Meerzicht
‘We passen niet bij elkaar,’ zei de ongeveer twintigjarige blondine tegen de jongen naast haar op het terras van Boerderij Meerzicht, een pannenkoekenhuis in het Amsterdamse Bos. Ze nam een slok van haar witte wijn en keek stuurs voor zich uit.
‘Waarom niet dan?’ vroeg de jongen. Hij was een shaggie aan het rollen – Drum – en keek zenuwachtig opzij. Daarna likte hij de sigaret dicht en draaide hij de kleine pluimpjes tabak aan de uiteinden eraf. Hij maakte er bolletjes van die hij tussen duim en wijsvinger wegschoot.
‘Dat je dat niet aanvoelt,’ zei de blondine boos. ‘Zie ons nou zitten hier…’ Ze nam opnieuw een slok wijn.
De jongen had de sigaret tussen zijn lippen hangen, maar aarzelde nu met opsteken – ten prooi aan twijfel; hoe kon hij zichzelf hier zien zitten? Moest hij opstaan, blijven zitten, hoe deed je zoiets? Hij stak de sigaret op met een blauwe wegwerpaansteker.
‘Ik vind het hier bijvoorbeeld niet leuk,’ hielp de blondine hem een handje, ‘en jij wel.’
‘Ik vind het hier helemaal niet leuk,’ reageerde de jongen onmiddellijk, ‘maar d’r is niks anders in de buurt.’
‘Dat weet je helemaal niet.’
‘Dat weet ik wel, we hebben toch niets gevonden?’
‘Man, we zijn nergens geweest, we zijn hier rechtstreeks naartoe gereden. Ik dacht dat we een leuke wandeling gingen maken, en dan ergens op een terras gingen zitten.’ De blondine nam haar tas op schoot en begon erin te rommelen.
‘Wat is er?’ vroeg de jongen.
‘Ik krijg een sms’je binnen, even kijken van wie.’ Ze had haar telefoon nu te pakken en bediende de knopjes.
‘En?’ vroeg de jongen. ‘Je ex?’
De blondine zat over haar toestel gebogen om een bericht terug te sturen. ‘Nee, m’n zus, nou goed.’ Ze lachte schel.
De jongen haalde zijn schouders op en keek om zich heen. Het terras was nagenoeg leeg. De rode parasols met het Hero-logo waren ingeklapt. Verderop zat een oudere dame een boek te lezen, een kop thee op tafel. Binnen in het pannenkoekenhuis was het ook al niet druk, langs de ramen zaten hier en daar wat mensen. Achter een bijgebouw klonk af en toe het krijsen van een pauw. ‘Ik geloof er niks van,’ zei de jongen.
‘Ook zoiets,’ zei de blondine fel, ‘jij zoekt overal wat achter, jij bent altijd jaloers, jij denkt dat ik het met iedereen doe.’
‘Dat denk ik helemaal niet,’ zei de jongen.
‘Man, dat zie ik toch; iedere keer als ik een sms’je krijg, word jij jaloers.’
‘Echt niet,’ zei de jongen slap. Hij trok aan zijn shaggie.
‘Ik wil hier weg,’ zei de blondine en ze stond op. ‘Ik heb het koud, er is hier geen bal te beleven en ik háát pannenkoeken.’ Ze liep weg.
De jongen kwam overeind. ‘Je kan hier ook wel iets anders eten, hoor,’ riep hij, maar de blondine reageerde er niet eens op: met grote, ferme stappen beende ze naar het hek, haar lange blonde haar deinde boos op haar rug.