1

De grote omgekeerde kom die de hemel van de Vlakten was, was doordrenkt van het bloed van de zonsondergang. De zon zelf was voorbij de Rand van de Wereld gevallen. Nu, voor het opkomen van de maan, schitterde maar één felrode ster als een juweel op de mantel van het vallende schemerduister.

Een groep mannen, ongeveer twintig in getal, stak de dorre berghellingen over. Jagers waren het, maar geen jagers van de Vlakten. Ze bereden volbloeds, en hier en daar tussen hen in reed een lichte jachtwagen met een open bak, naar Xarabiaans model, maar het waren geen Xarabianen. Ze gedroegen zich met een bijzondere, bijna eigen arrogantie die ze veel duidelijker tot vreemden bestempelde in dit landschap dan hun zwarte haar en de zwartig-gebronsde tint van hun huid. Toch waren het de schubben van hun metalen krijgsrusting die duidelijk maakten wat ze precies voor bedreiging vormden, want dit waren Dorthariërs, draken, en ze hadden een Hoge Koning in hun midden.

Rehdon, Koning van Dorthar, de Heer der Stormen, die godgegeven titel, die in feite inhoudt dat de drager ervan heerser is over het hele continent Vis, deze nu in de greep van de nacht komende planeet: een koning, heerser over koningen. Zelfs de jachthelm droeg de puntige Drakenkam. Eronder hadden tijd en ouderdom, met hun eigen slangestiften, gezorgd voor twee ogen die omhoog staarden, naar het juweel van de rode ster.

Zastis. In Elyr, dat wereldvreemde, eufemistische land, noemden ze dit de tijd van de huwelijken. Maar het was vuiger, prozaïscher. Het was de tijd van de grootste sexuele behoefte, de tyrannie van het vlees, in allen sterk, maar in het vorstenhuis van Dorthar een allesoverheersend iets dat geen weigering duldde, een bizar stigma van het geslacht van Rarnammon.

De maan kwam op. Een maan die rood was van de ster.

Rehdons wagenmenner keek over zijn schouder naar de Koning. Een tengere, gracieuze man was het, met een gezicht dat nooit iets zei, behalve waar de lange smalle spleten van zijn ogen naar de machinerie van zijn verstand voerden. Zijn positie als wagenmenner was misleidend. Deze man was Amnorh, Raadsheer des Konings, de Voogd van de Hoge Raad van Koramvis, in bepaalde opzichten de machtigste man na de vorst zelf.

„Amnorh, we zijn ver van Xarar,” zei Rehdon plotseling. Hij had de stem van een koning, diep, sonoor. Hij had zelfs alle uiterlijke kenmerken die je bij een koning verwachtte, maar erg diep ging het allemaal niet. Amnorh wist dit goed.

„Is mijn heer rusteloos? Er is een dorp in de buurt. De lijfeigene die we hebben ondervraagd heeft het erover gehad, dat zult u zich toch wel herinneren?”

„Dit vervloekte Niets-land ook. Waarom gaan we zo ver van de grenzen van Xarabiss jagen?”

„Ik hoopte dat uwe genade meer genoegen zou scheppen in de jacht in de Laaglanden. Rond de grenzen van Xarabiss huist geen wild meer.”

„Deze streek,” zei Rehdon weer. De ster maakte hem onrustig, nukkig, zoals altijd. „Hoe luidde de naam die je haar zoeven gaf?”

 „Dat was alleen maar de inheemse naam, heer. De Schaduwloze Vlakten.”

Abrupt viel het land omlaag. Ze bevonden zich tussen schamele graanakkers, rozerood door het rode maanlicht. Een klein heiligdom dook tussen de halmen op en verdween weer achter hen -waarschijnlijk een altaar gewijd aan Anackire, de godin van de Vlakten, half vrouw en half serpent. Amnorh was op de hoogte van dit soort dingen. Weer keek hij over zijn schouder, dit keer langs Rehdon heen, naar waar Prins Orhn met zijn mannen reed. Orhn, Rehdons neef, had weinig op met Xarabiss en de elegantie die het leven daar beheerste. Het zou hem wel bevallen om hier voor de nacht zijn kamp op te slaan. En wat Xarar betreft - Rehdons beleefdheidsbezoek aan de Koning, zijn vazal, en het gebied dat hij in Rehdons naam bestuurde, was bijna ten einde. Na verloop van tijd kon Amnorh het geflakker van lichtjes onderscheiden.

Het was inderdaad een van de Laagland-dorpen, een oneffen weg, hier en daar wat armzalige woningen, een donker heiligdom met rode bomen eromheen.

De groep jagers hield stil.

Drie of vier vrouwen stonden tussen de bomen en staarden hen aan. In tegenstelling tot de Vis, het ras van de heersers, waren de bewoners van de Vlakten licht van huid en haar en waren hun ogen geel. Er waren geen kinderen te zien en geen mannen. Misschien waren die door een ziekte geveld of waren ze weg, op jacht naar steppewolven - dezelfde dieren die de Dorthariërs vergeefs hadden gejaagd - of de tirr met zijn giftige klauwen, die krijst uit de bossen aan de Rand van de Wereld. ,,Waar zijn uw mannen?” riep Amnorh.

De gezichten van de vrouwen bleven uitdrukkingloos; ze verroerden zich niet,

„Wij zijn Dorthariërs,” zei een stem bars. ,,Ge zult ons het beste geven wat ge hebt, vannacht, en het een eer vinden ons te dienen.’’ Amnorh draaide zich om en zag Prins Orhn. De intonatie, waarin het ras van de ander duidelijk doorklonk, amuseerde Amnorh, en ook het zware, sterke lichaam op het granietzwarte dier, een symbolische, snijdende agressie, die blijkbaar niets opleverde. Zachter dan de Prins zei Amnorh: „We hebben voedsel nodig. En de Rode maan maakt ons ongedurig.”

De vrouwen staarden terug zonder zich te verroeren of iets te zeggen, maar hij vermoedde dat ze wel eens onder de indruk zouden kunnen zijn van dit dreigement. De Laaglanders waren immuun voor Zastis, zei men.

Achter hen roerde Rehdon zich rusteloos. De reptiele-ogen gleden over de vrouwen, nu al hongerig, nu al onbevredigd. Geërgerd draaide hij zijn hoofd om.

Hij zag, gevat tussen de zuilen van de deuropening van de tempel, een meisje.

Zoals ze daar stond, roerloos, uitdrukkingloos, leek ze wel gesneden uit wit kristal, transparante ogen, als ronde stukken gele amber, wijdopen, de blik op hem gericht, de geelbruine wolk van haar haar verstard als bevroren waterdamp.

, Jij daar, meisje,” zei hij. „Kom naar voren.” En in zijn stem lag alle majesteit van de donder - zijn woorden werden zelfs onderstreept door een gerommel van donder, laag boven de duin-donkere hellingen. Als er al macht in doorklonk dan liet ze niet blijken dat ze die voelde, maar ze gehoorzaamde wel. „Vannacht slaap je in mijn bed,’’ zei Rehdon. Heel even bleef het stil, een druppel stilte, als de eerste druppel van een zware regenbui.

,, Ja,” zei ze toen. En, vreemd genoeg, want er was geen ander antwoord dat ze had kunnen geven, lag in haar stem alle betekenis, al het aanvaarden van de hele wereld.


Ze sloegen hun kamp op aan het eind van de wanordelijke groep huizen. Kleine legertenten van owarhuid waren het; de bedienden en de wagenmenner zouden in de openlucht slapen. Ze hadden genomen wat hun aan voedsel en drank aanstond, zonder zich erom te bekommeren dat het dorp nu nog moeilijker dan voorheen rond zou kunnen komen van de schamele opbrengst van de akkers. Vis-dienaren hadden een koe geslacht, op het plein voor de tempel, en hadden het dier in zijn geheel geroosterd boven een kuil die ze hadden gevuld met gloeiende houtskool.

Maar in tegenstelling tot hun Koning namen ze de vrouwen niet, al werden ze al wel door de drang beheerst. Zelfs de grofste paarde-knecht moest niets hebben van wat hij zag: blanke passiviteit en wijd starende ogen.

Vrouwen uit de Vlakten, zo ging het gerucht, kenden vreemde kunsten. En ze kenden ook de kunst van het naar een ziel staren die blootlag door het van genot schokken van het vlees. En daarom gleden de vrouwen weg zonder dat iemand hen tegen probeerde te houden, en geen streep licht en geen geluid kwam uit hun hutten. In Rehdons tent was de maaltijd afgelopen. Amnorh boog zich voorover en vulde de roemer van de Koning met de gestolen bittere, koppige wijn van het Laagland. Orhn was er niet - zijn rijdier was kreupel en moest worden verzorgd, had hij gezegd, maar het was Amnorhs aanwezigheid die hij verafschuwde. Bij de gedachte glimlachte Amnorh half. Orhn Am Alisaar, dienaar van een tirannieke vorst, die weigerde te sterven en zijn koningschap op te geven zodat zijn massa zoons erom kon gaan vechten. Orhn zocht veel liever de macht aan de zijde van zijn neef, en Amnorh, die sluwe Amnorh, kwam op heel subtiele manieren tussen hen in. En niet alleen tussen neef en neef, want ook Rehdons Koningin speelde hierbij mee. De man die buiten de tent op wacht was gezet kwam naar binnen. „Heer der Stormen, vergiffenis. Er zijn priesters hier uit het dorp, ze vragen om een audiëntie. Zullen we ze wegjagen, heer?” , ,Ze hebben zich dus tot op dit ogenblik in hun tempel verborgen gehouden,” zei Rehdon. „Om wat voor reden zijn ze te voorschijn gekomen?”

„Het meisje dat uwe genade enkele woorden waardig keurde.”

,,U wordt wellicht door hun woorden verstrooid,” zei Amnorh. Rehdon, geen belangstelling voor iets anders dan zijn wachtende lust, knikte naar de soldaat.

De man dook onder de tentflap door, en een ogenblik later kwamen de priesters binnen, drie in totaal, gehuld in lange zwarte mantels, hun gezichten een schimmig-duistere vlek door de schaduw van hun kap. Priesters in Dorthar waren bont en kleurig, een boeiend spektakel met hun wonderen en hun orakels en de corruptie van duizend begeerten. Deze indringers droegen hun eigen geheimzinnigheid mpt zich mee, ze schenen geen aanwezigheid te hebben, alsof een geur van menselijkheid bij hen afwezig was. ,,We dachten dat er geen mannen in het dorp waren,” zei Amnorh fijntjes.

„Bij ons wordt een priester niet tot de mannen gerekend.”

 „Dat zien we, ja. Goed, nu bent u hier. Waarom valt ge de Heer der Stormen lastig?”

Zonder ze te zien voelde hij toch dat de zes ogen van de priesters strak op hem gericht waren. Hij was niet zo minachtend als hij leek, want hij was op de hoogte van bepaalde vermogens en vreemde magische kunsten die deze slaven af en toe aan de dag legden. Hij vroeg zich af of ze nu binnenin hun hoofd met elkaar overlegden, zoals men zei dat ze deden.

„Uw heer wenst vannacht met Ashne’e te slapen. We vragen hem een andere vrouw uit het dorp uit te kiezen.”

Ze heette dus Ashne’e. Een heel gewone naam voor een vrouw, hier in de Laaglanden.

„Waarom?”

„De vrouw behoort onze tempel toe. Ze is van ons, en van Haar.”

 „Van Haar? Ik neem aan dat u uw serpentegodin bedoelt?”

 „Ashne’e is aan de godin gegeven.”

„Zo. De Heer der Stormen vergeeft het u dat het meisje niet langer maagd is. Ik neem aan dat u dat bedoelt te zeggen.” Hij dacht dat ze opnieuw iets zouden zeggen, maar ze bleven zwijgen.

„Ga terug naar uw tempel,” grauwde Rehdon opeens.

In de omgekeerde kom van de hemel brandde de donder.

Zonder een woord te zeggen draaiden de priesters zich om; geluidloos gleden ze een voor een het duister in.

De vuren waren bijna uit, rode vegen in de nachtwereld toen ze het meisje naar Rehdons tent brachten.

In het half-licht was ze onmenselijk. De lage vlam van een toorts in de tent vulde een oog met goud, bespikkelde haar wang alsof ze vuur weende.

De mannen slopen naar buiten en verdwenen.

Rehdon beefde van zijn drang. Hij nam de rand van haar gewaad in zijn vingers en herinnerde zich wat Amnorh hem had verteld.

„Ben je van de tempel, Ashne’e?”

, Ja.” Haar stem was kleurloos.

„Dan ken je dus de bedkunsten van de tempelvrouwen.” Hij trok het gewaad van haar af. Naakt stond ze voor hem. Zijn hand streek over haar heen, aarzelde bij de kille borsten. Hij trok haar de lichtkring van de toorts binnen, bekeek haar. Een vluchtige schoonheid, die door heel weinig zou worden vernietigd, en heel snel. Hoge borsten, koud, want ze waren bedekt met verguldsel. Tussen haar borsten spuwde een druppel gele amber vuur. Het sieraad wond hem buiten alle proporties op; het had een derde oog kunnen zijn, dit keer van haar geslacht. Hij legde zijn holle hand om haar schaamhaar, ruw als het gesponnen metaal waarop het leek.

„Ben je bang voor me?”

Ze zei niets, maar haar ogen werden wijd, alsof tranen zich baan wilden breken.

Niet bij machte om zich te verzetten tegen de drang van de ster trok hij haar omlaag naar de bank, maar ze wist zich op de een of andere manier om te draaien, zodat ze boven op hem belandde. Hij zag toen dat de wijdte van haar ogen alleen maar lichtgevend was, dat ze gloeiden, afschrikwekkend als de ogen van een tirr of een banalik, over hem heen gebogen om zijn ziel uit te zuigen. Zijn hoofd tolde van een verbazingwekkende angst, maar een ogenblik later ontdekte hij dat ze op de hoogte was van de dingen die Amnorh had beloofd. Hij kon haar wil niet ontlopen, worstelde hijgend in de lussen van haar slangelichaam, tot de nacht een droom werd van vuur, in golven aanzwellend en afnemend, en ertussendoor de benevelde gedachte dat hij haar voor altijd bij zich moest houden om hem angst aan te jagen en te verrukken en hem spartelend en kreunend mee te trekken in de tollende diepten van haar schoot.

De dageraad kwam, koel voor de warmte van de dag, met het geruis van vleugels boven de bomen.

Amnorh sloeg de flap van de tent van de Koning terug en bleef een ogenblik naar het slapende meisje kijken, haar gezicht in de kussens gedrukt, het eerste licht likkend aan haar beenderblanke rug. De Koning lag op zijn zij, blijkbaar diep in slaap, maar Amnorh had al gemerkt dat zijn zwarte ogen wijdopen waren. Amnorh liep naar hem toe en schudde hem aan de schouder heen en weer; even later sloeg hij met zijn vlakke hand op de bloedeloze mond. De glazige ogen keken star in de verte, ver buiten bereik van zijn onbeschaamdheid. Rehdon, de Drakenkoning, wiens nieuwe erfgenaam al twee maanden in het lichaam lag van zijn Koningin in Koramvis, wiens eerdere erfgenamen bij mindere koninginnen bij tientallen rondslopen in het paleis, lag dood op zijn bed na een gewone Zastiaanse coitus; daar had het tenminste alle schijn van. Amnorh liep de tent uit. Hij kreet woordeloos in de ochtendlucht, zodat de mannen met dikke ogen opschrokken naast de as van hun vuren. Twee bewakers renden naar hem toe. ,,In de tent,” zei hij hard. „Onze Heer Rehdon is dood. De heksenteef slaapt nog. Breng haar hier.”

Hij zag de ontzetting postvatten in de ogen van de soldaten. Ze renden de tent in, de flap viel niet terug. Hij zag ze terugdeinzen voor Rehdons lijk, toen bukten ze zich en sleepten Ashne’e van de sofa. Haar lichaam leek slap, krachteloos, maar toen ze haar voor hem op de grond lieten vallen, gingen haar ogen open en staarden in de zijne. Ze maakte geen aanstalten om op te staan of zich te bedekken.

„Afschuwelijk wezen,” siste Amnorh haar toe. , Je hebt een Koning vermoord.”

Een van de soldaten hief zijn speer op.

„Wacht,” zei Amnorh. Zijn stem klonk rauw. „Zo eenvoudig ligt de zaak niet.”

„Ongetwijfeld.”

Amnorh keek op en zag de rijzige gestalte van Orhn Am Alisaar, gespannen, waakzaam, een getrokken mes in zijn hand. „Wat is de reden voor deze paniek?”

„De Heer der Stormen is dood,” zei Amnorh, zijn ogen tot spleetjes dichtgeknepen.

„Vervloekt zij uw tong. Ik ben niet eerder overtuigd tot ik het met eigen ogen heb gezien.”

 „Het staat mijn Heer de prins natuurlijk vrij om dat te doen.” Amnorh deed een stap opzij, van de opening van de tent vandaan. Orhn beende langs hem heen en naar binnen. Amnorh keek hoe hij Rehdons lichaam heen en weer schudde, ertegen sprak en het ten slotte weer op de bank liet zakken. Orhn rechtte zijn rug, draaide zich om en liep de tent uit. Voor het eerst keek hij met droge, meedogenloze ogen naar het meisje Ashne’e. „Wie?”

„Een hoer uit de tempel. Was uwe genade vergeten - ?”

, Ja, dat was ik vergeten.”

Abrupt knielde Orhn neer en greep haar gezicht met wrede handen beet, zodat haar ogen in de zijne staarden.

„En wat heb je gedaan, tempelheks? Weet je wie deze man was voor je hem vermoordde? Het was de Heer der Stormen, de Hoge Koning - kijk me aan!”

Haar blik was weggegleden naar Amnorh en toen draaiden haar ogen plotseling omhoog en vielen de oogleden omlaag, alsof ze een toeval kreeg.

Orhn voelde haar huid onder zijn hand verkillen en liet haar los, want hij dacht dat ze was flauwgevallen. Amnorh, die wel beter wist, zei niets. Orhn kwam overeind.

„Geen tijd voor ceremonieel vertoon,” zei hij. „Ik ruim haar nu meteen uit de weg.” Hij staarde omhoog naar de pas opgekomen bleke zon, die de roodgloeiende ster al maskeerde. ,,De Rode Maan is voor Rehdon een vloek geweest,” zei hij. „Hij was geen jonge man meer.” Het mes blikkerde in zijn hand.

