Angèle en haar huisgenoot

In Greta Seghers’ lorrige boekwerkje Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau (Prometheus, Amsterdam, 1992) laat ze haar onderwerp op blz. 226 zeggen:

‘Alles overziend (lijdt het) toch geen twijfel dat de tweede helft van de jaren zestig voor mij persoonlijk de somberste periode uit mijn leven is geweest.’

Deze dramatische uitspraak kan onder karrenvrachten twijfel worden bedolven.

‘De somberste periode uit haar leven’?

Geen sprake van, eerder is het tegendeel waar.

Om te beginnen moet de dood van echtgenoot Closset haar als van een betonzwaarte aan haar been of om haar nek hebben bevrijd, ze heeft er geen traan om gelaten en van ‘haar ontreddering na zijn plotse overlijden’ (Seghers, 259) heeft nooit iemand iets gemerkt. In mijn bijzijn heeft ze de professor nooit meer ter sprake gebracht, behalve zijdelings eens in de context dat ze een leuk weduwepensioen aan haar huwelijk had overgehouden.

Dat leuke geldje stelde haar zonder pijn in staat de villa in Gooik te bekostigen, met de bouw waarvan begin 1965, onmiddellijk na zijn begrafenis, onverwijld werd begonnen, – huisvriend Oegema hield daar toezicht op, want zijzelf met haar bontjas en parelsnoer kon niet overweg met het ruwbesnaarde bouwvakkersvolk. In die villa, genaamd Het Bergveld, einde zomer van hetzelfde jaar voltooid, viel geen portretje van de professor, nog niet ter grootte van een halve postzegel, waar te nemen, noch enig ander iets dat aan hem herinnerde. Zijn nagelaten bibliotheek irriteerde haar, al die boeken stonden maar plaats in te nemen en gingen dus onder de hamer zodat ze nog wat poen opleverden, zoals ze gedurende de hele verdere rest van haar leven van alles en nog wat louter voor de poen ter veiling is blijven dragen.

In die villa in Gooik, Bergenbroekstraat 8, heeft ze zich jarenlang zeer wel te pas gevoeld. Het ruime huis stond halverwege een heuvel en keek aan de voorkant uit over de dieper gelegen, uitgestrekte tuin, waarachter het romantische, toen nog onaangetaste Pajottenland zich uitstrekte. Metterjaren werd de streek ook door andere rijke Brusselaars ontdekt en verrezen er hun protserige woonkasten die het panorama schonden als etterpuisten het lichaam van een adembenemende vrouw, – hoe stilmakend mooi de streek eeuwenlang is geweest, kan men nog zien op schilderijen van Pieter Brueghel (‘den Drol’), die er zijn ezel kwam neerzetten om de vergezichten vast te leggen.

Het door de heer en mevrouw Closset met een bijkomende bescheiden geldsom van meneer Oegema aangekochte perceel in de pastorale gemeente bestond uit het voormalige bedoeninkje van een keuterboer. Het eenvoudige woonhuis en de bijbehorende opstalletjes verkeerden in dusdanige staat van verval dat alleen de loden slopersbol er aan te pas kon komen. Bij graafwerkzaamheden welde er water uit de vette klei, zoveel, dat er een vijver ontstond en men hogerop moest gaan om de nieuwe behuizing op te trekken.

Aan het begin van het landgoed, beneden, kwam een ijzeren toegangspoort, vandaar werd een met het puin van de afgebroken gebouwtjes bestrate, met coniferen bezoomde oprijlaan aangelegd, die in een opwaarts hellende halve boog om de vijver heen naar de villa leidde. Naast het huis een moes- en groentetuin, – evenals het planten van de oprit-coniferen, nieuw geboomte, rozenstruiken en het cultiveren van de gazons die erbij kwamen te liggen als biljartlakens Oegema’s werk. De directrice zelf gaf niets om tuin, planten, bloemen, – kamerplantjes op vensterbanken en bureaus in haar kantoor in Brussel waren haar een gruwel, mede omdat het begieteren en verzorgen ervan ten koste ging van de werktijd. Wie een paar dagen in het Gooikse huis logeerde, kreeg vroeg of laat door Oegema een tuinschaar in handen gedrukt: de bedoeling was dat men hem assisteerde bij het wegknippen van de uitgebloeide rozen. Hij had veel verstand van tuinaanleg en siergewassen, – toen ik met mijn gezin uit Brussel wegtrok naar het buitendorp Vossem, de kant van Leuven op, kwam Oegema in zijn zwarte domineesbroek kuilen graven en heggenplanten neerzetten in onze achtertuin, die woest en ledig was, en er met het spitblad van zijn spade perkjes aftekenen tussen de distels en taaie grassen. (Met het lusthof aan de achterzijde van ons huis, zoals Oegema die voor ogen stond, hij maakte er een schetsje bij, is het overigens nooit iets geworden.)

Het Bergveld in Gooik was een zeer aangenaam huis, omringd door geruis en geritsel van bomen en het Gezelleaanse ‘schuifelen’ van vogeltjes in verder absolute, volmaakte stilte. Bij de bouw en inrichting ervan was niet op een dubbeltje gekeken. Gasten kregen de van alle utiliteiten voorziene woonafdeling links in het huis tot hun beschikking, oorspronkelijk toegedacht aan wijlen de professor. Daar was ook een ruime, lichte werk- en zitkamer met de weidse uitzichten op Brueghel. Als ik voorbij de zestig en rijk ben, wil ik ook zo’n verblijf te lande om er mijn laatste symfonie en mijn memoires te schrijven, dacht ik als ik wel eens in Angèles Trollhaugen logeerde.

Oegema schreef er zijn laatste verzen en boeken, waaronder zijn ‘memoires van een onmogelijk man’ De vrouwen en ik. Hij heeft negen jaar, tot 1974, zijn zevenenzestigste levensjaar, met Angèle in het Gooikse eldorado samengewoond, tot de cake echt, finaal, tot en met de allerlaatste kruimel, op was. De naam van de uitgeefster komt in zijn levensboek niet voor, tot teleurstelling van degenen die misschien nieuwsgierig zijn naar de aard van de relatie van die twee. Angèle wordt er soms in opgevoerd als ‘Peter’, op blz. 169/170 aldus:

‘Want Peter is een geslaagd man en ofschoon hij pensioengerechtigd is werkt hij door (…). Hij heeft het ver gebracht, al is hij dan een slaaf van zijn beroep geworden, en zocht hij zelfbevestiging in hetgeen hij bezit. (…) Met zijn vriendin heeft hij (…) een huis in het Pajottenland gebouwd’ enzovoort.

Met die ‘vriendin’ bedoelde hij dus zichzelf. Wat een halfslachtige manier van memoires vertellen, als daarin kennelijk allerlei moet worden verdoezeld.

De aard van de relatie van die twee was onvatbaar. Al woonden ze onder hetzelfde dak, ze ontweken elkaar zoveel mogelijk omdat ze geen van beiden geschikt waren om met wie dan ook samen te wonen. Welke illusies ze mogelijk nog hadden gekoesterd bij hun oorspronkelijk plan om, met Closset erbij, een ménage à trois te voeren, weldra moeten die, toen de nieuwigheid van het mooie huis, de bloeiende tuin, het andere leefpatroon en -ritme gewoon waren geworden, tot nevel zijn vervluchtigd. De enkele keren dat ik er op bezoek ben geweest of heb gelogeerd is het zelden voorgekomen dat beiden aanwezig waren. Angèle zorgde ervoor niet thuis te zijn als er (sporadisch) bezoek voor Tonton over de drempel trad en hij op zijn beurt vertoonde zich niet als de directrice gasten ontving. Het huis werd proper gehouden door een boerenvrouw uit de buurt, die ook voor het tweetal kookte.

Er kwam een nieuwe hond, jong, druk, driftig, een vuilnisbakkenexemplaar van klein formaat dat de beleefde conversatie aanhoudend met hoog blafgeluid frustreerde en niet ongenegen was zijn tanden in op bezoek zijnde beroemde schrijvers te drijven. Opzij van het huis was honds verblijf waarin hij werd opgeborgen als hij binnenshuis niet tot de orde kon worden gebracht: een ijzeren kooi geschikt voor een tijger, condor of ander verscheurend dier, – het geringe hondje protesteerde daar hartstochtelijk tegen door tegen de tralies op te springen en lang te blijven blaffen, in samenzang met soortgenoten uit de omgeving.

Toen de uitgeefster, begin 1971 in dienst getreden van Elsevier, door de week in Amsterdam verbleef, begon Oegema zich in de afgelegen stille villa toch eenzaam en ongelukkig te voelen. Na 1972, toen hij werd gepensioneerd en van de totaal veranderde, welhaast anarchistisch geworden uitgeverij Manteau geen lees-, herschrijf- en vertaalwerk meer kreeg toegezonden, kwam het gevoel van nutteloosheid er nog bij.

Soms belde hij mij op kantoor en vroeg hij of ik geen zin had om aan het eind van de dag bij hem in Gooik ‘iets te komen gebruiken’ en wat te praten. Daar had ik inderdaad geen zin in, al ben ik toch, als werk van barmhartigheid, een paar keer naar hem toe gereden. Oegema, zijn silhouet afgetekend tegen de glaswand waarachter zijn tuin en het landschap in de schemer verdwenen, schonk Sonnema, een jenever uit zijn geboorteprovincie. Hij kieperde de glaasjes vol tot aan de rand en met een kop erop, waarna het de kunst was om als geoefend innemer het kelkje zonder beven en morsen naar de mond te brengen. Hij wees naar de coniferen aan weerskanten van de oprit, die intussen tot rijzige bomen waren uitgegroeid: donkere gestalten in de aansluipende avond. Waar die mij aan deden denken, vroeg hij en gaf meteen zelf het antwoord: Tralies, een dubbele rij tralies. Er klonk iets door in zijn stemgeluid of hij tegen zijn tranen vocht, – we waren aan ons vijfde Sonnemaatje.

Hij had, zei hij, geen andere aanspraak meer dan met ‘de buren beneden’, een boerenhuishouden waar hij regelmatig om verse melk en eieren ging. Die mensen uitten zich in het voor hem volstrekt onbegrijpbare Pajottenlandse taaleigen, zonder dat zij van hun kant veel van zijn uit-de-tijdse, deftige Nederlands begrepen. Bovendien stond de radio of televisie er altijd aan met een als voor hardhorenden afgesteld geluidsvolume, dat tijdens het elkaar toeschreeuwen niet werd gedempt. Aanspraak tussen aanhalingstekens dus, zei Oegema teleurgesteld, alsof hij had verwacht met de vriendelijke landman en zijn gezin gesprekken te kunnen voeren over de Parijse bohème eind jaren dertig, kleurenpsychologie en literatuur.

In mij vond hij een geïnteresseerde toehoorder: terwijl we bevend en morsend het zoveelste Sonnemaatje naar de lippen tilden, de inhoud van de fles begon snel bodemwaarts te gaan, vertelde hij over zichzelf als jeugdige dichter uit socialistisch nest die er maar niet in slaagde zijn rijmsels gepubliceerd te krijgen. Hij stuurde ze naar Willem Kloos, die er niets aan vond en ze met de vuilnisman meegaf. Hij durfde, daartoe onuitgenodigd, aan te bellen bij Herman Gorter en Henriette Roland Holst. Hij viel J.H. Leopold, P.C. Boutens, Frederik van Eeden lastig, laatstgenoemde zocht hij op in Walden. Overal afwijzing en nul op het rekest, hij kreeg zijn pennenwrochtsels niet uitgevent, zodat hij, in 1936 eindelijk bij W.L. & J. Brusse te Rotterdam debuterend met een mager bundeltje, het de titel Verzen van een venter gaf.

Leuke verhalen, kurkdroog verteld. ‘U zou dat allemaal eens moeten opschrijven’, zei ik.

Zo begon Oegema aan De vrouwen en ik, zijn vertekende, opzettelijk vaag gelaten memoires waar niets wezenlijks in staat, waarin hij niets openlijk zou vertellen, namen veranderde, personen verzon om er de echte personen en ook wel zichzelf in te verstoppen: een uit angstige benepenheid zo vervalst levensverhaal dat hij het net zo goed ongeschreven had kunnen laten. Wie het leest, krijgt Oegema, zoals hij werkelijk moet zijn geweest, niet scherp voor ogen, noch wie dan ook van de erin te voorschijn geroepen figuren: iedereen draagt een masker, kennelijk moet er heel wat buiten het blikveld van de lezer blijven. Een onoprecht boek, tot overmaat van verveling ook nog geschreven in flets en fantasieloos ambtenarennederlands van ouderwetse snit. (‘Martien Beversluis, dien ik […] bezocht.’)

Verzen van een venter werd gerecenseerd door Marnix Gijsen (diens Verzameld werk, deel 6, blz. 216 e.v.), die Oegema een ‘bescheiden talent’ toeschreef. Een van ’s dichters motieven, aldus de bespreker, was ‘de natuur, die hij bezingt met het padvindersoptimisme van Adama van Scheltema’. Gijsen zag in Oegema een zoveelste dichter ‘die het gemoedelijke navelcentrisme voor filosofie aanziet en die de mogelijkheid tot grootheid welke in hem schuilt, behaaglijk laat teloorgaan.’

Een rake observatie.

Gijsen citeert een driestrofig gedichtje uit Verzen van een venter, waarvan hij suggereert dat het kan zijn ‘geschreven tegen de verveling’, op zo’n manier dat het ‘over honderd jaar’ nog van kracht kan zijn:

Soms zijn wij dagen,

dagen aaneen,

vreemd voor elkaar

en als nimmer alleen (…)

Vreemd is je blik

en ik denk aan een ander

en onze oogen

ontwijken elkander.

Tastende woorden

gaan schuw langs ons heen.

Wij zijn meer eenzaam

dan ooit voorheen.

