Varkensbloedblues

Je kon de jongens al ruiken voordat je ze zag. In die gangen met tralie­ramen werd hun jonge zweet meteen muf en verspreidde de adem die ze uitbliezen een zurige lucht. En dan waren er ook nog hun stemmen, gedempt door de strenge regels.

Niet hardlopen. Niet schreeuwen. Niet fluiten. Niet vechten. Ze noemden het een Verbeteringscentrum voor Jeugdige Delinquenten, maar het leek verdomd veel op een gevangenis. Er waren sloten en sleutels en bewakers. Soms werd er een gebaar gemaakt waaruit zou moeten blijken dat er hier een minder streng regime heerste, maar dat kon de waarheid niet verhullen: Tetherdowne was in feite een gevangenis, en de gedetineerden waren zich daar heel goed van bewust. Niet dat Redman zich illusies maakte over zijn toekomstige pupillen. Ze waren keihard, en ze werden niet voor niets opgesloten. De meesten zouden je zonder ook maar een ogenblik te aarzelen van je hele hebben en houden beroven. Ze zouden je kreupel slaan als ze daar zin in had­den, daar draaiden ze hun hand niet voor om. Hij had te veel jaren bij de politie gezeten om nog in die onzin te kunnen geloven die door socio­logen werd verkondigd. Hij kende de slachtoffers, en hij kende de jon­gens. Dit waren geen zwakbegaafden die te weinig aandacht hadden ge­kregen, ze waren immoreel en vlug en hadden een scherp verstand, net zo scherp als de scheermesjes die ze onder hun tong verborgen. Het had geen enkele zin om een beroep te doen op hun sentimenten, ze wilden maar één ding: ontsnappen. 'Welkom in Tetherdowne.'

Heette die vrouw nou Leverton, of Leverfall, of. . . 'Ik ben doctor Leverthal.'

Leverthal. Ja. Dat venijnige kreng dat hij had ontmoet op de dag

dat...

'Wij hebben elkaar ontmoet op de dag dat de sollicitatiegesprekken

werden afgenomen.'

'Ja.'

'We zijn blij met uw komst, meneer Redman.' 'Neil; noemt u me maar Neil.'

'Wij streven ernaar om elkaar in het bijzijn van de jongens niet met de voornaam aan te spreken, want anders denken ze dat ze vat op onze privé-levens kunnen krijgen. Daarom zou ik het op prijs stellen als u voor­namen uitsluitend buiten diensttijd gebruikte.'

Ze noemde hem haar eigen voornaam niet. Het zou wel zoiets zijn als

Yvonne of Lydia. Hij zou wel wat passends bedenken. Ze leek vijftig, maar was waarschijnlijk tien jaar jonger. Geen make-up, haar haren in zo'n strak knotje gebonden dat het hem verbaasde dat haar ogen niet uit hun kassen sprongen.

'U begint overmorgen met uw lessen. De gouverneur heeft me gevraagd u namens hem in het Centrum te verwelkomen, en me er bij u voor te verontschuldigen dat hij zelf niet aanwezig kan zijn. Er zijn financie­ringsproblemen.' 'Zijn die er niet altijd?'

'Helaas wel, ja. Ik ben bang dat we tegen het getij in moeten zwemmen. De publieke opinie houdt meer van een strenge handhaving van Orde en Gezag.'

Waar was dat nou weer een eufemisme voor? Dat je een kind bont en blauw moest slaan, ook al was het alleen maar door rood licht gelopen? Ja, vroeger had hij er ook zo over gedacht, en dat was een benauwende manier van denken geweest, net zo erg als overdreven sentimentaliteit. 'Weet u wat het is? De kans bestaat dat Tetherdowne wordt opgeheven,' zei ze, 'en dat zou jammer zijn. Ik weet dat het niet veel lijkt. . .' '. . .maar we voelen ons hier thuis,' grapte hij. De grap maakte geen en­kele indruk. Ze scheen het niet eens gehoord te hebben. 'U,' zei ze met een scherpere stem, 'u hebt een gedegen achtergrond bij de politie. Wij hopen dat uw benoeming bij de autoriteiten die over de financiën gaan, in goede aarde zal vallen.'

Dus dat was het. Ze hadden een ex-politieman binnengehaald om de ho­gere autoriteiten te verzoenen, om ze te laten zien dat ze discipline ook erg belangrijk vonden. Eigenlijk wilden ze hem hier helemaal niet heb­ben. Ze hadden liever de een of andere socioloog gehad die rapporten zou schrijven over de effecten van het klassenstelsel op agressie bij tie­ners. Ze gaf hem in bedekte termen te kennen dat hij hier eigenlijk over­bodig was.

'Ik heb u verteld waarom ik bij de politie ben weggegaan.' 'Ja, dat weet ik nog. Afgekeurd.'

'Ik had geen zin in een kantoorbaan, zo simpel lag het. En ze wilden me niet de dingen laten doen die ik het best kan. Volgens sommigen zou ik een gevaar voor mezelf zijn.'

Zo te zien bracht zijn verklaring haar een beetje in verlegenheid. Ze was nog psychologe ook, eigenlijk had ze dit machtig interessant moeten vinden, het was zijn persoonlijke zwakheid waar hij nu mee te koop liep. God nog aan toe, hij biechtte zomaar even alles op. 'Dus na vierentwintig jaar zat ik op een stoel.' Hij aarzelde even en zei toen wat hij op zijn hart had. 'Ik ben geen politieman meer. Ik heb niets meer met de politie te maken. Begrijpt u wat ik wil zeggen?' 'Goed, goed.' Ze begreep er geen snars van. Hij probeerde het vanuit een andere invalshoek.

'Ik zou graag willen weten wat er de jongens is verteld.'

'Verteld?'

'Over mij.'

'Nou, iets over uw achtergronden.'

'O.' Ze waren gewaarschuwd. Het is een smeris.

'Het leek ons belangrijk.'

Hij gromde wat.

'Weet u, veel van die jongens hebben grote problemen met hun agressie. Voor een heleboel van hen is dat een bron van steeds weer nieuwe pro­blemen. Ze kunnen zich niet beheersen en daar lijden ze onder.' Hij sprak haar niet tegen, maar ze keek hem streng aan alsof hij dat wel had gedaan.

'O ja, ze lijden eronder. Daarom doen wij ook zoveel moeite om begrip te tonen voor de situatie waarin ze verkeren, om ze duidelijk te maken dat er alternatieven zijn.'

Ze liep naar het raam. Hier, vanaf de tweede verdieping, hadden ze een mooi uitzicht over het terrein. Tetherdowne was een soort landgoed ge­weest, en er hoorde nog heel wat land bij het hoofdgebouw. Een speel­terrein, het gras dor in de zomerse droogte. Daar achter een groepje bij­gebouwen, wat vermoeide oude bomen, wat struikgewas en dan braak­liggend terrein tot aan de muur. Hij had de muur van de andere kant gezien. Menige gevangenis voor zware delinquenten zou er trots op zijn geweest.

'We proberen ze een beetje vrijheid, een beetje onderwijs en een beetje warmte te geven. U weet dat veel mensen denken dat delinquenten ple­zier beleven aan hun criminele handelingen. Nou, ik heb heel andere er­varingen. Ze komen schuldbewust en innerlijk gebroken naar me

toe. . .'

Een van die innerlijk gebroken slachtoffers, die over de gang voorbij slenterde, maakte een obsceen gebaar tegen Leverthals rug. Zijn haar was glad gekamd en had op drie plaatsen een scheiding. Op zijn onder­arm had hij een stuk of wat half voltooide, zelf toegebrachte tatoeages. 'Maar ze hebben criminele handelingen gepleegd,' merkte Redham op. 'Ja, maar.. .'

'En daar moeten ze toch aan herinnerd worden?' 'Ik geloof niet dat ze daar nog aan herinnerd hoeven te worden, meneer Redman. Ik denk dat ze verteerd worden door schuldgevoelens.' Ze was gek op schuldgevoelens, en dat verbaasde hem helemaal niet. Ze hadden de preekstoel overgenomen, die sociale wetenschappers. Zij na­men nu de positie in die vroeger door de kanselredenaars werd ingeno­men, met hun eeuwig gepreek over het hellevuur. Het verschil was dat zij zich van een wat minder kleurrijke vocabulaire bedienden. Maar in feite was het hetzelfde verhaal, compleet met de belofte van genezing, mits de rituelen in acht werden genomen. En ziet, de rechtschapenen

zullen het Koninkrijk der Hemelen beërven.

Op het speelveld zag hij dat ze iemand achterna zaten. Nu hadden ze hem te pakken. Een slachtoffer van het klassenstelsel bewerkte een an­der slachtoffer met zijn schoen. Zo te zien kende hij geen genade. Leverthal zag dit op hetzelfde moment als Redman. 'Neemt u me niet kwalijk, ik moet...' Ze begon de trap af te gaan.

'Uw werkplaats is de derde deur links, als u er een kijkje wilt nemen,' riep ze over haar schouder. 'Ik ben zo terug.'

Vergeet het maar, dacht Redman. Hij keek nog eens naar het schouwspel op het speelveld. Die jongens kreeg je nog niet met drie koe­voeten uit elkaar.

Redman liep naar zijn werkplaats. De deur zat op slot, maar door het draadglas kon hij de werkbanken, de bankschroeven, het gereedschap zien. Helemaal niet slecht. Hij zou ze misschien zelfs wat houtbewer­king leren, als ze hem lang genoeg met rust lieten om dat te doen. Het ergerde hem een beetje dat hij niet naar binnen kon. Hij liep terug over de gang en volgde Leverthal naar beneden, waarna het hem op het zonovergoten speelveld geen moeite kostte zijn weg te vinden. Er had zich een klein groepje toeschouwers verzameld rond het gevecht, of de slachting, waar nu een eind aan was gekomen. Leverthal stond bij de jongen die op de grond lag. Een van de bewakers was bij het hoofd van de jongen neergeknield. De verwondingen zagen er lelijk uit. Een aantal toeschouwers keek op en staarde naar het nieuwe gezicht toen Redman dichterbij kwam. Ze fluisterden onder elkaar en glim­lachten.

Redman keek naar de jongen. Hij was een jaar of zestien en hij lag met zijn wang tegen de grond, alsof hij iets in de aarde meende te be­luisteren.

'Lacey.' Leverthal vertelde Redman hoe de jongen heette. is hij erg gewond?'

De man die naast Lacey op de grond geknield zat schudde zijn hoofd. 'Niet al te erg. Hij heeft het zwaar te verduren gehad, maar er is niets gebroken.'

Het bloed van zijn kapotgeschopte neus zat over het hele gezicht van de jongen. Zijn ogen waren dicht. Heel vredig. Voor hetzelfde geld had hij dood kunnen zijn.