„Maar heer prins, er is één ding dat we vergeten,” zei Amnorh zacht.

Orhn keek hem recht in het gelaat. „Dat geloof ik niet.”

„O ja, heer. Het is mogelijk - altijd mogelijk - dat Rehdons kind in dit minderwaardige lichaam is geplant.”

Een diepere, intensere stilte viel om hen heen. De mannen verstijfden in een houding van haast bijgelovige onrust. „Misschien heeft ze gebruik gemaakt van de technieken die vrouwen kennen om dat te verhinderen,” zei Orhn. „Hoe kunnen we daar zeker van zijn? Er is geen proef waarmee we dat na kunnen gaan, heer prins. En sta me toe u eraan te herinneren, heer, dat het laatste kind dat voor de dood van de koning wordt verwekt zijn erfgenaam wordt. Aldus de wetten van Rarnammon.” , ,Niet als hij het in een loos uur verwekt bij een boerenvrouw - het gele uitschot dat de Vlakten bewoont - “

„Zeker, heer, maar durven wij alleen een beslissing te nemen in deze zaak?”

Orhns ogen waren hard als steen; de minachting en de weerzin die hij voor Amnorh voelde lag als een blos over zijn gezicht. „Heer Orhn!” riep een man plotseling.

Op een lage rots, een paar meter van hen vandaan, zwaaide een wachter met zijn armen en wees toen naar gene zijde van de akkers. Orhn draaide zich om en zag een stofwolk van de berghelling omhoog kolken.

„Wat is er nu aan de hand?”

„De mannen van het dorp,” zei Amnorh zacht. „Misschien komen ze terug?”

Met lange schreden liep Orhn naar de rots toe en ging naast de wachter staan. Amnorh liep wat kalmer achter hem aan. Het licht van de zon maakte van het stof zilver, zodat het moeilijk was om binnen die blinkende massa dingen te onderscheiden. „Hoeveel mensen zijn er nodig om zoveel stof op te werpen?” snauwde Orhn. „Vijftig? Zestig?”

„Maar het zijn enkel slaven, zoals u gisteren al duidelijk hebt gemaakt, heer prins,” zei Amnorh zacht.

Orhn negeerde hem. Hij schreeuwde: „Kapitein, stel uw troep op in gevechtsformatie.” Om de rokende vuren ontstond activiteit. „Mannen van meer dan dit ene dorp,” zei Orhn. „Waarom?”

 „Misschien hebben de priesters ze laten komen.”

 „Hierheen laten komen? Voor een meisje?” Orhn vloekte. , Je beweert altijd dat je een hoop weet van dit uitschot van de Vlakten, Amnorh. Wat denk je dat ze zullen doen?”

 „Ze staan bekend om hun passiviteit, heer prins. Waarschijnlijk niets. Maar onder de omstandigheden denk ik dat u het wel met me eens zult zijn dat het meisje voor uw mes gespaard moet blijven.” Orhn snierde, maar stak zijn mes op.

„Voor deze ene keer ligt er iets van waarde in je raad. Zo, ik heb het stuk speelgoed teruggestoken in de schede. Wat nu?” Het was wel duidelijk dat hij het niet prettig vond om zich te verlaten op Amnorhs oordeel, maar Amnorh scheen inderdaad een vreemde greep te hebben op deze onverwachte situatie.

,,Ik suggereer het volgende: vertel het dorp over Rehdons dood, maar geef het meisje niet de schuld ervan. Zeg dat ze zelfs zal worden geëerd als het lichaam waarin de erfgenaam van de Koning ligt.”

„Erfgenaam!” spoog Orhn. „Kunt u zich voorstellen dat er één groep in Dorthar is die zo’n aanspraak steunt?”

 „Dat gaat ons nauwelijks aan, heer prins. Dit zijn onwetende mensen - uwe genade heeft dat vast wel eens horen zeggen. Het is heel waarschijnlijk dat ze zo’n verhaal slikken. Het heeft een bepaald mythologisch aspect dat hen aan zou moeten spreken. Als we eenmaal in Koramvis zijn kan de Hoge Raad een beslissing nemen over wat er moet worden gedaan.”

 „Wilt u haar dan meenemen naar Koramvis?”

 „Het is altijd het beste, heer prins, om bij een confrontatie met het onverwachte zo behoedzaam mogelijk te zijn. Wie weet wat voor oordeel de Raad vellen zou over een al te overhaaste daad?” Orhn keek met gefronst voorhoofd naar de stofwolk. Hij kon nu zeeba’s onderscheiden, met blonde ruiters.

„Er is één klein probleem,” zei Amnorh. „Ze moeten zien dat het meisje zich gewillig naar ons voornemen voegt.” Orhn keek naar het meisje op de grond naast zijn voeten, zijn donkere gezicht verwrongen van afschuw. „Moeilijk is dat, als ze ogenschijnlijk dood lijkt te zijn.”

 „Dat is niet meer dan een trance, heer. Sommige acolieten uit de Laaglanden zijn heel bedreven in dit soort magie. Als u me een paar ogenblikken met haar alleen laat, denk ik dat ik er wel een einde aan kan maken.”

„Ik buig voor uw wijsheid. Doe wat u nodig acht.”

In het komfoor draaide licht rond dat de kleur had van een dood blad. Uit de gloeiende kolen haalde Amnorh een tak die aan het uiteinde vlamde en schudde er gloeiende vuurvlokken af die in de lucht boven het lichaam van het meisje bleven drijven. Ze lag op zijn slaapbank, waar de twee kamerdienaren haar hadden neergelegd, een witte stasis in de donker gloeiende tent. „Kun je de hitte van het vuur voelen, Ashne’e?” fluisterde Amnorh. Hij zette zijn mond aan haar oor. „Laat ik je vertellen, Ashne’e, wat ik van plan ben met je te doen.” Fluisterend als een minnaar verschroeide hij het donshaar om haar navel, maar niet meer. „Als ik deze toorts tegen je keel houd verkoolt je vlees tot op het bot. Maar je hebt je verstout om een Koning van de Vis te ver moorden, Ashne’e, misschien moet ik je langer in leven laten. Als ik eens begon met je borsten - “

Druppels zweet verschenen op het voorhoofd van het meisje. In een plotselinge uitbarsting nam het leven weer bezit van haar. Haar ogen gingen open en keken meteen in de zijne. Amnorh glimlachte. Hij had de vonk van haar bewustzijn misleid door de blinde drang naar het bestaan die zo’n vonk eigen was op te wekken - zodra het lichaam werd bedreigd was ze erin teruggevlucht om het te hulp te komen.

„Dacht je dat ik dat zou doen? De vergulde tepels van je blanke borsten branden?”

Voor het eerst sprak ze.

„U zou doen wat u behaagde om te doen.”

 „Heel goed gezien. Dat zou ik inderdaad. Nog maar enkele minuten geleden heeft het me behaagd je lichaam te behoeden voor het mes van Prins Orhn. Kun je je voorstellen waarom? Nee, dat denk ik niet. Je voor langere tijd in leven houden zal moeilijker zijn. Dat hangt er kort en goed gezegd van af of Rehdons kind in je is. Bij de Am Dorthar wordt de laatste zoon die de Koning voor zijn dood verwekt meestal zijn opvolger.”

,Ja,” zei ze, „ik ben zwanger van de Heer der Stormen.” , Je dappere zelfvertrouwen inspireert me om je te helpen.” De tent was vervuld van blind karmozijnen licht. Hij stak zijn hand uit en streelde haar roerloze lichaam. Ze scheen drie ogen te hebben terwijl ze naar hem keek, twee gouden ogen in haar gezicht, het derde vonkenspattend in haar navel. „Ik heb het u verteld. Het kind van de Koning is in mij.”

 „Als dat niet zo is, is er toch nog tijd.”

De drang van de ster had hem in zijn greep, maar toch was hij subtiel, net als in alle dingen. Maar zijn strelingen, die zelfs Rehdons Koningin hadden behaagd, waren verspild aan steen. Het meisje uit het Laagland lag als een lijk onder hem terwijl haar haar het kussen in brand scheen te steken. En dus gebruikte hij haar en ontdekte dat ze hem geen enkel genot bracht en ging heen, terwijl alleen zijn ogen spraken over hoe het een andere keer zou kunnen zijn.



De stofwolk was gaan liggen in de akkers, was als een zwerm insecten neergedaald op het graan.

De Laaglanders zaten stil op hun zeeba’s. Geen geluid van hen was in het kamp van de Dorthariërs te horen. De wacht van her jachtge-zeischap stond in formatie opgesteld, een onverstoorbare verdedigingslinie, numeriek ver in de minderheid maar vol vertrouwen in hun superieure militaire vaardigheid. Wat hadden ze per slot van rekening tegenover zich? Toch niet meer dan gespuis? „De Raadsheer heeft wel veel tijd nodig,” zei Ohrn ongeduldig. De kapitein draaide zich om om een man naar Amnorhs tent te sturen, wat hoger op de helling, maar Orhn pakte hem bij de arm. Amnorh had erop gestaan om alleen met het meisje te zijn en gezegd dat zijn esoterische werk niet ongevaarlijk was, en Orhn kon weinig anders doen dan de zaak aan hem overlaten. Een drukkend gevoel van verwachting hing in de lucht. De starende zon baadde de Vlakten in haar schroeiende hitte. „Aktiviteit bij de tempel, heer Prins.” Orhn keek opzij.

„Een priester.”

De zwartomhulde gestalte gleed over het pad alsof hij op rollers liep langs de helling naar de Laagland-mannen. „Ze broeden nieuwe plannen uit,” zei Orhn. Hij keek toe hoe de priester, ook nu onzichtbaar door zijn kap, een soort woordeloze communicatie opende met de voorste rij ruiters. Bijna onmiddellijk steeg een man af en ging naast hem staan. Vervolgens begonnen man en priester terug te lopen, dit keer volgens een andere route, rechtstreeks naar het kamp van de Vis. Orhn bekeek hen ingespannen. De man was jong, niet opvallend: gebruind, gespierd, zijn lichaam gehard, een knaap wiens lichaam en geest al lange tijd waren blootgesteld aan een hard bestaan zonder enige luxe - heel bruikbaar voor het leger als hij als Vis was geboren. De priester aan zijn schouder gleed als zijn zwarte schaduw voort. Voorbij de laatste tenten werden ze staande gehouden door een wachter die hun de doorgang versperde.

De jongeman bleef staan, zijn ambergele ogen strak op Orhn gericht.

„Heer der Stormen, u hebt een vrouw hier gehouden om u te behagen. Laat haar terugkeren naar haar volk.” De wachter gaf hem een verachtelijk lichte klap op de borst. „Kniel als je de Prins aanspreekt, hond uit de Vlakten.” De jongeman knielde onmiddellijk neer,, zonder naar de soldaat te kijken.

„Opnieuw richt ik mijn verzoek tot u, Heer der Stormen.”

 „Ik ben de Heer niet,” blafte Orhn. „De Heer is dood.”

„Dat is smartelijk nieuws. Maar opnieuw vraag ik u om Ashne’e te laten gaan.”

„Misschien draagt Ashne’e de erfgenaam van de Koning in haar schoot. Begrijp je dat? Ze moet met ons mee naar Koramvis.” De jongeman staarde hem aan met bleke, onveranderlijke ogen. „Doodt u haar daar?”

„Als ze het kind van de Heer der Stormen draagt, zal ze worden geëerd.”

„Waarom maakt u zich zo’n zorgen om wat we met Ashne’e doen?” vroeg een scherpe stem. De stem van Amnorh. De Raadsheer was dus eindelijk weer te voorschijn gekomen. Het leek erop dat hij in zijn voornemen was geslaagd. „Ze behoort uw godin toe, niet u.”

„Mijn zuster,” zei de Laaglander langzaam. „Het is mijn zuster.”

 „Goed dan. Volg mij en laat ook die priester meegaan. U mag met Ashne’e spreken. Vraag haar of ze groter genot wenst dan de stad van de Heer der Stormen betreden.”

De woorden, bruusk, gebiedend, schenen een gepaste reactie op te roepen. Orhn zag dat de Laaglander onmiddellijk zowel Amnorhs gezag als zijn woorden aanvaardde. Amnorh liep de helling op, met de jongen achter zich aan; toen ze bij de tent van de owarhuiden waren liet Amnorh hem alleen naar binnen. Orhn wachtte, en het lag niet in zijn aard om blijmoedig te wachten. Zou het meisje zeggen wat Amnorh haar had bevolen te zeggen? Vervloekte hoer, het zou beter zijn geweest als ze uit de weg was geruimd voor gepraat over zwangerschap en de Hoge Raad een klaarheldere zaak had vertroebeld. En wat waren in deze hele affaire de motieven van de Voogd zelf?

De Laaglander kwam de tent uit. Orhn zag meteen dat hij er anders uitzag - hij maakte een vreemd blinde, oude indruk, alsof hij tastend voortliep, niet door een lichamelijke, maar door een psychische duisternis. Hij liep de helling af, door de rij Dorthariërs heen en de ogenschijnlijk wilde lijnen en vlakken van de akkers in, terwijl de priester nog steeds als een zwarte kraai naast zijn schouder voortgleed.

Een beweging golfde door de Laaglanders; de hele troep, mannen en zeeba’s, verbrak in één en hetzelfde ogenblik zijn formatie, draaide zich om en een nieuwe stofwolk kolkte omhoog en maskeerde zijn heengaan. De kapitein vloekte binnensmonds.

Orhn keek even naar Amnorh. „Heel slim, Raadsheer, heel slim.”

lin Amnorh gaf een kinderlijk ogenblik de minachting die hij in zijn hart voelde de vrije teugel en antwoordde: ,,In ieder geval te slim voor u, heer Prins.”



Het behoorde tot de onontkoombare etiquette om een koerier vooruit te sturen naar Xarar. Dientengevolge knarsetandde Orhn van ergernis toen ze door de witte Drakepoort reden, een stad die diep in poëtisch rouwbeklag gedompeld was. „Dat vervloekte gejank!” dacht hij, terwijl de vrouwen op straat opzichtig weenden om Rehdon, die ze maar heel even hadden gezien en waarschijnlijk allang waren vergeten. Hun gastheer in Xarar, Koning Thann Rashek, wiens naam in zekere kringen Thann de Vos was, stuurde een hele stoet balsemers om Rehdons lichaam te zalven en te prepareren. Rasheks vele koninginnen, vrouwen uit Xarabiss, Karmiss en Corhl, en de massa dochters die hij had, verschenen in zwaar grafrood tenue, terwijl barden jammerden over verzonnen heldendaden - na de tijd van Rarnammon was er geen grote oorlog meer geweest waarin een heer helden-faam kon kopen of verwerven. De hele poespas deed Orhn in een woede ontsteken die hij maar met de grootste moeite in bedwang hield. In botte haast haalde hij de her en der verspreide leden van Rehdons gevolg bij elkaar, en binnen vier dagen had hij zich losgemaakt van de al te zwaar aangezette dramatiek en het publieke verdriet van de alomtegenwoordige bleke gezichten die elk ogenblik van de dag klaarstonden met hun huichelachtige tranen en snaar-omspeelde jammerzangen.

Snel trok hij met zijn Dortharische gezelschap Xarabiss door, met het lijk in hun midden als excuus, en liet zijn kristallen steden achter in een lijkwade van offerrook.

Ze trokken het smalle land Ommos in, de dode in een gesloten gouden Xarabiaanse lijkkist. Ashne’e - een exotische gevangene in Xarar als een wild maar toch ook interessant beest, ongetwijfeld bespied door gaten in de draperieën - woonde nu in raamloze grijze vertrekken en werd bespuwd vanuit krotten langs de wegen. Aan het eind van de dag doodde de Voogd van een witstenen fort aan de zee met eigen hand een pasgeboren kind dat maar een paar uur voor hun komst door een van zijn dofogige vrouwen ter wereld was gebracht. Dat was ten bewijze van zijn smart, zei hij, maar het was een meisje en geen jongetje en daarom, vooral voor een Ommos, geen groot verlies.

Niet lang daarna hoorde Orhn de moeder ergens gillen in het duister, en om een maar nauwelijks verklaarbare reden bracht dat zijn gedachten op Rehdons Koningin.

Val Mala, een Dortharische prinses uit een onbelangrijk Huis in Kuma, tot haar rang als Bindvrouwe verheven door haar schoonheid en Rehdons zwakte.

Wat zou ze het Laaglandse meisje verafschuwen. Orhn stond zich een grimmige glimlach toe toen hij dacht aan de wreedheden die Val Mala voor haar zou bedenken; hier en daar was de naam van Val Mala al een synoniem voor wreedheid. Aan het hof was in ieder geval geen vrouw meer te zien die haar in de eerste dagen van haar macht door het slijk had gehaald. Hij herinnerde zich haar geliefde huisdier - een witte kalinx, een kat met pluimpjes aan zijn oren, een duivels dier, onberekenbaar gemeen - dat in bijna volmaakte vrijheid door haar vertrekken zwierf en voor heel Koramvis een symbool was van haar eigen betoverende en vindingrijke venijn. Ja, bij hun terugkeer zou Val Mala het object van een buitengewoon intrigerende studie kunnen worden. En als de hoer uit het Laagland Rehdons kind in haar schoot droeg? Als er nu eens een openbaar bewijs werd geleverd van zijn buitenechtelijke lust? Orhn vroeg zich af, met niet geheel loze boosaardigheid, of de omhelzingen van de Raadsheer wel troost genoeg zouden zijn.


2

Dorthar, het drakeland, Dorthar, de drakekop, de bergen zijn getande kam, het meer Ibron zijn witte oog, Koramvis zijn denkende juweel van een kern, zijn hartebrein.

De stad lag op en om de heuvels aan de voet van de kam-bergen, hooggeheven als een reusachtige, zuiver witte vogel op een nest van vuur. De fundamenten, in tweeën gesneden door een rivier, wortelden in de verste uithoeken van de tijd; net als de Drakepoort van Xarabiss was de stad voor een deel een herinnering, een tastbare schepping beladen met een diep en ver teruggaande legende, haar geboorteplaats een verkoolde plek waar de Heren der Stormen uit de hemel gekomen waren, vervoerd in de buik van bleke draken.

