Derde hoofdstuk

Bas Banning lag te luisteren — eigenlijk naar niets. Hij was vroeg wakker geworden en wachtte nog even voor hij opstond. Pas om half acht hoefde hij beneden te zijn en hij had zoëven de grote staande klok, die zich op de kamer van meneer Heiligers bevond, met zwaar galmend geluid zes horen slaan. Hij had dus werkelijk nog alle tijd. Hij zou tot zeven uur wachten, nam hij zich voor, en dan zou hij zich op zijn gemak douchen. Behoedzaam streek hij eens met zijn vingers over zijn kin. Het hing erom, maar het zou misschien toch wel beter zijn, als hij zich meteen maar schoor. Daar moest hij tegenwoordig ook aan geloven, ook al was het nog niet nodig dat hij zich elke dag schoor. Het beste was het maar om het na het douchen te doen. Hij had wel eens gelezen dat het dan gemakkelijker ging, omdat de baardharen zachter waren. Maar hij zou goed moeten opletten dat hij zich niet sneed, anders zou hij straks natuurlijk weer wat te horen krijgen over jongetjes, die toch zo nodig groot willen lijken en die zich moeten scheren met behulp van een vergrootglas.
Bas rekte zich nog eens behaaglijk uit. De zon scheen zijn kamer binnen. Hij hoorde het geritsel van de bomen op het Nachtegaalsplein. Het was er zo stil. Nooit gebeurde er iets. De verdwijning van Kareltje van Geffen was de enige opwindende gebeurtenis van dit jaar geweest, had Heiligers hem gisteravond verteld. Nou, dan zou het wel een jaar duren voor er weer iets gebeurde, nam Bas aan. Maar daarin vergiste hij zich volkomen.
Diezelfde middag belden er twee rechercheurs aan bij de van der Laans en vroegen heel beleefd, maar toch op een wijze, die moeilijk mis te verstaan was, aan mevrouw van der Laan toestemming om een onderzoek in de woning in te stellen. Van der Laan was op dat moment niet thuis, evenmin als zijn drie zoons. Mevrouw van der Laan was te verbluft om een woord van protest te uiten. Bovendien had ze een van de politiemannen herkend. Het was van der Made, die aan het andere eind van het plein woonde.
Mevrouw van der Laan liet beide mannen binnen. Van der Made was uiterst beleefd en correct, maar hij liet duidelijk uitkomen dat hij hier niet als buur was, maar als rechercheur. Aan kleinigheden kon je merken dat hij zich niet direct gelukkig voelde met de opdracht die hij nu uit te voeren had. Hij liet zijn collega, Valk bleek deze te heten, het woord doen en bleef zelf zoveel mogelijk op de achtergrond. Was mevrouw van der Laan aanvankelijk alleen maar verbluft geweest, ze begon nu toch wel te begrijpen dat er iets ernstigs aan de hand moest zijn. Onrust begon zich van haar meester te maken. Ze wendde zich naar van der Made, maar die liet het bij een gebaar waaruit ze moest opmaken dat hij zijn plicht had te doen. Rechercheur Valk vroeg haar of haar zoon Henk een eigen kamer had. „Ja, samen met zijn broer Bart," vertelde ze. „Maar waarom moet u dat weten?"
„Een onderzoek," zei Valk.
„Maar Henk heeft toch niets gedaan? Die jongen doet geen vlieg kwaad. Dat weet meneer van der Made toch ook wel." Die maakte alleen maar weer een gebaar dat hij het ook niet helpen kon.
„We zullen eens zien," zei Valk. Rechercheurs zijn over het algemeen geen spraakzame lieden. Het is hun taak anderen aan het praten te krijgen en zelf zeggen ze het liefst zo weinig mogelijk.
Mevrouw van der Laan wees de beide politiemannen de weg naar de kamer van Henk en Bart, een laag zoldervertrek waar twee metalen bedden stonden en enkele zelfgemaakte boekenrekken, voornamelijk beladen met pocketboeken.
„Maar mag ik dan helemaal niet weten wat er aan de hand is?" drong mevrouw van der Laan aan, terwijl de rechercheurs de eigendommen van Henk begonnen te doorzoeken en nakeken wat voor boeken hij allemaal had staan. Nou, daar waren ze zo een, twee, drie nog niet mee klaar, want Henk stak zo ongeveer al zijn zakgeld in boeken en er stonden er dus wel enkele.
„We hebben er zo onze reden voor," antwoordde rechercheur Valk, terwijl hij in een boekje stond te bladeren. Ineens floot hij tussen zijn tanden, als had hij een opzienbarende ontdekking gedaan. Hij liet zijn collega het boekje zien, dat hij in zijn hand had en wees hem op een bepaalde pagina. Van der Made haalde zijn schouders op. Hij leek iets te willen zeggen, maar dan leek het hem beter erover te zwijgen zolang mevrouw van der Laan erbij was.
Besluiteloos stond zij toe te kijken. Ze wist niet wat ze ervan moest denken. Wat moest dit allemaal betekenen en waarom gedroeg van der Made zich zo eigenaardig? Dan vroeg ze zich af of de buren gezien zouden hebben dat die twee mannen naar binnen gingen. Je kon al een straat ver aan ze zien dat het rechercheurs waren, ook wanneer je van der Made niet direct zou hebben herkend. Ze hadden van die lichte, breed geschouderde regenjassen aan en droegen slappe deukhoeden met neergeslagen rand. Als de buren ontdekten dat de politie hier op bezoek was, zou er gepraat worden, daar kon je van op aan. De rechercheurs gingen rustig en onverstoorbaar door met hun werk. Ze hadden de tijd, tenminste Valk, want van der Made scheen er wel een eind aan te willen maken. Maar zijn collega voerde zijn opdracht grondig uit. Kasten, kisten en dozen doorzocht hij zorgvuldig. Hij vond nog een boekje, dat hem de moeite waard leek en dat hij bij zich stak.
„We moesten maar weer eens gaan," zei rechercheur van der Made dan op zakelijke toon.
„Er is toch niets, van der Made?" informeerde mevrouw van der Laan op bezorgde toon. Ze was er helemaal niet gerust op. Haar oudste zoon kon eenvoudig niets op zijn kerfstok hebben, daarvoor kende ze hem veel te goed. Maar wat moest die politie hier dan? Van der Made keek haar eens aan. Hij wist niet goed wat te zeggen. „Och," mompelde hij dan slechts. Ze waren toen al beneden in de huiskamer. Net op dat ogenblik kwamen Henk en zijn jongste broer Bart binnen. Van der Made trok een ongelukkig gezicht, alsof dit nou het beroerdste was dat er had kunnen gebeuren.
