6

Groei en ontwikkeling

Sensoren en bewegingsapparaat

Alle exemplaren ontwikkelen zich anders. Hieronder volgt een algemeen overzicht van wat de meeste baby’s van één maand kunnen. Als jouw baby deze mijlpalen nog niet heeft bereikt, dan lukt het hem waarschijnlijk binnen niet al te lange tijd.

Visuele sensoren (zicht)

Aan het einde van de eerste maand kan de baby voorwerpen waarnemen op een afstand van 25 tot 30cm. Ook zal hij een bewegend voorwerp met zijn ogen kunnen volgen. Op deze leeftijd kijkt hij liever naar gezichten dan naar voorwerpen.

De meeste exemplaren verkiezen zwart-witte voorwerpen boven gekleurde. Dit zijn vaststaande voorkeuren die je niet kunt beïnvloeden. Naarmate de baby ouder wordt, ontwikkelen deze instellingen zich op natuurlijke wijze.

Auditieve sensoren (gehoor)

Aan het einde van de eerste maand is het gehoor van de baby volledig ontwikkeld. Hij herkent geluiden en reageert op vertrouwde stemmen. Ouders kunnen de auditieve sensoren van hun baby stimuleren met praten, zingen en muziek. Deze activiteiten kunnen de ontwikkeling van de baby bevorderen.

Aandrijfmechanisme (motoriek)

Aan het einde van de eerste maand zullen alle exemplaren zich bewust zijn van hun armen, benen, handen en voeten. De baby kan zijn vuisten ballen en naar zijn mond brengen. Hij begint enige controle over zijn hoofd en nek te krijgen. De baby kan zijn hoofd nu iets optillen, hoewel hij nog wel ondersteuning nodig heeft.

Als je het bewegingsapparaat van je baby wilt stimuleren, kun je hem af en toe op zijn buik leggen. Zo ontwikkelt hij zijn nekspieren. Door met de armen en benen van de baby te spelen, gaat hij beseffen dat ze deel van hem uitmaken.

Olfactorische sensor (reuk)

Als de baby 6 tot 10 dagen oud is, herkent hij de geur van zijn moeder en de geur van melk. Ouders die de reukzin van hun baby willen stimuleren, kunnen in de eerste maanden beter geen parfum, reukwater of geparfumeerde zeep gebruiken. Deze producten verhinderen dat de baby de natuurlijke geur van zijn ouders herkent.

TIP: Wanneer jouw één maand oude baby deze mijlpalen nog niet heeft bereikt, maak je dan geen zorgen. Elk exemplaar ontwikkelt zich in zijn eigen tempo. Raadpleeg het consultatiebureau of je huisarts als de baby geen voorwerpen ‘volgt’, niet op harde geluiden reageert, niet regelmatig zijn armen en benen beweegt of bij fel licht niet met zijn ogen knippert.

Reflexen

De baby is bij levering voorzien van een aantal reflexen die hem in staat stellen te overleven en zich aan zijn omgeving aan te passen. Een reflex is een onwillekeurige reactie van een spier op een prikkel. Voer de volgende eenvoudige tests uit om de reflexen van de baby te testen.

Zuigreflex

De zuigreflex stelt de baby in de eerste weken van zijn leven in staat actief voedsel (moedermelk of flesvoeding) tot zich te nemen. Aan het einde van de eerste maand heeft deze reflex zich gewoonlijk ontwikkeld tot een doelbewust zuigen.

[1] Houd een vinger, speen of tepel bij de mond van de baby.

[2] De baby zal het voorwerp tussen zijn tong en zijn gehemelte klemmen. Door zijn tong heen en weer te bewegen over het voorwerp ontstaat er zuigkracht.

Zoekreflex

Deze reflex stelt de baby in staat voedsel te bemachtigen. Deze reflex ontwikkelt zich tot een doelgericht draaien van zijn hoofd naar een borst of een fles.