Op het noenuur, midden op de dag, in de eerste Zastiaanse maand, spraken haar wachttorens tegen haar, aan gene zijde van de vlakte, met zwarte sombere wolken doodsrook, en Koramvis opende haar poorten om haar Koning binnen te laten.



Val Mala’s vertrekken waren gevuld met een schimmig, rokerig wierooklicht. Kaarsen flakkerden; haar vrouwen waren in het zwart. Het meisje dat ze leidde had zilveren tranen op haar wangen geschilderd.

Val Mala liet ze heel tijdje wachten, Amnorh de Raadsheer en Ornh, de Prins van Alisaar. Toen Orhn ongeduldig begon te worden staarde het meisje hem aan en fluisterde: ,,De Koningin rouwt.”

Orhn maakte een schamper geluid, maar even later kwamen de rouwenden binnen en hij slikte zijn vloeken weg. Val Mala. De donkere Vis-teint van haar huid werd verrassend gemaskeerd door een roomkleurige crème, het Dortharische zwart van haar haar zat verborgen onder een pruik van hyacintblauwe zijde. Ze had een rouwgewaad aan, maar de stemmigheid ervan was niet terug te vinden in haar gezicht of in haar kalinx-ogen, al waren die zo zwart als maanloze meren. Ze was veel jonger dan haar dode gemaal, had nooit van hem gehouden. Zelfs haar zwangerschap was nog onzichtbaar. Ze scheen alle resten van Rehdon van zich af te hebben gezet, verworpen, en de rituele frase ‘de Koningin rouwt’ had alle absurde obsceniteit van iets dat op een muur gekalkt wordt. Toch was haar schoonheid niets van haar bekende scherpte, haar bedwelmende magie kwijtgeraakt, ondanks het feit dat iets aan haar hem heel in de verte aan een dure hoer deed denken, iets vulgairs en niet-beschaafds dat ze uitstraalde. Ze keek even naar Orhn, wendde toen haar blik af. „Waar is mijn Heer Rehdon?”

„Die wordt zonder geleide door de hoven van het paleis gedragen omdat u, vrouwe, ons gebood bij u te komen,” gromde Orhn. „Het is jammer, heer Orhn, dat u hem niet beter geleidde toen hij nog in leven was. Dan zou hij misschien nog in ons midden zijn.”

 „Iedereen kan wel voelen, vrouwe, hoezeer u door uw verlies bent overweldigd van smart.”

Haar gezicht vertrok even bij zijn ironische woorden en ze balde haar beringde handen in een krampachtig, woedend gebaar. „O, ik ben zeker overweldigd. Overweldigd door uw kwaadaardige onwelvoeglijkheid. U hebt een geschenk voor me meegenomen, heb ik gehoord.”

„Een geschenk, vrouwe?”

„Dat heb ik vernomen, ja. Wat u blijkbaar een passend geschenk vindt.” Haar stem werd heftiger. „Die hoer van hem! Die smerige tempelslet. Een slangenvererende duivelsteef die hij tot zich genomen heeft omdat hij mij niet bezitten kon.” Am Alisaar zei niets, zijn gezicht een uit steen gehouwen masker, star van zijn eigen woede.

„U zult me; geen woord reppen van het twijfelachtige kind dat ze draagt,” snauwde ze hem toe. „Ik wil niet dat zij in leven blijft! Ik ben de moeder van ‘s Konings erfgenaam - ik, en niemand anders.’’ „U, én vele anderen, vrouwe.”

Haar ogen werden opeens heel groot en uitdrukkingloos, alsof ze in doodsangst die andere, mindere kinderen zag roepen om hun geboorterecht. Ze draaide zich om en liep het vertrek door tot ze tegenover Orhn stond en keek hem in het gelaat. „Ik,” zei ze. ,,Ik alleen. Uw Koning is hier, Orhn Am Alisaar,” en ze greep zijn hand en legde die op haar buik. Hij voelde de zachte welving van haar lichaam, de facetten van een edelsteen die onder de plooien van haar gewaad in haar navel lag. Hij voelde ook hoe op hetzelfde ogenblik het bloed in zijn slapen hamerde en opsprong in zijn lendenen. Val Mala zag dat hij sneller ademhaalde en duwde abrupt zijn hand weg. „Uw Koning, en voor hém zult u knielen,” zei ze, terwijl ze minachtend glimlachte om de wijze waarop zij en de ster hem hadden beroerd. „En nu geef ik u verlof om te gaan. De Koningin-weduwe kan, meen ik, zo’n bevel wel geven aan een gewone Prins van Alisaar.”

Orhn verstrakte, zijn mond een rechte streep. Hij boog, stijf als een mechanische pop en beende het vertrek uit. De grote cibbahouten deur knalde achter hem dicht.

Val Mala keek naar Amnorh die in de schaduwen stond.

„Dat was dan de parvenu.”

„Inderdaad, mijn godin. Dat was hem dan.”

„Ik weet niet helemaal wat je bedoelt, Amnorh. Misschien moet ik je wel dankbaar zijn,” maar ze begon te lachen en trok de pruik van haar hoofd, zodat haar haar zwart over haar schouders stroomde.

„En heeft een arts het meisje onderzocht?”

„Dat gebeurt zodra ze in het Paleis van Vrede is.”

„En Rehdon,” zei ze, „en Rehdon. Wanneer is hij gestorven?”

„Even voor zonsopgang, vermoed ik. Het meisje was bij hem.”

„Dwaze Rehdon om vrouwen zó nodig te hebben en tegelijkertijd zó bang van ze te zijn. Altijd angst. Zelfs tijdens de lust nog angst.

Een tekortschietende, holle Koning.”

,,U hoeft u niet langer om hem te bekommeren.”

, Ja.” Ze boog zich naar hem over en haar verbazingwekkend witte hand greep hem bij de schouder. „Hoe?”

„Ik gaf het hem in de bittere wijn die ze in de Laaglanden maken,” zei hij kalm. „De Rode Maan was in zijn lichaam. Hij had geen weet van wat hij dronk.”

„Ik wilde dat hij het wist. Ik wenste dat ik hem de wijn had zien drinken en sterven.”

„Onpraktisch, mijn Koningin.”

„En is Koramvis loon genoeg voor je?” siste ze.

„Meer nog dan ik vraag,” fluisterde hij en stak zijn handen uit om haar lichaam te strelen dat al in opwellend verlangen tegen het zijne bewoog.

Een man in een zwarte toga haastte zich onder de brede portico van het Paleis van Vrede door. Achter hem, hoog in een van de kom-to-rens, gloeide de kamer waar hij net vandaan kwam met een geel licht. De avondschemering lag al geruime tijd over de stille tuinen. Hij liep langs twee schildwachten wier ogen hem nastaarden toen hij ze voorbij was gelopen.

In de schaduw van de brede poort schoot een sterke hand uit het duister en greep hem bij de arm.

„Wat wilt ge van me?”

„Nieuws over het tempelmeisje.”

„Op wiens gezag vraagt ge me dat?”

„Op gezag van heer Amnorh.”

De arts aarzelde. Ten slotte zei hij: , ,Het is nog te vroeg om het met zekerheid te kunnen zeggen.” De stem in het duister drong aan.

„Kom, kom, waarde meester. Ge denkt uw eigen gedachten, niet?”

„Dan... dan denk ik dat ze zwanger is.”

De hand liet zijn arm los en iemand gleed zonder gerucht weg. De arts schokschouderde, alsof hij zich wilde ontdoen van iets huiveringwekkends, en draaide zich om naar de stad die in een brede boog voor hem lag, waar lampen de duisternis doorbraken.

De nacht overstroomde Koramvis, haar schitterende paleizen en smalle moorddadige stegen, nacht en de ster klopten en vervaagden en verzonken voor de scharlaken explosie die de ochtendstond was. Andere nachten en dagen volgden na deze.

Ergens begon een klok, de klepel omwikkeld met draad, te bonken en te luiden.

Soortgelijke klokken klonken in antwoord.

Toen de bovenste rand van de nieuwe zonneschijf boven de horizon verrees spatten rookwolken uit de zwarte tempel van de Stormgoden en dreven in grauwe sluiers over de Okris. Op deze rode, zinderend hete dag zou een Koning dan ten slotte naar zijn graf gedragen worden.

De hemel koelde af tot de donkerste tint indigo. Uit het Stormpaleis, de tempels, de Wapenacademie, kwamen zwarte, blikkerende wormen te voorschijn, wormen die zich samenvoegden op een witte weg met aan weerszijden gigantische draken van obsidiaan - de Avenue van Rarnammon. De Hoge Koning is dood, de zon is verduisterd, de maan valt, de aarde siddert.

Honderd priesteressen waren de proloog, jammerden de rouwklacht uit; een kreet uit de hel leek het wel, zo vol leegheid, wanhoop, pijn was hij. Hun gewaden het stormrood van drakebloed, hun ogen nat van tranen door het bijtende vruchtesap dat ze erin hadden gespoten, hun lichamen doorboord, besmeurd met het bloed van door henzelf toegebrachte wonden. Daarna de priesters, purperen toga’s en een zoemende onrust van gongs en maskergezichten star in onuitgesproken emotie.

Rehdons Drakengarde had de gebalsemde dode in haar midden. Tussen hun zwarte, metaalkletterende gestalten, om hen heen de genegen roestbruine banieren, de sierkwasten slepend door het stof, rolde een vergulde kooi waarin een man zat. Hij was van top tot teen in wapenrusting gehuld. De grote puntige kam vlamde op zijn hoofd, de ogen staarden recht voor zich uit. Het had een levend mens kunnen zijn, maar de dood wasemde uit elke porie van zijn lichaam, een geurloze stank van verrotting, en de zwarte ogen weerkaatsten en blikkerden en vlamden, want ze waren nu niet meer van levend materiaal maar van onyx en kristal. Achter hem liepen prinsen als slaven, een paar koningen en daarachter hun concubines en vrouwen. En Rehdons Koningin in haar zwarte fluweel en haar fantastische juwelen, ook haar rok slepend door het omhoog kolkende stof. Haar ogen waren even uitdrukkingloos als de juwe-lenogen van haar dode, gehate echtgenoot. Haar wens had hem gedood, toch moest ze rouwend door de stad trekken, als een slavin. Ze dacht weer aan de begroeting van de Zakoriaanse prinsen - ‘Eer aan de erfgenaam in uw schoot’ - en woede brandde even bitter in haar als het stof op haar tong.

Aan de staart van de worm marcheerden de eindeloze rijen soldaten. Trommels donderden in de straten en de donder antwoordde dof uit de hijgende hemel.

De menigten sidderden toen ze dit norse gebrul van vertoornde goden hoorden. Vrouwen vielen wenend op hun knieën toen Rehdons doodskooi langs hen heen rolde. Het duurde niet lang voor een kreet opklonk, een kreet om de heks te doden, de banalik van het vervloekte Laagland, de moordenares van de Heer der Stormen: Ashne’e.



De Hal der Koningen stond op een vlak stuk land aan de oever van de Okris, en de ingang was een marmeren drakemuil. Tussen de wijd opengesperde kaken ging de worm, nu flakkerend van toortslicht. De hemel was zwart geworden en speren bleek licht schoten aan gene zijde van de rivier omlaag; het begon te regenen, in reusachtige klamme druppels, en de rivier kookte. De donder spatte in stukken uiteen.

De priesteressen hieven hun gezichten, nat van regen en tranen, omhoog, bevend van angst en exaltatie.

In het binnenste van het graf flakkerden de toortsen en dolven blauw en rood licht uit de robijnen en saffieren van hoog oprijzende mausolea, uit de ogen van in steen uitgesneden monsters en hiddrax, licht dat in zilveren poelen tussen de ledematen van zilveren wakers door stroomde.

Een rij priesters gaf de weg aan naar het nieuwste graf. In de adem van zoetrook en wierook werd het lichaam van Rehdon uit zijn kooi getild en naar het hart van de tombe gebracht. Gebeden kreunden om de sarcofagen en vervlogen.

Val Mala volgde de koningen en prinsen het stille graf in. Lang geleden zou ze naast haar echtgenoot zijn ingemetseld, zijn eigendom tot aan de eeuwigheid of het verval, en een droge rauwe angst steeg op in haar keel toen ze eraan dacht.

Hij lag voor haar op de sofa, op zijn rug. Angst maakte plaats voor minachting en hoon toen ze bedacht dat hij nooit meer levend zo voor haar liggen zou. Ze stak haar hand uit om de zijne te pakken, hem met haar lippen te beroeren in een bespotting van de traditionele kus van smart... en veranderde in nauwelijks ademende steen. Er was een slang.

De slang stond rechtop op Rehdons borst, gemeen en dun, goudgeel, met een rondlopende zwarte tekening. Haar tong flitste als een zwarte vlam haar bek in en uit.

Val Mala kon haar hand niet terugtrekken. Ze kon niet roepen. Ze stak haar hand uit zodat de slang er haar naaldscherpe tanden in kon slaan en |iaar gif in haar aderen spuiten. De kop ging naar achteren en ze wist dat het laatste ogenblik van haar leven daar was. Bliksem. Het leek wel of de bliksem door het dak heengeslagen was, de tombe in. Maar het was het blikkeren van toortslicht op een zwaard, het zwaard van Prins Orhn, die een fractie sneller was dan de slang en haar kop had afgehakt.

Val Mala trok haar hand terug alsof die had vastgezeten in zuigende, onwillige klei, en viel in zwijm.

De stilte in de tombe werd verbroken door geschreeuw van verwensingen, en wat er was voorgevallen werd al snel bekend bij de menigte die buiten stond.

Orhn veegde het bloed van zijn zwaard en stak het toen met een beheerst gebaar terug in de schede.

,,Zoek de meester-steenhouwer van deze tombe. Hij zal wat vragen dienen te beantwoorden.” Toen bewakers heengingen om hem te gehoorzamen gebaarde hij naar Val Mala’s vrouwen en stapte toen zonder verder nog aandacht aan haar te schenken over haar lichaam heen en verliet het vertrek.

Het was geen troost voor Val Mala dat ze niet terug hoefde te lopen door de stormverstikte straten. Ze lag als het korte visioen dat ze had gehad van haar eigen dood, en na de vergetelheid kwamen pijn en ziekte en ontsteltenis: artsen snelden op haar af, en er waren honderd remedies en gebeden. Maar de miskraam waarvoor gevreesd werd kwam niet; ze hield haar kind vast met een woeste, beangste kracht, en nadat de paniek voorbij was, gilde meer dan één chirurgijn onder de zwepen van haar persoonlijke garde. Ze lag in haar verduisterde slaapkamer onder de schitterende sprei, geborduurd met goudsbloemkleurige zonnen en ivoorzilveren manen en haar ogen verschroeiden haar eigen oppervlakkige brein met hun haat. Nooit was ze zó doodsbang geweest, weinig keren zou ze ooit nog zó bang zijn.

„Stuur Lomandra hierheen,” zei ze.

Lomandra de Xarabiaanse, haar voornaamste hofdame, kwam als een elegante, slanke geest het schemerduistere vertrek in. „Hier ben ik, vrouwe,” zei ze. „Uw veiligheid verheugt me.”

 „Mijn veiligheid. Ik heb het bijna verloren, het kind, de Koning in mij, Rehdons zaad. Mijn enige hoop op eer - die wil ze me afpakken - ze heeft de slang gestuurd om mijn zoon te vermoorden.”

 „Wie, vrouwe?”

„De hoer die Orhn hierheen heeft meegenomen om me te tergen. De Laaglanden vereren het serpent, de anckira. Die heks, die duivelin - ik heb gebeden dat ze niet in leven zou blijven. Ik zweer dat ze sterven zal.”

 „Vrouwe - “

„Stil. Dit is alles wat ge moet doen. Ga naar het Paleis van Vrede - “

„Vrouwe, ik - “

„Nee. Je doet wat ik zeg. Bedenk dat ik je volledig vertrouw. Jij zorgt voor die teef en later zullen we nog wel zien. Hier, neem dit aan.”

Lomandra staarde naar de uitgestoken hand van de Koningin en zag wat Val Mala haar aanbood - een ring met veel edelstenen, een prachtige, waardevolle ring.

Lomandra scheen te aarzelen, en toen, voorzichtig, trok ze de ring van Val Mala’s vinger en schoof hem aan de hare. ,

,Hij staat je,” zei Val Mala zacht, en Lomandra was deelgenoot van haar komplot.

Buiten de kantelen raasde de donder en galoppeerde de stad rond, de zwarte beesten van een storm die drie dagen zou duren.



Na de lange regen viel de ochtendwarmte zoeter de tuinen van het Paleis van Vrede in.

De ogen van de wacht gingen naar links. Een vrouw kwam tussen de hoge bomen en de kunstig gesnoeide heggen doorgelopen, een vrouw met gouden sieraden en in het zwart van het paleis. Ze kenden haar van gezicht: dit was de voornaamste hofdame van de Koningin, Lomandra de Xarabiaanse. Ze liep langs de soldaten heen, de lichtgekleurde trap op, de portico in.

Binnen: een koelte in de gangen, en vloeren van mozaïek. In een kamer zat een meisje met sluik neerhangend haar dat precies de tint van het zeldzaamste amber had. Haar buik was al wat gezwollen,

maar haar lichaam leek niet te zijn meegegroeid - het leek veel eerder te zijn verschrompeld, alsof al haar vlees, haar hele wezen zich had geconcentreerd op dit ene gebied van nieuw leven, en de rest van haar lichaam niet meer was dan een omhulsel, een cocon. Lomandra bleef staan. Ze had in haar gelaat en in haar hele houding alle trots en alle minachting van Val Mala, want ze was op dit ogenblik volledig een kopie van de Koningin. „Ik ben naar u gezonden door mijn meesteres, de Koningin van de Am Dorthar en van alle Vis, de weduwe van heer Rehdon,” zei ze koud, de titels aaneenrijgend als waren het kostbare parels. „Waarom?’’

Lomandra schrok van de directe vraag, maar herstelde zich snel. „Om u te dienen. De Koningin eert het kind van haar echtgenoot.”

Ashne’e draaide zich om en keek haar aan. Het was een meelijwekkend wezen, dacht Lomandra met meedogenloze afkeer. Alleen haar ogen, die waren anders. Ook haar ogen waren amberkleurig, en heel vreemd. Lomandra betrapte zich erop dat ze er naar staarde en wendde snel haar blik af, erger in verwarring gebracht dan de omstandigheden rechtvaardigden.