„Wat is er aan de hand, heren?" vroeg Henk, die bevreemd opkeek over de aanwezigheid van de beide mannen. Bovendien had hij al aan het gelaat van zijn moeder gezien dat zij helemaal van streek was. „We zijn van de recherche," zei Valk koel en hij liet zijn legitimatie zien. „Van der Made hoef ik er zeker niet naar te vragen," zei Henk een tikje spottend. Zoals gezegd mochten ze elkaar niet erg. Henk vond dat van der Made kouwe drukte had, zo echt de rechercheur uithing. Laatst was het tot een woordenwisseling tussen die twee gekomen. Henk was met zijn fiets tegen die van van der Made opgereden, omdat de laatste geen voorrang had verleend. Henk had toen nogal scherp de opmerking gehad, dat van der Made, al was hij honderdmaal bij de politie, toch wel uit zijn ogen moest kijken en voorrang geven. Dat was bij de rechercheur niet direct in goede aarde gevallen, zoals te begrijpen was. Hij had het zijne gezegd en boos waren de twee uit elkaar gegaan. Het was voor het eerst sinds die woordenwisseling dat ze weer tegenover elkaar stonden en Henks opmerking was voor de goede verstaander duidelijk genoeg. Van der Made reageerde er niet op.
„Wat komt u hier doen, heren?" vroeg Henk dan, omdat geen van beide rechercheurs iets zei. Hij keek van der Made aan, maar deze gebaarde naar zijn collega, dat hij het woord maar moest doen.
„Zou jij misschien willen meegaan naar het bureau?" zei Valk dan tegen Henk. Van der Made stak zijn hand nog uit, als wilde hij protesteren. De andere rechercheur sloeg er evenwel geen acht op. Hij had zijn besluit genomen.
„Waarom zou ik meegaan?" vroeg Henk. Henk zou misschien niet zo stug hebben gedaan, als hij niet aan de houding van zijn moeder had gezien, dat er iets mis was. „Ik wil eerst wel eens weten wat u van me moet." „Op het bureau zul je wel horen wat er gaande is."
„Ja, maar ik heb geen ..." Henk was niet gemakkelijk. Als hij ergens geen zin in had, dan liet hij dat heel duidelijk merken. Maar met die houding was hij bij rechercheur Valk toch echt aan het verkeerde adres. Die werd alleen maar rustiger en koeler en liet zich niet van zijn stuk afbrengen. Van der Made hield zich op de achtergrond. Aan alles viel te merken dat hij het graag anders had gezien, maar dat hij weinig invloed meer kon uitoefenen, nu de zaken eenmaal deze keer hadden genomen. „Ga nu mee," zei Valk rustig, terwijl hij Henk op de schouder klopte of ze de beste maatjes waren. „Ga nu maar mee. We hebben je een paar vragen te stellen. Als de zaak in orde is, ben je met hooguit een paar uur thuis." „Allemaal best en aardig, maar u wekt de indruk of ik heel wat op mijn kerfstok heb," bleef Henk volhouden. „Ik heb echt wel voorrang gegeven, dus daarover hoeft u mij niet te onderhouden ..." Dat was natuurlijk helemaal geen vriendelijke opmerking aan het adres van van der Made. Die trok even met zijn gezicht, maar zei niets.
Rechercheur Valk liep naar Henk toe. Van der Made opende de huiskamerdeur en liep de gang in. Zijn collega beduidde Henk dat hij maar moest volgen. Hij deed het zeer beleefd en voorkomend, maar van de andere kant het hij er geen twijfel over bestaan dat hij Henk eventueel zou dwingen mee te gaan. „Ga nu maar mee," raadde mevrouw van der Laan haar oudste zoon aan. „Het is natuurlijk een vergissing. Je zult het hun daar gauw genoeg duidelijk hebben gemaakt." Zachtjes duwde ze hem in de richting van de deur. Het leek haar de beste oplossing. Henk zou door zijn stugge verzet de situatie alleen maar verergeren, vreesde ze. Misschien zou hij in zijn boosheid iets zeggen wat hij niet zou kunnen verantwoorden. Nog aarzelde Henk, maar zijn moeder bleef aandringen. Met een hoekig gebaar volgde hij dan van der Made. Misschien was het ook wel het beste. Hij zou ze op het bureau wel eens even duidelijk maken dat ze ernaast zaten. En die van der Made zou ervan lusten, daar kon dat mannetje van op aan.
Henk liep met de beide politiemannen het Nachtegaalsplein op. Gedrieën wandelden ze rustig weg of er helemaal geen vuiltje aan de lucht was. Toch hadden de bewoners van het Nachtegaalsplein direct door dat er iets ongewoons gaande was. De drie mannen werden nieuwsgierig van achter weggeschoven gordijnen nagekeken.
„We hadden wel voor een auto kunnen zorgen," zei rechercheur Valk niet al te onvriendelijk. „Maar het zonnetje schijnt en we kunnen dat stukje wel lopen, dacht ik zo." Henk gaf er geen antwoord op. Hij had danig de smoor in. Het was nogal leuk om op zo'n manier opgebracht te worden, want daar begon het nu toch wel verdacht veel op te lijken.
Van der Made en Valk brachten hem naar de recherchekamer op het bureau en daar kreeg hij een plaats in het arrestantenverblijf. Henk had nog nooit een arrestantenverblijf gezien, maar hij kon wel raden dat dit er een was. Het was een klein hokje, niet eens veel groter dan een diepe muurkast. De wanden waren van hout en volkomen kaal. De deur bestond grotendeels uit horrengaas, zodat degenen, die zich in de recherchekamer bevonden hem voortdurend in het oog konden houden en alles zagen wat hij deed. Waar is dat nou voor? dacht Henk. Zijn ze bang dat ik tegen de deur ga staan schoppen en slaan of dat ik probeer belangrijke documenten weg te werken. Dit was een van de vele gedachten, die hem voortdurend door het hoofd speelden. Maar de meeste daarvan hielden zich toch wel bezig met de vraag waarom men hem hier zo maar liet zitten. Zijn boosheid jegens van der Made werd er vast niet minder op. „Zo," had rechercheur Valk gezegd, die hem hierheen had gebracht. Hij zei het, terwijl hij de deur van het arrestantenverblijf afsloot en ineens klonk zijn stem niet zo vriendelijk meer. „Zo, onderzoek je geheugen maar eens, waarom je hier bent. Het zal je vast niet moeilijk vallen, veronderstel ik. Je hoeft niet zo ver terug te gaan." Zijn woorden maakten de zaak voor Henk alleen maar raadselachtiger. Kennelijk was er iets gebeurd waarvan hij verdacht werd. Maar wat was dat? Met de beste wil van de wereld kon hij zich niets, maar dan ook niets herinneren waaraan hij zich schuldig zou hebben gemaakt en waarvoor de politie hem ter verantwoording zou kunnen roepen. Even bekroop hem de kwaadwillige gedachte dat van der Made hem een kool wilde stoven. Maar dan verwierp hij die veronderstelling. Zoiets mocht je niet eens denken, dat was laag.