[1] Neem de baby in je armen en strijk hem over zijn wang. Hij zal zich met open mond in de richting van de prikkel draaien, op zoek naar voedsel.

[2] Herhaal dit met de andere wang van de baby.

Moro-reflex

Bij deze reflex strekt de baby eerst zijn armen en benen uit om ze vervolgens in te trekken tegen zijn borst. De reactie treedt op bij harde geluiden enof plotselinge bewegingen en wordt daarom ook ‘schrikreflex’ genoemd. Deze reflex verdwijnt tussen de vierde en zesde maand.

[1] Leg de baby op zijn rug. Nies of hoest plotseling zodra hij rustig ligt (maar niet slaapt).

[2] De baby zal onmiddellijk reageren door zijn armen en benen uit te slaan en weer in te trekken.

WAARSCHUWING: Maak geen harde, beangstigende geiuiden om de moro-reflex te testen. Observeer gewoon het gedrag van je baby. Als niezen of hoesten geen reactie teweegbrengt, kijk dan hoe je baby reageert op een klop op de deur, stemverheffing of andere harde geluiden.

Grijpreflex

De grijpreflex zorgt dat de baby met zijn vingers of tenen naar iets grijpt. Deze reflex ontwikkelt zich in een half jaar tot een doelgericht grijpen.

[1] Strijk met je vinger over het geopende handje van de baby. Hij zal proberen zijn vingers om de jouwe te sluiten.

[2] Strijk met je vinger over de voetzool van de baby en hij zal proberen zijn tenen te krullen.

[3] Herhaal dit met zijn andere hand en voet.

Loopreflex

Bij deze reflex maakt de baby een loopbeweging met zijn voeten, ongeacht of zijn benen hem kunnen dragen. Hij dient hierbij te worden ondersteund. De loopreflex verdwijnt na een paar maanden en wordt rond de leeftijd van één jaar vervangen door doelgericht staan en lopen.

[1] Pak de baby onder zijn oksels vast, met zijn gezicht naar je toe. Ondersteun zijn hoofd met je vingers.

[2] Ga in een stoel zitten en houd de baby rechtop. Zet hem met zijn voeten op je bovenbenen.

[3] De baby zal kracht zetten met zijn voeten alsof hij wil gaan staan.

Tonische nekreflex

Deze reflex helpt de baby de bewegingen van zijn hoofd en armen te coördineren. De reflex verdwijnt rond een half jaar.

[1] Leg de baby op zijn rug.

[2] Draai zijn hoofdje voorzichtig naar rechts.

[3] De baby zal zijn rechterarm uitstrekken. Zijn linkerarm zal bij de elleboog buigen.

[4] Draai het hoofdje van de baby naar links. Zijn linkerarm zal zich uitstrekken terwijl zijn rechterarm zich buigt.

Defensieve reflexen

Deze reflexen stellen de baby in staat zich tegen reële of denkbeeldige aanvallers te verweren. De reflexen verdwijnen als de baby meer controle over zijn motoriek krijgt.

[1] Leg de baby op zijn rug.

[2] Houd een speeltje op dertig centimeter boven zijn hoofd en laat het langzaam in een rechte lijn naar zijn gezicht zakken.

[3] De baby zal zijn hoofd naar links of rechts afwenden.

Mijlpalen in het eerste jaar

Naarmate de baby ouder wordt, bereikt hij steeds meer mijlpalen. Aangezien baby’s van exemplaar tot exemplaar verschillen, bereikt niet iedere baby die op hetzelfde moment. De hieronder beschreven mijlpalen zijn gebaseerd op de gemiddelde prestaties van verschillende exemplaren. Het is niet verontrustend als jouw baby niet aan deze gemiddelden voldoet. Er zijn altijd verschillen in prestatie, en afwijkingen van het gemiddelde zeggen niets over de capaciteiten van de baby. De mijlpalen staan los van elkaar: een baby die vroeg gaat lopen kan laat zijn met praten. Heb je ernstige twijfels over de ontwikkeling van je baby, raadpleeg dan een deskundige.

