Negende hoofdstuk

Henk deed nog een vertwijfelde poging het autootje van schoenmaker Lameris in te halen, maar Bart deed er niet eens meer moeite voor. Hij had al gezien dat dit onbegonnen werk was. De voorsprong van Lameris was net te groot geweest. Machteloos moesten ze toekijken hoe het wagentje zich verwijderde. Het reed niet snel, maar dat was ook niet nodig. Al had het maar een vaart van dertig kilometer, dan was dat nog meer dan voldoende om de twee broers te ontlopen, die over geen enkel vervoermiddel beschikten en dat ook niet zo gauw zouden kunnen bemachtigen, of het moest een fiets zijn, die ze in de schuur hadden staan. Maar wat wilden ze daarmee beginnen? Nee, het zag er echt naar uit dat de schoenmaker hun ontsnapt was, en waarschijnlijk voorgoed, want de man zou zich hier wel niet meer laten zien.
Maar wat hoorden de van der Laans daar? O, het was geen fraai geluid, dat geknetter en gepof, maar op dat moment klonk het de beide broers als een triomfantelijk jubellied in de oren. Die onwelvoeglijke geluiden, die de stilte van het Nachtegaalsplein verscheurden, waren afkomstig van het vermaarde Fordje van Krijn Oliehoek. Ja hoor, daar kwam het rammelend karkas aangewaggeld — een vehikel uit het jaar nul, maar het reed. Klaarblijkelijk had Oliehoek vanavond net zijn duizendste reparatie aan de kar uitgevoerd, want de wagen leek heel feestelijk te glimmen. De vorige maand had Oliehoek zijn troetelbezit voor de afwisseling opgeschilderd met felle blauwe, rode en gele tinten. Hij hoefde de lampen niet eens aan te steken. Ook in het donker zag je het Fordje wel, zo liepen die kleuren in het oog.
Terwijl het wagentje om de vijver kwam rijden, keek Bart zijn broer Henk eens aan en Henk keek Bart eens aan. Wat wilden ze nog? Daar was een auto, al was het „Blijf van me af!", en hij reed.
„Krijn!" schreeuwden ze allebei. Onverstoorbaar tufte het Fordje door, maar de chauffeur had de beide jongens opgemerkt en minderde enigszins vaart.
„Taxi, heren?" vroeg hij met een weids gebaar en tikte dan nog eens aan de grote geruite pet, die hij op zijn hoofd had gezet. Meteen greep hij naar het hoofddeksel, dat dreigde af te vallen, toen Henk met een plof naast hem op de voorbank terechtkwam. Die had niet eens gewacht tot de auto gestopt was, maar was op de treeplank gesprongen van de rijdende wagen om zich naar binnen te wringen. Bart had een aanval ondernomen op het achterportier en zat ook al op zijn plaats.
Krijn Oliehoek was een onverstoorbare figuur en hij gedroeg zich nu of dit hele gedoe de gewoonste zaak van de wereld was.
„Waarheen, mijne heren?" vroeg de marktkoopman onderdanig, als stond hem een grootscheepse opdracht van de twee broers te wachten.
„Volg die zeepbel!" wees Henk.
Het leek een scène uit een stomme film van zo'n dertig jaar geleden. Hobbelend en waggelend stoof de wagen van Oliehoek voort, nam op twee wielen een scherpe bocht, terwijl de inzittenden tegen elkaar opbotsten, en Het onafgebroken de claxon krijsen. Het Fordje scheen er zowaar nog plezier in te krijgen ook, want het zette behoorlijk vaart. Ze verloren op het ogenblik zeker niet op het autootje van Lameris, dat daarginds voor hen uit tufte.