„Hoe lang duurt het nog voor uw weeën beginnen?”

„Niet erg lang.”

„Hoe lang precies? We hebben gehoord dat de vrouwen van het Laagland hun kinderen korter dragen dan de Vis.”

Ashne’e gaf geen antwoord. Lomandra’s hauteur kristalliseerde zich uit in woede. Ze liep naar voren en boog zich over het meisje heen.

„Ik vraag het u nogmaals. Hoe lang duurt het voor uw kind wordt geboren?”

Ja, de ogen waren volmaakt - Lomandra zocht in haar geest naar een geschikt woord en kon het niet vinden. Misschien was het alleen deze ongewone Laaglanderkleur waardoor ze zo - zo onnatuurlijk - of was het bovennatuurlijk? - leken. Kleine adertjes liepen over het wit als paadjes naar het gouden cirkeltje van de iris, de draaikolk van de pupillen. De pupillen werden groter toen ze erin keek. Ze schenen haar omlaag te trekken, een tollende lichtloze leegte in. In het midden van de leegte werd Lomandra bijna overweldigd door een emotie die niet de hare was, die bestond uit pure afschuw, pure angst en een ondraaglijke ellende.

Hijgend wankelde ze achteruit en greep de stoel beet om zich staande te houden.

Toen ze weer omlaag keek zat het Laagland-meisje met haar hoofd voorovergebogen en haar haar over haar gezicht vallend. Lomandra staarde haar verward aan. „Ik ben ziek,” dacht ze. „Over vijf maanden wordt het kind geboren.” Lomandra herinnerde zich dat ze het meisje iets gevraagd had - dit moest het antwoord op die vraag zijn. Ze had gevraagd naar de geboorte. Haar verstand hernam plotseling zijn normale werking; ze was geruststellend kalm, bijna geamuseerd over haar korte hysterische desoriëntatie. „Ik moet voorzichtiger zijn met wat ik doe.” Het was de warmte, of misschien... Lomandra glimlachte en bedacht dat ze vannacht zou liggen met Kren, Vierde Drakenheer, Voogd over het Riviergarnizoen, wiens strelingen haar altijd behaagden.

Het meisje Ashne’e was al ineengeschrompeld, bijna uitgeblazen, als een kaarsevlam door de wind.

Lomandra vergat haar beangstigende gedachten aan de eretafel van het Garnizoen, en later, toen de nacht rood-zwart door de open ramen droop en ze onder de auspiciën van de ster de wereld van een mannenlichaam doorleefde. Maar toen ze sliep lag de opgezwollen buik waaruit zo dadelijk haar kind geboren worden zou voor haar, en voelde ze de beangstigende beweging van de foetus in haar. Toen was er een gillende menigte en zij lag naakt op een open plek, vastgebonden onder de wrede hemel, en een zwaard werd door haar heen gestoken, door haar schede tot in haar schoot - de oeroude, afschuwelijke straf van de Vis. Ze gilde, ze hoorde het embryo gillen. Ze zag haar eigen lijk en ontdekte dat het het hare niet was. Het was het lijk van Ashne’e.

Kren maakte haar wakker. Ze drukte haar gezicht tegen zijn borst en huilde. Lomandra had nooit meer gehuild sinds de keer dat ze - lang geleden, toen ze nog maar weinig ouder was dan een kind, haar eigen land had verlaten en naar de rotsen en bergen van Dor-thar was gegaan. Nu stroomden rivieren uit haar ogen en erna beefde ze, uit angst dat ze bezeten was.



Eerst dacht ze erover de Koningin deelgenoot te maken van haar angst, en te vragen of in haar plaats een andere vrouw kon worden gestuurd om de Laagland-heks in het oog te houden, maar toen ze zich weer in haar aanwezigheid bevond en haar het antwoord op haar vraag bracht, besefte ze dat dit een zinloze hoop was. Na het voorval met de slang was Val Mala’s schoonheid langzaam maar zeker geslecht door de tirannie van haar schoot, en ze was in haar temperamentsvolste en gevaarlijkste stemming. En dus keerde Lomandra terug naar het Paleis van Vrede en trof daar alleen maar een mager en verkwijnd meisje aan, geketend aan de parasiet van de schepping.

Een maand ging voorbij. Lomandra kleedde het meisje in kostbare stoffen, die als zakken om haar lichaam hingen, en kamde het levenloze amberhaar, en observeerde haar nauwgezet, zonder ooit in de ogen te kijken die nu ook nooit in de hare probeerden te blikken.

En Lomandra verwonderde zich. Ze leerde het fragiele lichaam intiem kennen, maar al kende ze het, ze voelde dat ze niets wist; de ziel binnenin het lichaam was stom en weggesloten. De arts, zijn zwarte toga wapperend om zijn magere lijf als lappen om een skelet, kwam en ging. Aan het eind van de maand hield Lomandra hem in de schemerige colonnade staande. „Hoe gaat het met haar, heer arts?”

„Naar omstandigheden wel, al is ze, geloof ik, lichamelijk niet erg geschikt om een kind ter wereld te brengen. Haar heupen zijn heel smal en haar bekken lijkt wel op dat van een vogel.” Toen zei Lomandra, zoals Val Mala haar had opgedragen: „Komt de geboorte snel?”

„Over een paar maanden pas, vrouwe.”

„Ik had het eerder verwacht,” loog Lomandra, de woorden van de Koningin. „Af en toe komt er melk uit haar borsten. Ze heeft geklaagd over felle pijn onderin haar rug. Zijn dat geen aanwijzingen?”

De arts keek geschrokken.

„Daar heb ik niets van gemerkt. Ze heeft niets gezegd.”

„Maar ik ben dan ook een vrouw. Het is een dochter van boeren zonder raffinement, misschien bang om tegen een man over dit soort zaken te praten.”

„Misschien komt het kind dan wel eerder.”

Hij maakte een bezorgde indruk toen hij zich omdraaide en als een wapperende schaduw tussen de zuilen verdween.

Lomandra, haar hand al op het gordijn, aarzelde. Ze vermoedde al lang wat de Koningin van plan was; maar nu, voor het eerst,

deinsde ze bijna terug voor datgene waaraan ze zich medeplichtig had gemaakt.

In de kamer zat het meisje voor de ovale spiegel en haalde langzaam een kam door haar lusteloze haar. Een onverklaarbaar medelijden snoerde de keel van de Xarabiaanse dicht. Ze liep naar het meisje toe, nam de kam uit haar hand en ging verder met het werk. „Lomandra.”

Lomandra schrok. De stem had nog nooit haar naam gezegd. Het had een vreemd effect: één ogenblik werd het bleke, uitgeteerde gezicht in de spiegel het gezicht van een koningin die haar tot dienstbaarheid had verplicht. Haar ogen kruisten Ashne’e’s blik in de spiegel.

„Lomandra, ik heb geen haat voor je. Vrees niets.” De woorden pasten zo volmaakt bij de indruk dat ze een koningin voor zich had dat Lomandra’s van ringen schitterende vingers begonnen te trillen en ze de kam losliet.

„Xarabiss ligt naast de Schaduwloze Vlakten, Lomandra. Al ben je een Vis, het bloed van onze volkeren heeft zich vermengd. Ken mij, ken jezelf, Lomandra. Je zult een vriendin voor me zijn.” Plotseling schreeuwde de ziel van de Xarabiaanse in haar lichaam. Alleen haar angst voor Val Mala zorgde ervoor dat ze niet hardop uitgilde wat ze wist dat gebeuren moest.

Het meisje scheen haar gedachten te horen, zonder verbazing. „Gehoorzaam de Koningin, Lomandra. Je hebt geen keus. Als haar werk gedaan is, doe je het mijne.”

De maan hing als een rode vrucht in de bomen van de tuin, toen Amnorh langs de eerbiedig rechtop gezette speren van de bewakers liep met een nietszeggend: „Ik behartig zaken voor de Koningin.” Toen hij binnen was klom hij in de duisternis van een toren omhoog en trok het gordijn van Ashne’e’s kamer opzij. Alleen het licht van de maan gaf de contouren van het vertrek aan. „Ik zie je altijd zoals ik je nu zie. Liggend op een bed, Ashne’e.” Haar ogen waren gesloten, maar ze zei: „Wat wilt u van mij?” ,Je weet heel goed wat ik wil.”

Hij ging naast haar zitten en legde zijn hand op haar borst. Hij besefte heel goed, zelfs in het duister, dat haar schoonheid was uitgewist en nimmer terug zou keren, maar zijn begeerte ging niet naar schoonheid uit.

„Ik wil de kennis leren die je Rehdon hebt geleerd, waarmee je zijn leven hebt geroofd. Je zult een gretige leerling aan mij hebben.”

 „Er is een kind in mij,” zei ze helder en duidelijk. „De erfgenaam van de Heer der Stormen.” , Ja. Er is een kind. Maar ik betwijfel of het van Rehdon is. Zijn zaad was niet al te krachtig meer.”

Haar ogen gingen open, ze staarde hem strak aan.

„Denk je,” zei hij, „dat je nu nog leven zou als ik je geen excuus had bezorgd om voort te bestaan?”

„Waarom deert het u dat ik leef of sterf?”

„Ah, een diepzinnige vraag, Ashne’e. Ik wil jouw kennis tot de mijne maken. Niet alleen de kennis die je leert tussen je witte dijen, maar de machten waarmee jouw volk speelt tussen de drekhopen van hun land. De Sprekende Geest; ja, je ziet dat jullie terminologie me niet vreemd is. Leer mij hoe ik de gedachten van anderen moet lezen. En Haar Tempel - waar is die? Dichtbij?”

 „Er zijn vele tempels.”

„Nee, die niet. Dit is het gebied van Anackire. Ik weet dat de ruïnes in de heuvels van Dorthar liggen.”

 „Hoe weet u dat?”

„Af en toe heb ik anderen uit het Laagland in dienst gehad. Sommigen zijn loslippiger dan anderen. Maar niet één was een acoliet van de Vrouwe der Slangen.”

 „Waarom bent u op zoek naar deze plek?”

 „Om haar te beroven van haar materiële en geestelijke rijkdommen. Dit laat jou natuurlijk niet onberoerd, maar ik verzeker je dat je geen keus hebt. Er zijn ontelbare manieren om je leven ondraaglijk te maken als je weigert me te helpen bij alles wat ik vraag. Het zou heel gemakkelijk zijn om je uit de weg te laten ruimen.” Hij had geen antwoord nodig. Ze antwoordde niet. „En nu wil ik hebben waarvoor ik gekomen ben.” Ze protesteerde niet, weigerde niet, maar stak haar handen naar hem uit en wikkelde hem het volgende ogenblik in haar ledematen en haar haar, zodat ook hij onweerstaanbaar moest denken aan slangen in de maanomspeelde duisternis.



De Koningin had Lomandra op het paleis ontboden; een aantal mannen van Amnorh had de wachtposten vervangen die her en der rond het Paleis van de Vrede stonden geposteerd. Amnorh zette het meisje uit het Laagland in zijn wagen en reed langs een omweg naar de uitlopers van de bergen.

Een zilveren dageraad maakte plaats voor een laklaag van blauw toen de stad achter hen verdween. Vogels hingen op brede vleugels boven hen en wierpen dreigende schaduwen op de grond.

„Houd daar stil,” zei ze tegen hem.

Het was een spleet in de rots; hij zag het drakeoog, het meer Ibron, een blinken van wit water. „U moet uit de wagen stappen.”

Hij gehoorzaamde, bond alleen even de rusteloze dieren vast, en volgde haar toen over de kale kam van de heuvel.

En toen verdween ze.

„Ashne’e!” schreeuwde hij. Hij kwam in de greep van een woedende zekerheid: dat ze hem had bedrogen, was ontsnapt naar een hol, als een wild dier. En toen draaide hij zich om en zag haar bleke gestalte als een zwakke kaars in de rots naast hem branden. Het was een grot met een opening als het oog van een naald. Hij gleed erdoor naar binnen en voelde het volgende ogenblik de klamheid van de lucht, de kilte en het opdringende, bijna tastbare duister. „Ik bedrieg u niet, Amnorh,” zei ze, en in haar stem lag nu een subtiel andere klank. „Dit is het enige wat rest van de heuvelpoort van de tempel.”

„Hoe weet je dat dit de toegang is?”

„Net als u is ook mij over deze plek verteld.”

De achterwand van de grot week uiteen in een lange zwarte gang -zij liep hem in en hij volgde haar. Zodra de duisternis hem volledig omsloten had voelde hij de aandrang opkomen om niet verder te gaan. Hij maakte vuur en hield een brandende vetkaars omhoog, maar het zwakke licht scheen de ondoordringbare duisternis alleen maar te benadrukken.

De gang liep dood tegen een wand van steen. Ashne’e’s vingers gleden in bepaalde patronen over de steen. Hij probeerde zich in te prenten wat ze precies deed, maar de schaduwen maakten het onmogelijk om het goed te zien. De steen huiverde, oud stof kolkte neer, en een gekreun weerklonk toen iets in zijn lange rust gestoord werd. Traag, als met tegenzin, verscheen een opening, laag, smal als een spleet.

Ze gleed erdoor, een fladderende witte geest, en scheen langzaam in een bodemloze put te vallen. Amnorh werkte zich door de opening heen en vond een trap, een grote, ruwe stapel treden die omlaagstroomde, de lichtloosheid eronder in, en in de inktzwarte zee zag hij Ashne’e wegzinken, als een onmogelijke vis. Toen hij naar haar keek werd hij overweldigd door een verstikkende aandrang om terug te gaan. Dit was haar element - het absorbeerde haar, nam haar in zijn wezen op. Voor de Vis trok het zich terug,

geamuseerd, maar zonder verdraagzaamheid voor zijn lust naar tastbare zaken. Toch dreef zijn verlangen naar de rijkdommen van de tempel hem verder. Hij liep achter haar aan.

Vreemde geluiden drongen tot zijn oren door. Hij scheen een getinkel te horen, alsof de snaren werden beroerd van instrumenten die hij zich niet voor kon stellen; het was het onophoudelijk druppelen van blauw water op zilveren stenen. De huiverende damp wolkte en glibberde over de treden. Een visioen beving Amnorh: een gillende man die viel, viel, viel, een duisternis zonder diepte in.

Maar, zij het bevend en verkild, hij kwam onderaan de trap en trof daar weer een boog aan. Hij liep erdoor, achter het meisje aan, niet voorbereid op dit alles door wat hem ooit door een doodsbange bloedende lijfeigene was verteld. Uit het duister sprong een vlam, en met de vlam een verlammende angst. Hij voelde zijn tong dik worden en zijn gewrichten bezwijken als waren ze van was. Anackire.

Ze torende hoog boven hem uit. Indrukwekkend was ze. Haar vlees was een witte berg, haar slangestaart een rivier van vuur, gezwollen door regen.

Geen kolos van Rarnammon was ooit zo reusachtig groot geweest. Zelfs de obsidiaandraken zouden als hagedissen naast haar geschubde staart in elkaar kunnen duiken. En die staart was van goud, van massief goud, en immense violette edelstenen, en boven de windingen het witte lichaam van een vrouw, de platte maag zonder navel, de tepels gouden minaretten op de koepels van de ijswitte borsten. De acht witte armen uitgestrekt in de traditionele houdingen, die hij bij kleine, uit hout gesneden figuurtjes gezien had, in de dorpen van het Laagland - inktzwart waren de afgronden van schaduw die ze wierpen. De arm van verlossing en de arm van bescherming, van troost en van zegening en ook de verschrikkelijke armen van wraak, vernietiging, marteling en de onverbiddelijke vloek.

Ten slotte werden zijn ogen als gepijnigde vliegen naar haar gelaat getrokken. Het haar bestond uit een massa gouden slangen, die kronkelend, sissend met open bek tot haar schouders reikten. Maar het gezicht zelf was smal, bleek, had lange oogleden, en in de ogen zelf lag een verslindende gele starende blik die uit topaas gehouwen had kunnen zijn. Of uit amber.

Ashne’e’s gezicht.

Hij draaide zich om en zag dat ze in de grote poel schaduw stonden die van de anackire uitging, en in hem kwam de gedachte op dat de grot vol licht was, al was nergens een lichtbron te zien. „Wie heeft dit gemaakt?”

Toen het meisje antwoordde kon hij niet de siddering weerstaan die hem doorvoer.

„Men heeft gezegd, Amnorh, dat dit Anackire zelf is.” En toen keerde abrupt zijn nuchtere verstand terug, want hij zag de deur die was uitgesneden in de onderste winding van de staart. „De kern van het mysterie,” zei hij. „De schatkamer.” Hij liep langs het meisje heen naar de deur, zonder aandacht te schenken aan wat boven hem uittorende. Er was hier geen verborgen mechaniek, de deur ging open toen hij ertegen duwde. Roestig metaal draaide naar binnen en hij keek neer op een grote onderaardse vijver. Een tweede, diepere grot, vol water, waarschijnlijk in verbinding staande met het Ibronmeer. Hij staarde om zich heen en hief de brandende vetkaars hoog boven zich. Er waren geen juwelen te zien, geen religieuze amuletten rijk bezet met diamanten, zoals in de oude verhalen te verstaan was gegeven, en de grote boeken vol kennis en magie over de psyche, en alle krachten die men zich eigen kon maken en beheersen - zij waren er evenmin. Alleen een grot, vol water, ruikend naar water. Woede legde de zweep over zijn gedachten. Hij was dus toch bedrogen.

Hij draaide zich om en keek Ashne’e aan.

„Waar kan ik vinden wat ik begeer?”

„Er is geen andere plek dan hier.”

„Wist je dat er niets zou zijn hier?

Dat al jullie legenden niet meer waren dan de drek van de tijd?”

Zijn hand klemde zich als een schroef om haar arm. Hij zag de blauwe vlekken die zijn vingers maakten, maar niets in haar gezicht verried dat hij haar pijn deed.

„Misschien moet ik mijn kind uit je scheuren en je overlaten aan de goede zorgen van heer Orhn.”

Het was ongelooflijk, maar een glimlach gleed als de dageraad over haar witte gezicht. Hij had haar nooit zien glimlachen, en nog nooit had hij een vrouw zien glimlachen op de manier waarop zij het nu deed; zijn bloed leek te bevriezen. Zijn hand liet haar arm los, viel slap langs zijn zij.

