Vijfde hoofdstuk

„En nu zijn we nog even ver," zei Bas die zaterdagmiddag, toen hij Henk van der Laan had verteld wat er zich de vorige dag allemaal had afgespeeld. Ze zaten op Henks kamer. Bart bevond zich daar eveneens. Hij was een hartstochtelijk modelbouwer en hij was nu ingespannen bezig met het model van een zeilboot. Maar al ging hij nog zozeer in zijn werk op, van het gesprek ontsnapte hem niets.
„Alleen van der Made is er de dupe van geworden," zei Bart nu. „Tja," zei Bas, „ik geloof vast dat hij zich uit de voeten had kunnen maken. Maar hij heeft mij willen waarschuwen en dat is hem noodlottig geworden. En nu nooit meer een kwaad woord van van der Made, Henk," voegde hij eraan toe. „Ik wil het niet meer van je horen. Had hij niet naar me geroepen, dan had ik nu in het ziekenhuis gelegen." Henk gaf niet direct antwoord. Hij zat even voor zich uit te staren.
„Ach, het is een beetje kinderachtig van me geweest," gaf hij dan toe. „Je weet hoe dat gaat. Hoe is het nu met hem?" Henk wilde op die houding van vroeger verder niet ingaan en dat viel best te begrijpen.
 „Redelijk," verklaarde Bas. „Het levensgevaar schijnt in ieder geval geweken te zijn. Men heeft hem gisteravond nog direct geopereerd en dat is zijn redding geworden. Hij had een zware tik gekregen."
„Heeft hij nog iets kunnen vertellen?" wilde Bart weten. „Ze hebben hem nog steeds niets kunnen vragen, want hij is voortdurend buiten kennis. Maar de dokters hebben mevrouw van der Made gezegd dat ze zich niet bezorgd hoeft te maken en dat alles weer in orde komt. Ik heb nog een tijdje met haar zitten praten. Ze vertelde me dat haar man zich die geschiedenis rond het gestolen schilderij enorm heeft aangetrokken. Toen hij ontdekte dat de verdenking op Henk viel, heeft hij alles gedaan om jou te helpen. Hij is met opzet zelf meegegaan om te zorgen dat je er zo goed mogelijk afkwam. Hij was zeker van je onschuld, maar alles pleitte wel heel erg tegen je en daarom raakte die rechercheur Valk overtuigd van het tegendeel. Dat maakte de situatie natuurlijk verschrikkelijk moeilijk, vooral toen jij zo persoonlijk tegen hem werd. Hij was de koning te rijk toen jij je onschuld kon bewijzen en daarna is hij dag in dag uit in de weer geweest om de diefstal op te helderen. Maar nog altijd zonder resultaat."
„Je zou zo zeggen dat hij in dezelfde richting zocht als jij, Bas," merkte Bart nu op.
„Daar heb ik ook over lopen nadenken," bevestigde Bas. „Ik vraag me maar steeds af of hij nu toevallig in de Zwaluwstraat was of net als ik met een bepaald doel. Maar dat horen we natuurlijk pas als hij weer beter is en we er eens met hem over kunnen praten."
„Heb jij die Stavenuiter nu eigenlijk gezien, Bas?" wilde Henk weten. „Dat is het 'm juist, zie je. Ik meende net wat te zien, toen die schreeuw klonk van van der Made. Nou, je begrijpt dat ik toen wel voor wat anders aandacht had. Heb ik nou wel wat of heb ik niks gezien? Ik heb me er suf over geprakkezeerd, maar ik weet het niet meer. Het is net of alles weggevaagd is door de schok van die aanrijding. Wel weet ik dat even later de muziek ophield."
„Tja," zei Henk, „toch is die veronderstelling van jou echt zo gek nog niet. Als je alles bij elkaar optelt, valt er werkelijk wel wat voor te zeggen. Maar hoe bewijzen we het? Nu van der Made voorlopig uitgeschakeld is, heb je kans dat het met dat onderzoek de eerste tijd weer niets opschiet."
„Dat hoeft toch niet," meende Bas.
„Waarom niet?"
„Er zijn nog andere mensen dan van der Made. Wij kunnen bij voorbeeld het huis van Stavenuiter binnengaan en de boel afzoeken. Dan hebben we de bewijzen — of niet natuurlijk . .."
