APRIL 1969

Sector 350, Cambodja



Toen Khieu voor het eerst met Macomber werd geconfronteerd, kwam die laatste vanuit een hemel die in brand leek te staan naar beneden.

Khieu keek vanuit zijn schuilplaats toe hoe de ander daalde. Macomber zwaaide als een pendulum heen en weer. Een knetterend geluid ketste tegen Khieus trommelvliezen toen vuurflitsen door de lucht schoten. De schoten werden gevolgd door explosies die met hun luchtverplaatsing de toppen van de palmen ombogen. De wereld bestond uitsluitend uit tot op het bot verkillend lawaai. Rode vuurstrepen schoten langs Macombers harde, grimmige gezicht. Khieu vond hem indrukwekkender, groter dan het leven zelf; hangend aan de parachute gaf hij korte vuurstoten in de richting van het kamp van de Rode Khmer. Hij was in gezelschap van vier andere parachutisten.

Zelfs vele jaren later, toen Khieu het hele verhaal te horen kreeg, kwam het hem vreemd voor dat vijf Amerikanen, verkleed als Rode Khmer op Cambodjaans grondgebied waren geland. Hij vond de gedachte beangstigend.

Na de moord op Sam was Ros de leider van de groep Rode Khmer geworden, en op dat ogenblik was hij degene die de orders uitdeelde. Boven het klapwiekende lawaai van de helikopters uit, riep hij Khieu iets toe. De lucht boven de zwarte buiken was oranje-rood. Zwarte stippen gaven de plek aan vanwaar een formatie B-52'ers terugvloog naar hun basis.

Macomber en zijn eenheid bereikten de grond. Zijn brede schouders vingen de klap van de landing gemakkelijk op. Donderslagen volgden hem als waren ze zijn persoonlijke dienaar, alsof de natuurkrachten hem gehoorzaamden. Overal rook het naar ontploffingen. De hitte ervan droeg tot ver in de vallei. De trompetten van de oorlog bliezen hun jammertonen over dit gebied, zoals ze de hele afgelopen maand hadden gedaan. Met tegenzin wendde Khieu zich af van de invallers; hij werd op een vreemde manier door de geblafte bevelen van Ros beïnvloed.

'De lading,' riep hij Khieu toe. 'Het is hen om de lading te doen. We moeten onze opdracht niet uit het oog verliezen, mit Sok. We moeten de lading met ons leven verdedigen.'

Ros ging met drie leden van de groep Rode Khmer op pad; ze waren in totaal met twaalf man. Khieu zag dat de Amerikaanse eenheid vanuit de lucht al drie slachtoffers had gemaakt. Hun schoten waren verrassend accuraat. Kortstondig vroeg hij zich af hoe dat mogelijk was; ze hingen immers aan dunne draadjes, bungelend in de lucht. Hij had er bewondering voor. Musashi Murano zou die bewondering zeker met hem hebben gedeeld. Van veraf hoorde hij de stem van Ros: 'De revolutie roept, kameraden. Laten we aan die roep gehoor geven.'

Ros was een dwaas, besefte Khieu op dat ogenblik. Van tactische oorlogvoering had hij totaal geen verstand. Hij was een meester in het aanrichten van slachtingen; een verregaande bloeddorstigheid had bij hem de plaats van de filosofie van de revolutie ingenomen. Eens, dacht Khieu nu, was hij precies eender geweest. Musashi Murano had dat tegen hem gezegd: 'Deze mensen zijn dwazen,'

had de Japanner vlak voor zijn heengaan tegen hem gezegd. 'Ze vechten voor een zaak zonder die te begrijpen. Als ze wel over enig inzicht zouden beschikken, zouden ze inzien dat ze door hun leiders worden misbruikt.' Bedroefd had hij zijn hoofd geschud. 'Ik vrees, mit Sok, dat Cambodja voorlopig geen vrede zal kennen. De verdeeldheid is te groot... en de verschillende groeperingen tellen stuk voor stuk teveel fanatici. En omdat een compromis uitgesloten is, zal er nooit vrede heersen.'

Nu, na alles wat er was gebeurd, na alle moorden die hij zelf had gepleegd, begreep Khieu wat zijn mentor had bedoeld. 'Nu kan ik gelukkig sterven,' had Murano gezegd met een stem waarin oprechte blijdschap doorklonk. 'Jij, jij moet mijn werk voortzetten. Maar eerst moet je zo snel mogelijk maken dat je uit dit van waanzin vervulde land wegkomt, anders zul je vast en zeker vroegtijdig aan je eind komen.'

De revolutie! Had die nog betekenis, nu? Zijn motivatie was compleet verdwenen. Leugens en bedrog waren er de oorzaak van. Ze waren verraden. Ze waren allemaal door hun leiders verraden, precies zoals Murano had gezegd.

De Amerikaanse eenheid trok langzaam op, moordend tijdens hun voortgang. De Thompsons van de Rode Khmer vormden geen partij voor de AK-47'ers van de Amerikanen, die glommen van de olie en vuurspuwend dood uitbraakten.

Twee leden van de Rode Khmer gingen neer, vóór de eerste Amerikaan werd getroffen. Het was een grote man met blond haar en blauwe ogen. Hij greep naar zijn keel en bloed gutste tussen zijn vingers door. Hij viel opzij, zijdelings het struikgewas in. Kort daarop onderging een tweede Amerikaan hetzelfde lot, maar tegen die tijd was de helft van de Rode Khmer gedood.

Toch trokken de Amerikanen nog steeds op. Khieu constateerde dat hij er deze keer geen enkel genoegen aan beleefde de Amerikanen te zien sterven. Aan de andere kant, ditmaal bemoeide hij zich niet met het strijdverloop.

Hij was ditmaal een waarnemer, volstrekt neutraal. Vlammen laaiden op en onttrokken het oranje-rood van het hemeldak aan het zicht. Hutten sprongen brandend uiteen. In het noordoosten van de vallei werd een zwaar bombardement uitgevoerd. Vonkenregens werden door de rotorbladen van de helikopters teruggeslagen naar het aardoppervlak. De stank van as en benzine was sterk, evenals die van stromend bloed en urine. De stank van de angst.

Macomber had zich tijdelijk teruggetrokken achter een laag muurtje, aan de luwzijde van het brandende dorp. Khieu ving van rechts een beweging op. Toen hij in die richting keek, zag hij de twee overgebleven Amerikanen van dekking naar dekking kruipen. Hun snelvuur maakte het de verdedigende Khmer bijzonder moeilijk; nu zij een koekje van eigen deeg kregen, van guerrillaoorlogvoering zonder genade, werden ze volkomen van hun stuk gebracht. Khieu zag dat de Amerikanen zowel slim als goedgetraind waren. Vol leedvermaak volgde hij de prachtig opgezette aanval.

Ros en de overlevenden van de groep Khmer hadden nu de Amerikanen in het oog gekregen en legden zich in hinderlaag. Ros had een moordlustige blik in zijn ogen. Zijn metgezellen namen de naderende Amerikanen onder vuur.

Macomber wilde blijkbaar dicht genoeg bij hen in de buurt komen om geen kogel te hoeven verspillen. Hij begon aan een omtrekkende beweging. Het zou perfect zijn verlopen, als een van de twee andere Amerikanen niet op een van de verborgen mijnen was gestapt.

De soldaat spatte uiteen in twee helften, die hoog in de lucht werden gesmeten. Zijn kameraad werd ook geraakt, maar niet fataal. Bloed drupte van een plek op zijn been waar de stof van zijn broek was gescheurd en een gapende vleeswond toonde. Hij liet zich op één knie zakken en schoot zijn AK-47 leeg. Toen werd ook hij door moordend vuur geraakt en zijn lichaam viel opzij in de modder.

Macomber begon te schieten. Eén van de Rode Khmer draaide zich met een ruk om en greep naar zijn schouder. Zijn mond liet een golf bloed los. Macomber bleef korte vuurstoten afgeven en was voortdurend in beweging. Drie andere Khmer werden geraakt en zakten op de grond ineen. Op dat ogenblik, toen Macomber van twee kanten werd aangevallen, kwam Khieu overeind. Hij wilde niet dat deze Amerikaan aan zijn eind kwam. Integendeel, hij wilde dat zijn voormalige Khmer-kameraden deze keer het loodje zouden leggen. Vanwege wat ze het land hadden aangedaan, vanwege wat ze Sam hadden aangedaan.

Een Rode Khmer - Mok, zag Khieu opeens - had zijn mes getrokken. Khieu zag metaal glinsteren toen de man naar het gezicht van Macomber uithaalde. Khieu graaide naar zijn holster en maakte de flap los om de .38 te voorschijn te halen. Hij stond net op het punt om af te drukken toen hij Macombers elleboog in een flitsende beweging naar achteren zag schieten. Mok krijste het uit toen de punt van de elleboog zijn oogkas raakte. Het volgende ogenblik rukte Macomber het mes uit Moks hand en doodde de man met zijn eigen wapen.

Hij was vrijwel meteen weer gevechtsklaar en keek naar alle kanten om zich heen. Maar nu zag Khieu hoe Ros, half verborgen achter een struik, op Macomber richtte.

'Nee,' riep Khieu en Ros draaide zich in een reflex om in de richting vanwaar het stemgeluid afkomstig was. Khieu schoot tweemaal op hem. Ros ging neer als een blok.

Toen, kalm en beheerst, begaf Khieu zich naar de plek waar de Amerikaan zich bevond. Overal om hem heen kolkten van de brandende hutten rookwolken omhoog.

Macomber was door zijn knieën gezakt en Khieu zag dat hij uit verschillende wonden bloedde. Hij bleef voor de Amerikaan staan en richtte de .38 Smith & Wesson op het hoofd van de man en zei:

'Kijk eens aan, en wie hebben we hier?'

Een oranje hemeldak, verkoolde palmen en een gewonde Amerikaan, van iets anders was Khieu zich niet bewust. Zijn hart klopte zo snel dat hij de indruk kreeg dat het door zijn ribben naar buiten zou slaan.

Maar eerst moet je 'zo snel mogelijk maken dat je uit dit van

waanzin vervulde land wegkomt.

Nu besefte hij dat Musashi Murano gelijk had gehad. Hij kon onmogelijk nog langer in Cambodja blijven.

'Etes-vous blessé?'

De Amerikaan keek hem niet begrijpend aan en Khieu dacht, Boeddha, hoe hebben ze dat kunnen doen, hoe hebben ze hem, zonder dat hij één woord Frans spreekt, deze kant op kunnen sturen? Hij herhaalde zijn vraag, ditmaal langzamer.

'Bent u gewond?'

Hij liet zich voor de Amerikaan tot in hurkzit zakken en holsterde de .38.

'Het valt wel mee,' zei de Amerikaan in grammaticaal correct Frans.

'Mooi,' zei Khieu, 'u spreekt Frans, dat komt goed uit. Ik spreek geen woord Engels.'

Hij keek Macomber recht in het bezwete gezicht. 'Het spijt me dat ik uw mannen niet kon helpen. Als ik u eerder had geholpen, zouden ze mij hebben neergeschoten.'

De man knikte. 'Bedankt.' Vervolgens kwam hij met behulp van Khieu overeind en stelde zich voor: 'Luitenant Delmar Davis Macomber.'

'Ik heet Khieu Sokha,' zei hij terwijl hij de ander de hand drukte.

'Aangenaam kennis met je te maken, Khieu. Ik dacht even dat je van plan was me te vermoorden. Waarom deed je dat niet?'

'U bent gekomen om Rode Khmer te doden,' zei Khieu.

'Maar jij bént een Rode Khmer.'

Khieu schudde zijn hoofd. 'Ik heb genoeg van het Zwarte Hart. Ze vermoordden mijn broer. Nu hebt u, op uw beurt, hen vermoord.' Hij pakte de .38 vast en reikte die Macomber met de kolf naar voren gestoken aan. 'Hoewel dit mijn enige bezit van waarde is, beschouw het als een gebaar van vriendschap.' Vervolgens boog hij. 'Ik sta bij u in het krijt.'

'Daar ben ik niet in geïnteresseerd, Khieu,' zei Macomber zacht. Hij legde zijn vrije hand op de schouder van de jongeman. 'Ik moet nu eerst een opdracht vervullen, en dat terwijl ik nu alleen ben.'

'Ik zal u helpen,' zei Khieu. 'Alstublieft, laat me met u meegaan.'

Macomber glimlachte en gaf Khieu een kneepje in zijn schouder.

'Vooruit dan.' Hij keek er echter een beetje somber bij. 'Maar ik voel me verplicht je vooraf te waarschuwen.Als je me helpt, zul je in je eigen land niet langer veilig zijn.'

Khieu keek naar hem op. In de verte stierven de laatste klappen van het bombardement weg. 'De oorlog verslindt Cambodja als een tijger die er maar niet genoeg van krijgt. Ik heb hier niets meer te zoeken. Zelfs mijn eigen leven heeft nauwelijks nog waarde voor mij. Ik ga waarheen u gaat.'

'Ook als ik naar Amerika terugga?'

'Ook als u naar Amerika teruggaat,' zei Khieu knikkend. 

De sfeer werd die dag door een laaghangend, langzaam overtrekkend wolkendek bepaald. Het was grijs en dicht, maar het regende niet. Onverwacht deinden de wolken op en neer, losten gedeeltelijk op of weken vaneen. Ergens vanuit hun hemelse diepte klonk muziek, lage vibrerende akkoorden die door duistere gangen zweefden. Hij luisterde naar het koor der eeuwen, de stem des tijds, engelachtig mooi.

Toen verbrijzelde het eerste oorlogsrumoer de stilte. Een bosje palmen ging de lucht in. Dikke, vettige rookslierten kronkelden omhoog en bleven hangen. De stank van cordiet was sterk, evenals die van geroosterd mensenvlees.

Tracy schoot met een ruk overeind en schreeuwde het uit. Zachte handen hielden hem tegen. Geruststellende woorden werden hem toegefluisterd en verzachtten de pijn van de granaten die onderzijn schedeldak uiteen spatten. Hij ademde iets gelijkmatiger, en langzaam drong het tot hem door dat hij zich niet op het slagveld, maar in een ziekenhuis bevond. Zijn knipperende oogleden gingen open.

'Dokter...' zei een stem.

En in gedachten nog bij de oorlog, zakte hij weer weg in een door verdovende middelen opgewekte slaap. Maar dat ene woord bleef als een bal in zijn brein heen en weer ketsen.

Dokter, dokter, dokter. En hij gleed terug naar de duisternis waaruit hij heel even te voorschijn was gekomen.

Lauren probeerde voor de vijfde keer de driedubbele pas de chat. Ditmaal was ze niet alleen. Haar partner, een lange Deen die Steven heette, bevond zich aan haar zij, evenals de andere zestien leden van het gezelschap, dat uit acht meisjes en acht jongens bestond. De eerste twee keer was ze iets te langzaam. Daarna probeerde ze het beter te doen en ze moest zich inhouden om niet op de maat van de muziek vooruit te lopen. Het muziekstuk was van Stravinsky, en bovendien een stuk waarvan ze altijd al weg was geweest. Maar er klopte iets niet. De melodie en het ritme waren twee dingen die van elkaar losgekoppeld leken te zijn, in plaats van een geheel te vormen. Haar brein leek niet in staat om de twee te combineren. En dat was, in het bijzonder voor een danseres, rampzalig. Ze reageerde op de veranderende tonen in plaats van op de tellen van de vierkwartsmaat. Halverwege de tweede sprong raakte ze het contact met Steven kwijt, en dat bezorgde beiden bijna een blessure. Martin liet onmiddellijk de muziek stopzetten. De meisjes van het gezelschap begonnen zacht met elkaar te fluisteren.

Martin maakte zich los van de spiegelwand en klapte verschillende keren in zijn handen. Iedereen, behalve Lauren, verliet de zaal.

Lauren keek hulpeloos naar de spiegelwand, die een illusie van ruimtelijkheid versterkte en haar tegelijkertijd een uiterst gevoel van geïsoleerdheid bezorgde. Martin kwam niet dichterbij. In plaats daarvan sloeg hij zijn gespierde armen voor zijn borstkas over elkaar. Hij droeg een wit overhemd met opgerolde mouwen en een zwarte broek die er een beetje ouderwets uitzag. Evenals Lauren droeg hij balletschoenen.

'Lauren,' begon hij, 'hoeveel keer heb je nu een uitvoering gedanst?'

Ze keek hem aan. 'Ik zou het niet weten. Vanaf mijn vijfde. Ik heb mijn hele leven uitvoeringen gedanst.'

Martin begon langs de barre te lopen en liet daarbij zijn vingertoppen over het glanzende hout glijden. 'Heb jij gedurende al die tijd ooit aan je bekwaamheden als ballerina getwijfeld? Of, laat ik het anders stellen, heb je ooit overwogen naar een ander beroep uit te kijken?'

'Nee. Nooit.'

Hij wendde zich tot haar. 'En hoe kwam dat?' vroeg hij. De kin van zijn prachtige Russische hoofd werd naar voren gestoken. Vanaf de plek waar zij stond, kon ze de tik die zijn oog beroerde onmogelijk zien. Ze zag alleen het blauw en het wit van zijn ogen.

'Ik heb altijd alleen maar willen dansen.'

'En je wilde altijd al in mijn gezelschap dansen? Bij het gezelschap van Vlasky?'

Lauren knikte. 'Ja. Dit is het beste ballet ter wereld. Ik heb altijd het hoogste willen bereiken.'

'En daarom sta je nu hier,' zei Martin heftig. 'Ik neem alleen de besten aan ... en niet alleen om te dansen. Bij het Royal, het San Francisco en het American Ballet wordt ook gedanst. Hier wordt ook nog eens geleerd, zodat je kunt groeien. Om meer van jezelf te maken.' Ondanks zijn warme woorden, had zijn stem een kille ondertoon. Hij hoefde haar geen stroop om de mond te smeren. Hij was de beste. Balletdansers en -danseressen kwamen naar hém toe, in plaats van andersom.

Hij kwam in beweging en overbrugde de ruimte die hen scheidde. 'Je kunt beter, Lauren. Je zult wel moeten. Dansen is je beroep. Wat je ook dwarszit, ik wil dat je het van je afzet. Je bent er maar half bij betrokken, bij wat je doet. Ik bedenk de passen. Jij moet ze tot leven brengen. Als je je niet kunt concentreren, is dat onmogelijk.'

'Ik weet niet wat er met me aan de hand is,' zei ze bedroefd.

'Dat interesseert me ook niet,' snauwde Martin. 'De gevolgen ervan interesseren me wel.' Hij stond nu dicht bij haar, en ze kon zijn aanwezigheid bijna voelen. Zijn kalmte werkte weldadig op haar in, als een troostende hand op haar schouder. 'Als je beroeps wilt blijven, zul je je moeten bewijzen. Punt uit. Dit ballet moet over een week in topvorm zijn.'

'Waarom? Vanwaar deze haast?'

Het volgende ogenblik begonnen Martins ogen te schitteren.

'Het seizoen is afgelopen,' zei hij, 'maar wij gaan niet met vakantie naar Saratoga. Wij zijn als eerste westers balletgezelschap uitgenodigd om een bezoek aan China te brengen.'

'China!' riep Lauren happend naar lucht.

Martin knikte. 'Ik ben er de afgelopen drie weken over bezig geweest. Tegen jullie heb ik bewust niets gezegd, omdat Buitenlandse Zaken me liet weten dat de afspraak op het laatste ogenblik wel eens niet door zou kunnen gaan. Men gaf me de indruk dat de Chinezen in afspraken als deze nogal eens onvoorspelbaar kunnen handelen. Maar vanochtend kreeg mijn secretaresse het verwachte telefoontje uit Washington binnen. We vertrekken al over enkele dagen.'

Lauren knikte, sprakeloos.

'Ik was van plan het nieuws vanmiddag bekend te maken, maar het leek me beter om jou, gezien je huidige prestaties, eerder op de hoogte te stellen.' Hij wendde zich van haar af en bewoog zich lichtvoetig door de ruimte. Hij strekte tijdens het lopen zijn arm en wees naar de pick-up. 'De muziek wacht,' was al wat hij zei. Lauren bleef verbluft achter.

Enkele ogenblikken later kwam Steven het vertrek binnen. Lauren glimlachte hem toe en zette de plaat van Stravinsky op. Al doende probeerde ze alle overtollige gedachten van zich af te zetten en zich voor honderd procent op hetgeen ze moest doen te concentreren. Ze dwong haar gedachten aan Tracy naar de achtergrond, schoof haar woede terzijde en ontdeed zich van alle andere emotionele ballast.

De muziek weerklonk. Ze kwam in beweging en wierp zich in de armen van Steven. Drie passen volgden, één, twee, drie. De pas de chat.

Het kostte hem anderhalve dag om er achter te komen op welk slot de sleutel paste. Op de luchthaven O'Hare ving hij bot, maar aan het eind van zijn speurtocht werd zijn moeite beloond. De sleutel die Thwaite in de kluis van de senator had aangetroffen, paste op het slot van een bagagekluis in het Greyhound-busstation aan Clark en Randolph Street, in het hartje van Chicago. Het team, met inbegrip van Brady, had het grootste gedeelte van de ochtend geslapen, dit als gevolg van de doorwaakte nacht bij de vijver. Thwaite moest zich tot het uiterste inspannen om de commandant van het bureau Kenilworth ervan te overtuigen het bewijsstuk, de sleutel, uit handen te geven. En er was nog iets gebeurd. Rechercheurs van het bureau Kenilworth hadden in de kelder van het huis van de senator een privé-archief aangetroffen waarin talloze belastende gegevens over collega-politici werden aangetroffen. 'We zullen de FBI er bij moeten halen. Deze zaak is niet alleen tot deze staat beperkt,' zei de commandant. Hij keek Thwaite recht in de ogen.

'Ik haat dat tuig,' zei Thwaite. 'Ze weten het altijd beter, alleen omdat zij rechtstreeks contact met Washington hebben. Bovendien zijn het allemaal carrière-jagers.'

Brady had gegrinnikt. Thwaite vond dat de man er toen bijna menselijk uitzag. 'Als ik het me goed herinner, Thwaite, zei je gisteren zo iets als "ik regel mijn zaakjes liever zelf'. Ben je die mening nog steeds toegedaan?'

'Meer dan ooit.'

Brady knikte. 'Laten we dan alles zoveel mogelijk binnenshuis houden. Ik wil voorlopig niet dat deze zaak buiten Kenilworth bekendheid krijgt.'

'Dat waardeer ik bijzonder,' zei Thwaite vriendelijk.

'Luister eens, chef,' kwam Silvano tussenbeide, 'als wij ons koest houden zal niemand van buitenaf zich met ons bemoeien... Afijn,ik ken in de stad een knaap, een slotenmaker, die alles van sleutels en sloten afweet. Deze sleutel heeft geen nummer... dat is er af gevijld. Wat erger is, we weten niet op wat voor slot dit ding past. Een huis? Een auto? Een bagagekluis? Die knaap die ik ken zal ons zeker meer kunnen vertellen. Maar verder zou ik niemand weten bij wie we over deze sleutel iets wijzer kunnen worden.'

Art Silvano werd op het bureau vertrouwd, en zijn contact was inderdaad een vakman. De slotenmaker, een jongeman met een studentikoos uiterlijk, nam de sleutel van hem over. Tegen de wand van zijn werkplaats hingen honderden verschillende sloten.

'Dit is de sleutel van een kluis,' zei hij na een onderzoek dat hooguit een kwartier duurde. 'Van een kluis zoals je die op vliegvelden en stations aantreft.' Hij begaf zich met de sleutel naar een hoek van zijn laboratorium, waar verschillende glazen maatbekers op een werkbank stonden. Daar trok hij een paar dikke rubber handschoenen aan en verzocht de politiemannen niet te dicht in de buurt te komen.

'De knaap die deze sleutel in handen had, vijlde het nummer er af. Waarschijnlijk kende hij het uit zijn hoofd.' Hij pakte een fles vast, schroefde de dop eraf en goot een laagje van een heldere vloeistof in een van de maatbekers, waarbij hij zijn hoofd zo ver mogelijk van de beker vandaan hield. Thwaite rook een scherpe zuurlucht.

Vervolgens pakte de slotenmaker de sleutel met een pincet vast.

'Dit is zuur,' zei hij wijzend op de inhoud van de maatbeker. 'Het is mogelijk dat er iets van de oorspronkelijke cijfers bovenkomt. Ik kan het niet garanderen, maar het is de moeite van het proberen waard.'

Hij liet de sleutel in het zuur zakken en hield die enkele seconden onder het oppervlak. Vervolgens dompelde hij de sleutel enkele seconden in koud water onder. Daarna bekeek hij de sleutel van dichtbij. Ze hielden hun adem in. 'Eén cijfer is leesbaar,' zei de slotenmaker zakelijk. 'Het middelste van een nummer van drie cijfers. Een "drie".'

'Nou,' zei Thwaite, 'het is beter dan niets. Bedankt.'

Op dat ogenblik, een half uur na het bezoek aan de slotenmaker, stond het viertal - Thwaite, Brady, Silvano en Pleasent - voor een rij bagagekluizen in het busstation. Het nummer van de enige, op lange termijn verhuurde kluis in de rij, was .739 Thwaite stopte de sleutel in het slot en draaide die langzaam naar rechts, en trok. De kleine metalen deur zwaaide naar buiten toe open. De plafondverlichting van de stationshal bevond zich ver boven hun hoofd. Behalve schaduw was er in de kluis niets te zien. Pleasent haalde een potlooddunne zaklantaarn te voorschijn en liet de lichtbundel naar binnen schijnen.

Thwaite zei wat ze allemaal dachten. 'Shit!' Zijn stem was donker van frustratie en onderdrukte woede. 'Geen moer!'

Regendruppels vielen in een schuine baan naar het aardoppervlak en maakten van de omringende wereld een groen waas. Khieu zat op zijn knieën.

Tol snoof alsof hij die dag voor het eerst van zijn reukorgaan gebruik maakte. 'Blijf maar zitten,' zei hij lachend. 'De regen zal het braaksel wel van je kleren spoelen.'

Malis, apsara, dreunde het steeds opnieuw door zijn hoofd. Opnieuw zag hij haar dansen in een verhaal zonder muziek. Een beeld van zijn moeder: ze zat roerloos op haar stoel en zong kinderliedjes, om de overweldigende druk van de buitenwereld buitenshuis te houden, en weg van haar twee kleine kinderen, Khieu en Malis.

'En waar blijf je nu, met je grote mond?' Tol schaterlachte. Hij tikte met de loop van de AK-47 tegen de draagriem van de Nikon.

'Wat is er van je over?' Hij genoot van Khieus ineenstorting, die zowel fysiek als geestelijk een feit leek. Hij wist niet waardoor het was gekomen, dat interesseerde hem niet. Maar hij genoot van de afloop. 'Ben je soldaat of spion? Waar wilde je foto's van maken?'

Hij gromde. De regen kletterde tegen het dek en tegen de metalen hulpstukken. De druppels gleden in stroompjes over het gangboord. Het oppervlak van de rivier zag er metaalgrijs uit. De boomtoppen bogen hun kruinen onder het natuurgeweld. Om zich van zijn aandacht te verzekeren, porde Tol met de loop van de AK-47 tegen Khieus adamsappel. 'Je pistool,' riep hij. Zijn stem was nauwelijks hoorbaar in het geruis van de stortregen. 'Geef het aan mij.'

Als verdoofd gespte Khieu de riem met de holster los en reikte de ander het pistool aan. Vreemde beelden trokken aan zijn blikveld voorbij.

Apsara danste en zond zodoende haar boodschap naar de goden. Soms droeg ze de traditionele kleding, soms was ze naakt. En soms was ze én naakt én ... zonder hoofd, en bewoog ze zich met schokkerige bewegingen, alsof ze een parodie op haar eigen kunnen uitvoerde.

Khieu beefde. Zijn oogleden knipperden. Zijn haar kleefde tegen zijn schedel en hij voelde de regendruppels pijnlijk op zijn schedeldak roffelen. Elke druppel voelde aan als een speldeprik.

'Sta op, nu,' zei Tol. 'Je hebt lang genoeg kunnen uitrusten.' Hij schaterde het uit. 'Troost je met de gedachte dat het de laatste keer is geweest dat je hebt kunnen rusten.' Hij lachte kort. 'Dat wil zeggen, in dit leven.'

Khieu stond op, nog steeds met een hoofd vol verwarrende beelden. Zijn emoties weigerden zich in een begrijpelijke volgorde te laten schikken.

'Pak je last op, mit Sok,' beval Tol.

Khieu pakte het hoofd van zijn zuster op en liep er mee over het dek. Tol bevond zich vlak achter hem. Bij de voorsteven sprongen ze van de woonboot op de oever. Na twintig passen in de jungle te hebben gedaan, zei Tol: 'Hier moeten we zijn, mit Sok.' Zijn stem klonk triomfantelijk. 'Kijk!'

Khieu bewoog zijn hoofd langzaam in de aangeduide richting. Onder een struik lagen nog drie Russen, gewonde soldaten. Dood.

'Ze konden hun officieren niet redden,' zei Tol. 'Ze wisten niet eens hoe ze moesten vechten.' Hij porde Khieu opnieuw met de loop van zijn wapen. 'Mit Sok, ik krijg opeens een schitterend idee.'

Khieu begaf zich half strompelend naar de struik. Hij kon nog net voorkomen dat hij zijn evenwicht verloor en voorover viel.

'Ga bij die mannen staan,' beval Tol. Het begon nu iets minder hard te regenen. De stortvloed ging over in gestaag ruisen. 'Nee, ik weet het nog beter. Jij gaat daar staan en ik bij die mannen.' Hij wees naar een plek ongeveer drie meter verderop. Zelf bukte hij zich razend snel en nam een van de Russen de gouden ster van zijn uniform af. Hij spelde de ster vlak boven zijn eigen hart op zijn overhemd vast. 'Zo. En wees nu een brave kameraad en maak een foto van mij. Wacht... nog niet.' Hij plaatste het hoofd van Malis zodanig aan zijn voeten dat haar gezicht - wat ervan over was naar de camera gekeerd was. Khieu stapte bedaard achteruit, tot hij zich op een afstand van vier meter van Tol vandaan bevond. Hij nam de stofkap van de lens af, stelde de afstand in, vervolgens de sluitersnelheid en hief het toestel op.

Blauw-witte vlammen schoten als de tong van een demon op Tol af. Het projectiel, een miniatuur-explosief, drong zijn lijf binnen en explodeerde. Hij had nog net voldoende tijd om zijn ogen wijd open te sperren. Het volgende ogenblik klapte hij tegen de boom achter hem. Hij gleed half op de grond en greep naar het gat in zijn schouder. In plaats van de ogen te sluiten en te sterven griste hij echter naar het geweer aan zijn voeten, maar Khieu stond al voor hem. Tol was te laat, veel te laat.

Kokoro.

Khieu herinnerde het zich, alles; hij kon niet anders dan ernaar handelen. De leer was hem net zo stevig ingeprent als die van het Boeddhisme.

In het Japans, had Musashi Murano gezegd, betekent 'kokoro'

het 'hart van alles'. Maar net als in andere talen soms het geval is, kunnen sommige woorden meerdere betekenissen hebben. Voor mij - en nu ook voor jou - betekent kokoro het binnenste... het hart van mijn leer: de leegte. Het niets dat meer vult dan alle dingen ter wereld tezamen; de leegte die je de kracht van de tijd zelf geeft. Khieu liet zich door kokoro leiden.

Hij bediende zich van de harde vingertoppen van zijn handen die, ietwat gebogen, precies de vorm van een Japanse katana (= samoerai-zwaard) hadden aangenomen. Als wapens waren ze net zo dodelijk als het projectiel dat uit de Nikon te voorschijn was gekomen. Binnen het tijdsbestek van een hartslag stootte Khieu toe en vernielde met een klap lever en ribben. Toen Tol ineenzeeg, pakte hij de camera op. Even later maakte hij opnieuw een 'foto'. En schoot Tol zijn hoofd van de romp.

Kim kreeg een uitnodiging om naar Seattle te komen. Het verzoek was, natuurlijk, van Thu afkomstig. Hij zag zijn invalide broer zelden, maar Kim verheugde zich erop hem weer eens te spreken. De afgelopen maanden had Thu zich in zijn brieven nog minder mededeelzaam en nog meer teruggetrokken getoond als voorheen het geval was geweest. Diep in zijn hart vreesde Kim dat Thu weer in zijn oude gedragspatroon was teruggevallen. Met andere woorden, hij had er spijt van dat hij niet eerder, op eigen initiatief, bij zijn broer op bezoek was gegaan. Maar het was inmiddels alweer een jaar geleden sinds hij voor het laatst voet op de luchthaven Sea-Tac International had gezet. Thu woonde ergens hoog in een flat aan Puget Sound. Zijn appartement had een balkon dat uitzicht bood op de zee en, op de voorgrond, een jachthaven, waar de tien meter lange sloep van Thu lag aangemeerd. Kim wist van de sloep af omdat ze met zijn geld was aangeschaft. De aankoop had tot doel gehad om Thu zich in het westen zoveel mogelijk thuis te laten voelen. Zijn broer voer vaak met zijn sloep in noordelijke richting, langs Port Townsend en vervolgens naar Victoria.

Tot zijn verrassing werd de deur ditmaal niet door Thu geopend, maar door een jonge vrouw die hij nog nooit eerder had gezien. Toen ze hem zag staan, begon ze te glimlachen. 'Jij moet Kim zijn.'

Ze stak haar hand uit en zonder dat het haar zichtbaar moeite kostte, nam ze de zware koffer van hem over. Ze sloot de deur achter hem en hij volgde haar de woonkamer binnen. Ze was gekleed in een witte broek en een gestreept Izod-overhemd. Ze was lang en haar slanke figuur was op de juiste plaatsen goed gevuld. Haar grote borsten waren aan de onderkant rond op een wijze die Kim duidelijk maakte dat ze echt waren. Haar benen waren lang en stevig. Haar blonde haar had een natuurlijke krul. Ze zag er uit alsof ze zó uit een of ander modetijdschrift was gestapt.

'Excuseer mij,' zei hij. 'Maar bent u ...'

Ze lachte hartelijk en zonder enige gekunsteldheid. 'God, het spijt me.' Ze stak hem haar hand toe en Kim dacht: Ze is een Amerikaanse, een rasechte. 'Ik ben Emma. Emma Poe.' Haar stem klonk hoog en luchtig. Haar korenblauwe ogen schitterden ondeugend. 'Geen familie van de auteur, als je dat soms denkt. Mijn familie komt uit Minnesota.'

'Bent u ... al lang met mijn broer samen, mevrouw Poe?' vroeg Kim.

'Emma,' corrigeerde ze hem. 'Thu zit op het balkon op je te wachten. Ga maar alvast naar hem toe. In de tussentijd zal ik je koffer naar de logeerkamer brengen. Zal ik iets te drinken voor je maken, of iets inschenken?'

