XVIII. Die lamme meisjes.
Keesje Brummer was tot ‘twee weken’
veroordeeld. Het ging de oude heer Brummer eigenlijk wel 'n beetje
aan zijn hart, om zijn dikke, gezellige zoon voor zo lange tijd van
het A.F.C.-terrein te moeten verbannen, maar hij meende, dat hij
dit wel verplicht was tegenover de baas, denFluit, de Kameel en de
Pompelmoes. Trouwens, de vorige keer had hij Kees voor 7 vieren en
1 drie tot een maand veroordeeld; het was dus rekenkunstig zuiver -
en ook niet meer dan billijk - dat Kees thans twee weken moest
brommen.
Het ‘zesde’, waarvoor Kees juist de vorige dag officieel was
uitgenodigd, moest zijn dikke keeper dus veertien dagen tussen de
goalpalen missen. De heer Brummer en Keesje hadden vijf minuten erg
sip gekeken, Keesje vanwege het zware vonnis en de oude heer uit
puur medelijden met zijn zoon. De heer Brummer kon niet goed
hebben, dat zijn kinderen verdriet hadden en hij was al van plan om
de straf wat te verzachten en er één weekje van te maken - minder
kon het niet tegenover de Kameel, de Pompelmoes en de Fluit - toen
hij Kees tot zijn grote vreugde weer zag lachen. Kees dacht aan het
vieze gezicht, dat de Fluit getrokken had, toen ze hem het artikel
van Bob T. hadden willen laten lezen, en de heer Brummer lachte
smakelijk mee, toen Kees hem in geuren en kleuren het verhaal
deed.
De oude heer was erg dankbaar, dat Keesje zijn straf niet al te
somber opnam en hij dus niet een week ervan behoefde af te trekken.
Want vier onvoldoendes - hij moest het in zijn hart bekennen - was
met veertien dagen toch niet buitensporig zwaar betaald. Als de
heer Brummer en Kees in de toekomst hadden kunnen lezen, zouden zij
zelfs geen vijf minuten treurig hebben gekeken, want nog diezelfde
avond begon het hard te vriezen en de volgende morgen was het al te
zien, dat het zesde voorlopig zijn dikken keeper niet nodig zou
hebben.
Het vroor, dat het kraakte en zelfs fanatieke A.F.C.-ers als Eddy
en Henk vergaten voor een paar dagen, dat er voetballen in de
wereld bestonden. Zij gingen nu niet na schooltijd om drie uur naar
het veld bij de Franse Laan, maar trokken met elkander naar buiten,
om te proberen, of het ijs in de sloten al ‘houden kon’. Dan was
het:‘eerst even stampen met de hak!’ vervolgens één voet er op en
zich vasthouden aan de hand van een jongen op de wal en als ook dat
ging... roetsj!... dan gleed er één met 'n vaartje over en volgde
dra de rest.
En altijd was het een gebeurtenis, als Keesje zich klaar maakte om
er ook over te slieren. Dan riepen zij allen:
‘Vooruit, lui, op zij, daar komt twee honderd pond an!’ want als
het ijs de dikke Kees Brummer hield, dan was het vertrouwd ook, dan
kon er - volgens de jongens - wel een arreslee met 'n paard
overheen.
Zodra Kees er over was gegaan, vlogen ze dadelijk met twee, later
met drie en vier tegelijk.
Het had een hele ontsteltenis gegeven, toen op een gegeven
oogenblik Huib Delfors en Kees tegen elkander waren gebotst en Kees
met een plof midden op het zwarte ijs terecht was gekomen. Krak!
zei het opeens en een scheur van wel twintig meter lengte liep
dwars over het ijs. En toen Kees weer veilig en wel op het weiland
stond, wees een reuze-ster de plaats aan, waar de dikke keeper
gezeten had.
Toen was tegelijk het bewijs geleverd, dat ‘het ijs vertrouwd was’
en de ijsbaan dus morgen geopend kon worden. Want als het ijs
Keesje Brummer hield, wie zou er dan nog doorheen kunnen
zakken?
De ijsbaan ging open en tegelijk - o, zaligheid der zaligheden! -
werden de schooldeuren 's middags gesloten!
Het A.F.C.-veld lag eenzaam en verlaten en Keesje was totaal
vergeten, dat hij onder de druk van vier onvoldoendes leefde. Het
smalle ijzer had het ronde leeren monster verdrongen.
Voor Eddy brak nu een heerlijke tijd aan. Elken middag zag hij
Kitty, en zij reden samen de ene baan voor, de andere na en vonden
elkaar liever dan ooit. Want zooals er in de ogen van Eddy maar één
meisje was, zo was er in de ogen van Kitty maar één jongen: Eddy
Loomans.