Waarschijnlijk geschreven in de jaren dertig, geldt de inhoud van het versje in ieder geval ook voor de latere jaren van de periode 1965-1974 dat de dichter in Gooik samenwoonde met de weduwe Closset. Hond achter tralies, Oegema achter tralies en Angèle leek beider cipier te zijn, – zoals alle cipiers leefde ook zijzelf achter tralies: die van haar angsten.

Die hoge, brede glazen schuifpui en al die grote ramen: iedere inbreker met een béétje glassnijder kon zo naar binnen, of anders hoefde hij maar een baksteen te gebruiken. Als ’s avonds de telefoon ging, wist ze zeker dat het een insluiper was die op die manier aan de weet wilde komen of er ja dan nee iemand thuis was voordat hij met glassnijder en breekijzer zou komen voorrijden. Ze had angstvisioenen over brand. Ze ontving postbezendingen waaraan ze kon zien, zei ze, dat die vóór haar al door ‘iemand’ waren geopend. In 1981 vroeg ze me in een brief opeens of ik wist wie de louche kerel was die circa 1966 midden in de nacht in Brussel de door meneer Neys aan de stoeprand neergezette vuilnisbakken van de firma Manteau kwam doorsnuffelen. Paranoia!

Toen ik, sedert haar vertrek naar Elsevier in onmin met haar, Angèle M. in 1978 op haar uitdrukkelijke verzoek weer eens in haar Bergveld bezocht, informeerde ik natuurlijk naar meneer Oegema. Die woonde al vier jaar ergens anders, antwoordde ze. En: ‘Toen hij vertrok heb ik een dansje door het huis gemaakt van blijdschap.’

Niet lang hierna werd ze van het alleenzijn in het afgelegen huis, omringd door de verpletterende stilte van eeuwen, zo bang, dat ze een jong gezin in huis haalde: vader, moeder, twee dochtertjes. Dit gezelschap mocht gratis in het oorspronkelijk de professor toegedachte huisgedeelte wonen: – de moeder werd huishoudster van villa Bergveld, de vader tuin- en klusjesman.

Nog weer later, ze liep naar de negentig, verliet ze Gooik en vestigde zich in een serviceflat voor duur volk in Erembodegem bij Aalst, het dorp van de door haar zogenaamd zo bewonderde en beminde L.P. Boon.

Ik wist van Oegema al dat in Gooik de sfeer in huis, als zij er op elkaar waren aangewezen, tenslotte om te schieten was geweest en hij zich in ieder geval een heel stuk minder chagrijnig voelde bij haar afwezigheid en het besef dat zij zich heel ver van Gooik vandaan bevond. ‘Vreemd aan elkaar en als nimmer alleen…’ Schreeuw- en scheldpartijen, scherpe verwijten, gestampvoet, dichtknallende deuren. Jan Klaassen en Katrijn. Zoals ik haar in Brussel nog wel eens tegen haar echtgenoot heb horen uitvaren. En zoals ze bepaald niet zelden kon tekeergaan tegen personeel en medewerkers van haar uitgeverij. Oegema ‘een onmogelijk man’, Angèle was vele malen erger.

Angèle schrijft haar memoires. Document uit oktober 1981.

 

    Markante overeenkomst tussen hen beiden: het manipuleren van hun verleden. Vervalste Oegema zijn autobiografie, de uitgeefster is al decennialang zo verwoed bezig háár biografie om te liegen dat ze zelf in haar onwaarheden is gaan geloven en verontwaardigd is als anderen haar erop attent maken dat haar uitspraken en beweringen nogal dikwijls kunnen worden weerlegd door aantoonbare feiten.

De Manteaubiografie van Greta Seghers is waardeloos omdat de niet in Angèles leven ingevoerde schrijfster al te onkritisch en klakkeloos alle verzinsels van de barones als onbespoten waarheid heeft aanvaard en neergeschreven. Als de biografe nader onderzoek zou hebben verricht, o.a. naar nog meer documenten dan die A. Manteau haar welberaden aanleverde terwijl ze andere zeer leep onder haar vloeiblad verborgen hield, en door belangrijke getuigen en sleutelfiguren te interviewen, wat de biografe vreemd genoeg allemaal heeft nagelaten, zou er allicht een betere, in ieder geval genuanceerdere en waarheidsgetrouwere biografie zijn ontstaan dan het sprookjesboek dat ze heeft afgeleverd. Op zeker moment kreeg de naïeve en goedgelovige Seghers toch door dat de uitgeefster zat te liegen dat ze er bekant van barstte, dat de uitgeefster zo met archiefpapieren goochelde dat het Seghers eindelijk duidelijk werd dat ze werd belazerd waar ze bijstond. Einde van de aanvankelijk zo diepe liefde: de biografe werd de deur en de afrit met de siertralies gewezen, richting ijzeren toegangspoort, en ze hoefde niet meer terug te komen.

Een refrein in het leven van de toen inmiddels tachtigjarige verkoopster van boeken, die met vrienden, vertrouwelingen, medewerkers pleegt om te gaan of het sigaretten zijn, naar willekeur op te steken, uit te blazen, onder de schoenzool te verpletteren. Daarna maakt ze van blijdschap een dansje door het huis.

Angèle en haar angsten: kom haar niet te na want ze is bang van affectie en nog banger om zelf van affectie blijk te moeten geven. Bang dat ze als feitenverdraaister c.q. -wegmoffelaarster door de mand zal vallen, wat ze dan ook prompt steeds vaker doet: om goed te liegen is intelligentie vereist, over deze eigenschap beschikt de barones niet in overdreven mate daar ze ervan uitgaat dat iedereen nog dommer is dan zijzelf.

 Image

Angèle stuurt haar biografe de laan uit.
Tekening van Paul van der Steen, Het Parool, 30 september 1992.

    Onbegrijpelijk dat Greta Seghers, die zichzelf historica noemt, de biografie vervolgens niet heeft aangevuld en verrijkt met nieuwe feiten uit andere bronnen. Seghers leverde haar halfslachtige, onvolledige, slecht gedocumenteerde en van opzettelijke leugens dan wel halve waarheden scheef hangende biografie slaafs en braafjes in bij uitgeverij Prometheus, Amsterdam, waar ze te maken kreeg met twee heren die achter de schermen kennelijk voortdurend door Angèle werden opgejut. In een ingezonden brief (Humo, ergens in oktober 1992) schreef de biografe: ‘De heren Malherbe en Van Krevelen hebben me (…) maandenlang onder zware druk gezet om voor de uitgeefster bezwarende episodes te schrappen. Omdat ik me (beschaafd) verweerd heb, heb ik ten minste het wezenlijke kunnen behouden.’ (De haakjes waartussen hierboven het woord beschaafd staat, zijn van de schrijfster.)

Dat ‘wezenlijke’ in Het eigenzinnige leven van Angèle Manteau door Greta Seghers (zie ook Vlaamse leeuwen, blz. 302 e.v.) is wezenlijk zeer dun. Ik zou die niet behouden episodes wel eens willen lezen. Zich beschaafd verweerd, hoezo? Ik zou het ding hebben teruggeëist en de heren in niet mis te verstane termen te kennen hebben gegeven dat ze de boom in konden. Met A. Manteau erbij.

Wat achtte Greta Seghers nu eigenlijk zo belangrijk aan het per se en onmiddellijk publiceren van het onboek? Waarom er niet alsnog een goed boek van gemaakt, zonder verder het geteem en de censuur van Angèle aan haar kop en de ‘zware druk’ van bovengenoemde heren?

De ex-uitgeefster stelde de historica brieven ter beschikking die eerstgenoemde tussen 1978 en 1986 aan Jeroen Brouwers richtte. Op blz. 241 meldt de schrijfster ‘er vrij zeker van (te zijn) dat ze mij niet al haar brieven aan Brouwers ter inzage heeft gegeven’. Dit had ik, de biografie lezend, al door voordat ik blz. 241 had bereikt. Angèle heeft mij veel geschreven waarvan ze later spijt kan hebben gekregen, ik bezit al haar brieven nog, waarom heeft Seghers mij niet even gebeld?

Op blz. 262 leest men: ‘Nog voordat ik de opdracht aanvaardde haar biografie te schrijven, heb ik me tegenover Angèle Manteau duidelijk geprofileerd als “een geestverwant van Jeroen Brouwers”. Dat deerde haar geenszins.’ Niettemin verklaart Seghers elders dat A. Manteau haar verbood ‘citaten uit het creatieve werk van Jeroen Brouwers’ in de biografie te vervlechten. Van dit verbod blijkt de schrijfster zich niet al te veel te hebben aangetrokken, al rest de vraag waarom A.M. dit verbood.

Mijn ‘creatieve werk’. Is er ook oncreatief werk van mij bekend?

G. Seghers een ‘geestverwant’ van mij? Dat lijkt me sterk en ik schrok toen ik het las. Deze schrijfster en historica van niks? Deze vileine roddeldoos? Ik onderken geen enkele geestverwantschap tussen onderhavige babbelut en mezelf. Bovendien leert de ervaring dat het uitkijken is geblazen met types die zich ‘geestverwant’ noemen: hun schrijf- en levensinstelling, – volgens mijn besef is dat één en dezelfde instelling, – blijkt niet zelden flagrant tegengesteld aan de mijne, zodat ik me geneer omdat zij zich uitgeven als Brouwersadept. Stront over je heen kan je krijgen, geheel gratis, van zelfverklaarde ‘geestverwanten’.

Zou het waar zijn dat het Angèle ‘geenszins’ deerde dat de biografe zich ‘duidelijk’ als geestverwant van ondergetekende ‘profileerde’? Ik ben zo vrij daar vierkant aan te twijfelen, geheel afgezien nog van mijn nieuwsgierigheid: waar heeft dat duidelijk profileren van G. Seghers precies uit bestaan? Feit is, dat de gepensioneerde directrice G. Seghers nòg een verbod oplegde, namelijk om in verband met de te schrijven biografie contact te zoeken met ‘het vijandige kamp’: Jeroen Brouwers en Julien Weverbergh. Dat heeft de schrijfster dan ook niet gedaan, ook niet nadat er, zoals van meet af aan te verwachten viel, mot, keet, ruzie, oorlog was uitgebarsten tussen Vrasene, G. Seghers’ woonplaats, en Gooik. Beide krokodillen waren gaarne bereid elkaar te verscheuren, wat bij verschijning van het boek zou blijken uit twee in haat gedrenkte interviews: Angèle over Greta in Humo, 22 september 1992, laatstgenoemde over eerstgenoemde in Knack, 29 september 1992.

Verrukkelijke lectuur en dolle pret!

Ziek was Angèle van de hele toestand, zegt ze (‘verschijnselen van hyperventilatie’) en verder, geheel conform haar gewoonte, zwamt ze maar een eind weg, zonder dat de journalist (Manu Adriaans) haar in toom weet of durft te houden. Dat is een tactiek van haar, kenmerkend voor alle interviews die ze toestaat: zijzelf bepaalt de lijn van het gesprek en die lijn voert van hot naar her en valt nergens aan vast te knopen. Pijnlijke vragen beantwoordt ze doodgewoon niet, in plaats daarvan begint ze over iets totaal anders. Op verwijten die Greta haar nadraagt, o.a. over het verzwijgen en achterhouden van documenten, reageert ze eenvoudig met: ‘Dat is niét waar.’ Punt. Geen nadere toelichting of inkleuring en de journalist geeft geen krimp. Greta ook al ziek van het gedoe en er zelfs door in het ziekenhuis beland? Angèle hoont het van tafel. Haar biografe, zegt ze, ‘heeft gewoon hysterectomie moeten ondergaan, zoals veel vrouwen rond hun vijftigste. (…) Laten we dáár geen drama van maken.’ Waardoor liep het project uiteindelijk op de klippen? Volgens de ex-uitgeefster doordat Greta tijdens de gesprekken geen bandrecorder gebruikte, ‘zodat ze achteraf een taal hanteerde die de mijne niet was. Het is haar volste recht te schrijven zoals Lodewijk van Deyssel, ik had zelfs veel bewondering voor die man, maar zo spreek ik niet.’

Lodewijk van Deyssel? Door Angèle M. bewonderd? Ik doe er een eed op: Angèle M. heeft nooit enig boek van Lodewijk van Deyssel van binnen gezien. Greta en schrijven zoals Lodewijk van Deyssel? Ju ju! Dat damesbladenstijltje van de historica? Nooit eerder, noch bij leven, noch postuum, is Lodewijk van Deyssel zo geschoffeerd. Het blauwkousengeklepper in die bespottelijke biografie? Angèle spreekt het niet hardop uit, maar suggereert (‘fijntjes’ volgens de journalist) dat Greta’s Deysseliaanse proza ‘taalkundig’ werd ontluisd door Plien van Albada, ‘een bijzonder competente redactrice’ (dixit Angèle) bij uitgeverij Prometheus, waar het lor toch nog verscheen. Wel hardop spreekt ze gaarne nog even uit dat die mevrouw Seghers helemaal geen historica met universitaire titel is, maar gewoon een geschiedenisjuf.