„Gemakkelijk gezegd," vond Henk.
Bas was dat met hem eens. Maar, zei hij, ze konden natuurlijk ook heel rustig hier blijven zitten. Dan gebeurde er niets.
„Maar we kunnen toch zo maar niet in het huis van Stavenuiter inbreken?" hield Henk vol. „Hij is misschien wel thuis."
„Nee, hij zit vanavond op de Markt. Daar wordt toch de grote taptoe gegeven. Hij zit in het feestcomité dat de taptoe georganiseerd heeft en moet dus wel aanwezig zijn. Ik weet het toevallig, omdat ik er ook moet zijn."
„Ook als eregast?" lachte Bart.
„Welnee, natuurlijk niet. Ik moet Heiligers helpen. Hij moet foto's van de taptoe maken en ik zou hem bijspringen."
„We kunnen zien of hij straks tegen achten met zijn auto wegrijdt," zei Bart. „Bovendien kun jij, Bas, controleren, of hij inderdaad op de tribune zit. Mocht je hem niet zien, bel dan meteen Henk op." „Wil jij dan naar binnen gaan?"
„Ik kan het allicht eens proberen. We hebben in ieder geval een paar uur de tijd," vond Bart.
„Maar je gaat toch zeker niet alleen?" informeerde Henk.
„Natuurlijk wel."
„Dan ga ik mee."
„Ik denk er niet aan. Jij hebt al last genoeg gehad met de politie. Je moet niet vergeten dat het alleen maar om veronderstellingen van ons gaat. We kunnen nog altijd niets bewijzen. Veronderstel dat ze jou betrappen, terwijl je daar binnen bent."
„Of het veel verschil zou maken, als ze jou zouden grijpen. Het blijft in de familie, moet je denken."
„Dan zal ik zorgen dat ze mij in geen geval te pakken krijgen." Barts gezicht stond vastberaden. Henk kende zijn broer. Dat was net zo'n vasthouder als hijzelf. Hij kon nu wel proberen hem dat plan uit zijn hoofd te praten, maar dat was bij voorbaat-een verloren zaak.
„Heb jij iets gezien van de chauffeur van de auto, die van der Made heeft aangereden?" vroeg Henk aan Bas. Hij had zich maar bij het plan van zijn broer neergelegd en ging weer voort met informeren.
„Niets. Het ging allemaal zo razend snel. Ik weet niet eens zeker wat voor auto het is geweest. De koplampen brandden niet, weet je. Het kan een Opel geweest zijn, maar zeker ben ik er niet van. Daarom is de auto ook nog niet opgespoord. Anders zouden we misschien al wel meer weten. Maar het was allemaal in een flits gebeurd." Hij zag het weer voor zich en onwillekeurig huiverde hij even. In gedachten hoorde hij de slag weer en zag hij van der Made opnieuw vallen.
„En denk jij dat van der Made met opzet aangereden zou zijn?" vroeg Bart. Bas stak zijn handen in de lucht — in een gebaar dat hij dat ook niet wist.
„Wanneer het met opzet is gebeurd," zei hij, „dan zou dat een bewijs zijn dat die kerels in paniek zijn geraakt en in blinde drift aan het werk zijn. Ik heb me al afgevraagd waarom. Was van der Made hen op het spoor? Of zit de oorzaak in het bezoek dat ik aan schoenmaker Lameris heb gebracht? We moeten er allemaal maar naar raden."
„Hoe kwam jij eigenlijk op het idee naar die schoenmaker te gaan?" informeerde Bart.
„Omdat ik telkens maar weer die afdruk van Henk zijn schoen op mijn jas zag. Hebben jullie die schoenmaker eigenlijk al lang?"
„Nee, pas een paar maanden. Lameris heeft de zaak overgenomen van onze vroegere schoenmaker. Dat was nu ook niet direct een succes, maar hij was een kunstenaar vergeleken bij wat Lameris presteert. Niemand is over hem te spreken. Maar ja, je wilt zo'n man niet direct zijn congé geven. Als hij echter in het komplot zit, dan gaat hij voor de bijl."
„Hij hoeft er toch niet direct bij betrokken te zijn," gaf Bart als zijn mening te kennen.
