Derde hoofdstuk
Bas Banning lag te luisteren —
eigenlijk naar niets. Hij was vroeg wakker geworden en wachtte nog
even voor hij opstond. Pas om half acht hoefde hij beneden te zijn
en hij had zoëven de grote staande klok, die zich op de kamer van
meneer Heiligers bevond, met zwaar galmend geluid zes horen slaan.
Hij had dus werkelijk nog alle tijd. Hij zou tot zeven uur wachten,
nam hij zich voor, en dan zou hij zich op zijn gemak douchen.
Behoedzaam streek hij eens met zijn vingers over zijn kin. Het hing
erom, maar het zou misschien toch wel beter zijn, als hij zich
meteen maar schoor. Daar moest hij tegenwoordig ook aan geloven,
ook al was het nog niet nodig dat hij zich elke dag schoor. Het
beste was het maar om het na het douchen te doen. Hij had wel eens
gelezen dat het dan gemakkelijker ging, omdat de baardharen zachter
waren. Maar hij zou goed moeten opletten dat hij zich niet sneed,
anders zou hij straks natuurlijk weer wat te horen krijgen over
jongetjes, die toch zo nodig groot willen lijken en die zich moeten
scheren met behulp van een vergrootglas.
Bas rekte zich nog eens
behaaglijk uit. De zon scheen zijn kamer binnen. Hij hoorde het
geritsel van de bomen op het Nachtegaalsplein. Het was er zo stil.
Nooit gebeurde er iets. De verdwijning van Kareltje van Geffen was
de enige opwindende gebeurtenis van dit jaar geweest, had Heiligers
hem gisteravond verteld. Nou, dan zou het wel een jaar duren voor
er weer iets gebeurde, nam Bas aan. Maar daarin vergiste hij zich
volkomen.
Diezelfde middag belden er twee
rechercheurs aan bij de van der Laans en vroegen heel beleefd, maar
toch op een wijze, die moeilijk mis te verstaan was, aan mevrouw
van der Laan toestemming om een onderzoek in de woning in te
stellen. Van der Laan was op dat moment niet thuis, evenmin als
zijn drie zoons. Mevrouw van der Laan was te verbluft om een woord
van protest te uiten. Bovendien had ze een van de politiemannen
herkend. Het was van der Made, die aan het andere eind van het
plein woonde.
Mevrouw van der Laan liet beide
mannen binnen. Van der Made was uiterst beleefd en correct, maar
hij liet duidelijk uitkomen dat hij hier niet als buur was, maar
als rechercheur. Aan kleinigheden kon je merken dat hij zich niet
direct gelukkig voelde met de opdracht die hij nu uit te voeren
had. Hij liet zijn collega, Valk bleek deze te heten, het woord
doen en bleef zelf zoveel mogelijk op de achtergrond. Was mevrouw
van der Laan aanvankelijk alleen maar verbluft geweest, ze begon nu
toch wel te begrijpen dat er iets ernstigs aan de hand moest zijn.
Onrust begon zich van haar meester te maken. Ze wendde zich naar
van der Made, maar die liet het bij een gebaar waaruit ze moest
opmaken dat hij zijn plicht had te doen. Rechercheur Valk vroeg
haar of haar zoon Henk een eigen kamer had. „Ja, samen met zijn
broer Bart," vertelde ze. „Maar waarom moet u dat weten?"
„Een onderzoek," zei
Valk.
„Maar Henk heeft toch niets
gedaan? Die jongen doet geen vlieg kwaad. Dat weet meneer van der
Made toch ook wel." Die maakte alleen maar weer een gebaar dat hij
het ook niet helpen kon.
„We zullen eens zien," zei Valk.
Rechercheurs zijn over het algemeen geen spraakzame lieden. Het is
hun taak anderen aan het praten te krijgen en zelf zeggen ze het
liefst zo weinig mogelijk.
Mevrouw van der Laan wees de
beide politiemannen de weg naar de kamer van Henk en Bart, een laag
zoldervertrek waar twee metalen bedden stonden en enkele
zelfgemaakte boekenrekken, voornamelijk beladen met
pocketboeken.
„Maar mag ik dan helemaal niet
weten wat er aan de hand is?" drong mevrouw van der Laan aan,
terwijl de rechercheurs de eigendommen van Henk begonnen te
doorzoeken en nakeken wat voor boeken hij allemaal had staan. Nou,
daar waren ze zo een, twee, drie nog niet mee klaar, want Henk stak
zo ongeveer al zijn zakgeld in boeken en er stonden er dus wel
enkele.
„We hebben er zo onze reden
voor," antwoordde rechercheur Valk, terwijl hij in een boekje stond
te bladeren. Ineens floot hij tussen zijn tanden, als had hij een
opzienbarende ontdekking gedaan. Hij liet zijn collega het boekje
zien, dat hij in zijn hand had en wees hem op een bepaalde pagina.
Van der Made haalde zijn schouders op. Hij leek iets te willen
zeggen, maar dan leek het hem beter erover te zwijgen zolang
mevrouw van der Laan erbij was.
Besluiteloos stond zij toe te
kijken. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Wat moest dit
allemaal betekenen en waarom gedroeg van der Made zich zo
eigenaardig? Dan vroeg ze zich af of de buren gezien zouden hebben
dat die twee mannen naar binnen gingen. Je kon al een straat ver
aan ze zien dat het rechercheurs waren, ook wanneer je van der Made
niet direct zou hebben herkend. Ze hadden van die lichte, breed
geschouderde regenjassen aan en droegen slappe deukhoeden met
neergeslagen rand. Als de buren ontdekten dat de politie hier op
bezoek was, zou er gepraat worden, daar kon je van op aan. De
rechercheurs gingen rustig en onverstoorbaar door met hun
werk. Ze hadden de tijd, tenminste Valk, want van der Made scheen
er wel een eind aan te willen maken. Maar zijn collega voerde zijn
opdracht grondig uit. Kasten, kisten en dozen doorzocht hij
zorgvuldig. Hij vond nog een boekje, dat hem de moeite waard leek
en dat hij bij zich stak.
„We moesten maar weer eens gaan,"
zei rechercheur van der Made dan op zakelijke toon.
„Er is toch niets, van der Made?"
informeerde mevrouw van der Laan op bezorgde toon. Ze was er
helemaal niet gerust op. Haar oudste zoon kon eenvoudig niets op
zijn kerfstok hebben, daarvoor kende ze hem veel te goed. Maar wat
moest die politie hier dan? Van der Made keek haar eens aan. Hij
wist niet goed wat te zeggen. „Och," mompelde hij dan slechts. Ze
waren toen al beneden in de huiskamer. Net op dat ogenblik kwamen
Henk en zijn jongste broer Bart binnen. Van der Made trok een
ongelukkig gezicht, alsof dit nou het beroerdste was dat er had
kunnen gebeuren.
„Wat is er aan de hand, heren?"
vroeg Henk, die bevreemd opkeek over de aanwezigheid van de beide
mannen. Bovendien had hij al aan het gelaat van zijn moeder gezien
dat zij helemaal van streek was. „We zijn van de recherche," zei
Valk koel en hij liet zijn legitimatie zien. „Van der Made hoef ik
er zeker niet naar te vragen," zei Henk een tikje spottend. Zoals
gezegd mochten ze elkaar niet erg. Henk vond dat van der Made kouwe
drukte had, zo echt de rechercheur uithing. Laatst was het tot een
woordenwisseling tussen die twee gekomen. Henk was met zijn fiets
tegen die van van der Made opgereden, omdat de laatste geen
voorrang had verleend. Henk had toen nogal scherp de opmerking
gehad, dat van der Made, al was hij honderdmaal bij de politie,
toch wel uit zijn ogen moest kijken en voorrang geven. Dat was bij
de rechercheur niet direct in goede aarde gevallen, zoals te
begrijpen was. Hij had het zijne gezegd en boos waren de twee uit
elkaar gegaan. Het was voor het eerst sinds die woordenwisseling
dat ze weer tegenover elkaar stonden en Henks opmerking was voor de
goede verstaander duidelijk genoeg. Van der Made reageerde er niet
op.