'Thee, graag.'

'Warm, zonder ijs. Klopt dat?'

Kim keek haar opnieuw aan. Hij knikte.

'Ik ben vanochtend boodschappen gaan doen. Ik heb van die echte, zwarte Chinese thee gekocht.' Haar ogen glimlachten hem toe.

Kim probeerde er niet op te letten. 'Thu drinkt bij voorkeur Chinese thee.'

'O, maar dat doet hij al een poosje niet meer. Tegenwoordig nemen we af en toe een espresso. Zonder cafeïne, natuurlijk.'

'Natuurlijk,' zei Kim, die inwendig bij de gedachte ineenkromp. De woonkamer was opnieuw ingericht, zag hij toen hij er haastig doorheen liep; pastelblauwe wanden en nieuw meubilair. Via de glazen schuifdeur stapte hij het balkon op. Ook daar was een en ander veranderd. Het beton werd door namaak-gras bedekt. Thu zat op een blinkende tuinstoel, met zijn onbruikbare been op een kruk. Kim keek vluchtig om zich heen. Hij zag nergens een rolstoel. Thu draaide zijn hoofd om toen Kim over de drempel stapte. Hij droeg een zonnebril met spiegelglazen, een groen Izod-overhemd en een spijkerbroek. Zijn voeten waren bloot. Toen hij zijn broer in het oog kreeg, spreidden zijn lippen zich in een glimlach.

'Kim,' zei hij, 'wat prettig om je weer eens te zien.' Zijn stem klonk laag en een beetje schor, een permanent gevolg van de overdosis rook die hij had ingeademd tijdens de brand die hem invalide maakte.

Kim stapte langs zijn broer heen en leunde met de armen stijf over elkaar geslagen tegen het hekwerk.

'Er is heel wat veranderd sinds ik hier voor het laatst op bezoek was,' zei hij tenslotte.

'Je zou vaker moeten komen,' zei Thu. 'Ik weet wel dat je niet zo van verrassingen houdt. Maar ik wilde je niet schrijven wat er is gebeurd. Ik wilde dat je het met eigen ogen zou zien.'

Kim zag dat het haar van zijn broer langer was dan het ooit was geweest. Het hing als een zachte vacht tot op zijn overhemdkraag. Op een of andere manier zag hij er jonger uit.

'Ik ben altijd op het ergste voorbereid,' zei Kim, 'en dus kom ik zelden voor verrassingen te staan.'

Emma stapte het balkon op. Ze plaatste een zwartgelakt dienblad op het matglazen blad van het tuintafeltje. Op het dienblad stonden een kleine roze theepot en een kopje zonder oor.

'Het moet nog even trekken,' zei ze met een glimlach. Daarna verdween ze weer in de keuken.

'Waar heb je haar ontmoet?'

'In de jachthaven.' Thu nipte van de drank die ze hem had aangereikt. Bronwater! 'Ik had problemen met het ventilatieluik van de kombuis. Zij leste die voor me op.'

'Zij loste jouw probfemen op.'

'Ja. Is dat een misdaad?'

'Had je haar al eens eerder gezien?'

'Jezus, dan had ik me haar wel herinnerd, niet waar?' Thu keek zijn broer wantrouwig aan. 'Of denk je van niet?'

'Ze heeft van alles een beetje teveel,' zei Kim een beetje stijfjes.

'Ze is niet echt jouw type, is het wel, Kim?'

'Zoals ik al zei: ze heeft van alles net iets teveel.'

'Jazeker. Met inbegrip van hersens. Maar ik weet het, jij houdt van vrouwen die niet meer dan vijftig kilo wegen, en bij voorkeur in het bezit van de hersens van een garnaal. En als je met ze uitgaat, moeten ze met gebogen hoofd op drie passen afstand achter je lopen.'

'Ik wil meer van haar weten.'

'O, doe niet zo verdomd achterdochtig. Elke heuglijke gebeurtenis in dit leven wordt niet door donkere schaduwen in het duister gesteld.'

'Wat drink je?' vroeg Kim onverwacht.

'Perrier.' Thu hief zijn glas naar hem op. 'Wil je een slokje?'

Kim wendde zich met een ruk van hem af en keek beschouwend naar de gouden weerspiegeling van het zonlicht op het water.

'Ik drink niet meer,' zei Thu. 'Tenminste, niet meer zoals vroeger. Af en toe een margarita, of een glas champagne als er iets te vieren valt.' Hij ging rechtop op zijn stoel zitten. 'Ik ben al een hele poos niet meer dronken geweest.'

'Naar het zich laat aanzien zijn er een heleboel dingen die je niet meer doet.' Kim schonk zichzelf een kop thee in. 'Je drinkt niet langer zwarte, Chinese thee. Je kleedt je als een Amerikaan, je praat als een Amerikaan, en nu leef je zelfs samen met een Amerikaanse vrouw. Je hebt je eerbied voor traditie verloren. Denk je nooit meer aan je familie?'

'Voor ik die vraag zal beantwoorden, zal ik je vertellen op welke manier ik er op vooruit ben gegaan, Kim,' zei Thu. 'Ik word niet langer in het holst van de nacht badend in het koude zweet wakker; ik maak me er niet langer druk over wat ik allemaal niet had kunnen doen als ik tijdens die brand niet invalide was geworden. Ik trek me de haren niet meer uit het hoofd als ik aan mijn dode familieleden denk. Ik probeer niet langer aan mijn verleden te ontkomen door me 's nachts stomdronken te drinken. En ik zal je nog iets vertellen, broertje, Emma is daar ten dele verantwoordelijk voor. Ik ben tegenwoordig gelukkig. Ik leef in het heden. Ik ben tevreden met het heden. En af en toe droom ik zelfs van hetgeen de toekomst mogelijk voor me in petto heeft. Dat heb ik sinds mijn twaalfde niet meer gedaan. We gaan zeilen, we gaan vissen, wandelen, noem maar op. We vrijen zelfs. We gedragen ons precies zoals al die andere verliefde paartjes.' Hij schonk Kim een strakke blik. 'En jij zou daar iets op tegen kunnen hebben?'

'Ik heb er inderdaad iets op tegen,' zei Kim langzaam en zorgvuldig articulerend, 'dat jij alles wat ons in deze wereld uniek maakt zo maar laat vallen.' Hij maakte een handgebaar. 'Je zou jezelf eens moeten zien, in je confectie-spijkerbroek, je Izod-overhemd, nippend van een glas Perrier-water. Boeddha, je bent zo veramerikaanst dat je eigen moeder je niet meer zou herkennen.'

'Maar ik ben gelukkig,' zei Thu en hij boog zich iets naar voren.

'Ik ben gelukkig, Kim, en dat ben jij niet. Je bent een dinosaurus. Jij en de jouwen zijn gedateerd, hopeloos uit de tijd geraakt. Ik weet dat je het niet begrijpt. Ik zie het aan je, maar ik ben nu vrij. Bevrijd van het verleden, bevrijd van de schuld die nog steeds zwaar op jou neerdrukt.'

'En onze wraak?... De tijd die je in Phnom Penh doorbracht met het opsporen van de moordenaar van onze familie... alle tijd en inspanningen die ik me heb getroost om het mechanisme van onze wraakneming in beweging te zetten.'

'Die weg leidt slechts naar de dood,' zei Thu. 'Zie je dat dan niet in? We moeten ons leven niet gebruiken om wraak te nemen. We moeten het leven voor honderd procent leven.'

'En ons eergevoel?' vroeg Kim. 'Moeten we dat ook maar terzijde schuiven? Moeten we de eeuwen met een enkel handgebaar wegvagen? We zijn onze familie iets verplicht. Hun geesten zullen geen rust kennen vóór we onze plicht hebben gedaan.'

Hij plaatste het lege kopje op het dienblad en liet zich tot in hurkzit naast zijn broer door zijn knieën zakken. 'Zie je dan niet in dat wij zonder eer, zonder plichten, helemaal niets zijn?'

Thu zuchtte en legde zijn hand op de pols van Kim. 'Het is een prachtige dag. Een onbezoedelde dag. Op dagen zoals deze varen Emma en ik naar het noorden om vanuit zee de zon te zien ondergaan. Waarom ga je vandaag niet met ons mee?'

Kim keek lange tijd naar de spiegelglazen van de zonnebril van zijn broer. Toen trok hij langzaam zijn hand onder die van Thu vandaan en stond op, en liep het appartement binnen. 

Emma stond in het midden van de woonkamer en glimlachte hem een beetje verlegen toe. 'Weet je, hij heeft gelijk,' zei ze. 'We zouden met z'n allen een prettige tijd kunnen hebben.'

'Jij begrijpt het niet,' zei Kim. 'Jij bent een Amerikaanse.'

'Misschien. Ik weet wél dat hij 's nachts naast me slaapt,' zei ze eenvoudig, 'om mij te troosten en om zich door mij te laten troosten. Verander nu het nog kan, Kim. Ook jij leeft met de nachtmerries van je verleden. En als die je niet dwarszitten, leef je op haat. Want meer is er voor jou niet.'

Hij wilde weten of er tussentijds voor hem was gebeld; dat vroeg hij omdat hij bij zijn ontwaken niet eens wist waar hij was. De verpleegster met het glimlachende, vriendelijke gezicht zei:

'Nee, maar een half uur geleden was er hier een jongedame die informeerde hoe het met u ging.' Er verscheen een ondeugende schittering in haar ogen. 'Ik heb tegen haar gezegd dat het geen zin had om te blijven wachten.'

'Maar -'

'U moet zich niet inspannen.' Met een handgebaar schoof de verpleegster zijn protest terzijde. 'Ik heb tegen haar gezegd dat ze later terug moest komen, en dat zou ze doen. Nu moet ik even contact opnemen met de dokter. Ik moest hem waarschuwen zodra u bij bewustzijn kwam.'

'Maar ik ken hier helemaal niemand,' zei Tracy, en zuchtte toen ze de deur achter zich sloot. Hij bleef alleen in het steriele witte vertrek achter. Het raam rechts van hem liet een stoffige bundel zonlicht door. Was het ochtend of middag? Ochtend, concludeerde hij, afgaand op de schuine hoek waarin het zonlicht naar binnen viel.

De dokter was een kale Chinees en zo rond als een strandbal. Hij waggelde het vertrek binnen. De flappen van zijn doktersjas wapperden als de nutteloze vleugels van een pinguin achter hem aan.

'Wel, wel, wel,' mompelde hij. 'Eindelijk bij bewustzijn.' Zijn vingers betastten Tracy's schedel. Hij glimlachte. 'Een stuk beter.'

Toen gleed er een schaduw over zijn opgewekte gezichtsuitdrukking en hij klakte met zijn tong. 'Wiens ongenoegen heb jij je op de hals gehaald, jongeman?' Hij schudde zijn hoofd en beantwoordde zijn eigen vraag. 'Van iemand die korte metten met zijn soortgenoten maakt, vrees ik.'

Hij haakte de oordoppen van de stethoscoop in zijn oren en luisterde, zonder ook maar een ogenblik zijn mond te houden, naar Tracy's hartslag. 'De politie wil maar al te graag een woordje met je wisselen, mijn jongen. Zoals je je misschien kunt voorstellen, zijn ze heel nieuwsgierig om van je te vernemen wat er precies is voorgevallen.'

Hij zette zijn onderzoek met zijn vingers voort. Zijn vingertoppen waren zacht.

'Hoelang lig ik hier al?'

De dokter keek naar het plafond. Intussen porde hij tussen Tracy's ribben. 'Ruim achtenveertig uur. Het was een flinke klap.'

Hij opende zijn dokterstas en haalde een langwerpig glazen etui te voorschijn. Erin bevonden zich een aantal acupunctuurnaalden.

'Als dat bed dat zich tussen jou en het explosief bevond minder stevig was geweest...' Opnieuw klakte hij met zijn tong. 'Op je zij nu. Nee, op de andere. Mooi.' Hij liet het etui openklikken en haalde een van de lange naalden te voorschijn.

'Ik geloof niet dat er inwendig iets is beschadigd, en dat is maar goed ook. Het is echter mijn ervaring dat mensen die een flinke klap hebben gehad, de eerste uren last hebben van duizeligheid en even wichtsstoornissen.' Hij hield de naald loodrecht op de huid en zocht met zijn vingertoppen naar de zenuw die hij op het oog had.

'O, je zult er geen blijvende hinder van hebben, hoor. Dat niet. Maar bij wijze van voorzorg...' Hij prikte de naald op de juiste plaats in de huid en reikte naar een tweede. '... lijkt me dit helemaal zo gek niet. In ieder geval zul je tussentijds nergens last van hebben.' Hij zuchtte. 'De politie heeft me gevraagd contact met hen op te nemen zodra je weer bij bewustzijn zou komen.'

'Ik zou liever een uur of wat willen rusten,' zei Tracy. De ingeplante naalden gaven hem een verfrissend energiek gevoel.

'Omdat ze het aan mij overlieten om te beoordelen wanneer je weer tot een gesprek in staat zal zijn, zou ik willen voorstellen het onvermijdelijke morgen om negen uur te laten plaatsvinden. Akkoord?'

'Uitstekend,' zei Tracy. 'Dank u, dokter.'

'Geen dank, graag gedaan.' Op de drempel bleef de arts staan.

'Waarschijnlijk val je in slaap, dat zal je goed doen. Verlies echter niet uit het oog dat je lichaam een flinke opdonder heeft gehad. Je moet vooral veel slapen. En doe het een poosje voorzichtig aan met je linker arm.'

Tracy knikte en de dokter verliet het vertrek. De verpleegster stond op het punt om zijn voorbeeld te volgen, maar Tracy hief zijn hand op. 'De vrouw die naar me vroeg, zei die ook hoe ze heette?'

'Nee, dat deed ze niet,' zei de verpleegster.

'Hoe zag ze er uit?'

De verpleegster dacht een ogenblik na. 'Lang, slank, modieus gekleed. Een Chinese... een tsjioe-chow.' Ze keek hem verbaasd aan. 'Is ze je vriendin niet?'

'O ja, nou,' zei Tracy en hij hief zijn hand op naar zijn voorhoofd om zijn verbazing te camoufleren. Hij dacht een ogenblik na.

'Heeft ze gezegd wanneer ze zou terugkomen?'

De verpleegster schudde haar hoofd. 'Maar ze maakte zich ontzettend zorgen. Ik weet zeker dat ze heel gauw terug zal komen.'

Ze wees naar de telefoon op het nachtkastje. 'Als je wilt, kun je haar bellen.'

'Nee, bedankt.' Hij liet zich achterover tegen de kussens vallen. De verpleegster glimlachte. 'Als u iets wilt, dan belt u maar.' Ze toonde hem waar het knopje van de zoemer zich bevond.

'Hoe laat is het?'

'Even na etenstijd,' zei ze. 'Half zes. Hebt u honger?'

Tracy schudde zijn hoofd.

'Om acht uur kom ik terug om u een injectie te geven.'

'Waartegen?'

'De pijn, zodat u kunt slapen.'

'Ik wil geen injectie.'

Ze glimlachte opnieuw. 'Opdracht van de dokter, meneer Richter. U hebt gehoord wat hij zei. U hebt uw slaap hard nodig.'

Tracy voelde zich te moe om in discussie te gaan. Na haar vertrek dacht hij na over wat er was gebeurd. Hij wilde zich elk mogelijk detail herinneren van wat er was gebeurd, vooral om na te gaan of zijn geheugen niet was beschadigd. Hij dacht terug in de tijd, tot aan zijn vroegste jeugd. Ouders. Vader, moeder. Langzaam schoof hij richting heden. De stichting, de directeur, Kim. Zijn vlucht naar Hongkong, het telefoontje, het gesprek dat erop was gevolgd, vandaag - nee! - drie dagen geleden. Toen had hij Jade en Mizo gesproken. Nu wist hij het weer. Zijn hersens waren in ieder geval niet beschadigd. Hij zuchtte opgelucht.

Nu het moeilijkste gedeelte, de gebeurtenissen voorafgaand aan de explosie. Hij had een cadeau voor Lauren gekocht en hij had het pakje bij de balie van het hotel in bewaring gegeven. Waarschijnlijk bevond het zich nu in de hotelkluis. Vóór hij zijn kamer betrad, had hij het slot bekeken om na te gaan of er mee was geknoeid. Dat was niet het geval geweest.De ontploffing. Hij sloot zijn ogen. Hij zou nu dood moeten zijn, besefte hij, en hij probeerde te bepalen waarom dat niet zo was. De explosie, wist hij uit ervaring, was hard genoeg geweest om zijn levenslicht uit te blazen. Hoe kwam het dat hij nu slechts een lichte hersenschudding en een beurse arm had? Hij moest zich de details herinneren.

Hij had op het bed gezeten. Hij had de hoorn van de haak genomen, met de bedoeling zijn vader te bellen. Wat was er toen gebeurd?

Tracy ademde langzaam en langgerekt uit. Hij besefte maar al te goed dat er bijna een eind aan zijn leven was gemaakt. Hongkong was, opeens, een rode sector. Hij was in gevaar. Het gewicht. Toen hij de hoorn had opgenomen had die zwaarder aangevoeld dan gewoonlijk. En hoewel hij met zijn bewuste gedachten alvast bezig was met het gesprek dat hij met Louis Richter wilde voeren, was zijn onderbewustzijn in actie gekomen. Tracy herinnerde zich nu dat hij op het bed was gedoken, en eroverheen, om zo ver mogelijk van het toestel vandaan te komen. De luchtverplaatsing had hem natuurlijk te pakken gekregen, maar hij had het gehaald. De grootste klap was door het eikehouten bed opgevangen.

Geluk, klonk het in zijn hoofdje hebt geluk gehad! En niet zo'n beetje ook. Maar Tracy wist wel beter. De stichting - of liever gezegd, zijn training - had hem voor de zoveelste keer het leven gered.

Dat bracht hem abrupt wat de verpleegster had gezegd in herinnering. Ongeveer een uur geleden was er hier een jongedame geweest. Jade? Hij begon overvloedig te transpireren. Ze was vast niet van plan om zijn genezing te bespoedigen. Hij twijfelde er niet aan dat Mizo voor de bom verantwoordelijk was. Maar waarom?

Wat was er misgegaan?

Vergeefs dacht hij er een halfuur over na. Hij belichtte de vraag vanuit elke denkbare invalshoek, echter zonder met een antwoord voor de dag te komen. Verdomme, dacht hij, ergens zat iets scheef en hij kon niet bepalen waar. Hij gaf het niet op. Opnieuw dacht hij erover na. Hij had het op de juiste wijze aangepakt, dat stond vast. Hij dacht na over Mizo's reactie tijdens hun gesprek op de Jockey Club. In gedachten riep hij een beeld op van het gezicht van de man, van zijn houding, van de bewegingen 

die hij had gemaakt. Het klopte allemaal; hij kon niets verdachts ontdekken. Verdomme, maar toen hadden ze al geweten dat ze zouden proberen om hem uit de weg te ruimen. Of niet?

Hij hield het erop dat er na zijn gesprek met Mizo en Jade iets was gebeurd. Dat baarde hem zorgen, want wat kon er mogelijk zijn gebeurd? Wat was er voorgevallen dat Mizo het besluit had doen nemen hem uit de weg te ruimen?

Tracy dacht eerst aan de moordenaar van John en Moira. Maar niemand wist dat hij achter die persoon aan zat. Mizo en Jade hadden het in ieder geval niet kunnen weten. Dat was absoluut onmogelijk. Wie gaf Mizo orders? Nee, dat kon hij onmogelijk bepalen. Maar het Waarom bleef hem dwarszitten. Hij zuchtte diep; hij was moe en hij wist instinctief dat de dokter gelijk had. Hij had beslist rust nodig.

Eens, in Mines, toen hij een behoorlijk zware griepaanval te verwerken kreeg, hadden ze een oude Japanner wiens naam hij niet eens kende naar hem toegestuurd. Hij had acupunctuur op Tracy toegepast. Op het ogenblik waarop de naalden werden ingeplant, had Tracy niets gevoeld, maar een halfuur daarna was hij compleet ingestort. Zijn hele lijf leek toen in de greep van een vreemde inwendige pijn te verkeren.

Toen hij de volgende ochtend wakker werd, was niet alleen de koorts geweken, maar was hij bovendien bevrijd van het virus dat gewoonlijk pas na een dag of zes van hevige koorts was uitgewoed. Hij had toen het gevoel gehad alsof hij een week had geslapen. Jinsoku had het hem uitgelegd. 'Je lijf zat vol gif. De pijn die je voelde ontstond door de stroming die via de naalden werd geleid en waarlangs het gifje lichaam verliet.'

Tracy knipperde met zijn oogleden. Zijn hartslag vertraagde. Hij viel in slaap.

Hij werd wakker alsof hij uit een nachtmerrie ontwaakte, maar hij kon zich niet herinneren te hebben gedroomd. Zijn keel was droog en hij reikte naar de glazen karaf op het nachtkastje naast hem. De digitale wandklok stond op 8.13.

Dat was vreemd, en terwijl hij zijn dorst leste, dacht hij erover na, maar een verklaring diende zich niet aan.

Iets in zijn binnenste smeekte echter om zijn aandacht. Hij gaf zich eraan over en maakte snel een inventaris op. Hij hield het glas met water met zijn linkerhand vast; de arm voelde een beetje pijnlijk aan. Toen de pijn toenam verplaatste hij het glas naar zijn andere hand. Hij had een lichte hoofdpijn, wat op pijnlijke wijze duidelijk werd toen hij met een ruk overeind was gaan zitten om water in te schenken. Hij voelde zich ook een beetje duizelig. Hij zette het glas terug, en opnieuw verscheen de tijd in zijn blikveld: 8.15.

En toen herinnerde hij zich dat de verpleegster had gezegd dat ze hem om acht uur een injectie zou geven. Dat had ze niet gedaan, óf ze had hem slapend aangetroffen en had zich stilletjes teruggetrokken. Enfin, hij zou haar laten weten dat hij nu wakker was. Hij reikte naar de zoemer, maar toen zijn duim contact maakte, verstijfde hij. In ziekenhuizen - in elk ziekenhuis - was het een voorwaarde dat alles stipt op tijd gebeurde: maaltijden, het toedienen van medicijnen, én het geven van injecties. Een slapende patiënt zou de verpleegster er niet van hebben weerhouden om hem een pijnstiller toe te dienen.

Tracy ging langzaam overeind zitten. Een ogenblik hield hij zich roerloos. Al zijn zintuigen stonden op scherp. Het dierlijke instinct dat een mens in moeilijke omstandigheden soms helpt om te overleven, kwam in actie.

Het is een instinct dat je moet zien als een soort zesde zintuig, had Jinsoku ooit tegen hem gezegd. Als je er oog voor hebt, dat wil zeggen, als je het weet te gebruiken, zul je hier leren hoe je het moet inzetten om een tegenstander zo snel mogelijk te doorzien en te ontwapenen. Maar dit instinct helpt je alleen in bepaalde omstan- digheden. Het kan, bij voorbeeld, jou niet onzichtbaar maken. Het instinct kan je evenmin tegen vuurwapens beschermen. Maar in omstandigheden waarbij een intuïtieve reactie vereist is, zul je er je voordeel mee kunnen doen.

En nu verkeerde hij in een omstandigheid waarbij een intuïtieve reactie vereist was. Voorzichtig schoof hij de lakens van zich af en liet zijn benen buiten het bed bungelen. Het koude linoleum drukte even later tegen zijn warme voetzolen. Hij wachtte een ogenblik, tot hij aan de verandering van temperatuur was gewend. Toen stapte hij langzaam uit bed. Zijn benen voelden vreemd aan en hij stak een hand steunzoekend uit om zijn evenwicht niet te verliezen, en hij greep zich met een hand aan het bed vast. Een lichte duizeling ging door hem heen, maar hij bleef overeind.

De kast waarin zijn kleren zich bevonden, stond aan de andere kant van het vertrek, op nog geen twee meter afstand. Tracy had het idee aan een kilometerlange tocht bezig te zijn toen hij er langzaam heen schuifelde. Eenmaal bij de kast aangekomen, trok hij - zo snel zijn hoofd hem dat toestond - zijn kleren aan. Ergens in zijn onderbewustzijn besefte hij dat hem niet veel tijd meer restte. Als, zoals hij vermoedde, handlangers van Mizo zouden proberen hem in het ziekenhuis te vermoorden, dan zou dat verklaren waarom de verpleegster om acht uur niet was komen opdagen. Hadden ze haar gekidnapt? Gevangen genomen? Verdoofd? Of haalde hij zich maar wat in het hoofd?

Hij keek op de klok. Het was nu 8.18. Zijn instinct maakte hem duidelijk dat hij moest voortmaken. Voorzichtig begaf hij zich naar de deur. Prana, de techniek die hem in staat stelde kalm te blijven, bewees hem ook nu weer goede diensten. Maar, in godsnaam, Tracy, je moet hier zo snel mogelijk vandaan. Prana. Kalm. Hij opende de deur een halve centimeter en keek de verlichte gang in. Iets in zijn blikveld bewoog; er kwam iemand aan. Te laat!

Hij liet zich met zijn volle gewicht tegen de deur vallen; die ontsnappingsweg was nu afgesloten. Hij had ongeveer vijftien seconden, schatte hij, om een nieuwe koers te bepalen. Hij begaf zich naar het raam en keek naar beneden. Gemeten naar de afstand bevond hij zich op de vijfde of zesde verdieping, vermoedde hij. Hoog genoeg om zijn nek te breken als hij zou proberen langs die weg te ontsnappen. Verlangend keek hij naar de keurig onderhouden tuin in het midden van de binnenplaats. De hoge bomen stonden te ver van hem vandaan om hem tot nut te kunnen zijn.

Geluiden op de gang. Het knisperende geluid van een pas gesteven uniform. Het ruisende geluid van nylons. De verpleegster? Had hij het dan toch mis gehad?

Tracy wendde zich abrupt af van het raam, begaf zich naar het bed en trok de lakens over zijn kleren. Toen de deur openging, maakte hij van zijn ogen twee kleine spleetjes.

Heel even zag hij het silhouet van de verpleegster, scherp afgetekend in de deuropening. Het kapje. De vormen. Had hij het mis gehad? Was ze eenvoudigweg opgehouden door een andere patiënt? Toch ...

Met korte afgemeten passen kwam ze het vertrek binnen.

'Meneer Richter, bent u wakker?'

Ze kwam dichterbij, maar hij gaf geen antwoord. Hij zag haar als een samenspel van schaduwen: wit, grijs, donker-en lichtblauw, en in het midden daarvan de doffe glans van een metalen dienblad. Ze nam de injectiespuit van het dienblad, richtte de naaldpunt naar het plafond en drukte. Een druppel perste zich uit de naald. 400

'Tijd voor uw injectie.'

Tracy verstijfde. Iets in de houding van de vrouw, iets in haar stem, zat hem niet lekker. Wat?

De naald kwam op hem af. Hij voelde zich als opgesloten in een waas van onwetendheid.

Nadenken!

Zijn hersens maakten overuren, pijnscheuten doorvoeren hem, adrenaline werd in een razend tempo aangemaakt en zijn bloedsomloop binnen gepompt. Nadenken!

Maar het ging niet en hij gaf zich over aan zijn instinct. Toen deed hij iets wat hij zelf niet had verwacht.

Hij gebruikte de kiai, de aanvalskreet met de verlammende werking. Zijn laatste kans.

En hij besefte wie de verpleegster was, tegelijkertijd.

'Jadeeeeee!'

Het was een strijdkreet, maar het was haar naam - zij was het en ze schrok ontzettend. Ze had niet verwacht dat hij door zou krijgen wie de nachtverpleegster in werkelijkheid was. Haar oogwit werd zichtbaar toen ze haar ogen wijd opensperde. De naald aarzelde. Maar Jade herstelde zich sneller dan hij voor mogelijk had gehouden. Zijn stoot naar haar lever werd door haar behendig geblokkeerd. Op zijn beurt weerde hij haar op zijn strottehoofd gerichte stoot af.

Ze siste hem iets toe, als een nijdige kat die zich in het nauw gedreven voelt, en stortte zich op hem. Ze nam hem in een wurggreep en Tracy had geen keus. Zijn elleboog schoot naar achteren, tegen haar ribben. Heel even verslapte de greep. Het was voldoende. Hij draaide zich uit de omklemming weg en, in dezelfde beweging, haalde hij uit. De zijkant van zijn rechterhand raakte haar tegen de zijkant van haar hals. Twee rappe, dodelijke slagen later zakte ze als een lappenpop op de grond ineen. Tracy leunde met zijn rug tegen de deur. Zonder het te beseffen, was hij tijdens het uitstoten van de kiai van het bed gesprongen. Hij transpireerde heftig. Maar het ergste is tenminste voorbij, dacht hij. Op de gang klonken voetstappen. Rennende voetstappen. Hij opende de deur en zag schaduwen bewegen. O God, dacht hij, ze is niet alleen gekomen. Hij keek het vertrek door en zijn blik bleef rusten op de injectiespuit die tijdens de worsteling op de grond was beland. De houder was van zacht plastic en niet gebroken, en over de inhoud bestond geen twijfel. Tracy pakte het ding op van de vloer. Hij had liever iets beters gehad, maar in deze omstandigheden zou hij het er méé moeten doen. De TL-buizen op de gang waren aan. Opnieuw opende hij de deur, ditmaal iets verder. Waar waren de mensen gebleven die hij over de gang had horen rennen? Hij zag niemand. En het volgende ogenblik stortte hij zich languit naar voren op de gangvloer. Iets ritselde door zijn haar en rukte een plukje weg. Het geluid dat eraan voorafging klonk niet luider dan het ontkurken van een fles. Automatisch bleef hij rollend in beweging. Toen zijn schouder de wand aan de andere kant van de gang raakte, veerde hij overeind. Plop. Vlak bij de plaats waar zijn schouder een ogenblik tegen de muur had gerust, sprong een stukje kalk weg.

Twee mannen.

Hij had geen keuze. Ze stapten vanuit een zijgang te voorschijn en een van hen richtte zijn pistool op Tracy. Deze keek recht in het gat van de geluiddemper. Opnieuw had hij geen keuze. Hij dook voorover, maakte een koprol, veerde vlak voor de moordenaar overeind en trapte. De ate-waza - de lever-trap - deed de man achterover slaan. Zijn gekreun schonk Tracy enige voldoening. Maar de man was geen doetje en ging meteen tot de tegenaanval over. Zijn schoenpunt raakte Tracy half tegen de zijkant van zijn gezicht. Tracy besefte dat hij er snel een eind aan moest maken. Hij liet zich voorover vallen en ramde de injectiespuit in het dijbeen van de man, en drukte in dezelfde beweging wat van de vloeistof naar buiten. De man greep naar zijn been, in plaats van naar Tracy. Zijn borst ging op en neer alsof hij moeite met ademhalen had. Zijn gezichtshuid werd wit. Zijn ogen werden zo rond als mogelijk was en staarden Tracy ongelovig aan. Speekselbelletjes verschenen bij zijn mondhoeken. Zijn wangen werden vlekkerig, alsof hij een dodelijk virus onder de leden had; wat in zeker opzicht ook zo was. De andere aanvaller was er inmiddels vandoor gegaan. Tracy aarzelde geen ogenblik en rende achter de snel verdwijnende voetstappen aan. Zijn schouder leek uit gloeiend vuur te bestaan. Een trap, breed en lang. Hij had zich afgevraagd waarom de recherche hem niet liet bewaken; het antwoord op die vraag lag bovenaan de trap. Een politieman. Dood.

Wat moest hij nu? Hij moest Mizo te pakken krijgen, dat was zeker, want alleen Mizo was van het hoe en waarom op de hoogte. Jade zou ongetwijfeld ook op de hoogte zijn, maar hij had haar waarschijnlijk gedood. Tracy besloot in beweging te blijven en ongezien uit het ziekenhuis te verdwijnen, via de brandtrap. Hij voegde de daad bij de gedachte en begaf zich naar de achtergevel. Eenmaal buiten sloot hij zijn ogen en liet de warme wind langs zijn wangen strelen. Veraf hoorde hij gelach, zorgeloos en vrolijk. Een hard voorwerp werd tegen zijn ruggegraat gedrukt.

'Doe geen domme dingen,' zei een lage stem in zangerig Kantonees, 'en haal je hand uit je zak.'

De korte loop van een .38 drukte tegen een wervel. 'En nu mag je je langzaam omdraaien,' zei de man. 'Ik wil je gezicht zien, vóór ik je vermoord.'

'Dames en heren!'

Voor Atherton Gottschalk werd het een enerverende avond. Een avond waarop spijkers met koppen werden geslagen.

'Vrienden, republikeinen!'

Miljoenen keken via hun televisiescherm toe; het reusachtige auditorium was barstensvol; nog eens miljoenen luisterden via de radio. Het applaus nam toe.

'Mag ik een enthousiast applaus voor...'

De mannen van de geheime dienst omringden hem aan alle kanten; een levend web met hem als middelpunt. Af en toe zei een van hen haastig iets in de mini walkie-talkie iri zijn hand. Gottschalk liep bijna over van trots.

'... de toekomstige president van de Verenigde Staten ...' Het applaus dat bij zijn binnenkomst was ingezet, nam toe en donderde over de hoofden van de aanwezigen.

'... Atherton Gottschalk!'

Werktuiglijk schoof hij zijn das recht. Langzaam, door miljoenen ogen gevolgd, begaf hij zich naar het midden van het podium, naar het spreekgestoelte.

Holle geluiden echoden door de lege kamers van zijn hart; de rauwe kreten van de oerwoudvogels, het skree-skree van de vleermuizen met hun grote puntoren, de sluipende tred van de grote roofdieren rond de open plekken in de jungle; dat was zijn wereld. En de AK-47 drukte stijf tegen zijn lijf en werd almaar heter toen hij steeds opnieuw korte vuurstoten gaf. Vogels vlogen krijsend op en troepen apen verplaatsten zich als een bruine schim door de boomtoppen.

Hoeveel manschappen hij die middag van de groep van Tol doodde, wist hij niet. Hij telde ze niet. Hij vergat ze meteen nadat hij ze afmaakte.

Toen hij de volgende dag half slapend met een 747SP terugvloog, verkeerde hij voor zijn gevoel nog steeds in Kampuchea. Zelfs toen hij weer terug was in het huis in Gramercy Park en verslag uitbracht aan zijn vader, die met een als uit steen gehouwen gezicht naar hem luisterde, was hij in gedachten nog steeds in zijn vaderland. Ze hadden geboet, de leden van het Zwarte Hart. Chet Khmau. Ze hadden geboet voor wat ze zijn familie hadden aangedaan, zijn broer, en Malis. Maar het moorden had zijn schuldgevoelens niet afgezwakt, integendeel. Als hij zijn ogen sloot zag hij Malis voor hem dansen, zonder hoofd, met schokkerige bewegingen, bleek als een bloedeloze demon. En haar handen vertelden ditmaal geen verhaal uit de geschiedenis van zijn vaderland, maar een verhaal van lucratieve hoererij.

