8

„Het gaat opheden maar best met de zake," mompelde Karei Zeeman en hij wreef tevreden zijn handen over elkaar voor hij de schaaf opnam om weer een nieuwe plank gereed te maken voor de woning die hij moest bouwen. Een riant huis waarvan hij kans zag een deel als tariefwerk boven de aanneemprijs te berekenen. „Ik heb meer werk as ik an ken en Meindert ok. O ja, laat ik er vooral om denke tegen Riek te zeggen dat hij mijn vanavond hier nog een paar uurtjes helpe moet."

Karei ging verder met zijn werk. Snel gleed de schaaf onder zijn ervaren handen over het hout waarna het afgeschaafde deel zich direct in sierlijke krullen omboog die hij later in één wijd gebaar onder de werkbank schoof. Het nieuwe hout vulde de schuur nog sterker dan anders met zijn aangename geur. Door de vele kleine ruitjes die aan weerszijden in de lange wanden waren geplaatst viel een overvloed van licht naar binnen op de rijen gereedschap die overal voor het grijpen hingen. Bij Karei werd nooit een minuut met zoeken verspild, daar was de tijd veel te duur voor nu het volk dat met Meindert werkte en ook zijn eigen personeel al vijftien en soms zestien cent per uur verdienen wou.

En dan moet je zo'n strop hewwe as Meindert gister, mokte hij plotseling in zichzelf. Staan ze daar met een ploeg van vier man de hele dag te boren zonder dat ze ok maar één voet dieper kome. Zo is je winst gauw naar de maan. Toch had ik wijzer daan om maar niet zo tegen die jöön te mopperen. Hij heb die steen daar immers niet zelf in de grond stopt. Enfin, ze hewwe de boel er uithaald en zouwe vandaag een paar voet verder op- nuuw beginne, dan lukt het nou wel beter.

Klokslag twaalf hield hij op met werken en liep daarna eerst naar de kant van zijn erf waar het huis van Riek en Meindert stond dat hij door de achterdeur binnenging. Daar, in een soort bijkeuken, speelden twee kinderen. Het oudste jongetje had het witblonde haar en de fletse ogen van zijn moeder, de ander was veel donkerder van uiterlijk. Doch het waren allebei gezonde, stevige kinderen die hem blij tegemoet renden. „Opa!"

„Dag jööns. Waar is jullie moeder?"

Hij knuffelde de jongste even, nam hem dan bij de hand en liep naar de keuken waar hij Riek bezig vond pap voor de kinderen te koken. „Morgen vader," beantwoordde ze afwezig zijn groet. „Is er wat?" „Nee, dat niet. Ik kom enkel maar zeggen dat Meindert mijn vanavond nog een uurtje helpe moet."

„Alweer?" vroeg ze korzelig. „As je maar wete dat ik hem 's avonds ok wel d'rs thuis hewwe wil."

„Dat mag zo weze, maar je moete niet vergete dat het bij ons van het werken kome moet," wees Karei haar stroef terecht.

„Daar ontdek ik aars nooit veel van," mopperde Riek door. „Meindert brengt geen cent meer thuis as wat jij an het aare werkvolk betale. En die jööns van ons beginne al meer te kosten."

„Dat is jullie eigen schuld. As je het, net as wij, bij een kind houwen had- de was het erg mooi weest. Moeder en ik begrijpe niet wat of jullie nou nog met een derde moete. En vergeet ok niet dat jullie geen huur hoeve te betalen."

„Ja, wat je nou vertelle weet ik allegaar wel vader. Dat heb ik al zoveel keer hore moeten."

Karei vertrok maar gauw. Met Riek viel vandaag niet te praten. Die was vanochend zeker met 'r verkeerde been uit bed stapt. „Nou, ik gaan. Jij zegge het wel éé?" „Ja, dat komt goed."

Het was niet het verkeerde been wat Riek hinderde. Wel de zekerheid dat ze opnieuw zwanger was en dit kind niet wenste. Meindert evenmin, maar nu het toch zo was hoopte die erg dat het dit keer een dochtertje wezen zou.

Maar thuis heb het wurm al boze gezichte en kwaaie woorde geven, peinsde ze zorgelijk. Met de eerste konne de ouwelui 'r eigen al niet stil houwe, omdat die naar hullie zin wat te gauw kwam en toch ware we toe al temet een jaar trouwd. En dan de naam. Wat ware ze slecht in 't zin dat Meindert 'm angeven had as Klaas. Volgens vader en moeder had het een Ka- rel weze moeten.

Nou ja .. . dat had ze zelf ok willen, maar daar was Meindert zó over opstoven dat ze er geeneens meer over durfde te praten. Toe het uitkwam dat er een ruim jaar later weer eentje kome zou, toe was het thuis helegaar mis weest. Gelukkig dat de naam van dat kind ze er later gauw mee verzoend had.

En nou kwam er weer één. Wanneer zou het zowat geboren worre? Riek

  telde af. Dat zou dan begin januari 1904 worre.

Wat weer een zorg en een drukte. In het begin van hullie trouwen hadde ze aardig spare kennen, later was dat al minder worren en nou was het helegaar over. Eerst al door de kindere en dan werd het leven zomaar geleidelijk an duurder. Vader moest nodig Meindert zijn loon wat verhoge. Ze zou daar eerdaags moeder maar voorspanne. Als die er d'rs met vader over sprak, lukte dat misschien.

Riek streek even in een lichte liefkozing over de hoofdjes van haar jongens en ging dan zuchtend door met haar werk.

Meindert had evenmin een beste dag, al waren zijn zorgen van heel andere aard.

Na de tegenslag van gister waren ze een paar voet verder opnieuw gaan boren en dat verliep tamelijk vlot met twee man aan de perspomp, één die met de boor rondging en hijzelf die van alles deed wat nog meer bij het werk kwam kijken. Ze schoten vlot door de bovenlaag heen tot ze op ongeveer honderd voet diepte een grintlaag troffen die ook weinig weerstand bood. Maar nu, op honderdtachtig voet in de vaste klei, liep het weer fout en werd het opnieuw wrikken en ploeteren om dieper te komen. Uren en uren waren ze daar nu al weer mee bezig. In al de tijd dat hij dit werk deed was hem zoiets nog nooit overkomen. Er zat hier vast een enorme kei in de grond waar ze nu voor de tweede maal op gestuit waren.

„Toch heb ik er niet veel mee op om nou weer de hele boel uit de grond te halen," mopperde hij in zichzelf. „Wie weet hoe vader Zeeman daar over te keer zou gaan. Net as of zuk hem niet overkome kon. Hij vergeet dan zeker dat ie net zomin daar diep in de grond kijke ken as ik. Maar as het aanstonds weer op geld vangen ankomt, dan is ie wél goed te spreken en as ik een paar nuwe klante anbreng ok. Ja, die ouwe heer zal opheden een lieve duit opstrijken, maar bij hem brengt elk dubbeltje ok zijn gierigheid mee. As ie ons het weekloon uitbetaalt, dan doet ie net of dat zowat zijn leste geld is. Die houding van 'm zit me allang tot hier." En bij deze fluistering bracht hij een vuile, grove werkhand naar zijn eigen keel.

„Zulle we toch nog effies doorgaan manne?" polste hij nu de mening van zijn volk over deze strubbeling.

Die stelden voor het nog een uurtje te proberen. Het was hun immers al meer overkomen dat door het vele water dat aanhoudend in de buis werd gepompt zo'n obstakel tenslotte iets van plaats veranderde en hun vrije doortocht gaf.