Er ging een halfuur voorbij en een uur. Henk werd steeds bozer. Mannen kwamen de recherchekamer binnen en gingen weer weg. Niemand schonk aandacht aan hem. Van der Made was in geen velden of wegen te bespeuren. Valk zat druk te schrijven en telefoneerde voortdurend. Maar ook hij deed eenvoudig of hij niet eens meer wist dat Henk er was. Henk had wel zijn aandacht kunnen trekken, als hij dat had gewild. Maar dat was beneden zijn waardigheid. Ze kwamen hem maar netjes halen, hij ging niet alsjeblieft spelen.
Zijn boze bui werd er natuurlijk niet minder op. Wat dachten ze wel? Dat ze hem hier zo maar als een schurk konden opsluiten en aan zijn lot overlaten, terwijl ze niet eens de moeite namen hem te vertellen waarom dit alles nodig was. Misschien was dit een methode om hem klein en murw te krijgen. Nou, dan waren ze bij hem aan een heel verkeerd adres. Henk van der Laan was er een, die juist onder zulke omstandigheden zijn been volkomen stijf hield. Trouwens, wat moesten ze hem murw krijgen? Hij had eenvoudig niets te bekennen.
Henk keek weer op zijn horloge. Met een uur thuis, hadden ze hem beloofd. Er was al dik anderhalf uur voorbij en ze hadden hem nog niet één vraag gesteld. Nou, hij zou het ze straks wel eens even aan het verstand brengen.
Er waren bijna twee uur verlopen, toen rechercheur Valk hem eindelijk kwam halen. De politieman bracht hem in de recherchekamer, waar hij mocht plaats nemen op een heel ongemakkelijke stoel. Het lokaal zag er verschrikkelijk onaantrekkelijk uit: een bruin, berookt plafond, waarvan de schilfers omlaag hingen, saai, verschoten behang op de muren met hier en daar een aanplakbiljet of een stencil met mededelingen en verveloze meubelen, die zo op het oog nog uit de vorige eeuw dateerden. Nee, ze deden echt niet hun best het de bezoekers naar de zin te maken, dacht Henk nog grimmig. Maar dan werd meteen al zijn aandacht opgeëist door de vragen, die rechercheur Valk op hem begon af te vuren met de snelheid van een mitrailleur. Henk kreeg niet lang de tijd om na te denken over zijn antwoord. Hij moest onmiddellijk reageren.
Van der Made was er niet bij. Zijn plaats was ingenomen door een lange rechercheur, die Zuidema bleek te heten. Overigens was zijn rol, net als die van van der Made, grotendeels een zwijgende. Hij luisterde voornamelijk en deed nauwelijks een mond open.
„Waar ben je gisteravond geweest?" begon Valk zijn ondervraging.
„Van hoe laat af?"
„Laten we zeggen: na tien uur."
„Ik ben naar de bioscoop geweest." Het was maar het beste op dergelijke vragen vlot antwoord te geven, meende Henk. Hij mocht dan al de smoor in hebben, als hij de ondervraging zou saboteren zouden de politiemannen toch aan het langste eind trekken. Hij zou er geen steek verder mee komen. Nu van der Made er niet bij was, voelde hij zich ook wat minder geprikkeld. Hij moest nou eenmaal weinig van die man hebben. Maar het belangrijkste was dat hij probeerde zo gauw mogelijk naar huis te komen. Zijn moeder zou natuurlijk in duizend angsten zitten nu hij zo lang wegbleef. Het goede mens zou niet weten hoe ze het had. Hij hoopte nog dat rechercheur van der Made haar een boodschap had laten brengen dat het wat later zou worden, maar daar durfde hij toch niet op te rekenen. „In welke bioscoop ben je geweest?" wilde rechercheur Valk weten. „In Rex, de voorstelling van negen uur dus."
„Heb je misschien het kaartje nog?" Henk bewaarde meestal niet zoveel, maar het toeval wilde dat hij nu toch in de zijzak van zijn colbertjasje het toegangskaartje vond. Datum en uur klopten en de rechercheurs knikten. „Tot het einde gebleven?"
„Jawel. Wanneer u wilt, kan ik u het hele slot vertellen," zei Henk, in een mislukte poging om grappig te zijn. De rechercheurs gingen er niet op in. „Laat maar," zei Valk. „Vertel maar wat je na de voorstelling hebt gedaan. Je was immers pas om één uur thuis."
„Ik heb niet zo precies op de tijd gelet," moest Henk bekennen. Maar iemand anders wel, was hem duidelijk geworden. Hoe wisten ze dat hij precies om één uur thuis was gekomen. Van van der Made? „De voorstelling was om half twaalf afgelopen," hielp zijn ondervrager hem herinneren. „Het is hooguit een kwartier lopen naar het Nachtegaalsplein. Je hebt er anderhalf uur over gedaan." Henk knikte. Het was waar. Maar hij voelde zich tevens op zijn gemak. Hij had niets op zijn kerfstok. Het ging kennelijk om iets wat gisteravond was gebeurd. Nou, wat dat dan ook geweest mocht zijn, hij had er part noch deel aan. Hij had gisteravond niets uitgespookt. Maar Henk van der Laan vergiste zich .. . „Ik hoef toch niet langs de rechte weg naar huis te gaan?" merkte hij op luchtige toon op, nu hij zekerheid meende te hebben dat de politie hem niets ten laste kon leggen.
„Nee, je kunt een omweg maken door de Lindelaan," zei de lange rechercheur langs zijn neus weg. Henk keek hem niet begrijpend aan.
„Door de Lindelaan?"
„Wat heb je in dat anderhalf uur gedaan?" vroeg Valk weer. Ze lieten hem geen rust.
„Ik heb een eindje omgelopen," vertelde Henk.
„Zo maar," zei Valk op een toon of hij dit toch wel heel erg betwijfelde. De man had een merkwaardige manier om zijn gezicht te vertrekken wanneer hij sprak, was Henk opgevallen. Onwillekeurig moest hij ernaar blijven kijken. Dat was lastig, want hij deed er beter aan al zijn aandacht bij de vragen en vooral bij de beantwoording daarvan te houden. „Och," zei Henk, toen hij lang genoeg gekeken had. „Het was droog weer, hè. Het regende op dat moment niet. En die film was nou ook zo leuk niet geweest. Je kreeg pijn in je hoofd van alle problemen waarmee je daar in de gauwigheid even opgescheept werd. Ik wou ze, eerlijk gezegd, een beetje van me afzetten. Eerst wou ik een glaasje cola of zoiets drinken met een vriend van me, die mee was geweest naar de bioscoop. Maar die ging naar huis en toen dacht ik: laat ik een straatje omlopen. Ik had in ieder geval geen zin om recht naar huis te gaan."