'Khieu,' zei Macomber scherp. Khieu keek abrupt op. 'Ik heb een nieuwe opdracht voor je.'

Louis Richter draaide de heetwaterkraan dicht en liet zich in het dampende water glijden. Hij had de badkamerdeur een stukje open laten staan, een gewoonte die nog stamde uit de tijd toen zijn vrouw nog leefde. Hij had er een hekel aan om van alles en iedereen afgesloten te zijn.

Hij leunde achterover en voelde de spanning uit zijn spieren wegtrekken. Op ogenblikken als deze was de pijn bijna draaglijk. Zelfs de gedachte dat hij het niet lang meer zou maken was enigszins draaglijk. Hij was bijzonder benieuwd naar wat Tracy in Hongkong aan de weet was gekomen. Of liever gezegd, hij maakte zich zorgen. Hij had inmiddels bericht van Tracy verwacht. Het was alweer een week geleden sinds zijn zoon was vertrokken. Hij sloot zijn ogen en in het theater van zijn geest kwamen verschillende beelden tot leven. Hij vroeg zich af wat hij van het leven had verwacht toen hij als jongeman zelfstandig zijn weg begon te kiezen. Beslist geen grootse dingen; hij was er nooit op uit geweest om geld of macht te verwerven. Vakbekwaamheid, expertise, daar had hij naar gestreefd. En in de wereld van de miniatuur-explosieven, hoe klein die ook was, was hij ruim dertig jaar achtereen toonaangevend geweest. Niemand kon zijn vindingen ook maar benaderen, dat wist hij met stellige zekerheid. Zelfs nu werd hij nog steeds als de beste beschouwd. Niemand kon zich zijn gelijke noemen. Pappandrasseu in Athene niet, Mintter in Munchen niet, Ohlstad in Antwerpen niet, Tynes in Parana niet. En zelfs Mizo, in Hongkong, had hem nooit kunnen verbeteren. Op een of andere wijze hadden ze zijn prototypen altijd als basis voor hun eigen bedenksel gebruikt, waarbij ze heel handig allerlei kleine onbelangrijke foefjes aan hun model hadden toegevoegd.

Vanwege zijn vakbekwaamheid, was hij door de stichting benaderd. In de loop der jaren, toen Louis Richter de directeur beter leerde kennen - voor zover dat bij die man mogelijk was - had hij beseft met een buitengewone persoonlijkheid te doen te hebben. Aan de andere kant, hij stond niet voor niets aan het hoofd van de stichting. De directeur was slechts aan één man verantwoording verschuldigd; de stichting was de lange arm van de president. Dat de stichting nu nog steeds bestond en operatief was - dat ze alle regeringen heelhuids had overleefd - dat was iets waarover Louis Richter zich meer dan eens verbaasde. Want hij wist maar al te goed wat de taak van de stichting was en hoe ze zich van die taak kweet. De CIA fungeerde voor de stichting als buffer voor de aantijgingen van de pers en die van Capitol HUI. Dat was de CIA volgens afspraak verplicht. De stichting was klein en compact. Hoe minder mensen er voor werkten, des te beter. Voor zover Louis Richter wist, was hij echter de enige man op de loonlijst die niet vanuit het hoofdkwartier in Washington werkte. Hij had er de voorkeur aan gegeven in New York te blijven wonen. En hij had er nog geen dag spijt van gehad dat hij Tracy ooit bij de directeur onder de aandacht had gebracht. Hij wist dat zijn vrouw het nooit goed zou hebben gevonden, dat ze zich nooit helemaal lekker had gevoeld bij wat hij deed. Maar haar vredelievende kijk op de wereld kon hij haar gemakkelijk vergeven; ook in andere zaken had ze een weinig realistische kijk op de dingen getoond. Hij was er echter van overtuigd dat ze het hem nooit zou nebben vergeven als ze had geweten dat hij Tracy met de stichting in contact had gebracht.

Het feit dat alle gebeurtenissen van belang in het leven van Louis Richter verband hielden met de stichting, zei iets over zijn psyche. Dat stoorde hem in het geheel niet. Integendeel, bij de gedachte kreeg hij zelfs een warm gevoel.

Hij opende zijn ogen en stak zijn hand uit naar het stuk zeep. Toen hij dat deed, meende hij vanuit een ooghoek een vage schaduw op te vangen. Hij draaide zijn hoofd om en keek naar de deur. Via de opening zag hij een stukje van de verlaten gang en, nog verder weg, een gedeelte van de woonkamer. Verder niets. Hij bleef roerloos zitten en luisterde, met zijn hoofd een beetje schuin. Hij zag niets en hoorde niets. Waarschijnlijk was de schaduw aan zijn eigen verbeelding ontsproten.

Hij haalde zijn schouders op en begon zijn handen in te zepen. Zijn bewegingen brachten het water licht spetterend in beweging, maar toch wist hij opeens met stellige zekerheid dat hij nu wel degelijk een verdacht geluid had gehoord, achter de half openstaande deur. Een geluid dat in zijn appartement niet thuishoorde. Het pand was in een ouderwetse, degelijke bouwstijl opgetrokken. De muren waren zo dik dat hij nooit iets van zijn buren hoorde. Opnieuw hoorde hij het geluid en hij dacht, Christus, er is iemand in huis. Hij was heel kalm. Omzichtig keek hij om zich heen. Had hij hier iets tot zijn beschikking waarmee hij zich zou kunnen verdedigen? Hij keek naar het medicijnkastje. Jammer, dacht hij, dat ik me niet met een gewoon mes scheer, aan een elektrische Remington heb ik niet veel. Er stond wel een spuitbus met deodorant in het kastje.

Hij liet het stuk zeep in het badwater vallen, droogde zijn handen af en kwam voorzichtig overeind. Hij bevond zich met één been buiten het bad toen het licht op de gang plotseling doofde. De klik van de schakelaar hoorde hij niet. Opeens was het aardedonker. Hij voelde zich als in een donker bos, onzeker, gadegeslagen en weinig op zijn gemak.

Roerloos bleef hij een ogenblik staan en luisterde naar het bonzen van zijn eigen hart. Warm water drupte van zijn natte huid, die kippevel toonde en rillerig trok. Hij huiverde. Hij kon zich niet heugen ooit in een kwetsbaarder positie te hebben verkeerd. Dat gaf de doorslag. Hij stapte helemaal uit het bad en deed twee stappen in de richting van het medicijnkastje. Toen, onverwacht, zwaaide de badkamerdeur met de knal van een pistoolschot wijd open.

In de absolute stilte die op de dreigende woorden volgde, hoorde Tracy zijn hart kloppen. Hij had het idee dat zijn hart groot genoeg was om de hele wereld te kunnen bevatten. En dat was maar al te begrijpelijk: hij stond op het punt de drempel van het leven te overschrijden.

'Ik zal er mijn gemak van nemen,' zei de stem. De loop van de.38 drukte pijnlijk tegen Tracy's ruggegraat. 'Ik zal je niet door je hart schieten, dat is te snel en te gemakkelijk. Jij staat hier en dat betekent dat er op de vijfde verdieping van dat ziekenhuis twee doden of gewonden liggen. Daarom zal ik eerst je ruggegraat stukschieten ... en misschien laat ik je dan wel achter. In dat geval zou je proefondervindelijk kunnen ervaren hoe een invalide zich doorgaans voelt.'

In het zangerige Kantonees klonken de woorden uiterst vreemd, en op een of andere manier klopte er iets niet. De volgende ogenblikken concentreerde Tracy zich op de toon van de spreker, en niet op de betekenis van de woorden. Zodoende raakte hij niet in paniek.

De wereld was vol grootsprekers, en Hongkong zou stellig geen uitzondering vormen. Dergelijke mensen hadden in een situatie als deze - waarin zij zich aan de goede kant van de loop bevonden het gevoel oppermachtig te zijn. Hun grootspraak nam erdoor toe. Tracy was er zelf in de jungle van Cambodja meer dan eens getuige van geweest. Het verlangen van deze mensen om de tijd tot aan het dodelijke schot te rekken, bepaalde hun aanpak.

'Ik zou het ook anders kunnen doen. Ik zou bij je polsgewrichten kunnen beginnen, vervolgens je ellebogen, schouders, knieën en dan, tja, dan zul je naar het verlossende schot verlangen.' De Chinees haalde zijn schouders op alsof het hem allemaal niet interesseerde. 'Ik kan je ook dood laten bloeden.'

Tracy luisterde en berekende zijn kansen. De stem klonk temend, met opzet kalm en beheerst, gespeend van emotie. Dat hield een gevaar in, want dat betekende dat de eigenaar van de stem een rationele denker was. Tracy had liever gehad dat de man wat meer opwinding had getoond.

'Twee mensen. Ik kan me niet voorstellen hoe je dat voor elkaar kreeg, maar -'

'De derde ging ervandoor,' zei Tracy.

'Enfin, dit pleit maar weer voor de vooruitziende blik van mijn baas, om meer mensen te sturen. Enfin, ik had gedacht dat het gemakkelijker zou gaan. Mijn oudste broer mocht dan ietwat aan de zwaarlijvige kant zijn, als vechter stond hij zijn mannetje.'

'O, nee,' zei Tracy opzettelijk nonchalant. 'Dat viel goed tegen. Ik kon hem gemakkelijk aan, en dat terwijl ik nog steeds last van mijn verwondingen heb.'

'Je bent een leugenaar, een veel voorkomende eigenschap van een quai loh.'

'De waarheid ligt op de vijfde verdieping,' zei Tracy. 'Waarom neem je geen kijkje bij het vette lijk van je broer?'

'Dat beslis ik zelf wel.'

Maar de toon van de man was veranderd en dat ontging Tracy niet. De woorden klonken minder zelfverzekerd en het laatste woord werd op een iets hogere toonhoogte dan de voorgaande uitgesproken. De man had zichzelf niet langer voor honderd procent onder controle. Tracy besloot de duimschroeven nog iets vaster aan te draaien.

'Ik ramde het doornuitsteeksel van de bovenste wervel in zijn hersens. Je broer stierf als een zwakzinnige, als een brabbelende idioot.'

'Je liegt,' snauwde de Chinees. Hij begon nu snel zijn zelfbeheer-sing te verliezen. Tracy dacht snel na. Hoelang zou het duren voor de lichamen van Jade en de broer van deze man werden gevonden?

'Je kunt doodvallen, jij en alle qua i loh.'

Tracy voelde de druk van de revolverloop tegen zijn rug toenemen. Zijn emoties schoven zijn rationele gedachten opzij. Het volgende ogenblik verdween de druk van zijn rug. De zijkant van een harde hand ramde tegen zijn nek. De wereld spatte in groene en blauwe vlekken uiteen. De kleuren overlapten elkaar. De grond bewoog. Of wankelde hij? Hij probeerde de bomen, op enkele meters afstand van hem vandaan, in focus te krijgen. Ze stonden schuin en neigden naar een horizontale stand. Het hemeldak kwam in zicht. Voor hem, in de grond, ging een gapend zwart gat open. Toen hij weer bijkwam zat hij op de achterbank van een auto. Zijn polsen waren met ijzerdraad bijeengebonden, evenals zijn enkels. De dunne draad sneed door zijn sokken. Hij opende heel voorzichtig zijn ogen, een klein stukje, en keek tussen zijn oogleden door. Naast hem, op de achterbank, zat een jonge Chinees. Op de voorbank zaten nog twee Chinezen.

'Hij is bij bewustzijn.' Een schelle, Kantonese stem. De man die naast hem zat, was de man die er in het ziekenhuis vandoor was gegaan. Hij had een .38 in zijn hand. De loop was in een schuine hoek op Tracy's hoofd gericht. Hij zocht naar een excuus om af te drukken. Tracy's eerste gedachte was: zorg dat hij geen excuus kan vinden.

De magere Chinees die op de passagiersstoel zat, was degene die hem buiten het ziekenhuis had opgewacht. Hij draaide zich om. Hij droeg een vilten hoed; Tracy zag dat de schedel onder de hoed was kaalgeschoren. Hij stak een hand uit. Op zijn pols, aan de binnenkant, had hij een tatoeage van een draak met een zwaard in zijn handen. De Chinees liet Tracy zien wat hij in zijn hand had. Het lemmet van het knipmes leek tussen zijn vingers vandaan naar voren te springen. Goede reflexen. Tracy maakte er mentaal een aantekening van.

'Ik heb Kau ervan weerhouden om je te vermoorden,' zei de man naast Tracy. Vreemd. De neusgaten van de man verwijdden zich als hij sprak. 'Dat was niet gemakkelijk. Hetgeen je zijn broer hebt aangedaan zit hem, begrijpelijk, niet bepaald lekker.' De punt van het mes zwaaide voor de ogen van Tracy heen en weer. 'We hebben echter opdracht om je totaal van de aardbodem te laten verdwijnen, zonder één spoor achter te laten.' Hij lachte. 'Je krijgt van ons een enkele reis naar de bodem van de Baai van East Lamma aangeboden. Doe daar de haaien de groeten van ons.'

Tracy kwam heel langzaam iets overeind en ging iets verzitten. Zijn geboeide handen bewogen zich achteloos naar het portierhendel naast hem. De auto was een vierdeurs Mercedes. Hij keek uit het raam. Hij schatte hun snelheid op ongeveer honderd kilometer. Nu hij aan handen en voeten was gebonden, schatte hij zijn overlevingskansen bij een sprong op vijf procent. Hij moest iets anders bedenken.

Voorzichtig beproefde hij de kracht van het draad om zijn polsen. Het uiteind stak een stukje uit. Hij duwde ertegen met zijn duim. Na enkele minuten kwam hij tot de conclusie dat hij de draad niet los zou kunnen krijgen voor ze Aberdeen en de Baai van East Lamma bereikten.

Hij staakte zijn pogingen en nam de drie mannen omzichtig op. Tracy had eerder met mannen zoals Kau te maken gehad; ze waren trots op hun lichaam en hun reflexen. Toch had hij Tracy met een revolver bedreigd. Dat was iets waarmee Tracy zijn voordeel zou kunnen doen; iemand die gedurende een langere periode van een revolver gebruik maakte, zou tenslotte trager reageren als het op een ongewapend gevecht aankwam. Een ongewapend gevecht was, in tegenstelling tot de heersende mening, eerder een psychische dan een fysieke zaak.

Van het drietal was Kau echter degene die hem het meest zorgen baarde. Hij was degene geweest die hem bijna had neergeschoten. Met de andere twee zou hij minder problemen hebben. Een van hen zat achter het stuur en hij zou zijn aandacht bij de auto moeten houden. Tenslotte reden ze met een vaart van honderd kilometer 

over de weg. Tussen Tracy en de tweede man bevond zich echter een hindernis: de rugleuning van de passagiersstoel. Allereerst was het zaak om de indruk te wekken dat ze van hun gevangene niets te vrezen hadden. Hij liet zijn schouders iets zakken en liet zijn hoofd heen en weer wiegen, alsof hij er moeite mee had om wakker te blijven.De man die de passagiersstoel bezet hield, draaide zich op een zeker ogenblik om. Met zijn harde zwarte ogen nam hij Tracy taxerend op. Gerustgesteld wendde hij zich af.

Kau hield Tracy voortdurend in het oog. Tracy liet zijn hoofd zakken. Hij wilde voorkomen oogcontact te maken. Als de man zo goed was als Tracy vermoedde, zou hij mogelijk aan zijn ogen kunnen zien wat Tracy van plan was.

Tracy kon voorlopig niets anders doen dan afwachten. Afwachten tot het juiste ogenblik daar zou zijn. Even later naderden ze Aberdeen. Het water, de baai, kwam in zicht.De mannen wisselden enkele woorden toen de man met het knipmes de chauffeur duidelijk maakte hoe hij naar 'de boot' moest rijden. Er was een reserve-anker aan boord, zei de man met het mes, dat zou nu goed van pas komen.

De bocht in de weg dook volkomen onverwacht op, ook voor Tracy. Hij voelde zich door de middelpuntvliedende kracht naar opzij worden gedrukt, evenals de andere mannen. Banden piepten. De weg boog af naar links en de bocht was scherp genoeg om Kau naar de hoek van de bank te drukken. Om die reden raakte hij niet gealarmeerd toen Tracy zwaar tegen hem aan leunde, omdat dat, dacht hij, een gevolg was van de zijwaartse druk die op natuurlijke wijze ontstond. Hij begreep pas wat er aan de hand was toen Tracy zijn geboeide handen met volle kracht tegen zijn borstkas ramde en zodoende de lucht uit zijn longen sloeg. Zijn ogen sperden zich wijd open en hij probeerde iets te zeggen, maar zijn stembanden lieten hem in de steek.

Timing was nu van het allergrootste belang. De man met het knipmes draaide zijn hoofd om. Tracy gleed over de bank naar opzij en in een positie die hem vlak achter de chauffeur bracht. Hij duwde zich naar achteren zodat zijn rug tegen de leuning van de bank drukte. Toen de man schuin voor hem zich bijna helemaal had omgedraaid, trok Tracy zijn knieën op. Het mes sprong tevoorschijn.

Tracy zoog zijn longen vol lucht en spande zijn spieren. Toen zijn voeten naar voren schoten, schreeuwde hij de kiai. Zijn schoenzolen scheurden het velours van de bestuurdersstoel stuk, maar de rugleuning gaf mee, en werd met een klap naar voren gedrukt. De chauffeur beukte met zijn hoofd tegen de voorruit en bleef slap op het stuur hangen.De banden krijsten en het glas van de verbrijzelde voorruit waaide naar binnen. De derde man trok zijn mes terug en concentreerde zich op de besturing van de auto. Hij bewoog zijn been naar links en probeerde het rempedaal in te trappen. De Mercedes zigzagde over de kade.

Ze reden over een oud gedeelte van de kade. Bleke gezichten schoten in een vage beweging aan het zijraam voorbij. Tracy probeerde uit alle macht over de bank naar rechts te schuiven. Dat zou volgens zijn berekeningen gemakkelijk moeten zijn, maar dat was het niet. Kaus lichaam blokkeerde het rechter portier. Met zijn knieën tussen de opening tussen de stoelen voor hem geperst, probeerde hij zich over Kau heen te wurmen. Hij stak zijn geboeide handen naar voren en haakte het ijzerdraad achter de portierhendel. Hij gaf een enorme ruk. Op hetzelfde ogenblik schoot de auto naar links. Het portier vloog open en Tracy werd als een zandzak naar buiten geslingerd.

De Mercedes bevond zich inmiddels echter in volle vlucht, boven het olie-achtige water van de baai. Tracy raakte met een plons het wateroppervlak. Een ogenblik later raakte de flank van de zware auto het water. Het portier klapte dicht, vlak voor de neus van de Chinees die probeerde naar buiten te kruipen. De druk van het water sloot het portier. Tracy ving in een fractie van een seconde een glimp op van een gebalde vuist die tegen het zijraam dreunde. Het volgende ogenblik begaf de gebarsten voorruit het en liep de auto vol water. De Mercedes zonk vrijwel meteen; een grote luchtbel kolkte omhoog van de plek waar de auto naar de diepte verdween.

Het ijskoude water bracht Tracy met een schok bij bewustzijn. Zijn hoofd deed pijn. Met geboeide handen en voeten was van zwemmen geen sprake en tenzij hij in staat was om zich van de bodem af te zetten en lucht te happen, zou hij jammerlijk verdrinken.

Duisternis sloot hem in. Zijn longen onttrokken langzaam alle zuurstof aan de lucht die hij, even voor hij onderging, had binnengehaald. Zijn linkerzij deed pijn. Golven misselijkheid doorspoelden hem. De klap waarmee hij het water had geraakt verhevigde bovendien de pijn van zijn verwondingen. 

Hij bereikte de bodem en zette zich af. Op weg naar boven kreeg hij smerig water binhen. Toen, onverwacht, bereikte hij het oppervlak en hapte naar lucht, verrast, omdat hij niet aan de druk had gevoeld dat hij vlak bij het oppervlak was. Vervolgens drong het tot hem door dat hij niets zag, en daar maakte hij zich ernstig zorgen over. Hij kon zich niet herinneren zijn ogen te hebben gesloten; ze zouden niet gesloten moeten zijn, want hij had al zijn zintuigen nodig als hij wilde overleven. Als zijn instinct niet naar behoren functioneerde dan verkeerde hij pas goed in moeilijkhe-den. Opnieuw verdween hij onder het wateroppervlak, maar ditmaal met voldoende lucht in zijn longen. Hij trapte razend snel met zijn benen in een poging vlak bij het oppervlak te blijven. Water droop van zijn haar en in zijn ogen. Zuurstofgebrek dreigde hem fataal te worden. Hij knipperde snel achtereen met zijn ogen in een poging zijn omgeving af te zoeken en zich te oriënteren. Hij werd door een trage golf opgenomen en naar voren geduwd. Zijn mond en keel liepen vol smerig water en hij kokhalsde, slikte en braakte vrijwel meteen het smerige goedje uit. Tijdens die ogenblikken verloor hij elk gevoel voor richting. Pijn schoot in vlagen door hem heen en zijn spierkracht nam langzaam af, en hij dacht: het was allemaal vergeefs. Ik zal alsnog verdrinken. Ik ga sterven, ver van huis en van Lauren vandaan. Op dat ogenblik raakte zijn rechter schouder iets hards en hij worstelde om zich in die richting om te draaien. Mijn heup, dacht hij verward. Maar welke heup? Roestige schakels scheurden de voorkant van zijn overhemd stuk. Zout water drong de wonden binnen en veroorzaakte een stekende pijn. Maar die pijn sloeg tevens het waas uit zijn hersens. Hij omklemde de ankerketting en voelde zich opeens uit zijn waterige graf omhoog worden getrokken. Hij kreunde toen zijn zwaarbeproefde spieren worden opgerekt. Het volgende ogenblik was hij uit het water en aan boord van een Chinese jonk. Rondom hem werd rap mandarijn gesproken. Verstond hij het goed? Spraken deze mensen mandarijn, geen Kantonees? Maar hij was te uitgeput om het met zekerheid te kunnen bepalen, of om antwoord op hun vragen te kunnen geven. Hij keek en zag nieuwsgierige, ronde gezichten zich over hem heen buigen. Vaaglijk was hij zich ervan bewust dat hij over het dek werd gedragen, van de scherpe reuk van de ingewanden van vissen. Toen lieten ze hem in het vooronder zakken. Het was er warm, behaaglijk warm. Het matras onder zijn lijf voelde ongelooflijk zacht aan, en hij sliep vrijwel meteen.

Louis Richter voelde een lichte bries langs zijn nekharen strijken. De kille vingers van de dood, dacht hij, toen hij zijn vingers om de ronding van de spuitbus met deodorant sloot. Het volgende ogenblik werd hij vastgegrepen door vingers die aanvoelden als metaalklemmen. Hij schreeuwde het uit en probeerde zijn evenwicht te bewaren. Zijn voeten gleden uit op de vochtige tegelvloer. Hij sloeg achterover. Tijdens de fractie van de seconde die hij in de lucht hing, drong het stellige besef dat hij op de vloer zijn rug zou breken zich aan hem op. Het ogenblik daarop belandde hij ruggelings in de badkuip op het water dat zijn val brak. Een schaduwachtige gedaante torende boven hem uit; groter dan het leven zelf, leek het. Hij hief zijn armen op, met de bedoeling de verwachte slag af te weren. Maar terwijl hij dat deed, probeerde hij tegelijkertijd de dop van de spuitbus te trekken. De schaduw kwam dichterbij en boog zich naar hem toe, en Louis Richter besefte dat hij slechts één kans zou krijgen.

Hij rukte de dop van de spuitbus en drukte. De chemische spray siste. Een zacht gegrom drong tot hem door. Hij krabbelde overeind en nam een stoot tegen zijn kin in ontvangst. Nadenken was hem onmogelijk.

Versuft ging hij half overeind zitten, werktuiglijk, zonder te weten wat hij deed. Een harde stoot raakte hem. Zijn hoofd sloeg naar voren. De omringende wereld bestond nu uit grijstinten; alle kleur was eruit verdwenen. Boven en onder, rechts en links, hij kon ze niet meer uit elkaar houden. Het was alsof hij in de ruimte zweefde, gedesoriënteerd en in fragmenten uiteenvallend. Zijn gezwollen tong schoof tussen zijn lippen door naar buiten. Zijn pupillen flitsten wild van links naar rechts over het oogwit. Zijn ademhaling verliep hortend en stotend. Een pianosnaar sloot zich als een buigbare scalpel om zijn hals. Khieu gaf een ruk, en nog een. Louis Richter hoorde engelengezang naderbij komen. Zwevende tonen vermenigvuldigden zich. En het volgende ogenblik kwam er aan het droomgeweld een eind. Alle pijn verdween en alles werd zoals het eens was geweest... ooit. Leeg.

'Een stukje zilverpapier, verdomme!'

'Al dat geheimzinnige gedoe,' zei Brady, 'en wij vinden een stukje zilverpapier.'

Ze bevonden zich in het kantoor van Silvano en stonden om diens bureau heen toen Thwaite voorzichtig het papier verwijderde. De Juicy Fruit-wikkel onthulde een tweede laagje van zilverpapier. Ze hadden de snoeprol achter in de kluis van senator Burke aangetroffen, vastgeplakt tegen de zijwand.

Silvano overhandigde Thwaite een juwelierspincet en daarmee plukte hij voorzichtig aan het zilverpapier. Ze staarden allemaal naar wat het zilverpapier aan het zicht had onttrokken: een plastic zakje met wit poeder.

'Wil er iemand het laboratorium bellen?' vroeg Thwaite.

'Breng het maar naar Maurice, onze laborant,' zei Silvano grinnikend. 'Ik zal hem ervan proberen te overtuigen dat dit, eh, ons project voorrang verdient.' Hij pakte de rol voorzichtig op en verliet het kantoor.

Veertig minuten later kwam hij terug, met in zijn kielzog een lange man met een haakneus en dikke borstelige wenkbrauwen. Zijn smalle kin was bedekt met een blauw-zwart waas van baardstoppels.

Silvano trok de deur omzichtig achter zich dicht, vóór hij de man voorstelde. 'Vertel jij het ze maar, Maurice.'

De laborant knikte, schraapte zijn keel en zei: 'In het pakje bevindt zich heroïne. Honderd procent zuivere heroïne, onversneden.' Hij keek van de een naar de ander. 'Eerlijk gezegd heb ik nog nooit heroïne van zo'n superkwaliteit in handen gehad.'

'Is het spul vers?' vroeg Thwaite.

'U bedoelt of het rechtstreeks uit de Gouden Driehoek afkomstig is? Hmm, geen idee, ik weet wel dat er op geen enkele wijze mee geknoeid is.'

'Oké,' zei Brady. 'Het is dus van topkwaliteit. Maar wat doen we er mee?'

'Je hebt nog lang niet alles gehoord,' zei Silvano. 'Maurice?'

'Ik heb nog iets heel interessants ontdekt,' zei de laborant. 'Er stond iets op de binnenkant van het zilverpapier geschreven. De heroïne was eraan vastgekoekt en dekte de tekst half af. Ik heb de heroïne er heel voorzichtig af moeten schrapen om het handschrift leesbaar te maken.' Hij haalde een aantekenboekje met een spiraal in de rug te voorschijn, bladerde het door tot hij de gezochte pagina vond en las zwijgend. 'Ik heb een naam en een straatnaam voor jullie, jongens. Geen stad, geen nadere aanduiding.'

'Laat eens zien,' zei Thwaite.

'De naam is die van een zekere Antonio Mogales,' zei Maurice toen hij opkeek. 'Hij woont ergens aan Mackay Place. Zoals gezegd, waar dat is weet ik niet. Zegt een van jullie dat iets?'

En Thwaite dacht: Lieve hemel, dat is in Bay Ridge, waar ik woon, en hij zei: 'Tonio, smerige schoft!'

Voor Macomber ging er van kloosters een sfeer uit die altijd indruk op hem maakte. Misschien kwam het door het gevoel van oudheid, de sfeer van de Europese geschiedenis, van totale macht en feodale gewoonten. Het gedonder van paardehoeven over verduisterde vlakten - verduisterd door het bloed van lijfeigenen. De kruistochten ... het heilige moeten. Victorie voor god en vaderland. De dikke stenen muren, de galmende echo's, de stilte die allesoverheersend leek, alsof de hoogtepunten van eeuwen geschiedenis binnen de muren besloten lagen, ze waren hem aangenaam. Hij arriveerde vijfenveertig minuten eerder ter plekke om met volle teugen van de sfeer te kunnen genieten. Dat had tot gevolg dat hij in een uitstekend humeur verkeerde; hij had een heleboel tijd nodig gehad om Khieus laatste verslag - een warrig rapport - op de juiste waarde te kunnen schatten. Het was allesbehalve leuk geweest om te vernemen dat zijn zoon en trouwe dienaar er niet in was geslaagd om Tisah te vinden, maar de toon die uit het rapport sprak was verontrustender. Enfin, wat Tisah betrof kon Macomber altijd nog een beroep op de Monnik doen, hoewel hij zich liever niet al te afhankelijk tegenover die onsmakelijke man opstelde. Wat Khieu betrof: Macomber had zich sinds de terugkeer van de ander aanhoudend verbaasd over de innerlijke verandering die de tocht naar zijn geboorteland in de jongeman had veroorzaakt. Hij had vooraf moeten beseffen dat een dergelijke reis voor Khieu mogelijke, traumatische gevolgen zou hebben. Maar Macomber was door zijn opnieuw ontluikende liefde voor Tisah verblind. Hij wilde haar opnieuw in levende lijve voor zich zien, haar vasthouden; de gedachte aan haar bezorgde hem onveranderlijk grote zielepijn. Zelfs nu hij had geconstateerd dat de reis Khieu niet goed was bekomen, verlangde hij nog steeds naar haar.

Wat had de verandering die zich in Khieu had voltrokken, teweeg gebracht? Khieu had zich van details onthouden en Macombers pogingen iets uit hem los te krijgen, waren vergeefs gebleven. Maar hij vermoedde dat Khieu het zichzelf kwalijk nam dat hij er niet in was geslaagd om Tisah terug te vinden. Macomber dacht vrijwel voortdurend aan haar... hij kon bijna niet wachten tot de Monnik hem iets over Tisah liet weten.

Hij draaide zich om en zag Marcus Findlan van enige afstand naar iets kijken, 's Mans handen hingen losjes langs zijn zij en hij hield zijn blik gericht op een boom met zeven geknotte takken. Marcus Findlan was ruim een meter tachtig. Hij had slanke heupen en maakte een pezige indruk. Zijn huid was verweerd en doorgroefd, met de textuur van oud leer. Vanuit dat doorgroefde gezicht keken twee helblauwe ogen stekelig de wereld in. Zijn brede schouders gaven hem het uiterlijk van een sheriff uit de dagen van het oude wilde westen. Helemaal bezijden de waarheid was dat niet: Findlan was ooit sheriff geweest van zijn geboortedorp, Galveston.

Sindsdien was hij zijn Texaanse accent gedeeltelijk kwijtgeraakt. Macomber was echter van mening dat Findlan zijn accent kunstmatig in stand hield. Te midden van Washingtons bureaucratie gaf het hem in ieder geval iets dat hem duidelijk van de anderen onderscheidde. Bovendien paste het accent bij het image van de wet-en-gezag nastrevende politieman.

De FBI had voor het eerst met hem kennisgemaakt toen hij anderhalve ton marihuana onderschepte en de smokkelaars achtervolgde tot in Matamoros, ver over de Mexicaanse grens. Findlan schoot drie van hen dood, vóór ze zijn hulpsheriff zodanig verwondden dat hij zich wel moest terugtrekken.

De FBI had het prachtig gevonden, maar hij moest niet veel van de binnenlandse veiligheidsdienst hebben. In zijn ogen was de dienst te keurig om de strijd met de zware criminele elementen in de samenleving succesvol aan te gaan, en bovendien beschouwde hij Hoover als een gevaarlijke maniak.

Al spoedig bleek dat bij de CIA een stijl werd gehanteerd waarin hij zich beter kon vinden, en nadat hij bij deze organisatie in dienst was getreden, maakte hij bliksemsnel carrière. Hij had een ongelooflijk talent om zich uit netelige situaties te werken. Findlan werd derhalve herhaaldelijk ingezet bij operaties waarvan niemand het idee had dat ze enige kans van slagen hadden. Maar waar anderen faalden, slaagde Findlan.

Toen kwam het ogenblik waarop een van de directeuren in een verlicht ogenblik Findlan opdracht gaf om een ver ingegraven mol binnen de organisatie uit te graven. Dit had tot gevolg dat de top van de CIA behoorlijk werd uitgedund. Toen de rook was opgetrokken, was Findlan verzekerd van een plaats in de top van de organisatie. Driejaar later stond hij aan het hoofd van de CIA.

'Marcus,' zei Macomber, 'het is werkelijk vreemd jou zo ver van Washington vandaan aan te treffen.' Hij bood de ander geen hand aan; zo iets deed je bij deze man eenvoudigweg niet. Marcus Findlan draaide zich om en knikte. 'Del. Prettig je weer eens te zien.' Ze begonnen te lopen. Gesprekken met Findlan verliepen altijd tijdens een wandeling; als hij in beweging was, voelde de man zich veiliger. 'Het is best prettig om eens een poosje weg te zijn uit dat gekkenhuis aan de Potomac. Oriffiths is door het dolle heen. Het Sullivan Comité heeft zijn hete kooltjes nu al zo vaak omgedraaid dat hij niet meer weet waar hij het moet zoeken.'

Griffiths was staatssecretaris van Buitenlandse Zaken.

'Hij wist al lang vóór de hoorzittingen begonnen, wat hij kon verwachten,' zei Macomber. 'En hoe zeil jij tussen de bakens door?

Of loopt het af en toe spaak?'

Marcus Findlan schonk hem een scheve glimlach, waarbij hij Macomber de wang toekeerde waar de kogel van een jonge beethoofd tijdens zijn dagen als sheriff een litteken had achtergelaten. 'Ik denk dat jij het er niet beter vanaf zou brengen, Del. Verdomme, Griffiths heeft vanaf het begin fouten gemaakt. Je weet dat die lui van Buitenlandse Zaken altijd graag het idee hebben dat zij ons aan de riem houden. Mijn enige vergissing was, dat ik Griffiths in Caïro de vrije hand gaf. Wat het er overigens niet gemakkelijker op maakte toen ik Billie Jean DeWitt moest condoleren. Zij en Roger zijn oude vrienden van mij. Enfin, gedane zaken nemen geen keer. Er is bovendien veel meer aan de hand. Wat dacht je van dat idiote commentaar van de president? Die uitlating die Sullivan openbaar maakte? Enfin, Griffïths zal waarschijnlijk hangen. Jammer.'

