een jaar of vijfenvijftig, schatte Amy, en oogde sterk en fit. Ze had prachtige blauwe ogen, waardoor ze er veel jonger uitzag. Amy keek even naar haar opa en merkte op dat hij ineens ook veel jonger leek. En hij was zo vrolijk en opgewekt. Zo had ze hem al heel lang niet gezien.
Jack warmde snel wat eten op voor Ed en Amy, hamburgers met aardappels en champignons, en zette de borden met een zwierig gebaar voor hen neer op tafel. „Alsjeblieft. Ik hoop dat jullie het niet erg vinden als wij vast aan de appeltaart beginnen. Hoe was het vandaag?” Hij richtte zich tot Nancy. „Ed heeft Amy meegenomen naar een vriend die een kudde wilde paarden heeft.”
„Het was te gek!” Amy vertelde precies wat ze allemaal hadden gezien. „Het was echt heel leerzaam,” besloot ze met een glimlach naar Ed.
„Jack heeft me verteld wat je allemaal doet,” zei Nancy. „Het klinkt vreselijk interessant. Ik zou het heel leuk vinden als je me wilt rondleiden, als je tijd hebt.”
„Natuurlijk,” antwoordde Amy met een lach.
Een beetje weemoedig stortte ze zich op haar eten. Ze vond het echt heel leuk voor haar opa. Hij was nu al zo lang alleen en Nancy leek erg aardig. Maar Amy zag niet alleen bij Dazzle eenzaamheid, ook bij zichzelf. Ze dacht weer aan Ty die haar naam fluisterde. Ze snakte ernaar om hem weer terug te hebben. En al zou ze bij hem blijven wat er ook gebeurde, ze verlangde vooral heel erg naar de Ty die van haar en Heartland hield.
Er werd op de deur geklopt en Soraya’s gezicht verscheen om de hoek. „Hallo, allemaal!” riep ze vrolijk. „Ik stoor toch niet?”
„Soraya! Hoi, kom binnen,” riep Amy. „We zijn bijna klaar met eten.”
Soraya stapte de keuken in en Ben sprong op om een stoel voor haar te halen.
„O, ik hoef niet te zitten, hoor. Ik kwam om te helpen,” zei Soraya opgewekt. „Ik was hier al zo lang niet geweest. Wat kan ik doen?”
„Waar wil je beginnen?” lachte Amy.
„Ik wou eigenlijk een ritje maken met Red,” mengde Ben zich in het gesprek. „Waarom ga je niet mee op Silver?”
Soraya fronste aarzelend. „Ze hebben me vast harder nodig in de stallen,” zei ze verontschuldigend. „Sorry, Ben.” Ze keek Amy aan. „Of is het handiger als ik Silver doe?”
Amy zag hoe teleurgesteld Ben was en dacht snel na. Soraya was de laatste tijd behoorlijk veranderd. Ze greep niet meer elke gelegenheid aan om bij Ben te zijn, zoals ze vroeger wel deed. En Amy wist dat het geen zin had om haar ergens toe te dwingen.
„Nou, het maakt me eigenlijk niet zo veel uit,” zei ze voorzichtig. „Alles wat je doet, is meegenomen. Maar ik zou wel wat hulp kunnen gebruiken als ik met Solly aan de slag ga, en er moet een flinke berg tuig worden gepoetst, zoals altijd.”
„Klinkt goed,” lachte Soraya. „Ik begin wel met het tuig terwijl jullie je koffie opdrinken. Tot zo!” En meteen liep ze de keuken weer uit.
Ben staarde in zijn koffiemok en ontweek Amy’s blik. Ze had medelijden met hem, maar er was niets aan te doen. Ze stond op en ruimde de borden af.
„Dat was heerlijk,” zei Ed. „Heel erg bedankt. Ik ga ervandoor, want Dolores zal zich wel afvragen waar ik blijf.”
„Wilt u geen taart?” vroeg Lou.
Ed klopte op zijn buik. „Nee, dank je. Ik kan geen pap meer zeggen.”
Amy pakte haar jas. „Ik loop even mee.”
Ze gingen samen naar Eds auto en hij klom achter het stuur.
„Heel erg bedankt voor uw hulp, meneer Winters. Ik heb er erg veel aan.”
Ed glimlachte. „Je bent dichterbij dan je denkt met die mustang,” zei hij bemoedigend, terwijl hij de motor startte. „Dat voel ik gewoon.”
Amy zwaaide hem uit en ging naar Soraya in de zadelkamer. Haar vriendin pakte net een zadel van z’n steun.
„Wacht even! Zullen we eerst naar Dazzle gaan kijken?” stelde Amy voor.
„O ja, super!” Soraya legde het zadel terug en liep met Amy mee naar de weilanden. Onderweg vertelde ze over de repetities. „Je komt toch naar de uitvoering kijken, hè?” smeekte ze.
„Reken maar! Daar staat hij.” Amy wees naar de blauwschimmel, die voor de verandering bij het hek stond te grazen.
„Wauw! Hij is schitterend!” riep Soraya uit.
Ze bleven even staan om hem niet aan het schrikken te maken, maar de mustang had hen met zijn scherpe oren allang horen aankomen. Zijn hoofd schoot omhoog. Tot Amy’s stomme verbazing brieste hij alleen maar, waarna hij verder ging met grazen.
„Meestal galoppeert hij meteen naar de andere kant van de wei, gillend als een sirene,” fluisterde ze tegen Soraya. „Laten we wat dichter naar hem toe gaan.”
Ze schuifelden voorzichtig naar het hek. Dazzle keek weer op.
„Hallo, Dazzle,” zei Amy zacht. Ze verwachtte dat de hengst er nu wel vandoor zou gaan, maar dat deed hij niet. Hij schudde zijn manen en ging gewoon door met grazen. En opeens, diep vanuit zijn keel, brieste hij een groet.