„Nee, nee," zei rechercheur Valk, maar hij keek Henk aan of hij er geen woord van geloofde. Hij trok een la van zijn bureau open. Met een plotseling gebaar legde hij een plastic zakje op tafel.
„Ken je dit voorwerp?" vroeg hij. Henk keek nieuwsgierig toe. Zou dit misschien het raadsel oplossen? Tot nog toe begreep hij niet wat ze met hem voorhadden.
„Dat is mijn zakmes," zei hij dan op verbaasde toon. Hoe kwamen ze daar nu weer aan.
„Je herkent het dus?"
„Jawel, maar hoe komt u eraan?" De rechercheur lachte eens, maar zei niets. „Ik ben het sinds vanmorgen kwijt," verduidelijkte Henk. „Kwijt?" De toon liet niets te raden over. De rechercheur vond „kwijt" kennelijk een aardig gevonden omschrijving voor iets wat hij zelf toch wel heel anders zou willen betitelen. Het werd Henk nu toch een beetje te gortig. Wilden ze hem nou vertellen wat ze met dat mes moesten?
„Heren, zoudt u mij misschien willen zeggen wat er aan de hand is," drong hij aan. „Ik begrijp dat er iets gebeurd moet zijn, waarvan u meent dat ik erbij betrokken ben. Maar ik heb er geen idee van wat dat zou kunnen zijn." De langste rechercheur, Zuidema, schudde het hoofd.
„Je bent hier niet om vragen te stellen, maar om ze te beantwoorden. Doe dat nu maar, vertel alles."
„Maar wat dan?"
„Je zou ons eens uit de doeken kunnen doen wat je gisteravond nog zo laat in de Lindelaan moest."
„De Lindelaan? Ik moet eerst eens nadenken of ik daar wel geweest ben. O ja, terwijl ik zo maar wat liep te slenteren, ben ik ook in de Lindelaan geweest. Dat was heel toevallig. Het had net zo goed een andere straat kunnen zijn. Ik herinner me nu ook dat ik er even stil ben blijven staan om een sigaret op te steken."
„Bij de achteruitgang van het museum." Het was geen vraag, het werd genoemd als een feit.
„Ja, dat is zo. Ik ben in het poortje gaan staan. Mijn aansteker was namelijk zo goed als leeg en gaf nog maar een heel klein vlammetje. Daarom ben ik helemaal uit de wind gaan staan om te zorgen dat het vuurtje niet uitwaaide. In dat poortje sta je buiten de wind. Maar u gaat me toch niet vertellen dat het verboden is zich daar op te houden, is het wel, heren?" „Nee, je mag er zoveel sigaretten opsteken als je wilt. Maar iets heel anders. Gisteren bent u vroeg op de avond in het museum geklommen, als wij goed zijn ingelicht."
„Ja, dat was toen het jongetje van van Geffen zoek was. U moet daarvan op de hoogte zijn, want er is over naar de politie gebeld." De rechercheurs knikten dat ze ervan wisten. „Dat jongetje was het museum binnengelopen en opgesloten geraakt. U zult dat waarschijnlijk ook wel weten," zei Henk. Voor alle zekerheid vertelde hij hun nog precies hoe hij in het museum was geklommen. „We hadden natuurlijk kunnen wachten tot de sleutels gehaald waren," besloot hij. „Maar u weet hoe dat in zo'n situatie gaat. Maar luistert u eens hier, heren, u wilt me dat toch zeker niet aanrekenen? Ik had, achteraf gezien, natuurlijk beter kunnen wachten. Ik zal de eerste zijn om dat toe te geven. Maar als je dan ziet hoe je zo'n raam in een wip open kunt krijgen."
„Jij wist dat het raam zo gemakkelijk te openen was, hè?"
„Hoe komt u toch aan al die kennis?" zei Henk verbluft. „Nou ja, als kleine jongen klommen we vaak genoeg in die brede vensterbanken om dan omlaag te springen. Toen al is het me opgevallen dat die sluitingen zo onvoldoende waren."
„Ben je gisteravond nog verder het museum ingegaan of ben je in het lokaal gebleven waar de jongen zat?"
„Nee, ik ben niet verder gegaan. Ik heb de jongen opgepakt en naar buiten getild. Zelf ben ik er meteen achteraan gekomen, u kunt dat vragen aan de mensen die erbij waren." Rechercheur Valk vergeleek de notities die hij voor zich had liggen. Hij knikte.
„Heb je daarna het raam weer gesloten?" informeerde hij dan. „Zo goed mogelijk. Ik heb later aan meneer van der Vlist verteld dat hij moest zorgen dat er direct naar de sluiting van de ramen gekeken werd."
„Wie is meneer van der Vlist?"
„Hij woont op het Nachtegaalsplein en is aan het museum verbonden." Valk zocht opnieuw in zijn bureau. Waar komt hij nu mee te voorschijn, vroeg Henk zich af. Wie weet wat ze nu weer hadden. Hij zou wel eens willen horen hoe ze aan dat mes van hem waren gekomen. De rechercheur had een boekje gepakt. Hij legde het nu voor zich neer met de titel naar boven of het een document van onschatbare waarde was.
„Ken je dit?"
„Het is een catalogus van het museum."
„Het is jouw exemplaar. Je handtekening staat voorin. We hebben het van je kamer meegenomen."
„Mag dat dan zo maar?" kon Henk niet nalaten te zeggen. Wat moesten ze nu weer met die gids? De rechercheur schonk geen aandacht aan zijn opmerking.
„Er ontbreken twee bladzijden aan," zei hij op een toon, die om opheldering vroeg.
„Dat kan," zei Henk. „Kijkt u eens hoe oud dat boekje al is. Tien jaar. Ik zat toen in de laatste klas van de lagere school. Met heel de klas waren we naar het museum geweest en we moesten er een opstel over schrijven: over het schilderij dat je het mooiste had gevonden. Ik had nogal moeite om twee bladzijden vol te krijgen en heb er toen maar een bladzijde uit de catalogus bij geplakt. Het was een afbeelding van het schilderij dat ik het mooist had gevonden." De rechercheur keek hem aan of hij wilde zeggen dat hij het een hoogst verdienstelijk verhaal vond, maar dat het te mooi was om waar te zijn.