Op een bank zat een jonge vrouw met een schetsblok op haar knieën. Met behulp van enkele potloden probeerde ze de architectuur van het klooster vast te leggen. De mannen passeerden haar.

'Je weet dus zeker dat hij eraan gaat?'

'Als je het mij vraagt is dat zo zeker als wat. Ik heb een gedeelte van zijn getuigeverklaring gehoord en vanmiddag moet hij opnieuw op het matje verschijnen. Ik denk dat Lawrence tegen de avond geen enkele keus meer zal hebben. Hij heeft al flink wat klappen opgelopen. Als hij in november nog een klein kansje wil maken, zal hij Griffïths moeten ontslaan.'

'November,' zei Macomber beschouwend. 'Over die maand zou ik het met je willen hebben.'

Ze kwamen bij een bordes en stapten het balkon er achter op. Vanaf die plek hadden ze uitzicht op de Hudson.

'Hoe staan de zaken ervoor?'

'Dat had ik jou ook willen vragen.'

Findlan lachte kort. 'Ik beschik niet over helderziende gaven, Del, ondanks het feit dat die indruk door mijn tegenstanders wordt gewekt.'

'Ik heb geen geheimen voor jou, Marcus. Ik heb je al meer verteld dan ik de anderen ooit zal vertellen. Maar dat is verklaarbaar. Voor mij ben je veel belangrijker dan welke senator of afgevaardigde ooit zal zijn.'

'Vanwege mijn functie.'

'Is dat een vraag?'

'Een soort aas.'

'Mmm.' Macomber dacht er een ogenblik over na; het web van leugens, waarheden en halve waarheden dat hij rond Findlan had geweven, werd met de dag ingewikkelder; hij moest oppassen er niet zelf in te verdwalen. 'Dan zal ik je vertellen hoe de situatie er mijns inziens uitziet.' Hij wist dat Findlan er een hekel aan had als zijn organisatie als een soort paleiswacht werd omschreven. Sinds Nixon van het toneel was verdwenen, voelde hij niets voor een dergelijke rol.

Vanonder het booggewelf rechts van hen stapte een jong paartje te voorschijn. Macomber luisterde naar hun vrolijke gesprek, tot ze zich buiten gehoorsafstand bevonden.

'Je hebt te weinig vertrouwen in politici, Marcus. En daarom heb je niemand op wie je kunt bouwen en vertrouwen.'

'Ik heb mijn zaakjes altijd alleen weten te regelen, Del. Als de mensen bij mij met het praatje aankomen dat ik meer vertrouwen in politici moet hebben, begin ik meteen ergens anders over. Hoe meer vertrouwen je die lui schenkt, des te groter maak je hun macht.' Findlan werd rusteloos en ze begonnen opnieuw te lopen.

'Oké, wat wij - Atherton en ik - voor de CIA willen doen, is in datgeen voorzien dat je van de huidige regering niet los zult krijgen. Meer geld en een grotere vrijheid.'

'En als tegenprestatie,' zei Findlan, 'mag de CIA jullie vuile was doen vóór het grote publiek er lucht van krijgt.'

Macomber bleef abrupt staan. 'Noch Atherton, noch ik, is van plan zijn blazoen te bevuilen.'

'Dat is prettig om te horen, Del.' Ze vervolgden hun wandeling.

'Een Texaanse jongen zoals ik, is nergens zo op gesteld als op een flinke portie bewegingsvrijheid. Verdomme, dat heb ik nodig. Als ik de vrije hand zou hebben, zou ik de CIA weer helemaal de oude kunnen maken.' Hij zweeg toen ze een moeder met twee kleine meisjes passeerden. Toen ze opnieuw alleen waren, zei hij: 'Maar ik voel me er nog steeds niet helemaal lekker bij. Waarom zijn Gottschalk en jij er zo op gebrand om de buitenlandpolitiek zo drastisch aan te pakken? En dat niet alleen, ik krijg soms spontaan hoofdpijn als ik me bedenk hoe hij de binnenlandse economie denkt aan te pakken. Het is een zootje, nu... dat is 't al jaren. Binnen vier jaar krijgt hij de economie heus niet aangetrokken. Dat duurt minstens tien jaar.'

'Hoor eens, het is een kwestie van heropvoeden. Zodra Gottschalk op de stoel van de president zit, zal hij er mee beginnen. Hij heeft de macht om dat voor elkaar te krijgen.'

'Zeker weten?'

'Hoor eens, niet Gottschalk, maar wij zullen uitmaken wat er gaat gebeuren. De leden van de Angka zullen meedenken en beslissen en, vooral, de touwtjes in handen houden. Bovendien kan de Angka de politici die over bepaalde zaken moeten beslissen van tevoren ervan overtuigen welke koers de juiste is.'

'Ik zal je iets beloven,' zei Marcus Findlan temend. 'Als jij het in januari redt, ben ik je man.'

'In dat geval, Marcus,' zei Macomber. 'Welkom bij de Angka.'

Khieu maakte er sinds zijn terugkeer een gewoonte van om grote gebouwen te mijden. Toen hij na afloop van een lunch terugkeerde naar zijn kantoor bij Pan-Pacifïca was hij, op weg naar boven in de lift, er op een zeker ogenblik van overtuigd dat iemand een spies met een in houtvuur geharde punt naar zijn hoofd wierp. Elk ogenblik verwachtte hij de punt tegen de achterkant van zijn schedel te voelen. Een huivering ging door hem heen, ondanks het feit dat de liftkooi vol mensen stond. Toen iedereen uitstapte, ging hij meteen weer naar beneden en de straat op.

In de zomerse hitte speelden kinderen onder het waakzame oog van hun moeders op straat; ijscomannen verkochten hun waren. Hij liep een park binnen. En daar, na enkele tientallen nieters te hebben afgelegd, hoorde hij van rechts, van achter enkele hoge struiken, vreemde muzikale klanken. Verrast bleef hij staan toen hij de draaimolen met kleurig geschilderde paarden in het oog kreeg. Het volgende ogenblik haalde hij wat los geld uit zijn zak te voorschijn, betaalde de prijs van een rit en nam plaats op een witte hengst met een vurige rode tong. De muziek begon opnieuw en de wereld begon te draaien. Schrijlings op de hengst gezeten, had hij er de grootste moeite mee om zich - met losse handen - tegen de middelpuntvliedende kracht in overeind te houden. En terwijl hij ronddraaide, huilde hij, bevreemd aangestaard door de kinderen die met hem meedraaiden.

Toen de muziek ophield, stegen de kinderen af van hun houten rijdieren. Khieu bleef zitten, starend naar de bomen recht voor hem. Hij spitste zijn oren en hoorde vogels schetteren en apen krijsen. Insekten zoemden om zijn hoofd. Over de grond vloeide bloed dat zich in kronkelende stroompjes een weg zocht naar lager gelegen plekken.

'Hé, makker.'

Er werd aan zijn broekspijp getrokken.

'Meneer?'

Hij wendde zijn blik af van de bomen die zacht heen en weer wiegden in de lichte bries, en keek naar beneden, recht in de ogen die vanuit een smal jongensgezicht naar hem keken. De jongen was gekleed in een spijkerbroek en een T-shirt met AC DC op de voorkant. Eronder zag Khieu de afbeelding van een musicus die zijn elektrische gitaar vasthield als was het een machinegeweer.

'Alles oké?' vroeg het joch. 'Ik zag dat je zat te huilen.'

'Ik mankeer niets,' zei Khieu, maar hij bleef zitten waar hij zat.

'Ik dacht dat je misschien je zoontje of zo was kwijtgeraakt,' zei de jongen. 'Je keek zo verdrietig.'

Khieu schudde glimlachend zijn hoofd.

'Bobby, meteen hier komen,' riep een vrouw vanuit een beschaduwde plek in de buurt van de draaimolen. 'Eén keertje en meer niet. Nu zoet meekomen.'

De jongen glimlachte Khieu toe. 'Ik hoop dat je nu niet langer verdrietig bent,' zei hij. Het volgende ogenblik sprong hij van de draaimolen en rende ervandoor.

Een dikke man met een sigaar in een mondhoek, maakte een ronde langs de paarden en vroeg aan Khieu of deze voor een tweede rit bleef zitten.

Khieu schudde zijn hoofd en gleed van het paard af. Toen hij weer op het gras stond, vroeg hij zich af waar de jongen was gebleven. Hij zag hem niet en begon weer te lopen, zonder iets werkelijk in zich op te nemen.

Enige tijd later constateerde hij dat hij zich op Broadway bevond, aan de overkant van het Lincoln Center. Hij begreep niet waarom hij juist deze kant op was gelopen. Hij voelde zich, vreemd genoeg, tegelijkertijd hongerig en leeg; hij kon niet precies bepalen welk van de twee gevoelens overheersend was. Na verloop van tijd besloot hij dat hij honger had, maar de gedachte om iets te gaan eten stond hem tegen.

Hij bleef staan en keek in de richting van het kruispunt waar Columbus en Amsterdam Avenue samenkwamen. Een blok verderop zag hij jonge mensen, mannen en vrouwen, vanuit een kelderdeur in het Lincoln Center te voorschijn komen. In zijn ogen zagen ze er allemaal eender uit, maar wat ze precies gemeen hadden, dat wist hij niet. Ze wachtten tot het licht op groen sprong en staken toen over. Ze kwamen naar hem toe. Toen ze vlak bij hem waren, zag hij wat ze gemeen hadden. Het waren balletdansers, wellicht van Laurens gezelschap. Plotseling haalde hij diep adem en huiverde. Was hij daarom deze kant op gegaan ? Omdat hij Lauren wilde weerzien ? Hij wist het niet. Er was maar een manier om er achter te komen, meteen rechtsomkeert te maken en proberen te vertrekken. Hij keek naar de gezichten in de groep die op hem af kwam. En hij kwam tot de ontdekking dat hij zich niet kon verroeren.

Hij kon zich eenvoudigweg niet omdraaien en weglopen. Het was alsof zijn voeten wortels hadden gekregen die hem ter plekke vasthielden. De groep balletdansers passeerde hem. Het geluid van hun geanimeerde gesprekken verdween achter hem. Hij draaide zich niet om en zag hen dus niet in het metrostation verdwijnen. In plaats daarvan keek hij opzij naar zijn spiegelbeeld, gevat in de omkadering van een etalageruit.

Op dat ogenblik verscheen er voor het eerst een beeld van Malis voor zijn ogen. Ze danste, bevallig, bekoorlijk, maar onthoofd. Een tot leven gekomen lijk. Met haar bebloede vingers vertelde ze al dansend haar levensgeschiedenis tot aan het ogenblik waarop hij haar voor het laatst had gezien, toen hij haar en zijn familie in de steek had gelaten. En haar verhalende vingers beschuldigden hem. Niet op een kwetsende, vijandige manier, maar eerder alsof ze de feiten op een rijtje zette. Opnieuw voelde hij tranen in zijn ooghoeken prikken en van zijn wangen druppen.

Hij had verder Cambodja binnen kunnen trekken ... Hij had terug kunnen gaan naar Phnom Penh. Maar hij had het eenvoudigweg niet gekund. Na de slachting in de jungle ten noorden van zijn geboortestad, kon hij het idee nog verder te zullen trekken niet verdragen. Hij had de AK-47 achtergelaten en was via de grens met Thailand teruggegaan. Het interesseerde hem niet langer of hij Tisah al dan niet vond; zelfs zijn plichtgevoel tegenover zijn vader kon hem er, na de afschuwelijke ontdekking op de woonboot in de Mekong-delta, niet toe aanzetten om verder te gaan. Hij kon niet precies bepalen wat het was, maar iets in zijn binnenste had sindsdien geworsteld om vrij te komen; iets dat koud en meedogenloos was, en dat bij elke ademtocht meer greep op hem leek te krijgen. Gedachten die in hem opwelden, leken als ijsschotsen te verbrokkelen als het nieuwe gevoel zich roerde. En hij kon maar niet onder woorden brengen wat er precies met hem aan de hand was. Hij zag Lauren.

Eerst zag hij haar hoofd, vervolgens haar schouders en daarna de rest van haar lijf boven een wateroppervlak verschijnen. Ze kwam op hem af. Ze kwam op hem af zoals de branding in de richting van een bader rolt, gelijkmatig en niet te stuiten. Hij zag haar haar, als een glanzende helm strak om haar schedel getrokken. Schitterende ogen, een blos op elke wang. En in haar ogen zag hij waarom hij zich op deze plek bevond, en hij snikte het hardop uit, heel even. Toen beheerste hij zich. Nu Louis Richter dood was, was zij de enige die wist dat hij in het appartement van de oude man was geweest. Alleen zij kon hem aanwijzen en zodoende Tracy duidelijk maken dat hij had gelogen, dat hij Kim niet was. Zij was het spoor dat Tracy kon volgen en dat naar hem zou leiden, en vervolgens naar Macomber, naar de Angka. De veiligheid van de Angka zou in gevaar worden gebracht. Maar aan de andere kant, iemand anders zou Tracy Richter aan het andere eind van de wereld voor zijn rekening nemen. Tracy zou niet uit Hongkong terugkeren.

Maar als Tracy op een of andere manier wel zou slagen uit Hongkong terug te komen?

Nee, Lauren moest sterven. Zij was de enige getuige die hem met de moord op Louis Richter in verband kon brengen. De veiligheid van de Angka moest worden gewaarborgd.

Een lauwe bries ritselde door zijn haar, en voerde een vreemde kilte aan die hij niet kon plaatsen. Een winterse kou maakte zijn botten stijf en deed zijn bloed trager stromen. Apsara kwam als een wrekende engel door de straat op hem af, als een maagd, een ijskoningin die op de vleugels van de ijzige wind danste. En dat terwijl het hartje zomer was. Hij draaide zich om en rende ervandoor.

Het geknetter van een houtvuur en de geur van gestoofde groenten wekten Tracy. Hij draaide zijn hoofd om en kreunde. Voorzichtig drukte hij twee vingertoppen tegen de zijkant van zijn schedel. Hij kromp inwendig ineen en liet de lucht sissend tussen zijn opeengeklemde tanden door ontsnappen. Toen hij overeind probeerde te komen, protesteerde zijn maag en hij liet zich weer op zijn rug vallen. Een pijnscheut kliefde zijn schedel in twee helften. Maar de reuk van zijn eigen lichaam - een vreemde muffe lucht - zette hem ertoe aan om een tweede poging te wagen. Met beide handen greep hij zich vast aan een steunpaal en trok zich rillerig overeind. Eenmaal in staande positie probeerde hij zijn ademhaling normaal te laten verlopen.Het volgende ogenblik viel hij en belandde tussen potten en pannen op de grond.

'Shit,' zei hij happend naar lucht, en hij drukte beide handen op zijn hoofd. Als zijn hoofd maar ophield met bonzen. Hij had het gevoel dat iemand zijn schedel met een pneumatische hamer bewerkte. Wat de rest van zijn lichaam betrof, daar durfde hij niet eens aan te denken, laat staan dat hij aan een inventaris van zijn kwetsuren begon. De boot schommelde en zijn maag schommelde mee. Met een enorme krachtsinspanning drong hij de opkomende misselijkheid terug.

Onder en boven zich hoorde hij geluiden. Hij probeerde zich om te draaien. Een pan rolde rammelend van hem vandaan en hij drukte zijn handen tegen zijn oren om het lawaai buiten te sluiten.

'O, God,' kreunde hij.

'Voelt u zich wel goed?' vroeg een zachte stem in het Tanka-dialect.

'Ja,' antwoordde hij automatisch en vervolgens schudde hij zijn hoofd. 'Nee... ik weet het niet.'

Sterke handen grepen hem vast en trokken hem voorzichtig overeind. 'Hierheen,' zei dezelfde stem van even tevoren, en sterke handen leidden hem naar de kooi die hij nog geen minuut geleden had verlaten.

'O, nee,' zei Tracy. 'Als jullie er geen bezwaar tegen hebben, ik zou liever een poosje bovendeks vertoeven.'

'Ik heb er geen bezwaar tegen. Als u er maar tegen kunt. Kom, ik zal u helpen.'

Tracy keek in het vage licht over zijn schouder en zag in de halve duisternis een vreemd, plat gezicht, getekend door een netwerk van ragfijne rimpeltjes die geen begin en geen eind leken te hebben. De koolzwarte ogen stonden ver uiteen. De neus was plat, typisch Chinees. Het was een gezicht dat tegelijkertijd wijsheid, vriendelijkheid en tevredenheid uitstraalde.

'Waar ben ik?' vroeg Tracy toen de man hem naar een kort trapje loodste.

'Aan boord van mijn jonk,' zei de man. 'We vertrokken vanuit Aberdeen. We haalden je als een vis uit het water.' Hij lachte zacht; het klonk bijna als een zucht. Langzaam beklommen ze het trapje.

'Mijn kleindochter wilde weten of we u tijdens de avondmaaltijd als hoofdgerecht zouden nuttigen.'

'En wat zei u tegen haar?'

'Ik moest haar teleurstellen. Tenslotte hebt u geen vinnen, geen staart en geen schubben.' Opnieuw die zuchtende lach. 'Ze was teleurgesteld.'

'Ik zal proberen om het goed te maken,' zei Tracy. Het ogenblik daarop streek de wind door zijn haar en langs zijn wangen. Met zijn lijf halverwege boven de luikopening uit, bleef hij staan en haalde diep adem. Toen hij om zich heen keek, zag hij van alle kanten gezichten naar hem staren.

'Wij zijn Tanka,' zei de oude man. 'We zijn met velen.'

En toen wist Tracy het weer. De haven van Aberdeen was een van de vele havenplaatsen waar de Tanka, het bootvolk, een drijvende gemeenschap hadden gevormd. De zee leverde hun het benodigde voedsel. Ze werkten soms wel vijftien uur per dag, van de vroege ochtend tot de late avond, en ze vingen tussentijds net voldoende om hun gezinnen in leven te houden. Hun integriteit was boven elke twijfel verheven. Hij mocht van geluk spreken dat hij dicht in de buurt van hun drijvende 'dorp' te water was geraakt. Tracy hield zich vast aan de rand van het luik en ging er op zitten. Hij telde minstens twaalf gezichten. De oude man, die zich als Ping Po aan hem voorstelde, ging de halve cirkel langs en stelde zijn andere familieleden aan Tracy voor. Tracy maakte bij het horen van elke naam een lichte buiging. Overal om hem heen zag hij gele lichtjes als vuurvliegen boven het water dansen. Ver weg, vaag in het nachtelijke duister, zag hij speldeprikken van licht. Ongetwijfeld Aberdeen. Hij drukte zijn hand tegen zijn hoofd. 'Hoelang ben ik al aan boord?'

'Morgenochtend twee dagen,' zei Ping Po. 'Ja' - hij knikte alsof hij het tegen zichzelf had - 'dat klopt, want gisteren vingen we buitengewoon veel, bijna het dubbele van wat we doorgaans vangen.' Hij glimlachte. 'U hebt ons geluk gebracht.' Vervolgens draaide Ping Po zich om en plaatste een kleine bundel op zijn knie.

'En dit is mijn kleindochter, Li.'

Tracy boog zich naar voren en keek aandachtig naar het bijna volmaakt ronde gezichtje. 'Het spijt me dat ik niet eetbaar ben,' zei hij. 'Wil je me mijn slechte manieren vergeven?'

Het kleine meisjes giechelde en wendde snel haar gezicht af. Met haar vuistjes klemde ze zich stijf vast aan het katoenen overhemd van haar grootvader. Haar neusje drukte ze dicht tegen zijn okselholte.

Tracy stak zijn hand uit en streelde haar haar. 'Mag ik?' vroeg hij aan Ping Po.

De oude man knikte en reikte Tracy het kind aan. Alle andere opvarenden van de jonk keken zwijgend en verwachtingsvol toe. Tracy pakte Li vast, die een zacht kreetje van schrik de vrije loop liet toen haar grootvader haar aan de blanke vreemdeling overdroeg. Maar eenmaal bij Tracy op schoot, stopte ze meteen een vingertje in haar mond en keek hem met grote ogen aan.

'Ik heb nog nooit zo'n mooi meisje gezien,' fluisterde Tracy haar toe. Daarna begaf hij zich met haar naar de reling van de jonk. Li was verrukt. Ze trok het vingertje uit zijn mond terug en wees naar de jonken en sampans die op de trage deining heen en weer wiegden.

Ze vertelde Tracy dat haar vader op zee was, hoe hij viste, hoeveel hij ving en hoe prettig ze het altijd vond als hij weer thuiskwam. En Tracy drukte haar tegen zich aan en luisterde naar het kloppen van haar kleine hartje. Op een of andere wijze putte hij kracht uit de onbevangen wijze waarop ze haar hartje voor hem opende.

'Je bent aardig,' zei Li na een poosje. 'Ik ben blij dat we je niet hebben opgegeten.' Tracy lachte en het meisje sloeg haar armpjes om zijn nek. Alsof dat het teken was waarop ze hadden gewacht, kwam de familie van Ping Po in beweging en een minuut later bevonden ze zich allemaal benedendeks, waar de vrouw van het oude familiehoofd de avondmaaltijd voor hen opschepte. Ze aten vis met rijst en groenten die in sesamzaadolie waren gekookt en waren verrijkt met hete pepersausen. Tracy bracht zijn kom tot op mondhoogte omhoog en schoof naar Chinees gebruik met zijn stokjes de hapjes in zijn mond. Terwijl hij at smakte hij luidruchtig met zijn lippen en aan het eind van de maaltijd boerde hij licht om zijn gastheer kenbaar te maken dat het hem heerlijk had gesmaakt. Daarna ging hij weer naar het bovendek om uit te waaien in de zoute bries. Na verloop van tijd voelde hij dat er iemand achter hem stond, maar beleefdheidshalve draaide hij zich niet om.

'Dank u,' zei hij, 'zowel voor het eten als voor de gastvrijheid.'

'Zolang u bij ons bent,' zei Ping Po, 'bent u veilig. Niemand weet dat u hier bent.' Hij zweeg een ogenblik en bewoog zich dichter naar de reling toe, met zijn blik gericht op de talloze bewegende lichtjes op zee. Er hing een sterke vislucht boven het water, maar het was een frisse, natuurlijke lucht. 'Ik zag u in het water van de baai verdwijnen en dook u na. U hebt ons geluk gebracht en daarom zullen we u terugbrengen naar het vasteland. In ons gezelschap bent u veiliger dan alleen. Ik weet niet voor wie u op de vlucht bent, maar zolang u bij ons bent, zal niemand een vinger naar u uitsteken. Bovendien zijn we u iets verschuldigd. Onze vangst was enorm, onze ruimen zijn propvol.'

Tracy had kunnen protesteren. Hij had tegen de oude man kunnen zeggen dat hij hen niet in geyaar wilde brengen. Maar zo zou een westerling hebben gesproken en zodoende de oude man hebben beledigd, en daar voelde hij niets voor. De oude man had het gevoel dat hij iets goed te maken had en Tracy stelde hem in de gelegenheid om dat te doen.Hij accepteerde het aanbod.

Antonio's appartement was voor iedereen vrij toegankelijk; de deur was door de politie uit de scharnieren gelicht. In de gang stonk het naar urine en naar ratten. Het was er zo donker als in een graf. Nu hij naar deze plek was teruggekeerd, voelde Thwaite een nieuwe kracht door hem heen gaan. De korpsleiding had hem de hand boven het hoofd gehouden en hij was van alle beschuldigingen in verband met de dood van Antonio vrijgesproken. Nu spanden zijn maagspieren zich echter toen hij voorzichtig naar de deur van het appartement sloop. De gedachte dat de pooier hem mooi voor schut had gezet, knaagde nog steeds aan hem. Christus, dacht Thwaite woedend, een heroïne-dealer! En ik hielp hem om zijn zaakjes te doen.

Hij nam het zichzelf kwalijk dat hij niet voorzichtiger was geweest; zijn wraakzucht stak als een visgraat in zijn keel. Als Tonio nog zou hebben geleefd, hield Thwaite zich voor, dan zou hij hem beslist eigenhandig hebben gedood. Dan zou hij niet hebben toegekeken terwijl...

De gedachte aan Tracy kalmeerde hem een beetje en hij trok een volle minuut uit om zijn hartslag te laten vertragen. Dergelijke emoties zouden hem nu geen goed doen, besefte hij. Hij zou al zijn scherpzinnigheid nodig hebben om Tonio's geheime bergplaats te ontdekken.

Hij ging aan de slag. Eerst onderwierp hij de twee slaapkamers aan een onderzoek, vervolgens de badkamer en de keuken. Alles dat tegen muren stond geschoven, trok hij ervandaan, op zoek naar de geheime bergplaats. De muren beklopte hij met het achtereind van zijn zaklantaarn. Hij werd niets wijzer. Veertig minuten later was hij terug op de plek waar hij was begonnen, in het midden van de woonkamer. Een beetje nijdig schopte hij tegen de rand van het vloerkleed, en verstijfde abrupt.

... Con los gusanos. Bij de wormen.

De uitdrukking die Tonio had gebruikt, wervelde als een zomerstorm door zijn hoofd. De kelder met de aarden vloer, de kelder die hij had gebruikt om zijn meisjes tot gehoorzaamheid te dwingen. Opgewonden boog hij zich naar voren, sloeg een flap van het vloerkleed terug en opende het valluik. Terwijl hij met zijn zaklantaarn voor zich uit scheen, liet hij zich tot in het muffe interieur zakken. De kelder had, precies zoals hij het zich herinnerde, een aarden vloer. De wanden, van baksteen, waren nog geen twee meter hoog.

Hij liet de lichtbundel van de zaklantaarn over de bakstenen van de muur rechts van hem glijden, toen over de volgende. Nergens kon hij een oneffenheid in een van de muren bespeuren. Hier en daar zag hij zwartgeblakerde plekken, alsof de stenen aan een grote hitte waren blootgesteld. Thwaite kreeg opeens het idee dat de kelder als martelkamer was gebruikt en onwillekeurig huiverde hij. Hij draaide zich om en liet de lichtbundel over de derde muur spelen. Als hij zich in het vertrek boven zijn hoofd zou hebben bevonden, dan zou hij nu met zijn gezicht naar de deur van de woonkamer toegekeerd staan. Hij deed een stap naar voren en bekeek de muur van dichtbij. Zijn scherpe blik had een afwijking in het regelmatige voegsel ontdekt, een barst die niet door een natuurlijke oorzaak leek te zijn ontstaan. De barst maakte een hoek van negentig graden, en nog een. Een rechthoek!

Zijn hart begon sneller te kloppen toen de betekenis van de omtrek tot hem doordrong.

Vijftien minuten later keek hij in een gat van vijftig bij dertig centimeter. Op dat ogenblik kon hij niet vaststellen hoe diep het gat was. Traag bewoog hij de lichtbundel heen en weer, en vloekte zacht. Het bleek dat Tonio heel wat slimmer was geweest dan Thwaite ooit had vermoed. Slim genoeg om je vrouw en kind om zeep te helpen, fluisterde een stemmetje hem toe. Schei uit! hield hij zich voor. Niet meer over piekeren, nadenken en concentreren. In het licht van de zaklantaarn zag hij stapels zakjes van doorzichtig plastic. Hij trok er een naar zich toe, hield het zakje op zijn handpalm en schatte het gewicht op een halve kilo. Hij haalde zijn zakmes te voorschijn, maakte een kleine, rechte inkeping in het plastic, bevochtigde zijn vingertop en liet wat van het witte poeder tegen de huid kleven. Hij likte, proefde en sperde zijn ogen wijd open.Godallemachtig, dacht hij. Dit spul is de partij onversneden heroïne waarvan in Chicago een monster werd geanalyseerd. Haastig schoof hij het gemerkte zakje terzijde en wurmde zijn schouders door het gat. Er leek geen eind aan de stapel zakjes te komen. Hij maakte een snelle berekening. Op de eerste rij van de heroïneberg telde hij vijftig zakjes. De heroïne was minstens twaalf rijen dik opgestapeld. Bij elkaar...

'Jezus Christus,' zei hij happend naar lucht. Minstens driehonderd kilo van die troep. Eenmaal versneden zou dit spul een fortuin opbrengen, en dat maakte wijlen Antonio Mogales tot de grootste dealer aan de oostkust. Het deed er nu niet langer toe om ervan uit te gaan dat, als Thwaite hem had vastgezet - zoals hij maanden geleden had moeten doen - een ander zijn plaats zou hebben ingenomen. Het is een feit, dacht Thwaite nu, dat ik hem hielp. Hij wilde politiebescherming en ik gaf hem die. Jezus, maar dat maakt mij tot een van de grootste klootzakken van deze eeuw. De vraag was, wat moest hij eraan doen? Het was duidelijk dat diegene die senator Burke had vermoord - dat was nu overduidelijk - ook bij de drugshandel betrokken was. Wellicht was de moordenaar de importeur en dat betekende dat het geen kleine jongen was. Hij was er nu zeker van dat Burke niet zo maar om het leven was gebracht.

Thwaite staarde naar de zakjes vol witte dood en voelde een vreemd soort misselijkheid in zijn binnenste de kop opsteken. Het resultaat van zijn koortsachtige gezwoeg van de laatste dagen lag hier, als een verbleekte kinderschedel, aan zijn voeten, aan het licht gebracht door zijn eigen vaardigheden als politieman. Het feit dat hij Tonio had geholpen om uit handen van de politie te blijven, bleef echter een domheid die hij zichzelf niet kon vergeven. Thwaite had in de veronderstelling verkeerd dat Tonio een eenvoudige pooier was geweest. In werkelijkheid was dat een dekmantel geweest om zich bezig te houden met een handel die het honderdvoudige opleverde. ~*

Lieve God, dacht hij, terwijl tranen van woede en spijt over zijn wangen rolden. Nee, nee, nee, ik heb er geen deel aan, niet aan deze nachtmerrie, dat kan eenvoudig niet.

Toen, abrupt, gaf hij het ontbijt op dat hem die ochtend in het vliegtuig waarmee hij uit Chicago was vertrokken, was voorgezet. Zijn maaginhoud sproeide als vitriool over de keldervloer. Wat nu? Hoe moest hij de zaak verder aanpakken? Hij besefte dat Toad Tinelli, het hoofd van de narcoticabrigade, het hem moeilijk zou kunnen maken. Geen enkel brigadehoofd, en Toad zeker niet, stond toe dat leden van een andere brigade zich op zijn terrein waagden. En Thwaite werkte per slot van rekening voor de moordbrigade. En Thwaite wist ook dat hij slechts tot op zekere hoogte op zijn baas, Flaherty, zou kunnen rekenen. Zodra Toad zou beginnen te schreeuwen, zou Flaherty het op een lopen zetten. Dat betekende dat Thwaite zijn eigen zaakjes zou moeten regelen, maar een dergelijk voorstel aan Toad voorleggen, was levensgevaarlijk. Hij zou Thwaite zeker met ontslag dreigen. Maar Thwaite was aan dreigementen gewend, en verder kende hij Toad goed. Hij wist dat de man slechts door één ding werd gedreven: zo vaak als mogelijk een grote vangst doen. De grootte van deze vangst vormde een troefkaart waarbij Toad zich zeker gewonnen zou geven. Hij zou alles willen doen om met de eer te mogen gaan strijken. Hij zou zelfs bereid zijn om Thwaite enkele gunsten toe te staan. Hij zou geen keuze hebben.

Toen hij zichzelf had gerustgesteld, stopte Thwaite het plastic zakje terug bij de andere. Toen hij het met een plof uit zijn hand liet vallen, verstijfde hij. In een van de hoeken zag hij iets dat hem even tevoren was ontgaan. Het was een rol van rijstpapier en bamboe, bijeengehouden door een rood lint. Hij trok het lint los, rolde de beschermhuls uit en staarde naar het gelige, dunne papier. Hij constateerde dat het papier was gevuld met hoekige lettertekens die duidelijk Chinees waren. Hij keek een hele poos zonder zich te durven verroeren naar het papier. Hij besefte dat er nog iets was dat hij moest rechtzetten. Hij was niet alleen beroepshalve op het vliegtuig naar Chicago gestapt. Het vliegtuig had hem ver van New York vandaan gebracht, en ver van Melody vandaan. Hij wist dat de lettertekens Chinees waren, via Melody. Hij had ooit haar leerboeken bekeken, achteloos, in een verveelde bui. Ze had hem heel stilletjes van achteren beslopen en had, met haar wijsvinger bij elk letterteken, zacht voorgelezen wat er stond. En eindelijk begreep hij waarom hij het zo ontzettend warm had, waarom hij zo hevig transpireerde. Door de ontdekking van deze rol werden zijn plannen abrupt veranderd. Hij kon niemand iets over zijn ontdekking vertellen. Daar kon hij pas toe overgaan als hij wist wat er op de rol stond geschreven. En als hij er mee naar een van de taalwetenschappers op het hoofdbureau ging, zou dat wel eens een fatale vergissing kunnen zijn. Dat risico kon hij niet nemen. En dat liet hem tevens geen alternatief.Hij zou Melody moeten opzoeken.

Khieu bad, maar de bron van zijn ziel was opgedroogd; hij slaagde er niet in om contact met de leegte te maken. Hij voelde zich verraden, maar door wie, dat kon hij niet bepalen. Met zijn harde vuisten beukte hij tegen zijn blote dijbenen. Hij stak wierook aan en een flink aantal kaarsen. Hij bad tot de vinyheanakhan van zijn moeder, die hem gewoonlijk voor misstappen behoedde. Hij beloofde geen vezeltje vlees meer te kunnen eten - de plicht van elke goede Boeddhist - en beloofde in seksueel opzicht te zullen vasten. Vooropgesteld dat zij zou verklaren wat er in zijn binnenste gebeurde.

Op Pan-Pacifica probeerde hij zich voor honderd procent te storten op de stapels papierwerk die op hem lagen te wachten. Hij ontving landgenoten en luisterde naar hun gelijkluidende verhalen van ellende en tegenspoed. Maar nu leek het alsof hij zich hun verhalen persoonlijk aantrok, alsof hij van hun angst en afgrijzen en doorgestane beproevingen een tapijt weefde waarvan hun woorden de stof vormden. In gedachten zag hij het rood van open wonden, het grijs van rook, het oranje-rood van vuur, het geel-wit van koudvuur in een vergevorderd stadium. Maar hij voelde zich vooral omgeven en verstrengeld door het gevoel verslagen te zijn. De Fransen hadden de Khmer verslagen, de communisten hadden de Khmer verraden, de Amerikanen hadden de Khmer bedrogen en tenslotte hadden de Khmer elkaar verraden. Eens had hij gedacht dat het werk bij Pan-Pacifica hem dichter tot zijn volk zou brengen. Nu kwam hij erachter dat het tegengestelde effect het gevolg was geweest. Hij voelde zich ver verwijderd van Cambodja omdat hij de oorlog daar niet langer in het juiste perspectief kon plaatsen. De oorlog ging zijn begrip te boven. En alsof dat nog niet erg genoeg was, hij zag oorlog als een manier van leven. Als een geestverschijning, zwevend, bracht hij de dag door. Hij probeerde in contact te treden met de geest van zijn moeder, probeerde tot haar te bidden, maar ze gaf geen antwoord. Thuis bad hij opnieuw, maar hij vond geen troost.

