13

Hun huis kwam gereed. Fors en breed, met een wijde, gebroken kap, stond het naast een bijpassende schuur met veel bergruimte. Onverschillig voor haar wensen geworden, liet Meindert zijn vrouw de indeling bepalen en gaf ook de inrichting geheel aan haar inzicht over. Uitgezonderd twee dingen waar ze rekening mee diende te houden. Rechts in de voorgevel moest voor hem een vertrek als kantoor worden ingericht en op hun slaapkamer moest een litsjumeaux staan.

Riek gaf dit toe. Na de veelheid van ruzies die ze jarenlang over deze wo

  ning hadden gemaakt voelde ze het als een grote voldoening de strijd te hebben gewonnen. Dat kantoor? Och, het klonk deftig en zij had daar geen lasten van dan het onderhoud dat beslist heel licht zou zijn. Meindert was weinig meer thuis dan om te eten en te slapen. Maar dat bed stond haar minder aan.

Wat zulle onze kennisse daar wel van zegge as ik ze gelijk met de rest van het huis ok onze slaapkamer zien late moet, piekerde ze dagenlang in zichzelf. Ze kenne daar van alles over denke. Nou was het ok wel waar wat ze dan dachte, maar je wou voor een aar toch niet graag weten dat zo'n knappe kerel van een paar jaar over de veertig niks meer om je gaf. Goed ... het was 'r eigen schuld, of eigenlijk de schuld van Ruud, dat je Meindert maande en maande op een afstand houwen had, maar moest dat nou altijd zo blijve? En nou elk op een aar bed. Dicht bij mekaar en toch zo akelig ver...

Het viel mee. Van de velen die zij na de voltooiing ervan haar huis toonde, maakte een enkele een ondeugende opmerking over hun gescheiden bedden, doch allen bewonderden het mooie slaapkamer-ameublement waar de litsjumeaux het voornaamste stuk van was. Dit deden zelfs Hendrik en Gonne, al beweerden die dat zij eikaars lichaamswarmte verkozen boven de kilte van het alleenzijn.

Zo vervulde al dit nieuwe Rieks gedachten met een trots die haar tevreden maakte en minder scherp in de omgang met Meindert en haar zoons. Hij merkte dit niet eens. Blij ging hij door de dagen vol van werk en geluk. Wat kon een man meer verlangen dan hij nu bezat! Een thuis waarin aan zijn alledaagse behoeften werd voldaan, want al had Riek haar gebreken, een prima huisvrouw was ze wél. Je had je jongens, je bedrijf, meer geld dan je aankon, maar ver boven dit alles waren er de morgens en middagen die hij bij Zwaantje doorbracht en waarvan hij geen uur wilde missen. Want bij haar en bij al wat rondom haar was, daar lag zijn werkelijke leven. In de liefdesvreugde die ze samen beleefden, in haar kleine aparte zorgjes voor hem en in de gesprekken die ze samen voerden over dingen en gebeurtenissen waar Riek geen weet van had, doch waarvan hijzelf te hooi en te gras kennis had genomen. Voorheen moest dat wel zo gaan, Riek duldde nooit dat hij zich 's avonds wat lang in hun driemaal per week verschijnende krant verdiepte, doch Zwaantje las een dagblad waaruit hij nog heel wat meer over het wereldgebeuren te weten kwam, dingen waar ook zij zich voor interesseerde en die ze dan samen bespraken. „Deed je dat met je man ok wel d'rs?" vroeg hij op een woensdag in december toen ze samen met eén glas warme punch voor zich bij de haard zaten terwijl buiten in de schemering natte sneeuw viel waarvan telkens slordig gevormde vlokken tegen het venster kleefden en langzaam smeltend naar beneden gleden.

„O ja. Al had Frederik zelf niets meer mogen leren dan voor een gewone handwerksman nodig is, zijn stiefbroer deed dit wel en die gaf daar later heel wat van aan hem door. En verder las hij veel."

En dan zaten jullie hier samen ok zo knus, dacht Meindert en in dwaze jaloezie misgunde hij de overleden man elk moment daarvan. Deze Frederik, die een paar keer zijn verkering met andere meisjes verbrak omdat zij niet in zich hadden wat hij zocht en daardoor op Zwaantje wachten kon die dit wel bezat, die alles wou leren wat nog in haar bereik lag. In de gloeiende haard starend vroeg Meindert zich af of hij weer terug wou naar de dag waarop hij zijn eigen keus bepaald had. En hij wist. .. het zou weer net zo gaan als toen.