Voorts heeft Angèle, zegt ze, ‘een afkeer van gekibbel’. ‘Ik hou niet van ruzie,’ zegt ze, ‘ik ben er zelfs wat laf voor, ik ontvlucht het.’ Zegt ze. Mijn reactie, gebaseerd op grondige kennis van haar psychologische geaardheid, levenswandel en achtergronden (vandaar het Greta opgelegde verbod, contact met mij te zoeken): dat ze laf is klopt, de rest is larie, schijnheiligheid, komedie. Van die rest is het tegendeel waar: Angèle M. kan niet zonder ruzie. Het is de zuurstof en de motor van haar bestaan, zoals een vampier vers bloed behoeft om te blijven ademen. Het is de reden dat ze ‘zoveel vijanden’ en ‘niet één vriend’ heeft, zoals ze niet moe wordt in ieder interview te herhalen alsof ze er trots op is. Zijzèlf veroorzaakt ruzie, altijd, met iedereen die haar niet naar de mond praat. Wantrouwig tot over de grens van paranoia (wat trouwens een der ‘verschijnselen van hyperventilatie’ is). Rancuneus tot in haar verste hersenweefsels. Te laf om ruzie openlijk te voeren, haar strijdmethodes bestaan uit roddel, verdachtmakerij, geniepig gerommel achter de coulissen, zoals ze ook te laf is om rechtuit toe te geven dat ze zich nu en dan in haar leven pijnlijk heeft vergist, personen verkeerd heeft beoordeeld, zaken verkeerd aangepakt, wat in ieders leven kan voorkomen, in plaats van bewijsstukken weg te moffelen, te ontkennen, te liegen, te proberen haar biografie te vervalsen. Naar ze de interviewer vertelt, kreeg ze aanvragen van televisiemakers om samen met Greta in praatprogramma’s te komen zitten om het hele gedoe rondom de mislukte biografie eens gezellig in het openbaar te evalueren. Hierover verklaart ze: ‘Dat wil ik niet, want dan wordt het een vertoning zoals met Ruyslinck en zijn vriendin Monika, na de zelfmoord van zijn vrouw. Gênant.’ De waarheid is, dat ze uit lafheid liever op de vlucht slaat.

Greta S. zou het vermoedelijk wèl hebben aangedurfd.

Ze durfde een radio-interview met Ischa Meijer aan, die haar vragen stelde als: ‘Heeft u een verhouding met dat vrouwtje gehad? Bent u met haar naar bed geweest?’ De interviewer sprak: ‘Het lijkt verdomd wel op een echtscheiding. Ze is gewoon een pot, die Angèle Manteau.’ Hierop reageerde Seghers flauwtjes met de woorden van Jezus Christus tot Pilatus: ‘U zegt het.’ Ischa Meijer weer: ‘Heeft u gedreigd? Met fysiek geweld? Dat wil nog wel eens helpen.’ (Ontleend aan de Volkskrant, 9 oktober 1992.)

Het Knack-interview met haar (door Johan Vandenbroucke) bevat passages die ze beter, wat zorgvuldiger uitgewerkt, in haar Angèleboek had gepubliceerd. Mijn ‘geestverwant’ had zich niet moeten laten imponeren door A. Manteau en haar vazallen waardoor, aldus de inleiding tot het interview, onder meer het slothoofdstuk drastisch werd gemutileerd. ‘Van dertig naar zes bladzijden teruggebracht’: het handelde voornamelijk over de persoonlijkheid en de karakterstructuur van de gebiografeerde. (Dit woord gebruikt Jan Fontijn in een opstel over ‘de biografie’ in Tirade 400, 2003) Het interview, opnieuw volgens de inleiding, mocht ‘als een aanvulling (van het boek? van het slothoofdstuk? J.B.) worden gelezen’. Mosterd na de maaltijd dus, of zoals de Vlaming zegt: vijgen na Pasen.

Een schrijver met karakter dient zich niet ‘beschaafd te verweren’ tegen ingrepen in zijn tekst, die neerkomen op censuur. Hij moet geen censuur toestaan. Bovendien is ‘beschaafd’ verweer in dezen altijd hoe dan ook uit den boze, doe het maar meteen onbeschaafd: drijf de priem zonder pardon zo krachtig en diep mogelijk in de lillende zweer. Tegelijkertijd acht ik het ook denkbaar dat er zoveel uit Greta’s levenswerk is verwijderd vanwege wijdlopig en irrelevant geouwehoer, een euvel waaronder het definitieve boek trouwens nog steeds lijdt, al is het, volgens het interview, van vierhonderdvijftig bladzijden ingekrompen tot driehonderd.

Ook Greta is niet vies van suggestieve roddel, noch van de ontaarde, nijdige monsterneef daarvan: laster. Daar ze de biografie, op het laatste hoofdstuk na, om een of andere belachelijk malle, hoofdzakelijk gemakzuchtige reden in de ik-vorm heeft geschreven, zou men kunnen veronderstellen dat ze de klets en leugens zo uit de mond van de ex-uitgeefster heeft opgetekend (zonder bandopnemer). Greta en Angèle: twee boosaardige Furiën, perfect aan elkaar gewaagd, maar sommige dingen kan de barones niet hebben gezegd omdat ze zaken betreffen die zich buiten haar leven en egoïstische belangstellingsfeer hebben afgespeeld.

Greta over Angèle: ‘Ze heeft zich eerst voorgedaan als een biezonder charmante vrouw. (…) Later heeft ze zich getoond als het complete tegendeel van de beschaafde dame.’

En: ‘(Ik moest) bij haar alles in twijfel trekken. (…) Het probleem is dat je nooit weet of ze de waarheid zegt.’

Zeer juist. Maar waarom niettemin dan zo noest doorgearbeid aan die vermaledijde biografie? Waarom het bijltje er niet tijdig bij neergegooid?

Greta over mij: ‘Ik begreep niet waarom Brouwers (in Vlaamse leeuwen, blz. 281 e.v., J.B.) kritiek had op de manier waarop Angèle Manteau Boon had behandeld. (…) Ik begreep Brouwers’ boosheid pas’ (toen ze erachter kwam dat haar onderwerp bezwarende brieven van Boon en anderen verdonkeremaande).

Vraagjes: hoezo begreep Greta mij eerst niet? Was mijn kritiek niet deugdelijk gedocumenteerd alsook helder geschreven misschien? En kende ze De als kameleons uitgedoste oude koeien van Angèle Manteau niet, Weverberghs pamflet waarin onderhavige affaire breed aan de orde komt? Als Greta dit pamflet zou hebben gelezen, had ze ook antwoord gekregen op haar vraag (blz. 239): ‘Wat is er waar van de geruchten dat ze (Angèle, J.B.) begin jaren vijftig heeft geweigerd poëzie van de jonge Claus uit te geven?’

Het verstandigst is, nooit in twijfel te trekken dat ik altijd de waarheid zeg, ik ben daarin fundamenteel anders dan mijn voormalige uit- en werkgeefster, die ik al heel lang doorhad voordat de geschiedenisjuf zo totaal onvoorbereid aan haar boekje begon. Ik schreef eens aan Angèle (Kroniek van een karakter, Deel I, De Achterhoek, blz. 348): ‘Tegenover mij beklaag je je erover dat “waarschijnlijk”“niemand” ooit over de uitgeefster A. Manteau zal schrijven, terwijl jij zèlf bezig bent alle sporen op te ruimen.’

Greta, nadat ze Angèles stiekeme gedoe had ontdekt: ‘Toen ik er boos over werd, heeft ze dat aangegrepen om onze samenwerking op te zeggen.’

En maar verwoed doorhakken met hetzelfde bijltje, en maar doorzwoegen aan het door Angèle zelf geboycotte onding vol falsificaties. Onbegrijpelijk! Waarom mij niet even gebeld, Weverbergh niet even gebeld en nog anderen, onder wie bijvoorbeeld Wim Hazeu? Deze laatste was A. Manteaus opvolger bij Elsevier, heeft haar in haar nadagen goed, van nabij gekend en vele brieven met haar gewisseld, waaruit de biografe een schat aan haar door Angèle verzwegen feiten had kunnen opdelven. In 2001 heeft Hazeu al die brieven verkocht, nadat ook hij met het mens gebrouilleerd raakte.

Greta heeft Weverbergh noch mij bij haar tot mislukken gedoemde modderboek betrokken omdat de barones haar dat ten strengste had verboden dus. Na het uitbreken van de vete tussen haar en ‘het complete tegendeel van de beschaafde dame’ hield ze zich aan dit verbod. In De Vlaamse Gids (jaargang 78, nr. 4, 1994) legt ze in een hijgerig pro domo uit waarom. ‘Ik wou me niet door hun aversie voor Angèle laten beïnvloeden’, schrijft ze vroom doch niet zonder taalfout (aversie voor?). Even verderop: ‘Vooral zou ik het van mezelf een rotstreek hebben gevonden om, na mijn breuk met Angèle, naar “het vijandelijke kamp” over te lopen.’

Vandaar dat er èn over Weverbergh èn over mij zoveel onjuistheden in het boek zijn blijven staan, nog afgezien van de onafzienbare hoeveelheden nonsens die Angèle haar op de mouw heeft gespeld en die Greta makkelijk bij Brouwers, Weverbergh en nog andere personen had kunnen verifiëren.

‘Aversie’? ‘Het vijandelijke kamp’?

Ik ben objectief genoeg om persoonlijke afkeer afzijdig te kunnen houden van historisch onderzoek, de nephistorica G. Seghers kennelijk niet, vide haar angst voor ‘beïnvloeding’. Een der taken van iedere ernstige biograaf, die op zijn/haar beurt uiteraard in de eerste plaats de grootst mogelijke objectiviteit dient te handhaven, is het kaf van het koren te scheiden, ofwel het verzinsel c.q. de roddel van de controleerbare waarheid. De nephistorica G. Seghers is niet zo’n biograaf.

Zelfde bron, zelfde alinea als hierboven tatert ze voorts: ‘ik achtte het (terecht, naar zou blijken) niet waarschijnlijk dat zij nog met nieuwe elementen tevoorschijn zouden komen.’Vooral het parmantige terzijde tussen haakjes is om je wenkbrauwen er heel hoog bij op te trekken. Een biograaf die nalaat sleutelfiguren te raadplegen, onder meer ook daar ze het gemakshalve ‘niet waarschijnlijk’ acht dat er nog iets nieuws aan de oppervlakte zou komen? Zowel Weverbergh als ik (als nog anderen) zouden met bewijzen in de hand de nephistorica G. Seghers op leugens in tal van verklaringen van A. Manteau hebben kunnen wijzen, noem dat maar geen ‘nieuwe elementen’ en publiceer uit lamlendigheid en bevooroordeeldheid gerust een ongaaf boek dat je dan (achterplat) ‘een uitzonderlijke biografie’ noemt.

Nadat Weverbergh in 1981 zijn pijnlijke, maar waarheidsgetrouwe Kameleons-pamflet tegen Angèle M. had gepubliceerd (Greta Seghers noemt het geschrift niet eens), kwam hij pas dertien jaar later op zijn voorgangster terug in zijn memoires De voorwerpen (1994).

Aversie? Vijandschap?

Men leze op bladzijde 264 over Weverberghs allereerste ontmoeting met de uitgeefster, oktober 1966 aan een kroegtafel in Aalst, waaraan ook Louis Paul Boon was neergestreken, naast Angèle (‘Ze hadden elkaar niets te zeggen’):

‘Het viel mij op dat zij het letterengekrakeel van de afgelopen jaren wel niet op de voet, maar toch geamuseerd en met veel leedvermaak gevolgd had. Nochtans hadden haar trouwe medewerkers en auteurs Jos Vandeloo en Karel Jonckheere in bok bloedend onder de riem van Hedwig Speliers gelegen, terwijl ikzelf haar topauteurs en geëerde leden van het literaire establishment – Johan Daisne, Herman Teirlinck en Maurice Roelants – onbarmhartig over de bok had gejaagd. Omdat de paternalistische bindingen in het Vlaamse uitgeversbedrijf mij bekend waren, meende ik dat Angèle, net als de rest van gesetteld Vlaanderen, contact met mij niet op prijs zou stellen. Lieden als Hubert Lampo of Maurice Roelants retourneerden mijn brieven zelfs ongeopend. Haar had ik dus verkeerd ingeschat, en omdat zij, in tegenstelling tot wat ik had verwacht, zich helemaal niet geblaseerd opstelde, klikte het tussen ons beiden. Zij was een verwante ziel, ondanks de latere diepe breuk en veel ergernissen.’

In hetzelfde jaar dat Weverbergh zijn memoires publiceerde, verscheen mijn Vlaamse leeuwen. Op bladzijde 503 staat dit:

‘Ik heb twaalf jaar in Vlaanderen gewoond en dat heeft mij verrijkt. In de eerste plaats heb ik hier een ordentelijk vak geleerd, te weten dat van uitgever, – voorzover dat een vak is en niet eerder een dagvulling die nog het meest weg heeft van Monopoly. Mijn leermeester is Angèle Manteau geweest, en alle commentaar op haar dat ik later heb gespuid verdoezelt niet dat ik respect voor haar ben blijven gevoelen: het een sluit het ander niet uit. Zonder haar bestaan zouden er in het mijne geen “Vlaamse jaren”zijn geweest.’

Aversie? Vijandelijk kamp? Waar hééft de vooringenomen relmuis uit Vrasene het over?

Mijn respect voor Angèle verloor ik pas in het voorjaar van 2001, wat ik Angèle per brief meedeelde, nadat ze in NRC Handelsblad haar bijdrage had geleverd aan de laster over mij in de schoenen geschoven plagiaat. Dat het niet om plagiaat ging, wist zij als geen ander op dat moment al drieëndertig jaar. Eerder in 2001 was ik na anderhalf decennium geduurd hebbende onverschilligheid niet te beroerd haar for old times’ sake schriftelijk te feliciteren met haar negentigste verjaardag. Deze geste ontroerde het ouwe mens, ze belde me onmiddellijk op, tijdens dat telefoon-gesprek (zij voor driekwart doof, ik vanwege een kwaal aan de luchtpijp niet in staat om erg hard te praten) kwam het zelfs tot een vaag voornemen om elkaar spoedig weer eens te ontmoeten…

Wie Greta wel aanschreef was de inmiddels stokbejaarde Oegema in het verre Leeuwarden. Dat vermeldt ze in haar biografie terloops in een aanvullende noot (29, blz. 287), in het Knack-interview verstrekt ze enige verhelderende passages uit Oegema’s reacties:

‘Ik heb niets te verliezen maar ik weiger de kern van de zaak te onthullen uit verantwoordelijkheidsgevoel voor jou, want als ik meer zeg dan wat jij uit dat boek (De vrouwen en ik, J.B.) kan halen, dan breekt ze je.’