En daarna begon hij aan de macht van De Weg te twijfelen. Het concept dat de Boeddha bedacht, leek voor zijn ogen doorzichtig te worden. Misschien had zijn vader gelijk. In de werkelijkheid - het leven zoals het proefondervindelijk werd ervaren - was voor religie geen plaats. Had hij het niet zo gesteld? Voor het eerst begreep Khieu wat zijn vader bedoelde en die kennis beangstigde hem.

Maar dat maakte hem nog niet half zo bang als hij voor Lauren was. Ze sloop als een tijgerin door zijn gedachtenwereld. Als hij zijn conditie op de proef stelde - tweemaal daags - glom zijn lijf van het zweet. Zijn spieren reageerden zoals altijd en zijn maagspieren werden hard als staal. Maar in tegenstelling tot de voorgaande keren, kreeg hij bovendien een erectie die pijnlijk hard was. Beschaamd spande hij zich nog meer in; zijn brein was echter vergeven van beelden van Lauren. Uit alle macht probeerde hij zich op de oefeningen te concentreren, maar het baatte niet. De beelden van Lauren haalden hem bij herhaling uit zijn ritme. En voor het eerst van zijn leven joeg wat hem te doen stond hem angst aan. En naarmate de gedachte aan haar uitgroeide tot een obsessie, vermoedde hij dat, als hij Lauren zou vermoorden, hij in zekere zin ook zichzelf om zeep zou helpen. Hoe het precies in elkaar stak, wist hij niet. Maar het idee was afschuwelijk genoeg. Hoe langer hij erover nadacht, des te meer raakte hij overtuigd van het gegeven dat een mens hulpeloos verloren was als hij diegene die zijn redding zou kunnen betekenen, uit de weg ruimde. Opnieuw werd Khieu onaangenaam verrast door zijn gebrek aan vertrouwen. Als, zoals hem sinds zijn geboorte was bijgebracht, hij zijn geestelijk welzijn op de Weg van Boeddha zocht, had hij niets te vrezen. Maar dat dit geloof nu totaal was verdwenen, was een feit; Amerika had hem veranderd. En de angst voor de chaos van het onbekende had vat op hem gekregen, had hem geïnfecteerd. Hij beefde van machteloze woede en hield zijn handen van zijn harde penis vandaan. Als hij klaarkwam, zou hij zowel Lauren als zichzelf te schande maken.

Tenslotte nam hij een besluit. Als hij haar zou aanraken, opnieuw in haar nabijheid zou verkeren, zou hij zekerheid krijgen of wat hij voor haar voelde echt was, en of hij zich ertoe zou kunnen zetten om haar te vermoorden.

Tijdens de twintig minuten durende rit naar de luchthaven Kennedy voelde Lauren zich zo opgewonden als een schoolmeisje. Ze had het gevoel weer op het toppunt van haar kunnen te staan - op de hoogte die ze had weten te bereiken vlak vóór ze haar heup beschadigde - maar dat was haar niet voldoende. De nieuwe kracht ging natuurlijk gepaard met een gevoel van opwinding dat aan het euforische grensde.

Lauren had een belangrijke ontdekking gedaan. Tot dusver had ze altijd gedacht dat dansen een manier van leven was. Niet dat ze nu tot de conclusie was gekomen dat ze niet langer wilde dansen. Integendeel. Een leven zonder het ballet was voor haar ondenkbaar. Maar ze was tot de ontdekking gekomen dat ook andere dingen van belang waren. Op negentienjarige leeftijd waren de verwachtingen van een meisje echter zo hoog gespannen, waren haar ambities zo allesoverheersend, dat ze zich niet kon voorstellen ooit ergens anders aandacht voor te zullen hebben. Ze had als een volbloed-renpaard getraind en al het andere buitengesloten. Maar Tracy had dat alles veranderd. Zonder iets te zien staarde ze uit het zijraam van de voortsnellende taxi en vroeg zich af wat Tracy in Hongkong deed.

Meteen daarop besefte ze dat ze dat niet werkelijk wilde weten, maar dat ze eenvoudig bij hem wilde zijn. Ze vervloekte zichzelf omdat ze zo heftig op de waarheid over de dood van haar broer had gereageerd. Wat had dat voor zin gehad? Het was inmiddels alweer lang geleden gebeurd en niets zou hem nog tot leven kunnen wekken.

Ze concentreerde zich en probeerde zich een beeld van Tracy's gezicht te vormen, met op de achtergrond het glinsteren van zonlicht op witte golftoppen. Een zoute bries maakte van zijn haar een warboel; in zijn ogen schitterde echter pijn. Nu pas besefte ze dat hij zich de dood van Bobby indertijd ontzettend had aangetrokken. Hij had waarschijnlijk het gevoel gehad dat het zijn schuld was geweest.

Dom. Hij had haar het hele verhaal verteld, maar zij had niet naar hem geluisterd. In plaats daarvan had ze alleen Bobby's doodskreten gehoord. Pas later, toen ze de smaak van het gesprek als verschaalde as in haar mond proefde, constateerde ze dat de bron van de pijn die ze voelde de leegte was die ze in haar binnenste met zich meedroeg; toen pas herinnerde ze zich wat hij had gezegd. Na hun ruzie was ze naar Louis Richter gegaan. Hoewel ze onmogelijk in gezelschap van Tracy kon verkeren, had ze van zijn vader niets te duchten. De schaduw die Kim in haar gedachten had achtergelaten, gleed vluchtig door haar brein. Uiterlijk was hij een heel knappe man. Maar de schittering die ze diep in zijn ogen had waargenomen, had haar ontzettend bang gemaakt. Nu ze aan hem dacht moest ze onwillekeurig huiveren.

Die man liep werkelijk met een gekwelde ziel rond, dacht ze, zonder werkelijk te begrijpen waarom. En meteen had ze medelijden met hem. Een dergelijke last was voor een mens te veel om met zich mee te dragen. Wat was de oorzaak van die blik in zijn ogen?

Wat voor kwellingen had hij moeten doorstaan? Ze kon het zich niet voorstellen. Maar alleen al de gedachte daaraan, verdreef alle angst. Ze wilde haar armen om hem heen slaan, hem knuffelen en hem heen en weer wiegen, tot hij rustig in een lange diepe slaap zou vallen.

Op het vliegveld waren al een heleboel leden van het balletgezelschap aanwezig. Het zou echter nog een uur duren voor ze aan boord van het vliegtuig konden gaan en behalve een gesprek aanknopen met de andere dansers, had ze niets te doen. Ze verveelde zich al gauw en keek de aankomsthal rond in de hoop een bekend gezicht te ontdekken. Ze zag echter geen enkele bekende. Toen stak een vreemd onbehaaglijk gevoel de kop op; ze voelde zich gadegeslagen. Maar door wie? Omzichtig keek ze naar de mensen die met een koffer of andere handbagage langs haar heen snelden. Tenslotte stond ze op en begaf zich naar de kiosk. Bij een molen met pockets bleef ze staan. Ze moest iets te doen hebben om de wachttijd door te komen.

Daar, voor de kleurige omslagen, bereikte haar angstgevoel een hoogtepunt. Ze bepaalde haar keuze op een van de laatste romans van Robert Ludlum. Toen ze voor de kassa wachtte tot het haar beurt was om te betalen, las ze de laatste pagina. Ze kon er niet tegen om te zeer door het slot van een boek verrast te worden. In plaats daarvan wilde ze zich veilig voelen binnen de prozastructuur van een boek. Ze betaalde de pocket en liep terug naar de andere leden van haar gezelschap.

Niet lang daarna werd hun vlucht omgeroepen en, opgesteld in een lange rij, begaven ze zich aan boord van de 747. Khieu haalde diep adem en blies langzaam uit. Hij voelde zich als een veroordeelde misdadiger, één minuut voor het vonnis zou worden voltrokken. Zijn handen trilden vanwege de emoties die hem doorstroomden. Hij stond achter de pocketmolen van de kiosk, op dezelfde plek waar hij de afgelopen tien minuten had doorgebracht, en staarde naar de gesloten glazen deuren die toegang gaven tot de startbanen. Ze was weg. En het was vrijwel zeker dat ze nooit zou weten hoe dicht ze bij haar dood was geweest. Op het ogenblik waarop ze zich in de rij voor de kassa had opgesteld, was Khieu schuin achter haar gaan staan. Hij droeg een lichtgewicht trenchcoat van Burberry, een donkerbruine. Honderden andere mensen in zijn nabije omgeving waren op dezelfde wijze gekleed. Hij hield zijn handen in de jaszakken verstopt; zakken waarvan de punt uit de voeringstof was geknipt. En terwijl hij daar stond bedacht hij wel tien verschillende manieren waarop hij haar zou kunnen vermoorden zonder daarbij ook maar de minste aandacht op zijn eigen persoon te vestigen. Hij werd zich gewaar van het gevoel van vervoering dat hij had ervaren toen hij als Rode Khmer getuige was van zijn eerste onthoofding. De daad was eenvoudig, de gevolgen niet. Een onthoofding betekende dat diegenen die verantwoordelijk waren, bewust een stap van duizenden jaren terug in de tijd deden.

'Hiermee verbreken wij de banden met ons verleden,' hadden ze in koor geroepen en ze hadden hun bruine armen hoog opgeheven. Een glanzend woud van kapmessen priemde naar de lucht. De slagersmessen vielen als in één beweging naar beneden. Koppen rolden.

Vijanden.

Priesters, onderwijzers, kunstenaars, de vrijdenkers van Cambodja. Weg, weg, weg!

De vogels waren klapwiekend opgestegen van de boomtoppen, weg van het bloedrode tafereel. Het bloed van vijanden doorweekte de aarde. De aarde was modderig toen de staken met de hoofden van de vijanden rechtop werden gezet, bij wijze van herinnering aan allen die twijfelden aan de macht van de Angka. Doden. Het was zo gemakkelijk, constateerde hij toen hij een beroep op zijn geheugen deed. En hij wist dat hij nu moest doden. Voor zijn vader, voor de Angka, voor alles waarvoor ze de afgelopen veertien jaar hadden gewerkt.

Dus koos hij voor de benadering die bekend stond onder de naam 'het ritselen van de zomerwind'. De nadering verliep ongemerkt. Nu was hij in positie. Hij was van plan om toe te slaan. Zijn brein doorliep de handelingen. Zijn spieren spanden zich. Zijn hele wezen was ingesteld op de daad. Al zijn zintuigen richtten zich op de lijn van haar hals, zichtbaar boven haar kleding. Eén centimeter onbedekte huid, meer had hij niet nodig. Het ogenblik was daar, bijna.

Malis, Malis, Malis.

De woorden klonken als het whop-whop-whop van een snel dalende helikopter. Hij hapte naar lucht, verloor bijna zijn evenwicht en kon nog net voorkomen tegen haar aan te vallen. Alleen een bliksemsnelle reflex redde hem.

Maar hij moest haar uitschakelen. Dat moest! Wat was er met hem aan de hand? Waarom aarzelde hij. Doe het, schreeuwde hij zichzelf in stilte toe. Doe het!

Maar hij kon het niet; iets in zijn binnenste stond het niet toe. Dat besef verblufte hem. Opeens voelde hij zich misselijk en zwak, en hij deed een stap achteruit, zonder ook maar een ogenblik haar hals met zijn blik los te laten.

En opeens wist hij met stellige zekerheid waarom hij het niet kon doen. Zodra hij zijn hand zou hebben uitgestoken en de verbinding tot stand zou hebben gebracht, zou hij niet haar, maar Malis hebben aangeraakt.

En op het ogenblik waarop dit afschuwelijke besef tot hem doordrong, zag hij Malis, hemels in de nauwgezette precisie die haar dans eiste; hij zag haar zich losmaken van het lijk van Lauren, dat in zijn gedachten aan zijn voeten lag. Haar vingers kronkelden als slangen en werden naar hem uitgestoken. Ze stapte op hem af toen haar tweeling, Lauren, met dode ogen van hem weggleed. Langzaam en verleidelijk kwam ze op hem af, wat hem herinnerde aan de Boeddhistische geloften die hij had afgelegd. Ze kronkelde zich in houdingen die uitgesproken erotisch waren. Haar heupen schokten. De spieren aan de binnenkant van haar dijbenen bewogen verwachtingsvol. Was er ooit een tijd geweest dat hij weerstand aan Malis had kunnen bieden? Zijn penis groeide en op dat ogenblik voelde hij iets in de samenstelling van de lucht veranderen, alsof een of ander onzichtbaar element van buitenaf ingreep. En toen hij opnieuw naar Malis keek, was haar hoofd verdwenen. Haar lijf en ledematen waren blauw-wit en besmeurd met modder uit de rivier. Bij elke beweging trok ze een slijmspoor als dat van een slak.

Vinyheanakhan. Haar geest achtervolgde hem. Zelfs 's avonds was de hitte benauwend. Tracy ontwaakte uit een diepe slaap, alsof iemand hem voor het slapen gaan een verdovend middel had toegediend. Hij ging langzaam staan. Zijn ontsnapping uit het ziekenhuis had meer van zijn krachten gevergd dan hij aanvankelijk had gedacht.

Ik ben uit vorm, dacht hij nijdig. Of werd hij oud? Hoe dan ook, zijn fysieke conditie beviel hem in het geheel niet. Hij haalde zijn schouders op. De boordlichten waren aan, maar de andere waren gedoofd. Overal om zich heen zag hij speldeprikken van licht op het vlakke donkere water. De bries die door zijn haren streek deed niets af aan de benauwende warmte en Tracy ging met zijn rug tegen de kajuit van de jonk op de grond zitten. Hij luisterde naar het regelmatige geknerp van tuigage. De lichte deining liet de jonk zacht heen en weer wiegen.

En langzaam, heel langzaam, drong de nacht zijn hersens binnen, doorboorde de tijd en toonde hem zijn herinneringen. Met verbazingwekkende helderheid herinnerde hij zich zijn eerste opdracht in Cambodja. Hij was net aangekomen, vlak na zijn opleiding in Mines.

Je kent nu duizend verschillende manieren om te doden, had Jinsoku voor zijn vertrek tegen hem gezegd. Maar je hebt nog niemand gedood. Wees gewaarschuwd. Dood zonder er bij na te denken.

Die eerste opdracht was de zwaarste uit zijn loopbaan geweest. Tracy was degene geweest die tenslotte helemaal alleen het doelwit, een groepsleider van de Rode Khmer, had moeten aanvallen. De drie andere mannen die hem hadden vergezeld waren onderweg om het leven gekomen.Twiley was op een landmijn gestapt. Dicks had een giftige bamboespeer in zijn maagstreek gekregen en Timothy werd door karabijnvuur geveld toen ze de laatste meters naar het dorp overbrugden.

Tegen die tijd waren alleen Tracy en zijn doelwit nog in leven. Als twee roofdieren waren ze elkaar te lijf gegaan. Allebei waren ze er zich instinctmatig van bewust geweest dat ze tot de dood zouden vechten.

Tracy had er geen moeite mee gehad. Een man-tegen-man gevecht met een Rode Khmer, en hij had de ander met zijn eerste stoot geveld. De stoot was in principe dodelijk. Maar in die fractie van een seconde waarop de stoot doel trof, besefte Tracy dat hij een mensenleven nam. Hij doofde een goddelijke vonk zoals die in elk mensenlichaam brandde. En dat in het tijdsbestek dat nodig was om één keer met zijn ogen te knipperen. Op dat ogenblik dacht hij vanuit een humaan standpunt over wat hij deed. En daarom aarzelde hij.

Het doelwit greep zijn kans. Hij ontweek de stoot. Hij was snel en zijn doodsangst maakte hem nog sneller. Als een geest uit het graf kwam hij in actie. Hij was bereid alles te doen om zijn leven te redden.

Hij deed wat hij moest doen, en verwondde Tracy. Wat de man was overkomen, overkwam nu Tracy. Hij reageerde blindelings, uit lijfsbehoud; zonder er bij na te denken liet hij zijn lichaam de noodzakelijke actie uitvoeren. Op de grensstreep van de dood bracht hij de kennis die Jinsoku hem had bijgebracht in praktijk. In een afschuwelijke stoot ramde hij zijn handpalm in een opwaartse beweging tegen het neusbot van zijn tegenstander. Het hoofd van de ander klapte naar achteren. Zijn ogen rolden in hun kassen. Het geluid van de kiai trilde nog na in zijn oren. De eerste minuten die volgden was Tracy niet in staat om ook maar iets te doen; het lijk van zijn tegenstander was bovenop hem beland. Toen, met een kreun van pijn, schoof hij de Rode Khmer van zich af.

Kort daarop drong het tot hem door wat hij had gedaan en hij werd overspoeld door gevoelens die met het besef samengingen. De enorme intensiteit van die gevoelens was overweldigend. Even, heel even had hij het gevoel gehad over een enorme macht te beschikken ... hij had zich gevoeld alsof hij een complete stad van energie zou kunnen voorzien via de energie die in golven door hem heen spoelde.

Hij wist dat dit gevoel hem van de anderen onderscheidde. En omdat hij dat besefte, wist hij ook dat hij hier niet zou sterven; hij was vrijwillig de laatste fase van de training die Jinsoku zo nauwgezet voor hem had uitgestippeld binnengegaan. Nu was hij er onverbrekelijk mee verbonden; hij was één geworden met die fase. Zijn wezen had voorgoed een verandering ondergaan, en toen hij zich afwendde van de eerste mens die hij had gedood, besefte hij dat het leven nooit meer zou zijn zoals het voorheen was geweest.

Nu, in de duisternis van de nacht, aan boord van de jonk, keek hij in de richting waar hij Bigwave Bay en Toeng Loeng vermoed-de. Het zou nu niet lang meer duren. Hij keek starend in noordoostelijke richting, speurend naar High Junk Peak. Ze waren nog niet op de plaats van bestemming. Toch bleef hij in die richting kijken.

Na verloop van tijd stond hij op en wandelde over het dek naar de achtersteven. Ondanks de warmte had hij het tamelijk koud. Opeens zag hij een donkere gedaante, ineengedoken bij de reling van de achtersteven. Li. Eerst dacht hij dat ze sliep, maar toen hij dichterbij kwam, zag hij dat ze haar ogen open had en naar hem keek.

Hij ging naast haar zitten, met zijn rug tegen de reling, en vroeg in het Chinese dialect: 'Wat is er? Waarom slaap je niet?'

Ze staarde hem aan en schudde haar hoofd heen en weer. Hij stak een hand naar haar uit en ze klauterde op zijn schoot. Hij sloeg zijn armen om haar heen. Hij had haar warmte evengoed nodig als andersom. Hij kuste de zijkant van haar hoofd en met een zucht viel ze vrijwel meteen in slaap. Even later doezelde ook Tracy in. Hij werd gewekt door een stem die vlak bij zijn oor zacht zijn naam riep. Zonder ook maar te bewegen, opende hij zijn ogen. Li lag nog steeds op zijn schoot te slapen. In haar slaap had ze zich nog dichter tegen hem aan genesteld.

Het gezicht van Ping Po staarde hem vanuit de duisternis aan.

'Je hebt goed geslapen, jonge broer.' Hij knikte. 'En je hebt je zelfs over onze kleinste ontfermd.'

Tracy was opeens klaar wakker. Omzichtig sloeg hij de ander gade. Hij wist dat Ping Po hem niet voor niets had gewekt. Althans, niet om zo maar een praatje te maken.

'Ik voel me behoorlijk opgefrist,' was al wat hij zei. Ping Po boog zijn hoofd. 'Heel goed.' Hij keek op. 'Het is een rustige nacht. Heel rustig. We wachten tot de zon opkomt en de windkracht iets zal toenemen. Heb je enig idee wanneer dat zal zijn?'

'Over een half uur,' zei Tracy meteen en zonder zijn horloge te raadplegen. Hij wist dat er een snel antwoord van hem werd verwacht. De Chinezen hielden van gok-en raadspelletjes. Een aarzeling zou aangetoond hebben dat hij een echte quai loh was; de buitenlandse duivel voor wie alle Chinezen bang waren.

'Hmm,' zei Ping Po zacht. Hij sperde zijn ogen wijd open. 'Zo laat pas?'

'Ja.'

'Honderd Hongkong dollar? Ik denk dat het eerder licht wordt.'

'Goed,' zei Tracy.

Ping Po spuwde tevreden over de reling en wreef zijn handen tegen elkaar. 'We zullen spoedig weten wie er gelijk heeft. Vóór het zover is, wil ik even met je praten. Ik vind dat je moet weten dat Mizo vele namen heeft.'

Tracy reageerde verrast. Hij toonde de verrassing echter alleen via zijn blik; dat zou Ping Po gelukkig maken en Tracy zou geen gezichtsverlies lijden. 'En hoe weet u dat?'

'Ik ben maar een arme visser,' zei Ping Po, zonder het echt te menen. 'Maar ik ben niet doof, blind en stom, zoals de zeeslang die in deze diepten huist. Als ik niet van een en ander op de hoogte was, zou ik ook niet weten wanneer het geschiktste ogenblik om de netten uit te werpen daar is. Ik zou niet in staat zijn mijn uitgebreide familie te onderhouden.'

'Dat is andere kennis,' zei Tracy. 'De kennis waarvan u zojuist blijkgaf zou gevaarlijk kunnen zijn.'

'Aaah. En u denkt dat het bevaren van deze wateren niet gevaarlijk is. Pah!' Ping Po spuwde opnieuw over de reling. 'Ik geloof slechts in twee dingen: in gokken en in het feit dat een bank een slechte plek is om je geld in bewaring te geven. Banken werden door de quai loh uitgevonden en derhalve deugen ze niet. Goud, goud is bij voorbeeld een vriend op wie je altijd kunt vertrouwen. Of niet?'

'Jazeker.'

'Goed.' Hij gaapte en rekte zich uit, en wees naar iets dat zich achter Tracy's schouder bevond. 'High Junk.'

Voorzichtig, zodat hij Li niet wakker maakte, draaide Tracy zich half om. Hij zag de lichten van Cape Collinson en, verder weg en iets naar het oosten, High Junk Peak, een donkere contour die ruim driehonderd meter vanuit zee omhoog torende. High Junk Peak bevond zich op het vasteland. Ze waren er bijna. Hun bestemming was de Kwoen Tong-wijk van New Kowloon. Ping Po durfde de jonk niet dichter in de buurt aan te meren. Hij was, terecht, bang voor de havenpolitie. En als ze een van de kanalen richting Hongkong zouden opvaren, zouden ze zeker door een politieboot worden aangehouden.

De zon kwam op en zette de horizon in een grijs licht dat al spoedig verkleurde naar een rossige tint. Erboven dreven laaghangende wolken in westelijke richting. Misschien gaat het vandaag wel regenen, dacht Tracy, dat zal de watervoorraad van deze mensen weer op peil brengen. Maar in de tussentijd dacht hij vrijwel voortdurend aan hetgeen Ping Po had gezegd. De Chinezen hadden vele namen, niet alleen de naam die ze bij hun geboorte meekregen. De namen die ze later kregen, werden over het algemeen verdiend via hun beroep of via opmerkelijke prestaties. Ping Po sloeg hem omzichtig gade. 'Sommigen noemen hem Witte Poederzon, Soen Ma Sun. Weer anderen spreken hem aan als Zwarte Poederzon. Weet je nu meer?'

Zwarte Poederzon. Dat refereerde ongetwijfeld aan Mizo's kwaliteiten als explosievenmaker. Maar Witte Poederzon? Dat kon maar één ding betekenen: betrokkenheid bij de smokkel van heroïne. Als dat zo was, dan verkeerde Tracy in grotere moeilijkheden dan hij ooit had kunnen vermoeden. Het smokkelen van verdovende middelen en goud was zo'n lucratieve handel dat diegenen die zich er mee inlieten zich er bovenal van verzekerden dat ze met rust werden gelaten. Dat betekende dat er mensen werden omgekocht.

Tracy bedacht zich dat, als hij nu naar de politie zou stappen, de kans bijzonder groot was dat hij als ongewenste vreemdeling de stad zou worden uitgezet. Mizo zou ongetwijfeld contacten binnen het korps hebben.

Li bewoog zich in zijn armen en rekte zich uit. Hij legde haar voorzichtig op het dek. Ze waren het land nu bijna genaderd; nog een halve kilometer en hij zou weer op zichzelf zijn aangewezen. Eerlijk gezegd voelde hij er niets voor om afscheid van deze vriendelijke mensen te nemen. Ze hadden hem het leven gered, hadden hem te eten gegeven en, wat nog belangrijker was, ze hadden hem in hun midden opgenomen.

Ping Po stond op en keek hem aan. 'Er staat nog steeds nauwelijks wind.'

Tracy blikte vluchtig op zijn horloge, haalde zijn schouders op, pakte zijn portefeuille en betaalde de ander honderd Hongkongdollar. De jongere leden van de familie Po stuurden de jonk even later in de richting van een lage steiger. Daar nam hij afscheid van zijn nieuw verworven vrienden, en van Li.

Zijn hersens werkten op volle toeren toen hij met haastige passen over de kade liep. Er waren niet veel mensen op straat; het was nog te vroeg. In de hele kolonie was er bovendien slechts één plek waar Mizo's handlangers hem zouden kunnen opwachten. Het hotel. Het was de enige plek in de stad waar hij onder geen beding zijn gezicht moest laten zien.

Vreemd genoeg stapte hij op een bus die hem juist in die richting bracht. Hij stapte tweemaal over, om zich ervan te verzekeren dat hij niet werd gevolgd. Maar, voor zover hij kon beoordelen, was daar geen sprake van.

Mizo had hem eenmaal als een vos in het nauw gedreven en te pakken genomen, met een behoorlijk groot team.

Hoeveel mensen zou hij in totaal in dienst hebben? Er was geen enkele manier om dat te kunnen bepalen, maar als de Japanner werkelijk bij de heroïne-handel betrokken was, dan zou hij op heel wat mankracht kunnen rekenen. Slechts één van hen hoefde Tracy ergens op straat te herkennen en hij was het haasje. In de derde bus die hij nam, liet hij zijn hoofd tegen het koele metaal naast een zijraam rusten en luisterde naar de kwetterende gesprekken rondom hem. Hij onderscheidde talloze dialecten; ze spoelden over en langs hem heen als een trage branding. Op vijf blokken afstand van het Princess Hotel stapte hij uit de bus en ging omzichtig op het hotel af. Hij bewoog zich bij voorkeur dicht in de buurt van groepjes Chinezen voort en mat zich hun korte, snelle pas aan. Maar toen hij de fraaie witte koloniale gevel van het majestueuze hotel in het oog kreeg, voelde hij niettemin een onbehaaglijk gevoel bezit van hem nemen. Hij klemde zijn kaken op elkaar en liep verder, want veel keuze had hij niet. Als er inmiddels iemand op hem stond te wachten, dan was het nu toch te laat. Christus, dacht hij, en in zijn verbeelding hoorde hij de kogel langs zijn hoofd fluiten.In vredesnaam, hield hij zichzelf voor, zorg dat je je hoofd koel houdt. Maar zijn tijd raakte op. De gedachte om nog eens vierentwintig uur onder te duiken, was bijzonder aanlokkelijk, maar het was niet ondenkbaar dat inmiddels een grootscheepse zoekactie van de politie van start was gegaan. De situatie binnen en buiten het Queen Elizabeth Ziekenhuis zou de belangstelling voor zijn persoon ongetwijfeld hebben aangewakkerd. De politie van Hongkong zou er bijzonder op gebeten zijn om een verdachte die met achterlating van een aantal lijken uit een ziekenhuis ontsnapte opnieuw in handen te krijgen. En Tracy kon het hen onmogelijk kwalijk nemen. Het was al erg genoeg dat Mizo hem dood wilde hebben. Als hij nu ook nog eens de politie achter zich aan kreeg, zou dat nét een beetje teveel van het goede kunnen zijn. Per slot van rekening was hij een quai loh. Als hij een Chinees zou zijn geweest, zou dat aanmerkelijk verschil hebben uitgemaakt. Hij zou meer dan negentig procent van de bevolking op zijn hand hebben gehad.

Parallel aan de trottoirband, voor de ingang van het Princess, stonden drie Rolls Royces; de zacht brommende motoren liepen stationair, 's Avonds zou dat niet zo vreemd zijn geweest, maar overdag was het dat wel. Terwijl Tracy vanuit de ingang van het pas gebouwde Ruimtemuseum toekeek, loodste een slanke Europeaan zijn vrouwelijke gezelschap via de glazen hoteldeuren naar buiten. De chauffeur van de voorste Rolls opende het achterportier van zijn auto. Zodra ze waren ingestapt, reed de auto weg. Tracy wachtte. Voortdurend liepen er mensen het hotel in en uit. Er kwam echter niemand naar buiten die in een van de andere twee Rolls Royces stapte. Wél kwam er uit het hotel een Chinese portier te voorschijn die met zelfverzekerde passen naar de voorste van de twee auto's liep. Een verhitte discussie ontstond en eindigde toen een van de chauffeurs, een Chinees met een zonnebril met spiegelglazen, een rol bankbiljetten te voorschijn haalde. De rust keerde terug zodra het geld van eigenaar was verwisseld. De hotelbediende knikte eenmaal, afgemeten. Hij had niet langer belangstelling voor de twee chauffeurs.

Tracy begaf zich via een omweg naar de achterkant van het hotel en ging via de keuken naar binnen. Hij dacht na over hetgeen waarvan hij zojuist, getuige was geweest. Het waren beslist geen gewone chauffeurs. Als hun bazen tot de vaste hotelklanten behoorden, zouden ze wekelijks een bedrag betalen om het voorrecht te genieten hun auto's voor de hotelingang te mogen parkeren. Het feit dat er zojuist een afkoopsom was betaald, maakte duidelijk dat hier van een eenmalige gebeurtenis sprake was. Deze chauffeurs wachtten niet op hun bazen. Wellicht waren het niet eens chauffeurs. De hele situatie rook in ieder geval verdacht sterk naar Mizo. Opvallend en onopvallend tegelijk. Tracy's kijk op zijn tegenstander veranderde. Wie zou ooit twee chauffeurs verdenken die rustig naast hun auto's voor een van Hongkongs grootste hotels met elkaar stonden te praten? Ze vormden een geheel met de achtergrond. Zoals niemand ooit aandacht aan de planten in de foyer zou schenken, zo zou niemand aandacht aan de chauffeurs schenken. Ze gingen eenvoudigweg geheel in de omringende omgeving op.

In de keuken bepaalde Tracy zijn keuze op een hotelbediende die jong genoeg was om vijfhonderd Hongkong-dollar - zonder vragen te stellen in het handje - te waarderen. Tracy lijmde hem met de smoes dat hij van zijn huidige vriendin af wilde om er met een meisje dat hij aan boord van een van Hongkongs drijvende restaurants had ontmoet vandoor te kunnen gaan.

De jongeman had alle begrip voor Tracy's wensen en, handelend naar Tracy's glasheldere richtlijnen, deed hij met een brede grijns op zijn gezicht wat er van hem werd verwacht. Tien minuten later bezorgde hij Tracy het gewenste: een van Tracy's pakken en de toilettas met bijbehorende 'artikelen'. De hotelbediende meldde Tracy dat de bedrijfsleiding opdracht had gegeven om Tracy's spullen naar een andere kamer over te brengen. 'De politie was er niet zo zeker van dat u zou terugkomen. Maar er zijn twee rechercheurs in het hotel achtergebleven, voor het geval dat, begrijpt u?'

Tracy prees zich gelukkig dat de politie zijn kleren niet meteen in beslag had genomen.

Hij bedankte de hotelbediende voor de moeite en verkleedde zich vervolgens op het mannentoilet, waar hij zich waste, schoor en opfriste. Hij controleerde de toilettas om na te gaan of alles er nog in zat. Vervolgens propte hij de stinkende kleren die hij zojuist had uitgetrokken in een vuilnisbak in de keuken. Zijn portefeuille en paspoort, die hij altijd bij zich droeg, verhuisden naar de binnenzak van zijn nieuwe jasje. Hij vertrok via dezelfde weg waarlangs hij was gekomen; via de achterdeur en de keuken, en zette koers naar het White Peony Restaurant. Daar vroeg hij om een hoektafeitje en nam even later plaats op een stoel vanwaar hij de ingang in het oog kon houden. Tracy tracteerde zichzelf op tsoeng-yu ping, deegkoekjes met veel ui en gehakt die in olie waren gebakken, en Tsjengtoepai-tsjiejou, dunne reepjes varkensvlees met veel peper, azijn, knoflook en de onvermijdelijke sojasaus. Zodra hij van het eten had geproefd, was hij ervan overtuigd dat het restaurant was gezegend met een Ta Sjih Foe, een van Hongkongs meesterkoks.

Een beweging bij de voordeur maakte hem abrupt alert. Zijn hart begon te bonzen. De chauffeur die hij het geld aan de hotelbediende van het Princess had zien overhandigen kwam de gelegenheid binnen. Vlak achter hem liep een kleine gedrongen man, een Mongool. Hij had de hoekige schouders en de waggelende loop van een uitsmijter. Tracy hield nog net een knetterende vloek binnen. Ter plekke zou geen bloeddruppel worden vergoten; er zouden geen vuurwapens aan te pas komen. De mannen zouden zich eenvoudigweg voor Tracy's tafel opstellen. Als ze slim waren, zou een van hen op de onbezette stoel tegenover Tracy plaatsnemen, onder de tafel een pistool trekken en hem vriendelijk verzoeken om het restaurant te verlaten.

Tracy had geen tijd te verliezen. De mannen hadden de afstand naar zijn tafeltje inmiddels voor de helft overbrugd; af en toe werden ze opgehouden door verstoorde kelners, die zich met overvolle dienbladen tussen de tafels door bewogen. Hun bedoeling was nu niet te miskennen duidelijk. Tracy wenkte de kelner die hem had bediend. De man, een oude Chinees, maakte een gehaaste en overwerkte indruk.

'Dit is een aanfluiting,' zei Tracy in het Kantonees. Hij gebaarde naar het overheerlijke voedsel op de tafel. 'Zoiets geef je niet eens aan je varkens.'

'Pardon, meneer?'

'Dit éten,' zei Tracy dreigend. De Mongool liep voorop. Hij werd genoodzaakt om met een wijde boog een grote tafel vol feestvierende Chinezen te passeren. 'Wie denk je dat ik ben?' riep Tracy. 'Een toerist soms?' Via een lichte stembuiging liet Tracy de ander weten dat het hem ernst was. De kelner kromp inwendig ineen.