„Als u mij niet gelooft," zei Henk een beetje kortaf, „dan vraagt u het maar aan meneer van Geffen. Die hadden we toen als onderwijzer van de hoogste klas. Misschien herinnert hij het zich nog wel." „We zullen eens zien," zei de rechercheur grimmig. Henk voelde aankomen dat ze een ontknoping begonnen te naderen. Valk haalde een tweede boekje uit zijn la.
„Herken je dit?"
„Een boekje over de schilderijen van Rembrandt. Ja, dat zal ook wel van mij zijn, neem ik aan. Ik bezat er tenminste een exemplaar van."
„Ja, het is jouw exemplaar. Er zijn hier en daar aantekeningen gemaakt." De rechercheur zocht een bepaalde pagina op. „Bij de foto van dit schilderij heb je de afmetingen geschreven. Twintig bij dertig centimeter staat er, met een groot uitroepteken erachter."
„Ook dat herinner ik me nog," zei Henk. „Die afbeelding wekt de indruk alsof het schilderij behoorlijk grote afmetingen heeft. Als je niet beter wist zou je denken dat het schilderij minstens zo'n twee meter breed was en het is maar dertig centimeter."
„Gemakkelijk mee te nemen, nietwaar?" viel de lange rechercheur hem dan in de rede. Zuidema zweeg meestal en stelde maar een heel enkele vraag. Maar die waren dan ook steeds raak. Blijkbaar moest hij een bres schieten in de vesting, die door de ander met zijn vele vragen reeds was ondermijnd.
„Wat bedoelt u?" reageerde Henk van der Laan geschrokken.
„Precies wat ik zeg. Luister nou eens goed, vriend. Jij vertelt ons de waarheid en wind er nou verder geen doekjes om. Je weet bliksems goed waarom het ons te doen is."
„Nee, heren, het spijt me."
„Dan zullen we je geheugen eens gauw opfrissen," nam rechercheur Valk weer over. „Vanmorgen is er ontdekt dat er een schilderij uit het museum verdwenen is. De diefstal moet vannacht gepleegd zijn. Vermoedelijk rond twaalf uur. Weet je welk schilderij gestolen is?"
„Nee," zei Henk, maar hij kon wel raden welk het was.
„Nee, hè, jij wist niet dat het 't schilderij van Rembrandt was. Het kostbaarste stuk dat in het museum te vinden is en toevallig nog datgene wat het gemakkelijkst mee te nemen is. Precies twintig bij dertig centimeter. Opgerold is het maar een klein pakje dat je onder je jasje kunt meenemen." Henk kreeg het nu toch wel benauwd. Dit was echt geen zaak meer om grapjes over te maken. Het zag er heel wat somberder uit, dan hij zelfs in de donkerste ogenblikken had kunnen veronderstellen. Hij probeerde nog wel op luchthartige toon te praten, maar dat ging hem niet zo best meer af.
„Dat is nou allemaal wel mogelijk, heren," verzekerde hij. „Maar ik bezweer u dat ik van dit alles niets wist en er ook niets mee te maken heb."
„Hoe verklaar je dan dat dit zakmes is gevonden in de gang die leidt naar de zaal waar het gestolen schilderij hing?" De vraag kwam bliksemsnel. Het was natuurlijk Zuidema weer, die haar stelde. Henk schrok, maar voor hij van zijn ontsteltenis bekomen was, werd de volgende vraag al weer afgevuurd. „Weet je misschien een oplossing voor dit probleem: de inbreker is door hetzelfde raam naar binnen gekomen als jij gisteravond, maar in het perk onder het raam hebben we alleen jouw voetsporen gevonden. In de gang hebben we afdrukken van schoenen aangetroffen, alleen de jouwe. De enige vingerafdrukken bij het raam en op het zakmes zijn die van jou. Ja, daarom moest je zo lang wachten. We hebben dat eerst laten controleren."
Henk wist eenvoudig niet meer waar hij kijken moest. Lieve help, zat hij daar even lelijk in. Hij kon zich nu best voorstellen dat de rechercheurs het nodig hadden gevonden hem mee te nemen.
„Ik ben dat mes sinds vanmorgen kwijt," zei hij op matte toon. Hij had er inderdaad vanmorgen vergeefs naar gezocht, toen hij het had willen gebruiken om een brief te openen.
„Ja, ja," zei de lange rechercheur. „En de kaboutertjes hebben het zeker in het museum neergelegd, En diezelfde kaboutertjes zijn zeker tevoren door het raam geklauterd net zoals jij dat om acht uur had gedaan. Die kaboutertjes hebben toen ook het schilderij meegenomen. Het is jammer voor je, maar wij geloven echt niet meer in sprookjes. Die tijd is voorbij." Hij zweeg een ogenblik en dan kwam het:
„WAAR IS DAT SCHILDERIJ?" Henk was radeloos. Wat kon je doen om je onschuld te bewijzen, als de omstandigheden zo tegen je waren?
„Kom," drongen de rechercheurs aan. „We hebben anders geduld, hoor. Dagen en desnoods weken. We krijgen de waarheid heus wel uit je. Maar het zou heel wat beter voor je zijn, als je meteen over de brug kwam. Het spel is toch verloren."
„Ik heb werkelijk niets te vertellen, heren," hield Henk vol. „Ik weet nu dat alles tegen me is, maar ik heb er niets, maar dan ook niets mee te maken. Wat zou ik moeten beginnen met zo'n schilderij?"
„Je zou in opdracht van een ander gehandeld kunnen hebben," veronderstelde Valk. Zuidema keek hem slechts aan. Maar die blik sprak boekdelen: hij was ervan overtuigd dat Henk er meer van wist. „Heeft men mij rond twaalf uur bij de achteruitgang van het museum gezien?" informeerde Henk.
„Ja, terwijl je daar een sigaret stond op te steken."
„Hoe laat was dat precies?"
De rechercheurs keken elkaar aan of ze antwoord konden geven op die vraag. Zuidema knikte.
„Tien voor twaalf," antwoordde Valk toen. Tien voor twaalf, herhaalde Henk voor zich. Het tijdstip zei hem niets. Hij kon zich nauwelijks een detail van zijn zwerftocht door de stad herinneren. Hij was daar nu trouwens veel te opgewonden voor. Veel meer dan dat hij doelloos door de stad had lopen slenteren, kon hij zich nu niet te binnen brengen. Zijn gedachten waren bij de film geweest, een somber, troosteloos verhaal, waarmee hij het helemaal niet eens was geweest en dat hij van zich af wilde zetten. Omdat Bas de volgende morgen heel vroeg op kantoor moest zijn, was hij naar huis gegaan. Maar Henk had nog wat rond willen lopen. Hij was in de Lindelaan geweest en had er een sigaret opgestoken — dat wist hij nu weer. Maar verder... De rechercheurs hadden hem zwijgend gadegeslagen. Blijkbaar verkeerden ze in de veronderstelling dat Henk nu met zijn bekentenis zou komen. Hij maakte een moedeloos gebaar. Hij zat er lelijk in, dat begreep hij wel, en die twee zouden hem vast niet vertellen hoe hij eruit kon raken. Die waren overtuigd van zijn schuld.
