Herman Teirlinck
Hier komt nooit niemand niet
Even onder Brussel, aan de autosnelweg naar het zuiden, het richtingbord Lot.
Als er nog iets aan mij deugt, dan is het mijn geheugen. In dat hersengebied zie ik bij het opdoemen van de plaatsnaam Lot ogenblikkelijk het rode boekje terug dat tijdens mijn Manteaujaren bij deze uitgeverij in de rechter bovenla van mijn bureau lag. Het bevatte de adressen, telefoon- en bankrekeningnummers van alle toentijds bij Manteau publicerende auteurs, alsook hun verjaardagen en die van hun echtgenoten en eventuele buitenvrouwen. Door intensief gebruik heb ik dat boekje ten slotte grotendeels uit mijn hoofd gekend, en al ben ik het al een kwarteeuw kwijt, soms komen in mijn herinnering de gegevens opeens weer aan de oppervlakte als verscholen grafstenen waar wind het zand van wegblaast.
Beersel over Lot, zeg ik alsof ik het voorlees uit het verdwenen adressenbestand. Daar woonde Herman Teirlinck. Uwenberg 14. Jarig op 24 februari. Geboren in 1879.
Door deze personalia is in het boekje een blauw kruis getrokken, – ik zie me dat nog met ballpoint aanbrengen nadat briefen telefoonverkeer met de bejaarde schrijver niet langer nodig was. Hij overleed twintig dagen voor zijn achtentachtigste verjaardag op dit adres.
Bij spontaan besluit beginnen we de aangegeven richting te volgen. Via Lot naar Beersel, twee met elkaar vergroeide dorpen zoals Vlaanderen er honderden kent: niets te zien, niets te beleven, geen hond op straat. De gaapverwekkende saaiheid staat te daveren in de augustushitte. De zon spiegelt zich zo uitbundig in alle ramen dat het lijkt of daarachter de boel in lichterlaaie staat en de loeiende vlammen ieder moment naar buiten zullen slaan.
Herman Teirlinck (1879-1967), circa
1966.
Foto Willy François.
Dit is een teirlinckiaans beeld: er komen ettelijke met breed panache beschreven branden in zijn oeuvre voor. In de begintijd van zijn literaire loopbaan publiceerde hij trouwens een werk dat Zon heette, in de geleerde boeken omschreven als luministisch impressionistisch proza. Tierelierende woordwoeker met als gloeikern de schakeringen en reflecties van het zonlicht.
Je hoeft het niet meer voor je lol te lezen, zeg ik tegen mijn gezellin die aan het stuur zit. Ik geef haar uit de losse pols een Teirlinckcollege nu wij bezig zijn aan een onvoorziene pelgrimage naar het oord dat hij bijna zes decennia heeft bewoond.
Ik las Teirlinck al op mijn zestiende, zeventiende jaar, zo gepassioneerd en met zulke onlesbare gulzigheid dat de herinnering eraan me nu het gevoel geeft of ik toen constant dronken was. Of verliefd. Geen van deze gewaarwordingen had ik overigens op die leeftijd nog in werkelijkheid ervaren. Ik liet me hypnotiseren door Teirlincks taalschitter van hogere orde, fragmenten ervan bleven vanzelf in mijn hoofd plakken, nog jarenlang heb ik ze op afroep kunnen citeren. Diezelfde koortsachtigheid stormde door mijn bloed toen ik, niet veel later, Mulisch begon te lezen, die toen juist was gedebuteerd.
Mijn ontzag voor beide grootheden is niet getaand, maar toen ik onlangs De versierde mens herlas, een verhalenbundel uit Mulisch’ begintijd, kon ik het hysterische enthousiasme uit mijn postpuberteit niet meer navoelen. Ik ben veranderd en weet intussen dat ik decennia geleden hevig bewonderde boeken en oeuvres beter niet herlees. De bedwelming van weleer, ook ondergaan bij veel werk van Reve en Boon, komt niet meer terug, evenmin als sneeuw en evenmin als dronkenschap en verliefdheid wanneer de roes voorbij is.
Die boeken en oeuvres zijn het humus geworden dat mijn eigen schrijverij heeft gevoed, al had ik daar toen nog geen vermoeden van. Ademloos en verdoofd meegesleept door wat ik las, dacht ik alleen maar, steeds moedelozer: zó schrijven kan ik nooit. Dat inzicht was juist en werd bewezen door de unanieme afwijzing der heren critici van mijn debuut in de letteren, dat hoofdzakelijk uit aapvlooierij en mimicry bestond. Machteloos epigonisme, maar gepleegd uit bewondering. Ook de jeugdige Teirlinck heeft het zijne geplukt uit de tuinen van tijdgenoten als Jacobus van Looy en Lodewijk van Deyssel. In De versierde mens zowel als in ander vroeg werk van Mulisch is beïnvloeding door Godfried Bomans aanwijsbaar.
Achter iedere schrijver hangt een stamboom van literaire vaders die hem de weg hebben gewezen, hem hebben beïnvloed en aan wie hij schatplichtig is geweest. Alleen slechte schrijvers ontkennen dit en verraden de hen geïnspireerd hebbende voorgangers door met ielig gebalde bicepjes vadermoordjes te plegen, want ze verdragen in hun ijdelheid de schaduw niet die de pedigree over hun hoogst originele, hoogst authentieke schrijfsels werpt.
Met de zon in onze gezichten, de felle straling lijkt de voorruit te verbrijzelen tot miljoenen splinters, herinner ik me mijn ontmoetinkje met Herman Teirlinck.
Mijn vakkundig en adequaat afgezeken debuut lag al enige tijd achter me, ik kreeg door gebrek aan zelfvertrouwen geen woord meer uit mijn pen, mijn schrijfambities waren bevroren, toen ten kantore van de uitgeverij opeens, onverwacht, zijne godheid, de meester persoonlijk voor mijn bureau stond. Hij was onhoorbaar binnengekomen, wat ik niet had gemerkt, zodat ik een paar seconden dacht een geestesverschijning te aanschouwen toen ik toevallig opkeek van mijn bezigheden. Die bestonden uit het nazien van drukproeven van Teirlincks Verzameld werk, deel 5:zijn met Karel van de Woestijne geschreven brievenroman De lemen torens. Of je dit verbrokkelde en trouwens onvoltooide opus nog wèl voor je lol moet lezen, laat ik in het midden, voeg ik er als terzijde voor mijn vriendin aan toe. Zij worstelt met de zonnekleppen, het laaiende hemellicht verblindt haar, ze is stapvoets gaan rijden. Ikzelf scherm mijn ogen af met mijn hand, als een oud-koloniaal, terugpeinzend aan zijn tropentijd.