Je kon niet zeggen dat ze niet de aandacht trokken, want overal bleven mensen, die terugkeerden van de taptoe of onderweg waren naar het vuurwerk, staan kijken naar het voorwereldlijk vehikel, dat daar voort rende. Automobilisten brachten de wijsvinger naar hun voorhoofd, omdat Krijn hen sneed alsof dat volgens een nieuwe verkeersregel zo hoorde te gebeuren. Een agent stak de hand op dat Krijn moest stoppen, maar die tufte rustig door, al beschreef hij een bijzonder sierlijke bocht om de agent ruimschoots te kunnen ontwijken. De politieman was te verbluft om maatregelen te treffen. Krijn wuifde eens vriendelijk naar hem en verbouwereerd zwaaide de agent nog terug ook. Toen het tot hem doordrong wat er gebeurde, hield hij ermee op. Als een dwaas stond hij met zijn hand nog in de hoogte, terwijl liet verkeer om hem heen in het honderd dreigde te lopen. Krijn Het de wagen weer eens een scherpe bocht op twee wielen maken. Hij deed het nu een tikje te zwierig, de auto dreigde haast te kantelen en met een sierlijke zwaai belandde Henk op Krijns schoot.
„Wat is er mijn liefje?" vroeg de marktkoopman, die volkomen in zijn rol bleef. Henk kon het niet helpen dat hij in de lach schoot en daardoor geen kans zag overeind te komen. Het was geen gezicht zoals hij daar half over de marktkoopman heen lag, die gebogen over zijn stuur zat en onder de klep van zijn pet naar de zeepbel tuurde.
Het Fordje deed echt wat ervan gevraagd werd. Het begon zelfs in te lopen op de auto van Lameris, die ze nog altijd niet uit het oog hadden verloren. De motor pruttelde en de uitlaat maakte geluiden, die op het Nachtegaalsplein misschien wel een schandaal veroorzaakt hadden, maar dat mocht de pret niet drukken. Henk, die intussen overeind gekomen was, had
de bediening van de claxon ter hand genomen en wist daar op vernuftige wijze nog een melodietje aan te ontlokken.
„Kom maar op," zong hij mee, „kom maar op." Ondanks de ernstige situatie en de achtervolging, die zeker niet mocht mislukken hadden ze alle drie werkelijk plezier in deze waarlijk dolzinnige rit.
Ze konden nog niet gissen waarheen het autootje van de schoenmaker tenslotte zou vluchten. Het kon nog alle kanten uit. Ergens stonden grote borden met pijlen die aangaven dat het verkeer was omgelegd. Kennelijk waren die er aangebracht in verband met de drukte die de taptoe met zich meebracht. De zeepbel trok er zich niets van aan en tufte doodkalm langs de levensgrote borden heen.
Oliehoek prakkezeerde er geen moment over en volgde het voorbeeld. Kennelijk dachten ze er alletwee hetzelfde over: dat zij nu eenmaal geen volwassen auto's waren en dat de borden dus niet voor hen golden. Henk liet de claxon nog altijd maar klinken. Er moest nu gauw een eind aan de race komen, want verderop raakten ze misschien verzeild tussen de drukte van het verkeer bij het vuurwerk en dan was het de vraag of ze de zeepbel nog zouden kunnen inhalen. Want ondanks al het plezier dat ze hadden, was het daarom toch begonnen, bedacht Henk ineens weer heel grimmig. Ze hadden heel wat af te rekenen met de man, die daar voor hen uit reed. Als ze hem te pakken hadden, zou afdoende kunnen worden aangetoond dat Henk niets met de diefstal te maken had gehad. Er zou nog wel op het Nachtegaalsplein gepraat worden, maar niet over hem. Nee, het zou dan gaan over die achtenswaardige bewoner van het plein, meneer Stavenuiter.