Wat ik nou heb, dat wil ik allegaar houwe, nam hij zich voor. Het leven van thuis ken ik net zo min misse as dat van hier. Krijg ik misschien later de kous 'rs op mijn kop, dan zal ik wel verder zien hoe het loopt. Maar zuk zal mijn nooit overkome. Zwaantje en ik houden ons geluk goed verscholen.

Meindert kon rustig zijn. In de zomer van 1914 kwam er veel belangrijker nieuws dat ieders aandacht eiste. Eerst al de oorlogsgeruchten met direct daarop de algehele mobilisatie die drie van zijn arbeiders opriep. „Het lijkt mijn het beste dat jullie daar voorlopig maar voor invalle," stelde hij op die vrijdagavond zijn twee oudste jongens voor, die van de ambachtschool af bij Karei Zeeman in diens bedrijf waren opgenomen om zich daar, onder diens leiding en die van een volwassen knecht, verder in het werk te bekwamen. „Maar ken vader hullie wel misse?" maakte Riek bezwaar tegen dit plan. „En is dat werk niet te zwaar voor de jööns?" „Of die ze misse ken of niet, mijn werk gaat voor," besliste Meindert. En dat bleef voorgaan. Bijna vijf jaar lang kwam hij tijd, handen en materiaal tekort om iedereen die er het geld voor over had, in deze tijd van ko- lennood aan het altijd beschikbare brongas te helpen. Vooral als een onstuimige wind het water van de Zuiderzee naar de dijken joeg bruiste dat gas naar boven en joeg de grote vergaarketels tot het uiterste omhoog. Toen het eind van de oorlog geleidelijk in het zicht kwam moest Klaas weg om zijn dienstplicht te vervullen.

„Wat schikt mijn dat toch slecht," klaagde Meindert tegen Hendrik toen die hen op een morgen opzocht zoals hij in de laatste maanden dikwijls deed. „Waar vind ik een flinke vent die hem vervange ken? Het spijt mijn nou weerlichts dat Ruud naar de Ulo gaat, aars kon die ons uit de brand helpe. Maar och, misschien zal die wel niks meer voor dit soort werk voe- le."

„Weet die nu al wat ie naderhand worden wil?" vroeg Hendrik. „Wel nee," zei Riek spijtig. „Nou ken die knul zó best lere, maar zodra ie zijn huiswerk af heb gaat ie naar Henk Spruit om daar an een ouwe stoomfiets van die zijn broer Marten te prutsen. En dan komt ie later smerig en vet thuis. Gelukkig trouwt Marten binnenkort en ik hoop dat het geknutsel an dat wrak dan ok meteen aflopen is."

„O ja, die heeft bij ons dat bouwersbedrijf aan de Oostbuurt gekocht," schoot Hendrik nu in gedachte. „Een hele hap voor zo'n jong stel. En dat meisje lijkt niet heel sterk te zijn zoals ik mijn vrouw laatst hoorde zeggen."

 

„Maar een vent as Marten redt het overal," verdedigde Meindert de zoon van Steven Spruit die nu zijn overbuurman was. „Hij is een harde werker en doet dat met kennis van zake. Van school af an is ie voor zijn beroep opleid."

„Hoe is het met Gonne?" vroeg Riek nu. „Toe ik 'r gister opbelde was ze nogal klaagzaam."

Met een monkelend lachje keek Hendrik haar aan.

„Mijn vrouw heeft een ziekte die hopelijk vanzelf weer overgaat, Riek. Wij

krijgen over een maand of vier de baker weer over de vloer. En met het

oog op alle drukte die daaraan vastzit haal ik de volgende maand mijn

dochter thuis. Ons gezin wordt dus flink vergroot."

„Je dochter?" vroeg Meindert verbaasd. „Maar die zou toch doorlere? Die

wou je toch opleide late voor hulp in een apotheek?"

„Dat was ik eerst ook van plan," gaf Hendrik toe. „Maar voorlopig hebben

wij haar hulp nog nodig en apothekersassistente kan ze over één of twee

jaar ook wel worden. Ze is nog maar zeventien."