„Doe dat, Amnorh. Anders wordt hij mijn vloek over u.”

Een vreemd gevoel overweldigde hem, zodat hij haar niet met zijn open ogen leek te zien maar met een derde oog, middenin zijn voorhoofd. En niet haar zag hij. Waar zij had gestaan stond een jongeman, onduidelijk, schimmig, maar Amnorh kon zien dat hij de bronzen huid had van een Vis en tegelijkertijd ogen en haar die even bleek waren als de Laaglandse wijn waarmee hij Rehdon had vergiftigd tijdens de eerste nachten van de Rode Maan. Het schimmige beeld vervaagde en Amnorh wankelde achteruit. ,,Er is niets voor u hier,” zei Ashne’e.

Ze draaide zich om en begon door de grot te lopen, naar de poort en de trap en hij merkte dat hij haar wel moest volgen, want de zingende stilte en de aanwezigheid van het wezen in de grot waren meer dan hij verdragen kon.



Hij had haar toen inderdaad moeten laten doden. Gebruiken kon hij haar niet meer - ze vertegenwoordigde een gevaarlijke onderneming die op niets uitgelopen was. En toch trok zijn lust hem elke keer weer naar haar gezwollen, lelijke lichaam, lang nadat de ster Zastis was verbleekt en uit de hemel gevallen was. En verder speelde de gedachte mee aan het kind in haar dat zo gemakkelijk zijn kind zou kunnen zijn. Zou hij, als het Ashne’e werd vergund het levend ter wereld te brengen, voordeel trekken uit het feit dat zijn bloed opgenomen werd in een dynastie van koningen? De tempel spookte ook steeds door zijn gedachten. Maanden nadat hij eruit was weggevlucht had hij zijn angst kalm van alle kanten bezien en was teruggegaan. De Hoge Raad, die hij geheel in zijn hand had, had hem toen al benoemd tot Voogd van Koramvis, een titel die er na verloop van tijd en zonder dat er heftige protesten kwamen voor zou zorgen dat hij regent werd. Dit was de bloedprijs die hij bij Val Mala had verdiend, en haar web van omkoperij en dreigementen had zijn werk naar behoren verricht. Zolang hij haar kon amuseren zou het hem niet slecht gaan, en Orhn, nu overbodig in het paleis, ontdaan van eer en tot op grote hoogte ook van financiële middelen, bezorgde Amnorh een flauw, esthetisch genoegen. Maar toch was het een tijd van wachten. En met het wachten kwam in hem de drang op om naar de plek terug te keren.

De nacht verdronk de hemel toen hij met zijn wagen de Rivierpoort uitreed, Koramvis uit, de kale heuvels in. De bergen, hun toppen nog beroerd door het laatste licht, waren een monolitische verlatenheid, bekroond met bloed. Een dolle wind, de eerste voorbode van de koude dagen die zouden komen, gilde tussen de rotsen door. Toen hij bij de spleet in de steen kwam, liet hij de strijdwagen staan, net als de vorige keer, en volgde het pad dat het meisje hem had laten zien, een lamp in de hand. Hij zocht geruime tijd. De maan gleed de hemel boven hem in, de sterren kwamen te voorschijn. De smalle hoogpoort liet zich niet vinden. Alles scheen een droombeeld te zijn geworden, een hallucinatie. Hij herinnerde zich dat eigenaardige ogenblik toen hij op de plek waar Ashne’e stond een man had zien staan.

Hij liep terug naar de strijdwagen, maar bleef een paar meter ervandaan staan. De paarden stonden te trillen en te zweten. Amnorh keek om zich heen. Misschien had de nacht een dier uit zijn hol gelokt en was dat nu aan het jagen.

Toen zag hij het. Een enorm lichaam, op zijn rug een glinstering van de maan. Het gleed over de rand van de wagen en weg over de grond. Hoogstwaarschijnlijk een rotsslang, nu verdwenen in een gat. Maar Amnorh, hij die een bijgeloof gezien had, was door dat bijgeloof besmet geraakt als door een ziekte. Had Zij hem misschien gezonden, vroeg hij zich met tekortschietend cynisme af? Die vrouw in haar grot onder de aarde?


3

Lomandra hoorde een stem die haar naam riep. Ze draaide zich om en staarde in de schemerige gang, waar zich niemand bevond, en weer scheen de stem te komen - binnenin haar hoofd. Ashne’e. Lomandra haastte zich de marmeren trappen van de toren op, trok het gordijn opzij en bleef staan. Staarde. Het meisje lag met een wit gezicht, uitdrukkingloos, op de sofa, maar door de dunne stof van haar hemd zag Lomandra het rood van traag stromend bloed. „Is het begonnen?” riep ze hees, ziek van angst. Toen: „Het kind komt vroeg.” Dit waren alleen maar rituele woorden. Ze had de medicijn van de Koningin al drie maanden aan Ashne’e gegeven, vermengd in haar eten en drinken. „De bastaard scheurt zich uit haar lichaam,” had Val Mala gefluisterd, „en wordt dood geboren.”

„Kost dat haar het leven?” had Lomandra zacht gevraagd. En Val Mala had gezegd, heel kalm en rustig: „Ik zal bidden dat het gebeurt.”

„Heb je pijn?”

Dat was een zinloze vraag en Lomandra wist het. .

Ja.”

„Hoe snel volgen de weeën elkaar op?”

„Heel snel. Het duurt niet lang meer.”

„O goden!” riep Lomandra in haar ziel, „ze sterft, ze sterft in martelende pijn, hier, in mijn aanwezigheid. En dit heb ik op mijn geweten.”

„Waar is de arts?’’ vroeg Ashne’e toonloos. „In het Stormpaleis. Val Mala heeft hem een dag geleden ontboden.”

„Laat hem dan hier komen.”

Lomandra draaide zich om en vluchtte bijna de kamer uit. Het Paleis van de Vrede lag in een bleke duisternis, gevangen in het trillend blauwe nagloeien van de avondschemer. Lomandra bleef een ogenblik bevend op de balustrade staan. Ze ontwaarde een meisje dat onder haar liep, een bruine mot die van lamp naar lamp fladderde en ze stuk voor stuk aanstak met de vuurvliegkaars in haar hand. Lomandra schreeuwde haar iets toe en het meisje verstarde, haar ogen wijd opengesperd, en vluchtte toen roepend door de colonnade.

Langzaam, aarzelend liep Lomandra de trappen op, vol angst om terug te keren naar de kamer in de toren. In de deuropening bleef ze staan. Het was heel donker.

„Ik heb de arts ontboden,” zei ze tegen de witte vlek op het bed. „Het vruchtwater is uit mij gestroomd,” zei Ashne’e, „nu net, toen je weg was. Hoe lang duurt het voor hij komt?” Lomandra sidderde. Woorden zochten zich een uitweg uit haar mond voor ze ze kon tegenhouden.

„De Koningin houdt hem bij zich. Zij en ik hebben je vergiftigd. Je kind wordt doodgeboren en jij sterft.”

Ze kon niets van het meisje zien - alleen de vage witte vlek. Ze liet niets merken van haar pijn of van angst; het was Lomandra die kronkelde van angst.

„Dit alles begrijp ik, Lomandra. Je hebt het werk van de Koningin gedaan; nu moet je mij helpen.”

„Ik? Ik weet niets van wat een vroedvrouw doet.”

, Je zult het leren.”

,,Ik kan niets doen. Ik zou je alleen maar schade berokkenen.”

 „Mij is al schade berokkend. Dit is de zoon van de Heer der Stormen. Hij zal levend worden geboren.”

Abrupt werd Ashne’e’s lichaam op de sofa een krampachtig verstarde boog. Ze slaakte één geestloze dierlijke kreet, zo eenzaam, onmenselijk en veraf dat Lomandra zich verwilderd afvroeg uit wiens mond hij gekomen was. En toen, terwijl ze niets liever wilde dan de kamer uitrennen, rende ze in plaats daarvan naar het meisje toe.

„Doe je ringen af,” hijgde Ashne’e. Haar mond was een starre tragische opening vol moeizame ademhaling, en erboven waren haar ogen zwart en leeg als glas. „Mijn - ringen?”

„Doe je ringen af. Je moet je handen in mij steken, het hoofd van het kind pakken en het uit me trekken.”

„Dat kan ik niet,” kreunde Lomandra, maar een kille kracht kwam in haar, overweldigde haar. De ringen vielen flitsend van haar vingers - ook de juwelen waarmee Val Mala haar gekocht had. Ze ontdekte dat ze gewillig het werk op zich genomen had, als een boerenvrouw, voelde hoe haar hele houding en fysieke aanwezigheid anders werden, ruw en capabel en onverschillig werden, terwijl diep binnenin haar de hofdame in de val zat en jammerde van schrik en afschuw.

Een stroom warm bloed. Het meisje gilde niet, verkrampte niet, bleef heel stil liggen, alsof ze niets voelde.

In Lomandra’s smalle handen kwam het koperkleurige hoofdje, het gerimpelde demonengezicht van de boreling, en toen het lichaam aan de dansende navelstreng. In het vage duister zag Lomandra dat het meisje de streng met haar handen beetgreep, er een knoop in legde en hem toen doorknaagde, als een wolvin op de Vlakten. Meteen daarop begon het kind te huilen. Het huilde alsof het protesteerde tegen de onrechtvaardige, dierlijke wereld waar het in gebracht was, nog half een embryo, blind en redeloos, maar zich niettemin bewust van alle pijn die geweest was, alle pijn die nog moest komen.

„Het is een jongetje. Een zoon,” zei Lomandra.

Ze sloot haar ogen en haar tranen vielen op haar bebloede handen.



De arts haastte zich in de eerste koele adem van de dag het Paleis van de Vrede in.

Een vrouw, bijna een geest in haar donkere gewaad, kwam de colonnade uitgelopen. Het duurde een ogenblik voor hij haar herkende als de voornaamste hofdame van de Koningin, Lomandra. Het voorhoofd gefronst tegen de alarmerende berichten die hij verwachtte (want het had enige tijd geduurd voor een dom meisje van het huispersoneel haar bericht had kunnen overbrengen) vroeg hij: ,,Is ze dood?”

 „Nee.”

„Zijn de weeën nog aan de gang? Misschien kan ik dan het kind redden. Vlug - “

„Het kind is al enige tijd geleden geboren, en leeft.”

De geneesheer merkte dat zijn hand onwillekeurig een gebaar met een oude godsdienstige betekenis had gemaakt, terwijl hij de Xarabiaanse ongelovig aankeek.

Met een kort gebaar van haar vingers zond Val Mara haar dienaressen weg, en Lomandra stond alleen met haar in de kamer. De Koningin was hoogzwanger, pafferig, zonder schoonheid; het verlies van haar aantrekkelijke uiterlijk maakte haar nog angstaanjagender dan onder normale omstandigheden. En Lomandra, die zich te uitgeput had gevoeld om bang te kunnen zijn, werd bang toen ze naar haar keek.

,, Je bent hier gekomen om me iets te vertellen, Lomandra. Wat?” 

Rauw zei de Xarabiaanse: „Kind en moeder leven.” Val Mala’s opgeblazen gezicht vertrok van extatische woede. „Durf je hier te komen en me te zeggen dat ze in leven zijn? Durf je me te zeggen dat jij erbij was en dat ze leven - allebei? De heks die een slang heeft gestuurd om me mijn kind te laten verliezen en haar kreng? Moge je verslonden worden door de zwarte hellen van Aarl, hersenloze sloerie!”

Lomandra’s hart hamerde wanhopig in haar borst. Ze keek zo kalm ze kon in Val Mala’s vlammende ogen. „Wat wilt gij dat ik doe, vrouwe?”

„Doe? In de naam van Dorthars goden, ben je soms een dwaas? Luister naar mij, Lomandra, en luister goed. Je gaat terug naar het Paleis van de Vrede en wacht daar tot de arts weggaat. O, beef niet zo, over de hoer hoef je je geen zorgen te maken. Haar neem ik wel voor mijn rekening. Verzorg alleen het wiegje van het kind - en maak dat het stikt in de kussens. Dat zou je niet veel moeite moeten kosten.”

Lomandra staarde haar aan, en haar gezicht werd lijkbleek. ,,Ik begin eraan te twijfelen of ik je wel kan vertrouwen, Lomandra. Daarom verlang ik een bewijs van wat je hebt gedaan.” De Koningin liet zich terugzakken in haar zetel en op haar gezicht kwam een onpeilbare uitdrukking. Op dat ogenblik spoelde de wanhoop over Lomandra heen, want ze voelde dat ze niet langer sprak met iets dat menselijk was, of rationeel, maar veeleer met een duivelin uit de krochten van de hel.

„Breng mij,” zei Val Mala, ,,de kleinste vinger van de linkerhand van het kind. Ik zie dat die opdracht je nog minder aanstaat dan de vorige. Beschouw het maar als een straf voor je aarzeling. Ik geloof dat je wel beseft wat het alternatief is. Wees me ongehoorzaam en je leeft de rest van je leven met alle littekens op je lichaam die mijn zweepmeester creëren kan. Ga nu. Zorg dat het gebeurt.” Lomandra draaide zich om en verliet het vertrek, zich voortslepend als een oude vrouw. Ze besefte nauwelijks waar ze heenging. Met een dof gevoel van verbazing gaf ze zich er rekenschap van dat ze voor het gordijn van Ashne’e’s kamer stond. Ze kon zich niet meer herinneren hoe ze op die plek was beland.

Het kind lag te slapen in zijn wieg naast het bed; ook de moeder scheen te slapen, en de geneesheer was vertrokken. Lomandra liep naar de wieg en bleef een ogenblik lang met brandende, nietsziende ogen naar het kind staan kijken. Haar hand ging naar beneden en raakte de rand van het kussen aan. Gemakkelijk, het zou zo gemakkelijk gaan. Het kussen gleed een centimeter onder het hoofd van het slapende kind vandaan.

„Lomandra.”

Snel draaide Lomandra zich om, en de ogen van het meisje waren open en staarden haar aan.

„Wat ben je aan het doen, Lomandra?”

De Xarabiaanse voelde de onmogelijke dwang over zich komen. „De Koningin. De Koningin heeft mij opdracht gegeven om het kind te smoren. Als bewijs van mijn gehoorzaamheid wil ze de pink van de linkerhand van het kind hebben.”

„Geef mij het kind,” zei Ashne’e. „Op die tafel staat een slaapmiddel dat de arts heeft laten maken, in een zwart flesje. Geef ook dat aan mij.’’

Lomandra gehoorzaamde, in dof en zielloos onbegrip. Ashne’e nam het kind in haar arm, ontblootte haar borst en smeerde wat van de vloeistof om de tepel voor ze het kind eraan legde.

,,En nu,” zei ze, „haal je een mes.”

Nooit van haar leven had Lomandra zo’n nietsontziende vastberadenheid meegemaakt. Hiermee vergeleken werd Val Mala’s kwaadaardigheid stof in de wind.

Het leek wel of ze zich voortbewoog als een pop, deed wat Ashne’e wilde, alsof een poppenspeler met rukkerige bewegingen van zilveren draden ervoor zorgde dat ze deed wat ze deed.



Een man in de livrei van de Koningin maakte een diepe buiging voor haar.

„Vrouwe, uw hofdame Lomandra stelt het op prijs u deze gave aan te bieden.”

„Zo? Wat een fraai kistje. Elyrisch email, denk ik.” De Koningin lichtte het deksel van het kistje een eindje op en keek erin. Geen spier bewoog. Alleen het zien van haar eigen bloed vond ze onprettig. In dit opzicht was ze een waardig lid van het vorstenhuis van Vis; alle anderen, vooral zij die geboortig waren uit de lagere rangorden van het volk, werden door haar gezien als wezens die steeds minder van mensen weghadden. Ze deed het deksel met een droge klik weer dicht.

, Je mag Lomandra meedelen dat haar geschenk mij bijzonder veel genoegen doet. Ik zal haar attentie niet vergeten.” Val Mala stond op en liep een voor anderen afgesloten vertrek binnen, waar ze iets uit het kistje in een wierookbrander wierp. Ogenblikken later kwamen haar hofdames aansnellen toen ze een snerpende kreet hoorden. De weeën van de Koningin waren begonnen, iets te vroeg.

Vijf artsen en een zwerm vroedvrouwen werden ontboden. De geboorte verliep zonder complicaties, maar Val Mala vergat dat ze Koningin was en krijste als een hoer van de straat, vervloekte iedereen en klaagde tegen de goden dat dit lijden ondraaglijk was. Ten slotte werd haar een verdovend middel toegediend, en het kind kwam ter wereld terwijl ze bewusteloos op het bed lag. Witte vogels werden op tempelaltaren geofferd, offerrook lag als riviernevel over de Okris, besnaarde klokken galmden, blauwe vuurpijlen schoten uit de wachttorens van de stad omhoog. De Koningin werd wakker.

Haar eerste gedachte gold haar eigen lichaam, nu bevrijd van de lelijkheid die het zo lang geknecht had, de tiran eruit gerukt. De tweede gedachte was voor de Koning, de man die zij geschapen had en die zij beheersen zou terwijl hij op de troon zat van zijn gehate voorganger Rehdon.

Een paar vrouwen stonden aan het voeteneinde van het bed; het zwakke licht van de avond viel op sieraden die glinsterden als regen, en verried ook een zekere onrust in de donkere gezichten. „Waar is mijn kind?” Nerveus keken ze elkaar aan.

Een dikke vroedvrouw kwam naar het bed gelopen. „Majesteit, u hebt een zoon.”

„Dat weet ik.” Val Mala werd ongeduldig. „Ik wil hem zien. Nu meteen.”

De vrouw week naar achteren, haar plaats werd ingenomen door een man in het gewaad van een chirurgijn, die zich over haar heen boog en fluisterde: „Het zou wellicht beter zijn, vrouwe, als u nog wat verder op krachten kwam voor we u het kind laten zien.”

 „Ik wens hem nu meteen te zien. Nu, dwaas, hoor je me?” De man maakte een diepe buiging, gebaarde en een meisje kwam van de andere kant van het vertrek gelopen, in haar armen de in witte doeken gewikkelde bundel van het kind. Val Mala staarde om zich heen.