„Vooruit dan maar weer," stemde hij toe en liep daarna gewild langzaam de kleine boomgaard waarin ze aan de walkant bezig waren, even door om aan de spanning te ontkomen. Met een licht ploffend geluid viel daar dicht naast hem plotseling een grote suikerpeer in het gras die bij het schudden was blijven zitten en daardoor tot volle rijpheid gekomen. Meindert raapte hem op, bekeek de schil die geen ander letsel had dan een beursplek door de val en zette dan zijn tanden in het smakelijke, sap

  pige vruchtvlees en beet er een groot stuk uit.

„Er is toch maar geen lekkerder peer dan zo'n nadruiper," vertelde hij

zichzelf om dat genot dadelijk weer te vergeten door een paar woorden

die van de walkant tot hem kwamen.

„Nog effies Tijmen . ..! Ik voel dat er meer ruimte komtP

Met enkele lange passen was Meindert weer bij het werk terug en pakte

mee aan. Het was waar. Al borende voelde hij dat ze wonnen en opeens

ging de boor weer verder door zand en slik naar de wellaag die hier op

tweehonderd voet diepte lag.

Intussen was de dag echter verstreken en ging ieder zijn weg naar huis; een weg die voor Meindert een half uur fietsen betekende waar aan het eind ervan Riek hem reeds bij de achterdeur haar vaders boodschap overbracht.

„Wat zeg je mijn daar," viel hij uit. „Moet ik alweer de hele avond in de timmerwinkel staan? Daar prakkezeer ik niet over 'oor. Ik ben geen zeil- schuitje dat zomaar voor de wind afvaart. Zorg jij maar gauw dat ons eten op tafel komt, dan zal ik wel effies met je ouwe heer prate." „Zo, was je daar," begroette die hem zonder van zijn werk op te zien. „Je moete mijn nog een uurtje helpe, want ons volk is naar huis en ik heb nog een klussie dat ik alleen niet best an ken."

„Dan doen je dat morgen maar vader," zei Meindert rustig. „Mijn dag is lang genoeg weest. Voor één of twee keer wou ik je graag helpe 'oor, maar het moet geen gewoonte worre. En zo mooi is mijn dag ok niet weest. We hewwe weer verschrikkelijk moorde moeten eer we op diepte ware." „En ben je daarom nou te loof om mijn nog een tijdje te helpen? Kom nou toch Meindert. . . Jullie met dat materiaal van opheden. Dan moet je d'rs bedenke hoe ik vroeger bij het boren marteld heb. Toe werkte we nog met enkel houten kokers die we in de buize heije moeste. Dat was nog 'rs werken. Maar nou .. .

„Ja vader, dat weet ik allegaar wel," brak Meindert dit af. „Wees maar blijd dat we nou met ijzeren buize werke, want aars ware we vandaag weer geen voet opschoten. We moeste zo krap langs die grote kei dat de krasse er van op het ijzer staan en dat hadde we met hout nooit red." „Ja, dat zal dan wel zo weze," gaf Karei losjes toe. „En zulle we dan nou maar beginne?"

Zijn arm reikte alvast naar één der opzij van hem staande balken.

„Dat doen we niet," bracht Meindert hem in herinnering. „Ik blijf bij wat

ik je zopas al zeid heb. Ik werk vandaag niet meer."

„Dat is wat moois. Mijn eigen schoonzoon die door mijn bedrijf onderhouwen wordt wil daar niks meer voor doen?" loosde Karei iets van zijn snel oplaaiende drift. „As jij zó wille, dan zal het samenwerken van ons gauw uitweze 'oor," dreigde hij er nog vlug achteraan. „Dan mag je van mijn gerust wel ophoepele."

Met een dergelijke uitval had hij de jongen van het begin af aan altijd klein gekregen en dat zou nou ook wel weer lukken. Karei vergat echter dat Meindert intussen de dertig gepasseerd en zelf huisvader was. En dat

  hij van zo'n behandeling wel eens genoeg kon krijgen. „Dan moeste we ons daar verder maar an houwe vader," zei hij, verliet de werkplaats en ging, nog bevend van nauwelijks te bedwingen woede zonder groet naar huis terug.

„Moest je vader toch niet helpe? En hij heb het mijn vanochend zelf nog

zeid?" vroeg Riek met verbaasd opgetrokken wenkbrauwen.

„Ik zei je toch dat ik niet werke maar wel graag ete wil," snauwde hij haar

toe.

„En neemt vader dat?" vroeg Riek fel.

„Dat zal ie moete. Ik ben zo weglopen en kom daar vooreerst niet terug. Is dat nog een leven zo. Alle dage de volle verantwoording voor alles, nooit een blijd gezicht as het 'rs meeloopt, maar wel een schrobbering as het niet zo best lukke wil. En dan 's avonds hier nog een paar lastige karweitjes opknappe. Ik pas er voor," loosde hij zijn ontstemming tegen haar. „Maar dat ken toch niet. Dat mag je toch niet doen," stond Riek haar vader bij.

„Waarom zou dat niet magge?" vroeg Meindert. „Om het tientje in de week dat ie mijn betaalt, terwijl ik honderdjes voor 'm verdien?" „Goed ... ik weet ok wel dat vader niet scheutig is, al denkt ie zelf van wel," bond Riek haastig in. „Maar wat hindert het dat ie wat veel naar zijn eigen toehaalt? Het is later toch alles voor ons."

„Wanneer?" vroeg hij spottend. „Mens, wij kenne voor die tijd zelf wel allang dood en begraven weze. Nee, ik hou hier mee op 'oor." „En wat wil je dan?" snerpte ze hem toe. „We zitte in vaders huis op zijn erf en zou jij dan bij een concurrent van hem werke wille?" „Wie zeidt dat?" vroeg hij terug.

„Wel, ik. Waar wou je aars heen om wat te verdienen? As je maar wete dat ik alle weke geld hewwe moet."

„Dat komt er ok wel. Maar ik heb honger. Geef mijn eerst wat te eten en luister dan."

„Stil maar. Eer jij je wassen en verkleed hewwe is dat wel klaar," hield ze nog steeds dezelfde toon aan, maar ging hem toch voor naar de ongezellige kale keuken waar de tafel voor hen beiden al gedekt stond. Eer hij daarheen ging keek Meindert nog even naar zijn twee jongens die in één van de kamerbedsteden sliepen en trok hun dekens iets hoger op. „Nou dan ... ik luister," bitste Riek zodra hij tegenover haar kwam zitten. „Ja, wacht effies "

Kalm schepte Meindert eerst zijn bord vol aardappels, kool en spek en werkte daar een paar flinke vorken vol van naar binnen voor hij zei: „Zo as het opheden met jouw vader en mijn gaat zint het me allang niet. Ik loop al een hele tijd met de gedachte dat dit verandere moet. Mijn plan is dat ie de zaak splitse moet. En dan elk op zijn eigen. Hij het timmervak en ik het bronneboren." Riek snoof minachtend.

„Dat ken toch niet. Alles waar jij mee werke is van hem."

„Dat materiaal wil ik van 'm hure of nog liever kope, maar dan scheelt het veel wat ie er voor vraagt. Ik wil niet meer betale as het waard is." „Daar gaat mijn spaargeld," zuchtte Riek.

„Ja, daar is het toch voor? De rest hoop ik er bij te lenen. Misschien dat Jan Blank mijn daar wel an helpe wil. Geloof me Riek, ik heb het zo weer terugverdiend. Ik ken bore zoveel as ik maar wil en dan is die winst 'rs voor mijn eigen."