„Nou," drong Zuidema aan.
„Ik sta erbuiten," hield Henk met de moed der wanhoop vol. En dan werd het hem ineens teveel. Hij kon zich niet langer beheersen. „Ik heb er geen snars mee te maken. Ik heb dat schilderij niet gestolen. U moet me laten gaan. Ik . . ." Hij kwam niet verder. Het liefst had hij met zijn vuisten op de tafel geslagen. Maar dat wist hij nog in te houden. De beide rechercheurs waren naast hem komen staan. Blijkbaar vreesden ze dat hij dwaze dingen zou doen.
„Dat helpt je niet," zeiden ze.
„Maar ik heb er niets mee te maken," hield hij machteloos vol.
„Dat zul je dan eerst moeten aantonen," zeiden ze. Zij bewaarden hun rust volkomen. Dat konden ze ook gemakkelijk, dacht Henk grimmig. Zij zaten niet zo in de penarie.
„Waarom moet ik de dader zijn?" vroeg hij. „De inbraak kan toch heel de nacht gepleegd zijn?"
Zuidema schudde ontkennend het hoofd.
„Dat is niet waarschijnlijk."
Hij legde uit waarom.
„Degene die vannacht is binnengedrongen, heeft een tafeltje omver gestoten, dat in het lokaal stond, waarin zich het raam bevindt. Op dat tafeltje stond een klokje. Dat is stuk gevallen. De wijzers zijn blijven staan om tien over twaalf. Tien voor twaalf ben jij bij de achteruitgang gesignaleerd, dus . .. Bovendien heeft men om half een iemand door de Lindelaan zien lopen. Het signalement is vaag, dat moet ik toegeven. Maar het zou het jouwe kunnen zijn."
Nu verloor Henk alle moed. Hij wist niet anders te doen dan mat nee te schudden. Wat moest je nu tegen al dit bewijsmateriaal inbrengen? Ze voerden hem weer naar het arrestantenverblijf.
„Denk nog maar eens goed over alles na," zei Valk, toen ze hem alleen lieten en de deur sloten.
Wat ging er nu met hem gebeuren, vroeg Henk van der Laan zich benauwd af. Hij had er niet het flauwste idee van. Wel had hij de nodige detectiveverhalen gelezen, maar hoe het nu precies verliep wanneer je door de politie aangehouden was, wist hij echt niet meer. Lieten ze hem hier nu zo maar zitten? Of werd hij straks weer verhoord en brachten ze hem daarna naar de cel? Daar zou het wel op uitdraaien, vreesde hij, want hij zou niet weten hoe hij voor een alibi moest zorgen. Hij stond er wat je noemt gekleurd op. Hij kon zich nu wel voorspiegelen dat het allemaal met een sisser zou eindigen, maar voorlopig zag hij dat nog niet gebeuren. Als je het hem op de man af had gevraagd, zou hij gezegd hebben dat hij voor zijn eigen kansen op dat moment geen dubbeltje gaf.
Even kwam er een gevoel van verbittering in Henk op. Dat kwam er nou van als je iemand hielp die in nood zat. Als hij Kareltje rustig had laten zitten, was hij niet in de narigheid geraakt. Maar dat was natuurlijk dwaasheid, wist hij meteen zelf. Hij had zoveel geduld moeten hebben, dat hij had kunnen wachten tot ze van der Vlist gewaarschuwd hadden om de sleutels te halen.
Het bleef een zonderlinge samenloop van omstandigheden, dat net in de afgelopen nacht de diefstal van de Rembrandt plaats moest vinden. Of was het niet zo toevallig? Hing het één misschien met het ander samen? Er waren verschillende mensen die gehoord hadden dat de sluiting van de museumramen zo slecht was, toen hij daarvan aan meneer van der Vlist vertelde. Zou een van hen misschien. ..? Mismoedig schudde Henk het hoofd. Zo kwam hij er zeker niet uit. De politie zou hem stellig niet laten gaan, als hij zou proberen de verdenking op anderen te schuiven. Ze zouden hem uitlachen. Tegen hem pleitte een aantal feiten, waartegen hij op dit moment nog geen verweer had. Zouden ze hem dan laten gaan op de bewering dat er meer mensen waren die wisten dat je zo gemakkelijk in het museum kon komen. Nee toch zeker?
Ondanks alles kreeg Henk toch wel een gevoel van bewondering voor de politie. In enkele uren tijds hadden ze al een verrassend aantal feiten en omstandigheden rond de diefstal ontdekt. Het was pech dat die allemaal naar hem wezen, maar het viel niet te ontkennen, dat het op zich knap speurwerk was. Het feit dat de politie op zulk een wijze blijk had gegeven van haar kundigheden, vervulde hem echter ook met grote zorg. Hij zou deze zelfde mensen moeten aantonen dat hij vrijuit ging en dat zou om de drommel niet meevallen. Hij zou moeten bewijzen dat hij om tien voor twaalf, na het opsteken van die sigaret, doorgelopen was en daarna niet meer in de buurt van het museum was geweest. Hij zou moeten zorgen voor een sluitend alibi tot half een.
Tevergeefs pijnigde hij zijn hersenen. Hij probeerde zich details van zijn nachtelijke zwerftocht voor de geest te halen, maar het leek wel of zijn verstand steeds meer afgestompt raakte, of hij niet helder meer kon denken.
Ineens stak het verzet weer in hem op. Hij liet zich om de drommel niet kisten. Je kon zo maar niet een onschuldige opsluiten. Wat dachten ze wel.
Maar dan zag hij al het bewijsmateriaal tegen hem weer voor zich. Het zakmes, die voetsporen . .. Hoe kwam het daar allemaal? Vanmorgen had hij het mes voor het eerst gemist. Was het gevonden door de inbreker en daarna opnieuw verloren?