Een was er echter op de wereld, die de ‘verliefderigheid’ van Eddy
op de duur hard begon te vervelen en dat was zijn boezemvrind,
Keesje Brummer. Eddy en Kees waren altijd vrinden geweest; zij
hadden bijna hun hele leven samen gevoetbald, samen gefietst, samen
schaatsgereden en samen zo vaak in de benauwdheid gezeten; nu kwam
daar opeens zo'n wildvreemd meisje en boem!... opeens liet Eddy
Keesje schieten! Nu ja, ze bleven natuurlijk nog wel vrinden, maar
het ware, zoals vroeger, was het toch niet meer!
Het gebeurde nu zelfs dikwijls, dat Kees met Tony Hespers en Huib
Delfors inplaats van met Eddy naar de ijsbaan ging. Verbeeld je,
dat zo iets verleden jaar ooit was gebeurd! Toen waren Eddy en Kees
altijd met hun tweeën. Maar nu? Nee, hoor, 't was uit, helemaal
uit! Nadat Henk verliefd was geworden op Loukie, zag je Henk en
Eddy altijd samen met Kitty en de twee meisjes Van
Dieren.
Zij gingen met hun vijven naar de ijsbaan, ze reden altijd met hun
vijven en ze gingen met hun vijven weer naar huis. Kees voelde er
niets voor, om altijd achter die meisjes aan te sjouwen. Nou ja,
Kitty was wel aardig, dat kon hij niet ontkennen, maar die twee Van
Dierentjes, nee, dat waren nesten, net als alle andere meisjes.
Kees was met hen op dansles geweest, maar hij moest niks van die
nuffen hebben.
Kees kon zich niet begrijpen, wat Henk en Eddy daar nou voor
plezier in vonden, om altijd met die vervelende meisjes te rijden!
En als Kees zo op z'n eentje of met andere jongens op de ijsbaan
reed en hij dan Eddy met Kitty en Henk met Loukie voorbij zag gaan,
dan had hij soms even het land, dat hij nieuwe buren had gekregen.
Want Kees was zo'n trouwe vrind, dat hij zich niet kon begrijpen,
dat Eddy hem voor 'n meisje liet schieten. Nee, zo iets zou hij
zelf nooit hebben gedaan, voor geen honderdduizend meisjes, dat
wist-ie zeker!
Enfin, Eddy moest het zelf maar weten! Als hij maar niet met die
nuffen behoefde te rijden, dan was 't hèm goed! Wanneer het met het
ijs gedaan was, dan zou dat gezeur met die lamme meisjes vanzelf
uit wezen en zouden Eddy en Henk wel weer bij Kees komen!
Maar op een Vrijdagavond werd Kees voor een heel moeilijk geval
geplaatst. Het had de laatste dagen zó hard gevroren, dat de
kanalen en vaarten dicht lagen, zodat er overal buiten de stad werd
gereden. Kees voelde er veel voor, om eens 'n grote tocht te maken,
maar hij wist niet, wie hij vragen moest.
Vroeger ging hij altijd met Eddy - dan reden zij samen aan een stok
- maar nu was daar natuurlijk geen sprake van; Eddy en Henk zouden
er niet aan denken om met hem mee te gaan.
Met Huib Delfors en Tony Hespers dan? Die kwakkelden altijd zo, dan
kwam je helemaal niet vooruit. Nee, daar was ook geen aardigheid
aan. Piet Flier en Hein van Drumpt reden goed, maar Kees voelde er
niets voor om met Piet en de Haak een ijstocht te maken. Hij kon
die opscheppers niet goed uitstaan, vooral niet, nadat ze tegen
Eddy na de match tegen de Trappers zo misselijk waren opgetreden.
Nee, hij zou dan maar weer op de ijsbaan alleen rijden. Er zouden
wel lui genoeg te vinden zijn, die geen toch mochten maken en dus
ook op de ijsbaan bleven.
Zo dacht Kees, toen Eddy en Henk 's avonds bij hem
kwamen.
‘Zeg, Kees,’ vroeg Eddy dadelijk, ‘ga je morgen mee, 'n tocht maken
naar Gravenland?’
Kees was onmiddellijk bereid. Eindelijk was dat gemier met die
lamme meisjes dus uit en zou hij weer wat aan z'n vrinden
krijgen.
‘Wie gaan er meer mee?’ vroeg Kees.
‘Nou, Bram Heesink en jij en wij...’ antwoordde Eddy.
‘O, da's fijn!’ riep Kees. Hij stelde er zich al machtig veel van
voor.
‘En danne...’
‘Nog meer lui? Prachtig! Hoe meer zielen hoe meer
vreugd!’
‘Eh... Kitty en eh... Wies Borger.’
‘En Greet en Loukie natuurlijk!’ vulde Henk aan.
‘O,... gaan die ook mee?’ Het was heel goed te merken, dat Kees dat
maar half vond.
‘Ja, wat dacht je dan?’ vroeg Henk.
‘Nou, ik dacht, dat we onder elkaar gingen, alleen jongens
natuurlijk!’ antwoordde Kees.