„Maar Jaap Vet is er ok nog. Die loopt een zwart padje naar mense van wie hij weet dat ze wel wat voor brongas voele. En vader hoorde gister nog dat die goedkoper werkt as jullie," waarschuwde Riek. Meindert nam opnieuw, een flinke hap, werkte die weg en zei dan smalend:

„Jaap Vet...? Die buffel? De meeste mense betalen ons liever een paar tientjes meer as dat ze d'r eigen door hem afblafte late. Die kerel ken geen fatsoenlijk woord zegge. Ik behandel de klante netjes en mijn werk is meer dan best. Nee, voor hem ben ik niet bang." „Heb je het al tegen vader zeid?"

„Nee. Die zei zelf dat ons samenwerken maar uitweze moet," vertelde Meindert nu.

„Och kom, zo bedoelde ie het immers niet," wist Riek. „Morgen is die alles weer vergeten. As ie driftig is weet ie zelf niet meer wat ie zeidt." „Maar ik moet het geregeld anhore. Eerlijk Riek, zo as het nou gaat, wil ik beslist niet langer werke. Dit karwei maak ik tot het leste toe af en dan is het uit. Ik had hoopt dat jij nou d'rs naast mijn staan zouwe en niet naast je ouwelui."

Verbluft keek ze hem aan. „Doen ik dat dan?"

„Altijd en met alles. Nou met dit kind ok weer. Hullie vonde eentje genoeg voor ons. De tweede ... nou ja dat mocht dan nog omdat we dan je vader of je moeder vernoeme moeste. Maar deze derde ... daar heb ik al wat over opvrete moeten. En over heel wat aare dinge ok." „Toch vind ik dit niet mooi tegenover vader en moeder die zoveel voor ons daan hewwe."

Na deze woorden van haar zweeg Meindert maar en besloot om dan alleen en zonder haar steun deze nieuwe weg in te slaan. Het eenzame pad van een slecht bespraakte man met weinig geld en een sterk minderwaardigheidsgevoel. Hij had alleen maar zijn zo dikwijls gekrenkte trots die ook nu weer heel wat had te verduren gehad door de woordenstroom die hij van zijn schoonvader te slikken kreeg eer de scheiding van hun werkzaamheden goed en wel op papier stond. Al het materiaal, van de grote ijzeren schuit tot de paar meter gewapende slang, moesten op hun waarde geschat en tot de laatste cent betaald worden. Gelukkig had Meindert niet vergeefs op zijn moeders buurman gehoopt, want Jan Blank was de man die het ontbrekende bedrag aan hem lenen wou. Maar wat die gang naar de grote boerderij hem gekost had . ..

  „En dan wil ik verder iedere week mijn huishuur vange," bedong Karei nog tot slot.

„Die krijg je 'oor vader," beloofde Meindert, al wist hij nog niet eens waarvan zij zelf de eerste paar weken moesten leven en waarvan hij zijn arbeiders betalen moest.

„Ik denk dat ik maar een voorschotje an mijn klante vraag," peinsde hij overluid zodra hij zich zelfstandig wist. „Maar dat staat mijn wel puur hoog. Zuk geeft zo weinig vertrouwen an de mense." „Maar je wouwe dit toch zelf," hield Riek hem voor. „Zuk had je eerder bedenke moeten. Je hewwe wel een mooie berekening maakt toe je hier an begonne. En hou er ok nog effies rekening mee dat ik, as deze week om is, geen cent meer in huis heb 'oor. Dus je hewwe maar te zorgen dat er voor mijn dan weer een tientje komt, aars vraag ik het an vader en moeder."

„Dat laat je! BegrepenP viel hij woedend uit.

„Je moete aars niet denke dat ik op de pof leve wil 'oor. Jij magge daar dan misschien niet om geve, maar ik ben zo'n armeluisleven nooit wend weest," wierp ze hem zijn afkomst voor de voeten. „O ja," schoot haar tegelijk in gedachten. „Er is vanmiddag een buurjöön van je moeder weest met de boodschap dat je vader weer d'rs slecht steld is." „Vader slecht... T Meinderts gezicht verschoot van kleur. Moeder zou geen bericht sturen als zijn komst niet beslist nodig was. Ze wist hoe druk hij het had.

„Och, trek je het toch niet an. Het zal wel weer net zo weze as de twee vorige kere dat we zo'n bericht krege," meende Riek. „As die ouwe man wat benauwd is, dan denkt je moeder dat ie dadelijk maar doodgaat ok." Meindert ging hier niet eens op in. Bij Riek deugde tegenwoordig vrijwel niets van wat hemzelf aanging. Ze had deze keer wel een erg kwaaie dracht. De twee vorige keren was ze nooit zó prikkelbaar geweest. „Ik gaan er toch maar effies naar toe," zei hij met duidelijke bezorgdheid in zijn stem. „Het mocht 'rs erger weze as jij denke." Zo fietste hij weer eens de weg naar huis die hem bijna vreemd geworden was. Hij ging langs de herberg, het raadhuis en de kerk van Buitenvaart die hem nooit eigen zouden worden en dan langs het huis van Nardus Leeuw dat hij wel wegkijken kon om de verwarrende herinneringen die het hem nog steeds gaf, al had hij Zwaantje na zijn trouwdag nooit meer gezien. Maar goed ook. Aanzien doet gedenken en hij wenste geen van beiden.

Eenmaal op de Ouweweg namen de zorgen weer al zijn gedachten in beslag tot die in Breewoud weer afdwaalden naar de stolp van Arie Zeilemaker waarin nu een jong stel woonde aan wie Arie kort na de dood van Dolf zijn spul had overgedaan.

„Hij en Mie wone nou zelf verderop in dat renteniershuis van Pieter Blauw," had moeder hem eens verteld. Die Pieter moest dan Aries schoonvader zijn geweest en al zolang dood dat hij zich zijn bestaan nauwelijks meer herinneren kon. „Hendrik Zeilemaker zit nou heel in Over-

 

ijsel," had ze ook nog gezegd. „Die heb daar een baantje as reiziger in win- kelware en hij is al trouwd ok."

Hij ging verder langs meer bekende plekjes en het deed hem goed om die op een sombere avond als deze weer eens te zien. Het kerkje met de pastorie, die iets naar achter gebouwd in een mooie tuin stond, de school en de onderwijzerswoning, die hem zijn huidige gebrek aan zakelijke kennis in gedachten bracht en dan eindelijk het Wilgenpad met tussen de twee andere huizen dat van zijn vader en moeder, waarvan de ramen nog onbedekt waren. Heel deze weg langs lag heel diep in hem de angst verscholen, dat die als teken van rouw met witte lakens zouden zijn afgeschermd.

In huis gekomen vond hij de toestand van Klaas zorgelijk en Iske gaf dit toe

„Vader slaapt nou gelukkig een tijdje, maar ik geloof niet dat ie hier meer bovenop komt," zei ze bedrukt. „Zo bar as nou is ie nog nooit weest. Daarom heb ik je maar effies waarschuwe laten. En hoe is het met Riek en de kindere?" vroeg ze dan. „Goed."

Hij vertelde iets over zijn zoontjes en dan, een beetje nors, over de verwachting van Riek.

„Och mijn jöön, dit kind komt ok wel weer groot," suste ze zijn lichte ergernis. „En hoe is het met het werk? Nog altijd druk?" „Ja ... mijn werk ..."