'Meneer, er moet sprake zijn van een vergissing. U bedoelt toch niet -'

'Een vergissing!' brulde Tracy. Hij sprong overeind. 'Er is geen sprake van een vergissing. Dit eten deugt niet. Ik wil de bedrijfsleider spreken!'

'Meneer, dit eten is het beste dat u in Hongkong kunt krijgen.'

'Ik betaal geen cent, laat ik u dat alvast zeggen.' Tracy zag dat hij nu werkelijk moest opschieten. De Mongool bevond zich op twee tafels afstand van hem vandaan. De chauffeur liep vlak achter hem aan.

'Het ontbreekt u aan manieren, meneer!' Ook de kelner sprak nu met stemverheffing. Zijn wangen toonden een blos.

Tracy boog zich naar voren.

Woe koe poefen!'

De kelner deinsde achteruit alsof hij een draai om zijn oren had gehad. Tracy had hem de ergste belediging die er in de taal bestond naar het hoofd geslingerd: 'Je kunt de vijf granen niet eens uit elkaar houden.' Graan, rijst, sesam, gerst en bonen vormden de basis van elke Chinese maaltijd. De Chinees die ervan werd beschuldigd deze vijf 'korrels' niet uit elkaar te kunnen houden, werd tot in het diepst van zijn ziel beledigd.

En terwijl de man hem allerlei verwensingen naar het hoofd slingerde, ging Tracy ervandoor. Aan alle tafeltjes spanden de bezoekers zich in om na te gaan waaraan de opschudding te danken was. Kelners bleven als aan de grond genageld staan. Een geschrokken bedrijfsleider stak zijn hoofd om de hoek van zijn kantoordeur.

Eenmaal buiten verscheen er een grimmige uitdrukking op Tracy's gezicht. Ik heb er genoeg van, dacht hij. Het wordt tijd dat ik Gouden Draak, de feng shui-man, met een bezoek vereer. Macomber had zijn blik op het groene scherm van FIRSTgevestigd toen Khieu zijn studeerkamer op de eerste verdieping van de woning in Gramercy Park betrad. Macomber was zich niet van de nadering van zijn zoon bewust, omdat hij volledig in beslag werd genomen door de uitdraai van de ratelende printer. FIRST, de huiscomputer, was rechtstreeks aangesloten op de grote computer op het hoofdkantoor van Metronics Inc. Dat gedeelte van Macombers brein dat zich niet met de uitdraai bezig hield, was geconcentreerd op de persoon van de Monnik en diens pogingen Macombers geliefde Tisah terug te vinden. Hij kon zich bijna niet inhouden om de hoorn van de haak te nemen en het nummer te bellen waarop de Monnik voor het maken van zakenafspraken te bereiken was; hij popelde om de man een telex te sturen, maar dat kon hij niet doen. Waar zit ze verdomme, jij schoft, dacht hij woedend. Waarom heb je zoveel tijd nodig om dat uit te vinden?

Heel even voelde hij de wanhoop, die hem had overspoeld toen Khieu zonder haar uit Cambodja was teruggekeerd, opnieuw de kop opsteken. Toen hij achter zich een zacht geluid hoorde, draaide hij zich met een ruk om en zag Khieu in het midden van het vertrek staan. Hij drukte meteen de stop-knop van de printer in en scheurde de uitdraai los.

'Wat sta je daar, Khieu?' vroeg hij een beetje bars. 'Kom verder.'

Hij deed twee passen, stelde zich voor het raam op en keek het park in. 'Ik heb zojuist de correcties in een alternatief plan aangebracht, voor het geval het oorspronkelijke misloopt.'

'Hoe verliep het gesprek met Findlan?' vroeg Khieu bedaard.

'O, ja, Findlan,' zei Macomber toen hij zich omdraaide. Hij zocht wanhopig naar een manier om Cambodja in het gesprek in te voeren. Wat is die jongen daar in vredesnaam overkomen? dacht hij. 'Findlan vormt geen enkel probleem.' Hij hield zijn hoofd een beetje schuin en keek Khieu aan. 'Maar daar zou in de toekomst wel eens verandering in kunnen komen, want onze Marcus Findlan is een ambitieuze man, en geen domme jongen. Er zal ongetwijfeld een tijd komen dat hij niet langer tevreden is met de troon die hij momenteel bezet houdt.'

'En wat zou zijn volgende stap zijn?' Khieu leek nauwelijks geïnteresseerd in het gesprek. In stilte vroeg Macomber zich af wat de oorzaak daarvan was.

'Wat denk je?' vroeg hij. 'Gottschalks stek, natuurlijk.'

'Zou dat zo erg zijn ?' Khieu nam plaats op een stoel met een hoge rug.

'Ja, dat denk ik wel,' zei Macomber ernstig. 'En de computer is dezelfde mening toegedaan. Een profiel van zijn psyche wijst uit dat Findlan van nature een gewelddadig mens is. Kijk zijn levensgeschiedenis er maar op na. Mannen zoals hij kunnen hun ware aard tenslotte niet blijven verloochenen.' Hij schonk de ander een vlakke blik. 'En wij weten allebei hoe een gewelddadige aard op iemands persoonlijkheid inwerkt, niet waar, Khieu?'

'0Mi,' zei Khieu rillend.

Macomber werd met stomheid geslagen. 'Voel je je wel goed?

Sinds je terug bent uit Cambodja maak ik me ernstig zorgen over je... gezondheid. Misschien heb je daar een of ander virus opgedaan.'

Ja, dacht Khieu, maar niet zoals jij bedoelt. 'Ik mankeer niets, vader,' zei hij zacht. 'Het is alleen zo dat ik ... nogal slecht slaap.'

Dat bewees Macomber dat zijn bezorgdheid gegrond was. 'Zijn ze terug?' vroeg hij. Hij herinnerde zich de nachtmerries waardoor Khieu vlak na zijn aankomst in de Verenigde Staten werd geplaagd nog al te goed. Macomber had hem meegenomen naar een arts die, na een uitgebreid onderzoek, had gemeld dat er in fysiek opzicht niets met de jongen aan de hand was. Om van de nachtmerries af te komen, moest Khieu zich zoveel mogelijk ontspannen en rusten. Daarna waren de nachtmerries langzaam verdwenen.

Khieu glimlachte. Wat zou zijn vader zeggen als hij hem vertelde dat de nachtmerries nooit helemaal waren weggebleven?

'Ik denk dat het tijdsverschil de belangrijkste oorzaak van mijn slapeloosheid is,' zei hij tenslotte. 'Het viel niet mee... de terugreis.' Dat laatste had Khieu voor zich willen houden.

'Was het moeilijker dan je je had voorgesteld ?' vroeg Macomber, die bleef aandringen op een eerlijk antwoord.

Maar Khieu had de teugels van zijn zelfbeheersing alweer strak in handen. 'Eerlijk gezegd heb ik er vooraf niet over nagedacht. Maar, ach, Cambodja is niet langer mijn thuis ... ik voel me er een vreemdeling. En iedereen is dood, allemaal... mijn familie...' Hij maakte de zin niet af. Macomber dook meteen in het ontstane gat.

'Al die slachtpartijen. Ik wist in '69 al dat we het daar nooit zouden redden. Zoals we toen tekeer gingen ... het was verkeerd. En nu is er nog steeds oorlog.'

Khieu reageerde niet. Verder kan ik niet gaan, dacht hij, en hij liet het er bij. In plaats daarvan vervolgde hij met: 'Ik denk dat ik de stemming in dit land goed heb ingeschat. Na Reagan zijn ze hier nog steeds als de dood voor de republikeinen, maar echt vertrouwen doen ze de democratische regering evenmin. Niet na de gebeurtenissen in West-Duitsland en in Egypte.' Hij schonk zijn aangenomen zoon een vluchtige blik. 'Maar helemaal overtuigd zijn ze nog niet en ik heb het idee dat ze van woorden schoon genoeg hebben. Gottschalk heeft inmiddels geld genoeg om een campagne te kunnen bekostigen. Enfin, hij werd door de partij kandidaat gesteld, dus dat is een eerste succesje.'

Er klopte iets niet. Macomber had met opzet een verwarrend verhaal afgestoken en Khieu had niet met zijn gebruikelijke alertheid gereageerd. De jongen stond op. Het duurde een hele poos voor hij iets zei. Hij stelde zich zodanig voor het raam op dat Macomber zijn ogen niet kon zien.

'Ach,' zei hij tenslotte, 'we redden het wel.' Hij streek met zijn slanke vingers door zijn dikke haar. 'Heb je me nog nodig?'

'Nee, op dit ogenblik niet.' Macomber spande zich tot het uiterste in om erachter te komen wat er in zijn zoon omging.

'Ik heb behoefte aan wat frisse lucht,' zei Khieu bijna fluisterend.

'Ik ga een eindje wandelen.'

'Neem er de tijd voor,' zei Macomber zacht.

Na het vertrek van Khieu drukte Macomber de toets in die de printer weer in beweging zette, maar hij was niet met zijn gedachten bij de tekst. Roerloos zat hij op zijn stoel, ogenschijnlijk in overpeinzingen verzonken, zonder zelfs maar naar de uitdraai te kijken.

Wat was er met Khieu aan de hand? dacht hij. Is het ernstig of valt het mee? En, het allerbelangrijkste, kan ik hem nog steeds vertrouwen?

Hij sloot zijn ogen en nam de mogelijkheden door zoals een kaartspeler de kaarten in zijn hand beoordeelt. Hij probeerde zo goed mogelijk de sterke en de zwakke punten van de combinaties die mogelijk waren te bepalen. Toen maakte hij zijn keuze. Vrijwel meteen reikte hij naar de telefoon, draaide een nummer en zei:

'Eliott?'En even later:'Ha, daar ben je. Hoe is het met je? .. .Mooi. Heb jij bij Metronics alles gekregen wat je wilde hebben?... Schitterend.' Vervolgens laste hij precies het juiste aantal seconden in. 'Het wordt tijd dat we samen weer eens uit eten gaan. Wat dacht je van een zakenlunch? Heb je daar zin in? Ah, dat dacht ik wel. Bij Lutèce.' Hij grinnikte. 'Afgesproken, doen we, morgen.'

En daarna legde Macomber langzaam de hoorn weer op de haak en dacht: misschien kan Eliott voor elkaar krijgen wat mij niet lukt. Toen Thwaite het raspende geluid hoorde van de grendel die, aan de andere kant van de deur, werd teruggeschoven, draaide zijn maag een kwart slag. Het leek ontzettend lang geleden sinds hij hier voor het laatst was geweest; alsof zijn laatste bezoek tijdens een ander leven had plaatsgevonden. Hij dacht: misschien herken ik haar niet eens. Misschien is het een vreemde die de deur voor me opent.

'Doug -'

'Ja.'

'Ik had niet verwacht je ooit nog terug te zullen zien. Ik -'

'Ik kom je om een gunst vragen.' Hij kon het maar beter eerlijk en meteen zeggen, in plaats van eromheen te draaien. Toen ze hem verbaasd aankeek, hield ze haar hoofd een beetje schuin. 'Je weet dat je dat niet hoeft te vragen. Dat hoort bij de afspraak die we -'

'Die geldt niet meer,' zei hij haastig. Alleen de gedachte aan zijn vroegere praktijken bezorgde, hem al een smerige smaak in zijn mond. 'We moeten een nieuwe afspraak maken.'

Hij zag de geschrokken uitdrukking in haar ogen verschijnen en pas op dat ogenblik begreep hij dat zijn uitspraak op twee manieren kon worden uitgelegd. Maar zó heb ik het niet bedoeld, dacht hij.

'Ik begrijp het.' Haar gezichtsuitdrukking verried niets van haar ware gevoelens, maar onder haar make-up zag hij haar bleek worden.

'Ik begrijp het niet,' zei hij onschuldig. 'Ik denk dat je je een stuk gelukkiger zal voelen als ik de teugels laat vieren.'

'Ver genoeg om mij in staat te stellen jou een gunst te weigeren?'vroeg ze gespannen.

'Als je niet wilt, dan -'

'Precies, ik wil niet.' Ze wendde zich van hem af, met haar armen stijf over elkaar geslagen. Vlak onder een ooghoek zag hij een spiertje trekken.

'In dat geval...' Om een onverklaarbare reden kreeg hij een brok in zijn keel en hij moest een ogenblik wachten tot die was gezakt. 'Dan is dit de laatste keer dat je me hebt gezien.'

Ze boog haar hoofd alsof hij haar een klap in het gezicht had gegeven. Hij dacht dat hij haar iets hoorde zeggen, maar hij kon de woorden niet verstaan. Hij deed een stap in haar richting.

'Wat zei je?'

Toen ze weer tot spreken in staat was, rolden de woorden langzaam over haar lippen en hij besefte dat ze zich tot het uiterste moest inspannen om haar emoties voor hem verborgen te houden.

'Dat ligt helemaal aan jou.'

Hij voelde zich wanhopig, alsof hij zich in een situatie bevond waarvan hij niets begreep. 'Wat moet ik daar nu op zeggen?'

Ze wendde zich met een ruk naar hem toe en pas op dat ogenblik zag hij de hoogrode blos op haar wangen en de tranen die als diamantjes in haar ooghoeken trilden. 'Het interesseert me allemaal niet wat je zegt of doet, als je maar eerlijk bent.'

'Wil je de waarheid weten?' vroeg Thwaite. 'Oké. Alsjeblieft. Ik had een verhouding met jou - een hoer - terwijl ik getrouwd was. Ik verwaarloosde mijn vrouw en bracht onvoldoende tijd in gezelschap van mijn kind door, en nu zijn ze allebei, letterlijk, in rook opgegaan. Ik heb niemand meer. Niemand, begrijp je dat?'

Tijdens het uitspreken van de woorden had hij haar vastgepakt en nu schudde hij haar heen en weer. Hun gezichten bevonden zich heel dicht bij elkaar en hij voelde haar lichaamswarmte als een barrière tussen hen in. En vervolgens stortte hij zijn hart bij haar uit, en slaagde erin haar duidelijk te maken hoe eenzaam hij zich sinds de dood van zijn vrouw en kind had gevoeld. 'En de waarheid is dat, telkens als ik aan jou denk, telkens als ik naar jou kijk, telkens als ik jou spreek, ik eraan word herinnerd wat ik heb gedaan, en dat kan ik niet verwerken.'

'Laat me los,' zei Melody beheerst. En dat deed hij. Hij deed zelfs een stap achteruit. 'Ik heb tijdens de afgelopen nachten vaak aan je gedacht. Ik dacht dat ik van je hield.' Ze lachte kort en rauw. 'En dat meen ik! Toen ik je daarnet voor de deur zag staan, meende ik het zelfs zeker te weten. Maar ik dacht, ik weet wat hij heeft doorgemaakt. Dit is niet het geschikte tijdstip om erover te beginnen.' Haar ogen vonkten. 'Maar ik begrijp nu dat ik er volkomen naast zat, Doug. Ik zat er evengoed naast als jij ernaast zit als je zegt dat je niemand hebt. Je zit vol, Doug, vol zelfmedelijden. Ik haat je gewoon. Je bent verachtelijk. Ik wil niets met jou of met iets dat verband houdt met jou te maken hebben.'

'Nu wordt me een en ander duidelijk,' zei hij knikkend. Zijn gedachten en gevoelens werden een klomp ijs. Hij had geen keuze.

'Goed, laten we het dan hierbij houden. Het is afgelopen tussen ons. Je wilt me geen gunst bewijzen? Oké. In dat geval zal ik een paar van je pooiervriendjes met een bezoek vereren. Want daar ging het aanvankelijk toch om, niet waar? Nou, van nu af aan zullen jullie wat beleven. Reken maar. wat je daarna moet beginnen, dat bekijk je maar. Dat is jouw zaak en niet de mijne.'

En na deze woorden draaide hij zich om en liep van haar weg. Hij voelde zich op dat ogenblik een stuk beter dan hij zich in lange tijd had gevoeld.

Meteen na het vertrek van Thwaite begaf Melody zich naar haar slaapkamer. Ze trok haar pantoffels uit en wierp zich huilend op het bed, waarbij ze het nadrukkelijk meed om naar haar evenbeeld in de spiegel te kijken. Ze wenste dat ze eenvoudigweg haar vrienden kon bellen, maar zij hadden haar verboden dat ooit te doen. We worden voortdurend afgeluisterd, zowel legaal als illegaal, hadden ze tegen haar gezegd.

Ze pakte haar handtas en verzekerde zich ervan dat ze haar sleutels en voldoende geld had. Ze had noch het geld, noch de sleutels op dat ogenblik nodig. Maar ze moest iets om handen hebben^ wat dan ook, als ze maar niet aan Thwaite hoefde te denken. Ze was echter niet in staat om de tranenstroom te stoppen. Ze wenste dat ze in staat was om hem te haten, maar ze kon het eenvoudigweg niet. Ze pakte een Kleenex uit het doosje op het nachtkastje en drukte die tegen haar ogen. Christus, dacht ze, het is maar goed dat de anderen me nu niet zien.

Thwaite volgde haar vanaf het ogenblik dat ze Broadway overstak en een taxi aanhield. Hij deed het heel voorzichtig. Hij wist hoe slim ze was; hij zag haar omzichtig over haar schouder kijken, vóór ze op de achterbank van de taxi plaatsnam. Zij mag dan slim zijn, dacht hij, het zou wat, ik ben veel slimmer.

Zelfs als ze zich op de achterbank zou omdraaien, zou ze hem niet zien. Hij zat onderuitgezakt achter het stuur en het zonlicht weerkaatste fel op de voorruit. Hij draaide de contactsleutel om en gaf gas.

Ze ging naar het centrum, wat hem enigszins verraste. Hij had eerder verwacht dat ze naar een of ander duur penthouse aan Park Avenue zou gaan. Maar de huurkazerne waarbij de taxi haar afzette, leek in geen enkel opzicht op de eerste klas huizen aan Park Avenue. De huurkazerne, Counties Slip had een volstrekt unieke geschiedenis. Vissers en walvisjagers hadden het pand tijdens de eeuwwisseling bewoond. Herman Melville, de schrijver van het beroemde boek Moby Dick, had er gewoond, en de met kinderhoofdjes bestrate omgeving bewandeld en koud bier gedronken in de zeeliedenbar op de hoek; een kroeg met veel donkerbruin hout, gekleurd door de walm van talloze pijpen.

De gebouwen in de omgeving zagen er niet veel anders uit dan honderd jaar geleden. Ze waren iets meer in verval geraakt en helden iets naar voren, alsof ze onder het gewicht van de jaren gebukt gingen. Thwaite stapte uit zijn auto, stak de brede straat over en snoof de lucht op van vis, zout en pekel, afkomstig van de vestigingen van groothandelaren die een blok verderop aan South Street een onderkomen hadden gevonden.

Hij ging het pand binnen waar Melody even tevoren naar binnen was gegaan. Hij had vijf volle minuten gewacht en al die tijd had hij met zijn vingers tegen de hoes van het stuur getikt. Zodra hij over de drempel was, trok hij zijn revolver. In de betegelde hal was echter niemand te bekennen. Vanuit de schaduwen staarde een kat hem aan. De gele ogen glommen. Hij passeerde de kat, de .38 gebruiksklaar in zijn hand. Het zou niet gemakkelijk worden, constateerde hij. Op de eerste verdieping telde hij niet minder dan zes deuren en er waren vijf verdiepingen. Dertig appartementen in totaal, en Melody bevond zich in een ervan.

Het zou, natuurlijk, een stuk gemakkelijker zijn geweest als hij haar meteen naar binnen was gevolgd om na te gaan welk appartement ze binnenging. Maar één blik op het pand had hem duidelijk gemaakt dat dat onmogelijk was. Een lift ontbrak en er was slechts één trappenhuis. Ze zou hem zeker hebben opgemerkt. Hij had geen andere keus dan te wachten tot ze te voorschijn kwam. Halverwege de trap bleef hij staan en dacht na. Als hij zich in een bouwval als deze waagde, was het zinvol om na te gaan hoe hij, mocht dat noodzakelijk zijn, zou kunnen ontsnappen. Hij kon er via de buitendeur vandoor. Een tweede mogelijkheid? Het dak!

Hij moest in geen geval proberen om zich op een van de verdiepingen te verstoppen. Hij ging terug naar de begane grond. De architectuur van de hal maakte hem duidelijk dat er ooit een achteruitgang geweest moest zijn. Dat klopte. De deur was dichtgetimmerd met schroten, die in dezelfde kleur als de rest van de hal waren geverfd.

Hij liep opnieuw de trap op en ging naar de bovenste verdieping, met gespitste oren, luisterend naar elk geluid dat hem verdacht voorkwam. Toen hij zich halverwege de vierde en de vijfde verdieping bevond, hoorde hij boven zijn hoofd voetstappen. Hij trok zich terug in een nis op de gang van de vijfde verdieping. Hij was net op tijd om Melody vanuit een gedeeltelijk openstaande deur te voorschijn te zien komen. Ze had haar gezicht van hem afgewend en zei iets tegen iemand die zich in het vertrek bevond. Thwaite aarzelde geen ogenblik. Hij nam een sprint en sprong, raakte Melody als een rugbyspeler tegen haar schouder en verdween met haar via de deuropening naar binnen. De deur klapte tegen de wand.

'Wat zul -'

'Geen beweging meer. Politie!' riep hij terwijl hij zich in de klassieke schiethouding opstelde; de benen licht gespreid, de armen gestrekt. Hij ving een glimp op van drie grimmige gezichten, donker vet haar, dure pakken en levervlekken op de wang van een van hen.

'Smerige leugenaarster. Je hebt de smerissen hierheen gebracht!'

Een beweging links van hem. Hij wendde zich met een ruk in die richting. Een van de mannen had een .45 met een korte loop getrokken. Het was een wapen waarmee niet te spotten viel.

'Laat vallen,' bulderde Thwaite. 'Nu!'

De man gromde iets. Thwaite verstond er niets van. De man richtte zijn wapen zonder aarzeling op Melody. Thwaite aarzelde geen ogenblik. Hij schoot meteen, zag de man achteruit vliegen en de .45 tussen zijn gespreide vingers vandaan glijden. De man belandde met een klap op de grond. Zijn rug maakte contact met een stoelpoot, die met veel gekraak versplinterde. Het slachtoffer bloedde uit zijn mond.

'Wie volgt?' gromde Thwaite.

'Ik niet, kerel.' De man die het dichtst bij hem stond, die met de levervlekken, hief zijn handen hoog boven zijn hoofd. Hij kwam in beweging. 'We willen geen problemen, makker. Overigens, met welk recht val je hier binnen? We zaten hier alleen maar wat te kaarten.'

Hij bleef aan het woord en tussentijds verdween de derde man, die met het vette haar, uit Thwaite's gezichtsveld. Thwaite wuifde met zijn pistoolloop. 'Terug, Johnnie-boy. Terug naar de plek waar ik je kan zien.' Vanuit een ooghoek ving hij een beweging op die hem ertoe aanzette zich meteen plat op de vloer te laten vallen. Een schot donderde en echode in zijn oren. Het volgende ogenblik kwam iedereen in de kamer in beweging. De twee overgebleven mannen bewogen zich in de richting van het raam. Er achter zag Thwaite het smeedijzer van de brandtrap en verderop de punten van daken.

'Geen beweging, geen van beiden,' schreeuwde hij, en zocht zelf dekking achter een omgevallen fauteuil.

Het antwoord bestond uit een tweede donderend schot. Hout versplinterde en splinters prikten in zijn wang.

Thwaite dook opzij en schoot tegelijkertijd, uiterst beheerst, zonder zich ook maar over iets zorgen te maken. Hij deed zijn werk; het enige wat hem in deze wereld nog restte. En van nu af aan wilde hij zijn werk zo goed mogelijk doen. Hij schoot raak, tweemaal. Hij stond langzaam op en schopte de .45 naar een hoek van de kamer. Het vertrek was slordig behangen. Het meubilair bestond uit meubelstukken die de indruk wekten rechtstreeks van de vlooienmarkt afkomstig te zijn. De twee mannen lagen allebei, half over elkaar heen, bij het raam. Ze waren allebei dood. Thwaite schoof met zijn voet een bank naar achteren en bleef roerloos staan. Naast de bank lagen een aantal plastic zakjes, netjes opgestapeld, gevuld met wit poeder. Heroïne!

Thwaite keek naar het verdovende middel en spuwde op de grond. Toen draaide hij zich om en begaf zich naar de plek waar Melody ineengedoken in een hoek op de grond zat. Ze keek strak en roerloos naar de lijken van haar vrienden.

Hij keek naar haar en zag hoe mooi ze was, hoe dik en glanzend haar haar tot op haar schouders viel. Hij pakte een van de zakjes op, liep er mee naar haar toe, greep haar haar vast en dwong haar naar het pakje te kijken.

'Alsjeblieft. Met dit soort zaken hielden je vrienden zich in werkelijkheid bezig. Met het verhandelen van de dood in poedervorm, Melody.' Hij verstevigde zijn greep op haar haar. 'Nee, niet de andere kant op kijken. Je moet er eens goed naar kijken. Ik -'

Opeens werd hij zich ervan bewust dat Melody iets uit haar handtas had gepakt. Toen ze de hand ophief, omklemden haar vingers de kolf van een kleine revolver.

'Je hebt mijn vrienden vermoord,' zei ze zacht. 'Je hebt mij gebruikt om hen -'

'In Christusnaam,' riep hij. 'Je moest jezelf eens horen. Jouw vrienden, schat, waren dealers!'

'Ze hebben mijn schoolopleiding bekostigd,' zei ze. 'Ze zorgden voor me toen mijn vader en moeder daar niet toe in staat waren. Als zij er niet waren geweest, was ik in de goot terechtgekomen.'

'En wat verlangden ze in ruil daarvoor? Nou? Ga me nu niet vertellen dat ze al dat geld uit pure goedheid in jou investeerden.'

'Ja,' zei ze met een vlakke stem. 'Dat deden ze wel.'

Ze trok de hamer van de revolver naar achteren. Een harde klik.

'Je bent een verdomde leugenaarster,' zei hij.

'Maar jij zult niet lang genoeg leven om daarover ooit zekerheid te krijgen.'

Thwaite, die recht in het zwarte gat aan het uiteind van de loop staarde, voelde zijn maagspieren zich op een onaangename manier samentrekken. 'Melody, ik wil niet dood,' stamelde hij. Ze beefde. 'Ik zou je moeten vermoorden, schoft. Mijn leven verzieken, met fysiek geweld, met geestelijk geweld... jij...'

Hij was degene die als eerste begon te huilen. Hij viel op zijn knieën voor haar neer.

'De schoft die mijn gezin om zeep hielp zat ook in deze handel, Melody.' Hij smeet het pakje heroïne van zich af. 'Een verdomde groothandelaar. En ik hielp hem indirect met zijn zaakjes, zonder het te weten. Ik dacht al die tijd dat het een gewone pooier was. Begrijp je me?' Zijn gezicht zag nu rood. 'Net als Leonard de Bink, Joe de Wesp en al die anderen van wie ik elke maand geld ving. Maar hij was heel anders dan zij. Hij was net als die vrienden van jou, tuig van het ergste soort. Heroïne verhandelen! weet je hoe ik me voelde toen ik er eindelijk achter kwam?'

Ze kon de revolver eenvoudigweg niet vasthouden. Haar handen zakten. Het wapen viel met een bonk op de kale houten vloer. Ze sloeg haar armen om hem heen. Ze kuste hem. Ze streelde hem. Ze probeerde hem met sussende woorden te troosten. 'O, Doug, nu is de band met mijn verleden werkelijk verbroken. Er is niets meer van over, en ik ben zo bang, omdat ik niet weet wat de toekomst me zal brengen.'

Haar warme lijf drukte tegen hem aan en hij zag aan haar gezicht dat ze niet loog. Hij droogde zijn tranen. Hij moest niet te veel medelijden met zichzelf krijgen. Wat zijn gevoelens voor haar betrof, hij wilde niet verder dan vandaag kijken. Hij wilde niet nadenken over de troost die zij, en alleen zij, hem kon schenken. Terug in haar appartement reikte hij haar zwijgend de rol met de uitheemse lettertekens aan. Ze nam op het bed plaats en trok het zijden lint los. 'Bedoelde je dit, toen je een gunst van me vroeg?'

Thwaite knikte. 'Ik wil dat je die tekens voor me vertaalt.'

Ze keek naar de rol, fronste haar wenkbrauwen en boog zich iets naar voren. Ze vroeg hem niet waarom hij de lettertekens niet op het bureau had laten vertalen. Haar blik gleed over de kolommen.

'Jezus,' zei ze na verloop van tijd. 'Heb je werkelijk driehonderdvijftig kilo onversneden heroïne gevonden?'

'Jazeker,' zei hij knikkend. Hij ging naast haar zitten en verbaasde zich er over hoe gaaf haar huid was. 'Wat staat er verder?'

Ze keek hem aan. 'Heb je ooit van de Mauritious Maatschappij gehoord?'

Thwaite schudde zijn hoofd. 'Nee, moet dat?'

'Dat is de maatschappij die opdracht voor de zending gaf.' Ze richtte opnieuw haar blik op de rol. 'Doug, dit is een geval uit duizenden. Het is zowat onmogelijk om zoveel smack in één keer, zonder dat ook maar iemand er lucht van krijgt, te importeren.'

'En toch is dat gebeurd.' Hij wees naar de rol. 'Staat het adres van de Mauritious Maatschappij er op?'

'Ja.'

'Mooi. Kom op dan. We gaan.'

Gouden Draak hield kantoor in een van de drieduizend speelgoedfabriekjes die Hongkong rijk is. Een vreemde plek voor een feng s/jwi-man om kantoor te houden, maar er gingen geruchten dat de fabriek eigendom van zijn broer was. Hoe dan ook, naar die plek begaf Tracy zich.

Als feng shui-man was Gouden Draak een van de machtigste mannen in de kolonie. Maar niet alle feng shui genoten zijn status. Hij was eenvoudigweg de beste.

Zowel mannen als vrouwen zochten zijn advies omdat hij het altijd bij het rechte eind had. Hij was waarzegger en in staat het lot van mensen aan het draaien van de wind af te lezen. Of aan de kleur van het daglicht. Of aan de zeestromingen. Van hem werd eveneens beweerd dat hij over magische krachten beschikte, dat hij wist door 456

te dringen tot de geestenwereld, waar volgens de Chinezen de talloze geesten, demonen en goden verkeren. De Chinezen bezochten hem als ze iets wilden ondernemen dat hun leven mogelijk ingrijpend zou veranderen, en het maakte niet uit of die onderneming van zakelijke of persoonlijke aard was. Ook huwelijken werden vooraf door Gouden Draak beoordeeld.

De dagploeg was afgewisseld door de nachtploeg, maar de deur van de fabriek stond open. De grote fabriekshal gaf alle geluiden versterkt weer. Overal zag Tracy bewegende schaduwen, die zich naar alle kanten verplaatsten, alsof ze zich voor zijn komst terugtrokken. Hij liep langs kisten en dozen met onderdelen voor speelgoed in de maak: plastic zakken met armen, benen, rompen en hoofden van poppen met nylon haar, de gespierde armen van krijgers die op de rest van hun lijf wachtten, onderdelen van spoorwegemplacementen.

Gouden Draak hield achterin de fabriek kantoor. Dat was waarschijnlijk de beste plek om de geesten gunstig te stemmen en de demonen te weren.

Gouden Draak was in gezelschap van een Chinese vrouw en Tracy wachtte beleefd zijn beurt af. Door de glazen ruit heen zag Tracy dat het heiligdom van de waarzegger schaars werd verlicht. Hij zag enkele olielampen van koper, een aantal kaarsen en iets dat op een altaar leek. Er op stond een schaal met verschillende soorten vers fruit, waarschijnlijk offeranden. De wand rechts van Gouden Draak werd geheel afgedekt door een wandkleed dat Boeddha tijdens zijn leven toonde, afgebeeld tijdens verschillende bezigheden. Voor hem stond een prachtig bewerkte urn, bedekt door een donkerbruine glazuurlaag.

Dat was, wist Tracy, een Gouden Pagode. In dergelijke urnen bewaarden de Chinezen de botten van hun overleden familieleden. Ruimtegebrek was namelijk iets waarmee iedereen in de kolonie te kampen had en de Chinezen hadden voor de overledenen een aardige oplossing bedacht. Voor de tijdsduur van zes jaar huurden ze een graf, waarna ze de botten opgroeven - of liever gezegd, wat ervan over was - en prepareerden. Vervolgens werden de botten in een Gouden Pagode opgeborgen.

In deze fraai bewerkte urn bevonden zich zonder twijfel de botten van de voorvaderen van Gouden Draak.

'Koeng Hei Fat Tsjoi.'zei defeng shui-man na het vertrek van de vrouw bij wijze van groet. Voorspoed zal u ten deel vallen, u zult rijk worden. Hij hief zijn handen op, haal.de een vinger onder zijn neus langs en keek Tracy aan. 'We zijn voor vandaag verder gesloten en u zult, hoe'dan ook, eerst een afspraak moeten maken.'

Tracy stapte naar binnen en maakte een buiging voor de Gouden Pagode. Toen keek hij de/eng shui-man aan en zei: 'Koeng Hei Fat Foek.' Mijn gelukwensen, ik zie dat u het goed maakt.'

'Inderdaad.'

'Ik heb een hele lange reis gemaakt om u te kunnen spreken,'vervolgde Tracy in het Kantonees.

'Hoelang was die reis?'

'Een leven lang.'

Gouden Draak boog zijn hoofd. 'Kom dichterbij.'

Hij was een magere man, veel ieler dan de gemiddelde Chinees. Zijn huid stond strak over zijn schedel getrokken en glom in het kaarslicht. Hij had scherpe ogen, een brede mond en een terugwijkende kin. Hij droeg een zijden jasje met gouden draken op de borst geborduurd. Het enige voorwerp dat verried dat hij betrekkelijk welgesteld was, was het ronde gouden brilletje dat op de brug van zijn neus rustte.

'U bent met onze gewoontes en gebruiken bekend, merk ik,' zei hij zacht. 'Hoe heet u?' Tracy vertelde het hem. 'En wanneer werd u geboren?' Ook dat vertelde Tracy hem.

Gouden Draak maakte een handgebaar. 'Ga zitten.'

Tracy nam voorzichtig plaats op de ebbehouten stoel, tegenover de/eng shui-man, die aan de andere kant van de tafel zat. De ander maakte wat aantekeningen. Bij zijn linker elleboog bevond zich een stapeltje boeken. Tracy herkende een van de boekwerkjes als zijnde een Chinese kalender. De Chinees zocht zijn geboortedatum er in op. Rechts van de Chinees bevond zich een houten kistje van een flink formaat en daarin bevond zich een cirkel, verdeeld in twaalf partjes, die de Chinese tekens voor de sterrenbeelden van de Chinese dierenriem toonden. In het midden ervan zag Tracy een koperen naald, als van een kompas.