En: ‘Ik weet uit ervaring wat u meemaakt. Laat uw leven niet door die bittere ervaring vergallen. (…) Na een slapeloze nacht, want zo’n brief roept herinneringen op en die grijpen een mens aan, zeker als hij drieëntachtig is, heb ik me afgevraagd wat mijn beste vriend François Closset zou zeggen. Wel, hij zou zeggen: “Tonton, ne vous en mêlez pas”. Meng je er niet in. Dit ben ik aan de nagedachtenis verschuldigd van de beste vriend die ik ooit in mijn leven heb gekend. Over die vijftien jaar van mijn relatie met Angèle Manteau wordt beter gezwegen, want mijn onthullingen zouden u veel last bezorgen, en dat wens ik een jonge schrijfster niet toe. Bovendien zouden ze nooit worden gepubliceerd, daar zou uw opdrachtgeefster wel voor zorgen.’

En: ‘Les voies des vieux sont impénétrables.’ (De wegen van bejaarden zijn ondoorgrondelijk.)

Greta Seghers schrijft in hoger gegeven noot: ‘Nog altijd boezemt Angèle Manteau hem angst in.’

Dit kan de oorzaak van de omzichtigheid van zijn memoires zijn, waarin geen Angèle geheten vrouw voorkomt, wel een mistig mansfiguur (‘Peter’) met Angèle-achtige trekken en antecedenten. Zou ze hem werkelijk angst hebben ingeboezemd? Wie is er nu bang van Angèle Manteau?

Wel degelijk bang van Angèle Manteau was het door haar gekoeioneerde lagere personeel van de feodaal geregeerde firma A. Manteau n.v.

Om halftien, tien uur arriveerde ze en parkeerde ze de Saab inpandig: meneer Neys snelde toe om beide helften van de brede voordeur zo wijd mogelijk te openen zodat zij haar voertuig naar binnen kon rijden, de even brede gang in. Het dichtslaan van het autoportier, gevolgd door dat van de klep van de bagageruimte was door het hele pand heen hoorbaar. Daarna ratelde het ijzeren hekwerk van het liftje dat zij met allerlei uitpuilende tassen betrad, gonsde, piepte, kermde het ding omhoog, klonk nogmaals het geratel als ze ter bestemming uitstapte en wist het personeel, met ingehouden adem luisterend: de schout bij nacht is aan boord.

Na de begrafenis van haar echtgenoot betrok de directrice begin 1965 diens vroegere werkkamer op de tweede verdieping van het bedrijfspand.

Dat jaar fuseerde uitgeverij Manteau door aandelenruil met de Haagse uitgeversgroep Van Goor, die vanaf dat moment uit vier zelfstandige uitgeverijen bestond, – verderop in de tijd kwam er nog een aantal uitgeverijen bij.

In retrospectief bekeken: dat zou de uitgeefster beter niet hebben gedaan, zeker niet met een onderneming die Goor in zijn naam droeg (Vlaamse leeuwen, blz. 309). De wrijvingen en onaangenaamheden die er het gevolg van waren, leidden uiteindelijk, vijf jaar later, tot haar desertie. In de tussentijd was A.M. uitermate tevreden over haar beslissing en tierelierend verrukt over de nieuwe gang van zaken: ook vanwege dit gegeven valt tegen te spreken dat onderhavige periode ‘de somberste uit haar leven’ zou zijn geweest.

De fusie had voor de Belgische firma Manteau het zeer gunstige gevolg dat er in Den Haag een verkooppunt ontstond van waaruit haar boeken op gesmeerdere wijze hun weg naar de Nederlandse boekwinkels vonden. Omgekeerd hetzelfde: de uitgaven van al die Nederlandse uitgeverijen onder het Van Goorbaldakijn konden dankzij Manteau Brussel/Antwerpen op dito wijze in Vlaanderen worden verspreid. Deze verkooporganisatie, op impuls van Angèle opgericht in 1966, heette Librico, later Edicom, en van de Belgische afdeling werd zijzelf het opperhoofd. In die functie, waar ze zich gretig, enthousiast, vol elan op toelegde, werd ze letterlijk wat ze altijd zo vurig had begeerd te zijn: verkoopster van boeken. Ze mocht winkeltje spelen. Blij als een kind van vijfenvijftig. Van de uitgeverij trok ze zich steeds minder aan, de dagelijkse leiding ervan liet ze grotendeels aan mij over.

Als iemand Angèle M. in deze zogenaamd ‘somberste periode van haar leven’ op de zaak en elders van zeer nabij en almaar nabijer heeft gekend en ‘meegemaakt’ ben ik het. Ik herinner me hoe opgewekt, levenslustig, energiek, optimistisch ze toen was. Niks somberte. De onbenaderbaar stekelige tante van voorheen ontdooide zowaar, keek helderder uit haar ogen, bleek zelfs in staat te zijn tot lachen, hetgeen in circa een kwarteeuw niet meer bij haar kon zijn gesignaleerd. In de Haagse directiekringen werd ze achter haar rug een tijdje zelfs ‘die lustige Witwe’ genoemd.

Ze moest dikwijls in haar Volvo ‘naar Den Haag’ en vele malen zat ik tijdens die urenlange heen- en terugritten naast haar, – altijd zij aan het stuur, aan de aanleg van het snelwegennet van thans was men nog niet begonnen. Al die tijd bleef zij opgeruimd kwekkend aan het woord: over Manteau en Librico, nieuwe plannen, Oegema, het verschil tussen leven in de stad en op het platteland, haar jeugd, haar vader, de oorlog ’14-’18, de oorlog ’40-’44, ‘haar’ schrijvers.

‘U zou dat allemaal eens moeten opschrijven’, zei ik.

Ze verzuchtte eens dat ze het soms beu werd almaar Nederlands te moeten spreken in plaats van zich te kunnen uitdrukken in haar moedertaal, – ik had toch wel zoveel sjoege van het Frans dat ze zich in die taal tegen me verstaanbaar mocht maken? Vanzelfsprekend.

Mevrouw Sas verhuisde met al haar boekhoudfolianten en -papieren met de directrice mee naar boven en kreeg haar stek in de voormalige huiskamer van het echtpaar Closset, waar de aflijvige professor in zijn kist had opgebaard gelegen. Omdat Librico veel meer paperasserij met zich meebracht dan mevrouw Sas nog in haar eentje aankon, kreeg ze assistentie van nieuwe personeelsleden, allemaal vrouwen, allemaal in datzelfde vertrek, Angèle moest haar divide-et-imperaprincipe opgeven. Wel decreteerde ze dat de deur van mevrouw Sas’ afdeling altijd wijd open moest blijven, evenals zijzelf de deur van haar ertegenover liggende directiekamer permanent als een holle oogkas openhield: – zo kon ze vanachter haar eigen bureau in de gaten houden of het boekhoudvolk wel zat te boekhouden en niet stiekem te babbelen of een Manteaupocket te lezen.

Ik verkaste mezelf op de eerste verdieping van de kamer aan de straatkant naar voorheen het domein van mevrouw Sas aan de tuinkant, een zeer grote, dof echoënde, donkerbruin betimmerde ruimte in L-vorm, de liggende balk spiegelbeeldig verlopend naar links. Ook ik kon mijn taken niet meer alleen bolwerken: behalve dat ik verantwoordelijk bleef voor de redactie en productie van alle boekuitgaven (per jaar een toenemend aantal titels, in 1968 waren het er al meer dan vijftig), kreeg ik het secretariaat toebedeeld. In de liggende balk, een soort serre, installeerde ik mijn assistentes, een voor de redactie, een voor het secretariaat. Die voor de redactie moest natúúrlijk een Nederlandse zijn, met een opmerkzaam oog voor Vlaamse taaleigenaardigheden, die zij moest wegpoetsen. Ze heette MdG en kwam uit Den Haag, in Brussel woonde ze zedig in een streng bewaakt instituut voor alleenstaande buitenlandse jongemeisjes van deugdlievende zeden. Ze zei niet veel, maar op gegeven morgen kwam ze me huilend vertellen dat ze door zekere van haar uit gezien al wat oudere Vlaamse schrijver met een ringbaardje en een bril met donkerblauwe glazen waarachter men zijn ogen niet kon zien met zoete praatjes in zijn bed was gelokt. Nadat de aldaar voor het eerst in haar leven plaatsgevonden verrichtingen in de loop van enige weken waren herhaald en M. blind van verliefdheid tussen de sterren wandelde, vervuld van marsepeinen illusies, was ze erachter gekomen dat haar letterartiest getrouwd was en vader van opgroeiende kinderen. Daarop had hij haar, zoals in een smartlap van de Zangeres Zonder Naam, bruusk terzijde geschoven, haar nog toevoegend: ‘Gij kunt niet poepen gij.’ Geen idee had ze, zei ze snikkend, wat hij dáár nu mee bedoelde. Ik hield haar voor dat dat nu een van die Vlaamse taaleigenaardigheden was die in manuscripten van Vlaamse schrijvers dienden te worden vernederlandst ten behoeve van de lezer benoorden Wuustwezel, die ‘neuken’ zegt tegen wat de Vlaam onder ‘poepen’ verstaat. Hoe zou Oegema het vertalen? Waarschijnlijk met iets aanzienlijk welvoeglijkers als: ‘Jij brengt er niets van terecht in bed.’

Tot mijn assistentes voor de afdeling secretariaat behoorde vanaf najaar 1967 Anneke Hoegaerts, – echtgenote van de schrijver met het geniale streepje Dirk de Witte. Qua lichaamsbouw het type molenpaard, waaruit de slanke gestalte van Dirk tweemaal kon worden geboetseerd, – in dat grote lichaam met de dreunende manier van lopen huisde een hartje van gesponnen suiker. Ze was zeer accuraat en kordaat, ze was handig en slim, daarnaast zo sentimenteel als een poëzieplaatje. Zo idolaat van Dirk, dat ze diens zelfmoord op 27 december 1970 op de dag af zeven maanden later (dus niet ‘precies een jaar later’, zoals W. Ruyslinck in zijn kletsboek De bovenste trede fabuleert) op exact identieke wijze zou navolgen. Januari 1971 ging ze met Angèle mee naar de Brusselse nederzetting van Elsevier omdat ze niet onder diens opvolger Weverbergh wilde werken, die Dirks laatste roman, Dichotomie van een geboorte (dat is de nooit verschenen roman die ik zou hebben geplagieerd) voor uitgave had afgewezen. Om haar opzegtermijn uit te zitten, bleef ze na Angèles vertrek nog een paar weken bij Manteau en in die periode, op een door haar voorziene dag dat ze wist dat de nieuwe bedrijfs-leider afwezig zou zijn, kwam het bestelbusje van het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven voorrijden en werd het Manteau-archief op Annekes aanwijzingen de deur uit gedragen. Brutaalweg gestolen dus. In complot met Angèle M. die Anneke, nog helemaal van streek door de dood van Dirk, nog maar enkele weken tevoren, daartoe had opgestookt. Zoals zijzelf niet al te lang onder de indruk was van het overlijden van de professor, had Angèle (teveel aan invoelende mensenkennis is nooit haar handicap geweest) ook van Anneke de Witte gedacht dat ze in een paar maanden tijd ‘het verlies van haar echtgenoot had aanvaard en verwerkt’ (Seghers, 206). Anneke is daar niet overheen gekomen, in de laatste maanden van haar leven was ze slap en kneedbaar als gesmolten kaarsvet. Ikzelf was tijdens de archiefroof niet aanwezig, anders zou hij uiteraard niet hebben plaatsgevonden: ik zat thuis want door Angèle afgedankt, en zou pas in juni 1971 op verzoek van Weverbergh op mijn oude plaats in de uitgeverij terugkomen, – toen met Jacqueline Cuvelier, weldra gehuwd met Jos Vossius (‘Rikkes Vos’), als secretaresse.

In de staande balk van de L stond mijn bureau. Op zekere dag in het voorjaar van 1967 viel de Vlaamse televisie er binnen, – een ploeg van het veelbekeken televisieprogramma Ten huize van onder leiding van taalprofessor Joos Florquin. Men was bezig aan een gefilmd levensportret van de uitgeefster, waartoe ook haar zakenpand voor de kijker moest worden zichtbaar gemaakt. Het programma was een mengeling van reportage en interview, in de uitgeschreven adaptatie ervan (Joos Florquin, Ten huize van…, vijfde reeks, Leuven 1969) leest men:

‘Op de eerste verdieping (…) achteraan is het kantoor van het sekretariaat en de produktie. Tegenover zijn vaste plaats heeft de direktiesekretaris Jeroen Brouwers deze wijsheid uit Zelfportret van Teirlinck opgehangen: “Liever geschuwd om mijn waarheid dan gezocht om mijn schijn.” Tegen de muur hangen twee mooie houtsneden, een illustratie bij Kaas van Willem Elsschot en een andere bij Villa des Roses door Henri van Straeten. (…) Van Louis Paul Boon zijn de twee tekeningen die Het spiegelbeeld en Zelfportret heten. Ze dateren uit de tijd dat hij nog huisschilder was en Lowie tekende.’

In de film zijn mijn kantoor, ikzelf, op de achtergrond MdG en nog een medewerkster pakweg driekwart seconde zichtbaar (ik neem juist de telefoon op). Dat beroemde zelfportret van Lowie, houtskool, 1947, – Boon gaf het Angèle M. cadeau en deze liet het bij haar vertrek naar Elsevier ongeïnteresseerd achter, evenals Het spiegelbeeld, – is nog steeds in mijn bezit: ik kreeg het van haar opvolger Weverbergh, die zijnerzijds Het spiegelbeeld nog steeds in zijn woning heeft hangen. Ook uit dergelijke achteloosheid is op te maken dat de uitgeefster Siberische gevoelens voor Boon heeft gehad, ondanks haar latere praatjes over het tegendeel.