Lameris negeerde opnieuw enkele borden. Oliehoek aarzelde even of hij weer hetzelfde zou doen en minderde wat vaart. Toen hij echter zag dat het wagentje van de schoenmaker niets in de weg werd gelegd en dat het verder kon tuffen, zette ook hij door. Alle drie vroegen ze zich af of Lameris doorhad dat hij achtervolgd werd. Hij zou het luidruchtige Fordje achter zich vast wel hebben opgemerkt, namen ze aan, maar de vraag was of hij de achtervolging serieus nam. Misschien dacht hij wel dat er een paar feestgangers in een grappige bui verkeerden. Maar dat was natuurlijk allemaal maar raden.
Het was Henk, die het eerst zag waar ze zich nu bevonden. Ze waren vlak bij de rivier. Er liep een smalle weg langs het water. Het zag er naar uit dat de zeepbel die zou kiezen. Dat zou niet zo gek zijn, want dan was er een kans dat ze de wagen zouden kunnen inhalen. Op de rechte weg maakte het Fordje echt nog wel een kans tegen de zeepbel, al zouden ze het uiterste van het stokoude voertuig moeten vergen.
Maar het kwam niet eens tot de verwachte race, hoe jammer ze dat ook vonden. Uit de verte klonk het luide geloei van een sirene. Die was van een politieauto, begrepen de inzittenden. Het had er veel van weg dat die de achtervolging had ingezet. Nou, dan was het gauw bekeken met de zeepbel. Tegen zo'n auto zou Lameris niet op kunnen.
En toen gebeurden er allerlei onverwachte dingen, terwijl het einde van de achtervolging zo nabij leek. Links en rechts klonken opeens zware knallen, als stond er vlakbij geschut opgesteld dat begon te vuren. Henk keek schichtig opzij. Waren die knallen soms afkomstig van het Fordje en zou dit aanstonds de lucht in vliegen als het vermaarde kruitschip van Leiden? Maar nee, het waren vuurpijlen, die ijlings de lucht in snelden en daar in de hoogte uiteen spatten in rode, gele en paarse sterretjes. Lieve help, de situatie was toch niet zó gevaarlijk, dat ze al begonnen waren vuurpijlen bij wijze van alarm af te schieten? Links draaiden nu kleine vlammetjes in het rond en dan barstte er een ware kanonnade los. Wielen begonnen in het rond te wentelen, pijlen schoten omhoog en een regenboog van kleuren flakkerde over het water.
Henk begreep het. Doordat ze de verkeersborden hadden genegeerd, waren ze midden tussen het vuurwerk terechtgekomen. Verontwaardigd begon het Fordje weer luidkeels te pruttelen. Kennelijk kon de auto het niet hebben dat die andere dingen nog meer lawaai produceerden dan waartoe hijzelf kans zag.
Er klonk een luide waarschuwingskreet. Heel de omgeving was een ogenblik in duisternis gehuld, omdat alle vuurwerk gedoofd was. Dan joeg er weer een vuurpijl omhoog die uiteen sloeg in een wilde werveling van sterren, die de omtrek ver verlichtten. In dat schijnsel konden ze nog net zien hoe de zeepbel voorover het water in schoot. Maar ze zagen ook nog hoe de bestuurder ervan zich ijlings uit de voeten maakte. Klaarblijkelijk was hij tot het inzicht gekomen dat hij in die auto te gemakkelijk te volgen was en had hij het wagentje het water in gereden om zelf ergens in de omgeving een schuilplaats te zoeken. Hij kon zich daar dan verbergen tot zijn achtervolgers waren afgedropen, omdat ze hem niet konden vinden. Vlak voor het Fordje van Krijn Oliehoek begon nu op heel vervaarlijke wijze vuurwerk te knetteren. Krijn nam het beste besluit dat er te nemen viel. Het werd hem hier te heet en te riskant. Hij reed zijn kostbaar wagentje naar de kant van de weg en parkeerde het onder de afhangende takken van een wilgeboom.
„We kunnen beter uitstappen," zei hij. „Straks krijgen we ongelukken met dat vuurwerk." De broers begrepen dat daar weinig tegen in te brengen viel. Het was gevaarlijk rijden op het smalle pad langs de rivier. Oliehoek raakte telkens weer verblind door het oplaaiende vuurwerk en aanstonds zou hij misschien daardoor het water in rijden.
