JULI 1967 - AUGUSTUS 1968
Baray, Cambodja
Er wachtte Sok een verrassing toen hij en zijn kader terugkeerden van hun missie in Angkor Thom. Het hoofdkader was tussentijds aangevuld met een nieuweling. Een nieuwe recruut was het niet. Hij was niet eens van Khmerse afkomst. De gehele dag zagen de mannen hem het kamp in en uit lopen en allemaal vroegen ze zich af wie hij was. Sam leek op de hoogte te zijn. Hij was nu de rechterhand van Serei. Serei was degene die aan het hoofd van het kader stond, degene die Sok bij zijn aankomst op de proef had gesteld. Maar toen Sok Sam ernaar vroeg, glimlachte deze alleen en zei: 'Wacht de avond maar af. Dan zullen jullie het allemaal tegelijkertijd te horen krijgen. Tot dan moet het een verrassing blijven.'
Na de avondmaaltijd vroeg kameraad Serei hun om een kring te vormen en, zoals Sam had voorspeld, stelde hij de man aan hen voor. Het bleek een Japanner te zijn. 'Dit is kameraad Musashi Murano,' zei Serei. 'Hij is een leraar die een lange tocht heeft gemaakt om ons te helpen in onze strijd voor een bevrijd Cambodja. Luister goed naar hem, en als hij het woord tot een van jullie richt, gehoorzamen jullie hem zoals jullie iemand van de Angka zouden gehoorzamen.'
Murano was een kleine, steviggebouwde man met haar dat op staalwol leek. De groeven in zijn gezicht leken als in graniet gehouwen. Het was een man, daarvan raakte Sok overtuigd, die nooit had geleerd hoe hij moest glimlachen. Hij toonde zijn instemming door in een parodie op een glimlach zijn tanden te ontbloten, op dezelfde wijze die Sok had waargenomen bij mannen die een langzame dood waren gestorven.
De ogen van Murano waren buitengewoon opmerkelijk; ze zagen eruit alsof ze van dubbele oogleden waren voorzien, zoals bij een hagedis. Als hij je aankeek, kreeg je de indruk dat zijn aandacht alleen op jou was gericht en al het andere voor hem niet langer bestond. Als hij een van zijn lessen gaf, gebeurde het soms dat zijn pupillen zich leken terug te trekken in het melkachtige wit van de oogballen, een beangstigende aanblik.
Van alle leden van de Rode Khmer was Sok de enige die Murano durfde te vragen wat er met zijn ogen gebeurde als hij lesgaf. De Japanner sloeg zijn armen voor zijn forse borstkas over elkaar en keek Sok doordringend aan. Op dat ogenblik werden zijn oogballen melkwit, alsof het vreemde, tweede ooglid over zijn oogballen schoof.
Sok kromp inwendig ineen. Hij had het gevoel alsof iets hards en puntigs zijn lijf binnendrong, en verder, tot in de kern van zijn ziel. Daar bleef het zitten, kronkelend als een vastgeprikt serpent, tot hij begon te rillen en huiverde als een hond die vanuit de regen een warm vertrek binnenstapt.
Toen hij Murano opnieuw aankeek, zag hij dat diens ogen opnieuw gitzwart waren. De kronkelende slang was uit Soks binnenste verdwenen.
'Nu weet je het,' zei Murano. 'Ik dring je binnenste binnen. Ik word één met jou zoals jij één bent met je lichaam, je geest, je reflexen, je dierlijke kern. Kokoro.'
Aanvankelijk begreep Sok niets van wat de man tegen hem had gezegd, maar naarmate hij zich meer betrokken voelde bij de lessen die Murano gaf, sijpelde nieuwverworven kennis langzaam zijn brein binnen.
Bij een buitenstaander zou mogelijk de indruk gewekt kunnen zijn, dat Murano zich bezighield met de fysieke kant van agressiviteit. Niets was minder waar.
'Er is geen fysiek lichaam,' zei Murano op zekere dag in zijn vreemd geaccentueerde Frans tegen Sok - vanzelfsprekend was hij de taal van de Khmer niet machtig - en keek hem strak aan. 'Er is geen geest. Die twee omschrijvingen bestaan alleen binnen het raamwerk dat de mens als referentiekader heeft bedacht. Het zijn omschrijvingen waarmee je gemakkelijk allerlei verklaarbare zaken kunt benoemen. De waarheid laat zich echter heel anders aanzien.'
Hij bracht zijn arm omhoog en strekte die tot het lichaamsdeel haaks op zijn lijf stond. 'Kom eens hier,' zei hij. 'En probeer mijn arm eens te bewegen.'
Sok deed wat van hem werd verwacht, maar algauw kwam hij tot de ontdekking dat hij de gestrekte arm niet naar beneden kon krijgen, zelfs niet als hij er met zijn volle gewicht aan ging hangen.
'Welnu,' zei Murano, 'als ik je nu vertel dat ik sterker ben dan jij, is dat de waarheid, ja? Maar als ik zou zeggen dat ik mijn spierkracht aanpaste aan de druk die jij uitoefende, en in staat ben dat tot in het oneindige door te zetten, dan zou dat een leugen zijn, ja? Kun je me vertellen wat het verschil tussen deze twee verklaringen is?'
Sok zei dat hij dat niet kon.
'In de strijd,' zei Murano, 'raakt iemand in een staat die als
"totaal" omschreven zou kunnen worden. Inwendig en uitwendig vloeien samen. De waarheid is oneindig. Luister nu goed. Als je je dit eigen kunt maken, zul je in staat zijn alles dat hierna volgt onder de knie te krijgen. Daar gaan we: als je voor een tegenstander staat en je denkt, nu moet ik mijn arm opheffen, ben je al verloren. In dat geval gaat de gedachte aan het woord vooraf. Elk mens bezit de neiging op deze rationele wijze te reageren. Er is in het verleden veel over gesproken, maar niemand kan precies benoemen waar de neiging vandaan komt.' Hij hief een vinger op en liet die recht omhoog naar de lucht wijzen. 'Een andere situatie. Je rijdt auto, verliest de macht over het stuur en slaat over de kop.' De vinger imiteerde de rollende beweging van een verongelukte auto. 'De auto vliegt in brand en je hersens registreren de mogelijkheid dat je in doodsgevaar verkeert. Dit wordt de hersens via de zintuigen duidelijk gemaakt. De hersens beoordelen vervolgens de situatie en nemen een besluit.' Hij zweeg een ogenblik. 'Je arm schiet uit en je slaat tegen het portier, met zo'n kracht dat het portierslot wordt vernield en de weg naar de vrijheid voor je open staat. Was dit mogelijk omdat je over de spieren van een body-builder beschikte?
Gebeurde dit omdat je eerst zorgvuldig over je ontsnapping nadacht?' Hij schudde minzaam zijn hoofd.
'Het gebeurde en lukte omdat het voortbestaan van jouw stoffelijk omhulsel rechtstreeks met vernietiging werd bedreigd. Op een of andere wijze kwam de primitieve kern in beweging. Zonder erbij na te denken werd het menselijk lichaam van bovenmenselijke kracht voorzien, wilskracht ook.
Het kan. Het gebeurt elke dag. Het is mogelijk om "mentaal" tot in het diepst van je ziel te reiken en die kracht beschikbaar te maken als je haar nodig hebt. Dit is kokoro. En geloof me maar als ik je vertel dat niemand ter wereld je deze vechtmethode kan bijbrengen. Elders zullen vele sensei je vele methoden kunnen bijbrengen. Uitstekend, maar kokoro is dé weg. De andere methoden zijn slechts onvolmaakte experimenten.
Om je deze methode eigen te leren maken, heb ik je onverdeelde aandacht nodig. De tijd zal de rest doen. Voor geloof is in deze methode echter geen plaats. Zien, horen, voelen en reageren, daar gaat het om. Directe reactie, dat is kokoro. Nu beginnen we met de les
Om te stellen dat Soks leven na deze les veranderde, zou slechts een onbeholpen omschrijving zijn van wat in werkelijkheid gebeurde. Om te stellen dat zijn leven een ware metamorfose onderging, komt dichter bij de waarheid. In zichzelf ontdekte hij - of liever gezegd, werd hij door Murano in contact gebracht - met de dierlijke kern die in ieder mens schuilgaat. De eerste dagen bezorgde dat hem een vreemd gevoel; het angstaanjagend primitieve gevoel leek te sterk om te kunnen beheersen. De eerste dagen onderging hij een ervaring alsof er een wilde leeuw in zijn binnenste op jacht was. Hij kon de dierlijke geur ruiken, de aanwezigheid van de jager voelen. En, als reactie op het onbekende gevoel, probeerde hij het van zich af te zetten.
Tijdens dit verzet liet hij bijna het leven; hij kreeg koorts en zelfs Murano kon hem geestelijk niet bereiken. Hij zou zeker zijn overleden als Sam niet had ingegrepen.
Hij leidde zijn heftig transpirerende broer uit het kamp in Baray de jungle in, waar ze alleen waren met de apen, de vogels, de bloemen en de geluiden van het woud; daar, door niemand gadegeslagen, kon Sam zijn broer eindelijk omhelzen.
'Own,' fluisterde hij. 'Own. Wat is er met je? Wat is er gebeurd?'
Het duurde een hele tijd vóór Sok zijn spraakvermogen had hervonden. Hij leunde met zijn rug tegen een boomstam, zittend op de grond. Zijn ruwkatoenen hemd voelde tegen zijn rug warm en kleverig aan. Hij keek naar de groene wereld om zich heen en huiverde.
'Murano... hij liet me zien wat kokoro is,' zei hij toen hij eindelijk de zelfbeheersing over zijn stembanden hervond. Het volgende ogenblik besefte hij dat zijn stem was veranderd. De toon ervan was lager, dieper, leek het, als die van een volwassene. Hij draaide zijn hoofd om en keek zijn broer recht in het gezicht. 'Ik geloof nu dat je gelijk had om aan de leer van Preah Moha Panditto te twijfelen. Het Boeddhisme is niet de enige, ware weg, niet het universum.'
Sam keek hem sceptisch aan. 'En nu denk je dat
kokoro de ware leer is?'