Meindert speelde even met het deksel van de houten tabakspot dat hij voor zich op de tafel liet ronddraaien tot het hem plotseling in gedachten schoot dat zijn vader met de inhoud van die pot wel nooit meer zijn geliefde pijp stoppen zou. Toen zette hij het deksel er weer op en liet zijn vingers als in een liefkozing langs het gladde hout glijden. „Kijk moeder, het zit zo ..."

In een behoefte zich eens helemaal uit te spreken vertelde hij Iske alles over zijn plannen, de breuk met zijn schoonvader, de hulp van Jan Blank; en ook hoe hij er nu zelf voorstond. Hij zag hoe ze meeleefde met wat hij zei en ook hoe ze bij het slot van zijn verslag het voorhoofd fronste. „En nu ben ik zomaar bang dat ik op het verkeerde paard wed heb," bekende hij haar en zichzelf. „Mijn nagels benne nog te kort om dit te beginnen."

„Waarom?" vroeg Iske. „Moet je dan nog een heleboel geld hewwe?" „Het is net wat je een heleboel noeme," zei hij. „Voor mijn is het dat op- heden wel. Zo'n tweehonderd gulden vind ik een heel kapitaal." Iske keek een hele poos peinzend naar het verkleurde gebladerte van de wilgen en hoge vlierstruiken aan de walkant van haar erf. „Ik heb Dolf zijn geld nog," mompelde ze dan meer tegen zichzelf dan tegen hem. „Maar ik weet niet of dat wel genoeg is." „Had die dan geld?" vroeg Meindert vol ongeloof.

„Toe hij nog leefde en zoveel verdiende, toe deed ik op zaterdagavond elke hele gulden die nog in mijn knip zat in een ouwe suikerpot. Dat geld

 

bewaarde ik voor hem, voor later as wij er niet meer weze zouwe. Dan kon ie zijn eigen de eerste tijd een beetje zelf redde as jij het voor 'm beheerde."

„Maar toe Dolf weg was moeder, moest jullie het toe zelf niet gebruike?" „Niks 'oor. Het is toch zijn geld en daar wou ik niet ankome. Maar jij benne zijn broer en as Dolf dit van je wist zou ie er jou vast graag mee helpe." „En weet je niet hoeveel het is?"

Wel niet veel, dacht hij meewarig toeziend hoe Iske het kabinet openmaakte, van achter een stapeltje keurig gemangelde slopen een klein trommeltje nam, dat midden op tafel zette en uit de tafella een klein sleuteltje zocht.

„Toe het wat veel werd heb ik 't hier in daan," zei ze. „Dit ding ken op slot en dat vond ik veiliger."

„Moet ik het openmake?" vroeg hij aarzelend. „Doen jij dat niet liever zelf?"

„Dolf zijn geld? Nee, ik ben daar, na dat ie doodgaan is nooit meer ankomen."

Dus zoveel betekent hij nou nog voor moeder, dacht Meindert. Ja, Dolf was altijd haar lievelingskind. Ik hoorde meer bij vader. Hij nam het trommeltje in zijn handen en verwonderde zich over de zwaarte er van. Moeder met 'r guldens ... het zou wel grotendeels rooie loop weze wat er in zat.

Toch draaide hij haastig het sleuteltje om en boog zich even later ademloos over de inhoud. Zilver, alles zilver. Er zaten zelfs een paar rijksdaalders tussen.

„Hebbe jullie het wel d'rs teld?" vroeg hij opziend.

„Nooit. Dan moeste we zo erg rekene. Daar kwame we nooit uit," bekende Iske.

Meindert deed dat wel. En toen alles wijd uitgespreid voor hem lag wist

hij zijn zorgen voorlopig van de baan. Tenminste ...

„Mag ik dat allemaal gebruike, moeder?" wou hij zeker weten.

„Niet alleen gebruike ... je houwe het maar."

„En vader dan? As die weer opknapt en dan hier niks van weet?"

„Die héb hier nooit wat van weten. Vader had nooit zoveel zorge om je

broer as ik. Hij rekende er vast op dat jij hem later wel bij jullie in huis

neme zouwe."

Meindert vroeg niet verder. Hij zag in een flits zijn huiskamer, zichzelf met Riek en hun kinderen en daartussen Dolf die hier bij moeder altijd nummer één was geweest, het kind waar alles om draaide en die bij hen nooit anders kon zijn dan een vijfde wiel aan de wagen waar weinig rekening mee gehouden werd. Riek zou voor hem hebben gezorgd, lichamelijk was hij misschien niets tekort gekomen, maar het zou voor zijn simpele geest moeilijk geweest zijn haar dikwijls zo scherpe uitvallen te verdragen. Dat ze daar niets van meende en het zich onbewust liet ontvallen, zou Dolf nooit begrijpen. Hij zou dwars geworden zijn. Stout, zoals moeder dat noemde. En dan ...

 

In zijn overdrukke leven van de laatste jaren had hij enkel maar gedacht dat aan vader en moeder met de dood van Dolf ook de kostwinner hen ontviel, doch aan wat hij er zelf bij won of verloor had hij nooit stilgestaan. Nu deed hij dit wel met in zijn hart een grote dankbaarheid voor wat hen allen daarmee bespaard gebleven was.

Iskes waakzame ogen zagen eensklaps dat Klaas zich even bewoog en in hetzelfde moment boog ze zich reeds over de bedsteerand. „Vader, moet je wat? Heb je soms dorst? Meindert is er," riep ze zacht en toch dringend. Doch Klaas hoorde niets en sliep hijgend verder. Meindert kwam naast haar staan.

„Hoe heb je dit 's nachts, moeder?" bedacht hij nu met schrik. „Gaan je er dan af en toe uit om te kijken?" „Nog wel ja."

„En as het erger wordt? Zal ik dan maar kome om te waken?"

Met zorg dacht hij aan al het werk dat wachtte en nu al reeds meer tijd

vroeg dan hij er aan geven kon.

„Dat is erg mooi anboden, maar het hoeft niet 'oor. De buurvrouw van hiernaast heb al anboden om mijn alle hulp te geven die dan nodig is. Wel heb ik graag dat je alle avonde effies ankome. Ik zou zo graag wille dat vader je nog een keertje zag, al zal er van praten wel niet veel meer kome. Zal je dat doen?"

Hij beloofde het en keek dan nog een hele poos naar het uitgemergelde gezicht van de man die meer van hem gehouden had dan van iets ter wereld.

Terug bij de tafel bleef hij staan en keek nog eenmaal naar het er op uitgetelde geld dat in ruiten voor hem lag.

Dit was een grotere gift dan hij ooit van zijn schoonouders ontvangen had. Van hen kon hij huren, lenen en kopen, maar gegeven was niets. Er werd van hem genomen aan tijd en aandacht. „Hoe moet ik je bedanke moeder?" zei hij stil.

„Dat hoeft niet 'oor. Wat van Dolf kwam is ok van jou. Hier ..." ze reikte hem een katoenen zakje toe, „hier heb je mijn nuwe broederzak, doen het daar maar in en geef het ding later an Riek. Ik zal voortaan wel met een kleiner zakje toekenne."

Het waren niet deze woorden, het was de toon waarop ze gezegd werden die Meindert er toe dreef om met meer aandacht dan anders naar zijn moeder te kijken. Iske stond juist in het volle licht dat de laagstaande zon door het enige raam de kamer in zond. Moeder ziet er slecht uit, zag hij nu. Ze is altijd erg flink, maar hoe zal ze hier doorheen kome? Eerst Dolf, hoewel die zijn dood haar feitelijk rust geve moest; en nou vader. Ik weet maar van weinig huwelijke die zo mooi en zo goed ware as die van hier thuis. Zo had ik mijn eigen leven ok graag hewwe willen. Maar een mens wil soms zoveel. ..