Iedere morgen tien uur, half elf zoemde de telefoon op mijn bureau. Via de binnenlijn vroeg de directrice aan de directiesecretaris: ‘Kunt u komen?’ Het wederkerige u bleef gehandhaafd tot op de laatste dag van haar aanwezigheid in het uitgeefhuis. Een trap hoger tegenover haar gezeten aan het bureau van wijlen Closset tussen zijn daar toen nog aanwezige duizenden boeken namen we de post door. Vóór deze sessie had ze mevrouw Sas in audiëntie ontvangen om met haar de administratieve zaken af te wikkelen: ‘Eérst de cijfers’, zoals ze placht te zeggen. Van het onderhoud met de boekhoudafdeling hing voor de rest van de dag haar humeur af, dat ik ten slotte, na jaren observatie en ondervinding, wist te traceren zodra ik, nooit zonder plankenkoorts, haar werkruimte betrad. Ze had de pest in en dan was de wereld te klein voor haar misnoegdheid, of ze was goedgeluimd, vriendelijk, zelfs belangstellend en wenste dan onze zitting lang voort te zetten met gedachtewisselingen zoals tijdens de autoritten. Beide stemmingen hadden altijd op een of andere manier met poen te maken, zij reageerde op financiële tegen- dan wel meevallers zoals de poppetjes in een weerhuisje, ik kon ogenblikkelijk aan haar zien of de graad van haar humeur paraplutje, parasolletje of wisselvallig was.

De tweede helft van de jaren zestig, nogmaals, was allerminst de somberste periode uit haar leven. Soms deed ze wel eens zorgelijk en soms had ze reden tot heetgebakerd gekanker, maar in de volle zeven jaar dat ik haar dag in, dag uit heb meegemaakt en haar gemoedstemperaturen al vanuit de verte kon peilen, heb ik haar in alle mogelijke stemmingen gadegeslagen, maar voor somberte was ze, dwars door haar onzekerheid, argwaan, niet te beredeneren angsten heen, heus te zelfverzekerd en zelfingenomen.

Ik heb haar wel eens gevraagd hoe ze zich voelde. Zij, uiterst verontrust: ‘Hoe bedoelt u?’ Gewoon, hoe ze zich voelde, of ze misschien soms eh… treurig was, somber, eenzaam? ‘Nu en dan in een korte flits’, antwoordde ze. Eraan toevoegend: ‘Zou ik de secondefracties van die korte flitsen bij elkaar optellen dan voel ik me ongeveer drie minuten per kwartaal enigszins bedrukt.’ Ziedaar Angèle Manteau.

De fusie van haar bedrijf met de Van Goorgroep draaide uit op allerlei desillusies, waarvan er voor Angèle M. één het zwaarst doorwoog, haar vervullend met chronische woede vanwege tekortgedaanheid en machteloze verontwaardiging: dat het concernsanhedrin haar opeens haar functie van verkoopdirecteur van Librico ontnam. In haar plaats kwam in 1969 een meneer Jos Stappaerts, directeur van een tweede Vlaamse uitgeverij die door de Van Goorgroep werd opgeslokt: De Goudvink. In het fonds van meneer Stappaerts, die niet gebukt ging onder zijn oorlogsverleden, integendeel, bevonden zich boeken (o.a. Het land van Onan: Cyclopië, 1964) van Ward Hermans, pseudoniem IJzergalm, die in de gevangenis zat en zich daar naar het voorbeeld van Onan (Genesis 38:9) moest zien te vermaken omdat hij een der stichters van de Algemene SS Vlaanderen was geweest. Ook in zijn fonds: ‘goedkope seksboeken’ (Angèle tegen haar biografe, blz. 230), die al helemáál haar weerzin opwekten. Zulks zogenaamd niet uit preutsheid (Seghers, blz. 222) maar uit afkeer van ‘het vulgaire, het plat-commerciële’, zozeer, dat zij ‘het destijds niet verdroeg dat de seksblaadjes, die in die jaren als warme broodjes over de toonbank gingen, in onze boekhandel in Antwerpen te koop werden aangeboden’. Oegema’s afkeer van ‘vies’ was beslist ook de hare.

(Hoewel? Ik was al jaren ex-werknemer van Manteau en woonde in de Achterhoek, toen ik eens werd opgebeld door een antiquaar in Utrecht. Mevrouw Manteau, u welbekend, zei hij, had enige zakken met boeken bij hem afgeleverd, die hadden toebehoord aan meneer Oegema, u al evenzeer bekend. Behalve boeken bevatten de zakken nog andere spullen als sokken, onderbroeken, afgedragen overhemden en… sexboekjes. Wat hij daarvan moest denken? Geen idee, maar wat ik ervan dacht was: zo ontdoet Angèle zich van haar vrienden. Vulgairder kan niet.)

Een van de eerste initiatieven van meneer Stappaerts, voor geen grein geïnteresseerd in hogere waarden als literatuur, bestond eruit, ervoor te zorgen dat de Manteauboekwinkel in Antwerpen werd opgedoekt: adjunct-directeur en winkelbeheerder Jos Vandeloo stapte na vijftien Manteaujaren over naar uitgeverij De Standaard. Ander besluit van meneer Stappaerts: de opslag van de boekenvoorraden van het steeds uitdijende aantal door Van Goor overgenomen uitgeverijen, die in het Brusselse Manteauhuis alle nog vrije hoeken en gaten in beslag had genomen, werd overgebracht naar zijn eigen pand. Dat was een voormalig fabriekje met overvloed aan ruimte, gelegen aan de verbindingsweg Antwerpen-Boom-Brussel, de enige die er toen tussen beide wereldsteden bestond, dus aantrekkelijk vanwege de gemakkelijke bereikbaarheid en met als extra attractie een eigen benzinepomp op het voorerf, waar personeelsleden en goede klanten tegen kostprijs hun voertuigen konden drenken.

Zo werden Angèle haar lievelingsbezigheid en machtspositie ontnomen. Dat ze geen boeken meer mocht verkopen, en dat alléén, dat ze daar ‘macht’ moest voor inleveren, was uiteindelijk de belangrijkste reden waarom ze haar firma heeft prijsgegeven en in de steek gelaten, alle andere redenen, aanzienlijk nobeler van aard, die ze daar in de loop der jaren zoal voor heeft gegeven, waren bijkomstig. Alle overige wringingen en geschilpunten tussen de concerndirectie en Angèle Manteau, waaronder wel degelijk ernstige (in ‘Den Haag’ werd de boekhouding vervalst, hoe schrijvers ten gevolge daarvan werden bedrogen bij de berekening van hun honoraria leze men in Vlaamse leeuwen, blz. 309 e.v.), konden na haar vertrek successievelijk door haar opvolger Weverbergh zonder oorlogvoering uit de weg worden geruimd. Dit had, met wat tact, zijzelf ook kunnen doen, maar voor tact was ze te driftig, het ontbrak haar aan sociale vaardigheden, liever beet ze zich vast in haar eigen steeds krankzinniger proporties aannemende onverzoenlijkheden en daar heeft ze ten slotte haar tanden op gebroken.

Baarlijke nonsens is wat over Angèle M. te lezen valt in de uitgave Goud op snee. Boek en tijdschrift in de Lage Landen 1935-1985 (Het Spectrum, Utrecht 1985) door ene Jo van Rosmalen: ‘De leiding van haar eigen zaak liet zij liever aan anderen over, om zich nog meer verdienstelijk te kunnen maken voor de verspreiding van het Vlaamse boek in Nederland.’

Ten eerste: Angèle M. liet de leiding van haar eigen zaak helemaal niet liever aan anderen over: zij gokte erop dat haar firma door haar vertrek als een doorgeprikte soufflé in elkaar zou zakken, zij ging ervan uit dat ‘haar’ auteurs, vooral de poenbinnenbrengers, haar blind van aanhankelijkheid naar Elsevier zouden volgen. Dat het een noch het ander is doorgegaan, heeft de rest van haar lange leven verkankerd met haat jegens Julien Weverbergh, die in haar plaats directeur werd en het zestien jaar zou blijven: in het overzicht van de Manteaugeschiedenis door Jo van Rosmalen komt men zijn naam niet tegen.

En ten tweede: in haar Elsevierjaren, grotendeels doorgebracht in Amsterdam, heeft de uitgeefster zich in het geheel niet, nooit, in geen enkel opzicht, ‘verdienstelijk’ gemaakt ‘voor de verspreiding van het Vlaamse boek in Nederland’.

De gewezen leraar Frans Julien Weverbergh was in oktober 1966 bij Manteau aangetreden als parttime (een middag in de week) redacteur. Hij zette de 5de Meridiaanreeks op poten: controversieel proza van Vlaamse èn Nederlandse auteurs, veelal debutanten (Adriaan Venema, Hans Plomp, Herman J. Claeys, Walter van den Broeck, Daniël Robberechts). Zijn dompige kantoortje bevond zich op de derde verdieping aan de straatkant van het uitgeverspand: de slaap- en sterfkamer van de professor, waar het doorleefde behang van waarschijnlijk nog vóór de belle époque dateerde, – maar overigens kwam hij bij perioden in geen weken opdagen. Dan verbleef hij in Roemenië, waar zijn geliefde, later zijn tweede echtgenote, woonde. In Vlaamse leeuwen (blz. 493 e.v.) staat een melancholiek verslag van de vriendschap Weverbergh-Brouwers, Brouwers-Weverbergh, die vrijwel ontstond in de seconde dat wij elkaar voor het eerst, ter kennismaking, de hand reikten. Het is de belangrijkste vriendschap in mijn leven geweest (samen met die met Hans Roest, maar die verdient andere bewoordingen en nuanceringen) en het is een vriendschap gebleken die voortduurt tot op de huidige dag nu we grijsaards zijn geworden, fluitend op weg naar het einde, hij tien jaar grijsaarder dan ik. Van mijn twee polemieken tegen hem en tegelijkertijd tegen de praktijk van het herschrijven van Vlaamse literatuur door Nederlandse uitgeversredacteuren (Vlaamse leeuwen, blz. 55-125) neem ik geen syllabe terug, maar een vriendschap die dergelijke loopgravenstrijd overleeft, waaruit wij beiden met diepe, elkaar toegebrachte littekens te voorschijn zijn gekomen, moet wel van schokbeton zijn.

Op bladzijden 231 van haar Manteaubiografie laat Greta Seghers Angèle zeggen dat zij drie personen zou hebben ingelicht over haar voorgenomen abdicatie en vaandelvlucht naar Elsevier. Op bladzijde 242 wordt deze bewering herhaald. Angèle zou het sub rosa aan Marnix Gijsen en Karel Jonckheere hebben verteld (‘Tot mijn ontgoocheling zou Jonckheere het in hem gestelde vertrouwen later deerlijk beschamen’, meiert de uitgeefster zonder verdere uitleg.) Beide al wat oudere tijdgenoten zou zij ‘zowat als (haar) “raad van wijzen”’ hebben beschouwd.

Een paar maanden nadat A.M. was opgehoepeld naar Elsevier, zat ik bij Marnix Gijsen thuis een manuscript van hem door te nemen, toen onverwacht Karel Jonckheere zich aandiende. Natuurlijk ging het gesprek onmiddellijk over Manteau: zowel het bedrijf als de mevrouw die zo heette. De twee wijzen spraken gniffelend en schouderophalend over de ex-directrice en haar zelfverkozen degradatie tot werkneemster in ‘dat roomse bolwerk’. Het als een bom ingeslagen nieuws daarover hadden ze uit de krant, zo werd mij spoedig duidelijk, en geenszins van de betrokkene zelf.

Tussen Angèle en Marnix Gijsen is trouwens nooit sprake geweest van innige vertrouwelijkheid, ze waren oude kennissen die zich uiterst afstandelijk met elkaar verstonden, in geen geval behoorde Gijsen tot haar intimi aan wie ze haar verstolen plan zou toevertrouwen.

Dat Angèle Manteau Gijsen in of omstreeks december 1970 van haar voornemens op de hoogte zou hebben gebracht is ook hierom uiterst onwaarschijnlijk: er lag van Gijsen, die zijn romans bij Meulenhoff en Nijgh & Van Ditmar liet uitgeven en met de kruimels van zijn oeuvre Manteau opscheepte, al zeker twee jaar een manuscript in de la, naar het lot waarvan hij mettertijd almaar chagrijniger informeerde: wenste hare majesteit het nu eindelijk ja dan neen te publiceren? Neen, maar zoals voor haar te doen gebruikelijk schoof majesteit het tijdstip dat ze Gijsen haar negatieve beslissing moest kenbaar maken (‘ik ben er zelfs wat laf voor, ik ontvlucht het…’) dag na dag, maand na maand, jaar na jaar voor zich uit. Gelet op dit gegeven liet Angèle het wel uit haar hoofd, de briesende Marnix Gijsen in vertrouwen te nemen. (Hier bedoeld manuscript, een geïllustreerde geschiedenis van Gijsens geboortestad Antwerpen, besprak ik met de auteur toen Jonckheere opeens opdook. Titel: Een stad van heren. Een van de eerste uitgaven van Manteauzonder-Angèle, najaar 1971, hoewel er een contract voor uitgave van het boek bestond, geruime tijd eerder opgemaakt, getekend door Gijsen en majesteit.)

Met Karel Jonckheere, dikwijls ten kantore op bezoek, was de directrice wat meer vertrouwd, in ieder geval in die mate dat ze het eveneens wel uit haar hoofd liet, hem in te lichten over confidentiële zaken. Vertel Jonckheere een geheim, het staat nog hetzelfde etmaal in de krant en het televisiejournaal opent ermee. Ik heb enige tijd in Rijmenam verbleven, het dorp waar ook Jonckheere woonde, vlak bij mij in de buurt, zo leerde ik deze dichter en praatrobot tot in zijn klokhuis kennen en weet ik dat Angèle hem noch zijn boezemvriend Gijsen over haar plotselinge verdwijning heeft gesproken.