Ze konden de achtervolging te voet voortzetten, want Lameris had niet zoveel voorsprong op hen. Bovendien zouden ze aanstonds wel assistentie krijgen van de politiewagen, die snel naderbij kwam. Die had de schijnwerper boven op de wagen ontstoken en de bestuurder liep dus niet zoveel kans verblind te raken. Voor alle zekerheid liet Krijn de lampen van zijn auto branden om daardoor de politie te waarschuwen waar zij zich bevonden. Bart en Henk waren intussen al in volle vaart achter de schoenmaker aan, die zich daarginds over de weg voortbewoog. Hij had er namelijk de voorkeur aan gegeven op het pad te blijven en niet zijn toevlucht ergens in de weilanden of het riet terzijde van de weg te zoeken.
Het was een spookachtig gezicht. Telkens weer flakkerden de meest kleurige lichtschijnsels tegen de donkere zomerhemel en in de gloed daarvan zag je het mannetje voorthollen, telkens een stukje verder. De man rende of zijn leven ervan afhing. Maar Bart en Henk waren ook wel wat mans. Ze vuurden elkaar aan of ze een wereldrecord moesten verbeteren. Maar evenals dat bij Bas eerder op de avond het geval was geweest, bleek dat zij het mannetje onderschat hadden. Ondanks de korte beentjes die het had, wist het een formidabele snelheid te ontwikkelen en beide broers zagen geen kans Lameris in te halen.
Het vuurwerk ging intussen maar door. Steeds weer nieuwe stukken ontbrandden. Aan de overkant van de rivier stonden duizenden toeschouwers. Telkens klonken er kreten van bewondering. De mensen hadden er hoegenaamd geen idee van wat er zich vlak onder hun ogen afspeelde. Ze hoorden wel het geloei van de sirene, maar ze dachten dat er misschien een verkeersongeluk was gebeurd.
Er werd nu een bijzonder groot stuk ontstoken. Het licht bleef daardoor minuten lang constant en de broers ontdekten dat het mannetje hun steeds even ver voor bleef, terwijl zijzelf vermoeid begonnen te raken. Waar bleef de politiewagen dan ook? Bart keek eens achterom. Dan begreep hij het wel. De auto was niet door de afzetting heengereden en had daardoor achterstand opgelopen. Pas nu zwaaide de wagen met gillende sirene de weg langs de rivier op. Als Lameris nu toch maar niet ergens het riet indook of bijvoorbeeld het water in ging om naar de overkant te zwemmen. In het donker zouden ze hem dan snel kwijt zijn.
„Volhouden, joh," spoorde Henk zijn broer aan, toen diens vaart onwillekeurig wat verminderde. Voor hen uit draafde de schoenmaker nog altijd voort. In de rode gloed van het nu dovende stuk vuurwerk viel hij goed te onderscheiden.
Ineens viel alle licht weg. Er gloeiden nog wat vonkjes na, maar die verspreidden geen schijnsel meer. Na het felle licht leek de nacht nu eens zo donker. De jongens waren op hun hoede, want de politiewagen kwam snel langs het water aanrijden. Ze gingen veiligheidshalve alvast opzij en renden voort in de berm. Dat ging niet zo gauw, maar ze liepen zo niet de kans door de auto geraakt te worden. Maar de bestuurder had hen al gezien in het licht van de schijnwerper, dat hen even later greep, en stopte naast hen.
„Daar gaat hij!" schreeuwde Henk, voor zich uit wijzend.
De schijnwerper leek zich te rekken en zwaaide over de weg. Er was niets te zien.
„Verder!" riep Henk. Er gingen weer vuurpijlen de hoogte in en toen deze ontbrandden, was de omtrek goed waar te nemen. Zó goed in ieder geval, dat ze konden zien dat de weg langs de rivier voor hen uit leeg en verlaten was. Van Lameris viel niets waar te nemen, ook niet in het veld. Hij leek van de aardbodem weggevaagd.