„Dat weet ik anders nog zo net niet," antwoordde Henk. „Dan zou hij toch niet zo raar hebben gereageerd op Bas' vragen? Nee, die man heeft wat te verbergen." Zijn gezicht kreeg een grimmige uitdrukking. Bas maakte zich bezorgd.
„Jij moet in geen geval naar hem toegaan," waarschuwde hij ernstig. „Dat is veel te riskant. Jij bent de man op wie ze de verdenking hebben willen laden. Daarom moet jij je kalm houden, want anders zouden ze bij jou wel eens net zulke dingen kunnen uithalen als bij van der Made."
„Het is te hopen dat de rechercheur gauw beter wordt," zei Henk. Op de andere woorden van Bas ging hij niet in. Bas vond dat niet plezierig maar het was misschien beter daar niet verder over te praten, omdat het mogelijk Henk zou irriteren.
„Weet je wat ik heb gedacht," zei Bas. „We moesten hem namens heel het plein een mand fruit sturen."
„Ja, en dan van de even en oneven kant tezamen," voegde Henk eraan toe. „Dat zal hem vast goed doen. Als jullie mij maar niet vragen om hem die mand te brengen. Ik moet even de tijd krijgen om me om te schakelen."
„Nou, we sturen Bart," vond Bas, „tenminste als de mensen van het plein dat goedvinden. Dan komt er toch iemand van de familie van der Laan en dat zal hij zeker waarderen. Sinds Henk naar het bureau is gebracht, hebben jullie hem allemaal een beetje links laten liggen."
„Maar dat kun je toch wel begrijpen," zei Henk.
„Natuurlijk, jo. Maar daarom zal van der Made het erg waarderen als er een van jullie bij hem komt. Afgesproken?"
„Okiedokie," zei Bart.

Al een uur tevoren zaten Bart en Henk van der Laan op de uitkijk of meneer Stavenuiter inderdaad met zijn auto wegging. Toen ze hem om half negen in zijn glimmende, glinsterende en schitterende wagen hadden zien wegrijden, kon Bart zijn ongeduld niet langer bedwingen. Hij was erop gebrand de eer van de familie te wreken, zoals hij dat uitdrukte, en hij wilde geen minuut verloren laten gaan.
„Ik ga er op af," zei hij tegen zijn broer Henk, die vergeefse moeite deed zijn broer nog tegen te houden. Zo sterk was die tegenstand nou overigens ook weer niet, want het was te begrijpen dat Henk verschrikkelijk benieuwd was of Bas' veronderstelling juist was. „Waarom zou ik nog wachten?" vond Bart.
„Blijf nog even hier tot de taptoe begonnen is, dan weet je zeker dat hij niet meer voor elf uur terugkomt. En veronderstel dat Bas belt dat hij niet bij de taptoe aanwezig is."
„Natuurlijk is hij daar wel. Je hebt gezien dat hij in avondkostuum was. Ik had hem overigens wel eens willen ruiken. Hij zal nu wel een heel apart haarwater gebruikt hebben. Nou, en als Bas belt dat er wat mis is, dan kun jij altijd nog wel zorgen dat ik dat bericht krijg."
„Ik geloof toch dat ik beter mee kan gaan en op de uitkijk blijven," vond Henk, die zich verantwoordelijk achtte voor de veiligheid van zijn jongere broer.