Gouden Draak keek op en bestudeerde Tracy's gezicht. Er verscheen een vreemde uitdrukking in zijn ogen en hij leek een beetje te verbleken. 'Weet u wat Kan-hsiang is, meneer Richter?'

Tracy schudde zijn hoofd. 'Nee.'

'Dat is de gave om van iemands gezichtsuitdrukking zijn lot af te lezen. Ooit van gehoord?'

'Nee.'

'Gelooft u in een dergelijke gave?'

'Ik vrees dat het mij aan kennis ontbreekt om die vraag te kunnen beantwoorden.'

Gouden Draak knikte. 'U bent een verstandige man.' Hij spreidde zijn handen en toonde zijn centimeterlange nagels. Ze glommen. 'Enfin, niettemin moet ik u verzoeken nu weg te gaan.'

'Maar, het is van het allergrootste belang -'

'Alstublieft. Woorden zullen u niet helpen. U bent hier gekomen om informatie over iemand anders te vergaren, niet over uzelf.'

'Dat is waar. Maar -'

'In dat geval kunnen we u niet helpen.'

'Maar u weet niet eens over wie ik meer wil weten.'

'Jawel, over een van mijn klanten. Een machtige klant.' Gouden Draak leunde achterover. 'Wat, denkt u, zou deze man doen als hem ter ore kwam dat ik u inlichtingen over zijn persoon heb verstrekt? Alle klanten zouden me in de steek laten. Het zou het eind van mijn carrière betekenen.'

'U weet wat voor een soort man hij is.'

'Hier spreken we geen oordeel uit, meneer Richter. We beperken ons tot het bepalen van een levensloop.'

'Ik smeek u,' zei Tracy. 'Het is van levensbelang.'

'Dat weet ik,' zei Gouden Draak. 'Maar het blijft "nee".'

'Dan wil ik dat u mijn horoscoop trekt,' zei Tracy wanhopig. Defeng shui-man keek hem een poosje aandachtig aan. Op dat ogenblik was het heel stil in de fabriek. Tenslotte keek hij naar zijn aantekeningen. De daaropvolgende twintig minuten ging hij volkomen op in zijn werk. Aan het eind ervan legde hij zijn pen terzijde en keek opzij. De tekens van de dierenriem in het kistje leken te bevestigen wat hij had geconcludeerd.

Toen hij tenslotte zijn mond opende, duurde het toch nog even voor hij sprak. Toen: 'We zullen u vertellen wat u wilt weten.'

Tracy was verbluft. 'Hoezo? Nu opeens wel?'

Gouden Draak tikte met een lange nagel op de aantekeningen. Het geluid klonk als dat van een bidsprinkhaan.

Tracy haalde diep adem. 'Waar bevindt Mizo zich op dit ogenblik?'

Gouden Draak knipperde met zijn ogen, bevochtigde zijn lippen en fluisterde: 'Loongshan.'

'De berg van de draak. Waar is die?'

'Zo heet de woning van zijn maïtresse.'

'Jade is dood.'

Gouden Draak knipperde niet eens met zijn ogen. 'Ja, dat vermoedde ik al. Maar Jade was niet zijn maïtresse. Zij woonde bij Mizo in huis.'

'Heeft hij er twee?'

'Wellicht meer. Is dat van belang?'

'Ik veronderstel van niet. Ik vroeg het alleen uit nieuwsgierigheid.'

'Loongshan bevindt zich op Victoria Peak.' Gouden Draak krabbelde snel enkele letters op een vel papier en schoof het over de glanzende tafel naar Tracy. 'Dit is het adres.'

'Beseft u wel wat de mogelijke gevolgen hiervan zijn?' vroeg Tracy.

De feng sftui-man sloot zijn ogen. 'De handel in drugs activeert de boze geesten. We hebben Mizo gewaarschuwd en hij lachte ons in ons gezicht uit.' Hij sperde zijn ogen wijd open en nu pas werd Tracy zich bewust van de felle haat die in de ogen schitterde. 'Hij gelooft niet in feng shui. Ach, per slot van rekening is hij een Japanner. Hij kwam hier alleen om Jade een plezier te doen.'

'Ik heb veel moeite met haar gehad,' zei Tracy. 'Het spijt me u van een klant te hebben beroofd.'

'Vanavond zullen wij voor haar geest bidden.'

Het werd tijd om op te stappen, besefte Tracy. Hij kwam overeind. Maar nog steeds voelde hij zich niet helemaal zeker van zijn zaak. Hij had nog één vraag, die hij moest stellen. 'Gouden Draak,' zei hij, 'zou u me willen vertellen wat u in mijn horoscoop zag? Waardoor veranderde u van gedachten?'

De feng sfcwï-man schonk hem een blik die eenvoudigweg niet droeviger kon. 'De dood, meneer Richter.'

De augustuszon wierp haar stralen op de klokketoren van de St. Patricks kathedraal. Overal stonden televisiecamera's. Verslaggevers spraken teksten in op kleine cassetterecorders en verschillende van de mensen achter de dranghekken werd om commentaar gevraagd. Het was het jaar van de verkiezingen, tijd voor politieke analyses en beschouwingen, cinema variété; interviews waarin het hard tegen hard ging waren het meest gewild. Overal stonden mensen op de trottoirs, van Saks Fifth Avenue tot aan Roberta diCamerino en Fifth Avenue. Politiemannen zwaaiden demonstratief met hun knuppels naar lieden die zich wat al te opdringerig gedroegen en wandelden tussen de mensen door. Af en toe brachten ze hun walkie talkie naar hun mond en gaven kort commentaar op een vraag van de centrale. Bereden politie in het uniform van de mobiele eenheid bewaakte de toegang tot de kathedraal.

Het grote ogenblik was daar. Drie limousines kwamen snel naderbij en stopten voor de kathedraal. De oplettende toeschou-wer zag opeens van alle kanten lijfwachten in burger opduiken. Met hun snelle blik tastten ze de omgeving af, op zoek naar onregelmatigheden. Deze mannen spraken dezelfde taal, handelden op dezelfde wijze en dachten op dezelfde wijze. Geconditioneerde vechtmachines waren het. En om die reden waren ze gemakkelijk uit te schakelen.

Tenminste, dat dacht de jongeman die op de tiende verdieping van het hotel tegenover de kathedraal vanuit hurkzit over de vensterbank heen keek. Hij had er geen enkele moeite mee om de lijfwachten tussen de zenuwachtig heen en weer lopende mensen te herkennen. Het waren er zestien, verspreid over een half blok. Aan de westkant van de kathedraal zouden er ongetwijfeld nog een aantal op wacht staan. Maar die interesseerden hem niet. Hij sloeg de bewegingen van de zestien mannen gade. Hij had het zes pagina's tellende memo dat de agenten voor deze dag hadden gekregen ook gelezen. Vertaald in het Arabisch. En dat was maar goed ook. De jongeman sprak een behoorlijk mondje Engels en zijn Frans was bijzonder goed. Zelfs in het Russisch kon hij zich beperkt verstaanbaar maken. Maar een in het Arabisch vertaalde tekst nam elke mogelijke vergissing weg. De kamer die hij nu bezet hield, werd door anderen voor hem gehuurd. Tegelijkertijd met het memo, had hij ook de kamersleutel ontvangen.

De Russen werkten gewoonlijk niet rechtstreeks samen met de terroristengroep waarvan hij deel uitmaakte, maar omdat alles er op wees dat zij deze actie hadden bedacht, concludeerde de jongeman dat ze eindelijk warm begonnen te lopen voor de Islamitische zaak. Wapens en propagandataal - bemoedigende zaken - waren natuurlijk óók welkom, dacht hij, maar directe bemoeienis was nóg bemoedigender.

De jongeman hoorde het geroezemoes beneden zich toenemen. Er stapten zes mannen uit de limousine die zojuist was gearriveerd. Ze droegen allemaal donkere pakken en waren keurig gekapt. Hun gezichten glommen. De jongeman herkende een van hen vrijwel onmiddellijk. De foto die aan het memo was vastgeniet, was haarscherp geweest.

Hij zette de Zeiss-verrekijker rechtop op de vensterbank en keek vluchtig op zijn horloge. Drie minuten over twaalf. Precies op tijd. Hij deponeerde een aktentas van een groot model op het bed en klapte het deksel opeh. Zodoende onthulde hij de goed geoliede onderdelen van een AK-47. Hij haastte zich niet. Hij had voldoen-de tijd om het karwei te klaren. De toespraak van Atherton Gottschalk - die hij op de trap van de kathedraal zou houden - zou minstens twintig minuten duren. Daarna zou hij in de kathedraal een herdenkingsdienst voor de overleden gouverneur bijwonen. Het in elkaar zetten van de AK-47 leverde geen enkel probleem op. Dat kon hij zelfs geblinddoekt, en wel binnen drie minuten. Leuk had hij die oefeningen nooit gevonden, maar ze waren noodzakelijk.

Het recht moest zegevieren, die gedachte pompte als een sterk pepmiddel door zijn aderen. Een laatste klik en de AK-47 was gebruiksklaar. Vervolgens laadde hij het wapen. De pieptonen en de feedback van het geluidssysteem drongen tot hem door. Even later sprak Atherton Gottschalk, de toekomstige kandidaat voor de presidentszetel, zijn eerste woorden.

De jongeman was vereerd dat ze hem hadden gekozen, en niet een van de andere kandidaten. De gedachte dat hij een sleutelrol zou spelen in de vrijheidsstrijd van zijn volk vervulde hem met trots.

Grinnikend bracht hij de AK-47 tot op schouderhoogte omhoog. Hij sloot zijn linker oog en concentreerde zich op hetgeen zijn rechteroog hem doorgaf. Hij liet de kruishaartjes van het telescoopvizier over de massa dwalen, van lijfwacht naar lijfwacht, tot hij ze in zijn verbeelding allemaal had doodgeschoten. Zijn grijns werd breder toen hij de lange loop op het hoofd van Atherton Gottschalk richtte.

De jongeman voelde een sterke aandrang om op dat ogenblik de trekker over te halen, maar hij hield zich in. Per slot van rekening was hij een beroeps. Precies om kwart over twaalf, niet eerder en niet later, schiet je hem recht door zijn hart, luidde zijn opdracht. Het was waar, dacht hij. Vanaf deze afstand was het niet gemakkelijk om iemand door zijn hoofd te schieten. Het schedeldak zou voor een ketsschot kunnen zorgen, dat de kogel mogelijk van koers zou doen afwijken. Het was niet bij voorbaat zeker dat het slachtoffer aan de aanslag zou overlijden. Maar als hij erin zou slagen om het hart te raken, dan zou er over de afloop geen enkele twijfel bestaan. De jongeman keek vluchtig op zijn horloge. Nog vijfendertig seconden. Hij drukte zijn wang tegen de kolf van de AK-47 en telde in gedachten de seconden af. De kruishaartjes, het middelpunt ervan, bewogen zich in de richting van de borstkas van Atherton Gottschalk. Zijn vinger verstrakte en begon af te druk-ken. Macomber leidde Eliott met een vaaglijk gevoel van ouderlijke trots naar zijn vaste tafel bij Lutèce. In de middaguren gaf Macomber de voorkeur aan dit naar Europese smaak ingerichte restaurant.

Toen hij plaatsnam schonk hij zijn zoon een beschouwende blik. Het was alweer jaren geleden dat hij Eliott in een pak en met een das om had gezien. De jongen was zelfs naar de kapper geweest. Hij was knap, dacht Macomber, en het pak, aangeschaft bij Paul Stuart, stond hem goed.

De kelner vulde de waterglazen en overhandigde hen de menu's en de wijnkaart. Na zijn vertrek zei Macomber: 'Shimada stuurde me een rapport waaruit bleek dat hij uiterst tevreden is over je vorderingen met FIRST. Weet je, niemand kon echt goed met die computer omgaan. Nu jij er bent...' Hij liet het compliment onuitgesproken.

Eliott boog zijn hoofd. 'Ik geloof dat ik hém zou moeten bedanken. Zeg maar tegen hem dat hij echter niet te hard van stapel moet lopen. We moeten nog heel wat problemen oplossen vóór de nieuwe circuits geïntegreerd kunnen worden.'

'Wat vind je van LITLIS?'

'Een wereldwonder.' Nu toonde Eliott werkelijk interesse. 'De snelheid waarmee dat laser-gestuurde ding werkt is verbluffend ... bijna angstaanjagend. Het is iets waarvan je droomt. Ik zou die Vampier maar wat graag een keer in actie zien.'

'In dat geval zal ik een bezoekje aan Hungry Horse voor je regelen,' zei Macomber. 'Maar nu nog niet, over een paar weken. Je werk aan FIRST is voor mij op dit ogenblik van meer belang.'

'Ik vind het leuk werk,' zei Eliott. Hij keek om zich heen. Achter zijn vader boog een kelner zich een beetje naar voren. Hij pakte de wijnkaart op en stak die zijn vader toe. 'Zullen we wijn bestellen?'

'Uitstekend,' zei Macomber. 'Maar doe jij het maar.'

Een beetje nieuwsgierig, met een toenemend gevoel van tevredenheid, sloeg Eliott de wijnkaart open. Hij bekeek de woorden als betrof het een uittreksel uit de heilige schrift. 'Ik wil een rode,' zei hij. 'Jij ook?'

'Uitstekend.'

Eliott keek op. 'Deze St. Emilion lijkt .me heel lekker.'

De kelner, die zich inmiddels achter Eliott had opgesteld, knikte vriendelijk. 'Uitstekend, meneer.' Hij pakte de wijnkaart van Eliott aan en trok zich terug.

Macomber, die inmiddels had besloten wat hij wilde eten, legde de menukaart terzijde. Hij wachtte af tot zijn zoon het initiatief nam.

Eliott speelde een poosje met het zilveren bestek, toen keek hij naar de andere kant van de tafel, naar zijn vader.

'De wallen onder mijn ogen zullen je niet zijn ontgaan,' zei hij een beetje beschaamd.

'Eerlijk gezegd, ze waren me niet opgevallen,' loog Macomber.

'Ik vond eigenlijk dat je er goed uitziet. Dat vind ik nog steeds,' corrigeerde hij haastig.

'Vanwege mijn nieuwe pak?' Eliott stelde de vraag net iets te gretig.

'Nee,' zei Macomber zacht. 'Ik bedoel dat je er in deze omgeving goed uitziet.'

Eliott zweeg een ogenblik. Al die jaren, dagen en nachten, had hij zijn uiterste best gedaan om niet in het zakenleven terecht te komen, en nu het toch was gebeurd, constateerde hij met enige verbazing dat dit leven eigenlijk zo gek nog niet was. Sterker nog: hij voelde zich zelfs op zijn gemak. De ontspannen, verfijnde sfeer van dit restaurant, de zachte stemmen, het tinkeien van kristal, de verse bloemen tegen de wand, dit alles deed zijn hartslag versnellen. Hij voelde zich verlost van de last waaronder hij de afgelopen jaren gebukt was gegaan. Alleen bij de gedachte aan Kathleen voelde hij een felle steek in zijn zij.

'Eerlijk gezegd,' zei hij langzaam. 'Heb ik nog steeds nachtmerries.' Toen de kelner zich naast hun tafeltje opstelde, zweeg hij. De man liet hem de fles zien, ontkurkte die en schonk wat wijn in een glas. Eliott keek naar het glas. Alle drie wachtten ze af.

'Wil je niet proeven? Dat doe jij toch altijd?'

Bij het horen van die woorden, kreeg Eliott een rode blos op zijn wangen. Jij moet deze wijn goed-of afkeuren, ging het door hem heen. En dat wil ik maar wat graag. Hij vatte het glas bij de lange steel, hield het onder zijn neus, nam via zijn reukorgaan kennis van het bouquet en nipte er voorzichtig van. De smaak was vol en droog; het vocht streelde zijn verhemelte. 'Zalig,' zei hij enthousiast, en Macomber moest onwillekeurig lachen.

'Heel goed, heel goed,' zei hij.

De kelner schonk beide glazen half vol en vervolgens deden ze 464

hun bestelling. Macomber nam Confit de caneton. Eliott bestelde een lamskotelet. Allebei bestelden ze Belon-oesters vooraf.

'Waar hadden we het eigenlijk over?' vroeg Eliott toen ze weer alleen waren. 'O ja, ik heb sinds ons laatste gesprek behoorlijk nagedacht.'

Macomber hield zijn gezichtsuitdrukking in de plooi. Hij luisterde aandachtig en wachtte zijn beurt af.

'Toen ik je die dag kwam opzoeken, was ik zo nijdig dat ik je wel in je gezicht had kunnen spuwen. Maar daarna... ik weet niet wat er precies gebeurde... misschien maakten we schoon schip, of zo iets. Ik weet het niet.' Hij begon opnieuw met zijn bestek te spelen.

'Ik... een aantal van de dingen die ik zei, meende ik niet. Ik weet dat jij altijd het beste met me voor had. Ik heb me schandelijk gedragen. Ik...'

'Dank je,' zei Macomber eenvoudig, en hij meende het. Nu het moeilijkste gedeelte, dacht Eliott, en hij zei: 'Wat Kathleen betreft...'

En daarna zweeg hij. Macomber was genoodzaakt om de draad op te pakken. 'Ja, wat is er?'

'Je had gelijk, natuurlijk. Ik heb het bandje van de tijd die we in eikaars gezelschap doorbrachten teruggespoeld. Ik... enfin, ik begreep toen pas wat ze van plan was. Het was haar helemaal niet om mij te doen. Maar ik dacht... weet je, ik wilde zo graag dat...'

'Dat had zij ook door, Eliott,' zei Macomber. 'Die vrouw was ontzettend geslepen. Iemand die Gottschalk een loer kan draaien moet heel wat in haar mars hebben.'

'Neem maar van mij aan,' zei Eliott dubbelzinnig, 'dat ze heel wat in haar mars had.' Hij zag zijn vader naar hem glimlachen en, vreemd genoeg, deed hij hetzelfde.

De kelner bracht de oesters, vers stokbrood en een schaaltje boter.

'Ik weet niet hoe jij erover denkt,' zei Macomber toen hij zijn schijfje citroen boven de oesters uitkneep, 'maar ik vind het een bijzonder prettig gevoel te weten dat we nu eindelijk allebei aan dezelfde kant staan.'

Eliott zei niets. Hij pakte het kleine oestervorkje vast. Het was hem onmogelijk om zijn gevoelens precies onder woorden te brengen; hij werd op dat ogenblik door vreemde emoties overweldigd. Van één ding was hij overtuigd: Kathleens intrede in zijn leven, en haar dood, waren zaken die hem de rest van zijn leven zouden bijblijven. Vaaglijk voelde hij zich nog steeds bitter gestemd over haar verraad. De afgelopen nacht was hij plotseling recht overeind in bed gaan zitten. Het koude zweet was hem uitgebroken. Niet vanwege haar wrede dood, maar vanwege het feit dat ze via hem bijna het bestaan van de Angka had achterhaald. En hij wist dat zijn haat jegens zijn vader hem blind had gemaakt voor haar bedoelingen. En wat behelsde die haat eigenlijk? Een combinatie van frustraties uit zijn jeugd, meer niet. Zijn vader was een gewone man, net zoals alle andere vaders, en niet een monster met de macht van een god. Macomber was Macomber en Eliott was Eliott, en die twee zouden elkaar nooit vinden, tenzij Eliott anders verkoos.

Ik heb gekozen, dacht Eliott. Nu.

Zijn hoofd kwam omhoog en hij zei: 'Zo denk ik er ook over.'

'Fijn dat te horen,' zei Macomber. Hij hief zijn glas en Eliott volgde zijn voorbeeld.

'Salud! zei hij toen hun glazen elkaar aantikten.

'Salud y pesetas!'

Macomber wierp een vluchtige blik op zijn horloge. 'Een ogenblik,' zei hij en schoof zijn stoel naar achteren. 'Ik moet even een telefoontje plegen.'

Atherton Gottschalk maakte zich zorgen. Hij was al halverwege zijn toespraak en er was nog steeds niets gebeurd. Wanneer zou het plan van Macomber in werking treden? Het tijdstip naderde en als er veranderingen in de plannen waren aangebracht, dan was Macomber nu te laat om hem daarvan in kennis te stellen. In gedachten probeerde hij te bepalen wat er mogelijk mis kon zijn gegaan. Van alles, besloot hij. Teveel om op te noemen. En dat niet alleen. De plotselinge verdwijning van Kathleen was hem nog steeds een raadsel.

'De afschuwelijke aanvallen in Caïro en in Duitsland - rechtstreekse aanvallen op Amerikaans burger-en militair personeel, uitgevoerd door buitenlandse terroristen - maken duidelijk hoe men in het buitenland over ons denkt.'

De menigte reageerde enthousiast op zijn woorden. Gottschalk hief zijn hoofd op en keek uit over de zee van gezichten. Hij voelde zich als een aartsbisschop die het volk zegende. Maar waarom gebeurde er verdomme niet wat Macomber had gezegd?

'Ik -' Een felle pijnscheut ging door zijn linker borst. Zijn handen kwamen in een flitsende beweging omhoog en drukten tegen de plek waar de pijn was ontstaan. Zijn vingers voelden meteen vochtig en kleverig aan. Rondom hem werd geschreeuwd en geroepen; het was alsof hij door een hoge golf van bruisend water werd overspoeld.Hij proefde een bittere kopersmaak in zijn mond en de zomerdag leek in een baaierd van vuur te exploderen. Beweging. Gezichten. Handen grepen hem vast en ondersteunden hem toen hij dreigde neer te gaan. Zijn hart sloeg een slag over, alsof hij door een muilezel werd getrapt. Hij begon te ademen alsof de lucht rondom hem onvoldoende zuurstof bevatte. Hij vroeg zich af wat er in vredesnaam gebeurd was, toen een onbekende stem het hem plotseling toeschreeuwde. 'Neergeschoten!' schreeuwde de onbekende. 'De presidentskandidaat is neergeschoten.' En Atherton Gottschalk dacht, tegelijkertijd verbaasd en een beetje angstig: Dat ben ik!

Toen de oproep binnenkwam, peuterde rechercheur Marty Borak in zijn neus. Zijn belangstelling voor de inhoud van zijn neus vond een oorsprong in het feit dat hij zich stierlijk verveelde. Enders was bij de kathedraal, zoals de meesten van zijn collega's. Borak hoefde er geen dienst te doen omdat hij een bende in de West Side van Manhattan op de hielen zat. Hij werkte al twee maanden aan de zaak en eindelijk begonnen zijn inspanningen vrucht af te werpen. Borak behoorde tot het type politieman dat zich pas gelukkig voelde als een zaak succesvol werd afgerond. Tussentijds verkeerde hij in een stemming die zich als bar en boos het best liet omschrijven.

'Ja,' zei hij, met zijn mond vlak bij de microfoon van de portofoon. De vinger van zijn andere hand draaide nog steeds rond in zijn linker neusgat.

'Politie?'

'Wie anders?'

'Ja, sorry. Hoor eens, er is een schietpartij geweest.'

'Je meent het!'

'Ik maak geen grapjes,' zei de anonieme stem van de centrale.

'Atherton Gottschalk is op de trappen van St. Patricks neergeschoten. We kregen net een anoniem telefoontje binnen. De dader moet op de tiende verdieping van Fifty Rockefeller Center zitten. Kamer 1001.'

'En wie was de grappenmaker die belde?'

'Een anonieme opbeller. Maar schiet in godsnaam op, anders mis je de moordenaar.'

'Hé,' riep Borak, maar de verbinding was al verbroken. Kamer 1001, dacht hij automatisch. Zo'n vangst is altijd goed voor een promotie. Toen vroeg hij zich af wie de anonieme opbeller was die zo vlot had gereageerd.

Macomber nam bij zijn terugkeer met een glimlach op zijn stoel plaats en at met smaak zijn laatste oesters op. Op elk hapje deponeerde hij drie druppels tabasco-saus.

Toch was zijn gezichtsuitdrukking tussen zijn vertrek en zijn terugkeer veranderd, en Eliott wachtte geduldig tot zijn vader die wijziging zou verklaren. Toen dat niet gebeurde, vroeg hij wat zijn vader dwarszat.

'Je zult het niet geloven,' zei Macomber.

'Hmm.'

'Khieu.'

'Dat geloof ik niet.' Eliott was meteen op zijn hoede. 'Je hebt me, ik weet niet hoe vaak, voorgehouden dat Khieu zich met hart en ziel voor onze zaak inzet en volstrekt betrouwbaar is. En hij is niet alleen loyaal, volgens jou, maar tevens een geestelijk en fysiek wonder. Om die redenen liet je hem toch vanuit Cambodja overkomen en adopteerde je hem?'

'Je weet waarom ik hem meenam naar Amerika?' zei Macomber, iets scherper dan de bedoeling was geweest. 'Het was een wees. Zijn leven was daar een nachtmerrie.'

'Ach, schei uit, vader.' Eliott boog zich naar voren. 'Khieu is een machine. Niets meer en niets minder. Je gebruikt hem omdat je weet dat hij zich blindelings in die richting zal begeven waarheen jouw vinger wijst.'

'Ja,' zei Macomber, 'in zeker opzicht heb je gelijk. Maar mijn oorspronkelijke motieven waren niet die jij zojuist noemde. Jij begrijpt de Cambodjaanse geest niet. Ik executeerde de mensen die Khieus oudere broer vermoordden. Een broer is een familielid en derhalve bijna heilig. Voor zijn gevoel is hij me iets verschuldigd. Wat zeg ik? Iets? Hij is van mening dat hij me zoveel verschuldigd is dat hij de schuld nooit zal kunnen afbetalen.'

'Werkelijk?'

Er verscheen een frons op het gezicht van Macomber. 'Maar er schijnt hem nu iets overkomen te zijn. En ik kan er maar niet achterkomen wat het is.'

Dat bracht een glimlach om Eliotts lippen. 'Je bedoelt dat hij niet langer de volmaakte zoon is?'

'Niemand is volmaakt,' zei Macomber, die dat ogenblik uitkoos om het initiatief te nemen. 'Zelfs Khieu niet. En daarom moet jij me helpen.'

Het hoofdgerecht werd opgediend en ze wachtten allebei tot de kelner zich had teruggetrokken.

'En wat verwacht je precies van mij?' vroeg Eliott meteen daarna.

Macomber haalde zijn schouders op. Hij wilde het zijn zoon niet al te gemakkelijk maken. Hij wilde hem per se het gevoel geven dat Eliott zelfstandig het besluit had genomen. 'Misschien kun je me ook niet helpen, maar toch ...' hij leek te aarzelen, 'toch heb ik het gevoel dat we op een of andere wijze actie moeten ondernemen.'

Eliott prikte een stukje lamsvlees aan zijn vork. De dikke, bruine saus die er bij werd geserveerd smaakte heerlijk.

'Ook hij heeft recht op een stukje privé,' zei Eliott redelijk.

'Je weet niet wat je zegt,' snauwde Macomber. Zijn wangen werden rozig en vlak onder een ooglid begon een adertje te pulseren. 'Geen enkel lid van de Angka heeft recht op een stukje privé. Veertien jaar van ingespannen arbeid en jij begint over "een stukje privé". Binnen de Angka is het woord privé taboe.'

Eliott vroeg zich af waar zijn vader op aan stuurde. Hij wilde blijkbaar iets van hem en Eliott raakte een beetje gepikeerd omdat hij niet begreep wat zijn vader precies van hem verwachtte.

'Misschien heeft wat Khieu dwarszit niets met de Angka te maken.'

Macomber schonk Eliott een blik die de jongen ineen deed krimpen. 'Khieu kent geen ander bestaan dan een bestaan binnen de Angka. Zonder de Angka is hij niemand.'

Eliott schrok van de heftige en besliste woorden van zijn vader. Was dit dezelfde man die zich de afgelopen jaren zo lovend over Khieu had uitgelaten? Was hij plotseling zó drastisch veranderd?

Eliott voelde een rilling langs zijn ruggegraat omhoog trekken.

'Naar mij wil hij blijkbaar niet luisteren,' zei Macomber toen hij zijn bord van zich afschoof. 'Misschien wil hij naar jou luisteren.'

'Naar mij?' Eliott glimlachte breeduit. 'Khieu haat me net zoveel als ik hem haat. Dat zou jij moeten weten. Daar heb jij voor gezorgd.'

Macomber ging niet op de beschuldiging in. 'Wat jij niet wilt inzien, Eliott, is dat Khieu alleen maar reageert op hetgeen je uitstraalt. Hij reageert op jou als op een spiegelbeeld. Als je kwaad op hem bent, is hij kwaad op jou, etcetera.'

'Je bedoelt dat hij geen hekel aan me heeft?'

'Nee.'

'Dan is hij een beter mens dan ik.'

Macomber zei niets. Hij staarde zijn zoon alleen maar aan. Na een poosje was het Eliott die als eerste de stilte verbrak. 'Wil je echt dat ik een praatje met hem maak?'

'Dat wil ik,' zei Macomber. 'Omdat ik wil weten wat hem bezig houdt. Dat is van het allergrootste belang.'

Eliott dacht erover na. Nu leek het alsof de rollen waren omgedraaid, alsof hij de plaats van de favoriet van zijn vader had ingenomen. Als hij op het verzoek van zijn vader zou ingaan, zou hij op de stoel van de chauffeur kunnen plaatsnemen.

'Oké,' zei hij. 'Ik zal het proberen.'

'Dat waardeer ik bijzonder, Eliott,' zei Macomber glimlachend.

'Werkelijk.'

Ondanks de duisternis was Loongshan gemakkelijk te vinden. Op vijfhonderd meter afstand van de zee van licht waarmee het huis de duisternis terugdrong, stapte Tracy uit de taxi. Krekels produceerden een kakofonie als van vuurwerk. Hij draaide zich om en keek de auto na, die via Victoria Peak terugreed naar het centrum. De achterlichten leken op de gloeiende ogen van een draak. In Hongkong was het zo gemakkelijk om in mythische wezens te geloven. Tracy dacht aan Gouden Draak en zijn toekomstvoorspellende gave. De dood, meneer Richter. Die van Mizo of die van hem? Welk van de twee had hij voorspeld?

Loongshan telde twee verdiepingen. De vorm van het buitenverblijf was L-vormig en voor zover Tracy vanaf de plek waar hij zich bevond kon bepalen, was er een tennisbaan op het langste gedeelte van de L aangelegd. Witmarmeren pilaren omringden het ronde zwembad in de tuin. Er bestond geen twijfel over: de eigenaar van deze woning was schatrijk, want om het zwembad te vullen moest veel water over de halve lengte van Victoria Peak omhoog worden gepompt.

Tracy sloop omzichtig naderbij en betastte regelmatig de omtrekken van de toilettas die hij onder zijn overhemd had gestopt. Ergens ver boven zijn hoofd weerklonk een rauwe vogelkreet. Hij bleef staan en luisterde naar geluiden van binnen het huis, maar de muziek die vanuit het interieur afkomstig was, maakte het onmogelijk te bepalen hoeveel mensen er zich in het huis bevonden. Hij besloot om via de achterkant het huis binnen te dringen. Een gedeelte van de achtergevel bestond uit een glaswand. Dat kon zowel een voor-als een nadeel zijn. Het betekende dat hij vanuit het huis kon worden gezien, maar ook dat hij de binnen aanwezigen kon zien. 

Voorzichtig rondde hij het zwembad. Aan de andere kant van het zwembad groeiden veel struiken die hem voldoende dekking boden. Opeens bleef hij als aan de grond genageld staan. Ergens vlak bij hem werden de geluiden van de krekels een ogenblik onderbroken. Vrijwel op hetzelfde ogenblik waarop hij die constatering deed, liet hij zich op een knie vallen en draaide zich tegelijkertijd een halve slag om. Een zwarte gedaante ontnam hem het zicht op de sterren. Op het laatste ogenblik wist hij opzij te rollen. Zijn voet schoot in een schuine hoek naar boven en raakte zijn aanvaller tegen het middenrif. Hij ving een glimp op van een donker gezicht, maar duidelijk genoeg om in de man de Mongool te herkennen.

De man greep hem vast en bracht zijn gezicht naar voren. Zijn tanden sloten zich met een klap op elkaar, maar ze beten zich niet in Tracy vast. Deze had echter de grootste moeite om zich de man van het lijf te houden toen deze naar zijn keel greep. De Mongool was ijzersterk en zijn handen voelden aan als klemmen. Tracy zag slechts één oplossing. Hij liet zich zijdelings op de grond vallen en kreeg een voet van de man te pakken. Zodra hij houvast had, veerde hij overeind, gaf een ruk en draaide in dezelfde beweging de voet een kwart slag. Een felle tik weerklonk.

'Huh?' riep de Mongool, die opeens de grootste moeite had om overeind te blijven. Zijn handen kwamen omhoog en hij graaide in het luchtledige naar houvast. De felle tik had Tracy duidelijk gemaakt dat hij de enkel van de Mongool had gebroken. Hij ontspande zich een beetje, en dat kostte hem bijna het leven. De Mongool wist op één been overeind te blijven en haalde bliksemsnel uit. De harde slag - met de zijkant van de hand op Tracy's neusbot gericht - zou zeker doel hebben getroffen als deze niet ogenblikkelijk had gereageerd. Hij dook onder de hand door en gleed meteen in positie voor een dodelijke trap, de kite. Een ogenblik balanceerde hij op een been. Zijn bovenlichaam boog naar achteren en zijn voet kwam omhoog. De trap trof doel: de Mongool werd tegen zijn borstkas geraakt. Botten kraakten. Huid en weefsel scheurden.

Daarna liet Tracy zich op één knie vallen en luisterde naar eventuele geluiden vanuit het huis. Hij hoorde niets en achter de glazen wand zag hij niets bewegen. De Mongool zou hem nooit meer lastig vallen.

De geluiden van de krekels bepaalden opnieuw de avondlijke sfeer. Tracy besloot zijn geluk niet te lang op de proef te stellen. Hij sloop naar de dubbele openstaande achterdeur en stapte naar binnen. Vlak over de drempel bleef hij staan, aan het zicht onttrokken door lange satijnen gordijnen die van vloer tot plafond reikten. Hij stak zijn hand onder zijn overhemd, ritste de toilettas open en haalde de flacon scheercrème - die allesbehalve met scheercrème was gevuld - te voorschijn. Hij hield de flacon met zijn rechterhand vast en trok met zijn linkerhand voorzichtig het gordijn een stukje opzij. Een gedeelte van de woonkamer verscheen in zijn blikveld. Er was niemand te bekennen; een indruk die hij bevestigd zag toen hij zijn hoofd om de hoek van het gordijn stak. Hij stapte voorzichtig naar voren en de eetkamer binnen. Het vertrek werd gedomineerd door een grote ronde tafel met een glazen blad. De poten hadden de vorm van staande draken. Eromheen stonden twaalf bijpassende stoelen. In het midden van het blad stond een antieke porseleinen vaas. Hij ging verder. Rechts van hem bevond zich de ruime woonkamer, met uiterst rechts een smeedijzeren wenteltrap die toegang gaf tot de eerste verdieping waar, vermoedde hij, de slaapkamers zich zouden bevinden. Een korte gang aan het eind van het vertrek leidde naar de keuken. Hij deed enkele stappen naar voren, en kreeg de tweede verrassing van die avond te verwerken. Achter de wenteltrap bevond zich een deur, die gedeeltelijk door de trap aan het zicht werd onttrokken. En die deur werd, vóór hij drie passen verder was, geopend.