De politieauto stond daar stil langs de rivier, terwijl de schijnwerper de omtrek bleef aftasten, zonder evenwel iets van de gezochte man te ontdekken. Het gedaver van het vuurwerk was verstild en aan de nachtelijke hemel ontbrandden nu geen vuurpijlen. Het leek de stilte voor de storm, want ineens steeg er een oorverdovend gebrul op. De politiemannen en de beide broers keken elkaar aan. Wat had dit te betekenen? Het geluid had niets te maken met het vuurwerk, het kwam uit een heel andere richting.
„Van het water," zei Bart. Daar kwam het geluid inderdaad vandaan. Het leek wel of er een straaljager startte, zo ging het er tekeer. Je moest de handen voor je oren brengen, omdat je trommelvliezen groot geweld werd aangedaan.
„Daar!" wees een van de agenten. Hij had het zoeklicht naar de rivier gezwaaid. Als een onmetelijke zeis scheerde de bundel over het water. Laag over de rivier stoof een bootje voort. Het was maar een klein vaartuigje met een spitse boeg, die zich hoog verhief. Voorin zat een man gehurkt. Er viel niet te zien wie het was, maar het kon wel niet anders of het was de vluchteling. De buitenboordmotor, die diep in het water hing, loeide en het water golfde in wilde schuimstrepen aan weerszijden van het bootje.
„Het is een van die speedboten," wist Henk te vertellen. „Die liggen in de Jachthaven, daar vlakbij. Morgen worden er wedstrijden gehouden." Het was nu duidelijk wat er gebeurd was. Vlak bij de Jachthaven was Lameris uit zijn auto gesprongen. Hij was voortgerend naar de haven en had daar aan boord van een speedboot weten te komen. Terwijl zij naar hem zochten, had hij kans gezien ijlings de motor op gang te krijgen en nu verwijderde hij zich snel. De schijnwerper reikte niet ver genoeg om het bootje vast te houden. De beide agenten stapten weer in hun auto. „Mogen we mee?" vroeg Bart brutaal. De politiemannen geloofden niet erg in het welslagen ervan, maar ze wilden toch proberen de achtervolging langs de rivier voort te zetten. De agent, die als waarnemer dienst deed, waarschuwde intussen via de radioinstallatie wat er gebeurd was. Het zou weinig uithalen, want ook al zou de waterpolitie direct gealarmeerd kunnen worden, hun boot zou het toch niet kunnen opnemen tegen dit razend snelle scheepje.
De schijnwerper had de vluchteling weer gevangen, maar het viel niet mee om het scheepje in de bundel te houden. Het had zeker een snelheid van tegen de zestig kilometer, schatte Bart. Een dergelijke vaart kon de auto hier niet ontwikkelen, omdat de weg zich daartoe niet leende. De agenten wilden heus wel wat riskeren, maar niet zoveel dat ze aanstonds met de auto ondersteboven in de rivier zouden belanden.
„Hij heeft het handig ingepikt," meende de waarnemer. „Daar verderop in de polder kan hij overal aan land. Aan de overkant heb je alleen maar weiland en een paar voetpaden. Ga 'm daar eens achterna. Met een auto begin je er niets."
„Ik geloof niet dat we 'm te pakken krijgen," zei de chauffeur. „Al zien ze kans de rivier verderop af te sluiten, dan kan hij toch aan de overkant aan land. En het is net zoals je zei, daar kan hij alle kanten uit."
De speedboot liep op hen uit. Het ging niet zo snel als wel mogelijk was geweest, want telkens weer beschreef het scheepje schichtige bochten en zigzaglijnen om aan de greep van de schijnwerper te ontkomen. Kennelijk was de man er alles aan gelegen dat hij niet meer te zien was. Waarom ging hij dan niet met volle vaart verder? Hij zou dan al gauw zó ver vooruit zijn dat de schijnwerper hem eenvoudig niet meer volgen kon. Had hij een reden om reeds hier te proberen uit het gezicht van de politiemannen te komen?