De heer Teirlinck stak mij glimlachend zijn oude, gevlekte, dunne hand toe. Nog verpletterender was het feit dat hij mijn boekje bij zich bleek te hebben en het zelfs had gelezen. Hij, de grootvorst, verwaardigde zich op zijn leeftijd nog kennis te nemen van de allerjongste literaire producten! Naar verluidt lag naast het bed waarin hij zou sterven Ik Jan Cremer: een ander debuut uit hetzelfde jaar als waarin het mijne verscheen. Met die hand van hem uit de belle époque, die ik een paar seconden heb mogen drukken, had hij op dat moment zijn essay over Mulisch’ Voer voor psychologen al geschreven, concluderend: ‘Dit is dan heel grote literatuur, een die aansluit bij de eeuwige. Zuiver en echt. En definitief.’
Over mijn probeerseltje sprak hij galant: ‘Daar is iets in dat goed is, gij moet veel oefenen, mijn vriend.’
Het zijn gevleugelde woorden in mijn leven gebleven en ik ben hem er tot op de huidige dag dankbaar voor. Nooit enige aandrift tot vadermoord gevoeld en al helemaal niet op Teirlinck. Op zijn wolk in het nirvana zou hij waarschijnlijk reageren: wat verbeeldt deze aardworm zich, mij zijn vader te noemen en zichzelf de pedanterie toe te staan zich een geestelijk zoontje van mij te wanen?
Teirlincks vriendelijke aanmoediging trok mij op uit de diepe malaise waarin ik was verzeild geraakt, ik kreeg moed om weer te gaan schrijven, zonder zijn opmerking zou ik me daar misschien nooit meer aan hebben gewaagd. Hoe zou mijn leven dan zijn verlopen?
Even plotseling was hij weer uit mijn kantoor verdwenen. Ik zag zijn rijzige gestalte onder mijn raam met stramme schreden het trottoir verlaten en de straat oversteken. In het tegenovergelegen park werd hij onzichtbaar tussen het frêle voorjaarsgroen, de daarin met hem meedobberende breedgerande bruine hoed was het laatste dat ik van hem zag.
In het oordschap Beersel, dat we binnenrijden, is vragen naar Uwenberg niet nodig. We zijn er voor we er erg in hebben. Het is het van hitte fakkelende dorpscentrumpje voor de laat-gotische kerk, dat kennelijk twee namen heeft: Uwenberg en Herman Teirlinckplein.
Aan het einde van een doodlopende
weg…
Foto G. Debergh.
Het door de schrijver bewoonde huis is een eeuw na zijn geboorte door de gemeente gekocht en is sedertdien museum: het Teirlinckhuis. Dit wist ik en om deze gedenkplaats eens te bezoeken zijn we van de snelweg afgezwenkt.
Vroeg in de jaren dertig van de vorige eeuw wandelde Teirlinck graag door de thans finaal verpeste landelijke dreven rondom Beersel. Tijdens zo’n wandeling bereikte hij de top van de Uwenberg en verzuchtte hij met een blik over het weidse landschap: ‘Hier zou ik graag willen wonen.’ Volgens de boeken was hij daarbij in het gezelschap van ‘een vriend en mecenas’ die meteen reageerde: ‘Komt in orde, Herman. Ik zal hier een huis laten neerzetten, dat gij tot uw dood moogt bewonen.’ Zulke vrienden en mecenassen, kom daar vandaag nog eens om. In 1936 kon Teirlinck het pand betrekken, hij woonde er met zijn tweede echtgenote.
Het Teirlinckhuis in Beersel.
Foto P. Van Den Abeele
Jaren geleden vroeg een uitgever me of ik een monografie over Teirlinck wilde schrijven. Dat wilde ik wel, maar niettemin wees ik het verzoek van de hand: ik wist niets van Teirlinck zelf, niets over hem privé. Kennis van iemands levensloop en -stijl acht ik noodzakelijk voor dergelijke onderneming, tegengesteld dus aan de opvatting van de redactie en medewerkers van het tijdschrift Merlyn, dat ik in mijn leerjaren aandachtig las. Volgens hen had de literatuurbeschouwer alleen te maken met het werk van de schrijver en totaal niets met diens persoon en biografie. Teirlinck, die nergens in zijn oeuvre zichzelf kenbaar heeft gemaakt, ook zijn roman Zelfportret of het galgemaal is niet een schildering van zijn eigen karakter en levenspatronen, moet ook in zijn alledaagse doen maskers hebben gedragen, zoals een acteur die vele rollen vertolkt waarbij zijn eigen gezicht verborgen blijft. Hij schreef: ‘Onder het veilige masker tast men schaamtelozer naar de diepten, zoals men in het sluwe donker tot bekentenissen wordt verleid.’ Mettertijd vernam ik soms een anekdote over hem, zoals er aan de rafelrand der letteren talloze zijn op te rapen, maar ze brachten de persoon van de schrijver niet wezenlijk dichterbij. Uit alle mij bekende overleveringen blijkt dat hij een hartelijke, loyale en inspirerende man is geweest, precies zoals ik hem die paar minuten heb ervaren. Charmant, geestig, welgemanierd, overal op zijn plaats, zowel in een volkskroeg als in het koninklijk paleis waar hij, ten tijde van zijn vestiging in Beersel, kind aan huis was: Teirlinck was privaatraad van Albert I en na diens dood raadsheer voor kunst en wetenschap van Leopold III, die hij ook de Nederlandse taal heeft trachten bij te brengen. Naar verluidt heeft hij voor de uitoefening van deze baantjes nooit een cent gekregen, hij heeft er ook nooit een woord over geuit, op de opmerking na dat het ten hove een schriele boel was waar hem nog geen kopje thee werd geoffreerd. Tijdgenoten hebben de in onberispelijk driedelig grijs gestoken raadsheer voor de poort van de koninklijke residentie waargenomen, terwijl hij, alvorens binnen te treden, zijn honger stilde met een portie friet uit een papieren puntzak, want ten paleize mocht hij op een houtje bijten.