Dus jullie meid gaat weer d'rs weg, wist Riek die popelde bij zoveel nieuws. De hoeveelste zou dat nu al zijn? Vreemd... Gonne was toch een aardige vrouw, maar met haar personeel kon ze moeilijk omgaan. Een stroom van vragen welde in haar op waarvan Hendrik er een paar beantwoordde. Voor de rest, de meer intieme, had hij slechts een licht schouderophalen over.

„Dat weet ik allemaal niet hoor Riek. Vraag die dingen liever aan mijn vrouw."

En dat doen ik ok, nam ze zich voor terwijl ze de twee mannen nog een kop koffie aanbood. Zo gauw as die dochter er is gaan ik 'rs naar Gonne toe met een smoes over dit of dat. En ze bedacht al wat ze daarvoor het best verzinnen kon.

Hendrik weer een kind... mijmerde Meindert. En waarom ok niet? Zij hewwe er de leeftijd nog voor. Het is voor hem maar te hopen dat dit wat levendiger wordt as hullie Adriaan en ok beter lere ken. Het rustige in die jöön en zijn zitten blijven op school zit Hendrik puur dwars. Misschien is dat wel de reden waarom ie zijn eigen zoveel met die van ons bemoeie wil. Klaas moet dit, Karei dat en Ruud zo. Hij wist het zelfs bij Riek voor mekaar te krijgen dat Ruud nou tegen zijn eigen zin naar de Ulo gaat en aanstonds, net as Klaas, ok nog boekhouwen lere moet. Maar verder knik- ke die drie ape maar wat, ze geve Hendrik gelijk met wat ie voorstelt en ze gaan naderhand stilweg 'r eigen gang. Misschien wel wijs van ze. Hoe zou mijn leven verlopen weze as ik 'rs niet geregeld zo naar Arie Zeilemaker luisterd had?

Nog diezelfde avond eer ze naar bed gingen zei Riek als terloops:

„Het lijkt mijn toch wel plezierig voor Hendrik en Gonne dat daar weer

een kleine komt. Zuk houdt je jong. Ik zou het warempel voor ons ok

nog wel aardig vinde. En as het dan d'rs een meisje werd . .

„Mens hou op." Meindert lachte grimmig. „As ik nog an de leste keer

denk..."

 

„Nou ja, toe ..." probeerde Riek te vergoelijken. „Onze drie kwame mijn veels te kort achter mekaar. Ik kreeg er mijn hande meer dan vol van en de ouwelui ware er ok nog boos over. Nou is alles toch heel aars, Meindert. We wone op ons eigen, de jööns benne groot, we hewwe het meer as best en zo'n kindje geeft ons weer een nuuw doel om voor te leven." „Zuk had je een jaar of acht eerder bedenke moeten, dan was dat leven van nou misschien heel aars weest," zei Meindert. „Late we het maar liever houwe zoas het is."

Zodra dit gezegd was ging hij naar buiten waar de lange zomerdag juist in een kleurige gloed ten onder ging. Langzaam liep hij over het erf rond zijn huis en langs de kleine bloemperken die Riek daar met veel zorg had aangelegd.

Ja, ze had van dit huis werkelijk alles gemaakt wat ze vermocht. Had ze dat van ons huwelijk ook maar gedaan, dacht Meindert wrang. Maar als keer op keer elke toenadering van jouw kant als een misdaad wordt afgewezen ... en hoe afgewezen ... dan blust tenslotte elke hartstocht voor die ene voorgoed.

Toch wist hij diep in zichzelf dat hij van Zwaantje zo'n houding veel beter zou hebben verdragen, er misschien zelfs begrip en geduld voor had kunnen opbrengen.

Maar bij Zwaantje was alles immers anders. „Late we het nou maar liever houwe zoas het is . . ." Die woorden hadden Riek gegriefd en tranen in haar ogen gebracht. Duidelijk had hij de glinstering daarvan in haar ogen zien opwellen. Daarom was het maar beter om hier nog een poosje te blijven en dan straks met een gewoon vriendelijk praatje naar bed te gaan.

Je moest de toestand niet nog onmogelijker maken dan die al was. En deze bevlieging van Riek zou vanzelf wel weer overgaan.