Klaarblijkelijk zag hij in dat het hem op deze wijze niet zou lukken. Boven het gegrom van de auto uit hoorden de achtervolgers de motor van de speedboot ineens fel oploeien. De boeg verhief zich hoger en Lameris boog zich dieper over het stuurwiel. Het scheepje spoot nu weg over de rivier. Wild kolkte het water achter de speedboot.
Het was maar een kwestie van seconden en toen was de boot uit de lichtcirkel verdwenen. Het zag er naar uit dat de achtervolging afgelopen was en geëindigd in een nederlaag.
„Gaan we door?" vroeg de chauffeur aan de waarnemer. Die knikte. „Ik zou het nog even doen. Intussen vraag ik instructies aan het hoofdbureau. Maar dat mannetje kunnen we wel gedag zeggen, als je het mij vraagt." Bart en Henk keken elkaar eens aan. Het zag er naar uit dat de politieman gelijk kreeg. Het enige waar ze nog op konden hopen was dat Lameris pech kreeg met zijn bootje, maar dan moest dat toch heel gauw gebeuren.
De waarnemer liet de schijnwerper steeds weer over het water gaan. Het zou natuurlijk mogelijk zijn dat de man de motor had afgezet en zich nu stilletjes naar de kant liet drijven. Maar in dat licht zagen ze ineens een tweede speedboot. Het scheepje was wat langer en breder. Het lag ook hoger op het water. Het schoot als een pijl over de rivier voort. De snelheid was enorm. Je hoorde de zware klappen waarmee de kiel steeds weer op de golven bonsde. Het bootje gleed namelijk niet egaal voort, maar schokte over de golven en het leek dan net of er steeds weer een enorme hand op het water sloeg.
„Dat is Krijn!" schreeuwde Bart ineens opgewonden.
„Nee!" was de verbaasde reactie van Henk, die het niet geloven kon.
„Ja, kijk maar, die rode trui, en hij heeft zijn pet ook nog op."
Het was inderdaad Oliehoek, die daar als een volleerd racer over het stuurwiel gebogen zat en de boot over het water voortjoeg. Het was niet zo vreemd. Krijn wist alles van motoren en hij zou dus ook wel met een buitenboordmotor overweg kunnen. Henk had er nu zowaar spijt van dat hij met de politiewagen was meegegaan. Was hij achtergebleven, dan had hij nu mee gekund met Krijn en hij zou dan ook de sensatie van deze race hebben beleefd.
De boot, die Krijn Oliehoek zich had toegeëigend, beschikte over een zwaardere motor dan die van Lameris en ontwikkelde ook meer snelheid. De hoop herleefde bij de broers van der Laan. Misschien zou Oliehoek nog kans zien de vluchteling in te halen. De waarnemer liet de schijnwerper terugzwaaien om de marktkoopman niet te verblinden. Wel tastte hij nog even de verte af, maar van de schoenmaker was niets te zien. De chauffeur gaf meer gas. De weg verbreedde zich hier en daarom durfde hij sneller te rijden. Niettemin bleef Oliehoek hun toch een flink stuk voor en liep nog steeds uit.
Weer flitste de schijnwerper van de politiewagen aan en zwaaide opnieuw met grote vegen over de rivier.
Bart slaakte een kreet. Midden op het water lag een groot jacht. En daar schoof nu de speedboot van Lameris op toe. Hij had de motor al afgezet. Er scheidden hem misschien nog dertig meter van het jacht en die zou hij gauw overbrugd hebben, want zijn bootje had nog een flinke snelheid. De schijnwerper zwaaide naar links. Daar stak net een klein roeibootje van de oever af, voortbewogen door een zwaargebouwd man voor wie het roeien kennelijk geen dagelijkse arbeid was. Hij maakte een verschrikt gebaar, toen het licht van de schijnwerper hem raakte en bracht de handen voor zijn gezicht, als wilde hij voorkomen dat hij werd herkend.