Thuisgekomen trof hij Riek nog in de keuken aan waar ze rustig zat te breien.

 

„Waarom ben je niet te bed gaan?" zei hij met licht verwijt in zijn stem. „Jij moete deze tijd goed op je eigen passé 'oor."

„Dat doen ik ok," beloofde ze. „Maar ik wou op je wachte om te horen hoe het met je vader is. En ik heb nog koffie voor je bewaard." Hoewel hij daar weinig trek meer in had nam Meindert dit toch aan om haar goede bedoeling niet te kwetsen. Riek rolde nu vlug haar breiwerk op en schonk voor hem in, ondertussen zijn verslag over de toestand van haar schoonvader beluisterend.

„Zeg, ik heb er zopas over dacht om morgen onder konkeltijd maar effies naar huis te gaan en dan vader ronduit wat geld te leen te vragen," ratelde haar stem er plotseling tussen door. „Nou jij dit toch eenmaal begonnen benne, moet je doorgaan kenne ok."

„Dat vind ik erg lief van je," prees Meindert haar plan. „Maar gelukkig ken ik je die moeite bespare. Ik heb het geld al. Meer as honderd daalders an zilvergeld."

Met een triomfantelijk gebaar haalde hij het zakje uit zijn jas en zette dit met een bons op de tafel.

„Waar heb je dat vandaan? Je zouwe toch enkel naar je moeder? Of ben je ok nog naar Jan Blank gaan?" vroeg Riek verbaasd. „Nee, moeder kon me er zelf an helpe."

„Heb je dan daar je nood zitte te klagen?" verweet ze hem in een jaloers vermoeden. „En dan je moeder... hoe komt dat mens an zoveel geld? Dan had ze de armekas niet nodig had. En hoe moet het terug?" „An mijn moeder hoef ik niks terug te geven," zei hij ruw. „Ik heb dit geld van d'r kregen. Het is genoeg om an jou en mijn volk een paar keer jullie weekgeld te betalen en verder voor wat lopende uitgave. Voor alles wat het bedrijf angaat krijg ik wel een paar maande krediet van mijn leveranciers en bij dat heb ik wel zoveel ontvangen dat ik de zaak an de gang houwe ken. En wat dat geld van moeder angaat.. ."

Hij vertelde over Dolf, Iskes plan voor hem en wat zijn vader voor diens toekomst verwachtte.

„Dan heb de man verkeerd dacht," bekende Riek ronduit. „Het had hier met Dolf nooit goed gaan. Ik heb geen geduld voor zukke mense." „Maar stel je nou 'rs voor dat wij zelf zo'n kind hadde of krijge? Dat ken toch. Hoe moest het dan?"

Riek vouwde haar handen in de schoot en dacht een hele tijd na over die mogelijkheid en zijn gevolgen, terwijl Meindert zijn koffie dronk en het geld in de kast opborg.

„Dan zou ik het lere," wist Riek eindelijk heel zeker. „Dan zou dat zomaar kome met alle dage een klein beetje meer. Zo as dat kind groeit zou mijn begrip er voor ok groeie, net zolang tot ik er alles van verdrage kon. Maar zuk waait je zomaar niet an. Tenminste niet voor een man as Dolf die al veertig was. Eerlijk Meindert, hoe erg het ok klinkt, die had later naar het armehuis moeten 'oor."

Zou Zwaantje Leeuw er ok zo over dacht hewwe? dacht Meindert onwillekeurig.

 

Van toen af kreeg Meindert het zo druk dat hij nauwelijks de tijd vond zijn vader mee te begraven, toen die kort na zijn zo belangrijke bezoek aan Iske overleden was.

Hij trok van erf naar erf, als het enigszins kon liet hij zijn arbeiders het materiaal, dat zo'n zevenduizend pond woog, per schuit vervoeren. Dan kostte het hem enkel wat werkuren. Ging dit niet, dan moest er een vrachtrijder komen die met twee paarden voor een extra zware wagen alles in één keer op zijn nieuwe bestemming bracht. Diens loon beschouwde hij dan als zijn eerste schade op dit karwei, want voor zoiets durfde hij maar weinig in rekening te brengen. Hij vond de ongeveer tweeduizend gulden die een brongasinstallatie moest kosten evengoed al een hele prijs. Zo gingen de jaren en het werd 1906. De weinige keren dat Meindert zijn moeder opzocht, vertelde zij hem de nieuwtjes uit het dorp, al interesseerden die hem weinig meer. Wat had hij er aan dat Dirk Veer en zijn vrouw een zoon hadden en Hendrik Zeilemaker die nog steeds ver weg in Deventer woonde een dochter? Was dat bij hen maar zo geweest, maar niets daarvan. Riek beviel weer van een jongen. En veel plezierige herinneringen had hij niet aan de geboorte van dat kind, omdat vader en moeder Zeeman, die zo boos weest ware toe ze wiste dat ie kome moest, later nog ruzie en kabaal maakte over de naam die hij kreeg. Voor hem sprak het vanzelf dat de knaap Rudolf heette zou. Het was zijn beurt om te vernoemen en Dolf was zijn enige broer weest. Maar nee... volgens zijn schoonouwelui moest oom Wiggert vernoemd worre. Die had zelf geen kindere en wel aardig wat geld. Je kon nooit wete... Hij was er niet op ingegaan en had het kind de naam Rudolf gegeven. „En as ie dan van jou beslist geen Dolf hete mag dan noeme we hem maar Ruud," stelde hij later aan de zielig huilende Riek voor. „Ruud..." fluisterde ze als proefde ze de letters stuk voor stuk. „Dat klinkt deftig zeg. Late we het zo anhouwe."

Maar die naam was voorlopig ook het enige mooie aan het slechtgroeien- de, kleurloze ventje.

Nacht en dag met zijn werk bezig vond hij tijd noch aandacht voor zijn gezin en voor de rest van de familie nog minder.

Wel voor Jan Blank toen die hem op een dag berichtte dat de nieuw te bouwen zuivelfabriek uit Breewoud van gas en water moest worden voorzien en of hij daar eens over wou komen praten.

„Zo'n karwei..." prevelde hij. „Wie zou dat niet wille? As ik maar wist hoe ik dat beklare moet bij al het werk dat ik heb. Ik ken het eigelijk niet eens uitvoere en ik wil het toch niet weigere ok. Iedereen schreeuwt tegenwoordig om gas en wil dadelijk maar holpen worren. Kon ik maar d'rs een tijdlang met twee stel werke. Maar ja . . . daar komt meer voor kijken."

 

Thuis en bij zijn schoonouders sprak Meindert nooit over tegenslag bij het werk of de moeilijkheid om dit tijdig op te leveren, doch na zijn bevredigend bezoek aan het bestuur van de kaasfabriek, luchtte hij zijn hart wél tegen moeder Iske.

„As ik een compagnon krijge kon die wat van boekhouwen en al die schrijverij af weet en die ok nog een beetje geld heb, dan was al mijn zorg weg," zei hij ronduit. „Niet dat ik zo op die kaasfabrieke steld ben 'oor. Om de weerlicht niet. Ze beneme mijn al meer de kans om naar het koelwater te boren dat de zelfkazende nodig hewwe om hullie melk in te bewaren. Maar nou het toch zo is, wil ik hier ok wel een graantje van mee- pikke."