Hij kon zich nu weer herinneren wanneer hij het zakmes voor het laatst had gebruikt. Dat was gisteravond geweest, toen hij er het raam van het museum mee geopend en later weer gesloten had. Hij wist zeker dat hij er later geen gebruik van had gemaakt. Had hij het in het museum verloren of het er misschien laten liggen? Hij probeerde als het ware zijn hersenen uit te persen om zich te herinneren of hij het mes in zijn zak had gestoken of op de vensterbank gelegd. Hij wist het echt niet meer. Op dat moment had hij alleen maar aandacht gehad voor Kareltje. Het kon best zijn dat hij dientengevolge het mes had laten liggen. Wie waren er bij hem geweest? Bas Banning en meneer Stavenuiter. Zou een van beiden zich misschien iets van dat mes herinneren? Dat zou wel niet, nam hij aan. Als hijzelf er niets meer van wist, wat zouden zij er dan van weten? Ook zij hadden slechts oog gehad voor Kareltje van Geffen.
Had hij het mes dus op de vensterbank laten liggen en had de inbreker het daar gevonden en het met opzet in het museum achtergelaten? Het leek een dwaze veronderstelling. Maar er was iets anders dat deze mogelijkheid toch niet zo zot deed lijken. In de gang had men afdrukken van zijn schoenen aangetroffen. Ze waren niet van hem afkomstig, want hij was niet in de gang geweest. Hoe waren ze er dan gekomen? Op dezelfde manier als het zakmes? Om de verdenking op hem te laden? Het zou kunnen. Maar dat betekende tevens dat de inbreker iemand moest zijn die hij goed kende. Die wist dat het mes afkomstig was van hem, evenals de schoenafdrukken. Bovendien moest het iemand zijn die ervan op de hoogte was dat hij gisteravond het museum was binnengedrongen. Dat maakte de groep van mogelijke daders wel erg klein. Zou het werkelijk iemand van het Nachtegaalsplein geweest zijn? Maar wie dan? Henk verborg moedeloos het hoofd in zijn handen. Nu was hij weer op diezelfde doodlopende weg beland. Zo kwam hij niet vrij. Het enige wat hij moest doen was aantonen dat hij tussen twaalf en half een niet in de omgeving van het museum was geweest.
In de recherchekamer was het een voortdurend geloop. De telefoon rinkelde herhaaldelijk, maar Henk sloeg er geen acht op. Hij piekerde en piekerde maar en zijn wanhoop werd steeds erger. Nooit meer zou hij iemand helpen, dacht hij in zijn verbittering. Wanneer hij straks weer buiten stond, mocht er desnoods iemand voor zijn voeten neervallen, hij zou er rustig overheen stappen en er niet naar omkijken. Morgen rekenden ze het je nog aan dat je hulp geboden had. En die beroerde van der Made. Die man kon, als hij maar een beetje rechercheur was, toch ook wel begrijpen dat Henk onschuldig was aan die diefstal. Daarvoor kende van der Made hem lang genoeg. Het was me verdorie geen peuleschilletje. Je was niet altijd een nette oppassende jongen uit een keurig gezin geweest om dan maar ineens zo'n diefstal te plegen.
Maar wat wilde Henk? De schijn was aan alle kanten tegen hem. En hoeveel inbrekers, zelfs moordenaars, waren van huis uit geen oppassende jongens met een aardig gezicht, mensen die volkomen te vertrouwen leken. Je zou niet denken dat ze iets op hun kerfstok hadden. Daarom was je ogenschijnlijk zo eerlijke gezicht voor de politie helemaal geen bewijs. Dat nam echter niet weg dat ze hem hier niet zo maar konden laten zitten. Henk wilde opnieuw opspringen en met zijn vuisten tegen het gaas beuken om van zijn verontwaardiging blijk te geven. Met een vermoeid gebaar liet hij echter zijn handen zakken. Hij kon dat beter maar vergeten, je kwam er geen stap verder mee en nam hoogstens de politie nog meer tegen je in.
Weer nam hij zijn hoofd tussen zijn handen. Hij kneep zijn ogen toe tot het hem bijna pijn deed. Rustig blijven, hield hij zich voor, rustig blijven. Probeer je precies te herinneren hoe je van de bioscoop tenslotte naar huis bent gekomen.
Er dansten in de duisternis sterretjes voor zijn ogen, maar hij liet zich niet afleiden. Hij riep de stroom mensen voor zich op, waarin hij samen met Bas uit de bioscoop was gekomen. Hij had zich eerst willoos laten meedrijven en was in de richting van huis geslenterd. Hij voelde zich echter nog helemaal niet in de stemming om nu al te gaan slapen, hij wilde eerst nog wat nadenken over die film, wat klaarheid scheppen in de verwarde gedachten die er door zijn hoofd spookten. Al waren ze reeds vrij dicht in de buurt van het Nachtegaalsplein geweest, hij had Bas gevraagd of ze nog wat rond zouden wandelen. Bas had daar erg weinig voor gevoeld, omdat hij erg moe was en veel last van slaap had. „Maar ga jij alleen," had hij gezegd en dat had Henk gedaan. Hij was omgekeerd en door de Lindelaan weer in de richting van het centrum gewandeld. Bij het poortje van het museum was hij even blijven stilstaan om een sigaret op te steken. Hij herinnerde zich nu weer haarscherp dat hij onmiddellijk daarna was verder gegaan. Hij had het geluid van een auto gehoord, maar daar verder niet op gelet. Hoe was hij daarna gegaan? Wacht eens, hij was over de Markt gekomen. Hij had daar staan kijken naar de tribunes, die er in aanbouw waren voor de grote taptoe, welke over enkele weken gehouden zou worden. Vorig jaar was die er voor de eerste keer geweest en nu wilde men dit muzikaal gebeuren op grootse wijze herhalen. Het beloofde heel wat te worden volgens de krant. Van de Markt was hij naar de Ruiterstraat gegaan. Hoe laat was het toen geweest? Twaalf uur of even daarna, want toen hij in de Ruiterstraat liep, waren de meeste straatlantarens uitgegaan. Maar wat had hij aan die kennis? Er was geen mens die kon getuigen dat hij om twaalf uur Henk van der Laan in de Ruiterstraat had gezien, want de straat was op dat tijdstip uitgestorven geweest. Henk was daarna langs het station gewandeld. Daar stond de laatste bus op vertrekken. Tien over twaalf moest het dus geweest zijn, want zo laat reden de laatste bussen van het station weg. Hé, ineens steeg er een gevoel van opwinding in hem op. Hij wist zich te herinneren dat de bus vertrokken was met slechts één passagier. Hij had de man zien instappen en kon een signalement geven. Het was niet zó gedetailleerd, want hij had de man tenslotte maar een ogenblik gezien, maar alle beetjes hielpen in dit geval Hij kon ook de chauffeur beschrijven en dat betekende eveneens weer winst.