'Nee.' Sok schudde zijn hoofd. 'Dat denk ik helemaal niet.' Hij liet zijn vingertoppen over zijn haar en voorhoofd glijden. 'Maar Murano heeft me een deel van mezelf getoond waarvan ik niet eens wist dat het bestond.' Hij pakte de hand van Sam vast. 'weet je, ik heb je vroeger wel eens stiekem gadegeslagen en dan vroeg ik me af waar jouw woede vandaan kwam, wat je zo boos maakte, soms. Nu heb ik ontdekt dat ik in mijn binnenste diezelfde woede meedraag. Een woede waarvan ik naar wens gebruik kan maken, waaruit ik energie kan putten. Ik wist alleen niet wat het was. Herkende het niet. Nu weet ik het.' Zijn gezicht stond bedroefd; hij stond op het punt om in tranen uit te barsten. 'Ik kon het nooit verklaren, maar als we ten strijde trokken, als ik moordde... ik weet het niet, ik voelde me goed. Mijn woede werd erdoor afgezwakt tot op een niveau waar ik mijn emoties in de hand had. Begrijp je wat ik bedoel?'
'Ja.' Sam aarzelde geen ogenblik met antwoord geven. 'Wij zijn ons leven niet veilig, vergeet dat niet. Elke dag kan onze laatste zijn. Angst en onmacht spelen óók een rol bij het opwekken van woede. Nu ik erop terugkijk, geloof ik dat we ons leven nooit veilig zijn geweest. De crisis stond altijd al voor de deur, loerend als een kwade kmoch die wacht tot het juiste ogenblik om toe te slaan daar is. In zekere zin ben ik blij dat we nu in ieder geval weten waar we aan toe zijn. Ik voel me in ieder geval minder angstig. Ik ben tevreden met wat ik ben geworden. Té lang heb ik me ervan weerhouden mezelf te zien zoals ik werkelijk ben.'
'Maar je bent al die tijd dezelfde geweest, Own. Dat weet je.' Hij gaf zijn broer een kneepje in zijn hand. 'Je bent niet slecht, Sok, als dat je soms dwarszit. We zijn geen van allen slecht.'
Maar daar was Sok lang niet van overtuigd; hij was inmiddels van te veel slachtingen getuige geweest. Het beeld van de priester in Angkor Thom bleef hem in zijn dromen achtervolgen. Telkens opnieuw zag hij hoe de man werd geslagen. Het beeld huisde in zijn geest als een kettinghond die rukt en trekt om zich van zijn leiband te ontdoen. Nadat ze de priester hadden doodgeslagen, hadden ze een kruis getimmerd en hem er op vastgespijkerd. 'Als een teken,'
had Ros gezegd, 'dat dit het gebied van de Chet Khmau is.' Hij had de M-l in zijn hand hoog opgeheven. 'En dit is onze vlag.'
Nee, dacht Sok nu. Een wapen kon onmogelijk het nieuwe symbool van een bevrijd Cambodja worden. Maar hoezeer hij zich ook inspande, hij kon het beeld van de priester niet van zich af zetten. De priester had Preah Moha Panditto geweest kunnen zijn; alleen Boeddha had ervoor gezorgd dat iemand anders in zijn plaats aan het kruis was genageld. Niettemin had een man die zijn leven in dienst van de vrede had gesteld, het leven gelaten. Wat voor beesten bracht het huidige Cambodja in vredesnaam voort?
Sok, die op de vochtige junglegrond tegen de boom zat geleund en de handen van zijn broer vasthield, bleef het antwoord op die vraag schuldig. Evenmin kon hij het beest dat Murano in zijn binnenste had losgelaten benoemen. Hij wist alleen dat hij van een bovennatuurlijke kracht vervuld was.
Wat hij niet onder woorden kon brengen, iets waarvan hij zelfs tegen zijn broer geen gewag durfde maken, was dat het wezen dat in hem rondwaarde volkomen tegengesteld was aan alles dat hem in zijn jeugd als zijnde goed en gezond voor ogen was gehouden. Het boeddhisme was voor hem als eten en drinken geweest. Maar de revolutie had daar verandering in gebracht. Hij werd nu van vele kanten beïnvloed, en alle leraren vertegenwoordigden verschillende stromingen, gaven verschillend onderwijs en brachten verschillende facetten van zijn wezen aan het licht. Toch vormde zijn geest een geheel, niet een uit fragmenten opgebouwde eenheid. Hij leefde, dacht en handelde; er was slechts één Khieu Sokha.
Met een enorme wilsinspanning wist hij zijn gemoed tot bedaren te brengen. Deze tijden waren niet geschikt om de leer van Boeddha na te leven. Zij die hem als voorbeeld namen, werden doodgeslagen of op een andere wijze vermoord. Dit waren tijden waarin een man zich moest inzetten om de bevrijding van Cambodja werkelijkheid te laten worden. Sam was immers dezelfde mening toegedaan. En was Sam in het verleden ook niet een voorbeeld voor hém geweest. Als ... als dit alles achter de rug was, zou hij opnieuw zijn heil zoeken in de leer van Preah Moha Panditto. In zijn hart was hij nog steeds boeddhist, maar zonder het verlangen zich desnoods tegen de hele wereld te verzetten om het priesterschap op zich te nemen.
Hij voelde zich een stuk beter en stond langzaam op. Sam stond zwijgend naast hem. Naast elkaar bleven ze een ogenblik roerloos, in de stilte van het woud, in gedachten verzonken staan, toen kwamen ze in beweging. Het was bijna tijd voor het avondmaal. De toekomst bracht nog meer veranderingen met zich mee. In de strijd bediende Sok zich van de kennis die Murano hem bijbracht en won zodoende het respect van zijn medestrijders. Achter zijn rug werd over hem gesproken als over la machine mortelle, de moordmachine. Hij werd bevorderd tot officier. De Japanse sensei sloeg de vorderingen die Sok maakte met argusogen gade; hij had het gevoel dat zijn reis naar het verre Cambodja toch niet voor niets was geweest. Murano was met twee vrouwen getrouwd geweest, maar geen van beiden had hem nakomelingen geschonken. Dat wilde hij nu rechtzetten. Natuurlijk wilde hij geen kind verwekken. Hij wist dat hij niet lang genoeg zou leven om een kind tot volwassenheid te kunnen opvoeden, om een zoon naar zijn wensen te kunnen kneden en vormen. Hij was uit zijn land vertrokken met de bedoeling elders op zoek te gaan naar een jongeman die over de juiste geestelijke bagage beschikte. Al doende was hij steeds verder naar het oosten getrokken. Behalve over de juiste psychische eigenschappen moest de jongeman in kwestie gevrijwaard zijn van abnormaliteiten of afwijkingen. Meer niet.
En in Sok meende hij de geschikte jongeman gevonden te hebben. Zijn speurtocht was ten einde. Hier in Cambodja zou hij sterven en begraven worden. Ach, dat interesseerde hem allemaal geen zier. Hij was nooit bijzonder gesteld geweest om in Japanse bodem begraven te worden. Hier, in Cambodja, zou hij in de gedachten van zijn leerlingen voortleven als een mentor, een sensei; hij zou als een soort vaderfiguur worden beschouwd. Nu wist hij hoe hij zijn leven kon vervolmaken. Hij was zelf altijd een onafhankelijk individu geweest. Dat kwam door de aard van zijn levenswerk. Kokoro kon niet worden gedeeld met een vrouw, een oom, een neef. Hij had al die jaren echter geteerd op de intimiteit die er tussen een sensei en zijn leerling ontstaat, meer had hij niet nodig gehad. Als kind was hij te vondeling gelegd en soms, tijdens de jaren die achter hem lagen, had hij zich afgevraagd of ergens in Japan wellicht een broer of zus woonde. Nu zou hij dat zeker nooit te weten komen. Nu hij Sok onder zijn begeleiding zag groeien, kwam hij tot de conclusie dat het er niet langer toe deed. Behalve deze jongen had hij geen familie nodig. Via hem zou hij zijn kokoro voortzetten.
Het kwam echter geen enkele keer bij hem op dat het voortzetten van zijn kokoro'm een zelfgekozen nakomeling van de uitverkorene een geïsoleerd mens zou maken. Voor Murano was kokoro de enige echte levensvorm, die voor hem meer betekende dan de tien geboden van het universum, met meer potentieel dan de leer van de shinto of de catechese van het boeddhisme. Kokoro was de enige wet die hij erkende.
Tijdens de tweede zomer van zijn verblijf in het kamp, nam hij Sok met zich mee, diep het oerwoud in. In de schaduw van een overhangende klimop die zich rond de overblijfselen van een oude tempel omhoog had gewerkt, keek hij Sok ernstig aan en fluisterde:
'Sok, ik heb niet lang meer te leven.'
Achter de rug van de Japanner zag Sok apsara, op fraaie wijze in steen vormgegeven, afgebeeld tijdens haar universele dans. 'Dat kan niet waar zijn,' zei hij geschrokken. 'Binnen de Angka zijn er die beweren dat u het eeuwige leven hebt.'
Murano ontblootte zijn vlekkerige tanden. 'In zekere zin hebben ze het bij het rechte eind.' De zon ging onder; de laatste stralen filterden door het groen. Het kamp, verderop, was reeds in schaduwen gehuld. Murano nam Soks eeltige hand in de zijne; de blik in zijn ogen leek oprecht.
'In jou leef ik voort, Sok.'
Macomber ontmoette senator Jack Sullivan op de club. Hoewel de naam voluit veel langer was, refereerde Macomber altijd aan de gelegenheid als aan 'de club'.
Het grijsstenen pand bevond zich ten oosten van Fifth Avenue en was halverwege de jaren vijftig gebouwd. Naast de deurpost was geen naambordje of bronzen plakkaat te bekennen, alleen het huisnummer stond er in krullerige cijfers op vermeld. Een toevallige passant kon aan de voorgevel onmogelijk afzien wat zich er achter mogelijk afspeelde.
Diegenen die via de mahoniehouten deuren werden binnengelaten, werden begroet door een in livrei geklede butler, die beleefd doch beslist ongewenste aanbellers de deur wees. De leden van de club begaven zich bij hun binnenkomst via de marmeren hal naar de vestibule, waar de/elfde butler hun jas aannam. Negers werden als lid geweerd, en joden helemaal. En er was binnen de clubgelederen meer dan voldoende geld aanwezig om ervoor te zorgen dat dat zo bleef.
Een brede trap gaf toegang tot de omloop op de eerste verdieping. Rechts bevond zich de bibliotheek, waar de meeste leden bij voorkeur hun drankje nuttigden of iets lazen vóór ze aan de lunch begonnen. Macomber ging naar links. Daar bevonden zich de drie kamers die gereserveerd konden worden voor privé-ontmoetingen. Nadat hij had aangeklopt, werd de deur geopend door een bediende met een stijve onderlip.