Wie zou de gefortuneerde mecenas zijn geweest, die voor de schrijver-privaatraad het vriendelijke huis heeft laten bouwen waar we nu voor staan en aanbellen? We zouden het de conservator kunnen vragen, maar die geeft geen gehoor, al zijn we aanwezig op een dag en tijdstip dat het museum volgens een inlichtingenbord toegankelijk zou moeten zijn. De voordeur bevindt zich in een boogvormig portiek, beschilderd met figuren uit Reinaert de Vos, de deur is voorzien van een loerraampje, waardoorheen niets is te ontwaren. Misschien is de museumbeheerder ergens in de tuin rondom het huis en heeft hij de bel niet gehoord? Ook op mijn geroep komt geen reactie, waarna ik me de vrijpostigheid permitteer om op eigen houtje door de tuin om het huis heen te lopen. Het is er iets koeler, ik loop in de schaduw van bomen en struiken. Het huis kijkt zwijgend naar mij. Teirlinck, die hier wilde wonen vanwege het uitzicht op de Zennevallei, zal dit ommetje honderden keren hebben gemaakt. Door het grote raam van zijn werkkamer zag hij deze zelfde bomen in al hun gedaanten, wisselend met de seizoenen. Het is of ik hem hoor mompelen, iets voorlezend van een beschreven blad dat voor hem ligt, luisterend naar de klanken en het ritme van zijn zinnen. In dit huis schreef hij de romans die nog wèl zijn te lezen: Maria Speermalie en Rolande met de bles, beide verfilmd. Het gevecht met de engel, Zelfportret of het galgemaal. Toneelstukken en verhandelingen over toneel. Om zijn schrijversleven te eindigen met een bespiegelend opstel ‘Ode aan mijn hand’, waarin hij ‘het werktuig’ dankt waarmee hij de duizenden bladzijden van zijn oeuvre heeft kunnen schrijven ‘in dappere arbeidzaamheid’. Dat is de hand die hij mij toestak, – een gebaar dat ik later ben gaan interpreteren alsof hij me het laatste restje elektriciteit doorgaf dat hij nog in zijn brein en aderen voelde. Niet veel later was hij dood en trok ik een kruis over het adres waar ik me nu bevind. Het is hier heet en stil als in een crematorium. Buiten de tuin gaat een kroegdeur open, er waait een flard muziek over het plein, een paar mannen roepen elkaar lachend iets toe voordat ze uiteen gaan.
Teirlinck moet met deze geluiden meer dan vertrouwd zijn geweest: als hij niet hier in huis aan het werk was, dan zat hij aan de overkant lambiek, geus of kriek te proeven, in de bereidingswijzen van welke biersoorten hij de patron nog leerrijke lessen en nuttige adviezen had gegeven. Het café, zo’n dertig schreden van Teirlincks voordeur verwijderd, heet Drie Fonteinen en is legendarisch geworden als plaats van samenkomst van de leden der Mijolclub, – een letterkundige gezelligheidsvereniging waarvan Teirlinck de oprichter en tot zijn dood de voorzitter is geweest. Daar moet heel wat zijn afgezopen, afgeouwehoerd en afgelachen, zoals niet ongebruikelijk is wanneer schrijvers elkaar rond de stamtafel ontmoeten, maar het fijne, het precieze van het Mijolgebeuren, het geheim van de loge-achtige intimiteit ervan is nooit prijsgegeven. Het genootschap leek op een elitaire sekte van sigarenrokende en stevig bitterende ingewijden die regelmatig bijeenkwamen om over literatuur en kunst te palaveren en ondertussen zich over te geven aan een behendigheidsspelletje: men moest vanaf zekere afstand een loden penning in de gleuf in een houten bak zien te werpen. Invités viel doorgaans een hartelijk welkom ten deel, mits van mannelijken kunne, – vrouwen werden in de kring niet toegelaten. Bij de uitvoering van het voorzittersambt was Teirlincks grijze hoofd bekroond met een vlechtwerk van laurierbladeren. Voordat hij het woord nam klonken stoten op een waldhoorn. Na afloop der gezelligheden was hij van alle deelnemers het eerste thuis. Misschien betrad hij in het holst van de nacht, schoenen in de hand, zijn woning door de achterdeur om huisgenoten zo min mogelijk te storen?
Bij die achterdeur sta ik nu en stel er vast dat hij stevig op slot is, op mijn geklop en gebons wordt niet gereageerd. Wat zou ik hebben gedaan als de deur open zou zijn geweest zonder dat de huisbewaarder zich had gemeld? Dan zou ik met ietwat onrustig hart en verknepen adem het heiligdom zijn binnengedrongen, er waar nodig lichten hebben aangestoken en alles op mijn gemak, aandachtig, hebben bekeken. Langer dan een minuut of vier zou mijn rondgang waarschijnlijk niet hoeven duren, want uit ervaring weet ik dat in geboorte-, sterf- en nog andere huizen van beroemdheden zelden iets authentieks is te zien en nog zeldener iets dat de aandacht langer dan een ademtocht weet vast te houden. In het Gezellehuis in Brugge stelt men ’s dichters koffiebeker van geglazuurd aardewerk tentoon, in het Ernest Claeshuis in Zichem de pispot die nog door De Witte zelf in gebruik zou zijn geweest. Niet één origineel handschrift, alleen slechte, verweerde, door vliegenuitwerpsels bespikkelde fotokopieën. Niet één echte foto, in plaats daarvan een vermoeid omkrullende afdruk van een afdruk ervan, stammend uit de tijd van olim.