'Waar blijft die brancard, verdomme?' zei de bewaker. Hij vond het blijkbaar niet prettig om daar op die keiharde grond te zitten. 'Ze komen eraan, meneer,' zei iemand. Redman meende dat het de da­der was. Een magere jongen van een jaar of negentien. Het soort ogen dat melk op twintig meter afstand kon doen verzuren. Inderdaad kwam er een troepje jongens uit het hoofdgebouw te voor­schijn. Ze hadden een brancard en een rode deken, en ze grijnsden allmaal van oor tot oor.

De toeschouwers begonnen zich te verspreiden. Het mooiste was voor­bij, en voor wat er nu moest gebeuren hadden ze geen belangstelling. 'Wacht eens even,' zei Redman. 'We moeten toch getuigen hebben? Wie heeft dit gedaan?'

Een paar haalden nonchalant hun schouders op, maar de meesten deden alsof ze niets hadden gehoord. Ze slenterden weg alsof er niets was gezegd.

'Wij hebben het gezien,' zei Redman. 'Door het raam.' Leverthal bood hem geen enkele ondersteuning. 'Nietwaar?' vroeg hij haar.

'Het was te ver weg om iemand te kunnen beschuldigen, geloof ik. Maar ik wil dit soort bruut geweld niet meer hebben, horen jullie?' Ze had Lacey gezien, en ze had hem van die afstand met groot gemak herkend. Waarom niet ook de dader? Redman was kwaad op zichzelf omdat hij zich niet goed genoeg had geconcentreerd. Als hij de namen en persoonlijkheden niet kende die bij de gezichten hoorden, kon hij ze moeilijk van elkaar onderscheiden. Het risico dat hij iemand ten on­rechte beschuldigde was groot, ook al was hij er bijna zeker van dat het de jongen met de melkverzurende ogen was geweest. Maar hij mocht nu geen fouten maken, vond hij. Hij moest het er ditmaal maar bij laten. Leverthal scheen niet erg onder de indruk te zijn van het incident. 'Lacey,' zei ze met een rustige stem, 'het is altijd Lacey.' 'Hij vraagt erom,' zei een van de jongens met de brancard, terwijl hij een bos witblond haar uit zijn ogen veegde. 'Hij weet niet beter.' Zonder op die opmerking te reageren bleef Leverthal toekijken terwijl Lacey op de brancard werd gelegd, en ze begon naar het hoofdgebouw terug te lopen, gevolgd door Redman. Het ging allemaal zo nonchalant. 'Niet helemaal gezond, die Lacey,' zei ze cryptisch, alsof dat de verkla­ring was. En dat was alles. Verder bespeurde Redman niets van mede­gevoel.

Redman keek achterom en zag dat ze de rode deken om Lacey's roerlo­ze lichaam instopten. Er gebeurden twee dingen bijna tegelijk. Eén. Iemand in het groepje zei: 'Dat is de smeris.' Twee. Lacey's ogen gingen open en keken Redman recht aan, groot, helder en eerlijk.

Een groot deel van de volgende dag was Redman bezig zijn werkplaats in orde te maken. Veel gereedschap was kapot of onbruikbaar omdat er ondeskundig mee omgesprongen was: zagen zonder tanden, beitels waar stukjes uit waren, gebroken bankschroeven. Hij zou geld nodig hebben om de werkplaats opnieuw van de elementaire dingen te voor­zien, maar het zou niet goed zijn als hij daar nu meteen om vroeg. Het was verstandiger eerst even te wachten, zodat ze konden zien dat hij goed werk deed. Hij was goed thuis in de politiek van organisaties. Bij de politie was het niet anders geweest.

Om ongeveer half vijf begon er een heel eind van de werkplaats vandaan een bel te rinkelen. Hij negeerde het, maar kreeg na een tijdje het gevoel dat hij moest gaan kijken wat er aan de hand was. Zulke bellen rinkel­den om mensen voor iets te waarschuwen. Hij hield op met opruimen, deed de deur van de werkplaats achter zich op slot en liep in de richting van het geluid.

De bel rinkelde in wat de ziekenboeg werd genoemd, twee of drie ka­mers die van het hoofdgebouw waren afgescheiden en die door een paar platen aan de muur en gordijnen voor de ramen werden opgefleurd. Er hing nergens rook in de lucht, dus er was geen brand uitgebroken. Maar er werd wel geschreeuwd. Of beter gezegd, er werd gebruld. Hij versnelde zijn pas, liep door de eindeloos lange gangen, en toen hij een hoek omging in de richting van de ziekenboeg, rende er een kleine gestalte frontaal tegen hem aan. Ze schrokken beiden van de botsing, maar Redman greep de jongen bij zijn arm voordat hij er weer vandoor kon gaan. De reactie van de jongen liet geen seconde op zich wachten. Hij schopte meteen met zijn blote voeten tegen Redmans scheen. Maar hij liet niet los. 'Laat me los, stomme. . .' 'Rustig maar! Rustig maar!' Zijn achtervolgers waren er bijna. 'Hou hem vast!'

'Klootzak! Klootzak! Klootzak! Klootzak!' 'Hou hem vast!'

Het was of hij met een krokodil aan het worstelen was: de jongen vocht met de kracht van de angst. Maar het meeste van zijn razernij had hij al verbruikt. Terwijl hij in Redmans gezicht spuwde, sprongen de tra­nen hem in de blauw aangelopen, opgezwollen ogen. Het was Lacey, die hij hier vasthield, de ongezonde Lacey. 'Goed. We hebben hem.'

Redman deed een stap terug toen de bewaker Lacey van hem overnam en daarbij een houdgreep gebruikte die stevig genoeg leek om de arm van de jongen te breken. Twee of drie anderen kwamen de hoek om. Twee jongens en een verpleegster, een liefdeloos schepsel. 'Laat me los. .. Laat me los...' schreeuwde Lacey, maar hij scheen geen zin meer te hebben om daadwerkelijk verzet te bieden. Hij trok een verslagen pruilmondje, en nog steeds keken die koeienogen van hem, groot en bruin, beschuldigend naar Redman op. Hij leek jonger dan zijn zestien jaar, bijna een kind nog. Hij had wat pluizig haar op zijn wang en een paar puisten tussen de blauwe plekken en het slecht aange­brachte verband op zijn neus. Maar toch was het een meisjesachtig ge­zicht, het gezicht van een maagd, uit een tijd dat er nog maagden waren.

En nog steeds keken die ogen hem aan.

Leverthal was nu ook komen opdagen, te laat om van nut te zijn. 'Wat gebeurt er hier?'

De bewaker begon meteen te spreken. De achtervolging was ten koste van zijn adem en zijn humeur gegaan.

'Hij had zich in de wc opgesloten. Probeerde door het raampje weg te

komen.'

'Waarom?'

De vraag was aan de bewaker gesteld, niet aan het kind. Een veelzeggen­de verwisseling. De bewaker haalde zijn schouders op. 'Waarom?' Redman stelde dezelfde vraag aan Lacey. De jongen staarde hem alleen maar aan, alsof hem nog nooit eerder een vraag was gesteld.

'Bent u het varken?' zei hij plotseling. Het snot liep uit zijn neus. 'Varken?'

'Hij bedoelt politieman,' zei een van de jongens. Het woord werd met een spottende precisie uitgesproken, alsof hij het tegen een imbeciel had.

'Ik weet wat hij bedoelt, knul,' zei Redman, terwijl hij Lacey recht in de ogen bleef kijken. 'Ik weet heel goed wat hij bedoelt.' 'O ja?'

'Stil, Lacey,' zei Leverthal. 'Je zit al diep genoeg in de problemen.' 'Ja, knul. Ik ben het varken.'

Het gevecht met de ogen ging door, een persoonlijke oorlog tussen jon­gen en man.

'U weet niets,' zei Lacey. Het was niet zomaar een hatelijke opmerking; de jongen vertelde gewoon zijn versie van de waarheid. Zijn ogen bleven Redman onafgebroken aankijken.

'Goed, Lacey, zo is het wel genoeg.' De bewaker probeerde hem weg te sleuren. Zijn buik kwam tussen de broek en het jasje van zijn pyjama te voorschijn, een gladde ronding van melkwitte huid. 'Laat hem maar vertellen,' zei Redman. 'Wat weet ik niet?' 'Hij kan zijn kant van het verhaal aan de gouverneur vertellen,' zei Le­verthal voordat Lacey kon antwoorden. 'Het is uw probleem niet.' Maar het was wel degelijk zijn probleem. Die strakke blik maakte het zijn probleem; zo fel, zo scherp. Die blik eiste dat het zijn probleem werd.

'Laat hem vertellen,' zei Redman met zoveel gezag in zijn stem dat Le­verthal moest inbinden. De bewaker liet zijn greep een klein beetje ver­slappen.

'Waarom probeerde je te vluchten, Lacey?' 'Omdat hij terugkwam.'

'Wie kwam er terug? Een naam, Lacey. Over wie heb je het?' Enkele seconden lang kon Redman voelen dat de jongen in tweestrijd verkeerde. Toen schudde Lacey zijn hoofd en verbrak hij het elektrisch contact tussen hen. Het was alsof hij in zichzelf verdwaalde, en hij kon geen woord meer uitbrengen. 'Er zal je geen kwaad worden gedaan.'

Lacey keek met gefronste wenkbrauwen naar zijn voeten. 'Ik wil nu naar bed terug,' zei hij. Het verzoek van een maagd. 'Er gebeurt je niets, Lacey. Ik beloof het.'

Die belofte scheen maar heel weinig effect te hebben. Lacey was met stomheid geslagen. Maar toch was het een belofte geweest, en hij hoop­te dat Lacey zich dat realiseerde. De jongen was zo te zien volkomen uitgeput van zijn mislukte vluchtpoging, de achtervolging, het gevecht met de ogen. Zijn gezicht was asgrauw. Hij liet zich door de bewaker omdraaien en meevoeren. Maar voordat hij weer de hoek om was, scheen hij van gedachten te veranderen. Hij deed een vergeefse poging zich uit de greep van de bewaker te bevrijden, maar hij slaagde er nog wel in zich om te draaien en zijn ondervrager aan te kijken. 'Henessey,' zei hij, en hij keek Redman weer recht in de ogen. Dat was alles. Voordat hij nog iets kon zeggen, werd hij door de bewaker weg­gesleurd.

'Henessey?' zei Redman, die zich plotseling een vreemde voelde. 'Wie is Henessey?'

Leverthal stak een sigaret op. Hij kon zien dat haar handen een klein beetje trilden. Dat was hem gisteren niet opgevallen, maar het verbaas­de hem niet. Hij moest de eerste zielenknijper nog tegenkomen die geen eigen problemen had.