Het jachtende leven van de ene groep arbeiders naar de andere waarbij hij dan zo nodig zelf ook nog een paar uur meehielp met het werk en dan ook nog zijn bezoeken aan Zwaantje beletten Meindert nadien een poos om eens bij Hendrik aan te gaan. Doch toen hij dit weer een keertje deed stond hij in de keuken verbaasd even stil.

De dochter van Hendrik... die Annemie . .. wat een beeld van een meisje. En haar gezicht leek hem dadelijk zo bekend, zo eigen. Hadden Riek en hij indertijd ook maar zo'n kind gekregen, dan zou hun leven allicht anders verlopen zijn.

„Tante rust even en Pa is in de tuin. Ik zal hem roepen," zei het meisje nadat hij zich had bekend gemaakt. „Gaat u alvast maar naar het kantoor." Daar bracht ze hem, nog voor Hendrik er óók was, een kop lekkere echte thee en zette sigaren voor hem neer, allebei een genot in deze tijd waarin alles schaars of niet verkrijgbaar was. Dat jonge ding scheen aan te voelen hoe erg hij aan een beetje genot en rust toe was.

De rust die hij een halfjaar volop genieten kon was Meindert echter minder aangenaam, want al heel kort nadat de oorlog voorbij was hadden wei

 

nig mensen meer lust om zich nog brongas aan te schaffen. Hij had het indertijd goed ingezien toen hij Rieks te kostbare eisen ging afremmen. Er kwam binnenkort elektriciteit in alle dorpen uit de omtrek en de aanleg van een waterleiding werd ook reeds in het vooruitzicht gesteld. Intussen hadden Hendrik en Gonne hun tweede zoon gekregen, was An- nemie daar nog steeds als dienstbode in huis, kwam Klaas terug uit de militaire dienst en Ruud voorgoed van school. „En wat wil jullie nou verder?" vroeg Meindert op een zondagmiddag aan die twee toen het zover was en zij gevieren in de kamer aan tafel zaten. „Jij gaat zeker wel weer bij opa Zeeman aan het werk?" vroeg hij als vanzelfsprekend aan Klaas. Daar was al jarenlang door iedereen op gerekend. De oude baas had zelfs al voorgesteld om van zijn zaak dan maar een firma te maken, „'t Ja, om eerlijk te wezen ..." begon Klaas aarzelend. „Kom, zeg gerust maar wat je op het hart hewwe 'oor," hielp Meindert hem hoewel hij aanvoelde dat, wat Klaas hem te zeggen had, al zijn eigen plannen en die van zijn schoonvader vernietigen zou. De jongen had in zijn diensttijd omgang gekregen met een meisje dat uit de omgeving van Leiden kwam en wou daar nu misschien wel werk zoeken. „Kijk vader, het zit zo ..." zei Klaas nu veel flinker. „Ik heb nou vanzelf Mia en we benne van plan ons binnenkort te verloven. Niet voor lang, want ik wil graag gauw trouwe gaan. Nou heb Mia een ouwere broer die annemer is. Een klein annemertje 'oor, voornamelijk huizebouw. En die vroeg mijn lest of ik er niet wat voor voelde om zijn compagnon te worren. Maar daar is vanzelf geld voor nodig. En daarom doen we een beroep op jou, vader. Zou jij dit geval d'rs bekijke wille?" besloot hij met een verlegen lachje.

„Je vrage nogal wat," vond Riek. „Laat jij nou zomaar ons allegaar in de steek voor een wildvreemde kerel waar wij niks van af wete, terwijl hier je bedje al spreid is? En hoe moet het met opa's zaak en met het bedrijf van je vader, want daar is ok altijd nog wel een goeie boterham in te verdienen, al is dat niet meer wat het was."

„Karei is er toch ok nog," ging Klaas hier tegenin. „En of ik het op de duur met hem en met opa rooie zou is nog een hele grote vraag." „Gaan jij daar toch voorlopig maar an het werk, dan zal ik mijn eigen eerst 'rs over jouw planne berade," beloofde Meindert. „Dat valt mijn zo koud op het lijf dat ik er nog weinig begrip voor opbrenge ken." „Dat begrijp ik heel goed, vader," zei Klaas. „Ik wil er alleen nog bij zegge dat daar opheden een groot tekort an woninge is en dus an werk geen gebrek."