„Is het kind dood?” De plotselinge vraag joeg een scheut van verlammende angst door haar heen. Dit was haar enige sleutel tot Dorthar en de macht van Dorthar; als het kind doodgeboren was - o goden, wat moest ze dan doen? Ze griste het kind in zijn met draken geborduurde jakje uit de armen van het meisje, en het was warm, en bewoog zwakjes, al maakte het geen geluid. Ze maakte de sluiting van de stof los. Waarom huilde het ding niet? Was dat ongezond? Nee, nu het naakt in haar handen lag zag ze dat het volmaakt was. En toch, wat was - ?

Val Mala gilde. De baby, veronachtzaamd, viel op het bed en de vroedvrouw en het meisje snelden toe om hem op te pakken. Een monster, ze had een monster ter wereld gebracht. Golven krankzinnige woede en angst kolkten en beukten in haar lichaam als een ziedende zee.



Een bleke vogel, geofferd op het altaar van Amnorhs paleis, weigerde te sterven. Het dier krijste en klapwiekte, zijn borst opengesneden, tot alle vogels in de kooien van de grote volière waren beginnen te krijsen en als dolgeworden tegen de tralies opvlogen. Het leek erop dat de goden het offer ongaarne aanvaardden.

Tijdens het noenuur wiekte een vlucht witte duiven omhoog, langs de ramen van het Stormpaleis, en bracht het incident duidelijk en angstaanjagend terug in zijn gedachten. Een voorteken. Maar wat voor plaats hadden voortekens in de loop van de gebeurtenissen die de Voogd al had uitgestippeld?

Een ogenblik later kwam Val Mala het vertrek binnen. Haar schoonheid had ze terug. Het had een maand gekost en de kunsten van honderd vrouwen en slaven, masseurs uit Zakoris, vrouwen uit Xarabiss en Karmiss die alles wisten wat met cosmetica kon worden bereikt, en een astroloog-heks uit de Elyrische landen. Ze droeg een gewaad van amethist-kleurig fluweel, een gordel van wit goud, en juwelen brandden in haar haar en aan haar handen. „Gegroet, heerVoogd.”

„Ik heb in duisternis gewandeld zonder de lamp van uw schoonheid.”

„Mooie woorden, Amnorh. Heb je ze van een minstreel gekocht?” Amnorh verstijfde. Hij voelde een plotseling opdringende kilte in zijn lendenen en om zijn hart. Ze was dus veranderd ten opzichte van hem. Hij moest voorzichtig zijn, heel voorzichtig. Hij dacht aan bepaalde geruchten over de geboorte van de Prins die hij gehoord had. En ook aan geruchten dat een aantal personen die bij de geboorte aanwezig waren geweest nu niet meer in het paleis gesignaleerd werden.

„Ik verlang uw raad, heerVoogd. Uw raad over een delicate zaak.”

 „Ik ben uw dienaar, vrouwe, zoals u weet.”

 „Weet ik dat wel, Amnorh? Weet ik dat wel? Maar dit terzijde.” Een lage witte schaduw sloop door de open deur. De kalinx was haar achterna komen lopen. Het ijzige gevoel sloot zich om Amnorhs hart alsof dit wezen het voorteken was van een ramp. Het streek met zijn kop langs haar voet en ging naast haar liggen; zij nam plaats in een lage stoel en begon de kop te strelen. Haar duivelse assistent. „Ik maak mij zorgen,” zei ze. „Grote zorgen. Ik heb eigenaardige dingen vernomen over het meisje uit het Laagland. Vele dagen lang al heeft niemand haar kind gezien en zelf wil ze niets zeggen. Ik geloof dat ze het kind heeft vermoord en het lijkje heeft verborgen.” Zijn smalle ogen staarden haar uitdrukkingloos aan. „En waarom, mijn onovertroffen Koningin, zou ze zoiets doen?”

 „Ik heb vernomen dat ze bij de geboorte verschrikkelijk geleden heeft. Misschien heeft dat haar verstand in de war gebracht.” Amnorh gokte.

„Misschien is er een mooie vrouw die haar haat.” Onmiddellijk zag hij dat deze opmerking hem veel gekost had. Ze staarde hem aan, met ogen zwart als gif, en zei: „Wees nooit al te zeker van mij.”

 „Vrouwe, ik spreek alleen als uw dienaar - de man die u tegen alle mogelijke kwaad beschermen wil.”

„Werkelijk? Je zou me dus willen beschermen? Heb je niet gehoord dat deze heks uit het Laagland allerlei duivelse tovenarijen en magische kunsten heeft geprobeerd tegen mij?”

 „Schitterende vrouwe - “

„Het is een tovenaarster en ze zal als zodanig worden gestraft,” kreet Val Mala in abrupte woede, en de kalinx hief zijn ijzige kop op en grauwde.

Amnorh wist zich met enige moeite in bedwang te houden en probeerde het over een andere boeg te gooien.

„Wat u doet is gevaarlijk,” zei hij.

„Allen die hoge posten bekleden maken vijanden. Wees op uw hoede voor hen die de eerste de beste gelegenheid te baat zullen nemen om u in de ondergang te storten.”

„Wie?” zei ze, haar stem klonk bijna strelend.

„U zou toch zelf op de hoogte moeten zijn - “

„Ik ben op de hoogte van meer dan je denkt, Amnorh. En waarom wil je dat die teef uit het Laagland in leven blijft? Was het lichaam van de Koningin niet goed genoeg voor je?”

 „De kern van haar woede,” dacht hij. „Maar is het niet meer dan jaloezie? Alleen - zo’n gevaarlijke jaloezie.” , ,Er is een reden waarom het meisje moet worden gespaard. Ze bezit vreemde krachten. Die zouden zorgen voor een absolute onaantastbare heerschappij. De troon van Dorthar zou veilig zijn voor u en uw zoon.”

„Ik heb jouw veiligheid niet nodig,” zei ze. Zijde ritselde in de deuropening.

„Majesteit, heer Orhn wacht nog steeds in de antichambre,” zei een vrouw.

, Je kunt hem meedelen dat het niet lang meer duurt voor ik hem kan ontvangen.”

Amnorh hield zijn adem in, voelde in zijn gedachten een weegschaal in gevaarlijk evenwicht. Val Mala stond op. „Ga nu,” zei ze, en glimlachte naar hem. „Ga nu en geniet van je magere kleine Laagland-hoer zolang je nog kunt.” ,,U beoordeelt me onjuist, vrouwe.”

,,Ik meen van niet. Ik heb gehoord dat je maar al te vaak om middernacht op bezoek komt in het Paleis van de Vrede.” Het koude gevoel vulde zijn mond en hij huiverde. Hij gooide de laatste dobbelsteen neer, al wist hij dat alles al verloren was, en zei kalm: ,,U vergeet de dienst die ik u heb bewezen, Val Mala, in de Schaduwloze Vlakten.”

,,O, geenszins.”

Zijn tong werd groot in zijn mond, net als toen hij naar het wit met gouden nachtmerrie-wezen gekeken had, in de grot. Hij boog, draaide zich zwijgend om en ging heen, zeer wel wetend wat ze hem had beloofd. In de antichambre liep hij langs de lange gestalte van Prins Orhn Am Alisaar, maar zag hem niet. Maar Orhn zag dat de Voogd vertrokken was en wachtte niet langer. Hij liep naar binnen, en de kalinx hief zijn kop op, trok zijn lippen naar achteren en liet gemeen scherp ivoor zien. „Ken je plaats, smerige abominatie,” zei hij, en het dier kromp ineen, met zwiepende staart, de ogen fel en blauw. Val Mala draaide zich om.

,,Ik heb u geen verlof gegeven om binnen te komen.” ,,We zullen het verder zonder deze spelletjes stellen, vrouwe. Ik ben binnengekomen en ben nu hier aanwezig, met of zonder uw verlof.’’

„Ik had gehoord dat we ons eindelijk gelukkig zouden mogen prijzen met uw vertrek.”

Onverwachts grijnsde hij, maar het was een wolfachtige, dreigende grijns.

,,Ik vertrek inderdaad, vrouwe, mettertijd. Maar ik meen me te herinneren dat ik u een dienst bewezen heb die u nog niet hebt beloond.”

,,Ah ja. De Prins heeft me gered van de slang. Wat wilt u dan? De gebruikelijke beloning voor een huurling?”

 „Wat ik verlang geeft ge meestal niet weg aan een huursoldaat.” Val Mala’s ogen sperden zich wijdopen. Ze deed een stap achteruit, en hij een paar stappen naar voren. Hij stak zijn grote handen uit en greep haar bij haar fluwelen mouwen.

„Voor ik heenga heb ik mijzelf iets beloofd. En ik meen dat u precies weet wat.”

„Uw brutaliteit is weerzinwekkend.”

„Ik schijn u altijd weerzin in te boezemen, maar toch hebt u goedgunstig ingestemd met deze audiëntie. En zo schitterend en elegant gekleed - of vergis ik mij ? Hebt u zich niet mooi gemaakt voor mij maar voor Amnorh?”

 „Laat me los.”

Hij trok haar tegen zich aan en stak een hand in de halsopening van haar gewaad. Vijf vingers sloten zich als klauwen van metaal om haar rechterborst. Haar hand vloog omhoog en de punt van een ring sneed langs zijn wang. Even deinsde hij achteruit, maar toen pakte hij haar polsen met één hand beet en gaf haar zonder aarzeling met de andere een klap in het gezicht. Ze wankelde, en alleen het feit dat hij haar polsen vasthield zorgde ervoor dat ze niet viel. Een streep donker bloed verscheen als een brandmerk op haar wang. „Moge je branden in de hel voor dit!” gilde ze. Worstelend werd ze omhooggetrokken.

„Wat een lieflijke klank heeft de stem van mijn vrouwe,” zei hij joviaal. Hij droeg haar naar de andere kant van het vertrek, en ze schreeuwde tegen hem en bleef zich aan één stuk door verzetten.

Hij hield haar handen dicht bij elkaar en op veilige afstand van zijn ogen. Haar woede was volkomen machteloos.

Een korte colonnade voerde naar de deur van haar slaapkamer. Hij duwde de deur open, liep naar binnen, duwde haar weer dicht en liet Val Mala op de sprei vallen, die hem met de geschokte ogen van zonnen en manen aankeek.

„Doe dit en ik vermoord je,” siste ze.

„Probeer dat vooral. Ik heb zestig keer een man gedood in een tweegevecht, en alle zestig waren volledig bewapend en bedreven in het gebruik van die wapens. Denk maar niet dat u het er beter afbrengt.”

Hij boog zich over haar heen en begon het rijgsel van haar keurslijfje los te maken. Ze probeerde hem te krabben, maar hij sloeg haar handen meteen weg en scheurde moeiteloos de stof kapot, en het kanten ondergewaad erbij. De valse bleekheid van haar blanketsel ging op haar borsten over in koper. Hij liet zijn handen over haar huid glijden, tot de rechtopstaande rode knoppen tegen zijn handpalmen rustten, en hij voelde ze harder worden, als warme stenen. „Kom, kom,” zei hij. „Zastis staat nu niet aan de hemel, vrouwe. U hebt hier geen excuus voor. En u vindt mij zo weerzinwekkend. Laat ik uw weerzin dan nog wat dieper maken.” Hij duwde de zware geplooide stof van haar rok opzij. Toen hij in haar kwam maakte ze in haar keel een geluid dat niet in het minst op woede leek, en haar armen klemden zich om zijn rug, maar hij duwde haar weg en hield haar stil, volkomen passief onder zijn rijden. Geen lange, maar wel een harde rit.

Toen hij haar wilde kreten van extase hoorde, liet hij de teugels vieren en stortte zich kronkelend van blind genot door de gouden donder van haar lichaam.

, Je hebt me pijn gedaan,” mompelde ze. Haar zachte hand gleed over hem heen, exploreerde zijn harde, gespierde lichaam, de vlakke stukken, de ravijnen, het centrum van zijn lendenen dat zich even roerde, zelfs nu nog, onder haar aanraking. , Je bent goed geschapen voor dit soort werk. “

„En jij bent een hoer.”

Ze lachte alleen maar en het duurde niet lang voor hij haar terugduwde en nog een keer nam.



Het blauwe stof van de nacht legde zich over de kamer. Orhn stapte uit het bed en ging voor de open ramen staan, een torenhoge mannelijke symmetrie van duisternis. Val Mala, steunend op een elleboog, liet haar blik over hem glijden. „Eerst misbruik je me, dan verlaat je me, Orhn. Naar Alisaar?” Hij gaf geen antwoord.

„Bewijs me een dienst voor je gaat,” zei ze, en zag het flitsen van zijn ogen toen hij zich naar haar omdraaide. „Help mij me te ontdoen van de heer Voogd van Koramvis.” Ze kon zijn mond niet zien, maar vermoedde dat hij glimlachte. „En ook van de heks die mij met haar tovenarij probeert te treffen.”

Hij kwam naar het bed terug en ging naast haar zitten, en nu zag ze de glimlach. Maar hij bleef zwijgen.

„Orhn, is het mogelijk dat het kind van de heks niet het zaad van Rehdon was... misschien een priester - voor hij haar gebruikte -Hij strekte zich uit en omvatte haar borsten met zijn handen. „Val Mala, toen we Rehdon dood aantroffen ging het meisje in een soort trance, die Amnorh, zo zei hij, kon verbreken. Hij was enige tijd alleen met haar in zijn tent.” De adem siste tussen haar tanden door. „Zo.”

„Zo. Inderdaad. Ik heb geloof ik allebei je vragen beantwoord. En het kind dat je zo bezwaart is niet meer dan een rotte vrucht.”

 „Amnorh zal worden gedood.”

Hij haalde zijn schouders op. Ze nam zijn oorlelletje tussen haar tanden, maar hij duwde haar met een geamuseerde vloek van zich af. „Doe maar wat je wilt, horzel. Je bent alleen aan de goden verantwoording schuldig.”

 „En jij. Wil je het regentschap, of mij?”

„Het regentschap. Jij, lieverd, bent het waardeloze uitschot dat erbij hoort.”



Witte sterren schitterden in groepen aan de hemel, wiegelden in het gekleurde glas van de rivier, op de oever waarvan zwarte krotten omhoogreikten naar de maan. Een eind verderop, aan de overzijde van het water, droop de gloed van tempellampen over een smalle trap de stroom in.

Lomandra liep over straten die waren geplaveid met oude keien, tussen de van ratten vergeven resten van muren. Ze keek voortdurend nerveus om zich heen. Er was al een keer een man op haar toe komen lopen, uit een verrotte deuropening - waarschijnlijk had hij gedacht dat ze een prostituée was, op zoek naar klanten. „Laat me door. Ik ben ontboden door het Garnizoen,” had ze met verstikte stem weten uit te brengen, en het noemen van de plaats die hier met gezag bekleed was, schrok hem af. Dit keer kwam ze te voet, de rand van haar mantel nat van de modder uit de smerige goten, zij, die in het verleden altijd had gereisd in draagstoelen met gordijntjes ervoor. Het was een groot, vormeloos gebouw, de witte muren vuil van het stof en de nacht. De wachtpost bij de poort zette zijn speer schuin en versperde haar de weg.

„Wat kom je hier doen?”

Lomandra’s tegenwoordigheid van geest was uitgeput. „Ik ben hier gekomen om te spreken met de Drakenheer, Kren.”

 „Zo zo, is het werkelijk? Maar de draak heeft het druk, veel te druk om geïnteresseerd te zijn in jouw slag.”

Ze voelde haar lichaam ineenzij gen van zwakke moedeloosheid, maar een tweede man sprak uit het duister aan de andere kant van de poort.

, Jij daar, schildwacht. Laat deze dame door.” De schildwacht draaide zich om, salueerde, deed een stap opzij. Lomandra liep de smerige, klamme binnenplaats op. Ze kon het gezicht van de man niet zien, maar zijn stem had bekend geklonken. Hij nam haar zacht bij de arm. „Vrouwe Lomandra - heb ik het bij het rechte eind?” Hij leidde haar naar de knetterende vlam van een vetfakkel en toen ze opkeek wist ze wie het was: Liun, een man uit Karmiss, een van Krens kapiteins.

, Ja, ik zie het.’’ Er kwam een minachtende trek om zijn mond. , ,U moet hem ondraaglijk hebben gemist als u helemaal alleen hierheen bent gekomen. Deze straten zijn geen plek voor een dame van het hof, vooral na donker niet.”

,,Ik - ik moet hem spreken...” Ze zweeg, niet wetend wat hij zou doen, hoeveel geloof hij zou hechten aan wat ze zei. Als hij tot de conclusie kwam dat ze een domme lastpost was zou hij ongetwijfeld zijn best dogn om haar bij de Drakenheer vandaan te houden. Maar er lag een onverwacht warme klank in zijn stem toen hij weer begon te spreken.

„Vergeeft u mij, maar u ziet er onwel uit. Kom binnen. Het is een onvriendelijk gebouw, maar u bent er in ieder geval niet meer blootgesteld aan de koude dampen van de rivier.” Ze liepen tussen twee rijen stram in de houding staande schildwachten door, en betraden het garnizoensgebouw door de met ijzer beslagen cibbahouten deuren. Wat al te losjes zei hij: „Heeft hij u een kind gegeven?”

„Nee,” zei ze. De vermoeidheid bracht tranen in haar ogen. „Nee.”

„En toch,” dacht ze, „is het om een kind dat ik hier ben.” Het kind van Ashne’e, in het verhullende duister uit het paleis gesmokkeld en nu verborgen in een van de klamme huizen langs de rivier, en gevoed met vruchtemoes. De oude vrouw die het krot verhuurde had nauwelijks naar het gewonde handje van het kind gekeken, maar ongetwijfeld was ze wel gewend aan de gehavende kinderen en wanhopige moeders die bij de armen zoveel voorkwamen. Lomandra verzette zich wanhopig tegen een plotselinge, afschuwelijke aandrang om in snikken uit te barsten. Het leek wel of ze al in geen jaar had geslapen. Waarom ze had gedaan wat het Laaglandse meisje haar had gezegd wist ze nauwelijks, en ze stond zich niet toe om echt naar een antwoord te zoeken, want ze was bang voor wat het zou kunnen zijn.