Na drie maanden

Aan het einde van de derde maand zulllen de meeste exemplaren:

  • gezicht en stem van hun ouder(s) herkennen;
  • glimlachen als ze hun ouder(s) zien of horen;
  • aandacht krijgen voor complexe visuele patronen;
  • interesse tonen in gezichten van vreemden;
  • controle hebben over hun hoofd;
  • langere periodes achtereen slapen;
  • een beter aandrijfmechanisme hebben;
  • reiken naar voorwerpen en deze vastpakken.

LET OP: Indien de baby na drie maanden nog een van de volgende kenmerken vertoont, raadpleeg dan een deskundige. De baby:

  • loenst;
  • kan voorwerpen niet met de ogen volgen;
  • reageert niet of nauwelijks op je stem of op harde geluiden;
  • gebruikt zijn handen niet;
  • heeft geen controle over zijn hoofd.

Na zes maanden

Aan het einde van de zesde maand zullen de meeste exemplaren:

  • zich op kleine voorwerpen concentreren;
  • hun hoofd naar een geluidsbron draaien;
  • eenvoudige geluiden die je maakt nabootsen;
  • minder vaak eten en beginnen met vast voedsel;
  • lange tijd achter elkaar spelen zonder te huilen;
  • vaker op voorwerpen kauwen;
  • zich op eigen kracht verplaatsen, zich op hun zij rollen en gaan zitten (met wat hulp);
  • de wereld gaan onderzoeken met hun handen.

LET OP: Indien de baby na zes maanden nog een van de volgende kenmerken vertoont, raadpleeg dan een deskundige. De baby:

  • ‘brabbelt’ niet terug als je tegen hem praat;
  • pakt en brengt geen voorwerpen naar zijn mond;
  • heeft nog actieve moro- en tonische nekreflexen.

Na negen maanden

Aan het einde van de negende maand zullen de meeste exemplaren:

  • speuren naar speeltjes die buiten zijn gezichtsveld vallen;
  • van streek raken als je afscheid neemt en weggaat;
  • brabbelend je woorden proberen te imiteren;
  • leren kruipen en zich optrekken;
  • inzicht krijgen in de werking van een voorwerp.

LET OP: Indien de baby na negen maanden nog een van de volgende kenmerken vertoont, raadpleeg dan een deskundige. De baby:

  • ‘sleept’ bij het kruipen met één kant van zijn lijfje;
  • reageert niet ‘brabbelend’ op complexe klanken.

Na twaalf maanden

Aan het einde van de twaalfde maand zullen de meeste exemplaren:

  • voorwerpen zoeken die je benoemt;
  • je zoeken als je ze vanuit een andere kamer roept;
  • (herkenbaar) andere woordjes produceren dan ‘mama’ en ‘papa’;
  • reageren als je ‘nee’ zegt;
  • zich nog vaker op eigen kracht verplaatsen en leren lopen en klimmen;
  • wijzen naar de plek waar ze heen willen.

LET OP: Indien de baby na twaalf maanden nog een van de volgende kenmerken vertoont, raadpleeg dan een deskundige. De baby:

  • maakt geen spraakgeluiden;
  • bootst geen gebaren na;
  • kan niet zonder hulp staan.

Groeicurve

De lichamelijke groei van de baby kan worden bijgehouden door zijn lengte, gewicht en hoofdomtrek te meten. Deze meetwaarden (percentielen) geven aan hoe de groei van je baby zich verhoudt tot het landelijke gemiddelde van andere exemplaren van dezelfde leeftijd en hetzelfde geslacht.

Ligt de meetwaarde van het gewicht van jouw exemplaar bijvoorbeeld op 20, dan weegt hij meer dan 20% van de andere baby’s in het land en minder dan de resterende 80% van de baby’s. Uit de groeicurven op de volgende bladzijde blijkt hoezeer de meetwaarden van de verschillende metingen per exemplaar kunnen verschillen.