„Zo is het overal. Volgens mijn vader is hier ok heel wat te doen. Wat dat angaat hoef je het zover niet te zoeken," bitste Riek hem nog vlug toe, terwijl Meindert zich naar Ruud wendde met de vraag: „En wat heb jij nou voor planne? Volgens Hendrik Zeilemaker ken jij het beste in de elektriciteit doorgaan. Hij denkt dat zuk werk je het beste pas- se zal omdat je zo graag knutsele." Doch Ruud schudde heftig zijn hoofd.

 

„Niks daarvan. Ik wil heel wat aars." „Wat voor aars is dat dan?" vroeg Riek.

„Dat is juist zo lastig moeder. Ik weet het zelf nog niet helemaal." „Op het raadhuis in Broek vrage ze een manje voor de administratie. Is dat niks voor jou?" stelde Meindert voor. „Daar zit wel een goeie toekomst in. As je in dat werk doorlere klim je vanzelf hogerop." „O vader... asjeblieft niet," wees Ruud dit haastig af. „Voor mijn geen kantoorstoel."

„Maar je moet toch wat doen," drong Riek aan. „Je mag verder doorlere ok 'oor," beloofde Meindert. „Dat wil ik wel, maar in heel wat aars as jullie denke," zei Ruud nu schuchter. „Het aller ... allerliefst word ik automonteur." „Automonteur • • •?" Alles wat Riek aan minachting kon opbrengen legde ze in dat woord. „Is dat nou 'n vak om er mee an de kost te komen? En wij liete je nog wel van alles lere waar je later wat an hewwe zou." „Maar dat wou ik toch zelf nooit, moeder," bracht Ruud haar in herinnering.

„Dat weet ik wel. Maar zo'n dwarskop as jij moet je wel d'rs ergens toe dwinge. En nou ik je eenmaal zover heb dat je met zukke hoge cijfers slaagd benne, nou wil je dit."

Hoog over haar heen keek Ruud tussen de gordijnen door naar buiten waar juist een wolk langs het zwerk dreef die gedurig van vorm veranderde. Zo had hij bij grootmoeder Helmus ook vaak uit zitten kijken in de wijde ruimte die je vanaf het Wilgenpad kon overzien. Toen hij de vorige week, als zo dikwijls, even bij haar aankwam en over deze liefste wens van hem iets vertelde zei ze heel ernstig: „As je dit beslist wille, dan moet je dit doorzette Ruud. Onverschillig wat voor werk het ok is ... As je het met je volle zin doet, dan is het altijd plezierig. Je kenne nou nog kieze mijn jöön, doen het dus met zorg." Hij had er ook heel graag nog bij de familie Spruit over willen praten, doch dat ging helaas niet meer. Al de heerlijke uren die hij samen met Henk op hun boerderij had doorgebracht behoorden voorgoed tot het verleden. Kort na de trouwdag van Marten stierf vader Steven plotseling aan een zonnesteek. Henks moeder droeg daarna de plaats aan haar oudste zoon over en ging zelf in een aardig huisje wonen. Nog amper had ze dit op orde of Marten deed een beroep op haar hulp omdat zijn vrouwtje ongeneeslijk ziek bleek te zijn. Toen die enkele maanden later overleed, besloot vrouw Spruit om vooreerst maar bij Marten te blijven. Zo was dit gelukkige gezin totaal uiteengerukt en speelde Henk nu voor knecht bij zijn oudste broer in huis. Hij, Ruud, was daar altijd nog welkom, maar het echte, dat van vroeger, vond hij er niet meer.

Had hij maar wat meer aan vader. Toen hij, van de lagere school af, net als zijn broers naar de ambachtschool wou, had die eerst naast hem gestaan. Maar later wist moeder hem, met steun van Hendrik Zeilemaker, toch naar haar kant over te halen. En daar had hijzelf zich toen wel bij neer moeten leggen en hij had zijn uiterste best gedaan om op de Ulo goede

 

cijfers te halen. Doch het knutselen aan alles wat motor was had hij niet kunnen laten. Toen moeder daarover eens tegen Zeilemaker klaagde had die hem belangstelling over alles wat elektriciteit betrof willen opdringen. Maar daar trapte hij niet in. Nee, hij liet zich niet langer leven, hij zou zijn toekomst zelf wel regelen. Wat had je aan een moeder die je altijd dwarszat en een vader die je links liet liggen? En dan die Hendrik Zeilemaker ... Laat die zich met zijn eigen zoons bemoeien. Met een beslist gebaar streek Ruud zijn dikke blonde haar achterover en keek zijn ouders vrijmoedig aan.