Ze voelde de greep van de jongeman verstrakken. „U bent niet wel. Ga hier zitten, dan ga ik zelf Kren halen.” Ze werd neergezet in een kleine kamer, verlicht door een paar lampen, met op de vuurplaat dof smeulende en rokende houtblokken. Het leek heel lang te duren voor hij kwam, een rijzige man met brede schouders, informeel gekleed in bruin leer en de donkerrode mantel van het Garnizoen. Hij had een hard, intelligent gezicht, met littekens, die hij, net als de littekens op de rest van zijn lichaam, in zijn vroege jeugd had opgelopen bij grensgevechten in de Thaddrische bergen en bij schermutselingen met Zakorische piraten. Maar het gezicht werd gedomineerd door twee ogen die opmerkelijk rustig waren en weinig misten. Zijn glimlach was vriendelijk en bezorgd, maar niet meer, want er was nimmer sprake geweest van tedere gevoelens tussen hen; alleen in bed waren ze minnaars geweest.

„Waarmee kan ik je van dienst zijn, Lomandra?”

Ze opende haar mond, maar scheen niets te kunnen uitbrengen. In het ogenblik van stilte dat viel zag hij de ouderdom in haar gezicht.

Haar ogen waren getekend door slapeloosheid, haar prachtige haar hing in dunne pieken over haar schouders.

„Liun schijnt te denken dat je mijn kind draagt.”

„Nee. Bovendien zou dat tussen ons niets hebben veranderd.”

Weer werd ze door stilte verstikt. Hij liep naar een tafel en schonk wijn in twee bekers. Ze nam er een van hem aan en toen ze wat had gedronken kwamen er woorden in haar mond.

„Ik heb je hulp nodig. Ik moet Koramvis verlaten. Als ik blijf zal ik waarschijnlijk door de Koningin worden omgebracht.”

Hij keek haar een poosje aan, nam toen een slok uit zijn roemer.

„Ik heb je verteld over het meisje uit het Laagland, Ashne’e.”

„De tovenares die je slaap vergiftigt met boze dromen,” zei hij kalm.

, Ja, misschien... Een maand geleden is haar kind geboren.”

 „Ik heb erover horen spreken.”

,, Val Mala had medicamenten laten vermengen met het voedsel van het meisje - ze hoopte dat het kind doodgeboren zou worden. Toen het levend ter wereld kwam kreeg ik opdracht het te doden - te smoren. Ze wilde de pink van de linkerhand, ten bewijze van zijn dood.”

Krens gezicht werd duister. Hij dronk de beker leeg en smeet het bezinksel in het vuur.

„Die teef is krankzinnig. Denkt ze soms dat jij haar slager bent?”

 „Ik heb het niet gedaan, Kren. Ashne’e - zij heeft de vinger afgesneden - ik - ik heb nog nimmer zo’n brute vastberadenheid gezien. Ik heb Val Mala gestuurd wat ze vroeg. Maar het kind leeft nog.” Haar lichaam zakte ineen op de smalle soldatenbank. Hij zette zijn roemer neer en ging naast haar zitten, sloeg een arm om haar heen.

„En jij hebt het kind ergens verborgen.” Ze was heel blij over zijn scherpzinnigheid.

.Ja.”

,Je bent dapper dat je Val Mala de voet dwarszet.”

„Nee - ik ben bang tot in het diepst van mijn hart. Maar Ashne’e -ze heeft me gevraagd om het kind mee te nemen, weg van Koramvis, het naar een Laaglandse hoeve te brengen, ergens in de Vlakten. De Koningin vermoordt haar zodra ze daartoe in staat is, en het kind ook, als ze het vinden kan.”

„Dan moet ze ervan overtuigd zijn dat het Rehdons werk is.”

 „Het kind heeft de huid van een Vis,” zei Lomandra zacht, „maar de ogen - zijn haar ogen.”

„Ik zal je helpen om veilig de Vlakten te bereiken,” zei hij. „Een reiswagen en twee man - meer zou argwaan wekken. Ik zal ervoor zorgen dat je ze kunt vertrouwen.”

 „Dank je, Kren,” fluisterde ze. 

„En jij?” zei hij. „Wat gebeurt er nu met jou, Lomandra?”

 „Met mij?” Ze keek hem vaag aan, ontdekte dat ze geen ogenblik aan zichzelf had gedacht, alleen aan het kind. „Ik denk dat ik terugga naar Xarabiss. Mijn verwanten zijn dood, maar ik heb juwelen die ik verkopen kan. Misschien trouw ik wel met een man uit een adellijk huis; ik ben vertrouwd met de aristocratische etiquette.”

Hij raakte even haar haar aan, stond op en ging naast het rokende vuur staan.

„Ik zal zorgen dat morgenochtend de wagen gereed staat. Blijf vannacht hier slapen. Er zijn een aantal persoonlijké vertrekken -kies welke je wilt.”

Ze zag dat het oprechte bezorgdheid was die hem ertoe bracht haar aan te bieden de nacht alleen door te brengen. Misschien had hij bovendien al een afspraak gemaakt met een vrouw uit het Garnizoen om deze nacht zijn bed te delen. Ze was zó uitgeput dat ze niet anders dan blij kon zijn - al voelde ze aan de andere kant ook een vage spijt, want ze zou hem nooit meer terugzien.


4

De stad werd te middernacht wakker door een apocalyptisch oplaaien van wachtvuren, met fakkels voorthollende mannen en kleppende klokken. Mannen in de livrei van het Stormpaleis, zwart met roestbruin, stonden op openbare punten te schreeuwen, ruiters galoppeerden door de brede straten en de stegen en bulderden hun proclamaties alsof het einde van de wereld naakte. Het zou een nacht worden van vuur en angst. Verraad. Godslastering.

Amnorh, Voogd van Koramvis, Raadsheer van de dode Heer der Stormen, droeg de vloek der goden met zich mee. Hij had de heks uit het Laagland, die met haar kwaad eerst Rehdon had vermoord, tot zich genomen en haar gebruikt als zijn slet. Zijn bastaard, niet de erfgenaam van de Heer der Stormen, was in haar duivelslichaam gegroeid.

Het werk werd bekwaam gedaan. De absurde trots van het Dortharische rapaille, dat, zelfs als het in behoeftige omstandigheden verkeerde of geen rechten had, ervan overtuigd was dat het op een vage manier afstamde van goden, werd tot het kookpunt omhooggejaagd. Op straat gilde men om Ashne’e’s dood, dat de piek in haar schoot moest worden gestoken, en men brulde ook voor de poort van Amnorhs paleis, want het volk dacht dat het was bedrogen en had nu de mogelijkheid gekregen om wraak te nemen. Een troep soldaten, de mensenmassa deinend achter hen aan, marcheerde het Paleis van de Vrede binnen, hun gepantserde voeten kletterend in de gangen. Twee man liepen naar de kamer waar het meisje zich bevond, en betraden hem, een tikje onzeker - per slot van rekening was het een tovenares; misschien veranderde ze wel in een anackire als ze haar aanraakten. Het gerucht ging dat ze haar eigen kind verslonden had.

Maar ze lag heel stil. Het licht van de fakkels leek door haar heen te schijnen, alsof ze van albast was. Ze had hun komst niet afgewacht.

Toch namen de soldaten het lichaam mee naar buiten en lieten het aan de mensen zien. Op het Plein der Duiven werd door ruwe, maar enthousiaste handen een brandstapel gebouwd. De bevolking kwam bereidwillig aanslepen met stukken huisraad en kleding om hem te verstevigen. Ashne’e’s witte lichaam werd door een grinnikende bakker omhooggesjouwd en naakt bovenop de brandstapel gesmeten. Her en der werden er fakkels in het hout gestoken. Een zwarte rookzuil steeg op, de lichter wordende hemel in. Het gepeupel brak wijnhandels open en bezatte zich. Toen de verkoolde steunen bezweken renden ze voor de tweede keer naar Am-norhs paleis en smeten brandende stukken hout over de muur in de hof van de bedrieger.



„Heer,” schreeuwde een man, „de bomen bij de muur staan in brand. De poort bezwijkt zo meteen. Als die weg is komt de menigte erdoorheen golven, en de wacht houdt ze nooit tegen.”

 „Staat mijn strijdwagen klaar, zoals ik heb gevraagd?” , Ja, heer Amnorh.”

De dienaar haastte zich voor hem uit, de binnenplaats op. De lucht was op dit vroege uur al zwaar van de rook en de verkoolde geur van verbrand hout. Buiten hoorde hij het onmiskenbare geluid van een mensenmassa.

Amnorh ging in de bak staan en nam de teugels van het nerveuze span ter hand. Hij voelde een zekere sombere tevredenheid dat hij zo volledig, en van het ene ogenblik op het andere, afstand wist te doen van alles wat hij aan macht en rijkdom bezat en het kon overlaten aan de vlammen en de hebzucht van het Dortharische uitschot.

„Aiyah!” riep Amnorh tegen de paarden, en reed door een allee van smeulende veerbomen recht op de poort af. Zijn eigen wacht week uiteen, slaven trokken de poort wijdopen. Geflakker van toortsen en rook en een mensenmassa en de indruk van één wezen met duizend schreeuwende monden en klauwende handen. Hij stortte zich erin met maaiende messen op de wielen en de voorste gelederen van de menige zegen ineen en bezweken, krijsend. Eén ogenblik leek het erop dat de strijdwagen zou kantelen of in ieder geval tot staan zou worden gebracht door de massa gevallen vlees, maar de vlugge, zenuwachtige dieren, hijgend, doodsbang van het vuur, schoten naar voren en trokken de wagen achter zich aan, terwijl Amnorh van links naar rechts maaide met zijn mes.

Een man sprong naast hem in de bak en schreeuwde obsceniteiten, maar in een snelle halve draai sneed Amnorh hem de keel door en duwde hem de wagen uit. Een afgehouwen hand klemde zich aan de rand vast tot hij er door het gehobbel van de strijdwagen afviel. Vrouwen gilden van pijn, schreeuwden hem vervloekingen toe. Een vlaag zuivere lucht, en de menigte was achter hem. Een paar renden achter hem aan, blaffend als honden, maar konden zijn tempo niet bijhouden en raakten al snel achterop. De strijdwagen was bespat met bloed, en zijn handen eveneens. De witte weg vloog onder hem door; tuinen en gebouwen joegen op de brandende wind langs hem heen. Hij keek achterom. Een rossige gloed verlichtte de donkere helft van de hemel; vliegende vonken moesten een toevluchtsoord hebben gevonden in zijn smaakvol ingerichte vertrekken.

De wielen ratelden over de grote zuiderbrug, en de Okris eronder blonk in de eerste stralen van de zon als troebele wijn. Een van de zwarte strijdwagens van het paleis achtervolgde hem. De menner, een man in de livrei van de Koningin, hief zijn hand op en bulderde dat hij moest blijven staan. Amnorh geselde zijn paarden met de zweep en zag vonken onder hun hoeven vandaan spatten. Achter een bocht in de weg voor hem sprong een tweede strijdwagen naar voren en versperde hem de doorgang. ,,Ze wist hoe ik zou handelen,” dacht hij in een ogenblik van loden woede, maar hij trok zijn span naar rechts en schoot langs zijn tegenstander heen. De messen op zijn wiel hieuwen door de as van de andere wagen, die kantelde en zijn menner ter aarde wierp. „Maar niet geheel, vrouwe,” dacht hij, „niet geheel.” De stad schoot achter hem vandaan en de heuvels openden zich links en rechts van hen als een honingraat. Een zwarte strijdwagen achtervolgde hem nog steeds.

„Ik had de komst van deze dag moeten voorzien, en plannen moeten maken,” berispte hij zichzelf.

Tussen gespleten rotsen zag hij plotseling het parelige glanzen van water: Ibron, ver onder hem.

Hij dacht onmiddellijk aan de grot. Kon hij die nu maar vinden! „Wat bied ik u, Anack, om u over te halen mij uw verborgen wegen te openbaren?” fluisterden zijn gedachten in bittere humor. „Mijn Visziel?”

Er was een bocht in de weg. Een grote vogel wiekte omhoog toen hij hem wilden nemen, en de dieren schoten als dolgeworden opzij. Rotsen raakten de wielen en vlogen weg. Amnorh voelde de strijdwagen omhoogschieten, en toen waren hemel en aarde even zij aan zij, en daarna was er alleen maar hemel.

De zwarte strijdwagen kwam schuivend tot stilstand. De twee mannen sprongen eruit en renden naar de rand van de weg, waar ze omlaagstaarden naar de gebroken resten van de strijdwagen en de verbrijzelde dieren die terecht waren gekomen op de scherpe punten van een uitstekende rots, een eind onder hen.

„Waar is de Voogd?” vroeg de een.

„Het meer. Dood gaat hij toch.”

„Een betere dood dan zij hem zou hebben gegeven.”

De wind jankte. De brandende zweep van de wind had hem half buiten bewustzijn geslagen. Hij draaide zielloos tollend rond, omlaag stortend haar de grote spiegel die hem zou verslinden. Op het laatste ogenblik een gedachte - dood. Amnorh worstelde met zijn verdoofde lichaam, probeerde het voor te bereiden op het ogenblik dat het het water open zou splijten. Hijgend zoog hij zijn longen vol lucht.

Toen hij het water raakte leek het wel of hij in een withete oven was beland. Zijn beenderen schenen te stromen als gesmolten goud. Vurige vingers boorden zich in elke lichaamsopening. Er was geen geluid.

Amnorh, nu diep onder het oppervlak, draaide minder snel rond, een foetus dat was gevangen in een baarmoeder van inktzwart saffier. Dood.

„Ik lig zacht,” dacht hij. „Ik ben geen mens meer, maar een deel van dit water.”

Pijn vlamde op in zijn borst. Zijn longen trokken krampachtig samen - zinloos, niets. „Laat het water binnen en sterf.” Maar dat kon hij niet.

Er slierden belletjes omhoog door het duister; vaag voelde hij het trekken van een nieuwe stroom, en liet zich erdoor meevoeren. Hij deed zijn ogen dicht, ging heel geleidelijk omhoog. Na verloop van tijd drong fel licht door zijn oogleden heen en steen stootte tegen zijn inerte lichaam. Hij spartelde als een vis in een net, zijn hele instinct plotseling erop gericht om bij het licht te komen. Zijn handen grepen de steen beet en lucht spatte op zijn gezicht. Hij lag aan de rand van een groot bassin, hijgend, uitgeput, de afschuwelijke krampen van hoesten en kokhalzen voorbij, zijn lichaam een levenloze zwaarte met erin het bleke flakkeren van zijn gedachten.

„Er is een deur. Een roestige deur. Ze is aan alle zijden om mij heen. Ik ben in Haar ingewanden, als Haar ei, Haar kind. Als ik bij de deur kom en erdoorheen ga en naar buiten kruip, de grot in, ben ik uit een godin geboren.”

Na een tijdje kwam hij overeind, wankelde naar de stenen wand van het bassin, en schoof erlangs tot hij de deur vond. Hij trok en de deur ging open, maar hij viel van de inspanning die dat openen hem kostte op zijn knieën en kroop, zoals hij zich ingebeeld had, de gouden staart van Anackire uit.



Hij opende zijn ogen en zag het smalle bleke masker van een reuzin op hem neerstaren, gevat in een gouden warreling van slangen. En hij dacht: „Het gezicht van mijn moeder.”

En grinnikte, denkend aan de Iscaiaanse slet die van hem zwanger was geraakt in een taveerne, onder een niet bijzonder belangrijke Dortharische prins. Het feit dat hij als bastaard was geboren was nuttig geweest - Amnorh had dat beseft toen hij de eerste sporten van de maatschappelijke ladder achter zich had. Het was heel goed denkbaar geweest dat ze eerzaam gehuwd was geweest met een werkman.

Hij stond op. Zijn natte kleren kleefden onaangenaam aan zijn lichaam, want het was kil in de grot.

„Het heeft u dus behaagd me te redden, Anack,” riep hij naar het standbeeld, „en nu ben ik uw eerstgeborene. Mijn nederige dank.” Haar ogen boorden zich in hem.

„Wat voor gaven geeft ge me, moeder, nu ik zonder enig bezit de wrede wereld in gestoten ben?”

Hij liep naar voren en legde zijn handen op haar blikkerende staart -een miljoen schubben, elke schub van geslagen goud. Bij wijze van experiment greep hij een van de schubben beet en gaf er een ruk aan. Hoe lang geleden was ze gemaakt? Te lang geleden -ze was er niet best meer aan toe. De plaat liet los, en Amnorh slaakte een schorre kreet van wilde, spottende vrolijkheid. Hij rukte aan een tweede schub, en nog een, en nog een. Een regen van goud viel om hem heen, en hij plukte violette juwelen als druiven van een tros.

Toen hij haar zo hoog hij reiken kon had kaalgeplukt, maakte hij een pak van zijn mantel en stopte de schatten erin. „En dus heb ik u toch nog geschonden, Moedermijn. Onverstandig om zo’n dief aan uw boezem te drukken.”

Hij verbeeldde zich dat hij machteloze woede zag op het witte gezicht en bij de boog draaide hij zich om en groette haar, gek van het water en het vallende goud.

In het duister liep hij niet voorzichtig genoeg. Zijn mantel bonkte en kletterde. Dit keer had hij geen vuursteen en geen gids. Hij bereikte de trap niet.

Ten slotte besefte hij dat hij ergens in het duister een verkeerde afslag genomen had.

Hij staarde om zich heen, maar kon bijna niets onderscheiden. Hetzelfde ogenblik werd hij zich bewust van de verre, hoge zingende klank die hij al eens eerder had gehoord. En terwijl hij voortliep, blindelings zoekend, scheen het geluid voller te worden, alsof een aantal andere stemmen zich bij de eerste had gevoegd. „Anackire weent,” spotte Amnorh hardop.

Maar het zweet kwam op zijn voorhoofd en handen te staan. Hij begon wat sneller te lopen.

De trap zou hij nu nooit meer terug kunnen vinden - dat was wel zeker. Wat nu? Teruggaan? Om de een of andere reden stond de gedachte aan teruggaan naar de grot hem tegen. En het geluid, het geluid was nu nog luider. Het boorde zich in zijn hoofd als een mes. Amnorh draaide zich om en keek achter zich. Er stond een man in de gang, duidelijk zichtbaar tegen de duisternis achter hem. Een man met een zwartbronzen huid, en toch licht haar en lichte ogen - en terwijl Amnorh keek spreidden haar en ogen uiteen en versmolten als waren ze vlammen; het hele gezicht smolt en werd Ashne’e’s gezicht. De mond ging open, en uit de serene bleekheid spatte de zingende gil van de grot. Zijn eigen kreet vermengde zich met die van de ander. Hij rende weg. Het pak in zijn handen werd twee keer, drie keer zo zwaar als tevoren - bijna gooide hij het neer en liet het liggen, maar ondanks zijn gevoelens kon hij het niet, waarom besefte hij zelf niet eens. De muren kneusden hem en gekleurde vlekken spatten voor zijn ogen uiteen.