'Middag, sir.' Hij boog zijn hoofd iets naar voren. Zijn donkere haar werd bovenop zijn schedel door een strakke scheiding in twee helften verdeeld. Het glom, alsof het met pommade was ingesmeerd. 'Uw gast, de heer Sullivan, is nog niet aanwezig.' Vervol266
gens liet hij Macomber de comfortabel ingerichte kamer binnen-stappen. Macomber, die van dat laatste op de hoogte was, knikte vriendelijk. 'Dat is geen probleem, Ben.' Hij nam plaats op een van de buitenmaatse leren fauteuils waarop slijtplekken aangaven dat ze al jaren in gebruik waren; niettemin waren ze glanzend gewreven en het leer was vlekkeloos schoon.
'Een droge martini-wodka graag, Ben,' zei Macomber terwijl hij zijn benen over elkaar sloeg.
'Tot uw dienst, meneer.'
'Als Sullivan komt, breng dan voor hem het gebruikelijke, vooropgesteld dat hij iets wil drinken. Daarna kun je aan de maaltijd beginnen. Krab en koude kreeft, klopt dat? Hmm. Doe er maar een flinke salade bij, en voor mij een Heineken.'
'Komt in orde, meneer Macomber.'
Ben was altijd degene van wiens diensten Macomber gebruik maakte als hij een van de drie kamers voor een privé-gesprek reserveerde. De jaarlijkse bonus die de bediende ontving, was eigenlijk overbodig, daarvan was Macomber overtuigd. Toch hield hij de gewoonte in stand. De moeder van Ben was opgenomen in een verzorgingstehuis - een dure aangelegenheid - en Ben kon het geld heel goed gebruiken.
Macomber had zijn glas voor de helft geleegd toen Ben geruisloos de deur opende en Jack Sullivan het vertrek binnenliet. De twee mannen schudden elkaar de hand en de senator bestelde een Glenlivet met ijs. 'Wacht even, maak er maar een dubbele van,' zei hij tegen Ben. 'Ik heb een vermoeiende ochtend achter de rug.'
Vervolgens liet hij zich tegenover Macomber op een stoel zakken. Jack Sullivan leek in velerlei opzichten meer op de gelijknamige televisie-presentator, zowel in uiterlijk als in gedrag, dan elke andere senator die Macomber kende. Hij was hoekig gebouwd en had brede schouders. Hij had een tamelijk groot hoofd, een indruk die nog eens werd versterkt door het feit dat zijn warrige rode haardos zich niet door een kam in toom liet houden. Zijn lange, ronde wenkbrauwen waren eveneens rossig van kleur en zijn wangen waren zo rood dat ze de indruk wekten dat talloze bloedvaten het hadden begeven. Zijn kaak was vierkant en zijn neus leek op die van een bokser. Kortom, Sullivan zag er uit als het prototype van een Ier, iets wat Sullivan maar wat graag hoorde. Hij kende de namen van al zijn voorvaderen, tot in de zesde generatie,
en als hij eenmaal over de revolutie begon - volgens hem was er maar één - dan kon hij urenlang aan het woord zijn. Zijn armspieren maakten het de naden van zijn driedelige pak behoorlijk lastig toen hij zich iets naar voren boog. De rand van zijn overhemdboord was, ondanks het relatief vroege uur, al groezelig van de transpiratie. Hij rook zelfs in lichte mate naar zweet.
Macomber hield het gesprek oppervlakkig, tot Sullivan zijn whisky had en Ben de deur achter zich sloot. Aan de andere kant van het vertrek stond de tafel al gedekt; veel kristal en veel zilverwerk, exclusief voor de club door Tiffany ontworpen.
'Jezus,' zei Sullivan met zijn lichte Ierse accent. 'Dat incident in Egypte zorgde voor flink wat roet in het eten.' Hij nam een fikse slok van zijn drankje. De ijsblokjes tinkelden toen hij het glas neerzette. 'Het gaat er niet alleen om dat DeWitt als een of ander offerlam werd geslacht, die schoften slaagden er ook nog eens in om in ons veiligheidsnetwerk te penetreren. Het is precies zo gegaan als in West-Duitsland.'
'Wie trok er achter de schermen aan de touwtjes?'
'Ach, zoals gebruikelijk was er weer veel geharrewar tussen de CIA en de binnenlandse veiligheidsdienst.' De helderblauwe ogen van de senator leken op twee glinsterende steentjes. 'Het vervelende is dat mijn Comité voor Veiligheidszaken dagen geleden een rapport samenstelde dat op het bureau van de president belandde. Daarin stond precies aangestipt op welke punten ons veiligheidsnetwerk in het Midden-Oosten en in West-Duitsland niet deugt. In Midden-Amerika toont ons netwerk overigens op dezelfde punten gebreken.'
De fauteuil kraakte protesterend toen Sullivan zich naar voren boog. 'En jij weet wat de ouwe Lanoline' - de president heette eigenlijk Lawrence, maar een of andere grappenmaker in de republikeinse gelederen had hem bij de aanvang van zijn ambtstermijn de bijnaam bezorgd - 'tegen ons heeft gezegd? Heren, ik dank u dat u zich zoveel moeite hebt getroost. Zodra ik er tijd voor vrij kan maken, zal ik me over deze zaak buigen. Zoals u weet is het dit jaar ons doel om allereerst de landelijke economie op het rechte spoor te zetten. De inflatie en de grote massa werklozen vormen een prioriteit.'
'Jammer dat die opmerking niet bij de media terechtkwam,' zei Macomber geamuseerd, 'vooral met het oog op wat er overzee gebeurde.'
Sullivan gromde. 'Kon ik maar iets van dat gesprek
laten uitlekken.'
Macomber nam hem vorsend op. 'En waarom kan dat niet, Jack?'
'Omdat ik me niet van dergelijke praktijken bedien, daarom kan het niet. Het is on-Amerikaans.' Zijn gezicht werd nog roder en hij schreeuwde de woorden bijna uit. 'Tenminste, dat zijn de woorden van een behoorlijk aantal van mijn republikeinse collega's. We moeten in deze zaak één front vormen, Jack, zeiden ze tegen me. Me reet, zei ik op mijn beurt. Bij de volgende verkiezingen boort de schoft die voor de democraten het strijdperk in zal gaan ons allemaal de grond in. Het Witte Huis zit vol nagelbijters en jammeraars die uit angst voor de Rode Beer nog niet eens durven gaan verzitten!' Zijn vuist kletste tegen zijn geopende handpalm.
'Christus, vanuit Europa werd me meegedeeld dat, als wij niet achter de knapen aangaan die DeWitt uit de weg ruimden, elke politicus daar zich rot zal lachen. Del, laat ik je dit zeggen, overzee hebben we de afgelopen jaren enorm gezichtsverlies geleden. Ik word er doodziek van, weet je dat! Af en toe schaam ik me dat ik senator ben.'
Sullivan was nu door het dolle heen. Hij stond op en begon door het vertrek te ijsberen, heen en weer over de brede rode loper die gedeeltelijk de parketvloer bedekte. 'Ik begin zelfs te denken dat die Gottschalk de enige is die op het rechte spoor zit. Ik bedoel, jij kent me, Del. Ik ben republikein, en daar ben ik trots op. Toegegeven, weliswaar kom ik uit een liberaal gezin - mijn vader werkte zijn hele leven bij Ford aan de lopende band - maar ik zou niet graag overstappen. Toch zeg ik je dat ik me dood zou schamen als mijn oude heer - God hebbe zijn ziel - zou weten wat ik voor stront over me heen laat storten. En dat niet alleen. Hij zou zich rotschrikken als hij zou constateren hoe de vakbonden zich uit de markt hebben geprijsd. Wat wij hier ook produceren, in Japan kunnen ze het ook, en goedkoper en - en dit doet me werkelijk pijn- beter. Maar nee, die kloterige vakbonden willen om de driejaar meer geld, omdat de kosten van het levensonderhoud in de tussentijd omhoog zijn gegaan, en omdat we over een poosje nog maar vier dagen per week zullen werken. Del, vertel jij het me eens, hoe kan onze industrie op zo'n dieet overleven ? Dat kan niet! Daar zit 'm de kneep. We staan tot onze nek in de bagger, over een jaar of wat tot aan onze kruin.'
'Nu klink je net als Atherton Gottschalk.'
'En terecht,' zei Sullivan terwijl hij zich weer
op de fauteuil liet vallen. 'Ik probeer je, wat hem betreft, van
gedachten te doen veranderen, Del. Hij zou er behoorlijk mee
gediend zijn als een machtig man, zoals jij, hem zou steunen. Zoals
de zaken er nu voorstaan, heeft hij in augustus alleen maar een
paar centen en wat meer invloed in de grote steden nodig om de
verkiezingen te winnen.'
'We konden vroeger al niet met elkaar opschieten,' zei Macomber. 'Dat weet jij, Jack, en dat weet iedereen.'
'Verdomme, dat was een persoonlijke aangelegenheid. Dit gaat om iets van politiek belang. God, en alleen omdat hij probeerde Joy Trower te versieren toen jullie al verloofd waren? En wat dan nog?
Per slot van rekening zijn we allemaal dieren.'
'Ik wil niet -'
'Luister nu eens naar me,' zei Sullivan, en boog zich op vertrouwelijke wijze naar voren. Met zijn wijsvinger tikte hij op de knie van Macomber. 'Vannacht werd ik door Gottschalk gebeld. Weet je wat hij zei dat het Comité nu moet doen, allereerst? Een onderzoek instellen naar de veiligheidsmaatregelen die voor het bezoek van DeWitt aan Caïro zogenaamd werden getroffen. Wat vind jij daar nu van? Ik weet hoe je over de regering denkt sinds Lanoline president werd. Hij wil vriendjes worden met de Sovjets, en dat terwijl ze ons te grazen nemen waar ze maar kunnen. Om maar te zwijgen over die terroristenopleidingen die ze in Libanon, Honduras en West-Duitsland verzorgen. Reken maar dat ze ook in Italië zouden zitten als de Rode Brigades daar de zaak niet zo stevig in handen zouden hebben.' Hij schonk Macomber een strakke blik.
'Del, het wordt werkelijk hoog tijd dat jij en Gottschalk de strijdbijl begraven. Hij weet hoe hij moet bereiken wat hij wil bereiken en als jij hem financieel een beetje spekt... Ik zeg niet dat het tijdens de conventie van een leien dakje zal gaan, maar nu Holmgren God hebbe zijn ziel - van het toneel is verdwenen, zal het zeker gemakkelijker gaan. Ik bedoel, per slot van rekening zullen de democraten weer met Lanoline op de proppen moeten komen. Ze hebben bijna geen goeie mensen, behalve Hickock, van wie buiten Illinois niemand ooit heeft gehoord.'
Macomber leunde achterover en deed alsof hij diep nadacht over wat Sullivan hem had voorgesteld. Zijn lange wijsvinger tikte in een traag tempo tegen zijn getuite lippen. Toen hij schatte dat voldoende tijd was verstreken, zei hij: 'Luister eens, Jack. Stel dat ik geïnteresseerd zou zijn, dan zou ik eerst een en ander willen weten.'