Welke parafernalia herbergt dit gewezen woonhuis van Herman Teirlinck? Al zal ik ze dus niet te zien krijgen, uit eerdere lectuur en verhalen uit vroeger dagen, onder meer van Karel Jonckheere die nauw met Teirlinck bevriend is geweest, herinner ik me dat in het museumpje in geen geval een schrijfbureau staat. Dergelijk meubelstuk heeft de schrijver op een van zijn verjaardagen wel van vrienden en bewonderaars cadeau gekregen, maar hij heeft er nooit een woord aan geschreven. Het ding, misschien ontworpen door Henry van de Velde, die aan de inrichting van het huis op de Uwenberg meer heeft bijgedragen, bleek te laag te zijn: Teirlinck kreeg zijn benen niet op de gangbare wijze onder het schrijfblad gevouwen en ook omdat in zijn werkkamer het begeerde uitzicht op de Zennevallei, almaar ingrijpender werd verwoest, nam hij zijn toevlucht tot een andere plek. Het verhaal ging dat de meester zijn toneelstukken en lijvige romans aan een hoekje van de keukentafel concipieerde, waar hij zijn benen wel kwijt kon, – ’s winters was het er aangenaam warm en tevens kon hij er toezicht houden op de soep.
Teirlinck en zijn tweede echtgenote,
‘Anneke’, 1962.
Foto Belga, Brussel.
Na het overlijden, in 1928, van zijn eerste echtgenote, hertrouwde Teirlinck drie jaar later met Johanna Hoofmans, met wie hij langer dan dertig jaar in deze optrek heeft gewoond, tot hij in 1963 opnieuw weduwnaar werd.
Wie was zij? De toekomstige biograaf zal het wel weten te vertellen, mij zweven alleen een paar foto’s voor ogen waarop zij staand of zittend naast haar beroemde echtgenoot figureert: type kortgeschapen, corpulente, goedhartige moederkloek. Ze zal wel goed voor hem hebben gezorgd. Van een intimus van Teirlinck vernam ik lang geleden dat de schrijver diegene van zijn vriendinnen heeft verzocht zijn tweede vrouw te worden die het best kon koken…
Deze zegsman was de hooggeleerde Willem Pée, de bezorger van Teirlincks Verzameld werk. Toen het plan tot uitgave hiervan ontstond, was het Pée die op de gedachte kwam de intussen zeer bejaarde auteur om een levensschets te vragen om er deel 1 mee te beginnen. In plaats hiervan leverde Teirlinck een roman in, zijn laatste: Zelfportret of het galgemaal, – niet een autobiografie, wel zijn meest persoonlijke werk. Het draagt het motto ‘Liever geschuwd om mijn waarheid, dan gezocht om mijn schijn.’ In mijn Manteaujaren heeft het, in sierletters op een strook geschept papier, lang boven mijn bureau gehangen, waar Teirlinck het op de Dag van de Handdruk opmerkte. Ernaar wijzend sprak hij mij toe: ‘Gij zijt er dus ook zoëen.’
Willem Pée, gewezen professor Nederlandse taalkunde in Gent, bezocht ik voor zakelijke aangelegenheden lang na Teirlincks dood enige keren in zijn huis in Bosvoorde aan de rand van Brussel. Het zakelijke gedeelte was doorgaans binnen een kwartier afgehandeld, waarna zijnerzijds het urenlange, oeverloze vertellen begon. Een stevige man, het ronde hoofd volledig omkaderd door wit haar, wat hem mede door zijn appelrode koontjes iets kabouterigs verschafte, – toen ik hem ontmoette was hij aan de overzijde van de zeventig.
Had ik al zijn verhalen maar met een bandrecordertje opgenomen, had ik maar meteen na afloop van de praatsessies aantekeningen gemaakt.
Over zijn vader, Julius Pée, bekend gebleven onder multatulianen. Lang geleden (in 1942) was bij Manteau het door Julius geredigeerde Brieven van Multatuli (aan Mr. Carel Vosmaer en anderen) verschenen. Pée junior, – evenals zijn pa noemde hij Multatuli wel ‘de beeldenbreker’, – liet mij originele documenten in het handschrift van Multatuli, Tine, Mimi zien, die hij in een schoolschriftkaftje bewaarde. Ik mocht er mijn blikken en adem overheen laten gaan, maar ze niet, hoe eerbiedig ook, met mijn handen aanraken.
Over Herman Teirlinck. Als iemand diens biografie had kunnen schrijven, dan Willem Pée. Hij zal er niet aan zijn begonnen omdat hij misschien dacht dat literatuur niet tot zijn vakgebied hoorde, – Pée hield zich bezig met dialectologie, fonetiek en spelling, hij zetelde in de commissie van Het Groene Boekje, et cetera. Met Pée in gesprek, bleef ik me er scherp van bewust dat ik tegenover de voorzitter van de Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal zat, die een groot deel van zijn leven had geijverd voor het Algemeen Nederlands in Vlaanderen. Hij sprak een hoogst beschaafd, lichtelijk archaïsch Nederlands waaraan toch te horen was dat er een Vlaming aan het woord was. Teirlinck, die ik na onze kennismakingsontmoeting wel eens voor een uitgeverstechnische zaak moest opbellen, waarvoor ik eerst een aantal uren moest vechten tegen mijn schroom, sprak ook zo: sierlijk, galant, zelfs muzikaal Nederlands uit een voorbije epoque.
De schrijver van Zelfportret of het galgemaal droeg zijn roman ‘in vertrouwen’ op aan Willem Pée. De handgeschreven oerversie ervan stelde de emeritus hoogleraar eens voor mij tentoon op de eettafel in zijn huiskamer. Met de handen op mijn rug mocht ik me er devoot overheen buigen, al was het niet het eerste manuscript van Teirlinck dat mij onder ogen kwam: bij Manteau kon men desgewenst struikelen over de door hem volgeschreven bundels papier. Teirlinck droeg zijn teksten in handschrift naar uitgever of tijdschriftredactie, waar iemand ze overtikte en naar de drukker stuurde. Hij was daarin toentijds even ouderwets als ikzelf thans ben, – ik heb geen weet van de werking van de schrijfcomputer, wel van het chagrijn dat ik de afnemers van mijn teksten berokken als ik ze hen in typoscript aanlever in plaats van per floppy of e-mail.