„Wat komt u hier doen, heren?"
vroeg Henk dan, omdat geen van beide rechercheurs iets zei. Hij
keek van der Made aan, maar deze gebaarde naar zijn collega, dat
hij het woord maar moest doen.
„Zou jij misschien willen meegaan
naar het bureau?" zei Valk dan tegen Henk. Van der Made stak zijn
hand nog uit, als wilde hij protesteren. De andere rechercheur
sloeg er evenwel geen acht op. Hij had zijn besluit
genomen.
„Waarom zou ik meegaan?" vroeg
Henk. Henk zou misschien niet zo stug hebben gedaan, als hij niet
aan de houding van zijn moeder had gezien, dat er iets mis was. „Ik
wil eerst wel eens weten wat u van me moet." „Op het bureau zul je
wel horen wat er gaande is."
„Ja, maar ik heb geen ..." Henk
was niet gemakkelijk. Als hij ergens geen zin in had, dan liet hij
dat heel duidelijk merken. Maar met die houding was hij bij
rechercheur Valk toch echt aan het verkeerde adres. Die werd alleen
maar rustiger en koeler en liet zich niet van zijn stuk afbrengen.
Van der Made hield zich op de achtergrond. Aan alles viel te merken
dat hij het graag anders had gezien, maar dat hij weinig invloed
meer kon uitoefenen, nu de zaken eenmaal deze keer hadden genomen.
„Ga nu mee," zei Valk rustig, terwijl hij Henk op de schouder
klopte of ze de beste maatjes waren. „Ga nu maar mee. We hebben je
een paar vragen te stellen. Als de zaak in orde is, ben je met
hooguit een paar uur thuis." „Allemaal best en aardig, maar u wekt
de indruk of ik heel wat op mijn kerfstok heb," bleef Henk
volhouden. „Ik heb echt wel voorrang gegeven, dus daarover hoeft u
mij niet te onderhouden ..." Dat was natuurlijk helemaal geen
vriendelijke opmerking aan het adres van van der Made. Die trok
even met zijn gezicht, maar zei niets.
Rechercheur Valk liep naar Henk
toe. Van der Made opende de huiskamerdeur en liep de gang in. Zijn
collega beduidde Henk dat hij maar moest volgen. Hij deed het zeer
beleefd en voorkomend, maar van de andere kant het hij er geen
twijfel over bestaan dat hij Henk eventueel zou dwingen mee te
gaan. „Ga nu maar mee," raadde mevrouw van der Laan haar oudste
zoon aan. „Het is natuurlijk een vergissing. Je zult het hun daar
gauw genoeg duidelijk hebben gemaakt." Zachtjes duwde ze hem in de
richting van de deur. Het leek haar de beste oplossing. Henk zou
door zijn stugge verzet de situatie alleen maar verergeren, vreesde
ze. Misschien zou hij in zijn boosheid iets zeggen wat hij niet zou
kunnen verantwoorden. Nog aarzelde Henk, maar zijn moeder bleef
aandringen. Met een hoekig gebaar volgde hij dan van der Made.
Misschien was het ook wel het beste. Hij zou ze op het bureau wel
eens even duidelijk maken dat ze ernaast zaten. En die van der Made
zou ervan lusten, daar kon dat mannetje van op aan.
Henk liep met de beide
politiemannen het Nachtegaalsplein op. Gedrieën wandelden ze rustig
weg of er helemaal geen vuiltje aan de lucht was. Toch hadden de
bewoners van het Nachtegaalsplein direct door dat er iets ongewoons
gaande was. De drie mannen werden nieuwsgierig van achter
weggeschoven gordijnen nagekeken.
„We hadden wel voor een auto
kunnen zorgen," zei rechercheur Valk niet al te onvriendelijk.
„Maar het zonnetje schijnt en we kunnen dat stukje wel lopen, dacht
ik zo." Henk gaf er geen antwoord op. Hij had danig de smoor in.
Het was nogal leuk om op zo'n manier opgebracht te worden, want
daar begon het nu toch wel verdacht veel op te lijken.
Van der Made en Valk brachten hem
naar de recherchekamer op het bureau en daar kreeg hij een plaats
in het arrestantenverblijf. Henk had nog nooit een
arrestantenverblijf gezien, maar hij kon wel raden dat dit er een
was. Het was een klein hokje, niet eens veel groter dan een diepe
muurkast. De wanden waren van hout en volkomen kaal. De deur
bestond grotendeels uit horrengaas, zodat degenen, die zich in de
recherchekamer bevonden hem voortdurend in het oog konden houden en
alles zagen wat hij deed. Waar is dat nou voor? dacht Henk. Zijn ze
bang dat ik tegen de deur ga staan schoppen en slaan of dat ik
probeer belangrijke documenten weg te werken. Dit was een van de
vele gedachten, die hem voortdurend door het hoofd speelden. Maar
de meeste daarvan hielden zich toch wel bezig met de vraag waarom
men hem hier zo maar liet zitten. Zijn boosheid jegens van der Made
werd er vast niet minder op. „Zo," had rechercheur Valk gezegd, die
hem hierheen had gebracht. Hij zei het, terwijl hij de deur van het
arrestantenverblijf afsloot en ineens klonk zijn stem niet zo
vriendelijk meer. „Zo, onderzoek je geheugen maar eens, waarom je
hier bent. Het zal je vast niet moeilijk vallen, veronderstel ik.
Je hoeft niet zo ver terug te gaan." Zijn woorden maakten de zaak
voor Henk alleen maar raadselachtiger. Kennelijk was er iets
gebeurd waarvan hij verdacht werd. Maar wat was dat? Met de beste
wil van de wereld kon hij zich niets, maar dan ook niets herinneren
waaraan hij zich schuldig zou hebben gemaakt en waarvoor de politie
hem ter verantwoording zou kunnen roepen. Even bekroop hem de
kwaadwillige gedachte dat van der Made hem een kool wilde stoven.
Maar dan verwierp hij die veronderstelling. Zoiets mocht je niet
eens denken, dat was laag.
Er ging een halfuur voorbij en
een uur. Henk werd steeds bozer. Mannen kwamen de recherchekamer
binnen en gingen weer weg. Niemand schonk aandacht aan hem. Van der
Made was in geen velden of wegen te bespeuren. Valk zat druk te
schrijven en telefoneerde voortdurend. Maar ook hij deed eenvoudig
of hij niet eens meer wist dat Henk er was. Henk had wel zijn
aandacht kunnen trekken, als hij dat had gewild. Maar dat was
beneden zijn waardigheid. Ze kwamen hem maar netjes halen, hij ging
niet alsjeblieft spelen.
Zijn boze bui werd er natuurlijk
niet minder op. Wat dachten ze wel? Dat ze hem hier zo maar als een
schurk konden opsluiten en aan zijn lot overlaten, terwijl ze niet
eens de moeite namen hem te vertellen waarom dit alles nodig was.
Misschien was dit een methode om hem klein en murw te krijgen. Nou,
dan waren ze bij hem aan een heel verkeerd adres. Henk van der Laan
was er een, die juist onder zulke omstandigheden zijn been volkomen
stijf hield. Trouwens, wat moesten ze hem murw krijgen? Hij had
eenvoudig niets te bekennen.