'Die jongen liegt,' zei ze. 'Henessey is niet meer bij ons.'

Het bleef even stil. Redman drong niet aan, dat zou haar alleen maar

kwaad maken.

'Lacey is intelligent,' ging ze verder, terwijl ze de sigaret naar haar kleurloze lippen bracht. 'Hij weet precies hoe hij het moet aanpakken.' 'Huh?'

'U bent hier nieuw, en hij wil de indruk bij u wekken dat hij iets met een mysterie te maken heeft.' 'Is het dan geen mysterie?'

'Henessey?' zei ze snuivend. 'Grote goden, nee. Hij is begin mei ont­snapt. Hij en Lacey. ..' Ze aarzelde zonder dat ze dat wilde. 'Hij en La­cey hadden iets met elkaar. Drugs misschien, we zijn er nooit achter ge­komen. Lijm snuiven, wederzijdse masturbatie. God mag weten wat.' Ze vond het erg vervelend om hierover te praten. De walging stond op haar hele gezicht geschreven. 'Hoe is Henessey ontsnapt?'

'Dat weten we nog steeds niet,' zei ze. 'Op een morgen verscheen hij ge­woon niet op het appel. We hebben in alle hoeken en gaten van het com­plex gezocht. Maar hij was verdwenen.'

'Is het mogelijk dat hij terugkomt?' Een spontane lach.

'Jezus, nee. Hij vond het hier verschrikkelijk. Trouwens, hoe zou hij hier binnen kunnen komen?' 'Hij is ook buiten gekomen.'

Mompelend gaf Leverthal toe dat daar wat in zat. 'Hij was niet echt intelligent, maar hij was sluw. Eigenlijk verbaasde het me helemaal niet toen hij weg bleek te zijn. In de paar weken voor zijn ontsnapping was hij helemaal in zichzelf gekeerd. Ik kon niets uit hem krijgen, en tot dan toe was hij juist erg spraakzaam geweest.' 'En Lacey?'

'Die had hij onder de duim. Dat gebeurt wel vaker. Een jongere jongen maakt een idool van een oudere, meer ervaren jongen. Lacey had een erg onevenwichtige gezinsachtergrond.'

Mooi gezegd, dacht Redman. Zo mooi gezegd dat hij er geen woord van geloofde. Iemands geestestoestand was niet een schilderij op een ten­toonstelling, genummerd en voorzien van bordjes met 'Sluw' en 'Ge­makkelijk te beïnvloeden'. Er waren losse krabbels; er waren felle spat­tende staaltjes van graffiti, onvoorspelbaar, onbedwingbaar. En die kleine Lacey? Die was volkomen ondoorgrondelijk.

De volgende dag begonnen de lessen. Het was zo benauwend heet dat de werkplaats om elf uur al in een oven was veranderd. Maar de jongens reageerden goed op Redmans eerlijke, zakelijke houding. Ze merkten dat hij een man was voor wie ze respect konden hebben zonder dat ze hem aardig vonden. Ze verwachtten geen gunsten van hem en kregen die ook niet. Het was een evenwichtige situatie.

Redman merkte dat de docenten heel wat minder mededeelzaam waren dan de jongens. Al met al was het een vreemd stelletje. Er zat er niet één bij die lef had, vond hij. Ze zaten allemaal vastgeroest in de dage­lijkse sleur van Tetherdowne, de rituelen van discipline en vernedering. Hij merkte dat hij de gesprekken met zijn gelijken steeds meer uit de weg ging. De werkplaats werd een toevluchtsoord, een tweede huis dat rook naar lichamen en pas gezaagd hout.

Het was pas de volgende maandag dat een van de jongens de boerderij ter sprake bracht.

Niemand had hem verteld dat er op het terrein van het Centrum een boerderij was, en hij vond het een absurd idee.

'Er komt daar bijna nooit iemand,' zei Creeley, een van de slechtste houtbewerkers uit de geschiedenis van de mensheid. 'Het stinkt er.' Algehele hilariteit. 'Rustig, jongens.'

Het gelach werd minder, maar hier en daar fluisterden ze elkaar iets grappigs toe.

'Waar is die boerderij, Creeley?'

'Eigenlijk is het niet eens een echte boerderij,' zei Creeley, en hij kauw­de op zijn tong, iets wat hij altijd en eeuwig deed. 'Het zijn eigenlijk maar een paar schuren. En stinken dat ze doen! Vooral nu.' Hij wees uit het raam naar de wildernis achter het speelveld. Sinds hij daar de vorige keer naar had gekeken, die eerste dag met Leverthal, was dat braakliggend terrein in de zomerse hitte tot groei gekomen en schoot het onkruid hoger op dan ooit. Creeley wees naar een bakstenen muur in de verte die nagenoeg helemaal schuilging achter struikgewas. 'Ziet u dat, meneer?' 'Ja, ik zie het.'

'Dat is het varkenshok, meneer.' Opnieuw werd er alom gegrinnikt.

'Wat is daar zo grappig aan?' vroeg hij aan de klas. Alle hoofden waren meteen weer over het werk gebogen. 'Ik zou daar maar niet naar toe gaan, meneer. Het stinkt er als de pest.'

Creeley had niet overdreven. Zelfs in de relatieve koelte van de namid­dag kwam er een misselijk makende geur van de boerderij aangewaaid. Redman hoefde alleen maar zijn neus achterna te lopen over het veld en langs de bijgebouwen. De gebouwen die hij door het raam van de werkplaats had gezien, kwamen geleidelijk beter in zicht. Een paar bouwvallige schuurtjes van golfijzer en rottend hout, een kippenren en het bakstenen varkenshok, meer was het niet. Zoals Creeley al had ge­zegd was het eigenlijk helemaal geen boerderij. Het was een klein con­centratiekamp; smerig en troosteloos. Blijkbaar was er iemand die de weinige gevangenen te eten gaf: de kippen, de paar ganzen, de varkens, maar niemand scheen ooit de moeite te nemen de hokken schoon te ma­ken. Vandaar die afschuwelijke stank. Vooral de varkens leefden in hun eigen afval, eilanden van mest, door de zon in perfecte vormen hardge­bakken, bevolkt met duizenden vliegen.

Het varkenshok zelf was verdeeld in twee afzonderlijke ruimten, van el­kaar gescheiden door een hoge muur van baksteen. Vlak voor een van die ruimten lag een klein gespikkeld varken op zijn zij in de viezigheid. Teken en ander ongedierte krioelden over zijn flank. In de schemering van het hok kon hij nog vaag een ander, kleiner varken zien, het lag op een mengsel van stront en stro. Geen van beide dieren toonde enige be­langstelling voor Redman. De andere ruimte was zo te zien leeg.

Er lag geen mest voor en er zaten veel minder vliegen op het stro. Maar de stank van oude uitwerpselen was niet minder scherp en Redman stond al op het punt zich om te draaien toen hij binnen een geluid hoorde en zag dat een grote massa zich oprichtte. Hij leunde over het met een hangslot uitgeruste houten hek, probeerde niet aan de stank te denken, en keek door de deuropening van het hok. Het varken kwam naar buiten om hem te bekijken. Het was drie keer zo groot als de andere varkens, een enorme zeug die best eens de moeder van de varkens in de aangrenzende ruimte zou kunnen zijn. Maar ter­wijl haar biggen onder de smerigheid zaten, was de zeug smetteloos schoon en straalde ze met haar heldere roze kleur een goede gezondheid uit. Redman had ontzag voor haar omvang. Ze woog waarschijnlijk wel twee keer zoveel als hijzelf, dacht hij: een formidabel beest. Een opzien­barend dier, met haar krullende blonde oogharen en het fijne dons op haar glimmende snuit, dons dat overging in borstelig haar bij haar slap­hangende oren, en met die vettige, innemende blik in haar donkerbruine ogen.

Redman, een echte stadsbewoner, had nog maar zelden de levende wer­kelijkheid achter - of voorafgaand aan - het vlees op zijn bord ge­zien. De aanblik van dit geweldige varken was een openbaring voor hem. De slechte naam die varkens hadden, hun spreekwoordelijke sme­righeid, daar wilde hij nu niets meer van weten. Deze zeug was prachtig, van haar snuffelende snuit tot de delicate kurkentrekker van haar staart, een verleidster op varkenspoten. Haar ogen bekeken Redman als een gelijke, daar twijfelde hij niet aan. Ze had heel wat minder bewondering voor hem dan hij voor haar. Zij voelde zich veilig en verzekerd, en hij ook. In dat opzicht waren ze gelijken.

Van dichtbij rook ze schoon. Het was duidelijk dat er diezelfde ochtend iemand bij haar was geweest om haar schoon te spuiten en haar te eten te geven. Haar trog, zag Redman nu, zat nog boordevol spoeling, de resten van de maaltijd van gisteren. Ze had het niet aangeraakt; ze was geen veelvraat.

Even later had ze hem goed genoeg bekeken. Ze gromde zachtjes, draai­de zich op haar vlugge pootjes om en keerde in de koelte van het hok terug. De audiëntie was voorbij.

Die avond ging hij naar Lacey. De jongen was van de ziekenboeg ver­wijderd en had nu een armoedig kamertje voor zich alleen. Blijkbaar maakten de andere jongens van zijn slaapzaal hem nog steeds het leven zuur en was deze eenzame opsluiting het enige alternatief. Toen Red­man binnenkwam, zat hij op een tapijt van oude stripboeken naar de muur te staren. De opzichtige omslagen van de stripboeken maakten dat zijn gezicht nog witter leek dan anders. Het verband was van zijn neus verwijderd, en de blauwe plek op de rug van zijn neus was bezig te vergelen.

Hij schudde Lacey de hand en de jongen keek naar hem op. Lacey ge­droeg zich nu heel anders dan de vorige keer. Hij was kalm, om niet te zeggen dociel. Zijn handdruk, een ritueel dat Redman had ingevoerd

wanneer hij buiten de werkplaats jongens tegenkwam, was zwak. 'Voel je je goed?' De jongen knikte.

'Vind je het prettig om alleen te zijn?' 'Ja, meneer.'

'Uiteindelijk zul je naar de slaapzaal terug moeten.'

Lacey schudde zijn hoofd.

'Je kunt hier niet altijd blijven, weet je.'

'O, dat weet ik, meneer.'

'Je zult terug moeten.'

Lacey knikte. Op de een of andere manier scheen de logica van dit alles niet goed tot de jongen te zijn doorgedrongen. Hij sloeg een hoekje van een Superman-strip op en keek naar de schetterende kleuren zonder het goed in zich op te nemen.