„Er moet in elk geval iemand bij de telefoon blijven," hielp Bart hem herinneren. „Dat kunnen we wel aan Wim vragen, maar dan zijn er nog meer mensen bij betrokken. Ach nee, man," zei hij dan kordaat, „maak je nou alsjeblieft geen kopzorgen. Met een halfuur ben ik terug, wat ik je brom. Het is nog niet donker en ik hoef dus geen licht in huis te maken. Dat maakt het ook weer wat gemakkelijker." Henk moest zich bij al die argumenten wel neerleggen. Hij kreeg trouwens niet eens de gelegenheid meer er wat tegen in te brengen, want voor hij het goed en wel wist, was Bart al de deur uit om zijn riskant avontuur te beginnen. Pas toen bedacht Henk dat ze beter samen een soort krijgsplan hadden kunnen opstellen. Nu ging alles maar in het wilde weg en dat was helemaal niet verstandig. Maar het was al te laat om er nog op terug te komen, want Bart was al onderweg naar het huis van de makelaar, dat met zijn voorkant naar het Nachtegaalsplein gekeerd lag en met de rechter zijkant naar de Zwaluwstraat, een smalle straat, waarin geen woningen stonden. Dat was ook de straat, waar rechercheur van der Made de avond tevoren was aangereden. De herinnering daaraan was niet prettig voor Bart. Hij wist daardoor weer dat zijn onderneming bepaald niet van risico ontbloot was. Als die aanrijding opzet was geweest, dan bleek daaruit dat die kerel voor niets terugdeinsde. Dat viel trouwens ook wel te verwachten van iemand, die een Rembrandt stal. Dat was vast geen kleine, zachtzinnige jongen, maar óf een doorgewinterde schurk óf een man die volkomen in een slop was geraakt en nu door wanhoopsdaden probeerde daaruit te komen. Als zo iemand gegrepen werd door de politie, zou hij een flink poosje moeten brommen. Je kon je dan ook wel voorstellen dat zo'n man al het mogelijke deed om arrestatie te voorkomen.
Achter het huis van Stavenuiter liep, zoals bij alle huizen aan het Nachtegaalsplein het geval was, een smal pad. Het was van de tuin gescheiden door een houten schutting. Het was heel eenvoudig om in de tuin van de makelaar te komen. Daarvoor hoefde je alleen maar de deur in de omheining opzij te schuiven. Zo was het tenminste altijd geweest. Vanavond bleek de deur op slot te zijn. Maar dat vormde geen onoverkomelijke hinderpaal voor Bart. Zonder veel moeite klauterde hij tegen de schutting omhoog en liet zich behoedzaam aan de andere kant omlaag zakken. Hij zorgde daarbij dat hij op het tegelpad neerkwam, zodat hij geen voetsporen achterliet. Veronderstel eens dat meneer Stavenuiter toch niets met de diefstal te maken had, dan was het maar beter als hij niet zou merken dat iemand zijn huis binnengedrongen was.
Het begon al enigszins te schemeren, toen Bart zich naar de keuken begaf. Een ogenblik dacht hij dat hij een gordijn voor een van de ramen van de bovenverdieping zag bewegen. Minuten lang hield hij dat raam in het oog, terwijl hij zich achter een boom verscholen had, zodat hij van het huis uit niet te zien was. Het gordijn hing echter volkomen roerloos, het bewoog niet één keer. Het zou dus wel gezichtsbedrog zijn geweest, toen hij meende dat hij het zag bewegen. Bart wilde heus wel zo voorzichtig mogelijk zijn, maar aan de andere kant was er het ongeduld dat hem voortdreef. Hij wilde zo gauw mogelijk klaarheid brengen in het mysterie van de verdwenen Rembrandt en hij vond het natuurlijk fantastisch dat hij daarbij een van de hoofdrollen kon spelen.
Er was niets dat erop wees dat er in het huis nog mensen aanwezig waren. Dat lag trouwens voor de hand. Meneer Stavenuiter was ongetrouwd. Hij had een huishoudster in dienst, maar ze wisten dat die dit weekeinde afwezig was. Om de andere week ging ze de zaterdag en zondag weg. Henk had haar 's middags met haar koffertje zien vertrekken. Het kantoorpersoneel dat meneer Stavenuiter in dienst had en dat werkte op de benedenverdieping van het huis, dat hij als kantoor had ingericht, was er ook niet meer. Dat was 's middags om één uur naar huis gegaan. Bovendien had Bart, om alle risico te vermijden, het huis van Stavenuiter opgebeld. Hij had de bel misschien wel twintigmaal laten overgaan, maar niemand had de hoorn opgenomen. Nee, de kust was echt wel veilig. Met enkele snelle passen was Bart nu bij de achterdeur van het huis, die toegang gaf tot de bijkeuken. Nu kwam het moeilijkste deel van de taak, die hij op zich genomen had: hij moest zien het huis binnen te komen. Hij liet zijn blik in alle richtingen gaan. Nee, er waren geen buren, die hem zouden kunnen gadeslaan bij zijn inbraakpogingen. Wat niet weet wat niet deert, grinnikte hij. Ze hoefden echt niet te zien dat een van de jongens van der Laan weer eens op een hoogst ongebruikelijke wijze ergens naar binnen wilde.