'Zeg het maar.'
'Kan ik op je rekenen? Op elk gewenst tijdstip?'
'Verdomme, ja, natuurlijk.'
Macomber legde zijn handpalmen op de armleuning van de stoel. Roerloos bleef hij enkele ogenblikken in die houding zitten.
'Nog iets, Jack, hoe goed ben jij in het voorspellen van verkiezingsuitslagen?'
De senator haalde zijn schouders op. 'Dat is afhankelijk van de informatie die ik vooraf krijg.'
'Dat klinkt redelijk.' Macomber sprak nu op een vleierige toon.
'Maar, tja, eigenlijk wilde ik iets heel anders voorstellen. Stel, stel nu dat ik jou iets vertel en vraag om naar aanleiding daarvan actie te ondernemen. Zou je dat doen?'
'Het doet er niet toe waarom het gaat?'
'Precies.'
Sullivans dikke wenkbrauwen schoven iets dichter naar elkaar toe. 'Christus, ik weet het niet. Ik heb al die jaren óók gedaan wat de partij van me verlangde; ik ben tegen die wil ingegaan als ik vond dat de besluiten niet deugden.'
Macomber zei niets meer. Hij drukte op een toets onderaan de armleuning van de fauteuil. Een ogenblik later opende Ben de deur.
'Je kunt opdienen, Ben.'
Terwijl dat gebeurde sprak geen van beide mannen ook maar een woord. Tenslotte bracht Ben een zilveren emmer met zes flesjes bier binnen en konden ze aan tafel gaan.
'Zullen we...?' vroeg Macomber.
'Een ogenblik.' Sullivan rook een handeltje, en hij wilde eerst weten wat dat handeltje precies behelsde, vóór hij de definitieve stap deed.
Macomber liep op zijn gemak naar de tafel en stak een stukje krabvlees in zijn mond. Het volgende stukje doopte hij in de met tuinkruiden aangemaakte mayonaise. Genietend kauwde hij er op. De krab was vers en overheerlijk, het malse vlees sneeuwwit.
'Zeg, Jack,' zei hij onverwacht. 'Hoe sta jij er tegenwoordig financieel voor?'
'Prima,' gromde Sullivan.
'Volgens mijn informatie niet.'
'Ik heb eerder moeilijke tijden doorgemaakt. Ik
ben er altijd op een of andere wijze weer uitgekomen.'
'Maar deze keer is de situatie ernstiger.' Macomber stopte het derde stukje krabvlees in zijn mond en bette zijn lippen met een linnen servet. In een van de hoeken waren de initialen van de naam van de club geborduurd. Hij draaide zich om en keek de ander aan.
'Deze keer zit je diep in de schulden. En je vrouw, die eens rijk was, heeft niet genoeg over om je deze keer uit de problemen te helpen. Bovendien heb je drie kinderen op de middelbare school en één op de universiteit. Je hebt een zware last te torsen, Jack. Een té zware. Deze keer zul je er onder bezwijken.' Hij keek dé senator recht in de ogen. 'Die honderddertigduizend zullen je de kop kosten.'
'Wat zeg je daar?' De stem van Sullivan klonk niet luider dan een fluistering.
'Ik zou het niet leuk vinden als dat gebeurde, Jack. Meer wil ik er niet over zeggen. Voor mij ben je veel te belangrijk. Om je een voorbeeld te geven: stel je eens voor wat voor goeds je zou kunnen doen als je een onderzoek instelde naar de veiligheidsmaatregelen die voor het bezoek van DeWitt aan Caïro werden getroffen. En wat je zou kunnen bereiken als je flarden van je gesprek met Lawrence naar de landelijke pers zou laten uitlekken.'
'Je bedoelt dat ik me met huid en haar aan jou moet verkopen, zo maar?'
'In het geheel niet,' zei Macomber. Hij kwam in beweging en stelde zich naast de fauteuil van de senator op, ontspannen en kalm. 'Eerlijk gezegd, Jack, zou ik er niet over piekeren om je iets te laten doen wat tegen je overtuiging indruist. Per slot van rekening hebben we veel dingen gemeen.'
'En als Gottschalk eenmaal president is ...? vooropgesteld dat hij het wordt.'
Macomber ging eindelijk zitten. 'Luister eens, in de hedendaagse politiek is de mens - de president - van geen enkel belang. Zijn politiek wordt bepaald door de mensen met wie hij zich omringt. De democraten zijn momenteel in opkomst, terug van weggeweest. Dus wat staat ons te wachten: bureaucratie, allerlei instellingen die een oogje moeten houden op het maatschappelijk welzijn, nog meer gelul over milieubescherming, zonne-energie, anti-kapitalistische wetjes. Jack, de geschiedenis toont aan dat presidenten vanwege hun persoonlijkheid worden gekozen. De televisie is hét medium tijdens een verkiezingswedloop. De rest bestaat uit het houden van een paar toespraken... en spekken. Een president moet zichzelf weten te verkopen, anders kosten zijn vergissingen hem de kop. JFK was daar een goed voorbeeld van. Tijdens zijn ambtstermijn begon de oorlog in Vietnam, de moord op de gebroeders Ngo, Diem, de Varkensbaai, maar hij staat wél nog steeds te boek als het grootste sekssymbool van de twintigste eeuw.'
Hij boog zich naar voren. 'Denk je werkelijk dat het maken van fouten uiteindelijk ook maar iets uitmaakt? We weten wel beter. Mensen moeten in iemand kunnen geloven. Een Koning Arthur, een Robin Hood, sprookjesfiguren. Johnson en Carter verdwenen van het toneel omdat ze zich niet wisten te verkopen. Stel je eens voor, dat je al die macht hebt en je hebt er geen controle over. Maar ach, iemand die op het punt staat failliet te gaan, zal zich om deze zaken allerminst druk maken. Het probleem met jou, Jack, is dat je teveel en te graag gokt. En wat heb je er mee bereikt? Niets dan problemen heb je je op de hals gehaald.'
Sullivan stond op. Hij trok zijn jasje uit, vouwde het keurig op en hing het over de rand van zijn stoel. Macomber keek naar het bewegen van zijn spieren onder de stof van zijn overhemd. De mouwen sloten strak om de armen. Toch had de man geen grammetje vet te veel.
'Je hebt verdomme nog gelijk ook, Del. Ik ben een gokker, en ik ben er nog trots op ook. Het zit in mijn bloed, in mijn genen, het is mijn lot en mijn ongeluk.' Toen hij weer ging zitten, verscheen er een listige schittering in zijn ogen. 'Ik zal je een sportief voorstel doen. We doen een spelletje handje-drukken. Degene die wint krijgt zijn zin.'
Macomber glimlachte. 'Je maakt een grapje.'
'Over dit soort dingen maak ik nooit een grapje,' zei Sullivan kalm. Hij begon te grinniken toen hij een bezorgde trek op het gezicht van de ander waarnam. 'Kom op, Del. Wat is er? Het afgelopen halfuur heb je geen ogenblik je kwek dichtgehouden. Laten we nu eens zien wat je hebt om je woorden kracht bij te zetten.' Hij strekte zijn linkerarm en liet zijn spierbal zwellen. Hij lachte. 'Ik doe alleen mee als je me aankan, eerlijk is eerlijk, of niet?' Hij stak zijn linkerhand uit en trok de tafel naar zich toe, tot die tussen hen in stond. 'Eén spelletje. Geen revanche.' Hij lachte opnieuw. 'Kom op, Del, je hebt ergens toch wel een greintje sportiviteit in je lijf?'
'Ik geloof niet dat ik veel keus heb,' zei Macomber toen hij opstond. Hij was goed gespierd, maar vergeleken met Sullivan zag hij er mager en zelfs iel uit.
'Ga zitten, Del,' zei Sullivan met kennelijk
plezier. 'Dit wordt echt leuk.'
Macomber gaf aan het verzoek gehoor. De twee mannen plaatsten de punten van de ellebogen tegen elkaar en strengelden hun vingers ineen. Beiden oefenden meteen druk uit.
'Eigenlijk zouden we iemand moeten laten aftellen,' zei Sullivan.
'Maar ach, doe jij het maar, Del.'
Macomber schudde zijn hoofd en riep Ben. 'Ik wil het volgens het boekje doen, anders helemaal niet. Ik wil niet dat een van ons beiden achteraf reden tot klagen heeft.'
De clubbediende verscheen in de deuropening. Na het verzoek te hebben aangehoord, toonde hij zich in het geheel niet verrast. Op afgemeten toon telde hij tot drie, op een wijze alsof hij het elke dag deed.
Sullivan, die het spelletje al eerder had gespeeld, oefende meteen druk uit om zodoende het voordeel van overwicht aan zijn kant te krijgen. Hij was slechts gedeeltelijk succesvol. Hij behaalde enige winst, maar toch minder dan waarop hij had gerekend. Zijn zelfvertrouwen nam toe, en hij stelde zich erop in om zo snel mogelijk korte metten met Macomber te maken.Macomber liet zich bijna verrassen door de inzet en de kracht waarmee Sullivan het spel opende. Toen hij de enorme druk op zijn polsgewricht voelde, besefte hij bijna verloren te hebben voor het spel goed en wel was begonnen. Dank zij zijn uitstekende conditie wist hij nu te voorkomen dat hij volkomen werd verrast. Desondanks voelde hij dat zijn schouderspieren grote moeite hadden om de druk te weerstaan. Hij had nog nooit eerder met een dergelijke inzet een op fysieke kracht gebaseerd spelletje gespeeld. Sterker nog, het was jaren geleden dat hij op deze wijze tegenover iemand aan de tafel had gezeten; voor het laatst in Ban Me Thuot, om precies te zijn. Het kostte hem enige tijd vóór hij wist hoe hij op de voordeligste wijze druk kon uitoefenen.
Op dat ogenblik had Sullivan zijn arm voor een-derde neerwaarts gedrukt. Macomber herinnerde zich de woorden van zijn aikido-sensei, die hem had verteld dat hij niet alleen zijn eigenkracht, maar ook die van zijn tegenstander moest aanwenden. Dertig seconden later bevonden hun armen zich weer in de positie van waaruit het spel was begonnen.
De glimlach verdween van Sullivans gezicht. Zijn wenkbrauwen schoven naar elkaar toe en hij begon over zijn hele lijf te trillen. Zijn ernstige gezichtsuitdrukking ging over in een bezorgde. Hij probeerde van alles, elke techniek, elk trucje, maar niets hielp. Meedogenloos werd zijn arm naar het tafelblad gebogen. Toen zijn knokkels de wol van het tafelkleed raakten, sloot hij zijn ogen. Ondanks al zijn spierkracht, ondanks zijn verwachting, had hij verloren. Hij kwam op stijve benen overeind en begaf zich naar de met hapjes afgeladen tafel. Hij ademde moeizaam.