[1] Weeg de baby. Dit kun je doen door eerst jezelf te wegen zonder de baby en daarna met de blote baby. Stel het gewicht van je baby vast door je eigen gewicht van het totale gewicht af te trekken.

[2] Meet de lengte van de baby. Leg een vel papier op een vlakke ondergrond en leg de baby erop. Teken op het papier de bovenkant van zijn hoofdje af. Strek voorzichtig de benen van je baby (oefen nooit druk uit op zijn knieën!) en teken de onderkant van zijn voeten af. Zet beide tekens even ver van de zijrand van het papier af om je ervan te verzekeren dat de meting juist is. Meet de afstand tussen beide tekens om de lengte van de baby vast te stellen.

[3] Meet de omtrek van het hoofd van de baby. Leg een soepel meetlint om het breedste deel van het hoofdje, net boven de oren, en over het ‘knobbeltje’ achter op zijn hoofd.

[4] Noteer de metingen in het diagram. Gebruik de grafiek op blz. 169–170 om de meetwaarden van de baby aan te geven en te zien hoe jouw baby zich verhoudt tot andere baby’s.

TIP: Maak je niet al te veel zorgen over de meetwaarden van je baby. Op het consultatiebureau worden alle exemplaren goed gevolgd in hun groei. De belangrijkste factor die de groeicurve van de baby bepaalt, is overigens de groeicurve van zijn ouders. Mensen die in hun baby- en kindertijd klein waren, krijgen gewoonlijk even kleine kinderen.

Verbale communicatie

Als de baby zes maanden is, beseft hij dat hij geprogrammeerd is om in jouw taal te kunnen spreken. Dit besef vergroot je door met hem te praten, in eerste instantie leert hij de geluiden die je maakt te herhalen, totdat hij uiteindelijk zelf kan praten.

Sommige ouders praten het liefst op normale toon en in normale woorden tegen de baby. Hoewel je baby moeite zal hebben met sommige geluiden, leert hij op deze manier de juiste namen van mensen, plaatsen en dingen.

Anderen praten liever in een ‘babytaaltje’. Dit maakt het voor de baby gemakkelijker de geluiden te herhalen. Het kan echter leiden tot verwarring over de juiste namen van mensen, plaatsen en dingen.

Het verdient aanbeveling beide technieken af te wisselen. De beste resultaten behaal je door in een hogere octaaf te spreken, omdat de auditieve sensoren van de baby hoge tonen gemakkelijker opvangen.

Babytaal

De baby is bij levering voorzien van een eigen taal, met uitdrukkingen als:

  • è-è-è
  • ga-ga
  • uli

Laat je baby één van deze geluiden horen en herhaal ze dan. Op deze wijze stimuleer je de baby bepaalde geluiden te maken en leert hij de basisbeginselen van het converseren.

Natuurlijke spraak

Sommige baby’s beginnen met zes maanden geluiden te maken die op eenlettergrepige woordjes lijken – geluiden als ‘da’, ‘ba’ en ‘ma’. Met de volgende technieken help je hem deze geluiden om te zetten in woorden.

[1] Herhaal de geluiden die hij maakt.

[2] Moedig hem aan jou na te doen. Juich of klap in je handen als hij een geluid herhaalt dat jij maakt.

[3] Reageer op geluiden van de baby door op een natuurlijke manier met hem te praten. Zeg: ‘Echt waar? Is dat zo?’ of ‘Je hebt gelijk.” Door enthousiasme te tonen moedig je de baby aan het gesprek voort te zetten.

TIP: Veel ouders beschrijven verbaal wat ze doen als ze met hun baby bezig zijn, bijvoorbeeld door dingen te zeggen als: ‘Ik doe nu je jas aan’ of ‘Ik geef je nu je fles’. De baby zal de aandacht waarderen en sneller inzicht krijgen in taal.