Henk keek weer op zijn horloge.
Met een uur thuis, hadden ze hem beloofd. Er was al dik anderhalf
uur voorbij en ze hadden hem nog niet één vraag gesteld. Nou, hij
zou het ze straks wel eens even aan het verstand brengen.
Er waren bijna twee uur verlopen,
toen rechercheur Valk hem eindelijk kwam halen. De politieman
bracht hem in de recherchekamer, waar hij mocht plaats nemen op een
heel ongemakkelijke stoel. Het lokaal zag er verschrikkelijk
onaantrekkelijk uit: een bruin, berookt plafond, waarvan de
schilfers omlaag hingen, saai, verschoten behang op de muren met
hier en daar een aanplakbiljet of een stencil met mededelingen en
verveloze meubelen, die zo op het oog nog uit de vorige eeuw
dateerden. Nee, ze deden echt niet hun best het de bezoekers naar
de zin te maken, dacht Henk nog grimmig. Maar dan werd meteen al
zijn aandacht opgeëist door de vragen, die rechercheur Valk op
hem begon af te vuren met de snelheid van een mitrailleur. Henk
kreeg niet lang de tijd om na te denken over zijn antwoord. Hij
moest onmiddellijk reageren.
Van der Made was er niet bij.
Zijn plaats was ingenomen door een lange rechercheur, die Zuidema
bleek te heten. Overigens was zijn rol, net als die van van der
Made, grotendeels een zwijgende. Hij luisterde voornamelijk en deed
nauwelijks een mond open.
„Waar ben je gisteravond
geweest?" begon Valk zijn ondervraging.
„Van hoe laat af?"
„Laten we zeggen: na tien
uur."
„Ik ben naar de bioscoop
geweest." Het was maar het beste op dergelijke vragen vlot antwoord
te geven, meende Henk. Hij mocht dan al de smoor in hebben, als hij
de ondervraging zou saboteren zouden de politiemannen toch aan het
langste eind trekken. Hij zou er geen steek verder mee komen. Nu
van der Made er niet bij was, voelde hij zich ook wat minder
geprikkeld. Hij moest nou eenmaal weinig van die man hebben. Maar
het belangrijkste was dat hij probeerde zo gauw mogelijk naar huis
te komen. Zijn moeder zou natuurlijk in duizend angsten zitten nu
hij zo lang wegbleef. Het goede mens zou niet weten hoe ze het had.
Hij hoopte nog dat rechercheur van der Made haar een boodschap had
laten brengen dat het wat later zou worden, maar daar durfde hij
toch niet op te rekenen. „In welke bioscoop ben je geweest?" wilde
rechercheur Valk weten. „In Rex, de voorstelling van negen uur
dus."
„Heb je misschien het kaartje
nog?" Henk bewaarde meestal niet zoveel, maar het toeval wilde dat
hij nu toch in de zijzak van zijn colbertjasje het toegangskaartje
vond. Datum en uur klopten en de rechercheurs knikten. „Tot het
einde gebleven?"
„Jawel. Wanneer u wilt, kan ik u
het hele slot vertellen," zei Henk, in een mislukte poging om
grappig te zijn. De rechercheurs gingen er niet op in. „Laat maar,"
zei Valk. „Vertel maar wat je na de voorstelling hebt gedaan. Je
was immers pas om één uur thuis."
„Ik heb niet zo precies op de
tijd gelet," moest Henk bekennen. Maar iemand anders wel, was hem
duidelijk geworden. Hoe wisten ze dat hij precies om één uur thuis
was gekomen. Van van der Made? „De voorstelling was om half twaalf
afgelopen," hielp zijn ondervrager hem herinneren. „Het is hooguit
een kwartier lopen naar het Nachtegaalsplein. Je hebt er anderhalf
uur over gedaan." Henk knikte. Het was waar. Maar hij voelde zich
tevens op zijn gemak. Hij had niets op zijn kerfstok. Het ging
kennelijk om iets wat gisteravond was gebeurd. Nou, wat dat dan ook
geweest mocht zijn, hij had er part noch deel aan. Hij had
gisteravond niets uitgespookt. Maar Henk van der Laan vergiste zich
.. . „Ik hoef toch niet langs de rechte weg naar huis te gaan?"
merkte hij op luchtige toon op, nu hij zekerheid meende te hebben
dat de politie hem niets ten laste kon leggen.
„Nee, je kunt een omweg maken
door de Lindelaan," zei de lange rechercheur langs zijn neus weg.
Henk keek hem niet begrijpend aan.
„Door de Lindelaan?"
„Wat heb je in dat anderhalf uur
gedaan?" vroeg Valk weer. Ze lieten hem geen rust.
„Ik heb een eindje omgelopen,"
vertelde Henk.
„Zo maar," zei Valk op een toon
of hij dit toch wel heel erg betwijfelde. De man had een
merkwaardige manier om zijn gezicht te vertrekken wanneer hij
sprak, was Henk opgevallen. Onwillekeurig moest hij ernaar blijven
kijken. Dat was lastig, want hij deed er beter aan al zijn aandacht
bij de vragen en vooral bij de beantwoording daarvan te houden.
„Och," zei Henk, toen hij lang genoeg gekeken had. „Het was droog
weer, hè. Het regende op dat moment niet. En die film was nou ook
zo leuk niet geweest. Je kreeg pijn in je hoofd van alle problemen
waarmee je daar in de gauwigheid even opgescheept werd. Ik wou ze,
eerlijk gezegd, een beetje van me afzetten. Eerst wou ik een
glaasje cola of zoiets drinken met een vriend van me, die mee was
geweest naar de bioscoop. Maar die ging naar huis en toen dacht ik:
laat ik een straatje omlopen. Ik had in ieder geval geen zin om
recht naar huis te gaan."
„Nee, nee," zei rechercheur Valk,
maar hij keek Henk aan of hij er geen woord van geloofde. Hij trok
een la van zijn bureau open. Met een plotseling gebaar legde hij
een plastic zakje op tafel.
„Ken je dit voorwerp?" vroeg hij.
Henk keek nieuwsgierig toe. Zou dit misschien het raadsel oplossen?
Tot nog toe begreep hij niet wat ze met hem voorhadden.
„Dat is mijn zakmes," zei hij dan
op verbaasde toon. Hoe kwamen ze daar nu weer aan.
„Je herkent het dus?"
„Jawel, maar hoe komt u eraan?"
De rechercheur lachte eens, maar zei niets. „Ik ben het sinds
vanmorgen kwijt," verduidelijkte Henk. „Kwijt?" De toon liet niets
te raden over. De rechercheur vond „kwijt" kennelijk een aardig
gevonden omschrijving voor iets wat hij zelf toch wel heel anders
zou willen betitelen. Het werd Henk nu toch een beetje te gortig.
Wilden ze hem nou vertellen wat ze met dat mes moesten?
„Heren, zoudt u mij misschien willen zeggen wat er aan de hand is," drong hij aan. „Ik begrijp dat er iets gebeurd moet zijn, waarvan u meent dat ik erbij betrokken ben. Maar ik heb er geen idee van wat dat zou kunnen zijn." De langste rechercheur, Zuidema, schudde het hoofd.
„Je bent hier niet om vragen te stellen, maar om ze te beantwoorden. Doe dat nu maar, vertel alles."
„Maar wat dan?"