Henks sombere stemming begon wat te verdwijnen. Het leek of er een licht binnendrong in de duisternis en in dat licht begon hij nu allerlei zaken te onderscheiden, die hem mogelijk eveneens van dienst konden zijn. Tien over twaalf was hij dus bij het station geweest. Daarmee ging hij de goede kant uit, want het klokje, dat in het museum was omgevallen, was om tien over twaalf blijven stilstaan. Nu moest hij scherp nadenken. Als hij zou kunnen aantonen waar hij tot half een was geweest, dan was hij gered, nam hij aan. Op dat tijdstip had men immers iemand in de buurt van het museum gezien. Een gat van twintig minuten had hij dus nog te vullen. Henk peinsde en peinsde weer. Bij het station had hij wat tijd verloren. Hij had daar opnieuw een sigaret opgestoken en een rol pepermunt uit de automaat gehaald. Iemand had hem om vuur voor zijn sigaret gevraagd. Kennelijk een reiziger die met de laatste trein was meegekomen. Wie was dat geweest? Hij had er geen flauw benul van. Hij kon zich de man nauwelijks meer voor de geest halen, omdat hij toen met zijn gedachten al weer helemaal bij de film was geweest. De man had een gabardine regenjas aan gehad en hij sprak bijzonder beschaafd, dat was eigenlijk het belangrijkste wat hij zich wist te herinneren. Maar ga naar zo iemand eens zoeken in de stad. Misschien was de man allang weer vertrokken. Nee, hiermee kwam hij niet verder.
Van het station was hij op huis aan gegaan. Heel langzaam, terwijl hij al piekerend nu eens hier en dan weer daar bleef staan. Hij was door de Raamstraat teruggekeerd. En daar ging weer zo'n lichtje branden. Om half een precies had hij van der Made uit het bureau zien komen. Hij was in het gezelschap van een collega geweest. Ze hadden een of twee minuten voor de deur staan praten en toen waren ze elk een andere kant uitgegaan. Als er laatst dat heibeltje niet was geweest, zou Henk misschien van der Made achterop zijn gegaan om samen op huis aan te wandelen. Nu had hij dat niet gedaan en eigenlijk moest hij daar spijt van hebben. Dat het nou net van der Made moest zijn. Maar het was half een geweest, dat wist hij precies. Hij had op dat moment naar de torenklok op de Markt gekeken. Half een, had hij gedacht, het wordt tijd dat ik naar huis ga, anders wordt moeder ongerust.
Henk had de overtuiging dat hij er was. Als hij om half een in de Raamstraat was geweest, kon hij moeilijk op dat tijdstip in de buurt van de Lindelaan gesignaleerd zijn, want die lag er minstens een kwartier vandaan. Voor alle zekerheid liet Henk heel de wandeling nog eens de revue passeren. Het zat goed. En toen kon hij zijn opwinding niet langer bedwingen. Hij sprong op en riep de beide rechercheurs, die zich in de recherchekamer bevonden.
„Rustig," zei Valk, „alles op zijn tijd."
„Ik weet het allemaal weer," zei Henk. „Ik kan het u nu precies vertellen."
De beide rechercheurs begrepen hem verkeerd. Ze meenden dat hij wilde bekennen. Henk liet hen in die waan. Als hij eerst maar uit dit hok was. Zuidema kwam hem halen. 
Verwachtingsvol keken de beide mannen hem aan. Hun gezicht betrok al heel gauw, toen het hun duidelijk werd wat Henk te vertellen had.
„Het klinkt heel aardig," moest Zuidema toegeven, toen Henk tenslotte zijn verhaal had beëindigd. Hij lachte een beetje als een boer die kiespijn heeft. Maar als Henk had gedacht dat hij nu meteen op staande voet werd vrijgelaten, kwam hij toch bedrogen uit. Eerst moesten zijn verklaringen gecontroleerd worden.
Rechercheur van der Made was snel genoeg gevonden. Hij bleek in het gebouw aanwezig te zijn en hij bevestigde dat hij om half een het bureau had verlaten in het gezelschap van de collega, die door Henk beschreven was. Vergiste Henk zich, of leek van der Made werkelijk opgelucht toen hij hoorde hoe Henk zijn alibi kon aantonen. Henk sloeg er verder geen acht op. Voorlopig kon hij die van der Made helemaal niet meer zien. Het duurde wel enige tijd voor men de chauffeur van de laatste bus had opgeduikeld. Hij was die namiddag uit vissen gegaan en niemand wist te vertellen waar hij uithing. Maar tenslotte was ook hij er. Hij bevestigde dat hij inderdaad om tien over twaalf van het station was vertrokken met slechts één passagier. Zijn beschrijving daarvan klopte vrij aardig met het signalement, dat Henk had gegeven. Zelf beantwoordde de chauffeur ook aan de gegevens, die Henk had weten mee te delen.
Toen was het gebeurd. Henk van der Laan mocht het bureau verlaten. Hij kon zich echter niet helemaal aan de indruk onttrekken dat Zuidema en Valk hem slechts node lieten gaan. Het leek of ze de gedachte koesterden: je hebt je er nou wel aardig uit weten te redden, mannetje, maar je bent van ons nog niet af. Pas maar op, wij houden je in de gaten. Jij hebt het gedaan en niemand anders.
Henk deed maar net of hij er niets van merkte. Voorlopig was zijn blijdschap nog te groot. Lieve help, wat had hij in benauwdheid gezeten. Hij rende de recherchekamer uit. Ergens opzij stond van der Made. De man wilde naar hem toekomen, maar Henk zag hem niet eens. Hij vloog de treden van de stoep af. Daar stonden zijn vader en zijn broer Bart hem op te wachten. Opgetogen sloegen ze hem op de schouders.
„Staan jullie hier al lang te wachten?" vroeg Henk.
„De hele middag," vertelde Bart. „Vader tenminste. Joop en ik lossen elkaar af. Een is er steeds thuis bij moeder. Die is natuurlijk helemaal in de war. Van der Made is nog wel een keer komen zeggen dat het wat langer zou duren, maar dat je vandaag nog naar huis kwam. Dat hielp maar weinig, want hij wilde niet zeggen wat er aan de hand was. Dat mocht hij niet. Wat was het nou eigenlijk?" vroeg hij nieuwsgierig.
„Geef me eerst een sigaret," zei Henk. „Wat heb ik daarnaar gesnakt. Straks zal ik je het hele verhaal doen."
„Dan zullen wij ook het onze doen," beloofde Bart. „Een heel mooi verhaal, daar zul je van opkijken. We hebben geprobeerd het bureau binnen te komen om te informeren wat er nou precies aan de hand was. Nou het heeft niet veel gescheeld of wij waren in de cel beland."
„Daar had ik ook bijna in gezeten," zei Henk grimmig. Hij rilde nog even Hij inhaleerde diep en begon dan, terwijl ze op huis aangingen, zijn vader en Bart het verhaal van die middag te doen.