‘Nee, dan is er geen aardigheid an!’ zei Eddy.
‘Geen aardigheid an’... om met jongens 'n tocht te maken? Hoe was
't mogelijk, dat Eddy het zeggen kon. Wat was die kerel in 'n paar
weken veranderd! En Kees zei het dan ook eerlijk:
‘Dat zou je verleden jaar ook niet gezegd hebben!’
‘Nee, natuurlijk niet, toen was ik ook niet verliefd!’ bekende Eddy
gulweg.
Hè, die beroerde verliefdheid ook! Wat had je nou aan je vrinden?
Kees voelde er niets voor, om met die vier meisjes 'n tocht te gaan
maken. Hij begreep heel goed, waarom Eddy en Henk bij hem kwamen;
Eddy reed met Kitty, Henk met Loukie en Bram Heesink met Wies
Borger. Nu zaten ze met Greet in hun maag, en die mocht hij nou op
sleeptouw nemen! Nee, Kees paste d'er voor, hij moest er niets van
hebben.
‘Och nee,’ zei Kees, ‘wat moet ik dan meedoen? Ik heb toch geen
meisje!’
‘Jawel,’ offreerde Henk dadelijk, ‘jij mag Greet van Dieren
hebben!’
‘Nou, die mag je gerust houden; da's me ook 'n plezier! Dan zou ik
de hele dag dat vervelende schaap moeten trekken!’ zei Kees, niet
erg galant.
‘Nou, niet altijd door. Ze kan ook best eens alleen rijden!’ meende
Eddy.
‘Dan komt ze helemaal niet vooruit!’ zei Kees.
Nee, Kees voelde er totaliter niets voor, om met die nesten te gaan
rijden. Maar toen deed Eddy opeens een beroep op hun
vriendschap.
‘Als jij niet meegaat, dan gaan wij ook niet, want wij kunnen Greet
natuurlijk niet thuis laten!’
‘Toe, Kees, ga nou maar mee... om ons 'n plezier te doen!’ drong
Eddy aan.
Kees was al half gewonnen.
‘Ik zou 't voor jou toch óók doen!’
Jawel, Eddy had mooi praten; Kees zou immers nooit met zo iets aan
komen zetten.
Maar, 't was waar, je moest wat voor elkander over hebben. Het was
wel 'n kaantje, maar enfin, hij zou die nuf dan morgen wel
trekken.
Eddy en Henk waren in de wolken. Zij wisten wel, dat Kees mee zou
gaan en Henk verzekerde hem bij herhaling, dat het Kees erg mee zou
vallen.
‘Je zult zien, jij wordt ook nog verliefd!’
‘In geen honderd jaar!’ riep Kees vol overtuiging.
Nou, dat moest Kees zelf weten! Als hij maar meeging! En de twee
vrienden namen afscheid en telefoneerden dadelijk aan Greet, dat
Kees haar cavalier zou zijn.
‘O, dol, heerlijk, zalig!’ riep Greet door de telefoon; en aan
Loukie zei ze, dat ze Kees Brummer toch wel 'n leuke, moppige
jongen vond.
Kees zat er an; hij had het beloofd; hij moest dus mee! Och! och!
de hele middag met die Greet van Dieren rijden... 't was me 't
pleziertje wel!
Hij vond haar vroeger op de dansles gewoonweg 'n spook! En ze
reed?... nou, 't leek wel erwtensoep! Voor zijn part dooide het
vannacht tien graden, als het dan morgenavond maar weer opvroor,
want de Zondag had hij er niet voor over.
Toen Kees even later in de huiskamer vertelde, dat hij 'n grote
tocht met meisjes zou gaan maken, barstte de hele familie in lachen
uit. Keesje met 'n meisje rijden, dat was al te mal! En Kees moest
er zelf ook om lachen; ze hadden gelijk: 't was gewoonweg
bespottelijk! En zodra Kees brommend had verteld, dat hij met Greet
van Dieren moest rijden, proestten zij het allemaal weer tegelijk
uit.
‘Jongen, jongen, Kees, pas op je hart, hoor!’ lachte de heer
Brummer.
‘Laat je niet inpalmen!’ spotte zijn broer Gerrit.
‘Morgenmiddag is Kees verloofd!’ gichelde Mies.
‘Op je test!’ antwoordde Kees.
‘Je moet je Zondagse pak aantrekken, Kees!’
‘En je nieuwe dasje!’
‘En handschoenen aan, jongen!’
‘Kees met 'n meisje!’... 't was bijna niet te geloven! En telkens
weer schaterde de familie Brummer het uit en Keesje lachte zelf
hard mee.
Wanneer Greet van Dieren dat door de telefoon had kunnen horen, dan
zou ze Kees waarschijnlijk geen ‘moppige, leuke jongen’ hebben
gevonden en zou ze misschien voor de eer hebben bedankt, om zich de
volgende dag door Kees Brummer naar Gravenland te laten
trekken.