Ze had geen behoefte aan een ‘raad van wijzen’, tenzij deze wijsgeren verstand van Poen hadden, zoals de bedrijfsaccountant, meneer Rik d’Hondt: deze was dan ook de enige die ze heeft ingelicht, uitsluitend om zich te oriënteren inzake de vraag welke voor- c.q. nadelige gevolgen, poentechnisch bezien, haar vertrek zou kunnen hebben.

Toch zou ze, volgens haar niets verifiërende biografe, ook Julien Weverbergh nog van haar voorgenomen plan op de hoogte hebben gesteld. Angèle tegen Greta: ‘Als redacteur van De Vijfde Meridiaan vertegenwoordigde hij voor mij de jongste generatie auteurs. Hij was het roerend met me eens dat mij niet veel anders overbleef dan mijn eigen bedrijf te verlaten.’

Er is niets van waar. Weverbergh, die het mij anders ongetwijfeld, boezemvrienden onder elkaar, meteen zou hebben doorverteld, verbleef de laatste maanden van 1970, toen in Brussel alles onverwacht zijn beslag kreeg, in Boekarest, Roemenië. Van mevrouw A.G.G. Manteau, ‘afgevaardigde beheerder’ van de haar naam dragende firma, had hij op 30 september 1970 een ‘Attest’ ontvangen, – het document ligt nu voor me, – waarin staat dat hij tot deze datum ‘als lector-adviseur bij de firma werkzaam’ was. ‘Hij verlaat de firma uit eigen beweging. Hij verrichtte zijn werk tot grote tevredenheid van de directie.’ Waarom zou A.G.G. haar sores met een ex-werknemer bespreken op een tijdstip dat zijzelf haar besluit tot troonsafstand nog helemaal niet had genomen? Weverbergh vernam de tijding pas bij zijn terugkeer, eind december, en was stomverbaasd, net als iedereen. Ik stond hem in de hal van vliegveld Zaventem op te wachten en het eerste wat hij vroeg was: ‘Nog nieuws uit het kabouterdorpje der Vlaamse letteren?’ Ik herinner me nog dat ik niet wist wat ik hem het eerst moest vertellen: de zelfmoord van Dirk de Witte, die een dag, misschien twee dagen eerder had plaatsgevonden, of de vlucht van Angèle Manteau, die haar bedrijf onbeheerd had achtergelaten, – de berichtgeving daarover nam in de kranten van die dagen meer plaats in beslag dan de zielige dood van Dirk de Witte. Hierop belde Weverbergh met ‘Den Haag’ en verkreeg zo officiële zekerheid over Angèles doldrieste daden, vanaf dat moment begon een andere geschiedenis.

Marnix Gijsen niet, Karel Jonckheere niet, Julien Weverbergh niet en mij ook niet. Angèle tegen Greta: ‘Jeroen Brouwers, die als insider natuurlijk op de hoogte was van de toenemende spanning tussen Van Goor en Manteau, stelde ik niet op de hoogte van mijn plannen. Daarvoor vond ik hem te jong, te onbesuisd; ik vreesde dat hij het aan de grote klok zou hangen.’

Dat ik het aan de grote klok? Daar heeft zij heus zeer secuur zelf wel voor gezorgd. Te jong? Ik was de dertig gepasseerd en heus al heel erg volwassen. Te onbesuisd, ik? Angèles eigen, overhaast en tamelijk impulsief genomen besluiten, die waren onbesuisd.

En overigens heeft Greta hier de grote klok met twee klepels horen luiden: ze haalt in haar gemakzucht en slordigheid twee verhalen door elkaar. Weliswaar heeft Angèle mij inderdaad niet over haar plan om op te stappen ingelicht, maar de argumentaties daarvoor zoals Greta ze haar in de mond legt, gebruikte de oud-directrice in verband met iets heel anders. Ze vond me een à twee jaar na de fusie, jaren eerder dus, te jong om van haar te horen te krijgen dat Van Goor het niet nauw nam met ‘de cijfers’, wat onder meer leidde tot ‘“gebrekkige” verrekening van auteurshonoraria’ (Seghers, blz. 232). De voornaamste reden om mij van deze kledderboel onkundig te laten gold het feit dat ik behalve als werknemer als auteur (inmiddels met vier titels) aan haar firma was verbonden.

We schreven de opstandige jaren, later onder de noemer ‘Achtenzestig’ gebracht, waarin ook onderbetaalde en door de gezagsregenten ten achtergestelde schrijvers luidruchtig van zich lieten horen: schrijversprotesten, schrijversacties en het door de Vereniging van Letterkundigen verspreide affiche met de tekst ‘Schrijvers schrijven niet voor Jan Lul’. In keurige bewoordingen vertaald: Schrijvers willen poen zien voor hun inspanningen. Dat was de ‘grote klok’ die de afgevaardigde beheerder bedoelde: stel je voor dat ik als jonge, onbesuisde schrijver zou bekendmaken dat Manteauschrijvers door hun uitgever financieel werden opgelicht!

Voorts, maar ook dit zal de biografe allicht niet onder ‘nieuwe elementen’ rangschikken, was ik in december 1970, toen Angèle haar koffers pakte, al tien en een halve maand niet meer in dienst van A. Manteau n.v. Ook ik had zo’n ‘attest’ op briefpapier van de zaak ontvangen, een zeer lovend getuigschrift waarin als einddatum van mijn werkzaamheden werd opgegeven: 14 februari 1970. Na deze datum heb ik de directrice acht jaar lang niet meer gezien noch gesproken en dat zij als bij donderslag haar bedrijf in de steek liet, vernam ik via de grote klok, de media, de in schrijversland druk betrommelde geruchtentamtam.

Volgens een andere bron (interview van Dick van de Pol met Angèle M., Vrij Nederland, 6 februari 1971) heeft de gedeserteerde uitgeefster verklaard dat ze een vijftal ‘kern’auteurs van haar vertrek op de hoogte zou hebben gesteld: Jef Geeraerts, Ward Ruyslinck, Johan Daisne, Karel Jonckheere en Paul Snoek.

Er is niets van waar. Angèle M. zwetst altijd maar wat, de ene keer zus, de andere keer zo, en geen journalist of biografe die nader onderzoek verricht.

 

Getuigschrift van Brouwers’ werkzaamheden bij Manteau, tijdens de laatste jaren dat Angèle M. er directrice was.

    Zelfs Oegema heeft er geen weet van gehad vóór 15 december 1970, de datum waarop de directrice aftrad als directrice en de dubbele voordeur van het pand aan de Nerviërslaan voor het laatst achter zich sloot. Hij vertelde me dat hij op 16 december Angèle langs zijn neus weg had gevraagd of ze zich misschien grieperig voelde: was dat de reden waarom ze die dag niet naar haar kantoor in Brussel ging? Daarna vroeg hij bezorgd of Angèles aftreden geen vervelende gevolgen voor zijn eigen werkzaamheden bij Manteau met zich zou meebrengen? Bleef het bedrijf bestaan en zo ja, zouden de nieuwe bewindvoerders hem als lector en adviseur handhaven? Angèle zou ongeduldig haar schouders hebben opgetrokken, haar huisgenoot in het Frans toebijtend: ‘Dat zijn jouw zaken, je zoekt het maar uit.’

Uit het getuigschrift: ‘De heer Brouwers verliet ons bedrijf na suggestie onzerzijds zulks te doen. Bepaalde ontwikkelingen binnen het eigen bedrijf, ten gevolge van fusering, deden ons een te verwachten gang van zaken vermoeden die de aanwezigheid van de heer Brouwers weldra grotendeels overbodig zou maken.’

Ik probeerde ‘van mijn pen’ te gaan leven en ervoer dat ik voornamelijk voor Jan Lul aan het werk was. Het kwam mij goed uit dat Weverbergh, weldra aantredend als de nieuwe Manteaudirecteur, mij vroeg om weer voor de uitgeverij te komen werken, zulks met ingang van 1 augustus 1971 en met een zeer feestelijk salaris.

Dat ik op dit voorstel ben ingegaan (ik zou tot eind 1975 bij het bedrijf in dienst blijven) heeft Angèle mij zeer kwalijk genomen, zoals ik van Oegema en anderen heb gehoord. In haar ogen was Weverbergh een verrader, Brouwers een verrader en al ‘haar’ schrijvers, die er geen tel over hadden gepeinsd om met haar mee te gaan naar Elsevier en gewoon bij Manteau bleven, waren stuk voor stuk ook verraders. In een brief aan mij, tal van jaren later (geciteerd in Seghers, blz. 287), zou ze het nog altijd hebben over ‘de ontrouw van al die auteurs die ik bij Manteau had gelanceerd’: er was haar niet aan het verstand te brengen dat zij al die auteurs had verraden door ze in de kou achter te laten, en dat niet al die auteurs ‘ontrouw’ waren jegens haar maar dat het omgekeerde het geval was. Haar verraad en ontrouw begonnen al toen ‘haar’ auteurs, uiteindelijk toch onder háár verantwoordelijkheid, werden bedrogen met vervalste honorariumafrekeningen.

Image

Nadat Angèle haar bedrijf in de steek had gelaten. Staande: Brouwers’ secretaresse Jacqueline Vossius-Cuvelier (links), Jeroen Brouwers, meneer Neys. Geknield met hond: Simone Mandiau. De hond heette Paris. Foto Julien Weverbergh, circa 1972.

    Als ‘een wezenlijke bezorgdheid’, zo schreef ze me, vroeg ze zich ‘vaak’ af of die ontrouw het gevolg kon zijn van ‘chantage van W (= Weverbergh, J.B.) in verband met gammele fiscale oplossingen.’ Hyperventilatie! Nooit te beroerd om anderen verdacht te maken. Zij doelde hier op het gegeven dat bepaalde Vlaamse auteurs uit het Manteaufonds een bankrekening in Nederland bezaten, waar ze hun door ‘Den Haag’ uitgekeerde honoraria op lieten overschrijven, zodat de Belgische fiscus er de klauw niet naar kon uitsteken. Niet voor Jan Lul. (Deze handelwijze was toen nog mogelijk, heden niet meer.) Paranoïde vilein als ze is, beschuldigde ze zonder scrupules of andere uiting van terughoudendheid Weverbergh er glashard van, deze auteurs met hun dubbele boekhoudinkjes te chanteren. Hoezo zou Weverbergh dat doen? Die hield er zelf een bankrekeningetje in Nederland op na. Ik beken: evenals ik. Evenals Oegema. En evenals… Zie ik daar uw hand in eigen boezeroen verdwijnen, barones? Ik zal u er niet mee chanteren.

Of, zo filosofeerde ze ook nog, ‘was die ontrouw het resultaat van berekeningen uit eigenbelang?’ Ja allicht. Alsof zijzelf niet uit eigenbelang handelde. Besluit als schrijver van een respectabel oeuvre maar eens naar een andere uitgever over te stappen terwijl dat oeuvre bij de oorspronkelijke uitgever achterblijft. Deze laatste kan met dat oeuvre vervolgens uitvreten wat hij wil om de ontrouwe schrijver, zeker als hij niet tot de bestsellers behoort, te straffen en te jennen zonder einde, – daartoe bestaan uiteenlopende doeltreffende methodes, door malafide uitgevers (moet ik namen noemen?) met aan Sade herinnerende wellust ten uitvoer gebracht.

Op grond waarvan ging de ontrouwe directrice er eigenlijk van uit dat al ‘haar’ door haarzelf verraden auteurs haar vanzelfsprekend naar Elsevier zouden volgen? Vanwege haar warme egocentrische persoonlijkheid, waarmee ze meer dan dertig jaar lang met opgetrokken reukorgaan ‘haar’ auteurs op afstand had gehouden, zonder de geringste belangstelling voor hun persoonlijke reilen en zeilen?

Ten slotte opperde ze in hier geciteerde brief aan mij nòg een mogelijkheid om de ontrouw van ‘haar’ schrijvers te verklaren. In een helder moment van zelfkennis vroeg ze zich af: ‘Of lag het aan mij en aan een structurele fout in mijn persoonlijkheid en in mijn houding tegenover auteurs?’

Antwoord: ja.

Dat ik tot de insiders binnen het bedrijf behoorde, was waar. Op het geknoei met de boekhouding na, was ik ter uitgeverij op de hoogte van alles: de schrijvers wendden zich telefonisch of per brief niet meer tot de directrice, die toch altijd ‘niet thuis’ verkocht, onaangename of bewerkelijke post niet beantwoordde, soms zelfs niet eens wist met wie ze te maken had, maar tot mij. Ze kon soms vragen: ‘Hans wie?’ ‘Eduard wie?’ Dan ging het over representanten van ‘de jongste generatie auteurs’ uit Weverberghs 5de Meridiaan (Hans Plomp, Eduard Visser) die zij nooit had ontmoet, noch had gelezen, terwijl hun namen en boektitels wel op haar fondslijst prijkten. Toen we, mevrouw Manteau en meneer Brouwers, na geruime tijd, – zo’n anderhalf à twee jaar, – aan elkaar gewend waren, konden we het goed, ja voortreffelijk met elkaar vinden, al bleef het uitkijken met haar: je wist nooit wanneer je op haar zieltje trapte en als je dit per ongeluk deed, explodeerde het zieltje als een landmijn en kon dan nog lang nasmeulen. Vormelijk afstand bewarend, door wederkerig tot het einde toe te vousvoyeren, kwamen we toch in vertrouwelijke betrekking tot elkaar. Zij bleek wel degelijk gevoelig te zijn voor hoffelijke vriendelijkheid, maar leek die van haar kant niet te kunnen beantwoorden. Voor het personeel kon er nooit een woord waardering af: dat werd immers betááld om het werk goed te doen! Mij liet ze haar tevredenheid merken door me opeens opslag van salaris te geven, opeens ook vertrouwde ze me toe dat ze me in haar testament had doen vernoemen. Alsof ze haar affectie alleen door middel van geld tot uitdrukking kon brengen, al mag ik hier niet onvermeld laten dat ze me ook weleens een glanzende appel uit Gooikse boomgaard offreerde. Ik deed mijn werk met plezier en voldoening en alles verliep in harmonie zolang ook zij zich gelukkig voelde in het hare als beleidvoerster van haar verkooporganisatie Librico. Toen haar die functie werd ontnomen, was het of het Manteauschip op een ijsberg voer en onafwendbaar begon te kapseizen.