„Een man met verstand en geld..." peinsde Iske. „Je zegge nogal wat. Waar vind je zo'n kerel?"

Ze schonk nog een keer thee voor hem in en schoof wat met haar handen

over het tafelkleed waarop totaal niets viel weg te vegen.

„Zou jij niet 'rs met Arie Zeilemaker prate," stelde ze tenslotte voor. „Die

helpt wel meer mense met raad en daad. As jullie daar bezig benne zal ie

ok wel d'rs kome te kijken nou ie niks meer om hande heb."

„Arie Zeilemaker.. ." Meindert zag er niet veel in. Nou ja, raad kon die

hem misschien geve, maar verder... Enfin, als het zo uitkwam zou ie

toch zijn best maar doen. Je wist nooit hoe een koe een haas ving.

Arie liet niet lang op zich wachten toen de boor eenmaal in de grond zat

en hij vroeg bijna meer over het werk dan Meindert tijd en lust had om te

beantwoorden, tot ze eens samen alleen waren en die het waagde om

openlijk over zijn probleem te praten.

Arie knikte bedachtzaam.

„Ik zal er d'rs over denke, misschien weet ik wel wat," beloofde hij vaag. „Ben jij hier zowat alle dage?" „Ja, voorlopig wel." „Mooi zo."

Arie vertrok weer en liet Meindert achter met weinig hoop dat deze kleine, oude man hem van dienst kon zijn. Dit weinigje laaide echter hoog op toen Arie nog geen maand later tegen hem zei:

„Zeg, jij moeste ankomende zondagmiddag 'rs bij mijn kome te praten Meindert. En neem dan meteen al de boeke en paperasse van je bedrijf effies mee. Onze Hendrik heb wel d'rs zeid dat ie van werk verandere wil en dit is net wat voor hem. As jullie dat samen rooie kenne, ben je met mekaar red."

Hendrik Zeilemaker? Een mijnheer die op de hogeburgerschool lopen had en nou alle dage met het knappe pak an op reis ging; en die zou zijn compagnon worre? De schrijverij... ja, dat zou ie best redde en met volk kon ie vast ok wel omgaan. Maar verder ...

Toch moest ie het maar doen. Niks had je al en dit kon altijd nog wat worre.

Zo zat hij op een zondagmiddag naast Arie met Hendrik tegenover zich en gaf tekst en uitleg van al zijn hebben en houwen.

 

Riek was er niet voor geweest.

„Je lijke wel gek om voor die lui je hele gat bloot te leggen," waarschuwde ze boos. „Het wordt immers toch niks met die snoeshaan." En hij had haar wel een klein beetje gelijk geve moeten. Maar nou niet meer. Die Hendrik had al zijn zake zó door en ook de mogelijkheden die er in zate.

„En as ik jullie dan met wat geld help is de zaak rond," beloofde Arie. Ja... Arie... dat doodgewone turfboertje. Hoe was het mogelijk. Wat had ie wijs daan met moeders raad op te volgen.

„Dit had al een paar weke eerder beure kennen," vertelde Mie nu. „Mijn man had er Hendrik al over ansproken, maar vlak er op is die zijn vrouw

onverwachts overleden en daarvan moest dit plan nog wat opschort wor- »

re.

Had Hendrik zijn vrouw verloren? Verwonderd keek Meindert de grote, knappe vent tegenover hem eens aan. Die zag er helemaal niet uit als een rouwende weduwnaar.

„Ja, dat is een erge klap voor ons," ging Mie door. „Ik had er al zo'n zin an dat ie met Klara en de kleine meid hier in het dorp zou kome te wonen. Nou blijft het kind voorlopig maar daar en Hendrik trekt bij ons in. Later zien we wel verder."

Dat later interesseerde Meindert weinig. Het heden was hem allang mooi genoeg en opgewekt fietste hij tegen de avond naar huis terug. Een nog wel druk, maar zorgenvrij leven lag voor hem nu Hendrik al de beslommeringen, die hem tot een last waren geworden, op zich nemen zou. En Hendrik wou meer. Veel meer. Doch wat dit ook was, hij hoefde zich er niet meer mee te bemoeien. Zijn taak bleef het werk zelf en dat kon hij best aan.

Wat was het plezierig in die kamer van Arie en Mie. Je voelde je er even thuis als bij moeder. Riek had er nooit slag van om zo'n geheel te krijgen. Bij haar leek er wel nooit warmte in huis, ook al brandde de kachel of al scheen de zon kamer en keuken binnen. Waar dat verschil in zat viel moeilijk te zeggen. Bij iedereen stond een tafel, stoelen, een kast en nog zo dit en dat wat er in hoort; gordijnen en vloerkleden mochten wat in vorm en patroon verschillen, maar dat maakte toch ook niet zóveel uit dat je jezelf er anders door voelde. Waren het misschien de kleuren? Meindert wist het niet en zoveel scheelde het hem ook niet eens. Hij was toch maar zelden thuis en dan was het te vroeg of te laat om veel aandacht aan je omgeving te schenken. Dat weinigje gaf je dan liever aan de kinderen als ze niet in bed lagen als je thuiskwam. Vooral de oudste en de jongste waren zijn trots en glorie. Leuke, ondernemende knulletjes, niet mooi, maar heerlijk gezond.

De tweede ... ja, wat moest je daar als vader van zeggen. Die was van binnen en van buiten heel anders dan Klaas en Ruud. Zo blond als die waren, zo donker was hij, een mooi kind om te zien, maar thuis bar stout en ongezeglijk. Zou dat misschien komen omdat hij bij Rieks ouwelui zo hevig verwend werd? Daar mocht Kareltje alles en kreeg hij alles. Uren

 

speelde hij bij vader Zeeman in de werkplaats, want de ouwe heer had beslist dat de jongen, net als hijzelf, ook timmerman moest worden en daarom bij dit werk moest opgroeien. Naar de andere twee keken ze zelden om en die voelden zich daar ook heel niet thuis. Die leefden liever hun eigen leventje dat nog weinig van hun latere ambities toonde. Riek regeerde ze met straffe hand en daar was hij blij om want zelf kon hij weinig aan hun opvoeding doen.

Thuis wachtte Riek hem al op met het avondbrood dat voor ieder gereed stond.

„Ik gaan aanstonds eerst maar naar je ouwelui om over het samengaan van mijn en Hendrik te praten," zei hij toen zij daar alles van wist. „Dan is het maar beurd. As ze het van een aar hore moete is ok niet mooi en je wete nooit hoe gauw zuk rondgaat."

Riek vond dit ook en het werd een ongewoon gezellige maaltijd. Ze hadden elk een kind naast zich en de kleine Karei zat recht voor de tafel. Zo, in het volle lamplicht kon Meindert ieder trekje van het smalle, levendige gezichtje bekijken. Hij lijkt op mijn moeder, zag hij nu. Hetzelfde gezicht en haar. Alleen zijn ogen benne aars. Ze hewwe niet van dat glinsterende donkerbruin in de appels, dat is bij hem een soort grijs met donkere stippeltjes er doorheen. Maar van wie hij zijn aard heb, dat is voor mijn een raadsel. Met die kleine rakker ken Riek nog heel wat beleve. En ik uiteindelijk ok as ie wat groter wordt.

Als om daar al iets van te bewijzen keerde Kareltje, ondanks het verbod van zijn moeder, zijn kroes thee zover om dat de inhoud over de rand op zijn kleren terecht kwam. Boos plukte ze hem van zijn stoel en gaf hem een pak op zijn broekje waarna hij zachtjes huilend het overblijfsel van een speelgoedpaardje opzocht en daarmee in een hoekje van de keuken ging zitten.