Plotseling daglicht.

Hij wierp zich naar voren, blind en kreunend, en de grond liet zijn voeten los en hij viel.



„Word wakker,” zei de aanhoudende stem van een vrouw - het leek wel of er maar een paar seconden waren verlopen. Amnorh draaide zijn hoofd om en zag een meisje dat geknield naast hem lag. Ze had het bruine gezicht van een boerin, en te grote, eenvoudige ogen.

,,Ik dacht dat je een duivel uit de heuvels was,” zei ze zonder omhaal. ,,Ik ben een keer daar naar binnen gegaan, en er was een licht, dus rende ik weg.” Ze keek hem nieuwsgierig aan. „Maar jij bent alleen maar een man.”

Hij ging rechtop zitten. De hitte van de zon had zijn kleren al gedroogd. Hoe lang had hij hier gelegen, terwijl deze teef van de een of andere landarbeider naar hem keek? Schichtig keek hij naar zijn opgerolde mantel, maar daar was ze zo te zien niet aangekomen. „Ga je naar Thaddra, aan de andere kant van de bergen?” ,Ja,” zei hij kortaf.

„Er gaan straks mannen daarheen, over de pas. Onze boerderij ligt net onderaan de helling. Wil je daar niet op ze wachten?” Amnorh keek haar aan. Het zou niet onverstandig zijn om in gezelschap van anderen te reizen. Hij had geen voedsel, en bij vroege sneeuwval zouden de bergen heel goed omsloten kunnen worden door muren van ijs. Er huisden ook bandieten. De boerderij was weinig meer dan een krot. Een broodmagere koe graasde wat aan het gele gras erbuiten, en er zat een oude man zonder ogen tegen de muur - als een uitgedroogd insect. Amnorh wachtte in de schaduw van het huis terwijl het meisje haar werk deed. De kooplui kwamen niet. Hij vroeg zich af of ze ze had verzonnen om hem hier te houden zodat ze hem uit kon schudden of nog erger, maar daar scheen ze te stom voor te zijn. Hij probeerde de oude man te ondervragen, maar blijkbaar was die niet alleen oogloos, maar ook doof.

In de koelte van de avond gaf het meisje hem brood en kaas en aangelengde melk. Toen hij klaar was met eten ging ze dicht naast hem zitten en legde haar hand op zijn dij.

„Ik zal lief voor je zijn, als je wilt. Ik doe wat je maar van me wilt als je me iets geeft.”

Dus ze speelde ook voor hoer om haar bestaan wat minder karig te maken. Hij greep haar ruw bij haar schouder.

„Heb je tegen me gelogen over de reizigers?”

„Nee - nee morgen komen ze.”

„Ik hoop voor jou dat je de waarheid spreekt.”

Hij duwde haar weg en legde zich te slapen, zijn opgerolde mantel een hoekig kussen onder zijn hoofd. Hij sliep lang en vast, want hij was volkomen uitgeput. Vlak voor de dageraad was er een droom.

De Vrouwe der Slangen kwam de heuvel uit en kronkelde de helling af en de hut in. Ze wikkelde hem in haar windingen en in haar armen en in haar lichtspuwende blinkende slangehaar, en hij speelde met haar de spellen van lust die Ashne’e hem had geleerd. Een felle naald zonlicht brandde op zijn ogen en maakte hem wakker; de reizigers waren gearriveerd.

„Er waren opstootjes in de stad, en een brand,” zei een van de mannen.

Amnorh keek achterom, naar Ko ram vis, een stuk speelgoed, witte torens tussen oprijzende en omlaagvallende heuvels. Hij draaide zich om, en voor het eerst laaiden heftige teleurstelling en bittere wanhoop op in zijn hart. De Voogd van de Hoge Raad was inderdaad omgekomen onder Ibron.

„Alles is verloren,” dacht hij. „Alleen ik ben overgebleven. En ik -ik besta niet meer.”



De reiswagen van het Garnizoen, voorzien van bankjes, ratelde de Vlaktepoort van Koramvis uit. Het was het zwarte uur voor de dageraad. Amun, een menner die ooit wedrennen gewonnen had in de arena’s van Zakoris, vermeed de wijk waar de rellen waren, maar ze hoorden toch het klokgelui, uit de verte meegevoerd door de wind, en roken de rook. Liuns gezicht stond strak en uitdrukkingloos, maar hij mompelde: „Af en toe wenst een man dat de goden van hem een konijn hadden gemaakt of een os - alles liever dan een man.”

Lomandra drukte het kind dicht tegen zich aan, maar het maakte geen geluid. Ze voelde een vage, maar angstaanjagende aanwezigheid boven de stad hangen. „Deze daad zal voor zijn eigen vergelding zorgen,” dacht ze. En ze bad dat het meisje dood was geweest toen de menigte het paleis binnenstormde - Ashne’e had haar verteld dat ze dat zijn zou.

Ze reisden door Dorthar, droog en goudkleurig in de laatste schroeiende hitte van de zomer, en staken de brede rivier over, Ommos in, waar geparfumeerde schandknapen kraaiden toen ze de wagen zagen, en de Zarok-beelden in hun ovens de lichamen verteerden van ongewenste dochters. Bij een klein eethuis zagen ze hoe een vuurdanseres zich met een brandende fakkel ontdeed van haar dunne kleding.

, ,Een symbool,’’ dacht Lomandra. , ,Zo is het met mijn leven ook.’’

Maar toen ze Xarabiss inreden verlieten spanning en wrangheid haar. Ze voelde zich bevrijd, bijna vredig. Zoals zo vaak tijdens deze reis bekeek ze het kind, en niet langer met angst in haar hart. Wat zou er van dit kind worden? vroeg ze zich af. Waarschijnlijk zou het een boer worden - of een jager - een moeizaam, hard leven leiden, zonder weet te hebben van de beroering die met zijn ontstaan gepaard was gegaan, en van zijn afkomst. Of misschien zou het kind jong sterven. Moest ze het zelf houden, het opvoeden en het meegeven wat ze zich aan rijkdom en status zou weten te verwerven? Het plan wekte onmiddellijk weerzin op. Ondanks het medelijden dat ze voelde speelde ook iets anders mee - een ander had haar haar wil opgedrongen, een soort vloek opgelegd. Dit kind was niet Xarabiaans, niet van haar. Ze had in haar leven, wat voor een leven het ook worden zou, geen plaats voor deze eigenaardige, angstaanjagende vreemdeling. En het leek wel of Ashne’e dat geweten had en het goedkeurde.

De eerste koude regen van het jaar viel bij zonsondergang, in Tyrai, ongeveer twintig kilometer van de grens.

Ze had het kind gevoed met melk, terwijl de storm als een zwerm vogels tegen het dak trommelde en ten slotte zweeg. Daarop sneden schuine banen rood licht van de ondergaande zon door de kamer. Er werd op de deur geklopt, en toen ze opendeed stond Liun op de drempel. Het was de eerste keer dat een van de twee mannen naar haar kamer gekomen was na een dag reizen. Ze dacht dat er iets was voorgevallen, en de schrik deed het bloed hameren in haar slapen. ,,Is er iets aan de hand?”

„Nee, niets. Het spijt me als je dat door mij denkt.”

Hij kwam de kamer in met een directheid die tegelijkertijd om de een of andere reden ook beschroomd was, en liep naar het smalle bed, alsof dat een excuus was om te gaan zitten.

„Een stil kind, de goden zij dank.”

, Ja, hij is altijd stil geweest. Net als zij stil was.”

„En jij?” zei hij, net als Kren had gedaan. „Wat gebeurt er nu met jou, Lomandra?”

„Ik vestig me in mijn eigen land als ik gedaan heb wat ze mij heeft gevraagd.”

„Xarabiss. Ja. Je had er nooit weg moeten gaan.”

 „Misschien niet.”

Hij deed een luik open, zodat de koele rode lucht binnen kon komen. Onhandig zei hij: „Heb je je nooit afgevraagd waarom ik de tweede man in de wagen was?”

„Kren heeft me een escorte beloofd dat ik kon vertrouwen.”

„Ik heb gevraagd of ik je mocht vergezellen.”

Verbaasd keek ze hem aan. „Waarom zou je zoiets doen?”

„Ik zal wel een dwaas zijn dat ik verwacht dat je zoiets begrijpt. Ik heb je in Koramvis nooit aan durven spreken.”

 „Aan durven spreken over wat?”

Een lichte blos kwam op zijn wangen, en hij glimlachte zonder humor, nog steeds zonder haar aan te kijken.

„Dat ik de voornaamste hofdame van de Koningin begeerde. Wat had dat ook voor zin? Ik, niet meer dan een kapitein, met als enig inkomen mijn soldij.”

Een vloed van volkomen onverwachte warmte stroomde door haar heen. Iets waarover ze nooit had nagedacht, had, ontdekte ze nu, de kracht om haar uit het lood te slaan. Ze voelde zich net een heel jong meisje, een schim van haarzelf in Xarabiss, lang geleden. Haar handen begonnen te trillen en ze lachte een tinkelende lach, zonder na te denken over wat de gevolgen zouden kunnen zijn. „Maar nu heb ik niets meer,” zei ze. Toen keek hij haar aan, zijn gezicht vol verbazing. „Kren zou me laten gaan,” zei hij ademloos. ,,Ik heb genoeg geld opzij kunnen leggen om een villa-boerderij te kunnen kopen, mensen in dienst te kunnen nemen; het zou een goed leven kunnen zijn, hier of in Karmiss. Maar zo’n leven zou jou alleen maar afschuw inboezemen.”

„Dorthar boezemde mij afschuw in en de dingen van Dorthar. O ja, Liun, ik zou kunnen ademen in het leven dat jij me aanbiedt. En ik kan geld krijgen om je te helpen.”

Ze lachten nu allebei, redeloos, gelukkig. Hij liep op haar toe en zijn ogen stonden heel helder.

„O, wat doe ik toch?” vroeg ze zichzelf, maar niets scheen nog belangrijk te zijn - alleen deze sterke jonge man met zijn heldere ogen en het gevoel van hoop dat om hem heen hing. Hij was jonger dan zij, maar opeens was dat onbelangrijk. , Je bent toch geen maagd van dertien meer dat je zo beeft?” dacht ze, toen hij een beetje onhandig, maar toch voorzichtig het dikke haar van haar wang lichtte en die kuste. Hoe kon ze hiernaar hebben verlangd, zonder het ooit te weten?

„Lomandra,” zei hij, en kuste haar mond, en dit keer was hij helemaal niet onhandig.

De volgende dag reden ze onder een metalige hemel door Xarar. ‘s Middags was de wind vol stof.

„Er komt een storm,” zei Amun. Hij zei maar weinig, en als hij wat zei betrof dat meestal het weer, de conditie van de reiswagen of de dieren.

„Blijven we waar we zijn?” vroeg Liun.

, ,Een paar kilometer ten westen van de Drakenpoort ligt een stadje, een voorpost van Xarabiss. Ik denk dat we daar wel kunnen komen voor de storm in alle hevigheid losbarst.”

En dus gingen ze verder, en de twee witte zuilen van de Poort gleden langs hen heen en de golvende wijdte van de Vlakten spreidde haar kale ambergele flanken uit onder een purperen baldakijn van wolken.

Kort daarop werd het donker. Een wind stortte zich omlaag als een zwarte bliksemschicht en hamerde krijsend tegen de hellingen. Lo-mandra drukte het kind dicht tegen haar lichaam om het te beschutten toen rondvliegend zand in hun gezicht hagelde. Ze schenen recht de muil van een brullend, spuwend, razend dier in te rijden.

Een bleke, blauwe flits siste over hen heen. Meteen daarop knalde de donder. De dieren gooiden hun koppen omhoog en steigerden van angst. Ze hoorde Amun schelden: „Vervloekte bastaarden, ze dansen als een schandknaap die je mee wil lokken naar z’n bed.” Weer een bliksemschicht die naar de Vlakten joeg. De wagen schokte en ratelde en de dieren raasden vooruit, hun manen achter hen aan wapperend als zwarte zwepen. Amuns gezicht was star van woede terwijl hij hen stuurde; in de tijd dat hij meedeed aan wedrennen was hij wel iets beters gewend geweest - dat sprak uit zijn hele houding.

Plotseling schoot een groepje donkere, knoestige bomen omhoog naar de hemel, een eindje voor hen. „Trek ze opzij!” schreeuwde Liun. „Denk je dat ik sta te slapen, baardeloze knaap?” Op hetzelfde ogenblik spleet de wereld open in een witte, vlammende leegte.

Lomandra voelde hoe een grote koude hitte langs haar heen zinderde, als de adem uit de mond van een demon. Ze verloor alle besef van waar of wie ze was en scheen te vliegen, tot een wig van pijn in haar rug stootte.

Ze ontdekte dat ze op de grond lag, tussen hopen dode bladeren,

het kind aan haar borst. Haar eigen lichaam had zijn val gebroken, maar het gezichtje was betraand en vertrokken. Een witte gloed kwam en gleed over haar ogen en werd toen aan het gezicht onttrokken - Liun boog zich over haar heen. „Heb je je bezeerd?”

Ze schudde haar hoofd, zonder zich de tijd te geven om na te denken of ze zich wel of niet bezeerd had, en hij trok haar overeind. Verwilderd staarde ze om zich heen.

„Bliksem,” zei Liun bruusk, „raakte de bomen en de paarden. Jij en ik zijn eruit geslingerd, en het kind ook.”

„En Amun?’’

Zijn gezicht stond strak.

„Zijn goden sliepen.”

Lomandra wendde haar blik af, niet bij machte zijn strakke verdriet te verdragen. Een afschuwelijk schuldbesef daalde op haar neer, zwaar als de ijskoude regen die op hen neergutste. Ze draaide zich even om en kon de contouren van de reiswagen zien, onwrikbaar vast tussen het zwartwitte mozaïek van de brandende bomen. „Niet kijken.” Bijna formeel legde hij een hand op haar arm. „We zullen de rest van de weg moeten lopen.”



De ene helling leek heel veel op de andere in het door de wolken verzegelde duister. Modderige oevers liepen een eindje omhoog, druipend van schaarse natte vegetatie, al was het opgehouden met regenen. Liun had het kind van haar overgenomen, maar op haar schouders rustte dat andere, irrationele gewicht. Misschien was het haar schuldbesef waardoor ze in het halfduister een onnatuurlijk scherp gevoel kreeg dat er gevaar dreigde. Een tijdlang deed die wetenschap haar beven, en ze zweeg, tot ten slotte het gevoel ondraaglijk en onverzwijgbaar werd. „Liun?” zei ze zacht, „er zit iets achter ons aan.” Het verbaasde haar, deed haar op een vreemde manier pijn toen hij zei: „Dat geloof ik ook; de afgelopen kilometer hebben we gezelschap gehad.”

Hij sloeg zijn vrije arm om haar heen en draaide zich niet om om achter zich te kijken. „Wat is het, Liun?”

„Wie zal het zeggen. Misschien alleen maar een paar stofratten.” Het struikgewas was hier dichter, dampend van het vocht. Door de dunne takken heen ving ze plotseling een afschuwelijke flits licht op

- twee brandende ogen, eerst felrood, en dan goud. Hij hoorde hoe ze hijgde van schrik, maar wierp alleen een blik terzijde. Als terloops zei hij tegen haar: „Neem het kind van mij over, Lomandra. En bereid je voor op de vlucht.”

Blindelings gehoorzamend nam ze het bundeltje van hem over. „Waarom?”

„Onze bewonderaars zijn gevaarlijk.”

„Wat - “

„Tirr,” zei hij uitdrukkingloos.

Ze voelde het bloed uit haar hart stromen en bleef als verlamd staan. „Dan zijn we dood.”

„Misschien niet. Ik kan ze een tijdlang tegenhouden en jij kunt rennen voor je leven. Een heldendood. Ik had nooit kunnen denken dat de goden dat hadden beschikt.”

 „Liun - Liun - “

„Nee, mijn liefste Lomandra. Ze hebben ons geen tijd gelaten.” Hij duwde haar weg. Boven hen klonk het geluid van scheurénde takken, en een gedaante suisde omlaag. Een afschuwelijke krijsende kreet barstte uit het duister los en een smerige stank drong in haar neus. Ze zag de kale flanken, de vooruitstekende kop en de giftige klauwen. Een tweede krijs, en een derde. Twee andere tirr, die ook van de partij wilden zijn. En - ook al wist ze dat hij sterven moest, deze man die zijn leven voor haar had opgeofferd, van wie ze zo gemakkelijk had kunnen houden - ze vluchtte. Ze rende als in een nachtmerrie voort, terwijl ze de dood aan haar hielen voelde kleven, en ver van haar vandaan hoorde ze, onder het rennen, een niet langer herkenbare stem die gilde van pijn. Ten slotte kon ze niet meer rennen.

Ze viel en bleef stil liggen wachten op een geur van verrotting en een breken en scheuren, maar dat kwam niet. Het kind huilde klaaglijk aan haar borst, wilde melk hebben die ze niet geven kon. Op haar schouder was een pijnlijk jeukende plek. Langzaam verspreidde zich, terwijl ze daar zo lag, een doffe, gevoelloos makende pijn over haar rug en haar bovenarmen. Langs haar zij liep een beetje bloed. Ze herinnerde zich niets van een klauw die haar had aangeraakt, niets van één nagel zelfs die haar huid had opengehaald, maar ze besefte dat haar vlucht volkomen zinloos was geweest.

De Xarabiaanse stond op, het kind omsloten door haar verkillende armen, een wieg van al doodgeworden vlees.

, Jij,” dacht ze. ,Jij.”

Maar ze haatte het kind niet echt.

„Waar zal ik sterven? Waar is de plek waar ik neerval met jou aan mijn borsten? En hoe lang overleef je mij in deze smerige, lege Vlakten?” En weer dacht ze: „Dit kind sterft jong.” En begon naar de maanloze horizon te lopen.