„Heren, zoudt u mij misschien willen zeggen wat er aan de hand is," drong hij aan. „Ik begrijp dat er iets gebeurd moet zijn, waarvan u meent dat ik erbij betrokken ben. Maar ik heb er geen idee van wat dat zou kunnen zijn." De langste rechercheur, Zuidema, schudde het hoofd.
„Je bent hier niet om vragen te stellen, maar om ze te beantwoorden. Doe dat nu maar, vertel alles."
„Maar wat dan?"
„Je zou ons eens uit de doeken
kunnen doen wat je gisteravond nog zo laat in de Lindelaan
moest."
„De Lindelaan? Ik moet eerst eens
nadenken of ik daar wel geweest ben. O ja, terwijl ik zo maar wat
liep te slenteren, ben ik ook in de Lindelaan geweest. Dat was heel
toevallig. Het had net zo goed een andere straat kunnen zijn. Ik
herinner me nu ook dat ik er even stil ben blijven staan om een
sigaret op te steken."
„Bij de achteruitgang van het
museum." Het was geen vraag, het werd genoemd als een
feit.
„Ja, dat is zo. Ik ben in het
poortje gaan staan. Mijn aansteker was namelijk zo goed als leeg en
gaf nog maar een heel klein vlammetje. Daarom ben ik helemaal uit
de wind gaan staan om te zorgen dat het vuurtje niet uitwaaide. In
dat poortje sta je buiten de wind. Maar u gaat me toch niet
vertellen dat het verboden is zich daar op te houden, is het wel,
heren?" „Nee, je mag er zoveel sigaretten opsteken als je wilt.
Maar iets heel anders. Gisteren bent u vroeg op de avond in het
museum geklommen, als wij goed zijn ingelicht."
„Ja, dat was toen het jongetje
van van Geffen zoek was. U moet daarvan op de hoogte zijn, want er
is over naar de politie gebeld." De rechercheurs knikten dat ze
ervan wisten. „Dat jongetje was het museum binnengelopen en
opgesloten geraakt. U zult dat waarschijnlijk ook wel weten," zei
Henk. Voor alle zekerheid vertelde hij hun nog precies hoe hij in
het museum was geklommen. „We hadden natuurlijk kunnen wachten tot
de sleutels gehaald waren," besloot hij. „Maar u weet hoe dat in
zo'n situatie gaat. Maar luistert u eens hier, heren, u wilt me dat
toch zeker niet aanrekenen? Ik had, achteraf gezien, natuurlijk
beter kunnen wachten. Ik zal de eerste zijn om dat toe te geven.
Maar als je dan ziet hoe je zo'n raam in een wip open kunt
krijgen."
„Jij wist dat het raam zo
gemakkelijk te openen was, hè?"
„Hoe komt u toch aan al die kennis?" zei Henk verbluft. „Nou ja, als kleine jongen klommen we vaak genoeg in die brede vensterbanken om dan omlaag te springen. Toen al is het me opgevallen dat die sluitingen zo onvoldoende waren."
„Hoe komt u toch aan al die kennis?" zei Henk verbluft. „Nou ja, als kleine jongen klommen we vaak genoeg in die brede vensterbanken om dan omlaag te springen. Toen al is het me opgevallen dat die sluitingen zo onvoldoende waren."
„Ben je gisteravond nog verder
het museum ingegaan of ben je in het lokaal gebleven waar de jongen
zat?"
„Nee, ik ben niet verder gegaan.
Ik heb de jongen opgepakt en naar buiten getild. Zelf ben ik er
meteen achteraan gekomen, u kunt dat vragen aan de mensen die erbij
waren." Rechercheur Valk vergeleek de notities die hij voor zich
had liggen. Hij knikte.
„Heb je daarna het raam weer gesloten?" informeerde hij dan. „Zo goed mogelijk. Ik heb later aan meneer van der Vlist verteld dat hij moest zorgen dat er direct naar de sluiting van de ramen gekeken werd."
„Wie is meneer van der Vlist?"
„Heb je daarna het raam weer gesloten?" informeerde hij dan. „Zo goed mogelijk. Ik heb later aan meneer van der Vlist verteld dat hij moest zorgen dat er direct naar de sluiting van de ramen gekeken werd."
„Wie is meneer van der Vlist?"
„Hij woont op het
Nachtegaalsplein en is aan het museum verbonden." Valk zocht
opnieuw in zijn bureau. Waar komt hij nu mee te voorschijn, vroeg
Henk zich af. Wie weet wat ze nu weer hadden. Hij zou wel eens
willen horen hoe ze aan dat mes van hem waren gekomen. De
rechercheur had een boekje gepakt. Hij legde het nu voor zich neer
met de titel naar boven of het een document van onschatbare waarde
was.
„Ken je dit?"
„Ken je dit?"
„Het is een catalogus van het
museum."
„Het is jouw exemplaar. Je
handtekening staat voorin. We hebben het van je kamer
meegenomen."
„Mag dat dan zo maar?" kon Henk
niet nalaten te zeggen. Wat moesten ze nu weer met die gids? De
rechercheur schonk geen aandacht aan zijn opmerking.
„Er ontbreken twee bladzijden
aan," zei hij op een toon, die om opheldering vroeg.
„Dat kan," zei Henk. „Kijkt u
eens hoe oud dat boekje al is. Tien jaar. Ik zat toen in de laatste
klas van de lagere school. Met heel de klas waren we naar het
museum geweest en we moesten er een opstel over schrijven: over het
schilderij dat je het mooiste had gevonden. Ik had nogal moeite om
twee bladzijden vol te krijgen en heb er toen maar een bladzijde
uit de catalogus bij geplakt. Het was een afbeelding van het
schilderij dat ik het mooist had gevonden." De rechercheur keek hem
aan of hij wilde zeggen dat hij het een hoogst verdienstelijk
verhaal vond, maar dat het te mooi was om waar te zijn.
„Als u mij niet gelooft," zei Henk een beetje kortaf, „dan vraagt u het maar aan meneer van Geffen. Die hadden we toen als onderwijzer van de hoogste klas. Misschien herinnert hij het zich nog wel." „We zullen eens zien," zei de rechercheur grimmig. Henk voelde aankomen dat ze een ontknoping begonnen te naderen. Valk haalde een tweede boekje uit zijn la.
„Herken je dit?"
„Als u mij niet gelooft," zei Henk een beetje kortaf, „dan vraagt u het maar aan meneer van Geffen. Die hadden we toen als onderwijzer van de hoogste klas. Misschien herinnert hij het zich nog wel." „We zullen eens zien," zei de rechercheur grimmig. Henk voelde aankomen dat ze een ontknoping begonnen te naderen. Valk haalde een tweede boekje uit zijn la.
„Herken je dit?"
„Een boekje over de schilderijen
van Rembrandt. Ja, dat zal ook wel van mij zijn, neem ik aan. Ik
bezat er tenminste een exemplaar van."
„Ja, het is jouw exemplaar. Er zijn hier en daar aantekeningen gemaakt." De rechercheur zocht een bepaalde pagina op. „Bij de foto van dit schilderij heb je de afmetingen geschreven. Twintig bij dertig centimeter staat er, met een groot uitroepteken erachter."
„Ja, het is jouw exemplaar. Er zijn hier en daar aantekeningen gemaakt." De rechercheur zocht een bepaalde pagina op. „Bij de foto van dit schilderij heb je de afmetingen geschreven. Twintig bij dertig centimeter staat er, met een groot uitroepteken erachter."
„Ook dat herinner ik me nog," zei
Henk. „Die afbeelding wekt de indruk alsof het schilderij
behoorlijk grote afmetingen heeft. Als je niet beter wist zou je
denken dat het schilderij minstens zo'n twee meter breed was en het
is maar dertig centimeter."