'Luister eens, Lacey. Ik wil dat jij en ik elkaar goed begrijpen. Ja?' 'Ja, meneer.'

ik kan je niet helpen als je tegen me liegt. Of dacht je van wel?' 'Nee.'

'Waarom heb je me vorige week Kevin Henessey's naam genoemd? Ik weet dat hij hier niet meer is. Hij is toch ontsnapt?' Lacey keek naar de driekleurige held van het stripverhaal. 'Niet waar?'

'Hij is hier,' zei Lacey met een heel rustige stem. De jongen was plotse­ling van streek. Het was aan zijn stem te horen, en het was te zien aan de manier waarop zijn gezicht zich samentrok.

'Als hij is ontsnapt, waarom zou hij dan terugkomen? Dat zou toch wel vreemd zijn, vind je dat ook niet?'

Lacey knikte. Er zaten tranen in zijn neus, en dat dempte zijn stem,

maar toch waren zijn woorden goed genoeg te horen.

'Hij is nooit weg geweest.'

'Wat? Je bedoelt dat hij nooit is ontsnapt?'

'Hij is slim, meneer. U kent Kevin niet. Hij is slim.'

Hij sloeg het stripboek weer dicht en keek naar Redham op.

in welk opzicht slim?'

'Hij heeft alles uitgedacht, meneer. Alles.'

'Je zult wat duidelijker moeten zijn.'

'U zult me niet geloven. En dat zou het einde betekenen, omdat u me niet zult geloven. Hij hoort alles, weet u, hij is overal. Van muren hoeft hij zich niets aan te trekken. Daar hebben dode mensen niets mee te maken.'

Dood. Een kleiner woord dan levend, maar hij schrok ervan.

'Hij kan komen en gaan wanneer hij wil,' zei Lacey.

'Wil je zeggen dat Henessey dood is?' zei Redman. 'Wees voorzichtig,

Lacey.'

De jongen aarzelde. Hij was zich ervan bewust dat hij op een slap koord balanceerde, en dat hij het gevaar liep zijn beschermer kwijt te raken. 'U hebt het beloofd,' zei hij plotseling met een stem zo koud als ijs. 'Ik heb beloofd dat er jou geen kwaad zou worden gedaan. En dat zal ook niet gebeuren. Ik heb dat gezegd en ik meende het. Maar dat mag voor jou nog geen vrijbrief zijn om me leugens te vertellen, Lacey.' 'Welke leugens, meneer?' 'Henessey is niet dood.'

'Hij is wèl dood, meneer. Dat weten ze allemaal. Hij heeft zich opge­hangen. Bij de varkens.'

Er was al vaak tegen Redman gelogen, door deskundigen, en hij vond

dat hij een leugen snel kon doorzien. Hij kende alle tekenen dat iemand

loog. Maar de jongen vertoonde daar geen enkele van. Hij sprak de

waarheid. Redman voelde het aan zijn botten.

De waarheid; de hele waarheid; niets dan de waarheid.

Dat betekende nog niet dat het zo was als de jongen vertelde. Hij sprak

gewoon de waarheid zoals hij die zag. Hij gelóófde dat Henessey dood

was. Dat bewees niets.

'Als Henessey dood was. . .'

'Hij is dood, meneer.'

'Als hij dood was, hoe zou hij hier dan kunnen zijn?'

De jongen keek Redman aan zonder dat er een spoor van sluwheid op

zijn gezicht te zien was.

'Gelooft u niet in spoken, meneer?'

Wat een gemakkelijke oplossing was dat, Redman was er even perplex van. Henessey was dood, en toch was Henessey hier. Dus Henessey was een spook. 'Niet, meneer?'

De jongen stelde geen retorische vraag. Hij wilde, nee hij eiste een rede­lijk antwoord op zijn redelijke vraag. 'Nee, jongen,' zei Redman, 'ik geloof niet in spoken.' Lacey scheen niet in het minst door dit verschil van mening uit het veld geslagen te zijn.

'U zult het zien,' zei hij alleen maar. 'U zult het zien.'

In het varkenshok aan de rand van het terrein had de grote, naamloze zeug honger.

Ze volgde het ritme van de dagen, en naarmate er meer verstreken, groeiden haar verlangens. Ze wist dat de tijd van muffe spoeling in een trog voorbij was. Zulk varkensgenot had plaatsgemaakt voor trek in an­dere voeding.

Al vanaf de eerste keer had ze een voorliefde voor voedsel met een be­paalde structuur, een bepaalde substantie. Het was geen voedsel dat ze de hele tijd wilde hebben, ze verlangde er alleen op sommige momenten naar. Het was eigenlijk ook geen groot verlangen: ze wilde alleen wat knabbelen aan de hand die haar te eten gaf.

Ze stond voor het hek van haar gevangenis, lusteloos van ongeduld, wachtend en wachtend. Ze snoof en snuffelde, en haar ongeduld ging over in een doffe woede. In het hok naast haar voelden haar gecastreer­de zoons haar opwinding en begonnen zelf ook te snuiven. Ze kenden haar aard, en dit was gevaarlijk. Per slot van rekening had ze twee van hun broertjes opgevreten, levend en wel, zo uit haar eigen moeder­schoot.

Door de blauwe sluier van de schemering drongen geluiden tot haar door, het zacht ruisende geluid van iets wat zich door brandnetels be­woog, vergezeld van stemmengemompel.

Twee jongens naderden het varkenshok met ontzag en voorzichtigheid bij iedere stap die ze deden. Ze waren een beetje bang voor haar, en dat was ook wel begrijpelijk. Er deden zoveel verhalen de ronde over de streken die ze had uitgehaald.

Sprak ze niet, als ze kwaad was, met die bezeten stem, bewoog ze dan niet haar dikke varkensmond om met een gestolen tong te spreken? Stond ze niet soms op haar achterpoten, roze en majesteitelijk, en eiste ze dan niet dat de kleinste jongens naar haar toe werden gestuurd opdat ze hen als haar biggen kon zogen? En sloeg ze niet net zo lang met haar venijnige hakken op de grond tot het voedsel dat ze haar brachten, in kleine stukjes was gesneden en tussen een trillende duim en wijsvinger in haar bek werd gestoken? Al die dingen deed ze. En ergere dingen.

Vanavond, wisten de jongens, brachten ze haar niet wat ze verlangde. Het vlees op de schaal die ze meebrachten, was niet het vlees waar ze op rekende. Niet het heerlijke witte vlees waar ze met die andere stem van haar om had gevraagd. Het vlees dat ze, als ze dat wilde, met ge­weld kon nemen. Vanavond bestond de maaltijd simpelweg uit muf spek dat de jongens uit de keukens hadden gegapt. Het voedsel waar ze naar hunkerde, het vlees dat achtervolgd en bang gemaakt was om de spieren te laten uitzetten en dat vervolgens als een steak was beklopt, dat heerlijke vlees stond onder speciale bescherming. Het zou wel even duren voor ze het naar de slachtbank konden leiden. Intussen hoopten ze dat ze hun verontschuldigingen en hun tranen zou aanvaarden en hen niet in haar woede zou verslinden. Toen ze bij de muur van het varkenshok waren aangekomen, had een van de jongens in zijn broek gescheten, en de zeug rook hem. Haar stem nam een ander timbre aan, ze genoot van hun angst. In plaats van de gebruikelijke diepe knorgeluiden produceerde ze nu een scheller geluid, alsof ze wilde zeggen: Ik weet het, ik weet het. Kom hier, dan zal ik over jullie oordelen. Ik weet het, ik weet het.

Ze keek naar hen door de spijlen van het hek, en haar ogen glinsterden als juwelen in de schemeravond, zuiverder nog dan de avond zelf, zo sterk was haar verlangen.

De jongens knielden bij het hek neer, hun hoofden angstig gebogen. De schaal die ze samen vasthielden, was afgedekt met een gevlekte katoe­nen doek.

'Nou?' zei ze. De stem klonk onmiskenbaar in hun oren. Zijn stem, uit de mond van het varken.

De oudere jongen, een zwarte jongen met een gespleten gehemelte, pro­beerde zijn angst zo goed mogelijk te overwinnen en sprak zacht tegen haar glinsterende ogen: 'Het is niet waar je om vroeg. Het spijt ons.'

De andere jongen, die zich allerminst op zijn gemak voelde in zijn volle broek, mompelde ook een verontschuldiging.

'Maar we zullen hem voor je te pakken krijgen. Echt waar. We brengen

hem heel gauw naar je toe, zo gauw als maar enigszins mogelijk is.'

'Waarom vanavond niet?' zei het varken.

'Hij wordt beschermd.'

'Een nieuwe leraar, meneer Redman.'

De zeug scheen het al te weten. Ze herinnerde zich de confrontatie, ze wist nog hoe hij naar haar had staan kijken alsof ze een zoölogische zeldzaamheid was. Dus dat was haar vijand, die oude man. Ze zou hem wel krijgen. O ja.

De jongens hoorden haar wraak zweren en waren blij dat de zaak hun op deze manier uit handen werd genomen. 'Geef haar het vlees,' zei de zwarte jongen.

De ander stond op en trok de doek weg. Het spek rook slecht, maar dat belette de zeug niet om van enthousiasme een beetje te gaan kwijlen. Misschien had ze hen vergeven. 'Toe dan, vlug.'

De jongen nam het eerste hapje spek tussen duim en wijsvinger en hield het de zeug voor. Ze draaide er zijdelings haar bek naar toe en at het met veel vertoon van haar gelige tanden op. Het was snel verdwenen. Met het tweede, derde, vierde en vijfde lapje ging het niet anders. Het zesde en laatste hapje nam ze tegelijk met zijn vingers. Ze hapte ze met zoveel snelheid weg dat de jongen pas een schreeuw kon geven toen haar tanden de dunne kootjes al hadden doorgebeten en ze de vingers al had doorgeslikt. Hij trok zijn hand over het muurtje terug en keek met grote ogen naar zijn verminking. Eigenlijk had ze maar weinig schade aangericht. Het topje van zijn duim en de helft van zijn wijsvin­ger waren verdwenen. De wonden bloedden snel en overvloedig, en het bloed viel op zijn overhemd en zijn schoenen. Ze gromde en snoof en scheen tevreden te zijn. De jongen rende jammerend weg.

'Morgen,' zei de zeug tegen de overgebleven smekeling. 'Niet dat oude

varkensvlees. Het moet wit zijn. Wit en mals.' 'Ja,' zei de jongen. 'Ja, natuurlijk.' 'Stel me niet nog eens teleur,' zei ze. 'Nee.'