De senator trok een flesje bier uit het ijs, opende het, en hield de halsopening vlak boven zijn geopende lippen. Hij stopte pas met slikken toen het flesje leeg was. Toen opende hij een tweede.
'Hé,' zei hij, 'laten we gaan eten. Ik ben uitgehongerd.' Hij stak zijn hand uit en pakte een stuk kreeft. Hij overgoot zijn hapje met een forse lepel Cumberlandsaus en propte een hap in zijn mond. Macomber was naast hem komen staan en, zonder de moeite te nemen eerst te slikken, zei Sullivan tegen hem: 'Weet je, je snapt toch wel dat ik er na één januari geen genoegen mee neem om nog steeds senator te zijn, is het wel?'
Macomber glimlachte. 'Jack, heb je me dat ooit horen zeggen?'
Een van de Newyorkse radiostations dat de gehele dag nieuws bracht stond aan toen Thwaite het recherchelokaal van bureau One Police Plaza binnenwandelde.
'De vraag is,' zei een monotone stem, die Thwaite als die van Atherton Gottschalk herkende, 'of dit land in staat is af te rekenen met terroristen, toenemend terrorisme, zoals dat momenteel tegen Amerikaanse diplomaten en militairen én tegen overzeese bezittingen wordt gepleegd. Gezien de laatste tragische gebeurtenissen in Egypte en in West-Duitsland, meen ik te moeten constateren dat dit niet het geval is. En wat dacht u van de volgende vraag: hoe is het mogelijk dat terroristen onze eigen veiligheidsdienst infiltreerden en in Caïro een van onze belangrijkste militaire adviseurs vermoordden? Hoe wisten de terroristen in Ramstein de blauwdrukken van de militaire installaties aldaar te bemachtigen? Hoe lang nog zullen we moeten aanzien dat het Amerikaanse consulaat in Lima door terroristen wordt bestookt, met brandbommen wordt zwartgeblakerd en belaagd? Hoelang nog duurt het vóór wij zeggen: "Ho, zo is het mooi geweest"?'
Een ogenblik stilte.
'Ik heb senator Jack Sullivan opgedragen een onderzoek in te stellen naar de lekken in de afdelingen van onze veiligheidsdienst in het buitenland, en wel zo spoedig mogelijk. Bij deze herhaal ik mijn verzoek aan president Lawrence om meteen een anti-terroristenbrigade in het leven te roepen en actief te laten optreden. Want als wij deze apathie handhaven - als wij het verkiezen een andere kant op te blijven kijken - dan zullen nieuwe aanvallen van terroristen niet uitblijven. En wie zegt dat ze de volgende keer niet op Amerikaanse bodem zullen toeslaan?'
'Jezus,' zei Enders, en zette de schakelaar om. 'Ik weet dat de verkiezingen eraan komen, maar je kunt de radio niet aanzetten of je hoort die Gottschalk zijn verhaal doen.'
'En toch,' zei Borak, 'heeft hij ergens gelijk. Ik vind het ook maar niets dat wij in Europa en in het Midden-Oosten zó ontzettend afgaan. Dat deugt verdomme niet.' Toen Thwaite naderbij kwam, keek hij op. 'En kijk eens wie daar komt binnenstappen.'
Ted Enders kwam achter zijn metalen bureau vandaan. 'Hé, Doug, hoe is het met jou.' Hij keek oprecht bezorgd. 'Jezus, we hebben allemaal gehoord wat jou is overkomen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Waar moet het in deze wereld naar toe?'
'Je hebt gehoord wat ik daarnet zei,' zei Marty Borak met een verwrongen glimlach. 'Hé, Thwaite, die slet van het laboratorium belde. Hoe heet ze ook alweer? Miranda, niet waar.' Hij grinnikte.
'Ik denk dat ze een lijk voor je hebben dat nog warm is.'
Thwaite sprong op hem af. Enders stelde zich haastig tussen de twee mannen op en voorkwam zodoende erger. 'Oké, zo is het wel mooi geweest. Marty, vandaag of morgen laat ik hem jouw gezicht verbouwen tot iets dat nog vaaglijk op een hamburger lijkt.'
Borak stond te trillen van woede. 'O ja? Zal ik je eens iets vertellen? Ik en Teddy doen al het werk en hij krijgt altijd de eervolle vermeldingen.' Hij keek Thwaite woedend aan. 'En nu, nadat wij al het loopwerk hebben gedaan, wil je zeker de zaak Tsjin overnemen, niet waar.'
Enders draaide zich om en keek Thwaite aan. 'Is dat waar?'
'Niets is minder waar.' Thwaite raakte geïrriteerd omdat hij door zijn eigen team ter verantwoording werd geroepen. 'Ik zocht iets in haar kantoor. De zaak Tsjin was een goed excuus om er binnen te komen.'
Enders duwde Borak van hem vandaan. 'Zie je nu wel! Je moet eens leren die grote waffel van jou dicht te houden.'
Borak zei niets en ging weer aan het werk. Thwaite zocht tussen de poststukken op zijn bureau, maar kwam niets tegen dat ook maar de flauwste belangstelling bij hem opriep.
'Hé, Doug,' zei Enders. 'Ik zou het bijna vergeten. Flaherty wil je spreken.'
Borak gromde. 'Hij zal wel de hele ochtend op zijn
persoonlijke grafrede hebben geoefend.'
Eigenlijk is het tuig, dacht Thwaite op weg naar het kantoor van zijn hoofdinspecteur. Ze zijn alleen maar bang dat ik ze de zaak Tsjin uit handen zal nemen. Wat een lachertje. De moord op Tsjin is gewoon een moord zoals er dertien in een dozijn gaan, huis-tuinen-keuken-spul. Ze zullen de moordenaar nooit vinden. In Chinatown regelden de mensen dergelijke aangelegenheden zelf. Hij klopte aan op een deur, die vrijwel meteen werd geopend. Het sproetengezicht van Flaherty bevond zich vlak voor hem.
'Thwaite, ik hoopte al dat je even langs zou komen, hoewel ik er alle begrip voor zou hebben gehad als jij je ziek had gemeld.' Hij maakte een breed uitgemeten handgebaar. 'Kom binnen.' Achter de rug van Thwaite sloot hij de deur.
'Christus,' zei hij hoofdschuddend, 'het was een klap die bij ons allemaal hard aankwam. Weet je, als politiemannen leven wij allemaal met de wetenschap dat elke dag onze laatste kan zijn. Dat wij, of onze gezinnen, op zekere dag doelwit van een aanslag kunnen worden, maar het is mijn ervaring dat als het werkelijk gebeurt, je er toch niet op voorbereid bent...'
'Klink ik als Poly?'
Eliott kon zijn blik niet van haar losmaken. 'Jij lijkt in geen enkel opzicht op Poly,' zei hij met een gesmoorde stem, en begroef zijn gezicht tussen haar borsten.
Kathleen keek glimlachend op hem neer, zoals een godin op haar favoriete sterveling zou neerkijken. Ze hief een arm op en streelde de achterkant van zijn hoofd. Na een poosje duwde ze hem met zachte hand van zich af, met zijn rug op het verwarde beddegoed. Haar vlakke handpalmen draaiden rondjes op zijn borst, haar nagels tikten tegen zijn tepels. Toen hief ze beide handen op en maakte de parelketting om haar hals los. Ze was zich er maar al te zeer van bewust dat in die pose haar borsten nog verder naar voren werden geduwd. Eliotts hete blik gleed als een tastbaar iets over haar lijf.
Ze bevonden zich in de slaapkamer van Eliott Macombers appartement aan East Sixty-sixth Street. De wanden waren in een koele groene tint geschilderd. Het lage, langwerpige nachtkastje en de boekenkast waren metaalblauw. Het was een kil vertrek, zoals alle vertrekken in het appartement. Kathleen was er niet bepaald weg van. 'Ik vind het schitterend,' had ze gezegd toen ze over de drempel naar binnen stapte.
'Wat doe je?'
'Dat zul je wel zien.' Ze maakte de parelketting los en hield die voor haar benen, zodat de streng recht naar beneden hing, vlak voor haar vagina. 'Hier,' zei ze zacht en reikte hem beide uiteinden aan. 'Op en neer halen.'
Eliott deed wat ze van hem vroeg. Met schitterende ogen keek hij toe hoe de parels na een passage door het schaamhaar glinsterend van het vocht weer te voorschijn kwamen.
'Doorgaan,' fluisterde ze met knipperende oogleden.
'Wow,' zei hij een beetje ademloos toen hij de parels steeds vochtiger zag worden. 'Wow, wow, wow.'
'Ja, schat,' zei ze, met haar hoofd in de nek. 'Zie je hoe vochtig ze worden. Zie je hoe ze glinsteren in het licht?'
'Ja,' zei hij nauwelijks verstaanbaar. Hij leek gehypnotiseerd door de op en neer gaande beweging van de parels.
'Genoeg,' zei ze opeens. Ze legde een hand op de zijne en nam hem het parelsnoer uit handen. 'Ga nu eens liggen, schat, op je rug.'
Met één hand tegen zijn borst gedrukt, duwde ze hem langzaam achterover. 'En nu ontspannen.'
Ze kroop op hem af tot ze op haar knieën tussen zijn gespreide benen zat. Haar hoofd kwam naar voren. 'Heeft Poly dit ooit gedaan?' Haar lippen weken vaneen en haar tong kwam naar buiten. De punt trok een vochtige streep over de gehele lengte van zijn erectie. 'Of dit?' Haar geopende mond schoof om de schacht van zijn penis, tot haar lippen zijn schaamhaar raakten. Eliott kreunde, het enige antwoord dat hij geven kon.
Kathleen zette een ritme in en hield het aan; ze wist uit ervaring dat mannen daar op gesteld waren. Ze was er niet op uit om hem te plagen, deze keer niet. Ze wilde hem doen klaarkomen op een manier die hij niet gemakkelijk zou vergeten. Met genoegen zag ze Eliotts bilspieren af en toe met een schokje samentrekken. Toen de spieren aan de binnenkant van zijn dijbenen begonnen te trillen, kwam haar hoofd een ogenblik omhoog. Vóór hij een teleurgestelde zucht kon slaken, zei ze: 'Je benen spreiden, schat, helemaal wijd.'
'Wat?'