„Gemakkelijk mee te nemen,
nietwaar?" viel de lange rechercheur hem dan in de rede. Zuidema
zweeg meestal en stelde maar een heel enkele vraag. Maar die waren
dan ook steeds raak. Blijkbaar moest hij een bres schieten in de
vesting, die door de ander met zijn vele vragen reeds was
ondermijnd.
„Wat bedoelt u?" reageerde Henk
van der Laan geschrokken.
„Precies wat ik zeg. Luister nou eens goed, vriend. Jij vertelt ons de waarheid en wind er nou verder geen doekjes om. Je weet bliksems goed waarom het ons te doen is."
„Nee, heren, het spijt me."
„Precies wat ik zeg. Luister nou eens goed, vriend. Jij vertelt ons de waarheid en wind er nou verder geen doekjes om. Je weet bliksems goed waarom het ons te doen is."
„Nee, heren, het spijt me."
„Dan zullen we je geheugen eens
gauw opfrissen," nam rechercheur Valk weer over. „Vanmorgen is er
ontdekt dat er een schilderij uit het museum verdwenen is. De
diefstal moet vannacht gepleegd zijn. Vermoedelijk rond twaalf uur.
Weet je welk schilderij gestolen is?"
„Nee," zei Henk, maar hij kon wel raden welk het was.
„Nee, hè, jij wist niet dat het 't schilderij van Rembrandt was. Het kostbaarste stuk dat in het museum te vinden is en toevallig nog datgene wat het gemakkelijkst mee te nemen is. Precies twintig bij dertig centimeter. Opgerold is het maar een klein pakje dat je onder je jasje kunt meenemen." Henk kreeg het nu toch wel benauwd. Dit was echt geen zaak meer om grapjes over te maken. Het zag er heel wat somberder uit, dan hij zelfs in de donkerste ogenblikken had kunnen veronderstellen. Hij probeerde nog wel op luchthartige toon te praten, maar dat ging hem niet zo best meer af.
„Nee," zei Henk, maar hij kon wel raden welk het was.
„Nee, hè, jij wist niet dat het 't schilderij van Rembrandt was. Het kostbaarste stuk dat in het museum te vinden is en toevallig nog datgene wat het gemakkelijkst mee te nemen is. Precies twintig bij dertig centimeter. Opgerold is het maar een klein pakje dat je onder je jasje kunt meenemen." Henk kreeg het nu toch wel benauwd. Dit was echt geen zaak meer om grapjes over te maken. Het zag er heel wat somberder uit, dan hij zelfs in de donkerste ogenblikken had kunnen veronderstellen. Hij probeerde nog wel op luchthartige toon te praten, maar dat ging hem niet zo best meer af.
„Dat is nou allemaal wel
mogelijk, heren," verzekerde hij. „Maar ik bezweer u dat ik van dit
alles niets wist en er ook niets mee te maken heb."
„Hoe verklaar je dan dat dit zakmes is gevonden in de gang die leidt naar de zaal waar het gestolen schilderij hing?" De vraag kwam bliksemsnel. Het was natuurlijk Zuidema weer, die haar stelde. Henk schrok, maar voor hij van zijn ontsteltenis bekomen was, werd de volgende vraag al weer afgevuurd. „Weet je misschien een oplossing voor dit probleem: de inbreker is door hetzelfde raam naar binnen gekomen als jij gisteravond, maar in het perk onder het raam hebben we alleen jouw voetsporen gevonden. In de gang hebben we afdrukken van schoenen aangetroffen, alleen de jouwe. De enige vingerafdrukken bij het raam en op het zakmes zijn die van jou. Ja, daarom moest je zo lang wachten. We hebben dat eerst laten controleren."
„Hoe verklaar je dan dat dit zakmes is gevonden in de gang die leidt naar de zaal waar het gestolen schilderij hing?" De vraag kwam bliksemsnel. Het was natuurlijk Zuidema weer, die haar stelde. Henk schrok, maar voor hij van zijn ontsteltenis bekomen was, werd de volgende vraag al weer afgevuurd. „Weet je misschien een oplossing voor dit probleem: de inbreker is door hetzelfde raam naar binnen gekomen als jij gisteravond, maar in het perk onder het raam hebben we alleen jouw voetsporen gevonden. In de gang hebben we afdrukken van schoenen aangetroffen, alleen de jouwe. De enige vingerafdrukken bij het raam en op het zakmes zijn die van jou. Ja, daarom moest je zo lang wachten. We hebben dat eerst laten controleren."
Henk wist eenvoudig niet meer
waar hij kijken moest. Lieve help, zat hij daar even lelijk in. Hij
kon zich nu best voorstellen dat de rechercheurs het nodig hadden
gevonden hem mee te nemen.
„Ik ben dat mes sinds vanmorgen
kwijt," zei hij op matte toon. Hij had er inderdaad vanmorgen
vergeefs naar gezocht, toen hij het had willen gebruiken om een
brief te openen.
„Ja, ja," zei de lange
rechercheur. „En de kaboutertjes hebben het zeker in het museum
neergelegd, En diezelfde kaboutertjes zijn zeker tevoren door het
raam geklauterd net zoals jij dat om acht uur had gedaan. Die
kaboutertjes hebben toen ook het schilderij meegenomen. Het is
jammer voor je, maar wij geloven echt niet meer in sprookjes. Die
tijd is voorbij." Hij zweeg een ogenblik en dan kwam het:
„WAAR IS DAT SCHILDERIJ?" Henk was radeloos. Wat kon je doen om je onschuld te bewijzen, als de omstandigheden zo tegen je waren?
„WAAR IS DAT SCHILDERIJ?" Henk was radeloos. Wat kon je doen om je onschuld te bewijzen, als de omstandigheden zo tegen je waren?
„Kom," drongen de rechercheurs
aan. „We hebben anders geduld, hoor. Dagen en desnoods weken. We
krijgen de waarheid heus wel uit je. Maar het zou heel wat beter
voor je zijn, als je meteen over de brug kwam. Het spel is toch
verloren."
„Ik heb werkelijk niets te
vertellen, heren," hield Henk vol. „Ik weet nu dat alles tegen me
is, maar ik heb er niets, maar dan ook niets mee te maken. Wat zou
ik moeten beginnen met zo'n schilderij?"
„Je zou in opdracht van een ander gehandeld kunnen hebben," veronderstelde Valk. Zuidema keek hem slechts aan. Maar die blik sprak boekdelen: hij was ervan overtuigd dat Henk er meer van wist. „Heeft men mij rond twaalf uur bij de achteruitgang van het museum gezien?" informeerde Henk.
„Je zou in opdracht van een ander gehandeld kunnen hebben," veronderstelde Valk. Zuidema keek hem slechts aan. Maar die blik sprak boekdelen: hij was ervan overtuigd dat Henk er meer van wist. „Heeft men mij rond twaalf uur bij de achteruitgang van het museum gezien?" informeerde Henk.
„Ja, terwijl je daar een sigaret
stond op te steken."
„Hoe laat was dat precies?"
„Hoe laat was dat precies?"
De rechercheurs keken elkaar aan
of ze antwoord konden geven op die vraag. Zuidema knikte.