Mobiliteit

Naarmate de motoriek van je baby verbetert, leert hij kruipen, zich optrekken, lopen en zelfs klimmen. Houd de baby goed in de gaten (ook als je denkt dat hij deze vaardigheden beheerst) en voorkom dat hij zich bezeert.

Kruipen

Gewoonlijk begint je baby rond de negende maand te kruipen. Sommige exemplaren kruipen achteruit of vallen bij het omdraaien; anderen geven de voorkeur aan de ene zij boven de andere of struikelen over hun handen. Dit is normaal en hoeft niet te betekenen dat de baby iets mankeert. Sommige baby’s slaan het kruipstadium over. Ook dit is geen mankement: veel baby’s rollen of schuiven over de grond totdat ze gaan lopen. Tot die tijd beweegt elk exemplaar zich op zijn eigen manier voort. Neem de volgende richtlijnen in acht als jouw baby gaat kruipen.

[1] Blijf op armlengte afstand totdat de baby het kruipen beheerst.

[2] Blijf aan zijn ‘zwakke’ kant. Mogelijk geeft de baby de voorkeur aan zijn ene zij. In dat geval zal je baby waarschijnlijk op zijn zwakkere zij vallen.

[3] Laat de baby over een zachte ondergrond kruipen, zoals gras of vloerbedekking. Je baby zal zich dan minder pijn doen als hij valt of uitglijdt.

Optrekken

Heeft je baby het kruipen eenmaal onder de knie, dan zal hij proberen zich op te trekken aan meubels, boekenkasten of zijn ouder(s). Neem de volgende voorzorgsmaatregelen in acht om ongevallen te voorkomen.

[1] Houd een kussen of deken bij de hand waar de baby op kan vallen als hij zich begint op te trekken.

[2] Geef de baby steun met je handen. Zolang zijn coördinatievermogen, evenwichtsgevoel en armkracht nog onvoldoende ontwikkeld zijn, kan hij onverwacht vallen.

Klimmen

Sommige baby’s beginnen met klimmen voor ze kunnen lopen. Zodra hij kan kruipen en zich kan optrekken, zal hij op trappen en andere dingen in huis klauteren. Meestal gebeurt dit rond de twaalf maanden.

[1] Blijf in de buurt. Het feit dat je baby ergens op kan klimmen, betekent nog niet dat hij er ook zonder hulp af kan.

[2] Help de baby als hij ergens overheen wil klimmen. Hij weet niet waar zijn zwaartepunt ligt en kan halverwege zijn klimpoging voorover vallen. Help je baby totdat hij zijn zwaartepunt kent.

[3] Houd altijd toezicht op de baby als hij een trap beklimt. Een val van de trap kan voor een baby heel gevaarlijk zijn. Houd hem altijdmet één hand vast en wees erop attent dat hij opzij of achterover kan vallen.

TIP: Leer de baby achterwaarts van een trap, meubilair en andere dingen te klimmen. Draai hem in de juiste houding en help hem bij het afdalen. Je baby zal het snel alleen kunnen, maar houd hem altijd in het oog. Zorg dat het traphekje normaal gesproken gesloten is zodat hij nooit alleen de trap op- of af- kan lopen.

Lopen

Tegen de tijd dat de baby zijn eerste stapjes zet (tussen de twaalf en achttien maanden) zal hij een val met zijn handjes of met zijn billen opvangen. Toch is het raadzaam enkele voorzorgsmaatregelen in acht te nemen om te voorkomen dat de baby zich bezeert.

[1] Laat je baby blootsvoets lopen, niet op gladde sokjes. Schaf niet te snel schoenen voor hem aan. Door blootsvoets te lopen voelt hij de grond onder zijn voeten. Koop schoenen van zacht en soepel materiaal voor buiten.

[2] Zorg dat er geen obstakels op zijn weg liggen. Hij kijkt meestal niet naar zijn voeten maar naar de plek waar hij heen wil.

[3] Kijk uit voor scherpe of harde meubelranden. De baby kan zich er bij een val aan bezeren.