'Ik kom hem zelf halen, waar hij zich ook verstopt. Ik vreet hem op in zijn bed, als ik dat wil. In zijn slaap vreet ik zijn voeten op, en dan zijn benen, en dan zijn ballen, en dan zijn heupen. ..' 'Ja, ja.'

ik wil hem hebben!' zei de zeug, en ze stampte met haar poot in het stro. 'Hij is voor mij.'

'Henessey dood?' zei Leverthal, die met gebogen hoofd een van haar eindeloze rapporten zat te schrijven. 'Dat is het zoveelste verzinsel. Het ene moment zegt die jongen dat Henessey in het Centrum is, en dan zegt hij dat hij dood is. Die jongen kan niet eens zijn leugens onthouden.' Het was moeilijk om deze tegenstrijdigheden te betwisten, tenzij je even gemakkelijk als Lacey wilde aannemen dat er spoken bestaan. En dat hoefde Redman niet tegen deze vrouw te verkondigen. Dat was onzin. Spoken bestonden niet; het was de angst die ze zichtbaar maakte. Maar de mogelijkheid dat Henessey zelfmoord had gepleegd, leek Redman reëler. Hij bleef aandringen.

'Waar zou Lacey dat verhaal van Henessey's dood dan vandaan halen? Het is niet iets wat je zomaar verzint.'

Ze verwaardigde zich nu eindelijk naar hem op te kijken, haar gezicht in zichzelf teruggetrokken als een slak in zijn schelp. 'Een vruchtbare fantasie hebben ze hier bijna allemaal. U zou de verha­len eens moeten horen die ik op de band heb staan: sommige zijn zo exotisch dat je het niet voor mogelijk houdt dat iemand ze kan ver­zinnen.'

'Zijn er hier gevallen van zelfmoord geweest?'

in mijn tijd?' Ze dacht een ogenblik na, haar pen nog in de aanslag. 'Twee pogingen. Niet serieus bedoeld, geloof ik. Hulpsignalen.' 'Was Henessey daar een van?' Ze schudde grinnikend met haar hoofd.

'Henessey was onevenwichtig in een heel ander opzicht. Hij dacht dat hij het eeuwige leven had. Dat was zijn kleine droom: Henessey de Nietzscheaanse Superman. Hij kon voor de grote massa eigenlijk alleen maar minachting opbrengen. Wat hem betrof stond hijzelf op een heel ander niveau. Hij stond net zo ver boven ons gewone stervelingen als boven dat ellendige...'

Hij wist dat ze varken had willen zeggen, maar ze hield zich op het laat­ste moment in.

'Als die ellendige dieren op de boerderij,' zei ze, en ze keek weer naar haar rapport.

'Is Henessey vaak op de boerderij geweest?'

'Niet vaker dan de andere jongens,' loog ze. 'Ze houden geen van allen van het werk op de boerderij, maar ze moeten er om de beurt werken. Het uitmesten van die hokken is geen leuk werk. Daar kan ik van mee­praten.'

Redman wist dat ze hem een leugen had verteld en daarom repte hij niet van de laatste bijzonderheid die Lacey hem had verteld: dat Henessey in het varkenshok aan zijn eind was gekomen. Hij haalde zijn schouders op en gooide het over een heel andere boeg. 'Krijgt Lacey medicijnen?' 'Wat kalmerende middelen.'

'Krijgen de jongens altijd kalmerende middelen wanneer ze gevochten hebben?'

'Alleen wanneer ze proberen te ontsnappen. We hebben niet genoeg personeel om knapen als Lacey de hele tijd in de gaten te houden. Ik begrijp niet waar u zich zo druk om maakt.'

'Ik wil dat hij me vertrouwt. Ik heb hem een belofte gedaan. Ik wil hem niet teleurstellen.'

'Eerlijk gezegd klinkt dit me in de oren als een verzoek om een speciale behandeling. De jongen is maar een van de velen. Geen unieke proble­men, en geen bijzondere hoop op verlossing.' 'Verlossing?' Het was een vreemd woord.

'Rehabilitatie of hoe u het ook noemen wilt. Hoor eens, meneer Red­man, ik zal eerlijk tegen u zijn. Er bestaat hier de indruk dat u niet goed functioneert in ons team.'

'O?'

'Wij vinden allemaal, en ik geloof dat ik nu ook namens de gouverneur kan spreken, dat u ons onze gang moet laten gaan zoals wij dat altijd gedaan hebben. Het zou goed zijn als u eerst wat ervaring opdeed en dan pas begon. . .' '.. .mij overal mee te bemoeien.'

Ze knikte. 'Zo zou je het kunnen zeggen. U bent bezig vijanden te maken.'

'Dank u voor de waarschuwing.'

'Dit werk is ook zonder vijanden al moeilijk genoeg, gelooft u mij.' Ze probeerde hem verzoenend aan te kijken, maar Redman negeerde dat. Met vijanden kon hij leren leven, met leugenaars niet.

De kamer van de gouverneur zat nu al een hele week op slot. Er werden uiteenlopende verklaringen voor zijn afwezigheid gegeven. Een van de favoriete redenen die door de docenten werden rondverteld, was dat hij besprekingen voerde met instanties waar het Centrum financieel van af­hankelijk was, al stond daar tegenover dat zijn secretaresse beweerde dat ze het niet zeker wist. Er waren symposia op de universiteit, zei ie­mand, over de problemen van Verbeteringscentra. Misschien is hij daar

naar toe. Als meneer Redman wilde kon hij een boodschap achterlaten,

die zou aan de gouverneur worden doorgegeven.

Toen hij in de werkplaats terugkwam, zat Lacey daar op hem te wachten. Het was bijna kwart over zeven. De lessen waren allang afgelopen.

'Wat doe je hier?'

'Wachten, meneer.'

'Waarop?'

'Op u, meneer. Ik wilde u een brief geven, meneer. Voor mijn moeder. Wilt u die aan haar sturen?'

'Je kunt hem toch via de gebruikelijke kanalen versturen? Geef hem maar aan de secretaresse van de gouverneur, die zorgt wel dat hij in de bus komt. Je mag twee brieven per week versturen.' Lacey's gezicht betrok.

'Ze lezen die brieven, meneer, voor het geval je iets schrijft dat je niet

mag schrijven. En als ze zoiets zien, verbranden ze de brief.'

'En jij hebt iets geschreven wat je niet mag schrijven?'

Hij knikte.

'Wat?'

'Over Kevin. Ik heb haar alles over Kevin geschreven, over wat er met hem is gebeurd.'

'Ik heb de indruk dat je het wat Henessey betreft niet helemaal bij het rechte eind hebt.'

De jongen haalde zijn schouders op. 'Het is waar, meneer,' zei hij met een rustige stem. Blijkbaar kon het hem niet meer schelen of hij Red­man kon overtuigen of niet. 'Het is waar. Hij is hier, meneer. In haar.' 'In wie? Waar heb je het over?'

Misschien zei Lacey die dingen alleen maar omdat hij bang was, zoals

Leverthal veronderstelde. Er waren grenzen aan het geduld dat hij met

die jongen had, en die grenzen waren nu bijna bereikt.

Er werd op de deur geklopt en Slape, een puistig individu, keek hem

door het draadglas aan.

'Kom binnen.'

'Een dringend telefoongesprek voor u, meneer. In het kantoor van de secretaresse.'

Redman had een hekel aan de telefoon. Dat ellendige apparaat bracht nooit goed nieuws. 'Dringend. Wie is het?'

Slape haalde zijn schouders op en plukte aan zijn gezicht. 'Blijf je even bij Lacey?'

Slape vond dat blijkbaar geen prettig vooruitzicht.

'Hier, meneer?' vroeg hij.

'Hier.'

'Ja, meneer.'

'Ik reken op je, dus stel me niet teleur.' 'Nee, meneer.'

Redman keek Lacey aan. De jongen huilde, 'Geef me je brief maar. Ik neem hem wel mee.' Lacey had de envelop weer in zijn zak gestopt. Hij haalde hem met eni­ge tegenzin te voorschijn en gaf hem aan Redman, 'Zeg dank u wel.' 'Dank u, meneer.'

De gangen waren leeg.

Het was televisietijd en de dagelijkse aanbidding van het kastje was be­gonnen. Ze zouden vast al gefascineerd naar het zwart-wittoestel zitten te kijken dat de Recreatiezaal domineerde. Met hun mond open en hun verstand op nul keken ze naar de brij van politieseries en quizzen en oorlogsfilms. Er hing een gehypnotiseerde stilte over de groep, totdat er iets van geweld of seks op komst leek te zijn. Dan barstte er een tumult in de zaal los: gefluit, obsceniteiten, kreten van aanmoediging. Maar als er dan weer een dialoog begon, viel er een doffe stilte in waarin ze wachtten op het volgende pistool, de volgende halfnaakte vrouw. Hij kon muziek en geweervuur door de gang horen galmen. Het kantoortje was open, maar de secretaresse was er niet. Ze was waar­schijnlijk al naar huis gegaan. De klok aan de wand gaf acht uur negentien aan. Redman zette zijn horloge gelijk.

De telefoonverbinding was verbroken. Degene die hem had gebeld was het wachten moe geworden en had geen boodschap achtergelaten. Hij was blij dat het telefoontje blijkbaar niet zo belangrijk was dat degene die hem belde op hem had willen wachten, maar aan de andere kant was het een teleurstelling dat hij niet met de buitenwereld kon spreken. Het was net zoiets als wanneer Robinson Crusoe een zeil zag dat in de verte aan zijn eiland voorbij trok.

Belachelijk: dit was niet zijn gevangenis. Hij kon vertrekken wanneer hij maar wilde. Hij kon vanavond nog weggaan, dan was hij geen Ro­binson Crusoe meer.

Hij dacht erover om Lacey's brief op het bureau achter te laten, maar hij deed het niet. Hij had beloofd dat hij de belangen van de jongen zou beschermen, en dat zou hij ook doen. Zo nodig zou hij de brief zelf op de bus doen.

Denkend aan niets in het bijzonder begon hij naar de werkplaats terug te lopen. Hij had een vaag gevoel dat er iets mis was. 'Dit vervloekte gebouw,' zei hij hardop en hij bedoelde niet de muren en de vloeren maar de verraderlijke val die ze vormden. Hij had het gevoel dat hij hier kon sterven terwijl zijn goede bedoelingen netjes om hem heen gearran­geerd lagen, als bloemen om een lijk, en niemand zou het weten, of zich er iets van aantrekken, of om hem rouwen. Idealisme was hier zwak­heid, medegevoel stond gelijk met gebrek aan zelfbeheersing. In dit ge­bouw heerste een diep onbehagen, onbehagen en. . . Stilte.