Bart viste een loper uit zijn zak. Hij was benieuwd of die zou passen. Dat zou wel heel erg boffen zijn en daarom durfde hij niet hopen dat hij zo gemakkelijk binnen zou komen. Voorzichtig stak hij de sleutel in het slot. Hij bleef tegen iets stuiten en Bart duwde met al zijn kracht door. Ineens schoot de sleutel verder en binnen viel er iets met kletterend geluid op de tegelvloer. Geschrokken hield Bas zijn adem in. Meteen wist hij wat het was geweest. De sleutel had nóg aan de binnenzijde in het slot gezeten en hij had die eruit geduwd. Omzichtig hanteerde hij de loper. Die bleek te pakken en na wat heen en weer draaien kreeg hij het slot open. Dat was een meevaller. Het zou wat zijn, als het geluk hem nou verder ook zo bijbleef. Voor alle zekerheid sloot Bart de keukendeur maar achter zich af. Zou er onverwachts iemand door de tuin komen om het huis binnen te gaan, dan zou hij geen argwaan krijgen, omdat de deur niet afgesloten was. De makelaar bleek overigens niet van halve maatregelen te houden. Hij had ook de deur, die vanuit de keuken toegang gaf tot de rest van het huis, afgesloten en op dat slot paste de loper niet. Bart had er niet op gerekend dat ook de binnendeuren afgesloten zouden zijn, anders had hij wel wat lopers van verschillend type opgeduikeld. Het zou teveel tijdverlies worden om daar nu nog achteraan te gaan. Hij moest maar zien dat hij op een of andere manier de deur kon openen zonder die te forceren. Hij liet zijn blik al eens door de keuken gaan om te kijken of er hier of daar misschien gereedschap lag, waarmee hij een aanval op het slot zou kunnen ondernemen, toen zijn aandacht ineens werd getrokken door een luik in de muur tegenover het aanrecht.
Het zou misschien te smal zijn, schatte hij. Het zou in ieder geval wel wringen worden om er doorheen te komen, maar het zag er naar uit dat het de eenvoudigste mogelijkheid was het huis binnen te dringen — vooropgesteld dan dat dit inderdaad een doorgeefluik was naar de aangrenzende kamer, zoals hij aannam. Het was te hopen dat dat vertrek ook weer niet afgesloten was, maar dat was van latere zorg. Eerst maar eens proberen of hij door dat luik kon.
Bart klauterde op de tafel, waarboven het luik zich bevond. Het scheen aan de andere kant met een haakje vastgezet te zijn, maar na een paar stevige duwen bezweek de sluiting en schoot Bart met zijn arm naar binnen, omdat het luik ineens openzwaaide. Hij kwam met zijn hand in een boeket rozen terecht, dat daar op een dressoir onder het luik stond. Het leverde hem een paar fikse krabben op, maar hij moest nu niet kleinzerig zijn. De eer van de familie stond immers op het spel, hield hij zich manhaftig voor.
Bart stak zijn hoofd door het luik om eens in ogenschouw te nemen wat voor vertrek zich daar aan de andere kant bevond. Het leek hem de werkkamer van meneer Stavenuiter. Het was ingericht met meubelen uit de vorige eeuw en wel zó overdadig, dat er nauwelijks meer plaats voor mensen leek te zijn. Het meest werd je aandacht getrokken door een monument van een bureau. Nee, iets anders dan een monument mocht je het vast niet noemen, dacht Bart. Het was een groots, indrukwekkend meubelstuk. Als je daarachter zetelde, moest je je wel de directeur van een onnoemeliik groot bedrijf wanen. Om die reden zou Stavenuiter er nog wel eens zitten veronderstelde Bart, want de makelaar was niet bepaald vrij van ijdelheid. Het dressoir, dat zich onder Barts hoofd bevond, mocht er overigens ook zijn. Het was zeker twee meter lang, van zwaar gebeeldhouwd eikehout. Als je het in de kamer van een moderne flat neerzette, zou er verder niets meer bij kunnen, schatte Bart. Het was beladen met beeldjes, vazen, schaaltjes en wat al niet meer. Bart stak een arm door het luik en begon met voorzichtige vingers wat ruimte te maken op het dressoir. Hij hield daarbij goed in het oog hoe alles had gestaan, zodat hij het straks allemaal weer op dezelfde plaats zou kunnen neerzetten.