„Zo, die heb zijn portie," zei Riek en ze ging weer verder met haar boterham.

„En ik krijg 'm aanstonds," verwachtte Meindert het oordeel van zijn

schoonouders.

Dat was dan ook niet mals.

„Het is meer dan stom van je," viel vader Zeeman uit, toen Meindert hem alles verteld had. „Welke man die zo'n bedrijf heb geeft zomaar het heft uit hande. An een wildvreemde nog wel. Wat weet jij van die kerel af? Niks, totaal niks. En met zo'n eentje gaan jij in zee. As ik dit vooruit weten had, dan had jij dat werk nooit van me loskregen." „Nou vader ... kregen ... is dat niet een beetje aars gaan?" „Hoe dan ok, ik had het niet an je afstaan," bond Karei in. „Maar nou ken ik met twee ploege werke en ik heb verder niks geen rompslomp meer," bepleitte Meindert zijn besluit.

„Juist. En je ziene ok naderhand gebeuren, dat as het op afrekenen an- komt, Hendrik Zeilemaker om elf uur eet en jij om twaalf," hield Karei aan.

„Waarom heb je hier eerst niet 'rs met ons over praat? Je hewwe toch al

 

wat je worren benne an vader te danken. Jij benne zo gezeid bij ons groot komen en nou doen je zo," verweet vrouw Zeeman hem nu zijn zwijgen over wat hij deed.

Er werd nog veel meer gezegd. Het was weer het oude verhaal over zijn afkomst tegenover die van hun dochter en over hun goedheid jegens hem. Laat ik mijn maar stilhouwe, bedwong Meindert zichzelf, al steeg een opbruisende woede hem tot in zijn keel en klemden zijn handen zich tot vuisten. Van hullie kant bekeken ziet dit geval er misschien wel aars uit as uit die van mijn. As ik het hier tot ruzie kome laat wordt mijn hele huishouwen het slachtoffer er van, al hewwe Riek en de jööns er niks mee te maken. Zij zit dan met recht tussen twee vure. Ze wil mijn niet afvalle maar 'r ouwelui evenmin, dat benne bij haar altijd nog de mense die alles wete en regele moete voor ons. En we wone ok veels te dicht bij mekaar. Zo gauw as ik een paar eigen cente opspaard heb moet dat aars worre. Dan laat ik wat verderop een mooi huis voor mijn eigen zette met een grote schuur er bij voor mijn spulle. Och ja ... ónze spulle zulle het nou voortaan worre as onze maatschap bij de notaris beschreven is.

Dit vooruitzicht bracht hem er toe zich te ontspannen en heel bedaard tegen zijn schoonmoeder te zeggen:

„Hoe is het eigelijk? We kenne mekaar wel een heleboel zitte te vertellen, maar ik wou daar graag een kopje koffie bij hewwe, moeder." Verbluft keek ze hem aan. „Koffie?"

„Ja koffie. En vader ok. Die heb bij dat een droge keel van het praten. En dat geeft nou toch niks meer."

„Nee, dat doet het ok eigelijk niet," moest ze toegeven. „Allee, late we het dan verder maar afdrinke," vond hij. „Kwaad weze is menselijk, maar kwaad blijve is duivels. Dank je wel moeder," nam hij het kopje uit haar handen. „Ik krijg tegenwoordig overal koffie, maar zo lekker as die van jou drink ik het maar zelden. Bij mijn vrouw krijg ik die geeneens."

Dit complimentje brak de spanning. Karei, gauw kwaad en snel weer goed, vroeg naar het welzijn van Arie Zeilemaker en Mie en dan naar Hendriks omstandigheden. Meindert vertelde wat hij daar van wist en dan verbaasden ze zich alle drie over het bedrag dat die sobere Arie zomaar aan hem en Meindert aanbood.

Nadien ging alles goed. Ongelofelijk goed. Meindert fietste voortdurend van het ene werkterrein naar het andere, gaf er zijn orders en werkte daarna een poos hard mee. Hendriks welbespraaktheid en diens zakelijk inzicht werden bewaarheid in het gestadig groeiend winstaandeel van hen beiden. Van het zijne ging geregeld een deel in de huishouding op, maar Hendrik, die nog steeds bij zijn ouders inwoonde had weinig onkosten. Meindert kwam daar af en toe wel eens. Soms voor een korte afspraak in het kantoor dat Hendrik daar voor zich had laten inrichten, maar meestal in de kamer waar Doortje, het vriendelijke dienstmeisje, hem altijd wel

 

iets te eten en te drinken bracht. Dat was een handig ding ontdekte hij al gauw, ze had in haar manieren wel iets van Zwaantje Leeuw, al leek ze hem minder meegaand toe. Een paar trekjes om haar opvallend rode mond wezen op een sterker karakter.

Zwaantje... hoe zelden dacht hij meer aan haar. Hij had daar evenmin tijd voor als voor andere bijkomstigheden. Het werk ging immers voor alles. Toch ... soms ... als hij 's avonds zijn arm bij Riek om haar schouders sloeg en zachtjes aan haar vroeg of ze nog altijd een beetje van hem hield, dan dwong haar fel oplaaiende begeerte hem dikwijls tot een onbewust verlangen naar Zwaantjes bedeesde overgave aan zijn wil. Bij haar had hij zich altijd de meester van hun hartstocht gevoeld, doch bij Riek wist hij zich slechts de dienaar.

Na de vluchtige ontmoeting aan de vooravond van zijn huwelijk had hij Zwaantje nooit meer gezien. En van haar gehoord had hij enkel doordat Riek terloops eens vertelde dat ze met iemand uit Hoorn getrouwd moest zijn. Meer wist zij er blijkbaar ook niet van. Door wie zou ze het ook, nu Zwaantjes moeder overleden was en haar vader en broer vertrokken. Zelfs hun huis was gesloopt. Er restte je geen andere herinnering meer dan het lege erf dat nu te koop was.

Het zou niks gek weze as ik dat terreintje voor een zacht prijsje in hande wist te krijgen, hield Meindert zich voor. As ik dan naderhand an een nuuw huis toekom leidt de grond er al voor klaar. En ik moest dat eers- daags maar doen voordat een aar mijn te gauw is en er mee strijken gaat. Onder het langsgaan bekeek hij het stukje erf dat in hem zoveel herinneringen opriep. Daar was het poortje dat hij vroeger zo geruisloos kon openen, het brok heg waarin hij zijn fiets verborg, de rechthoek met daarachter het kleine vierkant waarop nog de indrukken van de woning en Zwaantjes slaapkamer zichtbaar waren.

Hoe lang was het al geleden dat hij hier kwam? Al wel tien jaar want hij was nou zesendertig.

De grond was het eigendom van Steven Spruit wiens boerderij aan de overkant stond. Daar zal ik dus binnenkort maar d'rs heengaan as Riek er net zo over denkt as ik.

En dat deed ze. Ze zag het huis al staan; groot en deftig zoals het straks bij hun stand moest passen.