Teirlincks handschrift was zoals hij sprak: negentiendeeeuws aristocratisch, helder, gracieus. Hij gebruikte een vulpen met donkerblauwe of zwarte inkt, daarmee kalligrafeerde hij, zonder veel doorhalingen, zijn romans in gekartonneerde cahiers, kleinere bijdragen op de keerzijde van drukproeven of stencils. Zijn manuscripten vertoonden geen smetje of ongerechtigheid, wat men niet zou verwachten van papieren die op de keukentafel waren volgeschreven terwijl Johanna er tegelijkertijd het taartdeeg stond te kneden. Dat van die keukentafel was dan ook een mythe, zei Pée, ‘dat zou Anneke nooit goed hebben gevonden’.
Teirlinck schreef zijn duizenden bladzijden aan een wit, inc.q. uitklapbaar ijzeren tafeltje, dat hij voor aanvang van het scheppen, alnaargelang zijn stemming, de temperatuur en de lichtval, in huis of tuin neerzette waar hij wilde. Dit gammele ding is naar ik weet in het Teirlinckhuis achtergebleven en zou ik vanmiddag hebben kunnen bezichtigen als de instelling open was geweest en natuurlijk zou ik even mijn hand op het schrijfblad hebben gelegd. In musea pleeg ik, als ik de kans krijg, over de versperringstouwen te stappen om de daarachter uitgestalde relikwieën eerbiedig aan te raken: niet de nachtspiegel van De Witte, maar een van de luistertoeters van Beethoven in Bonn, de leunstoel in Weimar waarin Goethe hing toen hij om ‘Mehr Licht!’ verzocht en de geest gaf. Noem het sentimenteel fetisjisme.
Zo bracht de oude emeritus ‘Anneke’ dus ter sprake. Dat zij voortreffelijke maaltijden op tafel kon zetten en een hartelijke, gulle gastvrouw was, zoals hijzelf talloze malen heeft mogen ervaren, – méér over haar dat hij mij mogelijk heeft verteld, is mij helaas niet bijgebleven. Tijdens een van mijn laatste bezoeken aan Pée, – het Verzameld werk van Teirlinck, dat hij voorzag van oerwouden van aantekeningen, woordverklaringen, wijdlopige uitleggingen, honderden en honderden pagina’s, was na vele jaren eindelijk voltooid, – liet hij me een pakje brieven zien, bijeengebonden door kruiselings eromheen gespannen elastieken. Liefdesbrieven van Teirlinck aan zijn eerste echtgenote, Mathilde Lauwers, daterend van eind negentiende eeuw. Die waren na de dood van Teirlincks jongste dochter, begin jaren zeventig van de twintigste eeuw, in zijn bezit gekomen en wat moest hij nu met deze hoogst intieme documenten? Op dat moment ging in een belendend vertrek de telefoon. Pée verontschuldigde zich en begaf zich in de richting van het gerinkel, mij alleen latend met de goudmijn voor de Teirlinckbiograaf. Ik beken: ik heb het pak brieven niet alleen verstolen gestreeld als een museumstuk, ik heb het in beide handen genomen, dicht bij mijn gezicht om en om gedraaid en pas teruggelegd toen ik de professor, van wie ik nooit een historisch papier mocht aanraken, weer hoorde naderen. De geur van gestorven paperassen, volgeschreven door een verliefde jongeman in een tijd dat mijn eigen ouders nog niet waren geboren.
Uit Teirlincks huwelijk met Mathilde in 1900 (volgens een andere bron 1902) zijn twee dochters geboren: Stella, over wie mij niets bekend is, en Leentje over wie mij ook niets bekend is, behalve het feit dat ze huwde met een zoon van Teirlincks vriend Henry van de Velde. In mijn laatste Manteaujaren heb ik deze mevrouw Van de Velde-Teirlinck eens op de zaak ontmoet, – we gaven elkaar een hand en we zullen wel iets tegen elkaar hebben gezegd, het beliefde haar Frans te spreken. Ze was midden zestig en van oogopslag, gezichtsbouw, gestalte, statige manier van bewegen het evenbeeld van pa. Binnenskamers, onder elkaar, duidde het Manteaupersoneel haar aan met ‘dochtertje Teirlinck’, ook wel ‘meisje Teirlinck’. Niet veel later moet ze zijn gestorven.
In het tuingedeelte achter het museum kijk ik om me heen en concludeer ik uit de voorwerpen en materialen die er in het rond liggen dat de beheerder van het Teirlinckhuis hoogstwaarschijnlijk een handwerksman is en dat hij zijn ambacht hier in de open lucht uitoefent. Een rietvlechter? Mandenmaker? Touwpluizer? Bezembinder? Bloemschikker? (Pas jaren na datum verneem ik dat de Teirlinckbewaarder een ‘graskunstenaar’ is: hij maakt kunstwerken van gras, dat hij misschien in de beemden rondom Lot en Beersel afmaait, en laat het niet aan zijn hart knagen dat zijn kunst tijdelijk en bederfelijk is zoals ‘alle vlees’. Bij Jesaja staat: ‘Alle vlees is gras, en al zijn schoonheid als een bloem des velds. ’Alles verdort, verwelkt, verdwijnt.)
Ik ben terug bij het toegangshek, waar mijn gezellin timide is achtergebleven, buiten het bereik van de mokerende zon die het plaveisel doet dampen. Een voorbijganger heeft haar geadviseerd in Drie Fonteinen te informeren waar de museumconservator mag zijn, misschien zit hij er achter een frambozenlambiek. We besluiten om dit niet te doen: geen zin om op deze stralende middag in het spelonkenduister van het etablissement te verdwijnen en wat zouden wij op zoek gaan naar de conservator? Die heeft allicht belangrijker en/of plezieriger besognes af te werken dan duf achter ons aan te sjokken door de ruimten van het Teirlinckhuis, waar hij desgewenst met zijn ogen dicht de weg weet en de dingen kan aanwijzen. Bijvoorbeeld ‘de fles’. Naar ik weet bewaart het museumpje een fles met een bijzonder etiket waarin bier, wijn of nog iets anders zit of heeft gezeten. Er zijn misschien vijftig of meer van die flessen geweest en één ervan was ooit in mijn bezit, – niet langer dan plusminus anderhalf uur.