Helemaal ongemerkt zou zijn komst toch wel niet blijven, vreesde hij. Het haakje zou hij wel kunnen repareren, maar hij zou toch geen kans zien al het stof dat zich op het dressoir had opgehoopt daar weer opnieuw aan te brengen. Hij was dan in elk geval een nette inbreker, want hij had zo de indruk dat hij de eerste was, die hier sinds jaren weer eens wat stof wegveegde.
Toen Bart vond dat de doorgang breed genoeg was, ondernam hij een dappere poging zich door het luik te wringen. Dat kostte echt wel wat zelfopoffering, want hij kreeg op een gegeven ogenblik het gevoel of de helft van zijn huid in de keuken gebleven was, zo krap was de opening en zo moest hij schuren en trekken om erdoor te komen. Maar je moest niet zo nauw kijken. Voor het goede doel diende je wat over te hebben, al was het dan een deel van je kostbare huid.
Bart voelde zich overigens in een uitstekende stemming. Het liep tot nog toe wel naar zijn zin. Er waren hindernissen, maar hij had die stuk voor stuk kunnen overwinnen. Hij had al gecontroleerd of de deur van deze kamer afgesloten was, maar dat bleek niet het geval. Hij was dus al een eind op weg. Maar voor hij nu op verder onderzoek uitging, wilde hij eerst het dressoir zoveel mogelijk op orde brengen. Dan hoefde hij daar straks, bij zijn terugkeer, geen tijd meer mee te verliezen. Hij stond net moeizaam de schalen en vazen weer te rangschikken, toen er met veel lawaai een bel in huis begon te rinkelen. Bart sprong bijna tegen het plafond van schrik en nog net op het laatste moment wist hij de vaas te grijpen, die hij in zijn ontsteltenis had omgestoten en die bijna gesneuveld was. Opnieuw rinkelde de bel. Was het een alarmschei? Bart maakte al aanstalten om door het luik terug te gaan, maar dan ontdekte hij waar het geluid vandaan kwam. Het moest de verklikker zijn van de telefoon, die zich hier in de kamer bevond. Die verklikker zelf zou wel ergens op de gang zijn.
Bart aarzelde of hij de telefoon zou aannemen. Het zou kunnen zijn dat het zijn broer Henk was, die hem iets wilde meedelen. Maar ze hadden daarover niets afgesproken en hij vond het te riskant. Wanneer het een bekende van meneer Stavenuiter was, zou die vast argwaan krijgen en dan had je alle poppen aan het dansen.
Het was wel een hardnekkige kerel, die zich daar aan de telefoon bevond, want de bel bleef maar overgaan of er niets beters te doen viel. Het geluid leek heel het huis te vullen en Bart zou blij toe zijn als het ophield. Hij was intussen maar doorgegaan met de restauratie van het dressoir en was daar nu mee klaar. Dan sloeg hij eens in zijn handen om het vele stof daaraf te krijgen. Het leek meteen een soort startsein voor hem, een signaal dat nu het eigenlijke avontuur zou beginnen. Prompt hield ook de telefoon op met bellen. Het had er veel van weg of de man aan de andere kant op dit gebaar van Bart had gewacht.
„Vooruit, jongen," zei Bart bij zichzelf. Hij opende de deur van de werkkamer, die uitkwam op een grote hal. Wat hem daar het eerst opviel was de enorme kristallen luchter, die er hing. Het was wat je noemt een pronkjuweel, met tientallen zijarmen, voorzien van gloeilampen. Het leek wel een druipsteengrot, dacht Bart. Je zou zoiets op je hoofd krijgen. Aan de andere kant van de hal bevond zich de trap naar de bovenverdiepingen. Hij moest op de eerste etage zijn en wel in de kamer, die aan de zijkant uitkeek op de Zwaluwstraat. Daar immers moest de piano van meneer Stavenuiter staan, die zich al zovele avonden had laten horen. Bart deed voorzichtig een stap naar voren en dan een tweede. Nu de telefoon zweeg, voelde hij zich niet zo verschrikkelijk angstig meer. Kijk, daar hing de schel van de verklikker. Geen wonder, dat die zo'n lawaai maakte. Het was me nogal geen groot geval.