In deze periode moet het idee in haar zijn opgekomen om haar bedrijf in de steek te laten en elders opnieuw te beginnen, maar mèt medeneming van ‘haar’ auteurs, uiteraard in de eerste plaats de lucratieve. Daartoe ging ze over tot iets, waartegen ze zich haar hele uitgeversleven had verzet en waarmee ze Louis Paul Boon zo lang had weten te treiteren: in nieuwe contracten met de poenbinnenbrengers schrapte ze tot ieders verrassing de clausule die de schrijver ertoe verplichtte zijn volgende boek aan Manteau aan te bieden. Als zij dus straks ergens anders opnieuw zou beginnen, lag voor deze schrijvers de weg vrij om haar kwispelend te volgen en zou de firma Manteau door de voorziene leegloop binnen afzienbare tijd een uitgehold spookbedrijf zijn. Daar mocht, zo spon ze verder aan haar boze plan, natuurlijk ook geen enkel lid van het kaderpersoneel meer werkzaam zijn, die het schip eventueel weer recht zou kunnen trekken en in de juiste koers terugbrengen. De adjunct-directeur, meneer Vandeloo, verliet de zaak eigener beweging, ‘met pijn in het hart’, naar hij de gekortwiekte directrice schreef. ‘Ik meen dat dit, in een warnet van onzekerheden, voor mij thans de enige goede en zekere oplossing betekent’ (Seghers, 230). Julien Weverbergh, geen kaderlid, nauwelijks op de hoogte van de uitgeverij, meestentijds achter de Karpaten verblijvend, maar toch iemand die Angèle ook liever uit de buurt had, nam eveneens zelf ontslag. Hij overwoog om zich metterwoon in Boekarest te vestigen, o.m. als Roemeens correspondent voor Vrij Nederland, voorts was voor hem bij Manteau, na mijn vertrek, de lol er grotendeels af. Op mij was de directrice steeds nadrukkelijker begonnen in te praten over afwezigheid van ‘toekomstperspectief’ mijnerzijds binnen haar bedrijf, dat bovendien minder en minder nog haar bedrijf zou mogen heten naarmate het bevoogdende ‘Den Haag’ het steeds gulziger naar zich toetrok. Daar had ze weliswaar gelijk in, maar even waar was ook dat ik in de uitgeverij nooit méér heb geambieerd dan de functies die ik er vervulde. Voor directeur van een uitgeverij (welk toekomstperspectief zou zij anders hebben bedoeld?) zou ik volslagen ongeschikt zijn: zakelijk onhandig, beschikte ik niet over de furor voor cijfers die mijn werkgeefster voortdreef en tevens zou ik aan door mij uit te geven literatuur dermate hoge eisen stellen dat ik al te spoedig de tent zou kunnen sluiten wegens uitblijven van nieuwe titels. Mijn ‘toekomstperspectief’ c.q. het ontbreken daarvan zou Angèle trouwens worst wezen, haar ging het er alleen nog om dat degene die behalve zijzelf bij de uitgeversfirma A. Manteau n.v. Brussel van de hoed en de rand wist, de insider, haar vertrouweling, ik dus, eveneens uit het decor verdween. Als zij weldra het zinkende schip zou verlaten, mocht er echt niemand op achterblijven met kennis van zaken om de averij te beperken, zo redeneerde ze, en wat er van het in de steek gelaten personeel zou moeten geworden heeft haar geen secondeflits uit haar slaap gehouden. Toch lees ik bij Seghers (blz. 230) dat ze de biografe voorloog: ‘Ik zorgde ervoor dat Jeroen Brouwers (…) aan de slag kon bij Het Laatste Nieuws.’ Bij Het Laatste Nieuws, de Telegraaf van Vlaanderen, ik? aan de slag? Ik heb nooit een letter in deze plebskrant gepubliceerd, ben er nooit in dienst geweest, het interesseerde Angèle Manteau hoegenaamd geen barst wat ik na mijn ontslag zou gaan doen, laat staan dat ze in dit verband voor iets zou hebben gezorgd. Angèle Manteau liegt dat het ervan onweert en het verontrustende is, dat iedereen haar klakkeloos lijkt te geloven en haar woorden devoot indrinkt als met limonadesiroop op smaak gebrachte en gealcoholiseerde pis van de Heilige Maagd persoonlijk.

Toen Greta Seghers voor Knack werd geïnterviewd waren haar eindelijk de schellen van de ogen gevallen. De biografe sprak: ‘Ze (=A. Manteau, J.B.) had een vriendschappelijke relatie met Brouwers, beschouwde hem als haar aangenomen zoon. (…) Hij heeft haar fair gediend. Daarom is hij ook zo kwaad, omdat hij zich zo vreselijk bedrogen voelt. Ze liet hem vallen toen ze hem niet meer nodig had.’

Eindelijk een waar woord. Aan het einde van mijn laatste werkdag bij Manteau, precies zeven jaar nadat ik er was begonnen, hoorde ik de directrice in het liftje afdalen. Naar ik vermoedde om op mijn etage haar tocht naar de diepte een ogenblik te onderbreken en op hartelijke wijze afscheid van haar vriend, aangenomen zoon, faire medewerker te nemen. Maar neen, ze bespaarde zich deze statie en reisde rechtstreeks door naar beneden, waar ze, naar ik vervolgens hoorde, haar Volvo startte en achteruitrijdend het pand verliet. Hierna sloot meneer Neys, hoestend van de uitlaatwalmen, de voordeurhelften, de stilte van altijd nam weer bezit van het huis en dat was dat. Alsof de directrice mij nooit had gekend. Geen handdruk, geen woord, zo verdween ze. Misschien heeft ze die avond op het gazon voor haar Gooikse buitentje nog een solodansje gemaakt.

Ook Oegema zal in haar ogen wel een verrader zijn geweest. Hij bleef tot eind 1972, zijn vijfenzestigste verjaardag, bij Manteau in dienst, al werd het te beoordelen leeswerk hem niet meer thuis bezorgd zoals voorheen door zijn vriendin de directrice. Hij moest het zelf komen halen en ook weer, voorzien van zijn verdicten, zelf komen terugbrengen en inwisselen voor nieuwe manuscripten, – daartoe bleef de Oegema-abortustas, mettertijd van verschoten wit veranderd in modderkleur, tot het laatst toe in gebruik. Dit ritueel vond altijd op maandag plaats, waarbij de lector nooit verder kwam dan het magazijn van meneer Neys, van wie hij een mok koffie kreeg: hij wilde nooit ‘boven’ komen voor een ontmoetinkje met Weverbergh, met mij, met allebei. Weverbergh kende hij trouwens niet, op een paar keer ‘van zien’ na, maar wel liep hij rond, zoals ik later van hem te horen kreeg, met een diepgaand wantrouwen jegens de nieuwe directeur, die thans kantoor hield in het voormalige werkvertrek van wijlen zijn hartsvriend Closset. Dat vooringenomen wantrouwen zal Angèle met de slangentong hem wel hebben ingeblazen en zo lang hij bij haar in huis bleef wonen kon hij waarschijnlijk met geen gunstig woord over de verrader Weverbergh bij haar aankomen.

Die twee in dat idyllische, afgelegen landhuis, uitsluitend op elkaar aangewezen. Dat moet ten slotte een onophoudelijke verschrikking zijn geweest, herinnerend aan Albees Who’s afraid of Virginia Woolf?. Jaren later zou Angèle me schrijven (geciteerd bij Seghers, blz. 287): ‘In Gooik zat ik opgescheept met een verzuurde Oegema met zijn apodictische uitspraken en ervan overtuigd dat ik tot niets in staat was. Te meer daar ik een vrouw was (ben).’

En het was zo knus begonnen.

Op 28 juli 1967 werd het Ten huize van Angèle Manteau door Joos Florquin op de Vlaamse televisie uitgezonden. Ik logeerde op die datum met echtgenote en bijna tweejarige zoon op een vakantieadres in Nederland waar de Vlaamse zender toen nog niet tot de huiskamer was doorgedrongen, maar Angèle had mij zo vriendelijk en met nadruk gevraagd om bij haar thuis het programma te komen bekijken, dat ik haar dit had toegezegd. Ze stond me in het Noordstation van Brussel op het perron op te wachten, daarna reed ze me in de Volvo naar Gooik, opgeruimd, ontspannen, voor haar doen zelfs vrolijk, zoals ze ook wel eens kon zijn tijdens onze ritten Brussel-Den Haag v.v., meestal op de terugweg, nadat het overdag met de Haagse kopstukken plezierig en naar haar voldoening was verlopen. Het was niet voor het eerst dat ik villa Het Bergveld bezocht, wel voor het eerst dat ik er zou logeren. Ook Oegema was verwonderlijk goed in zijn hum: glunderend en met zomerblosjes op zijn doorgaans leemkleurige gezicht liet hij mij de groentebedden zien, de rozen, de rotstuin. Buiten het Bergveldperceel de golvende akkers en weiden, het vee, de bijen, het hoge gefluister van populieren. Georgica in Gooik, Oegema als de Vergilius van het Pajottenland. ‘Dit is nog eens wat anders dan boekjes schrijven, waarde Brouwers.’

Tijdens de filmvertoning zaten ze naast elkaar in grote fauteuils in de schemer van het beeldbuisgeflakker. Soms raakten ze elkaar even aan, een hand, een mouw, soms zond de een de ander een glimlach toe. Het zat wel snor tussen die twee. Oegema, die niet in de film voorkwam, hield een grote witte zakdoek in zijn vuist geklemd om er de steeds terugkerende tranennevels mee te deppen. Zijn befloerste gesnik werd hoorbaar toen Closset een ogenblik in beeld kwam, een foto van zijn goedaardige hoofd, waarbij Oegema de weduwe in het Frans iets toemompelde en deze op haar beurt krachtig met de ogen begon te knipperen: de enige keer in al die jaren dat ik iets als ontroering in haar dacht op te merken. Het niet al te diep gaande, hoofdzakelijk op anekdotes drijvende televisieportret was wel aardig. Haar leven, aldus de toen zesenvijftigjarige uitgeefster in de film, was ‘een aaneenschakeling van toevalligheden’. Zo bevond zich in haar fonds een uitgave die Angèle G. Manteau als auteursnaam droeg: Images du Liban (1948), een door ‘puur toeval’ tot stand gebracht fotoboek over Libanon ‘d’autrefois et d’aujourd’hui’, waarvoor Angèle G. de voor toeristen bedoelde bijschriften leverde. ‘Men hoeft verder niets te vrezen,’ zo voegde ze aan het bovenstaande toe, ‘ik pleeg geen tweede boek, zelfs niet mijn memoires!’ Waar de interviewer grif op inging met: ‘Die zouden anders wel interessant zijn, denk ik!’

Zou het?

Na afloop van het programma: champagne. Daarna, volgens huiselijk gebruik, de avondwandeling langs de grenzen van het landgoed. Hond mee. Een nog lichte, doodstille, lome avond, – de bewoners van het perceel flaneerden hand in hand voor mij uit, zachtjes keuvelend in het Frans. Beneden, in de aangrenzende wei van de buurman, kwam een jonge stier aangestommeld om door de meneer en de mevrouw van Het Bergveld in de krulletjes tussen zijn horens te worden gekrabbeld. Hij kon zijn weggelopen van het schilderij van Felix de Boeck, dat uit het Brusselse kantoor, waar een witte rechthoek op de muur was achtergebleven, naar Gooik moest zijn meeverhuisd, al heb ik het daar nooit zien hangen. Langs de vijver en de zijgevel van het huis ging het vervolgens tamelijk steil omhoog naar de donkere bosrand achter het huis: sparren, – daar verdween de hond met groot misbaar in de duisternis tussen de stammen en zou een vol etmaal wegblijven. Voor straf in de kooi met de tralies.

De dag na de televisie-uitzending stopten er regelmatig auto’s voor het stevig op slot gehouden toegangshek beneden aan de straat. Het adres, voluit, was in de film te zien geweest. Dagjestoeristen, sommige met verrekijkers, die het verblijf van de uitgeefster, liefst ook de uitgeefster zelf, in het echt wilden zien. Dit tot verheviging van Angèles paranoïde angsten: die mensen kwamen kijken hoe ze het huis het gemakkelijkst konden binnensluipen om er van alles te stelen of brand te stichten.

Een paar maanden later werd Tonton Oegema zestig. Angèle verraste hem met een in het striktste geheim geproduceerde uitgave van zijn toentijds laatste poëtische oogst: ‘Gedichten 1955-1966’. Een dunne opbrengst: vijfentwintig stuks in elf jaar. Veelzeggende titel: Autodafé. ‘Ter nagedachtenis van mijn vriend prof. dr. François Closset.’ De oplage bedroeg 125 genummerde exemplaren, ik bezit, met vervagende handgeschreven opdracht van de jarige, nummer 9. Sombere, melancholieke verzen met titels als ‘Alleen’, ‘Te laat’, ‘Zestig’, ‘Terublik’, ‘Spijt’, ‘Conclusie’, ‘Het laatste’. De dichter heeft er geen zin meer in en ‘ziet de man reeds / met de zeis’, niet vermoedend dat deze nog decennia op zich zou laten wachten.

Misschien heeft morgen ook

mijn laatste uur geslagen.

In elk geval

ik mag niet klagen.

Ik ben de boel behoorlijk zat

en heb ruimschoots mijn deel gehad

van lief en leed.