„Tien voor twaalf," antwoordde
Valk toen. Tien voor twaalf, herhaalde Henk voor zich. Het tijdstip
zei hem niets. Hij kon zich nauwelijks een detail van zijn
zwerftocht door de stad herinneren. Hij was daar nu trouwens veel
te opgewonden voor. Veel meer dan dat hij doelloos door de stad had
lopen slenteren, kon hij zich nu niet te binnen brengen. Zijn
gedachten waren bij de film geweest, een somber, troosteloos
verhaal, waarmee hij het helemaal niet eens was geweest en dat hij
van zich af wilde zetten. Omdat Bas de volgende morgen heel vroeg
op kantoor moest zijn, was hij naar huis gegaan. Maar Henk had nog
wat rond willen lopen. Hij was in de Lindelaan geweest en had er
een sigaret opgestoken — dat wist hij nu weer. Maar verder... De
rechercheurs hadden hem zwijgend gadegeslagen. Blijkbaar verkeerden
ze in de veronderstelling dat Henk nu met zijn bekentenis zou
komen. Hij maakte een moedeloos gebaar. Hij zat er lelijk in, dat
begreep hij wel, en die twee zouden hem vast niet vertellen hoe hij
eruit kon raken. Die waren overtuigd van zijn schuld.
„Nou," drong Zuidema aan.
„Nou," drong Zuidema aan.
„Ik sta erbuiten," hield Henk met
de moed der wanhoop vol. En dan werd het hem ineens teveel. Hij kon
zich niet langer beheersen. „Ik heb er geen snars mee te maken. Ik
heb dat schilderij niet gestolen. U moet me laten gaan. Ik . . ."
Hij kwam niet verder. Het liefst had hij met zijn vuisten op de
tafel geslagen. Maar dat wist hij nog in te houden. De beide
rechercheurs waren naast hem komen staan. Blijkbaar vreesden ze dat
hij dwaze dingen zou doen.
„Dat helpt je niet," zeiden ze.
„Dat helpt je niet," zeiden ze.
„Maar ik heb er niets mee te
maken," hield hij machteloos vol.
„Dat zul je dan eerst moeten aantonen," zeiden ze. Zij bewaarden hun rust volkomen. Dat konden ze ook gemakkelijk, dacht Henk grimmig. Zij zaten niet zo in de penarie.
„Dat zul je dan eerst moeten aantonen," zeiden ze. Zij bewaarden hun rust volkomen. Dat konden ze ook gemakkelijk, dacht Henk grimmig. Zij zaten niet zo in de penarie.
„Waarom moet ik de dader zijn?"
vroeg hij. „De inbraak kan toch heel de nacht gepleegd zijn?"
Zuidema schudde ontkennend het hoofd.
„Dat is niet waarschijnlijk."
Hij legde uit waarom.
„Degene die vannacht is binnengedrongen, heeft een tafeltje omver gestoten, dat in het lokaal stond, waarin zich het raam bevindt. Op dat tafeltje stond een klokje. Dat is stuk gevallen. De wijzers zijn blijven staan om tien over twaalf. Tien voor twaalf ben jij bij de achteruitgang gesignaleerd, dus . .. Bovendien heeft men om half een iemand door de Lindelaan zien lopen. Het signalement is vaag, dat moet ik toegeven. Maar het zou het jouwe kunnen zijn."
Nu verloor Henk alle moed. Hij wist niet anders te doen dan mat nee te schudden. Wat moest je nu tegen al dit bewijsmateriaal inbrengen? Ze voerden hem weer naar het arrestantenverblijf.
Zuidema schudde ontkennend het hoofd.
„Dat is niet waarschijnlijk."
Hij legde uit waarom.
„Degene die vannacht is binnengedrongen, heeft een tafeltje omver gestoten, dat in het lokaal stond, waarin zich het raam bevindt. Op dat tafeltje stond een klokje. Dat is stuk gevallen. De wijzers zijn blijven staan om tien over twaalf. Tien voor twaalf ben jij bij de achteruitgang gesignaleerd, dus . .. Bovendien heeft men om half een iemand door de Lindelaan zien lopen. Het signalement is vaag, dat moet ik toegeven. Maar het zou het jouwe kunnen zijn."
Nu verloor Henk alle moed. Hij wist niet anders te doen dan mat nee te schudden. Wat moest je nu tegen al dit bewijsmateriaal inbrengen? Ze voerden hem weer naar het arrestantenverblijf.
„Denk nog maar eens goed over
alles na," zei Valk, toen ze hem alleen lieten en de deur
sloten.
Wat ging er nu met hem gebeuren,
vroeg Henk van der Laan zich benauwd af. Hij had er niet het
flauwste idee van. Wel had hij de nodige detectiveverhalen gelezen,
maar hoe het nu precies verliep wanneer je door de politie
aangehouden was, wist hij echt niet meer. Lieten ze hem hier nu zo
maar zitten? Of werd hij straks weer verhoord en brachten ze hem
daarna naar de cel? Daar zou het wel op uitdraaien, vreesde hij,
want hij zou niet weten hoe hij voor een alibi moest zorgen. Hij
stond er wat je noemt gekleurd op. Hij kon zich nu wel
voorspiegelen dat het allemaal met een sisser zou eindigen, maar
voorlopig zag hij dat nog niet gebeuren. Als je het hem op de man
af had gevraagd, zou hij gezegd hebben dat hij voor zijn eigen
kansen op dat moment geen dubbeltje gaf.
Even kwam er een gevoel van
verbittering in Henk op. Dat kwam er nou van als je iemand hielp
die in nood zat. Als hij Kareltje rustig had laten zitten, was hij
niet in de narigheid geraakt. Maar dat was natuurlijk dwaasheid,
wist hij meteen zelf. Hij had zoveel geduld moeten hebben, dat hij
had kunnen wachten tot ze van der Vlist gewaarschuwd hadden om de
sleutels te halen.
Het bleef een zonderlinge
samenloop van omstandigheden, dat net in de afgelopen nacht de
diefstal van de Rembrandt plaats moest vinden. Of was het niet zo
toevallig? Hing het één misschien met het ander samen? Er waren
verschillende mensen die gehoord hadden dat de sluiting van de
museumramen zo slecht was, toen hij daarvan aan meneer van der
Vlist vertelde. Zou een van hen misschien. ..? Mismoedig schudde
Henk het hoofd. Zo kwam hij er zeker niet uit. De politie zou hem
stellig niet laten gaan, als hij zou proberen de verdenking op
anderen te schuiven. Ze zouden hem uitlachen. Tegen hem pleitte een
aantal feiten, waartegen hij op dit moment nog geen verweer had.
Zouden ze hem dan laten gaan op de bewering dat er meer mensen
waren die wisten dat je zo gemakkelijk in het museum kon komen. Nee
toch zeker?
Ondanks alles kreeg Henk toch wel
een gevoel van bewondering voor de politie. In enkele uren tijds
hadden ze al een verrassend aantal feiten en omstandigheden rond de
diefstal ontdekt. Het was pech dat die allemaal naar hem wezen,
maar het viel niet te ontkennen, dat het op zich knap speurwerk
was. Het feit dat de politie op zulk een wijze blijk had gegeven
van haar kundigheden, vervulde hem echter ook met grote zorg. Hij
zou deze zelfde mensen moeten aantonen dat hij vrijuit ging en dat
zou om de drommel niet meevallen. Hij zou moeten bewijzen dat hij
om tien voor twaalf, na het opsteken van die sigaret, doorgelopen
was en daarna niet meer in de buurt van het museum was geweest. Hij
zou moeten zorgen voor een sluitend alibi tot half een.
Tevergeefs pijnigde hij zijn
hersenen. Hij probeerde zich details van zijn nachtelijke
zwerftocht voor de geest te halen, maar het leek wel of zijn
verstand steeds meer afgestompt raakte, of hij niet helder meer kon
denken.
Ineens stak het verzet weer in
hem op. Hij liet zich om de drommel niet kisten. Je kon zo maar
niet een onschuldige opsluiten. Wat dachten ze wel.