Willem Pée had er drie van staan, waarvan hij mij er een cadeau gaf toen ik voor het laatst bij hem was, een paar weken voordat ik mijn eerste Vlaamse periode afsloot en naar Nederland terugging. ‘Ter herinnering aan Herman Teirlinck, aan mij, aan onze samenwerking en aan Vlaanderen’, zei hij plechtig en met die deftige uitspraak van hem. Daarna vertelde hij het bij de fles, in ieder geval bij het eropgeplakte etiket horende verhaal:
Bij de parlementaire verkiezingen in 1925 stelde Teirlinck zich kandidaat voor de liberalen. Daartoe liet hij foldertjes drukken met een tekst die speciaal was gericht tot de politieagenten van Brussel. Het hoezo van dit laatste is mij nooit duidelijk geworden, – ik weet nog altijd niets over Teirlinck, de man achter het masker. Bij de tekst was zijn portret afgedrukt: hoge, stijve boord, Hirohito-brilletje, een of ander ereteken op tepelhoogte, het haar onberispelijk als met plaksel over de schedel gedrapeerd.
Toen hij bijna drieënhalf decennium later, in 1959, door de redactieleden van het Nieuw Vlaams Tijdschrift werd gehuldigd ter ere van zijn tachtigste verjaardag, waren de oorspronkelijke etiketten op de drankflessen vervangen door fotografische reproducties van zijn kiesmanifest uit 1925.
Weer zestien jaar later kreeg ik een exemplaar daarvan in handen gedrukt en ik herinner me nog mijn opgetogenheid. Een authentieke Teirlinckrelikwie en een belangrijke aanwinst in mijn collectie literaire flessen, die voorlopig alleen nog maar bestond uit een der Gebottelde gedichten van Marcel van Maele en een flesje Rodenbachbier. Per auto terug naar de uitgeverij, had ik het geschenk van Pée op de stoel naast me neergelegd, soms er een blijde blik op werpend, soms er mijn hand omheen vouwend als om een meisjesbeen.
In het hart van Brussel sloegen plotseling, zoals dat altijd gaat, de plaaggoden toe: terwijl ik in de rij voor een stoplicht stond, knalde vanachter een voertuig op het mijne, waardoor het blik waarin ik zat met een identieke knal tegen de achterbumper van de weggebruiker vóór mij werd geramd. In de paar seconden dat dit gebeurde realiseerde ik me uitsluitend dat er glasgerinkel klonk, – niet van stukgeslagen voor- of achterruiten, maar van de gekoesterde fles die van haar ligplaats werd weggekatapulteerd en met een hartverscheurende tik ergens tegenaan sloeg en brak. Op datzelfde ogenblik drong er scherp, langgerekt gesis mijn oren binnen, als van ontsnappend koolzuur, dat ik ogenblikkelijk associeerde met een stiekem losgelaten schuifscheet: de half-papperige vloeistof die onder het handschoenenkastje op de autobodem neerkwakte verspreidde een lucht, die onmiskenbaar aan diarree herinnerde.
De kettingbotsing veroorzaakte langdurig oponthoud, er moesten allerlei papieren worden ingevuld en er kwam politie bij te pas. Toen een van de agenten zich door de rechterdeur van mijn auto naar binnen dacht te buigen, deinsde hij geschrokken achteruit, – zijn neusingangen dichtknijpend informeerde hij of ik ten gevolge van de opdoffers onwel was geworden? Wijzend naar de gistende derrie vol ontploffende belletjes: of ik had gebraakt? Was er ambulance nodig?
Het etiket lag doorweekt maar onbeschadigd tussen de flesscherven in de nattigheid. Ik heb het tussen duim en wijsvinger opgedregd, laten uitdruipen, met toiletpapier drooggedept en in mijn kantoor op de hete verwarmingsradiator gelegd. Daar nam het, terwijl ik ernaar keek, binnen een kwartier dezelfde kleur aan als de inhoud van de feestfles op de vloermat in mijn auto: drabbig donkerpaars als bedorven lever. Wat later ontstonden daar zwarte vlekken en figuren in die de tekst onleesbaar begonnen te maken, – het portret van de schrijver was al in dat van een door melaatsheid getekende neger veranderd. Ik kreeg nog juist voldoende tijd om Teirlincks verkiezingspropaganda met een eigentijdse ballpoint over te schrijven, daarna schoof ik het papier van mijn tafel af in de prullenmand. De tekst luidde:
WETGEVENDE VERKIEZINGEN VAN
1925
Aan de politieagenten van Groot-Brussel!
Ook voor U is het van betekenis vertegenwoordigd te zijn
door iemand die U waardeert en die Uwe sympathie verdient!
Herman Teirlinck is Uw man!
HERMAN TEIRLINCK
Kent en begrijpt Uwe noden;
beter dan wie ook kan hij die in de kamer verdedigen.
Herman Teirlinck is een democraat;
een talentvol redenaar;
een letterkundige van Europeesche bekendheid;
een hoogstaand Kunstenaar.
De politiek van Herman Teirlinck is:
VREDE IN DEN LANDE, VOORUITGANG
EN VOLKSBESCHAVING
De naam van Herman Teirlinck
Vindt Gij op de 8e plaats van de lijst Nr. 3
Politiemannen, stemt nevens de naam van
HERMAN TEIRLINCK
In de nabijheid van het Teirlinckhuis staat een rank zuiltje van wit marmer ter nagedachtenis aan de schrijver (gemaakt door Hilde van Sumere). We kijken er van een afstand naar, in de blindmakende zon doet het ding aan een laaiende toorts denken en verbeeld ik me dat die de kern van de ons omringende hitte is.
Ik hoef het Teirlinckmuseum eigenlijk niet te bezoeken, overdenk ik terug in de auto, de verkoelende bries van de ventilators in mijn haar. Ik heb een eigen Teirlinckmuseum, het staat in mijn hoofd, het is altijd open en ikzelf ben er zowel conservator als gids.