Maar haar lippen hadden hem alweer te pakken en Eliott had geen andere keuze dan te doen wat ze had gevraagd. Hij voelde de koelte toen hij zijn benen vaneen deed, en vervolgens een zachte druk.
Kathleen vergrootte de druk op zijn penis en Eliott kreunde, hulpeloos. Tegelijkertijd pakte ze het parelsnoer, nat van haar eigen vocht en schoof zes of zeven parels langs zijn sluitspier. Eliott ging de laatste fase in en kon zich nauwelijks nog beheersen. Hij hapte naar lucht als iemand met een longaandoening. Zijn spieren schokten en trokken samen alsof hij onder stroom stond. Nu pas was Kathleen tevreden. Hij was gevangen in de maalstroom van het genot dat zij opwekte. De huid rond zijn ballen trok strak en ze voelde het veelzeggende trillen van zijn penis. Eliott schreeuwde het uit. Nog nooit in zijn leven had hij zoveel genot ervaren. Zijn genot voelde aan als een fysieke aanwezigheid, een soort derde dimensie waarvan het bestaan hem voorheen onbekend was geweest. 'Ah, ah, ah,' zei hij bij elke hartslag, elke schokgolf van extase die hem doorvoer.
Daarna haalde hij een tijdlang adem als een blaasbalg. Zijn lijf was met zweet overdekt en, niet in staat zich te verroeren, zag hij Kathleen over hem heen klauteren.
'Kathy?' Zijn vingers speelden met haar borsten. 'Kunnen we dat nog één keer doen?'
Kathleen lachte. Net een kind, dacht ze. Hij denkt alleen aan zichzelf. En wat een saaie minnaar. Ze tikte met een nagel tegen zijn levenloze penis. 'Ik geloof dat we, wat hem betreft, maar een herstelpauze van enkele minuten moeten inlassen.' Ze strekte zich languit naast hem uit en raakte hem overal aan. Eliott sloot zijn ogen. Aandachtig keek ze naar zijn gezicht.
'Ik wil bij je blijven, Eliott.'
Zijn armen kwamen omhoog en hij omhelsde haar. 'O, God, ja. Ik zou niets liever willen.'
Met haar handen op zijn schouders duwde ze hem terug op de lakens. 'Maar we moeten geen geheimen voor elkaar hebben, Eliott. Daar kan ik niet tegen. Ik zou, bij voorbeeld, niet bij je kunnen blijven als jij iets voor me verborgen hield.'
Toen de telefoon rinkelde, keek hij op. De telefoon bleef rinkelen.
'Je kunt beter opnemen.'
'Ik heb een beter idee,' zei hij, en pakte haar vast. Hij bracht een van haar handen naar zijn kruis.
Kathleen nam de hoorn van de haak en reikte hem die aan. Met tegenzin nam hij de hoorn van haar over.
'Hallo?' vroeg hij sullig, met zijn blik op haar
gericht. Een bekende stem klonk hem in de oren en hij ging meteen
rechtop zitten. 'Ja, meneer. Natuurlijk ben ik alleen.' Hij knipte
met zijn vingers en wees naar de ballpoint en het aantekenblok op
het nachtkastje. 'Oké.' Even later begon hij te schrijven.
'Hebbes,' zei hij, waarbij hij werktuiglijk knikte. 'Ja. Meteen.
Over een uur heeft hij de boodschap.' Hij haakte af.
'Wat was dat?' Haar stem klonk volkomen neutraal.
'O, gewoon, een zakengesprek.' Hij schoof het laken met zijn voeten van zich af. 'Niets belangrijks. En nu,' voegde hij er glimlachend aan toe, 'de dingen die werkelijk van belang zijn.'
'Nee,' zei Kathleen. Ze schoof van hem weg. Haar ogen vonkten en haar stem bevatte een harde klank. 'Ik zei je toch, Eliott, dat ik niet met je wil samenleven als jij dingen voor mij geheim houdt. Hoe kunnen we elkaar anders ooit vertrouwen?'
Eliott keek verstoord op. 'Luister eens, Kathleen, je begrijpt het niet. Dit is niet iets dat ik zo maar... ik bedoel, ik ken je nauwelijks.'
'Dus het is belangrijk.'
Hij zei niets, maar staarde haar alleen maar aan.
'Oké,' zei ze. 'Als jij vindt dat je me nog niet kunt vertrouwen, dan zal ik je bewijzen dat je het mis hebt.' Ze stak haar hand uit naar de ballpoint en het aantekenblok. Hij scheurde het bovenste blad eraf en voldeed aan haar zwijgende verzoek.
Ze hield de ballpoint haaks op het aantekenblok, en begon te schrijven. 'Alsjeblieft,' zei ze even later, en wierp hem het blok toe.
'God allemachtig,' zei hij happend naar lucht bij het zien van de doorgedrukte letters die Kathleen zorgvuldig had overgetrokken. Kathleen knikte. 'Ik had de boodschap kunnen lezen wanneer ik maar wilde, zonder dat jij het ooit te weten zou zijn gekomen. Zie je wel dat je me kunt vertrouwen?'
'Tja.. .'
Ze glimlachte.
'Maar jouw zaken interesseren me niet écht, Eliott.'
'Ach, lees de hele boodschap maar. Inderdaad, ik wilde dit voor je geheim houden.'
Ze schonk hem een blik waardoor zijn laatste weerstand wegsmolt. Hij werd, bijna letterlijk, door haar betoverd. 'Nee, dat doe ik niet,' zei ze. 'Want jij vertrouwt me nog steeds niet.'
En om het tegendeel te bewijzen, las hij haar de hele boodschap voor.
'Holo moet er om half elf zijn. Eenendertig
augustus. Patrick's.'
Kathleen keek hem met grote ogen aan. 'Het klinkt allemaal zo cryptisch,' zei ze een beetje gespeeld verward. 'Alsof het om spionnen gaat.' Ze boog zich naar voren en nam zijn handen in de hare. Ze zag er uit als een speelse pup, een en al vrolijkheid en onschuld. 'O, Eliott, maar jij bént toch geen spion,' kirde ze. 'O, stel je voor. Alsjeblieft, vertel me eens hoe het zit.' Ze hield haar hoofd een beetje schuin.
Het was waanzin, dat besefte hij ook. Maar hij was nu eindelijk in de gelegenheid om zelfstandig iets te ondernemen. Khieu was altijd degene geweest die alles deed, Khieu en Delmar Davis Macomber. Khieu zou de zoon van mijn vader geweest moeten zijn, niet hij, dacht Eliott voor de duizendste keer bittergestemd. Maar nu had hij de kans om eindelijk zelfstandig iets te ondernemen. Hoe langer Eliott erover nadacht, des te meer neigde hij ertoe haar alles te vertellen. Hij voelde haar vingers zijn huid strelen en was zich gewaar van de zwoele, veelbelovende blik in haar ogen, die hem van binnen kon doen smelten.
Onwillekeurig uitte hij een zachte kreet toen haar hand zijn penis beroerde. Zonder dat hij er zelf enige greep op had gleed zijn geest weg naar het universum der lusten dat zij voor hem had opengesteld. Hij wilde zo graag daarheen teruggaan, dat het verlangen met fysieke pijn overeenkwam. Maar hij herinnerde zich wat ze had gezegd; ze beschouwde hem als een man, niet als een jongen, en dus was hij een man.
Kathleen boog haar hoofd naar voren. Haar lijf bewoog als dat van een slang, soepel en vloeiend. Hij zag het roze van haar tongpuntje, helder en glinsterend. Hij sloot zijn ogen toen haar tong de gevoelige zenuw aan de achterkant van zijn eikel beroerde.
'Ga door,' zei hij met een gesmoorde stem. 'Ga door.'
'Vertel het me dan,' fluisterde ze vlak voor haar lippen hem omsloten en een hete golf door zijn lijf spoelde.
En hij vertelde. Niet, hield hij zich voor, omdat ze het hem had gevraagd, maar omdat hij het zelf wilde.
'Het heeft met mijn vader te maken,' zei hij tussen zijn opeengeklemde kiezen door. 'Hij heeft het waanzinnige idee opgevat dat hij kan bepalen wie de volgende president van de Verenigde Staten wordt.' Zodra hij de woorden had uitgesproken, kwam hij tot de conclusie dat het eigenlijk belachelijk klonk. Eigenlijk had hij nog nooit zoiets geks gehoord. Hij begon te lachen, de tranen stroomden over zijn wangen. Zijn borstkas ging zwoegend op en neer. 'Hij heeft... hij wil...'
Maar verder kwam hij niet. Vanuit de deuropening van de badkamer klonk een geluid. Het was een vreemd onbestemd geluid, dat vaag iets weghad van dat van een roofdier tijdens de aanval. Eliotts nekharen kwamen recht overeind en een koude huivering ging door hem heen, alsof iemand een emmer ijskoud water over hem had uitgestort.
Een luchtstroom trok langs hem heen. De ervaring kwam ongeveer overeen met die van een luchtverplaatsing van een passerende auto. Zijn ogen, glazig van genot, registreerden de aanwezigheid van een donkere gedaante.
Kathleen zag noch hoorde iets. Ze was te zeer geconcentreerd op wat haar bezig hield, tot ze nagels over haar schedelhuid voelde schrapen en ze met een gewelddadige ruk naar achteren werd getrokken. Haar ruggegraat boog door.
Het volgende ogenblik staarde ze recht in de twee zwartste ogen die ze ooit had gezien; ogen die van dichtbij zo angstaanjagend waren dat ze op slag de beheersing over haar denkvermogen verloor.
Tracy kreeg het telefoontje op kantoor binnen en kwam als een hardloper op de honderd meter in actie. De stem van zijn vader, zwak, kwetsbaar en ziek, was daar de oorzaak van. Nog nooit eerder had hij zijn vader zo horen klinken, behalve op de avond waarop zijn moeder tijdens een botsing op de Long Island-snelweg het leven liet toen hun Volvo van achteren door een twintig wielen tellende vrachtauto met oplegger werd aangereden. Ze was op slag dood geweest.
Louis Richter, die reed, werd tegen het stuur gedrukt, maar hij overleefde de klap. Tracy, een kind nog, had op de achterbank liggen slapen. Dat was zijn geluk geweest, want de vrachtauto maaide als een zeis, tot aan de voorbank toe, het dak van de Volvo af.
Nu vroeg hij zich af wie het meest van de botsing te lijden had gehad, hij of zijn vader. Hij vond het onacceptabel dat hij op het ogenblik van haar dood had geslapen. Als kind had hij er vaak van gedroomd dat hij haar uit een levensgevaarlijke situatie redde.
'Hier,' zei Louis Richter toen hij nu de deur achter de rug van zijn zoon sloot. 'Pak aan.' Vervolgens liet hij het afluisterapparaat op Tracy's handpalm vallen.