Dat was er mis. De televisie knalde en gierde nog door de gang, maar verder was er alleen stilte. Geen gefluit, geen geschreeuw. Redman liep met vlugge passen door de gang naar de Recreatiezaal te­rug. In dit deel van het gebouw mocht worden gerookt, en het stonk hier muf naar sigaretten. Verderop ging de herrie onverminderd door. Een vrouw gilde iemands naam. Een man gaf antwoord, maar zijn woorden werden afgekapt door een salvo pistoolvuur. Half afgemaakte verhalen hingen in de lucht.

Hij was bij de zaal aangekomen en maakte de deur open. De televisie riep hem toe: 'Ga liggen!' 'Hij heeft een pistool!' Weer een schot.

De vrouw, blond en met grote borsten, werd in haar hart door de kogel getroffen en stierf op het trottoir, in de armen van de man van wie ze hield.

De tragedie voltrok zich zonder toeschouwers. De Recreatiezaal was leeg, de oude fauteuils en met graffiti bekerfde bankjes stonden alle­maal nog voor het televisietoestel, maar het publiek had blijkbaar beter amusement gevonden. Redman zigzagde tussen de stoelen en banken door en zette de televisie af. Terwijl de zilverig-blauwe fluorescentie wegstierf en het aanhoudend gestamp van muziek werd afgekapt, werd hij zich er in het sombere schemerduister van bewust dat er iemand bij de deur stond. 'Wie is daar?' 'Slape, meneer.'

'Ik heb je gezegd dat je bij Lacey moest blijven.'

'Hij moest weg, meneer.'

'Weg?'

'Hij rende weg, meneer. Ik kon hem niet tegenhouden.' 'Stommeling. Wat bedoel je, je kon hem niet tegenhouden?' Redman begon door de zaal terug te lopen en bleef met zijn voet achter een bankje haken. Het ding schraapte over het linoleum. Slape trok zijn schouders in.

'Het spijt me, meneer,' zei hij. ik kon hem niet te pakken krijgen. Ik

heb een slechte voet.'

Dat was zo, Slape liep mank.

'Welke kant ging hij op?'

Slape haalde zijn schouders op.

'Dat weet ik niet zeker, meneer.'

'Nou, denk eens goed na.'

'U hoeft niet zo kwaad te worden, meneer.'

Dat 'meneer' werd een beetje lijzig uitgesproken, met overdreven respect. Redman merkte dat zijn handen jeukten om die etterige puber op zijn gezicht te slaan. Hij was nu een paar meter van de deur verwij­derd. Slape ging niet opzij. 'Opzij, Slape.'

'Echt waar, meneer, u kunt hem nu niet helpen. Hij is weg.' 'Ik zei opzij.'

Toen hij een stap naar voren deed om Slape opzij te duwen, hoorde hij een klikgeluid ter hoogte van zijn navel. Die ellendeling drukte een sti­letto tegen zijn buik. De punt prikte in het vet van zijn maagstreek. 'Het is echt niet nodig dat u achter hem aan gaat, meneer.' 'Wat ben jij in godsnaam aan het doen, Slape?' 'We spelen alleen maar een spelletje,' zei hij tussen zijn vergeelde tan­den door. 'Het kan echt geen kwaad. U kunt ons maar beter met rust laten.'

De punt van het mes had bloed te voorschijn gebracht. Het liep warm omlaag naar Redmans kruis. Slape was bereid hem te doden; geen twij­fel mogelijk. Welk spelletje er hier ook gespeeld werd, Slape had zijn eigen pretje. Leraartje doodmaken, heette dat. Het mes werd nog steeds, oneindig langzaam, door Redmans vlees gedrukt. Het smalle stroompje bloed was een bredere stroom geworden. 'Kevin vindt het soms leuk om te komen spelen,' zei Slape. 'Henessey?'

'Ja, jullie noemen ons liever bij onze achternamen, nietwaar? Dat is mannelijker, nietwaar? Dat betekent dat we geen kinderen zijn, dat be­tekent dat we mannen zijn. Maar weet u meneer, Kevin is eigenlijk geen man. Hij heeft nooit een man willen zijn. Ik geloof zelfs dat hij dat een verschrikkelijk idee vond. Weet u waarom?' (Het spierweefsel werd nu zachtjes door het mes gespleten.) 'Hij dacht dat als je eenmaal een man was, je begon te sterven: en Kevin zei altijd dat hij nooit zou sterven.' 'Dat hij nooit zou sterven?' 'Nooit.'

'Ik wil hem ontmoeten.'

'Iedereen wil hem ontmoeten, meneer. Hij heeft charisma. Dat zegt me­vrouw Leverthal: hij heeft charisma.' 'Ik wil die charismatische jongen ontmoeten.' 'Binnenkort.' 'Nu.'

'Ik zei binnenkort.'

Redman greep de pols van Slape zo snel vast dat de jongen geen tijd had om het mes nog verder in zijn buik te steken. De jongen reageerde erg langzaam, misschien verkeerde hij zelfs onder invloed van verdovende middelen, en Redman had geen moeite met hem. Hij verstrakte zijn greep op de pols en Slape liet het mes uit zijn hand vallen. Vervolgens nam hij Slape met zijn andere arm in de houdgreep. Redmans hand­palm drukte tegen de adamsappel van zijn belager, zodat die begon te gorgelen.

'Waar is Henessey? Breng me naar hem toe.'

De ogen die Redman aankeken, waren even troebel als zijn woorden, de irissen waren zo klein als speldenknopjes. 'Breng me naar hem toe!' eiste Redman.

Slapes hand vond Redmans doorgeprikte buik en zijn vuist sloeg tegen de wond. Redman vloekte, liet zijn greep verslappen en Slape zag bijna kans om zich te bevrijden, maar op dat moment pompte Redman zijn knie met een venijnige stoot in het kruis van de jongen. Slape wilde van pijn dubbelklappen, maar de houdgreep verhinderde dat. De knie kwam weer omhoog, ditmaal nog harder. En nog eens. En nog eens. De tranen rolden Slape spontaan over de wangen. Ze rolden door het mijnenveld van zijn puisten.

'Ik kan jou net zo goed pijn doen als jij mij,' zei Redman, 'dus als je hier de hele avond mee wilt doorgaan, vind ik dat prima.' Slape schudde zijn hoofd. Hij kon, doordat zijn luchtpijp half was dichtgeknepen, alleen met korte pijnlijke teugjes ademhalen. 'Wil je niet meer?'

Slape schudde weer met zijn hoofd. Redman liet hem los en smeet hem tegen de muur van de gang. Jammerend van pijn, zijn gezicht kramp­achtig samengetrokken, liet hij zich langs de muur omlaag glijden tot hij in foetushouding lag, zijn handen tussen zijn benen. 'Waar is Lacey?'

Slape was begonnen te beven. De woorden kwamen als een jachtige stroom over zijn lippen. 'Waar denk je? Kevin heeft hem.' 'Waar is Kevin?'

Slape keek verbaasd naar Redman op. 'Weet je dat niet?'

'Als ik het wist, zou ik het je niet vragen, hè?'

Het leek erop dat Slape nu in een krampachtige beweging naar voren kwam om een zucht van pijn te laten ontsnappen. Redman dacht eerst dat de jongen in elkaar zakte, maar Slape had andere plannen. Het mes lag plotseling weer in zijn hand, hij had het van de vloer gegraaid, en Slape stootte het omhoog in de richting van Redmans kruis. Redman stapte nog net op het allerlaatste moment opzij, maar Slape was inmid­dels weer overeind gekrabbeld, zonder nog acht te slaan op zijn pijn. Het mes ging bliksemsnel heen en weer en Slape snauwde hem tussen zijn tanden door toe wat hij van plan was. ik vermoord je, varken. Ik vermoord je, varken.' Toen had hij zijn mond wijd open en schreeuwde hij: 'Kevin! Kevin! Help me!'

De uithalen met het mes werden slechter gericht naarmate Slape zijn zelfbeheersing verloor. Terwijl tranen, snot en zweet over zijn gezicht liepen, strompelde hij op zijn slachtoffer af.

Redman had op dit moment gewacht. Hij gaf een verlammende schop tegen Slapes knie; naar hij veronderstelde tegen het zwakke been. Dat bleek een juiste veronderstelling te zijn. Slape gaf een schreeuw en wan­kelde achterover. Hij tolde op zijn benen en sloeg met zijn gezicht tegen de muur. Redman vervolgde zijn aanval door tegen Slapes rug te du­wen. Te laat realiseerde hij zich wat hij had gedaan. Slapes lichaam ont­spande zodra de hand waarin hij het mes had gehad, in het nauw tussen muur en lichaam, naar beneden gleed, bloederig en zonder mes. Slape blies zijn adem uit en zakte log tegen de muur, zodat het mes nog dieper in zijn buik doordrong. Hij was al dood voordat hij de grond raakte. Redman draaide hem om. Hij was er nooit aan gewend geraakt dat de dood zo plotseling zijn slag kon slaan. Dat iemand zo snel aan zijn eind kon komen, als het beeld op het televisiescherm dat gedoofd wordt. Af­gezet en weg. Zonder één mededeling achter te laten. Toen hij door de gang terugliep, heerste er daar een doodse stilte. De steekwond in zijn maagstreek was niet ernstig, en het bloed had zelf een verband gemaakt van zijn overhemd. Het had het katoen aan het vlees laten plakken en zo de wond afgedicht. Het deed bijna helemaal geen pijn. Maar die wond was het minste van zijn problemen: hij had mys­teries te ontsluieren, en hij voelde zich daar absoluut niet toe in staat. De benauwde, uitgeputte atmosfeer van het gebouw maakte dat hij zich op zijn beurt benauwd en uitgeput voelde. Er was hier nergens gezond­heid te vinden, nergens goedheid, nergens redelijkheid. Plotseling geloofde hij in spoken.

In de grote hal brandde nog licht, een kaal gloeilampje boven de doodse ruimte. In het licht daarvan las hij Lacey's verkreukelde brief. De vlek­kerige woorden op het papier waren als lucifers die zijn paniek hoog lie­ten oplaaien.

Mama,

Ze hebben me aan het varken gevoerd. Geloof ze niet als ze zeggen

dat ik nooit van je heb gehouden, of als ze zeggen dat ik ben weggelo­pen. Dat heb ik nooit gedaan. Ze hebben me aan het varken gevoerd.

Ik hou van je.

Tommy

Hij stopte de brief in zijn zak, liep naar buiten en begon over het veld te rennen. Het was nu echt donker: een diepe sterrenloze duisternis, en de lucht was drukkend. Zelfs bij daglicht wist hij niet goed hoe hij lopen moest om bij de boerderij te komen; in het donker was het nog moeilij­ker. Hij was al gauw verdwaald, ergens tussen het speelveld en de bo­men. Het hoofdgebouw achter hem was zo ver weg dat hij de contouren niet meer kon zien, en de bomen waar hij naartoe liep waren allemaal hetzelfde.