En hoe is het vandaag de dag gesteld met mijn verzameling literaire flessen? Mijn begeleidster vraagt dit en ik moet haar antwoorden dat mijn exemplaar van Van Maeles Gebottelde gedichten ooit door een bezoeker uit mijn boekenkast moet zijn gestolen en dat het Rodenbachflesje, daar het toch maar leeg en nutteloos tussen de banden met Rodenbachs verzamelde dichtgonzingen stond te staan, door de werkster samen met ander glasafval in de container is gedumpt. Heden bezit ik, een verzameling kan men het niet noemen, slechts één pijpje met inhoud: Vondelbier, – vanaf het etiket staart de dichterprins ietwat verwezen mijn kamer in. Er is ook Brouwersbier in de handel, maar ik ben er nooit toe gekomen daar een flesje van te kopen. Waarom bestaat er geen Teirlinckgeus of Teirlinckkriekenlambiek, of wat mij betreft liever nog Teirlinckjenever, bijvoorbeeld onder het merk Het gevecht met de engel?
Het kerkhof van Beersel ligt te schroeien onder het verpletterende licht, de zerkstenen zijn bakplaten, waarvan de hitte in mijn gezicht springt als ik me soms voorover buig om de namen te kunnen lezen. Over de opschriften hebben zich vliezen van stof uitgespreid, bij iedere voetstap verstuift het poederzand van de paden die langs en tussen de graven leiden, – maar waar de personalia der overledenen in koper of zilverkleurig metaal zijn aangebracht, plonst de zon erin en veroorzaakt explosies van geschitter.
Een grauw en saai kerkhof, waarschijnlijk aangelegd in de jaren vijftig of zestig van de vorige eeuw, dus zonder de aangrijpende, romantische pracht van sommige oude Brusselse begraafplaatsen. De dodenakker van Beersel moet zijn aangelegd in de tijd dat Teirlinck inwoner van de gemeente was. Hoe vaak zou hij hier zijn geweest? In ieder geval ook toen hijzelf horizontaal door de kerkhofhekken het terrein op werd gereden.
Ik herinner me zijn overlijden nog scherp, ik was er meer door in de war dan van dat van mijn biologische vader in diezelfde tijd, een paar jaar eerder. Van de uitgeverij ging alleen de directrice naar de begrafenis van haar oudste fondsauteur. Mijn verzoek om een halve vrije dag om daar ook bij aanwezig te kunnen zijn, werd door haar ongeduldig afgewezen. Ik zou de verslagen en de foto’s de volgende dag wel in de kranten zien, sprak ze kribbig.
Of de begrafenis in een paar seconden televisienieuws te zien is geweest, herinner ik me niet, maar ik heb er zeker foto’s van onder ogen gehad en zo onthouden dat Teirlinck werd begraven en niet gecremeerd. Maar de vraag waar dit plaatsvond, brengt me, naarmate we langer in de stenen tuin rondzwerven, mijn vriendin rechts van het middenpad, ik links, meer en meer in verwarring: we kunnen zijn graf niet vinden. Rust Herman Louis Cesar Teirlinck wel hier in de blakerende grond en niet bijvoorbeeld in Brussel waar hij werd geboren en langere episodes van zijn leven heeft gewoond, de stad die hij evenzeer liefhad als haatte en vervloekte?
Aan de andere kant van de straat waaraan het kerkhof ligt, bevindt zich een huizenrij. Op een van de bovenverdiepingen staat een vrouw aan het geopende raam, – met een zakdoekje probeert ze de hitte van haar gezicht te wuiven. Wij zullen juist weer in de auto stappen, zeer teleurgesteld in deze Brabantse negorij waar het Teirlinckmuseum gesloten is en het Teirlinckgraf onvindbaar, omdat het na bijna veertig jaar misschien harteloos is opgeruimd, als de vrouw ons iets toeroept. Wij begrijpen dat we even moeten wachten, zij kan ons alles over het begraafoord en de aldaar sluimerende aanwezigen vertellen.
Even later verschijnt ze in de deuropening en waggelt ze de straat over, tamelijk lijvig, bejaard, traag ter been en in gezelschap van een vrolijk worstvormig hondje dat dansend en kaatsend om haar heen beweegt alsof het springveren bezit in plaats van korte pootjes. Ze gebruikt het zakdoekje om haar gezicht te deppen met bewegingen of ze tranen wegveegt, – als ze voor me staat zie ik dat ze een griezelig oog heeft. De klaproosrode pupil zit neuswaarts gedraaid, wat wit behoort te zijn is gebarsten en met hetzelfde rood doorlopen.
Een Teirlinckpersonage, concludeer ik, denkend aan de schertsend (of niet?) gemaakte opmerking van Louis Paul Boon, dat Teirlinck in al zijn romans een vrouw opvoert die aan één oog blind is en een moord pleegt.
Zou deze brave schommel daarjuist een individu hebben gekeeld, waarbij bloed van het slachtoffer in haar oog is gespat?
Uiterst vriendelijk vraagt ze in het streekdialect wie wij zoeken, tistezeggen wiens graf? Herman Teirlinck, aha, wij moeten maar met haar meelopen, zegt ze, zij kent het kerkhof als haar keuken, ze wandelt er drie keer per dag.
Zeker om het hondje uit te laten? Terwijl wij in haar tempo langzaam vorderen, onze schaduwen zwart als de dood vóór ons op het middenpad geschilderd, dartelt het beest, dat ogenschijnlijk geen schaduw heeft, over en tussen de zerken.
De zwarte, liggende steen bevindt zich helemaal achterin, tegen de kerkhofmuur, uiterst links in de verste hoek, waar ik tijdens mijn expeditie niet heb gekeken. Het laatste graf van de akker, – of was het misschien het eerste dat er werd gedolven? Dan zou de begraafplaats van Beersel van 1963 dateren en zou misschien Teirlincks tweede echtgenote de eerste zijn geweest die er in de aarde werd gelaten. Op een metalen schildje op het voeteneinde van het grafdeksel staan haar naam en jaartallen: Johanna Hoofmans 1890–1963. Daaronder de zijne: Herman Teirlinck 1879–1967. Het marmer is overdekt met zanderig stof, waar men met zijn vinger in zou kunnen schrijven. Bijvoorbeeld: ‘Hier ligt de schrijver van Zon’.