'Wat is er aan de hand.'
'Ik wil er niets meer mee te maken hebben,' zei hij. Hij zag er nog ouder en vermoeider uit dan toen Tracy hem voor het laatst had gesproken.
'Ben je er nu al mee klaar?'
'Luister je dan niet als ik iets tegen je zeg?' schreeuwde zijn vader hem toe.
Tracy keek zijn vader een ogenblik zwijgend aan. Hij probeerde begrip voor zijn vader te hebben, maar al wat hij voelde was medelijden.
'Ik wil er niets mee te maken hebben,' zei Louis Richter opnieuw, ditmaal iets zachter. Hij liep van zijn zoon vandaan, in de richting van het woon vertrek, en liet zich daar met een plof op de leren bank vallen. Hij stak zijn hand uit en pakte de metaalgrijze aansteker van het tafelblad van de salontafel. Terwijl hij sprak, knipte hij de aansteker aan en uit.
Tracy nam plaats op een stoel die nog niet zo lang geleden opnieuw met bruin corduroy was overtrokken. 'Pa?' Hij probeerde met zijn stem zijn vader ertoe te bewegen hem aan te kijken.
'Ik moet over niet al te lange tijd naar het ziekenhuis,' zei zijn vader met een doffe stem. 'Tijdelijke opname, voor een bloedtransfusie.' Hij snoof, een woedend geluid, als van een wild dier dat voor het laatst een levensteken geeft, vóór het voorgoed door zijn knieën gaat en sterft. 'Ik begrijp niet waarom ze de moeite nemen.' Hij haalde diep adem. 'Het is nu nog slechts een kwestie van tijd. Na de dood van je moeder was het altijd al slechts een kwestie van tijd. Als ik me nu bedenk wat ik haar allemaal heb aangedaan ...'
'Pa,' zei Tracy. 'Je moet jezelf niets kwalijk nemen. Ieder mens maakt fouten.'
'Maar ik reed,' zei Louis Richter. 'Het regende dat het goot en het mistte, het zicht was beperkt. De mistflarden schoten langs ons heen als geesten die de wind bereden. Ik zag die vrachtauto niet eens. Ik probeerde uit zijn rijrichting weg te draaien, zonder resultaat. De schreeuw die je moeder gaf zal ik nooit vergeten.' De aansteker ging aan en uit, als een signaal voor een onbekende, onzichtbare aanwezige. 'Als ik om drie uur 's nachts of daarom-trent wakker wordt, wat vrijwel elke nacht gebeurt, hoor ik die schreeuw in elk geluid dat tot me doordringt.'
Op dat ogenblik keek hij Tracy aan. 'Ik zal je eens iets vertellen, Tracé. Een poosje overwoog ik om zelf achter die chauffeur aan te gaan. Hij moet minstens honderd hebben gereden, en dat terwijl het weer zo slecht was! Honderd! Kun je je dat voorstellen? En overal op zijn auto hadiiij van die Rij voorzichtig-stickers geplakt.'
Er verschenen tranen in de ogen van de oude Richter. Ze glinsterden en weerspiegelden het lamplicht.
'weet je nog dat ik vlak daarna naar Korfu ben gegaan?' Tracy knikte, zonder iets te zeggen. 'Als ik nog één dag langer was gebleven, had ik iets in elkaar geknutseld waarmee ik die kerel naar de andere wereld had geblazen.' Hij glimlachte vaag. 'Stel je voor, dat ik alles wat ik in de loop der jaren had geleerd in dienst van één wrekende daad zou hebben gesteld. Maar in Korfu, ver hiervandaan, besefte ik dat ik alleen voor mezelf wraak wilde nemen. Je moeder haatte geweld. En, tja, ik waardeerde dat in haar.' Hij begon te beven. Tracy stond op en sloeg een arm om de schouders van zijn vader. 'Daarom, omdat we het samen zo goed hadden, heb ik het nu zo moeilijk.'
De wanhopige woorden verkilden Tracy tot op het bot. 'Ik ben er nu toch, pa,' zei hij. 'We zijn samen.'
Na een poosje knikte Louis Richter. Hij had zijn zelfbeheersing hervonden. 'Dat apparaatje,' zei hij. 'Hoe belangrijk is het voor jou?'
'Ik denk dat de eigenaar ervan John Holmgren vermoordde. John was mijn vriend, 'zei Tracy toen hij zich naar voren boog. 'Ik zal degene die hem vermoordde krijgen. Ik ben niet van plan om het er bij te laten zitten.'
'En dan?' Louis Richter hield zijn hoofd een beetje schuin. 'Je klinkt nu net als ik indertijd.' Hij schudde bedroefd zijn hoofd.
'Moet alles dan met geweld worden beslecht?'
'Er zijn dingen die gedaan moeten worden.'
'Zoals moorden?'
'Dat klinkt vreemd, uit jouw mond.'
Louis Richter sloeg een hand voor zijn ogen en liet zijn rug tegen de leuning van de bank zakken. Hij zuchtte diep. 'Ik ben oud, Tracy. Ik ben op. De tijd werkt op me in als een soort toenemende zwaartekracht. Langzaam ga ik door mijn knieën.'
'Maar je wilt niet doodgaan,' zei Tracy. 'Dat kun je me niet wijsmaken.'
'Doodgaan, nee.' Louis Richter glimlachte. 'Maar in ieder leven komt een ogenblik dat er iets verandert. Je voelt je dichter bij...'
Hij haalde zijn schouders op. 'Bij iets anders. Wat, dat weet ik niet precies.' Hij strengelde zijn benige vingers ineen en Tracy keek naar het netwerk van blauwe, gezwollen aderen dat als een web op de handen lag. 'Bij God, wellicht. O, niet in religieus opzicht. Je weet dat ik nooit gelovig was. Maar soms voel ik me dicht in de buurt van een of andere levensbron ... bij de kern van ... alles.'
Opnieuw haalde hij zijn schouders op. 'Wellicht ben ik daardoor anders gaan denken. Eén ding is zeker, ik ben niet langer dezelfde man die al die miniatuur-explosieven voor de stichting vervaardigde.'
'Maar je kunt niet van mij verlangen dat ik er net zo over denk als jij.'
De oude man nam Tracy's hand in de zijne. Zijn vingertoppen streelden de handpalm. 'Tracy, ik besef nu pas dat ik dat al die tijd heb gewild. Als God de mens naar zijn beeld schiep, zo wilde ik dat jij mijn evenbeeld werd. In jou zag ik mezelf voortleven.' Hij gebaarde met zijn hand. 'O, ik weet het. Alle vaders zullen zich zo voelen. Maar ik wilde het beter doen dan wie ook. Ik wilde dat jij hetzelfde dacht en dezelfde dingen deed die ik ook deed. En toen je dat uiteindelijk niet deed, ach, ik geloof dat ik het je kwalijk nam. Dat was niet eerlijk. Ik probeerde mijn leven zo goed mogelijk te leven.' Hij keek zijn zoon recht in de ogen. 'Ik denk dat ik toentertijd nog niet genoeg wist.'
'Dat hoofdstuk is nu afgesloten, pa,' zei Tracy. Hij gaf zijn vader een kus op zijn wang. Die voelde koel en droog aan. Louis Richter stond langzaam op, begaf zich naar de huisbar en maakte voor allebei een drankje klaar. 'Nu wat betreft dat apparaatje, dat afluisterding. Wat kan ik voor je doen?'
Tracy liet nu op zijn beurt het apparaatje op de handpalm van zijn vader vallen.
'Is het mogelijk om hiermee de zender op te sporen?'
Louis Richter nipte glimlachend van zijn whisky. 'Nu klink je weer als mijn zoon.' Hij schudde zijn hoofd. 'Ik kan een heleboel. Maar voor zaken waarbij magie vereist is, moetje bij mij niet zijn.'
'Hoe kunnen we er dan achter komen wie dit dingetje heeft gebouwd?'
'Het is eerder een zaak van wie dit apparaatje niet bouwde,' zei Louis Richter en zette zijn glas op het tafelblad. 'We kunnen met een gerust hart de bekende, voor de hand liggende experts als kandidaten uitschakelen. Ze genieten wereldwijde faam, althans binnen hun vakkring. Ze hebben allemaal een aparte stijl. Dit apparaatje past bij geen van hen. Er zitten wat in Japan vervaardigde onderdeeltjes in, maar dat betekent slechts dat de bouwer wist wat hij deed.' Hij stak een vinger omhoog. 'Aanvankelijk dacht ik aan Mizo, omdat een aantal uiterst fijne onderdeeltjes met de hand werd gedraaid, zoals hij placht te doen. Maar bij een nader onderzoek constateerde ik dat hij niet de maker geweest kan zijn.'
'Het heeft dus geen zin dat spoor te volgen.'
'Dat wil ik niet zeggen,' zei Louis Richter, 'want Mizo is een van de weinige experts die leerlingen heeft.'
'En jij acht het mogelijk dat dit apparaatje door een van Mizo's leerlingen werd gebouwd?'
Zijn vader knikte. 'Het is een mogelijkheid, maar ik weet niet hoe ver je daarmee zult komen. Mizo is wat zijn leerlingen aangaat zo gesloten als een pot, en bovendien moet de bouwer van dit ding vooropgesteld dat Mizo hem het vak leerde - een oud-leerling zijn. Dit ding is niet door een leerling gebouwd. De bouwer is een genie. Ik hoop dat hij voor onze kant werkt, want anders ...'
'Kom op, pa. Dat kun je niet menen.'
'O nee? De nieuwe vondsten die in dit ding zijn verwerkt, zijn goed voor een kleinschalige revolutie in de micro-elektronica.'
'Waar kan ik die Mizo vinden?' Tracy stond op.
'In Hongkong,' zei zijn vader. 'Maar het heeft geen zin om hem op te gaan zoeken. Hij haat mij als de pest. Indertijd wilden we binnen de stichting allebei de top bereiken, en ik won.'
'Maak je daar geen zorgen over,' zei Tracy. Hij had een afwezige uitdrukking op zijn gezicht, een uitdrukking die zijn vader daar eerder had waargenomen.
'Dat kun je wel zeggen, Tracé. Maar na de laatste keer dat je dat zei, en op deze manier uit je ogen keek, blies je bijna deze flat huizenhoog de lucht in. Wat deed je toen ook weer voor een onderzoek?'
'Iets dat met geleide projectielen te maken had.' Tracy lachte.
'Maar ik was toen nog maar een kind. Maak je geen zorgen.' Hij glimlachte. 'Bezorg me liever een van jouw befaamde veldpakketjes.'