Bart bleef op zijn hoede, al was hij er nog zo van overtuigd dat er niemand in huis was. Was dat wel het geval geweest, dan had die wel gereageerd op het lawaai van de telefoonschel. Tree voor tree beklom Bart de trap, ervoor zorgend dat hij daarbij geen geluid maakte, al kostte dat wel een beetje inspanning. De trap had betere jaren gekend en kraakte van ouderdom. Hij hield zich hoofdzakelijk aan de zijkant van de treden en probeerde zich zo licht mogelijk te maken. Maar honderdvijftig pond blijft honderdvijftig pond en dat gewicht bleek nogal eens te zwaar voor de treden. Maar hoe ze dan ook steunden en kreunden, buiten Bart was er niemand die het hoorde. En bij hem werd het geluid eigenlijk overstemd door het gehamer van zijn hart. Nu hij het doel van zijn ontdekkingstocht door het huis naderde, begon het hart hem in de keel te kloppen. Niet zozeer van vrees, als wel van spanning of hij erin zou slagen het bewijsmateriaal te vinden, dat zou aantonen dat Bas het bij het rechte eind had gehad. Bart was nu boven en stond op de overloop. Hij probeerde zich te oriënteren. Als hij het goed had, moest hij in de kamer daar recht voor hem zijn. Bart ging ernaar toe en drukte voorzichtig de deurknop omlaag. Dat had hij gedroomd, de kamer was op slot.
Meneer Stavenuiter scheen niet veel vertrouwen in zijn medemensen te stellen, want Bart ontdekte dat alle deuren op de overloop afgesloten waren. Hij controleerde dat, omdat hij wilde nagaan of hij misschien van het ene vertrek in het andere zou kunnen komen, zoals hem dat beneden zo wonderwel was gelukt. Maar hier was dat er niet bij.
Bart keek om zich heen. Het leek hem niet zo waarschijnlijk dat meneer Stavenuiter met de sleutels van al deze deuren in zijn zak zou rondlopen. De man zou scheef gaan onder het gewicht. Het lag voor de hand dat hij ze hier of daar had opgehangen.
De grote staande klok, die zich aan het eind van de overloop bevond begon te slaan. Daardoor werd Barts blik in die richting getrokken en al was het nu al vrij donker in huis, hij zag de bos sleutels, die naast de klok hing. Het was niet zo'n kleine bos; hij telde zo'n dozijn sleutels. En net zoals hij had verwacht, was de sleutel die hij als laatste probeerde, degene die op de deur paste, waardoor hij naar binnen wilde.
Een beetje benauwd opende Bart de kamerdeur. Hij kon vrij goed onderscheiden wat er zich in het vertrek bevond, omdat de gordijnen niet gesloten waren en het laatste schemerige licht van de dag naar binnen viel. Links stond de piano, zag hij. Maar daar was het hem niet om begonnen. Hij was naar iets heel anders op zoek.
Zijn blik dwaalde door de kamer. Ineens ging zijn adem sneller. Ja, hij was op de goede weg. Daar in de hoek stond een luidspreker en daarginds tegen het plafond hing er een, die wat kleiner was. Dat leek erop te wijzen dat meneer Stavenuiter in het bezit was van een zogenaamde hi-fi-installatie. Daardoor kun je grammofoonplaten zo laten klinken dat het lijkt of je bij het concert of de zanguitvoering zelf aanwezig bent. Het geluid komt niet meer uit de ene luidspreker, die zich in de radio of pick up bevindt, maar het lijkt van alle kanten te komen — juist als wanneer je in een concertzaal zit.
Bart hoefde niet lang te zoeken of hij had ook de bandrecorder gevonden. Die stond op een plank van de boekenkast. Hij lichtte het deksel van de koffer. Het instrument was speelklaar en er lag een spoel op. Bart wilde net de stekker in het stopcontact doen, toen hij plotseling het gevoel kreeg dat hij zich niet langer alleen in de kamer bevond. Hij had de deur open laten staan, schoot het door zijn geest.
Met een ruk keerde hij zich om, maar de man die zich achter hem bevond zag hij niet eens meer. Hij had toen al een zware slag op zijn hoofd gevoeld. Zijn knieën knikten en als een slappe pop viel hij op de grond.