De avondlucht was zwoel. Er stond geen zuchtje wind dat zijn vermoeide benen nieuwe energie had kunnen geven. Het was buiten even be­nauwd als binnen, alsof de hele wereld een binnenhuis was geworden: een verstikkende kamer, begrensd door een plafond met geschilderde wolken.

Hij bleef in het donker staan, voelde hoe het bloed in zijn hoofd bonsde en probeerde zich te oriënteren.

Links van hem, waar hij had vermoed dat de bijgebouwen stonden, schemerde een licht. Het was duidelijk dat hij zich volkomen in zijn po­sitie had vergist. Dat licht kwam van het varkenshok. Het silhouetteerde de gammele kippenren. Hij zag nu ook gestalten, meerdere zelfs. Ze stonden daar alsof ze naar iets keken wat hij nog niet kon zien. Hij begon in de richting van het varkenshok te lopen zonder te weten wat hij zou doen als hij daar eenmaal was aangekomen. Als ze allemaal gewapend waren zoals Slape, en als ze dezelfde moorddadige intenties hadden, zou dat zijn einde betekenen. Die gedachte deed hem niet veel. Op de een of andere manier was het wel een aanlokkelijk vooruitzicht om uit dit afgesloten wereldje weg te komen. Hoe dan ook. En dan was Lacey er ook nog. Toen hij met Leverthal had gesproken, had hij een ogenblik getwijfeld. Hij had zich afgevraagd waarom hij zich zo veel aan die jongen gelegen liet liggen. In die beschuldiging van haar dat hij de jongen een speciale behandeling wilde geven, zat wel een kern van waarheid. Zat er diep in hem het verlangen dat Thomas Lacey naakt bij hem zou zijn? Was dat de ondertoon van Leverthals opmer­king? Zelfs op dit moment, nu hij onzeker naar die lichten rende, kon hij alleen maar aan de ogen van de jongen denken, hoe ze groot en ver­langend diep in zijn eigen ogen hadden gekeken. Daar in de verte waren gestalten in de avond, ze liepen van de boerderij weg. Hij kon ze zien in het licht van het varkenshok. Was het allemaal al voorbij? Hij maakte een grote omtrekkende beweging naar links om te verhinderen dat hij het groepje zou tegenkomen. Ze maakten geen ge­luid. Er werd niet gepraat en er werd niet gelachen. Zoals mensen die van een begrafenis komen liepen ze rustig door de duisternis, elk op eni­ge afstand van de anderen, het hoofd gebogen. Het was een vreemd ge­zicht, die goddeloze delinquenten, zo van ontzag vervuld. Hij bereikte de kippenren zonder een van hen tegen te komen. Er hingen nog een paar mensen bij het varkenshok rond. Langs de muur van de ruimte waar de zeug was ondergebracht stonden tientallen kaar­sen. Ze brandden met een kalme vlam in de roerloze lucht en wierpen een warm schijnsel op de bakstenen muur, en ook op de gezichten van de weinigen die nog in de mysteriën van het varkenshok tuurden.

Leverthal was een van hen, evenals de bewaker die op die eerste dag bij Lacey's hoofd was neergeknield. Er stonden ook twee of drie jongens. Hij herkende hun gezichten maar wist niet hoe ze heetten. Er kwam een geluid uit het hok, het geluid waarmee de zeug over het stro schuifelde terwijl ze naar hen terugkeek. Er sprak iemand, maar Redman kon niet horen wie dat was. Het was de stem van een jongen. Hij sprak met een zangerige klank. Toen de stem zijn monoloog onder­brak, liepen de bewaker en een van de jongens weg alsof ze waren heen­gezonden. Ze verdwenen in de duisternis. Redman sloop nog wat dich­terbij. De tijdsfactor was nu van het grootste belang. Straks zouden de eersten van het groepje het veld zijn overgestoken en het hoofdgebouw zijn binnengegaan. Ze zouden Slapes lijk vinden en alarm slaan. Hij moest Lacey nu vinden, dat wil zeggen, als Lacey nog te vinden was. Leverthal was de eerste die hem zag. Ze keek op van het hok en knikte hem toe. Blijkbaar vond ze het helemaal niet erg dat hij hier kwam. Het was of zijn komst iets onvermijdelijks was, of alle wegen naar de boer­derij leidden, naar de varkenshokken en de stank van uitwerpselen. Het leek erg logisch dat ze dat geloofde. Hij zou het zelf bijna ook gaan geloven.

'Leverthal,' zei hij.

Ze glimlachte openlijk naar hem. De jongen naast haar keek op en glim­lachte ook.

'Ben jij Henessey?' vroeg hij aan de jongen. De jongen lachte, en Leverthal ook. 'Nee,' zei ze. 'Nee. Nee. Nee. Henessey is hier.' Ze wees in het varkenshok.

Redman legde de paar resterende meters naar de muur van het varkens­hok af. Hij verwachtte iets maar durfde het niet te verwachten: het stro en het bloed en het varken en Lacey.

Maar Lacey was er niet. Er was alleen het varken, groot en vet als altijd. Ze stond in haar eigen mest en haar kolossale, belachelijke oren flapten over haar ogen.

'Waar is Henessey?' vroeg Redman terwijl hij het varken recht aankeek.

'Hier,' zei de jongen. 'Dat is een varken.'

'Ze heeft hem opgegeten,' zei de jongen, die nog steeds glimlachte. Hij vond het blijkbaar een prachtig idee. 'Ze heeft hem opgegeten, en hij spreekt door haar.'

Redman had zin om in lachen uit te barsten. In vergelijking hiermee wa­ren Lacey's verhalen over spoken bijna volkomen geloofwaardig. Ze wilden hem wijs maken dat het varken bezeten was. 'Heeft Henessey zich opgehangen, zoals Tommy zei?' Leverthal knikte.

in het varkenshok?' Opnieuw knikte ze.

Plotseling kreeg hij een ander beeld van het varken. In zijn verbeelding zag hij haar de kop opheffen om aan de voeten van Henessey's bunge­lende lichaam te snuffelen. Ze voelde hoe de dood zich van hem meester maakte en kwijlde bij de gedachte aan zijn vlees. Hij zag haar likken aan de dauw die op zijn huid kwam zodra het rottingsproces was begon­nen, ze likte eraan en knabbelde heel voorzichtig, en toen verslond ze hem. Het was niet al te moeilijk te begrijpen hoe de jongens een hele mythologie van die gruweldaad hadden bedacht: ze hadden er natuur­lijk van alles omheen verzonnen en aanbaden het varken nu als een god­heid. De kaarsen, de eerbied, het voorgenomen offeren van Lacey: het waren allemaal blijken van ziekte, maar eigenlijk was het niet veel vreemder dan wel duizend andere religieuze gewoonten. Hij begon zelfs begrip te krijgen voor Lacey's matheid, voor het feit dat hij zich niet meer wilde verzetten tegen de machten die hem belaagden. Mama, ze hebben me aan het varken gevoerd.

Niet mama, help me, red me. Nee: ze hebben me aan het varken gegeven.

Dit alles kon hij begrijpen: het waren kinderen, velen van hen hadden een slechte schoolopleiding gehad, sommigen balanceerden op de rand van de labiliteit, ze waren allemaal geneigd tot bijgeloof. Maar dat ver­klaarde Leverthals houding niet. Zij keek weer in het varkenshok en voor het eerst zag Redman nu dat haar haren los over haar schouders hingen, honingkleurig glanzend in het kaarslicht. 'Het lijkt mij een doodgewoon varken,' zei hij.

'Ze spreekt met zijn stem,' zei Leverthal kalm. 'Ze spreekt in tongen, zou je kunnen zeggen. Je zult hem straks wel horen. Mijn lieve jongen.' Toen begreep hij het. 'Jij en Henessey?'

'Kijk me niet zo gechoqueerd aan,' zei ze. 'Hij was achttien, zijn haar was zwarter dan je ooit hebt gezien. En hij hield van me.' 'Waarom heeft hij zich verhangen?'

'Om altijd te blijven leven,' zei ze, 'opdat hij geen man zou worden en dan zou moeten sterven.'

'Het duurde zes dagen voor we hem gevonden hadden,' zei de jongen, die bijna in Redmans oor fluisterde. 'En zelfs toen wilde ze niemand bij hem in de buurt laten komen, toen ze hem eenmaal voor zichzelf had. Het varken, bedoel ik. Niet de doctor. Iedereen hield van Kevin, weet je,' fluisterde hij vertrouwelijk. 'Hij was mooi.' 'En waar is Lacey?'

Leverthals liefhebbende glimlach verflauwde.

'Bij Kevin,' zei de jongen. 'Waar Kevin hem wil hebben.'

Hij wees door de deur van het varkenshok. Er lag een lichaam op het

stro, met zijn rug naar de deur.

'Als je hem wilt hebben, zul je hem moeten halen,' zei de jongen, en op hetzelfde moment nam hij Redman in een soort houdgreep. De zeug reageerde hier meteen op. Ze begon in het stro te stampen en liet het wit van haar ogen zien.

Redman probeerde de jongen van zich af te schudden en stootte tegelij­kertijd met zijn elleboog in zijn buik. De jongen deinsde vloekend te­rug, de lucht was uit zijn longen gepompt, maar Leverthal nam meteen zijn plaats in.

'Ga naar hem toe,' zei ze terwijl ze Redmans haar vastgreep. 'Ga naar hem toe, als je hem wilt hebben.' Haar nagels krasten over zijn slaap en neus, en misten zijn ogen maar net.

'Laat me los!' zei hij, en hij probeerde de vrouw van zich af te schud­den, maar ze hield vast. Terwijl haar hoofd wild heen en weer ging, pro­beerde ze hem over het muurtje te drukken.

De rest gebeurde met een huiveringwekkende snelheid. Haar lange haar streek door een kaarsvlam en het vuur verspreidde zich over haar hoofd. Gillend om hulp struikelde ze over het hek. Het kon haar ge­wicht niet dragen en bezweek naar binnen toe. Redman moest hulpeloos toezien hoe de brandende vrouw in het stro viel. De vlammen verspreid­den zich enthousiast in de richting van de zeug.

Onder zulke extreme omstandigheden was een varken nog altijd een varken. Er voltrokken zich nu geen wonderen: ze sprak noch smeekte in tongen. Het dier raakte in paniek zodra ze zich door het vuur om­ringd zag. Het vuur dreef haar stampende lichaamsmassa steeds verder terug en likte aan haar flanken. De vlammen joegen omhoog langs haar flanken en over haar kop, ze renden als een steppevuur over haar borstelharen.