Maar dan zag hij al het
bewijsmateriaal tegen hem weer voor zich. Het zakmes, die
voetsporen . .. Hoe kwam het daar allemaal? Vanmorgen had hij het
mes voor het eerst gemist. Was het gevonden door de inbreker en
daarna opnieuw verloren?
Hij kon zich nu weer herinneren
wanneer hij het zakmes voor het laatst had gebruikt. Dat was
gisteravond geweest, toen hij er het raam van het museum mee
geopend en later weer gesloten had. Hij wist zeker dat hij er later
geen gebruik van had gemaakt. Had hij het in het museum verloren of
het er misschien laten liggen? Hij probeerde als het ware zijn
hersenen uit te persen om zich te herinneren of hij het mes in zijn
zak had gestoken of op de vensterbank gelegd. Hij wist het echt
niet meer. Op dat moment had hij alleen maar aandacht gehad voor
Kareltje. Het kon best zijn dat hij dientengevolge het mes had
laten liggen. Wie waren er bij hem geweest? Bas Banning en meneer
Stavenuiter. Zou een van beiden zich misschien iets van dat mes
herinneren? Dat zou wel niet, nam hij aan. Als hijzelf er niets
meer van wist, wat zouden zij er dan van weten? Ook zij hadden
slechts oog gehad voor Kareltje van Geffen.
Had hij het mes dus op de
vensterbank laten liggen en had de inbreker het daar gevonden en
het met opzet in het museum achtergelaten? Het leek een dwaze
veronderstelling. Maar er was iets anders dat deze mogelijkheid
toch niet zo zot deed lijken. In de gang had men afdrukken van zijn
schoenen aangetroffen. Ze waren niet van hem afkomstig, want hij
was niet in de gang geweest. Hoe waren ze er dan gekomen? Op
dezelfde manier als het zakmes? Om de verdenking op hem te laden?
Het zou kunnen. Maar dat betekende tevens dat de inbreker iemand
moest zijn die hij goed kende. Die wist dat het mes afkomstig was
van hem, evenals de schoenafdrukken. Bovendien moest het iemand
zijn die ervan op de hoogte was dat hij gisteravond het museum was
binnengedrongen. Dat maakte de groep van mogelijke daders wel erg
klein. Zou het werkelijk iemand van het Nachtegaalsplein geweest
zijn? Maar wie dan? Henk verborg moedeloos het hoofd in zijn
handen. Nu was hij weer op diezelfde doodlopende weg beland. Zo
kwam hij niet vrij. Het enige wat hij moest doen was aantonen dat
hij tussen twaalf en half een niet in de omgeving van het museum
was geweest.
In de recherchekamer was het een
voortdurend geloop. De telefoon rinkelde herhaaldelijk, maar Henk
sloeg er geen acht op. Hij piekerde en piekerde maar en zijn
wanhoop werd steeds erger. Nooit meer zou hij iemand helpen, dacht
hij in zijn verbittering. Wanneer hij straks weer buiten stond,
mocht er desnoods iemand voor zijn voeten neervallen, hij zou er
rustig overheen stappen en er niet naar omkijken. Morgen rekenden
ze het je nog aan dat je hulp geboden had. En die beroerde van der
Made. Die man kon, als hij maar een beetje rechercheur was, toch
ook wel begrijpen dat Henk onschuldig was aan die diefstal.
Daarvoor kende van der Made hem lang genoeg. Het was me verdorie
geen peuleschilletje. Je was niet altijd een nette oppassende
jongen uit een keurig gezin geweest om dan maar ineens zo'n
diefstal te plegen.
Maar wat wilde Henk? De schijn
was aan alle kanten tegen hem. En hoeveel inbrekers, zelfs
moordenaars, waren van huis uit geen oppassende jongens met een
aardig gezicht, mensen die volkomen te vertrouwen leken. Je zou
niet denken dat ze iets op hun kerfstok hadden. Daarom was je
ogenschijnlijk zo eerlijke gezicht voor de politie helemaal geen
bewijs. Dat nam echter niet weg dat ze hem hier niet zo maar konden
laten zitten. Henk wilde opnieuw opspringen en met zijn vuisten
tegen het gaas beuken om van zijn verontwaardiging blijk te geven.
Met een vermoeid gebaar liet hij echter zijn handen zakken. Hij kon
dat beter maar vergeten, je kwam er geen stap verder mee en nam
hoogstens de politie nog meer tegen je in.
Weer nam hij zijn hoofd tussen
zijn handen. Hij kneep zijn ogen toe tot het hem bijna pijn deed.
Rustig blijven, hield hij zich voor, rustig blijven. Probeer je
precies te herinneren hoe je van de bioscoop tenslotte naar huis
bent gekomen.
Er dansten in de duisternis
sterretjes voor zijn ogen, maar hij liet zich niet afleiden. Hij
riep de stroom mensen voor zich op, waarin hij samen met Bas uit de
bioscoop was gekomen. Hij had zich eerst willoos laten meedrijven
en was in de richting van huis geslenterd. Hij voelde zich echter
nog helemaal niet in de stemming om nu al te gaan slapen, hij wilde
eerst nog wat nadenken over die film, wat klaarheid scheppen in de
verwarde gedachten die er door zijn hoofd spookten. Al waren ze
reeds vrij dicht in de buurt van het Nachtegaalsplein geweest, hij
had Bas gevraagd of ze nog wat rond zouden wandelen. Bas had daar
erg weinig voor gevoeld, omdat hij erg moe was en veel last van
slaap had. „Maar ga jij alleen," had hij gezegd en dat had Henk
gedaan. Hij was omgekeerd en door de Lindelaan weer in de richting
van het centrum gewandeld. Bij het poortje van het museum was hij
even blijven stilstaan om een sigaret op te steken. Hij herinnerde
zich nu weer haarscherp dat hij onmiddellijk daarna was verder
gegaan. Hij had het geluid van een auto gehoord, maar daar verder
niet op gelet. Hoe was hij daarna gegaan? Wacht eens, hij was over
de Markt gekomen. Hij had daar staan kijken naar de tribunes, die
er in aanbouw waren voor de grote taptoe, welke over enkele weken
gehouden zou worden. Vorig jaar was die er voor de eerste keer
geweest en nu wilde men dit muzikaal gebeuren op grootse wijze
herhalen. Het beloofde heel wat te worden volgens de krant. Van de
Markt was hij naar de Ruiterstraat gegaan. Hoe laat was het toen
geweest? Twaalf uur of even daarna, want toen hij in de
Ruiterstraat liep, waren de meeste straatlantarens uitgegaan. Maar
wat had hij aan die kennis? Er was geen mens die kon getuigen dat
hij om twaalf uur Henk van der Laan in de Ruiterstraat had gezien,
want de straat was op dat tijdstip uitgestorven geweest. Henk
was daarna langs het station gewandeld. Daar stond de laatste bus
op vertrekken. Tien over twaalf moest het dus geweest zijn, want zo
laat reden de laatste bussen van het station weg. Hé, ineens steeg
er een gevoel van opwinding in hem op. Hij wist zich te herinneren
dat de bus vertrokken was met slechts één passagier. Hij had de man
zien instappen en kon een signalement geven. Het was niet zó
gedetailleerd, want hij had de man tenslotte maar een ogenblik
gezien, maar alle beetjes hielpen in dit geval Hij kon ook de
chauffeur beschrijven en dat betekende eveneens weer
winst.
Henks sombere stemming begon wat
te verdwijnen. Het leek of er een licht binnendrong in de
duisternis en in dat licht begon hij nu allerlei zaken te
onderscheiden, die hem mogelijk eveneens van dienst konden zijn.