Jazeker weet onze leidsvrouw wie Herman Teirlinck is geweest. Een beroemde schrijver, wie in Beersel zou dat niet weten? Zij heeft meneer Teirlinck zó voor ogen, zoals hij liep te wandelen met zijn wandelstok en altijd een verse bloem in zijn revers. Hij moest voor mensen die hem groetten zijn hoed zo dikwijls afnemen dat hij net zo goed zonder hoed de straat op kon gaan. Zij kenschetst wijlen haar dorpsgenoot als nen sjieken tiep, altijd voor iedereen een vriendelijk woord. Neen, ze heeft nooit iets van hem gelezen. Met de hand waarmee ze het zakdoekje tegen haar gezicht hield gedrukt, wijst ze naar de steen die het echtpaar Teirlinck toedekt en zegt: Hier komt nooit niemand niet, nooitniet, nooit.
Dat verbaast mij. Zou er in Beersel niet een Teirlinckvereniging bestaan, waarvan de leden om de beurt de marmeren rechthoek eens een sopje komen geven en er een bloemetje op achterlaten? Het graf ziet er niet verwaarloosd uit, maar wel aan zijn lot overgelaten en vergeten.
De vrouw roept haar huisdier en verdwijnt links van Teirlinck in een ander, nog recenter in gebruik genomen dodenperceel. Rechts van Teirlinck is iemand begraven die Walschot heeft geheten, zodat ik aan de journalist Johan Anthierens moet denken. Kort voordat hij, veel te vroeg, overleed, opperde Anthierens het voorstel om de Lemméstraat in Antwerpen, waar Willem Elsschot en Gerard Walschap een poos tegenover elkaar hebben gewoond, om te dopen tot Walschotstraat.
‘Deze bedrijvigheid heet wipschieten’. Teirlincks ‘absolute leeftijd’: een jaar of acht.
We rijden terug naar de dorpskern, waar ik een nerinkje heb gezien waar men behalve van alles en nog wat ook snijbloemen te koop aanbiedt. Daar besluit ik tot een grote bos oranje gladiolen, die er in de hoogovenhitte minder uitgepuft bijstaan dan andere bloembossen. Inpakken hoeft niet, zeg ik tegen de winkelierster, – tijdens de betalingshandelingen vraag ik haar of zij Herman Teirlinck heeft gekend? Zij persoonlijk niet, verklaart ze, ze is niet van hier, maar haar man heeft, toen hij nog een jongetje was, van meneer Teirlinck een pijl en boog gekregen.
De beroemde foto: Teirlinck, keurig in pak met stropdas, het colbert dichtgeknoopt, staat wijdbeens en het lichaam zijwaarts gebogen. Met zijn rechterhand spant hij de pees van de handboog die hij met de hand van zijn omhoog gestrekte andere arm omklemt. De op de pees rustende pijl is hemelwaarts gericht, de foto is gemaakt in de seconde voor hij de pees zal loslaten en de pijl lanceert, die een in de top van een hoge mast bevestigde vogel omlaag moet halen. Deze ‘bedrijvigheid heet wipschieten’ en behoort tot ‘onze zeden uit een wijd verleden’, zoals Teirlinck schreef. ‘En het is waar ook dat daar de mystieke inhoud schuilt, want de herhaling van de voorvaderlijke gebaren is omhangen met heiligheid.’ Als hij de boog spande, de pijl richtte en ‘de hoge oneindigheid’ instaarde, kwam het hem voor ‘of mijn hele wezen wordt één met het knaapje dat ik was, en dat ik over de tijd heen als het ware identiek ben gebleven…’
Is dat misschien Teirlincks onontsluierde geheim, dat hij zijn leven lang identiek is gebleven met het knaapje dat hij was in het laatste kwart van de negentiende eeuw? Teirlinck met een ‘absolute leeftijd’ van zo’n jaar of acht, die hij altijd is blijven vermaskeren op de ogenblikken na dat hij met pijl en boog in de weer ging? Behalve een groot schrijver was hij een meer dan verdienstelijk handboogschieter: hij verwierf in deze sport meer prijzen dan hij voor zijn literaire werk ontving, hij was zelfs een poos voorzitter van de Landsbond der Wipschieters, welke functie hij met het presidentschap van de Mijolclub moest zien te combineren.
Het graf van Herman Teirlinck en Johanna
Hoofmans in Beersel.
Foto G. Debergh.
Terug bij het achteraf gelegen graf van Teirlinck, ereburger der gemeente Beersel, spreid ik er de gladiolen als een waaier over uit. Ik heb mijn hele verdere leven goed geoefend, zeg ik. Hoe meer ik schrijf, des te dwingender dringt de zekerheid zich aan me op dat ik niet kan schrijven. Dus blijf ik schrijven om te leren schrijven, – wie weet lukt het ooit naar mijn eigen volmaakte tevredenheid en allergrootste voldoening, al lijkt het mij dat dan het tijdstip is aangebroken om nooit meer een letter op papier te zetten. Intussen heb ik als leerling-tovenaar toch een oeuvre bijeengepotlood, in de titels waarvan merkwaardig frequent ‘zon’ voorkomt.
Als wij voor de tweede keer het kerkhof verlaten, onze schaduwen nu achter ons aan als niet van onze hielen af te schudden doodsspoken, kijk ik nog eens om. De oranje bloemblaadjes op de grafdeksel, waar de hittedamp van opstijgt, lijken vanop afstand vlammetjes te zijn. Alsof er een fragmentje zon op Teirlincks laatste rustplaats is neergestort, dat nog enige etmalen zal blijven gloeien voordat het uitdooft en regen de asresten wegspoelt.
Onze tocht zuidwaarts over de autosnelweg vervolgend, declameer ik in het lawaai van de wind in de open portierramen de laatste regels van Maria Speermalie:
‘Van de drie jagers gewaag ik niet eens, die bij stormweer op een vlammend ros door de wouden varen, en na zich slepen een jammerklagend hoorngetoet. Mijd u dat gij hen ooit ontmoet, want zij blazen de dood uit hun gouden trompen.’