Vallen en opstaan

Anders dan veel ouders denken, kan een baby goed tegen een stootje. Vallen is onvermijdelijk; de baby zal niet snel schade oplopen door een val. Als je ziet dat hij valt, volg dan de volgende richtlijnen op.

[1] Raak niet in paniek. Baby’s voelen angst en paniek aan. Hoe kalmer je blijft, hoe beter de baby op een val reageert.

[2] Loop langzaam naar hem toe (bij een niet ernstige val). Je baby kan schrikken als er plotseling iemand op hem af komt.

[3] Troost hem verbaal terwijl je naar hem toe loopt. Zeg: “Kom maar, probeer maar weer te gaan staan.”

[4] Til de baby op als hij getroost wil worden.

[5] Kijk of de baby zich heeft verwond. Zo ja, behandel hem.

[6] Leid de baby af als hij blijft huilen. Een nieuw speeltje zal hem zijn valpartij doen vergeten.

Verlatingsangst

Als de baby eenmaal beseft wie je bent en zich geborgen bij je voelt, kan hij angstig worden als je weggaat. Dit verschijnsel staat bekend als verlatingsangst en doet zich gewoonlijk voor tussen de achtste en tiende maand. De baby kan zich extravert opstellen tegenover zijn ouders maar introvert tegenover vreemden. Hij kan gaan huilen zodra je uit het zicht verdwijnt, ook al is het maar voor vijf minuten, of ‘s nachts om je roepen als hij wakker wordt. Verlatingsangst is gewoonlijk het sterkst rond de vijftiende maand. Tot die tijd kunnen de volgende strategieën jou en je baby helpen om met zijn nieuwe gevoelens om te gaan.

[1] Troost hem als hij bang is.

[2] Vraag vreemden hem niet te ‘opdringerig’ te benaderen.

[3] Geef hem een knuffelbeest.

[4] Laat hem langzaam aan nieuwe plaatsen wennen. Dit is niet het juiste moment om de baby naar een crèche te brengen. Als een crèche de enige oplossing is, blijf dan de eerste paar dagen bij hem. Begin vervolgens met af en toe even weg te gaan. Neem telkens kort afscheid.

Driftbuien

Naarmate de baby de wereld om zich heen beter leert begrijpen, kan hij gefrustreerd raken als hij er niet in slaagt duidelijk te maken wat hij wil. Die frustratie kan zich uiten in een driftbui.

Gewoonlijk komen de eerste driftbuien tussen de tien en twaalf maanden voor. Je baby gaat huilen of jengelen, reikt naar een voorwerp waar hij niet bij kan, schopt met zijn benen of zwaait met zijn armen. Driftbuien kunnen jaren aanhouden. Pas de volgende technieken toe om driftbuien te voorkomen.

[1] Laat de baby al vroeg kennismaken met het woord ‘nee’, ook al zal hij je pas begrijpen wanneer hij een jaar is. Gebruik het woord alleen als het belangrijk is, zoals in: ‘Nee, niet aankomen. Dat is heet!’ of ‘Nee, niet opeten. Dat is een vlieg!’ De kracht van het ‘nee’ zal van pas komen bij driftbuien.

[2] Probeer zoveel mogelijk uit te leggen. Elk exemplaar is geprogrammeerd om te begrijpen waarom hij niet met een mes mag spelen of een hete kachel mag aanraken. Je uitleg zal hem helpen zijn grenzen te ontdekken.

[3] Moedig zijn gedrag niet aan door emotioneel op zijn huilen of jengelen te reageren. Op die manier leert je baby dat hij met zijn gedrag aandacht krijgt. Zolang de veiligheid van de baby niet in het geding is, kun je zijn driftbui beter negeren.

[4] Richt je op het belonen van de baby. Prijs hem als hij zich op een goede manier gedraag door te glimlachen of te klappen.

[5] Wees geduldig. Volgens deskundigen zijn driftbuien slechts een fase die de baby doormaakt. Ze gaan voorbij.