„En as je het kocht hewwe, kenne we dat terreintje voorlopig best nog een paar jaar an een tuinder verhure, dan hale we de laste er nog mooi uit," vond haar praktische aard dadelijk uit. Meindert glimlachte. Zover had hij nog niet eens gedacht. Nog diezelfde week fietste hij op een avond na zijn werk naar Steven toe. Het was in de vroege herfst én hij trof de familie nog aan in hun zomerverblijf op de koegang. De ouders in hun eigen hoekje bij het raam, de meid en twee van de kinderen zaten mee aan de tafel en de jongste drie speelden op de overdekte goot waar 's winters de koeien uit dronken. Na de begroeting en een paar opmerkingen over het weer zei Steven al spoedig:

„As je hier over brongas kome te praten ken je je gang wel weer gaan 'oor Meindert," welke opmerking een algemeen gelach veroorzaakte omdat dit ongeveer de woorden waren waarmee een meisje haar niet gewenste vrijers blauw gaf.

„Nee, daar kom ik niet voor en ik wil graag nog een tijdje blijve. Ik kom voor heel wat aars. Dat gas neem je wel as er d'rs een paar jööns van je trouwd benne," zei Meindert. „Dat hoekje grond an de overkant, is dat nog te koop?" „Ja, dat is het nog al."

„Daar hew ik wel zin an as het niet teveel koste moet." Dit viel mee en na wat heen en weer gepraat werden ze het eens. Hierna volgde nog een gezellig gesprek waaraan ook de oudste twee zoons nu deelnamen. Flinke, knappe jongens zag Meindert, hij hoopte dat de zijne ook zo werden. Vooral Marten, de jongste trok hem bijzonder aan.

„En nou moet je de volgende week eerst maar bij de weduwe Hoefnagel aan de gang," besliste Hendrik de volgende middag. „Ik heb het daar ook voor elkaar gekregen. Alles moet er prima in orde komen." Dat Hendrik er meer voor elkaar kreeg ontdekte Meindert al gauw aan Gonne Hoefnagel, de al wat ouder wordende dochter daar, die in het dorp al voor een oude vrijster werd aangezien. Hendrik was of kwam aanhoudend bij het werk of in de boerderij en waar hij was kwam Gonne ook dadelijk even kijken hoewel haar ogen uitsluitend Hendrik zochten. Het verbaasde hem dan ook niet toen die hem kort daarop vertelde dat ze gingen trouwen. Wat hem wél verbaasde was Hendriks blindheid voor het aardige dienstmeisje dat hem heel wat aantrekkelijker voorkwam dan de veeleisende Gonne. Maar ja, die had een massa achterland en dat Doortje misschien geen stuiver. Hoe zwaar zoiets weegt wist hij uit ervaring. En zijn eigen huwelijk was toch ook goed, meende hij. Want de grote liefde waar je wel eens over hoorde en las en waar een heleboel toneelstukken over gingen, dat was toch allemaal lariekoek. Als je geregeld met elkaar omging werd alles alledaags, ook die zogenaamde liefde. Zelfs het innigste samengaan werd een sleur, soms zelfs een vaste regel. En Hendrik, die toch weduwnaar was, had dus wel gelijk dat hij Gonne nam, het kwam hun bedrijf misschien ook nog wel ten goede. Hij kreeg er allicht weer heel wat connecties bij waar door zijn toedoen brongas komen moest, Hendrik Zeilemaker trouwde al spoedig en hij gaf een grote bruiloft in de herberg waarvoor ook Meindert en Riek werden uitgenodigd. „Zonde van de tijd," vond hij, doch zij was er dolgelukkig over. „We moete allebei helegaar in het nuuw," besliste ze. „Aars voel ik mijn eigen niet thuis bij dat deftige volk."

En waarom zouden ze niet? Het geld stroomde geleidelijk aan binnen en als Riek daar nou zo graag 'rs dik van doen wou ...

„Vooruit dan maar," stemde hij er mee in. „Late wij ok een keer op het grote huisje zitte."

Doch waar hij in de loop van die avond, toen Hendriks ouders vertrokken

  waren, kwam te zitten zou hij nooit tevoren geloofd hebben. Het werd een ereplaats naast het bruidspaar. Dat maakte de toch meestal woordka- rige Meindert bijna sprakeloos. Vanwaar hij zat keek hij langs tafels waaraan niets dan stand en rijkdom zat. Mensen als Lukas Veer, de burgemeester, Gerrit Veer en Dirk, zijn zoon, allen met hun vrouwen. En dan Gonnes moeder, de rijke weduwe, met Frans, de broer van Gonne die een scheve hals had. Hij zag Rikus de Vos en Simon Vink en in zijn verbeelding stond achter elk echtpaar de plaats waarop zij woonden die hij dan vergeleek met zijn moeders huisje op het Wilgenpad. Opeens spitste hij echter zijn oren toen de jonge boerin uit Gonnes familie, die zijn tafeldame was, tegen hem zei: „Jij benne toch Meindert Helmus, de bronneboorder éé?" Hij knikte.

„Krek. Dan ben jij de man die wij hewwe moete, want we beleve toch zo'n ellende met ons pompwater. Vertel jij het maar," stootte ze haar man aan en schoof zelf haar stoel iets naar achter zodat de heren elkaar konden aankijken.

„Ja, dat is een heel raar geval," vertelde de boer die Meindert nu herkende als een oude klant van het vorige jaar uit Schellinkhout. „Je hewwe bij ons die pomp immers anbracht?" „Ja, op zeventig voet," wist Meindert nog.

„Nou man, as wij pompe krijge we daar prachtig helder water uit. Alleen zitte er dan hele kleine zwarte pitjes in, je kenne ze kwalijk zien, zukke tuffies benne het. Maar owee as je dat water een tijdje staan late. Dan benne die dingkies oplost en het water is zo bruin as koffie. Wat moete we daar nou mee an, Meindert?"

„Dieper bore," wist die meteen. „Een nuwe wellaag zoeke, die beter water geeft. Dat zal bij jullie op zo'n tweehonderdvijftig voet diepte zitte. En dan moete er helegaar dichte houten kokers in met enkel heel onderan de filter die het water doorlaat. Op die manier krijgt het verkeerde water dat je nou hewwe geen kans om het goeie te bederven." De man dacht even na als berekende hij de kosten.

„Het is een strop," zuchtte hij dan. „Maar zo zal het toch wel moete. Wanneer schikt het je om te komen? Ik heb het graag voor de staltijd,in orde." Meindert dacht aan zoveel anderen die wachtten en ook voor de winter gas of water in gebruik wensten te nemen.

„Zuk regelt de bruigom altijd," schoof hij een beslissing van zich af. „Goed, dan doen ik die er eerdaags wel effies over an." Na dit karwei volgde er nog wel een paar boere die met hetzelfde euvel prutse, dacht Meindert. Die hele waterader daar zal wel vol met van het zwarte spul zitte dat later vanzelf ontbindt. Enfin, van dat soort dinge moete wij het hewwe, de een zijn nood, de aar zijn brood. Zo werd het een paar jaar later ook in de Bangert waar de vereiste wellaag pas op tweehonderdzeventig voet bleek te liggen en er extra buizen moesten komen om die te bereiken.

Terwijl zijn arbeiders daar mee bezig waren keek Meindert vanaf het

  werkterrein in die beide dorpen meermalen naar de verte waar duidelijk zichtbaar het oude Hoorn lag. Daar ergens moest in een straat het huis staan waar Zwaantje woonde met een man die hij niet kende, maar waar hij evengoed al een hekel aan had.

Gek toch ... geen mens leek wel te weten hoe het haar daar precies gegaan was en nog ging. Zelfs Steven Spruit niet, in wiens huis ze toch jarenlang had gewoond.

Of vonden die mensen het leven van Zwaantje Leeuw te onbelangrijk om er zelfs maar aan te denken? Deed hij dit alleen zo nu en dan?