„Is dat Stavenuiter niet?" vroeg Henk aan zijn broer.
„Ik dacht het wel, maar ik ben er niet helemaal zeker van." Ze kregen niet de kans na te gaan of ze het bij het juiste eind hadden, want de waarnemer richtte het zoeklicht weer op het jacht en wel zo, dat hij ook meteen de speedboot van Lameris kon zien. Die begon nu weer vaart te zetten. Misschien omdat hij zich ontdekt wist.
„Er brandt geen licht meer op het jacht," merkte de chauffeur op. Dat was iets wat de jongens ook was opgevallen. Toen de speedboot naar het jacht koers zette, waren er enkele lichten ontbrand op het jacht, maar die waren nu weer uit.
De speedboot van Oliehoek was nu ook naderbij gekomen. Op volle vaart passeerde hij het jacht en ook Lameris. Dan liet hij het scheepje een wijde bocht beschrijven om het bootje van de schoenmaker. Ze begrepen wat de bedoeling van Oliehoek was. Die wilde om de vluchteling blijven cirkelen tot de politieauto naderbij gekomen was.
De agenten gingen nu op volle vaart door, tot ze op gelijke hoogte waren met het jacht. Aan boord daarvan bleef het donker en stil.
„Die hebben daar lont geroken," veronderstelden de agenten. „Ze houden zich gedekt en doen net of ze met het hele geval niets te maken hebben." Ook de man in het roeibootje was bang geworden. Hij wilde terugkeren, maar hij ging daarbij erg onhandig te werk. Het gevolg was dat zijn bootje kapseisde toen het geraakt werd door de hoge golven, die veroorzaakt werden door de beide speedboten.
De radiowagen was toen al gestopt. De inzittenden sprongen eruit.
„Kan een van jullie die schijnwerper bedienen?" vroeg de waarnemer.
„Dat doe ik wel," bood Bart aan.
Het was duidelijk dat de man die te water was geraakt niet kon zwemmen. Hij klampte zich vast aan het roeibootje, dat hij nog net had kunnen grijpen en slaakte ijselijke kreten om hulp. Henk hoorde aan de stem wie het was: makelaar Stavenuiter.
„Houdt die boot vast!" schreeuwde hij. Hij gooide zijn jasje aan de kant en trok zijn schoenen uit.
„Kun je zwemmen?" vroeg een van de agenten hem.
„Als een rat," bevestigde hij.
„Goed, maar wees voorzichtig met die speedboten." Henk knikte en dook het water in.
Bart had de schijnwerper op Lameris gericht, die probeerde weg te komen, maar daarbij gehinderd werd door Oliehoek, die met zijn bootje maar om dat van de vluchteling bleef cirkelen.
„Naar de kant komen of we schieten!" schreeuwde een van de agenten naar Lameris. Hij vuurde een waarschuwingsschot in de lucht af. Het kreeg een onverwacht effect, want het vuurwerk was weer begonnen en achter hen klonken zware knallen. Lameris trachtte nog wel te ontsnappen, maar nu scheen de bundel van het zoeklicht hem recht in de ogen. Tegelijk stoof Oliehoek aan en kwam nu vlak voor de boeg van de vluchtende speedboot. Het werd de schoenmaker teveel.
„Ik kom," zei hij. Langzaam voer het bootje naar de kant. Oliehoek bleef het nog even volgen. Toen hij zag, dat de beide agenten hun revolvers getrokken hadden en de vluchteling, nu helemaal gevangen in het zoeklicht, onder schot hadden, ging hij naar Henk toe. Samen hesen ze een druipnatte Stavenuiter aan boord. De jacht was ten einde.