Wat ook de toekomst me nog geeft,

ik heb mezelf al overleefd.

In dit kroonjaar voltooide Oegema een ‘psycho-biografisch’ essay over de dichter en verhalenschrijver Jac. (‘Jaap’) van Hattum, een Fries zoals hijzelf en van dezelfde generatie. Deze bejaarde bard, – ik ontmoette hem in De Bijenkorf, Amsterdam, toen daar in 1968 een receptie plaatsvond ter gelegenheid van het dertigjarig bestaan van uitgeverij Manteau, – cultiveerde het voorkomen van hoe de burgerman denkt dat ‘een artiest’ eruitziet. De onverzorgde witte haarslierten golfden tot over zijn schouders, waar een tot zijn schoenen reikende zwarte, plooirijke cape van afhing. Cape en de kleren die hij eronder aanhad glommen van de vet- en andere vlekken. Hij hanteerde een dunne wandelstok met een parelmoeren knop en daarmee hield hij de meisjes met de drankbladen staande: ‘Deze ouwewijvenrotzooi krijg ik niet door mijn keel. Ga jij eens fluks voor een onversneden borrel voor opa zorgen, lieftallige nimf, voordat ik je met dit stokje hier…’ Ik besloot, de ranzige oude kobold, zoals hij kon zijn getekend door Marten Toonder, een onuitstaanbare uitslover te vinden, die een onaangename mondlucht verspreidde ook nog. Oegema’s vriendschap met Van Hattum, in alles zijn volstrekte tegendeel, moet tot de mysteriën des geloofs worden gerekend.

In zijn psycho-essay wist hij Van Hattums homosexualiteit met mistige formuleringen en zelfs preutse stippeltjes te omzeilen, naar de levenslange gewoonte van Van Hattum zelf: deze kwam pas in 1965 als homo ‘uit de kast’ met zijn bundel extatisch liefdesproza De ketchupcancer. Oegema had geen sympathie voor dit werk daar het ‘de vroegere discretie’ ontbeerde: ‘Waarom zo onbewimpeld moet worden verteld wat we toch al wisten (…)? Hier is de homosexueel een exhibitionist.’ Altijd benepen en wereldvreemd gebleven, Oegema kende zijn eigen tijd niet meer, waarin (‘De schaamte voorbij’) niemand zich nog geneerde voor wat dan ook.

Van en over Jac. van Hattum verscheen in 1969 bij Manteau: het laatste boek dat Angèle van haar vriend en huisgenoot zou uitgeven. Het werd in Vrij Nederland de grond in geheid door Jacques Kruithof, die het consequent over Th. O.v.d.W. bleef hebben:‘ik vertik het, dat voluit te schrijven.’ De recensie eindigt:

‘O.v.d.W. (van beroep min of meer psycholoog, jazeker) heeft zijn boek gedagtekend Amsterdam 5 december 1967. Of dat nu komt doordat Van Hattum iets met de roede te maken heeft, of O.v.d.W. met de zak, ik weet het niet, maar het geschrift zou best eens bedoeld kunnen zijn als dat Hele Dikke Boek waarin Sinterklaas alle pekelzonden van achtereenvolgens Jaapje, Jaap en Jacob van Hattum kan opzoeken. Dan kun je nog beter het kerstmannetje als biograaf krijgen.’

Toen Oegema in 1972 werd gepensioneerd, nodigde hij Weverbergh en mij uit voor een afscheidsetentje, dat op zijn wens uiteraard moest plaatsvinden in de Taverne du Passage in Brussel: sedert de jaren dertig dat Jan Greshoff er dagelijks zat, al dan niet met de generaals van Forum en hun adjudanten, het hart van de Nederlandstalige letteren in de overigens zo goed als volledig verfranste hoofdstad van België. Het was een wat opgeprikte ontmoeting, waar de geest van Angèle Manteau doorheen bleef waren, kil als het weer op die middag, – er viel een aanhoudende bijna niet zichtbare gruisregen. Angèle zag hij eigenlijk nauwelijks meer, zei hij, alleen in weekends en dan nog niet altijd. Ze had een flat in Amsterdam, ze was volledig verelsevierd, over de vroegere Manteau-auteurs sprak ze uitsluitend nog in honend wegwerpende zin, ook over haar toegewijde vriend en metgezel vanaf het eerste uur Johan Daisne, ook over Jef Geeraerts, de enige van haar vroegere auteurs die haar naar Elsevier was gevolgd om na één boek weer haastig te maken dat hij in de geborgenheid van de vertrouwde stal terugkwam. Ze gaat een zeer eenzame oude dag tegemoet, voorspelde Oegema. Haar rancunes niet de baas, zwelgend in verbittering, in ruzie met de hele wereld op een paar onbeduidende strooplikkers na.

(Deze profetie zou geheel en al worden bewaarheid. Op haar negentigste verjaardag, 24 januari 2001, Oegema acht maanden dood, kwam De Morgen met anderhalve pagina fragmenten uit kruiperige, druiperige brieven aan haar (ze noemt zichzelf ‘een angry old woman’) door zekere Pat Donnez, iets bij de Vlaamse radio, die niet weet hoe te kwispelen, likken en kopjesgeven om bij het mens in het gevlij te komen en te blijven. Citaat: ‘Noemde jij mij laatst niet een jochie? Ik geloofde mijn eigen oren niet. Een man van veertig is geen jochie, Angèle, maar een ouwe zak. Jij, ja, jij bent een elegant meisje van weldra negentig.’ Foto van de stokold angry woman erbij: alsof ze bij leven al is gemummificeerd, als elegant meisje van negentig zou ze kunnen doorgaan voor het jongste, het lievelingszusje van Dracula.)

En de oude dag van Oegema zelf?

Na zijn vertrek uit Gooik zou hij korte tijd in Amsterdam (Wanningstraat 8) wonen. Wandelingen met Jac. van Hattum door het Vondelpark, zoals hij vastlegde in De vrouwen en ik. Misschien ontmoette hij in die stad zijn ex-vriendin Angèle nog wel eens?

In tal van brieven aan de uitgeverij had hij het in deze periode over zijn ‘oude moeder’: ze was doodziek, het ging een beetje beter met haar, als ze de winter doorkwam zou ze nog wel een poosje kunnen doorkwakkelen, haar toestand was opnieuw verergerd en meer dan ooit zorgwekkend, ze was nu heus te oud om nog voor zichzelf te kunnen zorgen. Toen hij mij schreef: ‘Geen vrouw is de tranen van een man waard’, voegde hij eraan toe: ‘Behalve zijn moeder.’ Deze brief van 9 januari 1974 kwam uit Leeuwarden (De Jokse 484), waar hij zich ten slotte opnieuw metterwoon had gevestigd: terug op de plaats waar hij was begonnen, terug naar moeder, het was de laatste keer dat hij zichzelf had verplant. Op 2 maart 1974 besteedde de Leeuwarder Courant een volle pagina aan hem en zijn uiteindelijke thuiskomst als die van een verloren zoon: ‘Theunis (Theo) Oegema (van der Wal) – een onmogelijk man – terug in Leeuwarden.’ Op de foto ziet men Oegema in zijn zwarte pak met streepjesdas, zoals ik hem heb gekend, van het vriendelijke gezicht leest men de definitieve teleurstelling af. Om alles. ‘Thans zit je het verleden te vervloeken / (…) en groen van spijt / jezelve op te vreten’ (uit Autodafé). Hij is zevenenzestig, zijn haar is wit geworden, zijn ogen staan slaperig alsof hij zin heeft om er voorgoed bij te gaan liggen, zware wallen onder die ogen: deze heer heeft veel gehuild in zijn leven. Hij is op die foto in gezelschap van zijn moeder: zeer oud en met schrander gezicht. Dat is Aafke van der Wal, in vroeger jaren is ze dienstbode geweest bij de ouders van de schrijver en sinoloog Jef Last, ze zou de leeftijd van honderéén jaar bereiken, verzorgd en verpleegd door Theunis.

 

Theo Oegema met zijn moeder, Aafke van der Wal, Leeuwarden 1974. Foto Leeuwarder Courant.

    Later in het jaar van dit dubbele staatsieportret kreeg hij nog de ultieme teleurstelling te verwerken dat uitgeverij Manteau het tweede deel van zijn memoires niet zou publiceren. Na Oegema’s vertrek werd de lectuur en beoordeling van aangeboden manuscripten niet meer uitbesteed: het merendeel las ik, bij twijfel liet ook Julien er zijn oog op vallen. Rapporten schreven we niet: te tijdrovend en wat had het voor zin? Maar in het geval Oegema was een leesrapport toch op zijn plaats, – het blijkt nog te bestaan en sluimert in het AMVC-Letterenhuis, Antwerpen: zevenenhalf velletjes met potlood beschreven in een energiek, grootletterig handschrift: het mijne. Dit rapport werd integraal en met mijn naam erbij als de schrijver ervan overgetypt in de brief d.d. 13 december 1974 waarin Oegema onze weigering werd meegedeeld. Hoe wrang. Hoe sneu. De lector en redacteur gedurende dertien jaar die vrij prompt na zijn pensionering van zijn opvolger in dezelfde functies bij diezelfde uitgeverij te slikken krijgt dat zijn boek niet voor uitgave bij Manteau in aanmerking komt. En dit op de koop toe verneemt van de beginnende, jeugdige schrijver wiens eerste flodderwerkje nota bene hij zelf tien jaar eerder voor uitgave had aanbevolen. ’s Werelds loon!

Oegema’s schrijfcreatie (titel niet overgeleverd) bevatte volgens mijn rapport van dertig jaar geleden ‘in haast uitputtende (of dan toch veel geduld vergende) mate een teveel van hetzelfde, soms bijna woordelijk herhaald, – niet alleen binnen het kader van dit boek, maar ook in het verlengde van uw vorige’.

Van onderhavig teveel van hetzelfde verschafte ik voorbeelden: ‘Bv. ook de zoektochten naar sex, met name daar waar “ik”, het hele boek door, uittentreure, bij welk sexbedrijf dan ook, blijft herhalen dat hij in ieder geval niet naar de hoeren wil, want deze zijn bij hem nog altijd vies, onsmakelijk, overbrengsters van gemene ziektes en geven zich nog altijd over aan chantagepraktijken, enzovoort.’ Sex in werk van de braafburgerlijke Oegema, die uit pudeur manuscripten van Vlaamse schrijvers zoveel mogelijk van erotische passages had gezuiverd? In ieder geval gewaagt mijn leesverslag van een ‘groepsex-scène’ en van een ‘scène met het gemene homosexuele jongetje’.

Een overwegend uit ‘scènes’ bestaande roman in het ‘fictief autobiografische’ of ‘autobiografisch fictieve’ genre: ‘Al deze scènes blijken weinig met het verhaal uitstaans te hebben, (…) een opeenstapeling van anekdotes, zonder dat later blijkt dat tenminste één ervan ook maar iets tot gevolg heeft gehad dat het verloop of het einde van het boek heeft beïnvloed. Zo kan men bv. alle scènes gerust onderling van plaats verwisselen of zelfs weglaten (…).’

In mijn rapport staan ook nog woorden als ‘ronduit saai’,‘oninteressant’,‘humorloos’. En:‘Te broos van bot, te dun van vlees.’ En: ‘(Boek) waarin de auteur, al vertelt hij de zgn. “schokkendste” dingen over zichzelf, zichzelf toch niet blootgeeft.’

Misschien had ik recensent moeten worden. Zou ik dan gelukkig zijn geweest?

In de brief van Manteau die de weigering van zijn roman behelsde, ondertekend door J. Weverbergh, kreeg de schrijver van het onverkoopbare De vrouwen en ik, waarvoor vele bomen onnodig waren omgelegd, nog een tweede dreun. De nieuwe directeur deelde hem mee: ‘Naast de minder gunstige indruk die uw manuscript op Jeroen maakte, moet ik rekening houden met de investeringsbeperkingen die voor volgend seizoen voorgeschreven zijn. Het gaat de firma wel niet slecht, maar wij zijn huiverig om boeken te gaan brengen waarvan wij niet zeker zijn dat we ze gaan verkopen.’

 Image

Zijn graf in Lekkum, Friesland. Foto Ernst Bruinsma.

    Mogelijk heeft meneer Oegema vanwege mijn negatieve beoordeling van zijn laatste boek zo’n hekel aan mij gekregen dat hij nooit meer een brief van mij heeft willen beantwoorden.

Toen ik de aankondiging van zijn dood in de krant zag, was mijn allereerste, onmiddellijk opwellende associatie deze:

Na het afscheidsetentje gaven we elkaar op straat een hand en gingen we ons weegs in het uitgestrekte Brussel. Ik keek Oegema een ogenblik na: daar ging hij onder zijn zwarte hoed in zijn zwarte pak waar het ijle speldenregentje verraderlijk op neerdaalde. Zijn hoofd kleumerig tussen zijn hoogopgetrokken schouders. Geen regenjas of paraplu. Een rode boerenzakdoek. De mensen om hem heen konden denken dat hij er de regen mee van zijn gezicht veegde, maar ik had gezien dat terwijl hij zich van ons wegdraaide de tranen in zijn ogen waren geschoten. Zo verdween hij tussen natte gedaanten in het nergens eindigende grijs van de wereldstad. En dat ik toen, in een vlaag van sentimentaliteit, deernis met hem voelde.

Er stond een sympathiek in memoriam in de Leeuwarder Courant, 10 juni 2000. Verder nergens een woord over hem. Hij werd begraven in Lekkum. Op zijn graf staat de naam Theunis Oegema.

Uit zijn dichtbundel Per slot van rekening, in 1973 nog bij Manteau verschenen, deze slotregels van ‘Op visite bij de dood’:

Hoe meer ik u

in uw strapatsen gadesla

en uw reacties op het leven,

hoe meer ik denk

wacht nog maar even.

Of hij nu kort of lang besta

het wordt uiteindelijk toch

wijlen Oegema.