Tien over twaalf was hij dus bij het station geweest. Daarmee ging
hij de goede kant uit, want het klokje, dat in het museum was
omgevallen, was om tien over twaalf blijven stilstaan. Nu moest hij
scherp nadenken. Als hij zou kunnen aantonen waar hij tot half een
was geweest, dan was hij gered, nam hij aan. Op dat tijdstip had
men immers iemand in de buurt van het museum gezien. Een gat van
twintig minuten had hij dus nog te vullen. Henk peinsde en peinsde
weer. Bij het station had hij wat tijd verloren. Hij had daar
opnieuw een sigaret opgestoken en een rol pepermunt uit de automaat
gehaald. Iemand had hem om vuur voor zijn sigaret gevraagd.
Kennelijk een reiziger die met de laatste trein was meegekomen. Wie
was dat geweest? Hij had er geen flauw benul van. Hij kon zich de
man nauwelijks meer voor de geest halen, omdat hij toen met zijn
gedachten al weer helemaal bij de film was geweest. De man had een
gabardine regenjas aan gehad en hij sprak bijzonder beschaafd, dat
was eigenlijk het belangrijkste wat hij zich wist te herinneren.
Maar ga naar zo iemand eens zoeken in de stad. Misschien was de man
allang weer vertrokken. Nee, hiermee kwam hij niet
verder.
Van het station was hij op huis
aan gegaan. Heel langzaam, terwijl hij al piekerend nu eens hier en
dan weer daar bleef staan. Hij was door de Raamstraat teruggekeerd.
En daar ging weer zo'n lichtje branden. Om half een precies had hij
van der Made uit het bureau zien komen. Hij was in het gezelschap
van een collega geweest. Ze hadden een of twee minuten voor de deur
staan praten en toen waren ze elk een andere kant uitgegaan. Als er
laatst dat heibeltje niet was geweest, zou Henk misschien van der
Made achterop zijn gegaan om samen op huis aan te wandelen. Nu had
hij dat niet gedaan en eigenlijk moest hij daar spijt van hebben.
Dat het nou net van der Made moest zijn. Maar het was half een
geweest, dat wist hij precies. Hij had op dat moment naar de
torenklok op de Markt gekeken. Half een, had hij gedacht, het wordt
tijd dat ik naar huis ga, anders wordt moeder ongerust.
Henk had de overtuiging dat hij
er was. Als hij om half een in de Raamstraat was geweest, kon hij
moeilijk op dat tijdstip in de buurt van de Lindelaan gesignaleerd
zijn, want die lag er minstens een kwartier vandaan. Voor alle
zekerheid liet Henk heel de wandeling nog eens de revue passeren.
Het zat goed. En toen kon hij zijn opwinding niet langer bedwingen.
Hij sprong op en riep de beide rechercheurs, die zich in de
recherchekamer bevonden.
„Rustig," zei Valk, „alles op
zijn tijd."
„Ik weet het allemaal weer," zei
Henk. „Ik kan het u nu precies vertellen."
De beide rechercheurs begrepen
hem verkeerd. Ze meenden dat hij wilde bekennen. Henk liet hen in
die waan. Als hij eerst maar uit dit hok was. Zuidema kwam hem
halen.
Verwachtingsvol keken de beide
mannen hem aan. Hun gezicht betrok al heel gauw, toen het hun
duidelijk werd wat Henk te vertellen had.
„Het klinkt heel aardig," moest Zuidema toegeven, toen Henk tenslotte zijn verhaal had beëindigd. Hij lachte een beetje als een boer die kiespijn heeft. Maar als Henk had gedacht dat hij nu meteen op staande voet werd vrijgelaten, kwam hij toch bedrogen uit. Eerst moesten zijn verklaringen gecontroleerd worden.
„Het klinkt heel aardig," moest Zuidema toegeven, toen Henk tenslotte zijn verhaal had beëindigd. Hij lachte een beetje als een boer die kiespijn heeft. Maar als Henk had gedacht dat hij nu meteen op staande voet werd vrijgelaten, kwam hij toch bedrogen uit. Eerst moesten zijn verklaringen gecontroleerd worden.
Rechercheur van der Made was snel
genoeg gevonden. Hij bleek in het gebouw aanwezig te zijn en hij
bevestigde dat hij om half een het bureau had verlaten in het
gezelschap van de collega, die door Henk beschreven was. Vergiste
Henk zich, of leek van der Made werkelijk opgelucht toen hij hoorde
hoe Henk zijn alibi kon aantonen. Henk sloeg er verder geen acht
op. Voorlopig kon hij die van der Made helemaal niet meer zien. Het
duurde wel enige tijd voor men de chauffeur van de laatste bus had
opgeduikeld. Hij was die namiddag uit vissen gegaan en niemand wist
te vertellen waar hij uithing. Maar tenslotte was ook hij er. Hij
bevestigde dat hij inderdaad om tien over twaalf van het station
was vertrokken met slechts één passagier. Zijn beschrijving daarvan
klopte vrij aardig met het signalement, dat Henk had gegeven. Zelf
beantwoordde de chauffeur ook aan de gegevens, die Henk had weten
mee te delen.
Toen was het gebeurd. Henk van
der Laan mocht het bureau verlaten. Hij kon zich echter niet
helemaal aan de indruk onttrekken dat Zuidema en Valk hem slechts
node lieten gaan. Het leek of ze de gedachte koesterden: je hebt je
er nou wel aardig uit weten te redden, mannetje, maar je bent van
ons nog niet af. Pas maar op, wij houden je in de gaten. Jij hebt
het gedaan en niemand anders.
Henk deed maar net of hij er
niets van merkte. Voorlopig was zijn blijdschap nog te groot. Lieve
help, wat had hij in benauwdheid gezeten. Hij rende de
recherchekamer uit. Ergens opzij stond van der Made. De man wilde
naar hem toekomen, maar Henk zag hem niet eens. Hij vloog de treden
van de stoep af. Daar stonden zijn vader en zijn broer Bart hem op
te wachten. Opgetogen sloegen ze hem op de schouders.
„Staan jullie hier al lang te wachten?" vroeg Henk.
„Staan jullie hier al lang te wachten?" vroeg Henk.
„De hele middag," vertelde Bart.
„Vader tenminste. Joop en ik lossen elkaar af. Een is er steeds
thuis bij moeder. Die is natuurlijk helemaal in de war. Van der
Made is nog wel een keer komen zeggen dat het wat langer zou duren,
maar dat je vandaag nog naar huis kwam. Dat hielp maar weinig, want
hij wilde niet zeggen wat er aan de hand was. Dat mocht hij niet.
Wat was het nou eigenlijk?" vroeg hij nieuwsgierig.
„Geef me eerst een sigaret," zei
Henk. „Wat heb ik daarnaar gesnakt. Straks zal ik je het hele
verhaal doen."
„Dan zullen wij ook het onze
doen," beloofde Bart. „Een heel mooi verhaal, daar zul je van
opkijken. We hebben geprobeerd het bureau binnen te komen om
te informeren wat er nou precies aan de hand was. Nou het heeft
niet veel gescheeld of wij waren in de cel beland."
„Daar had ik ook bijna in gezeten," zei Henk grimmig. Hij rilde nog even Hij inhaleerde diep en begon dan, terwijl ze op huis aangingen, zijn vader en Bart het verhaal van die middag te doen.
„Daar had ik ook bijna in gezeten," zei Henk grimmig. Hij rilde nog even Hij inhaleerde diep en begon dan, terwijl ze op huis aangingen, zijn vader en Bart het verhaal van die middag te doen.