'Mizo zal niet met je willen praten. Enfin, ik zal proberen je iets bijzonders mee te geven.'
Tracy luisterde al niet meer. Hij liep naar het raam en keek zonder iets waar te nemen naar buiten, naar de stad. 'O jawel,' zei hij zacht. 'En hij zal het niet eens beseffen.'
Toen Khieu het huis van Macomber verliet, ving hij vanuit zijn ooghoek een vage beweging op. Meteen was hij op zijn hoede, maar hij deed niets dat mogelijk de aandacht zou trekken. Hij bleef gewoon doorlopen in de wetenschap dat elke verdachte beweging van zijn kant de onbekende toeschouwer zou alarmeren. Hij draaide zich om en liep met soepele tred weg. Tussentijds rangschikte hij alle gegevens die zijn zintuigen aan hem hadden doorgegeven. Hij wist ongeveer hoe lang de gedaante in de deuropening was, omdat hij het portiek en de deur kende. Hij wist echter niet of de onbekende een man of een vrouw was. Een krant belemmerde hem het zicht op het gezicht van de onbekende. Bovendien stonden er enkele struiken tussen hem en het portiek. Hij stak de straat over. Inmiddels was hij uit het zicht van de ander. Voorzichtig maakte hij op zijn schreden rechtsomkeert. Hij zag Eliott in de deuropening verschijnen en stapte opzij en een portiek binnen. Een ogenblik later liep Eliott hem aan de overkant van de straat voorbij. Even later werd hij door een vrouw gepasseerd, die Eliott op een afstand van enkele tientallen meters volgde. Deze keer werden haar gelaatstrekken niet door een krant verhuld en Khieu kon haar helemaal in zich opnemen.
De lucht ontsnapte sissend uit zijn longen en zijn rechterhand balde zich tot een vuist. Hoe was de vriendin van Atherton Gottschalk Eliott op het spoor gekomen? Khieu volgde hen naar het restaurant, tot daar en niet verder. Vervolgens liep hij terug en stapte de eerste de beste openbare telefooncel binnen. Het toestel was defect. Hij stak de straat over. Vanuit de tweede cel die hij opspoorde onderhield hij zich enige tijd met Macomber.
'Ze moet ergens iets hebben opgepikt,' zei hij tenslotte. 'Daarover bestaat geen twijfel.' Aan de andere kant van de lijn was het een ogenblik stil. Khieu voelde niets. Hij was als een schip met een leeg ruim dat op lading wachtte. 'Het staat me niet aan.'
'Mij evenmin,' baste de zware stem van Macomber in zijn oor.
'Atherton moet op een of andere wijze hebben geblunderd. Ik denk dat ze in het huis was toen hij Eliott aan de lijn had. Maar dat is nu van minder belang.'
Het nemen van een leven - ongeacht wat voor leven - was een zonde. Gedachten die Malis golden waren ook zondig. Om zich tegen zichzelf in bescherming te nemen, dreunde hij in gedachten de catechismus op die Preah Moha Panditto hem had bijgebracht, instinctief, zoals hij eens aan de borst van zijn moeder was gevoed. Het hielp niet.
'Er zal iets aan gedaan moeten worden,' zei Macomber. Zijn stemgeluid verried dat hij al een besluit had genomen. 'Ondanks alle veiligheidsmaatregelen is iemand on.s op het spoor gekomen. Er is maar één oplossing, vind je ook niet, Khieu? Per slot van rekening ben jij mijn zoon.'
'Ja, vader,' zei Khieu. De uitwisseling maakte deel uit van het ritueel. Een zoon diende zijn vader onvoorwaardelijk te gehoorzamen.
'Mevrouw Christian weet kennelijk iets. Hoeveel, dat kunnen we pas bepalen als ze naar zijn appartement gaan, en de vraag is of dat er van komt. Heb jij je portable ontvanger bij je?'
'Ja,' antwoordde Khieu. 'Waar ze zich ook in het appartement bevinden, ik zal elk geluid kunnen opvangen.'
'Ik ben blij dat ik je heb gevraagd een oogje op Eliott te houden, Khieu,' zei Macomber. Khieu meende nu iets van bezorgdheid in de stem van de ander te horen doorklinken. 'Ik hoopte dat ik het bij het verkeerde eind zou hebben.' Een ogenblik zweeg de stem.
'Waarom houdt hij niet van me, Khieu?'
'Ik weet het niet, vader.'
'Een zoon zou toch van zijn vader moeten houden, niet waar?'
'Dat is zijn plicht.'
'Ik hou van hem. Weet hij dat niet? Ik hou werkelijk van hem.'
'Dat weet ik,' zei Khieu, zonder een poging te doen de droefheid die in zijn eigen stem doorklonk eruit te weren. 'Hij is van uw vlees en bloed.'
'Van mijn vlees en bloed, ja. Maar ik kan hem niet vertrouwen, zoals ik jou kan vertrouwen.'
'Dank u, vader.'
Een kortstondige storing op de lijn zorgde een ogenblik voor een onderbreking van het gesprek. Stilte. Toen: 'Ze moeten worden tegengehouden, Khieu,' zei Macomber na verloop van tijd. 'We hebben geen andere keuze. Ruim haar uit de weg, maar doe het uiterst voorzichtig.'
Khieu draaide zich om en keek naar het restaurant, een blok verderop. 'Ja, vader,' zei hij, en hij boog zijn hoofd. Kathleen produceerde een schel jammerend geluid. Ze voelde zich als een marionet waarvan de touwtjes door de eigenaar van die demonische ogen in handen werden gehouden. Tijdens het langgerekte ogenblik waarop ze in die ogen keek, zag ze een aantal onvoorstelbare dingen. In hun diepte zag ze de bron van alle kwaad; angstaanjagende nachtmerries, glanzende schedels, lichamen die bloed braakten. Ze zag kinderen branden en moeders zich in zinderende inferno's storten. Ze was getuige van verkrachting en vals sadisme, het complete scala van gruwelijke gebeurtenissen. Opeens wist ze wie haar vast had gegrepen, maar pas toen haar gezonde verstand haar blinde angst overwon. Het was de Cambodjaan. Ze had zijn gezicht één keer gezien en ze wist het met stellige zekerheid. Ze vroeg zich af hoe het mogelijk was geweest dat ze zich in seksueel opzicht tot hem aangetrokken had gevoeld. Want nu voelde ze enkel weerzin. Het was alsof ze van aangezicht tot aangezicht met de dood zelf stond.
Het was afschuwelijk. Ze huiverde en schreeuwde het uit; vanuit een ooghoek zag ze de oplichtende flits van een stalen handvat dat als vanzelf langer leek te worden. Heel even beleefde ze een schitterend, gloedvol ogenblik, het volgende ogenblik was de angst terug en spoelde over haar heen in een golf die haar deed kokhalzen. Haar sluitspier weigerde dienst en ze bevuilde zich met een zurige stank. Maar ik leef nog, dacht ze, ik leef nog. Het volgende ogenblik verdween het licht uit haar ogen. Ze opende haar mond en braakte. Toen zag ze vanuit het zwarte niets een grijze vlek verschijnen, een vlek die snel groter werd, haar omsloot en haar met oneindige traagheid omhulde, en haar wegvoerde naar de oneindigheid van de ruimte.
Zo kwam Kathleen om het leven.
'Nee,' krijste Eliott. 'O, God, nee.' Hij snikte, de tranen rolden over zijn wangen. Hij zat met zijn rug tegen een van de groene wanden. Zweetdruppels gleden langs zijn ruggegraat omlaag. Zijn brein voelde aan alsof het door iets afschuwelijks was gepenetreerd. Erbinnen kroop een compleet mierenleger rond. Zijn handen waren klauwen die over zijn schedel schraapten en aan zijn vochtige haar trokken. Wezenloos, als een dronkeman, bedacht hij dat hij zijn gezicht moest afwenden van de afschuwelijke daad die voor zijn ogen werd gepleegd. Maar hij deed het niet. Hij kon zijn oogleden zelfs niet laten knipperen. Het was alsof ongeziene handen ze openhielden.
Dit is mijn straf, dacht hij, omdat ik tegen de nadrukkelijke orders van mijn vader heb gehandeld. Khieu's aanwezigheid vatte hij als vanzelfsprekend op, zijn daad evengoed. De dood was in zijn half-waanzinnige geestestoestand iets abstracts. Khieu zag er in zijn ogen uit als een boodschapper Gods, die Zijn wil uitvoerde. Ik zou hiervoor gegeseld moeten worden, dacht hij. Murw geslagen. Maar een ander deel van zijn brein gaf hem het gevoel dat zijn ziel met de haal van een vlijmscherp mes was opengelegd. Dat de essentie die hem tot een individu maakte dat van alle andere individuen verschilde, langzaam tussen zijn vingers door wegsijpelde. Toen Kathleen zijn leven binnenstapte, was hij niemand geweest en nu zou hij opnieuw niemand zijn.
Toch voelde hij geen droefheid en geen woede. Omdat hij een niemand was, zou niets ooit betekenis voor hem hebben. Het had geen enkele zin om je daartegen te verzetten. Hij had het geprobeerd, één keer, deze dag, en dit was de uitkomst ervan. De dood lag in de vorm van een verkreukte hoop mens op zijn beddegoed.
'Kom hier jij,' krijste Khieu hem toe. Hij was op slag terug in de werkelijkheid. Khieu greep hem bij zijn schouders vast en schudde hem heen en weer. 'weet je wat je hebt gedaan?' riep hij Eliott toe.
'Besef je dat? Ja?'
'Ja,' zei Eliott gelaten. 'Ja, ik weet wat ik deed. Ze gaf me het gevoel dat ik leefde; ze wilde bij me komen wonen. Bij mij.'
Na die woorden sloeg Khieu hem, hard en met zijn vlakke hand. Zijn broer had de Angka bijna op fatale wijze in gevaar gebracht. Eliotts hoofd maakte door de slag een draai van vijfenveertig graden en hij hapte verrast naar lucht. Khieus gezicht was een zorgvuldig in plooi gehouden masker, als uit steen gehouwen, bleek, bloedeloos. 'Nee. Door haar vergat je je verantwoordelijkheden. Je plicht jegens de Angka.' Deze keer diende hij de ander een klap met de rug van zijn hand toe. 'Je hebt geen respect voor je vader.' Opnieuw een klap. 'Jij begrijpt nergens iets van. Je verdient niets.'
En Eliott, ineenkrimpend, hoorde alleen dat ene woord onder zijn schedeldak vibreren, tot zijn hersens van bewuste gedachten gespeend leken. Niets. Niets. Niets.
'Ja,' fluisterde hij met een meelijwekkende stem. 'Ik weet het.'