„Het allerliefst wil ik een tijdje bij Wiebe Stelling aan het werk," zei hij dapper.

„Maak het nou toch een beetje Ruud ..." Vermanend richtte Meindert zijn blik recht in het stille leigrijs van diens ogen. „Wat moet jij bij zo'n fietsemakertje doen?"

„Alles reparere wat er komt," zei Ruud. „En dat zijn niet enkel maar fletse 'oor vader. Er komen ook motoren van schuiten en dorsmachines en soms zelfs een motorfiets. Ook heeft ie al een keer een auto in zijn werkplaats had. En die motoren . .. dat is nou juist wat ik graag wil." „Ik vind het erg. Heel erg," veroordeelde Riek dit plan. „Veel moois heb ik van jou nog niet beleefd Ruud. Je was nou al zo'n beetje op weg om een mijnheer te worren en nou wil je dit."

„Kom nou moeder," probeerde Klaas haar opkomende drift te sussen. „Ruud ken immers alle kante nog heen. Een vent die zo goed lere ken as hij."

„Dat kén ie ja. Maar wat hebbe wij daar an as ie daar bij Wiebe zit om er lekke fietsbande te plakken?"

„Dat is toch maar een begin. In het werk dat Ruud bedoelt zit gerust wel een goeie toekomst. Er kome dagelijks al meer auto's op de weg," hield Klaas aan.

„Mallepraat," wees Riek dit af. „Wie koopt er zo'n duur ding? Misschien een man as Hendrik Zeilemaker of een aar die geen end an zijn geld weet te krijgen. Maar verder geen mens. En daar wil Ruud later zijn brood mee verdiene. Het is te gek om over te denken." „En toch wil ik dat," hield Ruud aan.

„Goed. Gaan dan je gang," gaf Meindert onwillig toe. „Je moet toch wat. Maar mijn zin is het niet 'oor. Onthou dat." „Ja vader," zei Ruud gedwee.

„En naderhand geen klachte over je baas of over het werk. Jij wille dit beslist beginne, dan moet je het volhouwe ok."

„Goed vader. Jullie zulle geen last meer van mijn hewwe," beloofde Ruud ernstig.

En nou dat met Klaas nog, dacht Meindert zorgelijk. Ik zal daar Hendrik maar voorspanne. As ik hem naar die annemer informere laat, dan gebeurt dat grondig. Is de zaak daar in orde, dan moet het maar doorgaan al hield ik 'm liever wat dichter bij huis.

Het was in orde. En hoewel ook Hendrik liever had gezien dat Klaas zijn

 

plaats in hun bedrijf zo'n beetje had aangehouden, raadde hij toch Meindert aan de jongen te helpen met het bedrag dat voor diens deelgenootschap nodig was.

„Alles goed en best, maar ik wil die aanstaande schoondochter en 'r familie eerst wel d'rs wat beter lere kennen," hield Riek dit plan nog even tegen.

„Dat treft prachtig moeder," zei Klaas. „Mia's vader en moeder benne van plan om jullie een paar weke voor onze verloving een dag te gast te vragen."

„Wij heel naar Leiden . .." weifelde Riek. „En dan op zondag vanzelf..." viel Meindert haar bij. „Dat is toch geen bezwaar?" vond Klaas. „Je hoeft toch niet iedere zondagochtend naar je voorman toe om over het werk te praten?" „Dat weet ik net zo goed as jij," wees Meindert hem stroef terecht. „Maar ik ben dat nou eenmaal wend en het is zowat mijn enige vertier." „Is het bij die mense dan zó gezellig?" herhaalde Riek een vraag van vele malen.

„Ja, dat is het," gaf Meindert hetzelfde antwoord als tevoren. En dat is geen leugen, hield hij zich voor. Bij Zwaantje vandaan gaan ik altijd effies bij Willem Pronk an en dan prate we daar ok werkelijk over het werk en zit ik daar een poos. En dat zou nou opeens zomaar een keer niet doorgaan? Stel je voor dat er d'rs meer van zukke keren kome? Dat is een ramp die mij niet overkome mag. Ik wil en kan die ure niet meer uit mijn leven misse.

Het is alleen maar zo erg dat het gestolen ure benne.