Haar stem was een varkensstem, haar gejammer was varkensgejammer. Hysterisch knorrend rende ze van het hok weg en over het in elkaar ge­zakte hek, waarbij ze Leverthal vertrapte.

Het nog brandende lichaam van de zeug was als een magisch wezen in de nacht, zoals ze daar door het veld draafde, zigzaggend van pijn. Haar kreten waren nog even goed te horen toen ze door de duisternis was verslonden, het was of ze over het veld heen en weer galmden, niet bij machte om uit de gesloten kamer te ontvluchten. Redman stapte over het door het vuur gehavende lichaam van Leverthal heen en liep naar het hok. Het stro brandde aan alle kanten, en het vuur kroop langzaam naar de deur. Hij kneep zijn oogleden half dicht tegen de prikkelende rook en liep voorovergebogen het hok in. Lacey lag er nog precies zo bij als hij de hele tijd had gelegen, met zijn rug naar de deur. Redman draaide de jongen om. Hij leefde. Hij was wakker. Zijn ogen, opgezwollen door tranen en angst, keken vanaf zijn kussen van stro omhoog, ogen zo groot dat het was of ze elk moment uit zijn hoofd konden springen.

'Sta op,' zei Redman, die over hem heen gebogen stond. Zijn kleine lichaam was helemaal stijf en Redman moest zijn ledematen met enige krachtsinspanning uit elkaar trekken. Met sussende woordjes kreeg hij de jongen overeind, juist op het moment dat de rook in het hok begon door te dringen.

'Kom maar mee, wees maar niet bang, kom maar mee.' Hij richtte zich op en voelde meteen dat er iets door zijn haar streek. Een kleine regen van wormen krioelde op zijn gezicht en toen hij opkeek zag hij Henessey, of wat er van hem over was, aan de dwarsbalk van het varkenshok hangen. Zijn gezicht was onherkenbaar veranderd in een slaphangende brij. Zijn lichaam was ruw afgeknaagd tot aan de heup en zijn ingewanden hingen uit het stinkende karkas, ze bungelden als slijmerige lussen voor Redmans gezicht.

Als de dichte rook er niet was geweest, zou de stank van het lichaam niet uit te houden zijn. Nu voelde Redman alleen een lichte walging, en die walging gaf zijn arm nieuwe kracht. Hij trok Lacey uit de schaduw van het lichaam en duwde hem naar buiten.

Daar laaiden de vlammen niet meer zo hoog op, maar het licht van het vuur en de kaarsen en het brandende lichaam was nog steeds zo fel dat hij, toen hij uit het donkere hok kwam, zijn ogen moest samenknijpen. 'Kom, Lacey,' zei hij, en hij hielp de jongen door de vlammen. De ogen van de jongen bezaten een waanzinnige felheid. Ze wilden hem vertellen dat het allemaal vergeefs was.

Ze liepen naar het hek, stapten over Leverthals lijk en liepen door de duisternis van het open veld.

Met iedere stap die hen verder van de boerderij vandaan bracht scheen de jongen verder uit zijn verdoving te ontwaken. Achter hen stond het varkenshok al in lichterlaaie. Voor hen uit was de duisternis zo roerloos en ondoordringbaar als tevoren.

Redman deed zijn best om niet aan het varken te denken. Dat zou nu wel dood zijn.

Maar toen ze daar over het veld renden, was het of een geluid in de aar­de gelijke pas met hen hield, het geluid van iets kolossaals dat er voorlo­pig genoegen mee nam dezelfde afstand te bewaren maar dat meedogen­loos achter hen aan bleef stampen.

Hij trok Lacey aan zijn arm mee en zo renden ze over de door de zon keihard gebakken grond. Lacey jammerde nu, het waren nog geen ver­staanbare woorden maar hij bracht tenminste geluid voort. Dat was een goed teken, een teken waar Redman behoefte aan had. Hij had deze avond al genoeg waanzin meegemaakt.

Ze bereikten het hoofdgebouw zonder dat er iets gebeurde. De gangen waren net zo leeg als toen hij hier een uur geleden was geweest. Mis­schien hadden ze Slapes lichaam nog niet gevonden. Dat was mogelijk. De jongens hadden er natuurlijk geen behoefte aan gehad om naar de recreatiezaal te gaan. Misschien waren ze stilletjes naar hun slaapzalen geslopen om uit te rusten van de vermoeienissen van hun eredienst. Het werd tijd dat hij een telefoon nam en de politie belde. Man en jongen liepen hand in hand door de gang naar het kantoor van de gouverneur. Lacey was weer stil geworden, maar hij keek nu niet meer zo maniakaal uit zijn ogen. Zo te zien zou het niet lang meer duren voor de louterende tranen kwamen. Hij snoof en maakte keelgeluidjes. Zijn greep op Redmans hand verstrakte maar ontspande toen volkomen.

De grote hal was in duisternis gehuld. Iemand had de gloeilamp kapot­geslagen. Die schommelde nog zachtjes aan zijn snoer heen en weer, verlicht door het doffe schijnsel dat door het raam naar binnen kwam. 'Kom. Er is hier niets om bang voor te zijn. Kom, Lacey.' De jongen boog zich naar Redmans hand en beet in het vlees. Dit ging zo snel dat Redman hem onwillekeurig losliet, en Lacey ging er meteen vandoor.

Het was niet zo erg. Hij kon niet ver komen. Deze ene keer was Redman blij dat het gebouw dikke muren en tralies had.

Redman liep door de verduisterde hal naar het kantoor van de secreta­resse. Er was niets wat bewoog. Degene die de gloeilamp had gebroken hield zich muisstil.

De telefoon was ook kapotgeslagen. Niet zomaar onklaar gemaakt maar volkomen verbrijzeld.

Redman rende naar de kamer van de gouverneur. Daar stond ook een telefoon. Hij zou zich niet door een stelletje vandalen laten tegen­houden.

De deur zat natuurlijk op slot, maar daar was Redman op voorbereid. Hij sloeg het matglas van het raampje in de deur met zijn elleboog in en greep door de opening naar de andere kant. Daar zat geen sleutel. Vooruit dan maar, dacht hij, en hij zette zijn schouder tegen de deur. Die was van sterk en dik hout, en het slot was van goede kwaliteit. Zijn schouder deed pijn en de wond in zijn maagstreek ging weer open toen hij meermalen tegen de deur moest beuken, maar toen stond hij in de kamer.

De vloer was bezaaid met stro. Vergeleken met de stank die hier hing, was het varkenshok een toonbeeld van frisheid. De gouverneur lag ach­ter zijn bureau, en zijn hart was weggevreten.

'Het varken,' zei Redman. 'Het varken. Het varken.' En terwijl hij dat zei, greep hij naar de telefoon.

Een geluid. Hij draaide zich om en kreeg de klap recht in zijn gezicht. Zijn jukbeen en zijn neus waren op slag gebroken. Hij zag vlekken voor zijn ogen, en toen werd alles wit.

In de hal was het niet donker meer. Er brandden kaarsen, het leken er wel honderden. Ze brandden in alle hoeken, op ieder richeltje. Maar misschien speelde zijn wazige hoofd hem parten, misschien konden zijn ogen het niet goed zien. Het zou best één enkele kaars kunnen zijn, ver­menigvuldigd door zijn eigen zintuigen, die zo sterk door de klap waren aangetast dat hij ze niet meer kon vertrouwen.

Hij stond midden in de hal en begreep eigenlijk niet goed hoe hij over­eind kon blijven, want zijn benen voelden verdoofd en onbruikbaar aan. In de rand van zijn gezichtsveld, voorbij de lichtkring van de kaar­sen, kon hij horen praten. Nee, niet echt praten. Het waren geen echte woorden. Het waren geluiden zonder betekenis, voortgebracht door mensen die er misschien helemaal niet waren.

Toen hoorde hij het knorren, het lage astmatische knorren van de zeug, en recht voor hem uit kwam ze uit het dansende licht van de kaarsen te voorschijn. Ze was nu niet mooi meer. Haar flanken waren ge­schroeid, haar kraaloogjes waren dof geworden en haar snuit was op de een of andere manier uit het lood geslagen. Ze hobbelde heel langzaam naar hem toe, en heel langzaam kwam ook de gestalte die schrijlings op haar zat in zicht. Het was natuurlijk Tommy Lacey, naakt als op de dag dat hij geboren werd, zijn lichaam zo roze en zo onbehaard als een van haar biggen, zijn gezicht verstoken van ieder menselijk gevoel. Zijn ogen waren nu haar ogen, en hij leidde de grote zeug aan haar oren voort. En het geluid van de zeug, dat knorrende geluid, kwam niet uit de bek van het varken maar uit zijn mond. Zijn stem was die van het varken.

Redman sprak zachtjes zijn naam uit. Niet Lacey, maar Tommy. De jongen scheen hem niet te horen. Nu pas, nu het varken en haar berijder dichterbij kwamen, drong het tot Redman door waarom hij niet op zijn gezicht was gevallen. Er zat een touw om zijn nek. Op hetzelfde moment dat hij zich dat realiseerde werd de strop nog strakker aangetrokken en werd hij van de vloer gehesen. Hij voelde geen pijn, maar een afschuwelijke walging, erger, zoveel er­ger dan pijn, een diepe afgrond van verdriet, en alles wat hij was viel daarin weg.

Beneden hem waren de zeug en de jongen tot stilstand gekomen, vlak onder zijn bungelende voeten. De jongen, die knorde, was van het var­ken afgeklommen en hurkte naast het beest neer. De lucht leek steeds grijzer te worden, maar toch kon Redman de curve van Lacey's ruggengraat en de vlekkeloze huid nog zien. Hij zag ook het touw met knopen dat uit zijn bleke billen naar achteren stak, een touw met een gerafeld uiteinde. Het leek sprekend op de staart van een varken. De zeug hief haar kop, al konden haar ogen niets meer zien. Hij wilde zich graag verbeelden dat ze hier zwaar onder leed en voortaan zou blij­ven lijden tot ze doodging. Die gedachte was hem bijna voldoende. Toen opende zich de bek van de zeug en sprak ze. Hij was er niet zeker van waar de woorden precies vandaan kwamen, maar ze kwamen. Een jongensstem, nogal zangerig.

'Dit is het lot van het beest,' zei de stem. 'Eten en gegeten worden.' Toen glimlachte de zeug, en ofschoon Redman had gedacht dat hij hele­maal verdoofd was, voelde hij nu toch de eerste schokgolf van pijn toen Lacey's tanden een stukje van zijn voet afbeten. Meteen daarop klom de jongen snuivend langs het lichaam van zijn verlosser omhoog om het leven uit zijn lichaam weg te vreten.