Tracy stond oog in oog met een slanke Chinese. Ze was iets kleiner dan Jade was geweest. Haar ovale gezicht was glad en hard; dit gezicht toonde niets van de sensualiteit die Jade tijdens haar leven had uitgestraald.

Haar scheve ogen sperden zich geschrokken wijd open en haar mond vormde een O. Een ogenblik werden ze allebei door een scheut wederzijdse vijandigheid als aan de grond vastgenageld. Het volgende ogenblik kwamen ze in beweging. Ze zette het op een krijsen toen Tracy op haar af sprong en haar pols vastgreep. Hij trok haar naar zich toe, zodanig dat ze een halve slag draaide en met haar rug tegen hem aan drukte.

Vanuit een ooghoek nam hij een beweging aan de andere kant van het vertrek waar. Twee Chinezen stormden de kamer binnen. Beiden hadden een pistool in hun hand. Ze bleven enkele meters van elkaar vandaan zodat Tracy, als hij zelf in het bezit van een vuurwapen was geweest, niet in staat zou zijn geweest hen allebei snel achtereen neer te schieten. Het waren beroepslui en daar diende hij terdege rekening mee te houden. Omzichtig hield hij de Chinese vrouw tussen hem en de lijfwachten in.Boven zijn hoofd klonk een zacht schrapend geluid en even later zag Tracy Mizo bovenaan de trap verschijnen. Hij keek door het trapgat de woonkamer binnen. 'Meneer Richter,' zei de Japanner temend, 'u bezorgt me heel wat ongemak.' Hij droeg een zwartkatoenen tuniek en een broek van dezelfde kleur. 'Het wordt de hoogste tijd om een punt achter dit spelletje te zetten. Ik weet niet hoe u hier terecht bent gekomen, maar zelfs u zult moeten toegeven dat uw speurtocht hier zal eindigen. Geef u over, anders geef ik mijn mannen opdracht om u neer te schieten.'

'Als ze daartoe de kans hadden gehad, zouden ze dat allang hebben gedaan,' zei Tracy veelzeggend.

Mizo fronste en plukte met duim en wijsvinger aan een snorpunt.

'Hmm, dat is waar. Inderdaad, ik wil niet dat Kleine Draak iets overkomt. Maar u, meneer Richter, moet worden geëxecuteerd.'

'Wie gaf u die opdracht?'

Mizo glimlachte. 'Dat is tenminste iets dat u niet weet.' Het volgende ogenblik werd zijn gezichtsuitdrukking weer vlak. 'Het spijt me, maar een en ander is me niet duidelijk. U weet van mijn activiteiten in de drugshandel af, maar u weet niet wie mijn contacten zijn. Vreemd. In dat geval stel ik mezelf de vraag: hoe bent u hier eigenlijk terecht gekomen?' Hij kwam langzaam via de trap naar beneden, met een hand aan de smeedijzeren trapleuning.

'Ik dacht dat mijn organisatie waterdicht was. Nu zou ik graag vernemen waar ik het lek kan vinden.'

'In dat geval kunnen we misschien kennis uitwisselen.'

Opnieuw de glimlach, die echter snel vervaagde. 'Nee-nee, meneer Richter. En u verkeert bovendien beslist niet in een positie om het op een akkoordje te kunnen gooien. Terwijl wij dit korte gesprek hebben gevoerd, zijn twee van mijn mannen achterom gegaan. Ze staan op dit ogenblik achter u en zullen u doden zodra het er maar even naar uitziet dat u van plan bent om Kleine Draak kwaad te doen.'

'Zelfs al is dat waar,' zei Tracy, 'ik heb nog een verrassing achtergehouden.' Hij stak zijn linkerhand naar voren, zodat Mizo het voorwerp in zijn hand kon zien.

'Scheercrème?' Mizo's stem klonk vol minachting.

'Het geschenk van mijn vader,' zei Tracy, en hij keek Mizo daarbij strak aan. 'Weet je het weer? Eén verkeerde beweging en ik zorg ervoor dat onze as naar de vier windstreken uitwaaiert.'

'Bevat die flacon een explosief?'

'Er was geen andere mogelijkheid om deze levensverzekering langs de douane te krijgen.'

Mizo's gezicht werd asgrauw. Hij stond zo stil als een standbeeld. Een lichte tic hield zijn wang in beweging. 'Ik merk dat ik u opnieuw heb onderschat,' zei hij zacht. 'Enfin, ik beloof u dat het de laatste keer is geweest.'

Hij liep de laatste treden af en gebaarde naar de twee schutters. Ze borgen hun wapens op en trokken zich terug in de tuin. 'Het wordt werkelijk de hoogste tijd om een eind te maken aan dit spelletje,' zei Mizo. Zijn stem klonk verveeld. Met zijn handen op zijn rug kwam hij langzaam op Tracy af. 'U hebt mijn organisatie een flinke deuk bezorgd. Zo is het wel mooi geweest, zoals jullie in het westen zeggen. Ik verblijf nu ruim twintig jaar in Hongkong. Ik heb alles gedaan dat ik me had voorgenomen te doen. Wat rest me verder nog? Kleine Draak en een eindeloze reeks dagen, meer niet.'

Hij stond nu vlak bij Tracy. Zijn ogen toonden een droevige blik; uit die blik maakte Tracy op dat de man respect had voor Tracy, die hem tenslotte had verslagen. Maar tegelijkertijd voelde Tracy een vreemde vermoeidheid bezit van hem nemen. Zijn oogleden knipperden onwillekeurig en op dat ogenblik wist hij dat er iets mis was. Te dichtbij ging het door hem heen, je hebt hem te dichtbij laten komen.

Maar Mizo's ineengestrengelde handen lieten elkaar los, schoten naar voren en trokken Kleine Draak uit Tracy's verslapte greep. Kleine Draak dook achter zijn rug weg en Mizo deed met een gestrekt been een stap naar voren. Zijn rechterhand flitste horizontaal, als een zwaard, op Tracy af. Het was hem bijna gelukt, maar de angst die Tracy als een zweepslag in het gezicht sloeg, pompte een enorme scheut adrenaline zijn bloedsomloop binnen. Niettemin reageerde hij een fractie te laat. Mizo raakte hem. Het volgende ogenblik omvatte Tracy Mizo's pols, hield de arm vast en draaide er onder door. En hij liet Mizo los. Met de armen hoog opgeheven belandde Mizo op de vloer. Tracy griste de gevallen flacon van de grond en greep Mizo opnieuw vast.

'Je mag van geluk spreken,' fluisterde Tracy de ander in het oor.

'En als je net zo slim bent als je geluk hebt, zou het kunnen dat je de rest van je leven in vrede met Kleine Draak zou kunnen doorbrengen.' Hij wrong Mizo's arm op diens rug en trok. 'Zo niet, dan eindigt je leven hier en nu. Denk erover na, maar niet te lang.'

Mizo's ogen stonden waterig en ademhalen kostte hem zichtbaar veel moeite. 'Goed,' slaagde hij erin te zeggen. 'Laat los. Ik zal je vertellen wat je wilt weten.'

'Nee-nee,' zei Tracy. 'Want ik heb geen enkele reden om je te vertrouwen.'

'Dan zal ik u een reden geven.' Het gezicht van Mizo werd rood onder de druk die Tracy uitoefende.

'Ik betwijfel of je dat kunt.'

'Geef me tenminste een kans. Je vergist je. Ik kan u met twee woorden bewijzen dat ik te vertrouwen ben.'

Tracy werd nieuwsgierig. 'Welke twee woorden?'

'Operatie Sultan.'

De Mauritious Maatschappij bevond zich aan West Twentyseventh Street. Het was een buurt waar veel im-en export firma's kantoor hielden. Overal stonden loodsen en panden die tot pakhuis waren omgebouwd.

Thwaite liet de Chevrolet tot stilstand komen op een plek waar dat verboden was. Hij trok de zonneklep voor de passagiersstoel naar beneden. POLITIE stond er aan de andere kant van de klep.

'Oké,' zei hij tegen Melody. 'We gaan.'

Het was een gebouw dat van rode bakstenen was opgetrokken. Het rood was inmiddels door een halve eeuw luchtvervuiling behoorlijk aangeslagen. De kleine hal was in een onsmakelijk groene kleur geschilderd. Een kennisgeving naast de gammele lift meldde dat de Mauritious Maatschappij zich op de tweede verdieping van het pand bevond. Thwaite gaf Melody een hand en trok met de ander de .38 uit zijn schouderholster. Ze liepen de trap op. Op de overloop bleef hij een ogenblik staan en oriënteerde zich. Het was er stoffig en half donker. De enige verlichting hing in de vorm van een kaal peertje boven hun hoofd. De kalklaag van het plafond was op verschillende plaatsen gebarsten en afgebladderd. Thwaite zag niets dat hem ook maar enig vertrouwen inboezemde. De omgeving zag er uit alsof er de laatste maanden niemand was geweest. Melody opende haar mond, blijkbaar van zins om iets te gaan zeggen. Maar Thwaite kneep stevig in haar hand en schudde zijn hoofd.

De kantoren van Mauritious bevonden zich aan het eind van de gang. Thwaite gaf Melody opdracht om rechts van de deur te gaan staan. Hij drukte zijn vinger tegen zijn lippen en zei: 'Niets doen voor ik een teken geef. Ik roep je wel. Als je binnen zestig seconden niets van me hoort, ga je er meteen vandoor.'

Ze keek hem met grote ogen aan. Maar bang was ze niet. 'Wat verwacht je daarbinnen aan te treffen?'

'Ik weet het niet.' Hij sloeg haar omzichtig gade. 'Misschien niets, misschien een heleboel.'

'Wil je nog een paar van die lui overhoop schieten? Ben je daar op uit?'

'We zien wel.'

Ze keek hem hoofdschuddend aan.

Hij wendde zich van haar af en stelde zich aan de andere kant van de deur op; de deur bevond zich nu tussen hen in. Hij beproefde de deurknop met zijn rechterhand. Hij draaide die langzaam om, tot hij niet verder kon, en duwde tegen de deur. Er gebeurde niets. De deur was op slot. Afijn, dat had hij kunnen weten. Hij haalde zijn sleutelbos met valse sleutels te voorschijn en toog aan het werk. Melody keek met grote, verbaasde ogen toe. Zodra hij een passende sleutel had gevonden, duwde hij met een harde zet de deur open en sprong in een half gebukte houding naar binnen, met de .38 voor zich uit gestoken.

De vloer van het vertrek was van plint tot plint bedekt door een champagnekleurige vloerbedekking. Een mahoniehouten bureau en stoelen van dezelfde houtsoort domineerden het vertrek. Er stond echter ook een bank van donkerbruin leer. Het wandkastje links van hem bevatte een uitgebreide voorraad drank. Tegen de wand hingen drie staalgravures van klippers uit de vorige eeuw. Thwaite begaf zich naar het bureau. Óp het blad lagen een pen, een aantekenblok, een koperen briefopener en een groen vloeiblad. En dat was alles. Vreemd, dacht Thwaite. Had dit bedrijf geen telefoon?

In de hoek achter het bureau stond een archiefkast. Thwaite trok de bovenste lade open en haalde een crèmekleurige map te voorschijn. Op het schutblad stond 'The Mauritious Company' en eronder '1969'.

De map was leeg. In de andere laden trof hij, behalve stof, niets aan dat zijn aandacht ook maar een ogenblik vasthield. De maatschappij was een dekmantel voor illegale activiteiten, stelde hij vast.

Toen hij iemand bij de deur hoorde, draaide hij zich om.

'Melody?'

'Wie is Melody?' vroeg een rauwe mannenstem.

Thwaite hief zijn .38 op en hoorde tegelijkertijd een donderende bang. De inslag van de kogel raakte de cilinder van de .38 en deed hem een halve slag draaien. Hij gromde en klemde zijn kaken op elkaar.

Vanuit een liggende houding, met zijn wang tegen de vloerbedekking gedrukt, zag hij een man met een litteken op zijn gezicht een pistool met een lange loop op zijn hoofd richten.

'Sayonara, maat,' zei de man met het litteken, en hij glimlachte. Thwaite loosde een diepe zucht. Zijn vingers voelden verdoofd aan. Hij hield zijn blik strak gericht op zijn eigen revolver, die vlak voor zijn neus op de vloerbedekking lag.

Toen hij het tweede schot hoorde, kromp hij inwendig ineen. Maar vreemd genoeg voelde hij geen pijn. Hij voelde zijn hartslag naar een hoger tempo gaan. Zijn longen pompten als een kapotte blaasbalg. Hij opende zijn ogen.

De man met het litteken zat in een verfomfaaide houding op de drempel. Zijn bruine ogen staarden Thwaite zonder iets te zien aan. Zijn achterhoofd toonde een ruwe ovaal, de plek waar de kogel zijn hoofd was binnengedrongen. De voorkant van zijn schedel zag er uit alsof iemand er met de hak van een zware laars op had getrapt. Thwaite knipperde niet-begrijpend met zijn ogen. Zijn mond viel open. Toen kwam er iemand in de donkere gang achter het lijk in beweging. Melody stapte het vertrek binnen, met een .45 in haar hand. Ze keek eerst naar de dode en vervolgens naar Thwaite. Haar lippen weken langzaam vaneen. Bij haar haargrens glinsterde bloed. Haar gezicht zag bleek.

'Er was er nog een,' zei ze zacht. 'En ik wilde helemaal niemand doden, maar ik moest wel.' Dikke tranen rolden over haar wangen en haar revolver gleed tussen haar slanke vingers vandaan; het wapen belandde met een doffe klap op de vloerbedekking. Ze schudde niet-begrijpend haar hoofd. Maar ze bleef hem voortdurend aankijken. Tenslotte stapte ze over het lijk heen. Ze haastte zich door de kamer naar hem toe, bezorgd en angstig tegelijk. Ze knielde naast Thwaite op de vloer en sloeg een arm om hem heen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht.

'O, wat vind ik dit erg,' zei ze.

'Ik ook,' fluisterde hij nauwelijks hoorbaar.

Ze bracht haar gezicht tot vlak bij het zijne.

'Ontspan je.'

'Ik zei -'

'Ik hoorde je wel.' Ze sprak nu op een afgemeten toon. Hij zag dat ze zich herstelde. Haar ogen waren weliswaar nog vochtig van de tranen, maar ze keek hem met een vaste blik aan. Op een of andere wijze zag ze er uit alsof er een enorme last van haar schouders was afgenomen. 'Je hebt goed werk geleverd, kindje,' mompelde hij.

'Nee,' zei ze. 'Ik ga nu goed werk leveren.' Ze boog zich naar hem toe. 'Ik geef je een kus en dan verander jij in een prins.'

Vlak voor haar mond de zijne raakte was hij ervan overtuigd dat hij een flauwe glimlach om haar lippen zag spelen. Naar Newyorkse maatstaven gemeten, waren de omstandigheden bijzonder primitief. De repetitielokalen telden de noodzakelijke attributen, maar de genadeloze warmte en de slecht functionerende ventilatie waren er de oorzaak van dat de dansers al na enkele seconden dropen van het zweet. Het podium was bovendien te klein en als gevolg daarvan moest de choreografie in alle haast worden veranderd, voor zover dat binnen een dergelijk kort tijdsbestek mogelijk was. Martin deed zijn uiterste best, maar de dansers werden alleen maar zenuwachtiger.

Maar het ergste kwam nog. Toen ze het podium betraden, voelden ze onder hun voeten niet de vertrouwde meeverende planken, maar keihard beton!

'Dit kan niet!' riep Martin uit. En Lauren was het volledig met hem eens. Toch deden ze hun uiterste best, want tenslotte waren ze beroeps. Zelfs in het midden van de jungle zouden ze hun uiterste best hebben gedaan.

Het gezelschap sloeg zich goed door de beproeving heen. Het publiek was laaiend enthousiast. Ballet was een van de westerse kunstvormen die heel lang in China verboden waren geweest; iedereen wist dat de Chinezen hongerden naar cultuur. Maar het feestelijke ogenblik werd voor Lauren een beetje overschaduwd door de zeurende pijn in haar been. Vooral tegen het eind van haar solo bezorgde haar been haar veel last, wat haar in een geïrriteerde stemming bracht.

Ze zou er nooit achter komen hoe het precies gebeurde. Ze vermoedde dat haar partner, Steven, die gewoonlijk ontzettend betrouwbaar was, haar na een sprong net iets te vroeg losliet. Maar het feit dat de harde dansvloer er de oorzaak van was dat ze zich ernstig zorgen maakte over haar gekwetste heup, speelde ook een rol. Wat er ook de oorzaak van was, ze kwam neer op de zijkant van haar voet, in plaats van op haar tenen. Haar lichaamsgewicht, verzwaard door het momentum van de sprong, was er in ieder geval de oorzaak van dat ze een spier beschadigde. Ze dacht dat ze iets hoorde knappen, en Steven, die meteen aan haar gezicht zag wat er was gebeurd, voerde haar met enkele elegante sprongen naar een plek achter de coulissen.

De golf van applaus drong nauwelijks tot haar door. Ze was niet eens in staat om zelf het applaus in ontvangst te nemen.

'Geef ze opdracht om mij een van hun revolvers te geven,' zei Tracy.

'Waarom?'

'Doe wat ik zeg!' Een lichte aanzet tot de kiai had tot gevolg dat zijn bevel meteen werd opgevolgd.

Nog steeds voorover liggend op de vloer, liet Mizo de vingers van zijn vrije hand knallen. Een van de Chinezen kwam vanuit de tuin het huis binnen.

'Ik wil de andere ook kunnen zien,' zei Tracy.

Mizo knipte opnieuw met zijn duim en middelvinger en de tweede man dook naast de eerste op. Een wenkend gebaar van Mizo had tot gevolg dat de eerste Chinees langzaam door het vertrek naar hen toe liep. Zijn blik was onafgebroken op Tracy gevestigd; de haat die hij uitstraalde was bijna tastbaar. De Chinees haatte deze buitenlandse duivel zo hartgrondig dat er niet veel voor nodig leek te zijn om hem zijn zelfbeheersing te doen verliezen. Misschien was hij familie van een van de mannen die in Aberdeen waren verdronken. Tracy besloot ernstig met die mogelijkheid rekening te houden.

Het gevaar was nog lang niet geweken.

Lauren zat vloekend in de kleedkamer. De arts van het gezelschap wikkelde haar been in een dikke verbandlaag die eerst in ijswater werd ondergedompeld. Martin kwam de kleedkamer binnen. Zijn gezichtsuitdrukking stond uiterst somber.

'Hoe is het ermee?' wilde hij weten.

De dokter haalde zijn schouders op. 'De eerstkomende vierentwintig uur kan ik er weinig over zeggen. Maar ik geloof dat het wel meevalt.'

'Lauren?'

'Het is verdomme zo pijnlijk als wat,' zei ze nijdig. 'God-verdomme!'

Martin sloeg zijn arm om haar heen. 'Morgen hebben we een dag vrijaf. Overmorgen gaan we naar Peking.'

'Geweldig,' zei Lauren. 'Dan kan ik morgen in mijn appartement blijven.' Met een handdoek wreef ze haar bezwete gezicht droog. Martin keek vluchtig naar de dokter. Hij keek op en schudde zijn hoofd.

'Onzin,' zei Martin tegen Lauren, en nam naast haar plaats. Hij glimlachte. 'Een reis als deze maken we allemaal maar één keer mee. Jij rijdt morgen met mij mee in de auto die de regering ons ter beschikking heeft gesteld.'

Lauren keek op. Een kans om een hele dag in gezelschap van Martin door te brengen! 'Ja,' zei ze verrukt. 'Dat zou ik heerlijk vinden.'

'Mooi,' zei Martin en hij klopte haar geruststellend op haar onbeschadigde been. 'Nu zou ik graag willen dat je een paar aardige dingen tegen een plaatselijke partijbons zegt, Lauren. Hij staat al een hele poos te wachten. Het is net alsof hij zich jouw blessure persoonlijk aantrekt, terwijl er van schuld van zijn kant natuurlijk geen sprake is. Hij kon ons bij onze aankomst tot zijn spijt niet begroeten, want toen was hij de stad uit.'

Lauren stond op het punt te protesteren - inwendig ziedde ze nog steeds van woede - maar Martin viel haar voortijdig in de rede. 'Dit is voor ons heel belangrijk, Lauren. Belangrijk voor het succes van de hele toernee. Het aantrekken van de vriendschapsbanden was per slot van rekening de belangrijkste reden om hierheen te gaan.'

Martin stond op en keek glimlachend op haar neer. 'En eerlijk gezegd maakte hij op mij een heel aardige indruk.'

Martin verdween tussen de heen en weer lopende mensen uit het zicht en kwam even later terug met een zwaargebouwde Chinees.

'Lauren Marshall,' zei Martin bij wijze van introductie en hij boog op een manier die Lauren altijd met de oude Russische aristocratie associeerde. 'Lauren, mag ik je voorstellen, Dong Zhing, de plaatselijke vertegenwoordiger van het ministerie van cultuur van de Chinese Volksrepubliek.'

Lauren stak haar hand uit en Dong Zhing pakte haar vingertoppen vast, maakte een lichte buiging en deed een stap achteruit. Hij glimlachte.

'Aangenaam met u kennis te maken, mevrouw Marshall,' zei hij in zangerig Engels, dat niettemin grammaticaal juist was. 'Ik heb ontzettend van uw danskunst genoten. Uw gezelschap is voor dit land een frisse ademtocht, als ik het zo mag uitdrukken.'

'Dank u.'

'Ik zal deze gelegenheid meteen benutten om me te verontschuldigen voor het onfortuinlijke incident.' Hij zweeg een ogenblik en glimlachte, en toen hij opnieuw sprak, klonk zijn stem vertrouwenwekkender dan voorheen. 'Ik vrees dat het mijn schuld was. Ik was niet op de hoogte van de specifieke behoeften van een balletgezel-schap.'

Laurens reserves smolten als sneeuw voor de zon. De man was een charmeur. Ze glimlachte de glimlach die alleen een bijzonder enthousiast publiek te zien kreeg en zei: 'Ik weet zeker dat niemand het u kwalijk zal nemen.'

Dong Zhing boog opnieuw zijn hoofd. 'Ik ben u bijzonder erkentelijk, mevrouw Marshall. Mag ik u uitnodigen om vanavond met mij te dineren, bij mij thuis? Ik zou het bijzonder op prijs stellen als dat verwezenlijkt zou kunnen worden.' Hij wees naar haar been, en vrijwel tegelijkertijd betrok zijn gezicht. 'O, maar ik vrees dat uw been u verhindert om -'

Lauren keek opzij en zag Martin met de handen ineengestrengeld naar haar kijken. Hij had een wanhopige uitdrukking op zijn gezicht. 'Onzin,' zei ze, 'zo erg is het ook weer niet. Ik zal aanwezig zijn. En zegt u alstublieft Lauren tegen mij.'

De Chinees was verrukt. Zijn gezicht straalde. 'Afgesproken,' zei hij heftig knikkend. 'En jij,' zei hij vervolgens, 'moet me voortaan de Monnik noemen. Dat doet iedereen.'

'Ademhaling?'

'Ja, ja, hij haalde adem.'

'Je kon hem horen?'

'Als een blaasbalg.' De assistent van de chirurg had er moeite mee om Gottschalk van zijn jasje te verlossen. Ze bevonden zich in de operatiekamer waar het slachtoffer even tevoren was binnengebracht. Alles stond klaar voor de operatie. De chirurg, Bronstein, had weinig geduld. Met een scalpel sneed hij het vest en vervolgens het overhemd van Gottschalk open. Toen keek hij verrast op.

'Nu begrijp ik waarom hij niet dood is. Hij -'

'Maar hij werd dwars door zijn hart geschoten,' riep de assistent. 

'En wat is dit?' vroeg de chirurg die naar de bewusteloze man wees.

'Een kogelvrij vest,' zei de assistent met opgetrokken wenkbrauwen. 'Vandaar dat hij nog leeft!'

'En nu,' zei Tracy, 'pakje dat pistool bij de loop vast en je reikt het me met de kolf naar voren aan, heel langzaam.'

De jonge Chinees keek van Tracy naar Mizo, en trok langzaam zijn pistool tussen zijn broekband vandaan. Met een zure uitdrukking op zijn gezicht knikte Mizo zijn helper kort toe.

'Schuif het pistool over de vloer naar me toe, dat lijkt me nog beter,' zei Tracy.

De jonge Chinees deed wat van hem werd verwacht. Vervolgens gebaarde Tracy hem om een stap achteruit te gaan. Hij trok Kleine Draak met zich mee. Zodra hij het pistool in handen had, beval hij Mizo en zijn maïtresse naast elkaar op de grond te gaan liggen. De jonge Chinees, die van enkele meters afstand toekeek, deed een stap naar voren.

'Terug, hoerenjong,' riep Mizo toen Tracy waarschuwend de loop van het pistool tegen de hals van Kleine Draak duwde.

'Verdwijn uit dit huis!'

'O nee,' zei Tracy meteen. 'Ik wil dat ze hier blijven. Als ik ze weer naar buiten laat gaan, is het heel goed mogelijk dat ze daar nare plannetjes zullen bedenken waarin ik het lijdend voorwerp ben. Daar voel ik niets voor.'

Vanaf de vloer keek Kleine Draak hem met ogen vol haat aan. Het was niet te miskennen duidelijk een vrouw die gewoonlijk haar zin kreeg. Ze zou deze behandeling niet licht vergeten. Dat is dan jammer, dacht Tracy.

'Ik zal één ding duidelijk stellen,' zei Tracy. 'Ik heb geen tijd voor spelletjes. Als je me niet meteen vertelt wat ik wil weten, schiet ik Kleine Draak zonder pardon dood. En dat wil je toch niet, is het wel?'

Mizo schudde zijn hoofd.

'Dat is dan afgesproken,' gromde Tracy, en vervolgens: 'Begin maar. Waar is het allemaal om te doen?'

Mizo zweeg.

Zonder te aarzelen zette Tracy de veiligheidspal om. De scherpe klik deed de Japanner opkijken.

'Tijdens de oorlog,' zei hij haastig, 'om precies te zijn in 1969, besloten de Chinezen om de Amerikaanse soldaten in Vietnam van heroïne te voorzien.'

'Het is me niet om een geschiedenisles begonnen,' zei Tracy.

'Een ogenblik. Om dat te verwezenlijken werd een uitgebreid netwerk opgezet om de heroïne naar de juiste plekken te distribueren. De Rode Khmer fungeerde, als distributiekanaal, als tussenpersoon.'

'Daar weet ik alles van, maar dat netwerk werd vernietigd.'

'Integendeel. Dat netwerk bestaat nog steeds. Met dit verschil dat de heroïne nu rechtstreeks naar Amerika wordt verscheept.'

'En hoe weet jij dat?' vroeg Tracy vol wantrouwen. 'En wat probeer je me eigenlijk duidelijk te maken?'

'Ik weet dat het netwerk nog bestaat omdat ik aan het hoofd ervan sta,' zei Mizo. 'Heb je ooit van de Maritious Maatschappij gehoord?'

'Nee. Hoezo?'

'Dat is de maatschappij die aan het andere eind van de pijpleiding het spul in ontvangst neemt.'

'En wie is de eigenaar van die maatschappij?' wilde Tracy meteen weten.

'Een voormalige luitenant-kolonel van het Amerikaanse leger. Een zekere Delmar Davis Macomber. Ik denk dat je hem goed kent, want Macomber zat ook in Ban Me Thuot, net als jij.'

Tracy probeerde haastig de overdosis informatie te verwerken. Het duizelde hem. Als hij was uitgerust, zou hij er geen enkele moeite mee hebben gehad, maar nu, vermoeid, afgemat door slaapgebrek, wist hij niet wat hij ervan moest denken.

'Macomber zat in 1969 in Cambodja,' zei Mizo met een zuinig glimlachje. 'Via een lid van de Rode Khmer kwam hij op het spoor van de pijpleiding. De Khmer, een jongen nog, kon hem er alles over vertellen. In plaats van de pijpleiding te vernietigen, begon Macomber met de Khmer en de Chinezen samen te werken. En dat doet hij nog steeds.'

'Ik geloof je niet,' stamelde Tracy.

Mizo leek hem niet te hebben gehoord. 'Delmar Davis Macom-ber! Een slimme man. Hij wist de winst op de juiste manier te investeren. Al het geld dat hij in het begin van de jaren zeventig met de heroïne verdiende, verdween in Metronics Inc.' Mizo keek op.

'Weet je, hij heeft de heroïnehandel nooit laten schieten. Hij verkoopt nog steeds de dood in poedervorm, omdat hij het niet kan laten. Macomber is namelijk een man die voortdurend op het scherp van de snede moet opereren, anders functioneert hij niet. Hij put energie uit spanning en gevaar.' Mizo zweeg. 'Ik neem aan dat je naar Hongkong bent gekomen om dit aan de weet te komen?'

Tracy was diep geschokt. 'Waarom vertel je me dit allemaal?'

Mizo glimlachte als een haai. 'Omdat je dit wilde weten, of vergis ik me? Luister eens, ik wil niet dat Kleine Draak iets overkomt. Momenteel kan ik het financieel zonder de heroïnehandel stellen, maar ik kan niet zonder Kleine Draak leven.'

Tracy voelde zich wegzakken in een poel van troebel water. Het werd hem allemaal te veel. Was wat Mizo hem had verteld waar?

Of werd op een of andere wijze zijn aandacht van iets afgeleid? Het verhaal dat Mizo hem had verteld was té fantastisch om waar te kunnen zijn, dacht hij. Maar de twijfel bleef.

Tracy keek opzij. De jeugdige Chinezen leunden onverschillig tegen de wand. Langzaam, als in een waas, kwam Tracy in beweging. Op twee meter afstand van Mizo en Kleine Draak bleef hij staan.

'Of je liegt...' begon hij aarzelend.

'Mijn vriend, je weet dat ik niet lieg. Mijn feiten zijn de enige; de waarheid zelf is onomkeerbaar.' Mizo gebaarde met zijn hand.

'De logica zelf toont aan dat ik niet lieg.'

'En waarom -'

Op dat ogenblik wist hij waarom. Zijn rechterschouder en rechterarm voelden als verdoofd aan, en zijn reflexen verliepen trager. Op een teken van Mizo had Kleine Draak hem van opzij aangevallen. Hij had zich uitsluitend op de Japanner geconcentreerd. Uitputting en verwarring hadden de rest gedaan. De voorste twee knokkels van de linker vuist van Kleine Draak ramden tegen zijn neus. De klap kwam hard aan, en hij voelde dat het pistool uit zijn gevoelloze vingers werd gewrongen. Het volgende ogenblik haalde een met diamantjes afgezette ring zijn gezichtshuid open. Hij was een ogenblik verblind. De pijn draaide als een cirkelzaag in zijn hersens rond. Hij reikte naar de flacon scheercrème. Zijn duim drukte op de verborgen toets die alleen hij en zijn vader wisten te vinden. Vrijwel tegelijkertijd hoorde hij de Chinezen op hem af komen.

Tracy concentreerde zich op hun voetstappen en probeerde zodoende te bepalen hoe ver ze zich van hem vandaan bevonden. De woorden van zijn oude leermeester Jinsoku, spookten door zijn hoofd. 'Duisternis is de vriend van de kwaden van geest. Ook jij moet de duisternis tot je vriend maken. Je moet leren hoe je je er in moet bewegen, hoe je met je zintuigen moet werken, hoe je er in moet vechten, zodat jij tenslotte zult overleven en de anderen zullen sterven. Maar eerst moet je leren om er niet bang van te zijn. Elk levend wezen is instinctmatig bang in het donker, hoewel de meeste mensen zich daar niet eens van bewust zijn.'

Hij wierp de flacon via een onderhandse worp naar voren. Hij deed het zo overdreven mogelijk, om de aandacht van zijn eigen persoon af te leiden. Meteen na de worp wierp hij zich achterover op het kleed.

De explosie sloeg de ruiten in de achtergevel van de woning stuk. De splinters sproeiden als een douche van veelkleurig glas naar buiten. Een oogverblindend wit licht verspreidde zich tot in alle hoeken en gaten van het vertrek, en de grond trilde alsof veraf een aardbeving plaatsvond. Iemand schreeuwde, hoog, schel en doordringend, en het volgende ogenblik vulde het vertrek zich met grijze rook, die even later via de kapotte ramen naar buiten kolkte. Toen werd het stil.

Stofdeeltjes hingen in het vertrek en zakten langzaam, als een druilerig regentje, naar de vloer. De sofa waar Tracy zich op het ogenblik voorafgaand aan de explosie languit achter had geworpen, was door de luchtverplaatsing tegen de wand gedrukt. De bovenste helft van een antiek kamerscherm was weggeslagen. Van de twee Chinese lijfwachten was niet veel over; de wand vlak bij de wenteltrap was rossig en kleverig. Tracy drukte zich overeind en nam de rest van de schade op. Kleine Draak zat voorovergebogen op haar knieën, naast de Balinese tafel en de restanten van de prachtige porseleinen vaas. Haar jurk was aan een kant stukgereten. De huid aan die kant zag rood en leek te verkleuren terwijl Tracy toekeek. Met haar vuisten tegen haar ogen gedrukt, wiegde ze langzaam heen en weer. Ze hield haar ogen stijf dichtgeknepen. Tracy zocht naar Mizo. In de met stof gevulde kamer kon hij hem nergens ontdekken. Maar op een of andere wijze werd hij door zijn instinct gewaarschuwd dat er gevaar dreigde. Hij draaide zich om en liet zich tegelijkertijd vallen. Mizo sprong met opgeheven handen op hem af, een been stijf naar voren gestrekt, de voet in de juiste hoek gebogen. Karate, dacht Tracy. Hij draaide een halve slag rond, boog naar achteren en bracht zodoende zijn hoofd buiten de gevarenzone. Zijn opgeheven rechter arm maakte contact met de eeltige hiel. Door de kracht waarmee het contact tot stand kwam, schoot de arm omhoog.

Jinsoku zou van hem hebben verwacht dat hij op dat ogenblik een eind aan het gevecht zou hebben gemaakt; op het ogenblik waarop Mizo even uit balans was en dus kwetsbaar. Maar Tracy beschikte niet over voldoende tijd om zijn lichaam de kata te laten aannemen van waaruit een dodelijke stoot of trap kon worden gelanceerd. Nauwelijks had hij zich hersteld of Mizo kwam opnieuw op hem af. De Japanner was blijkbaar niet gewond geraakt en vastbesloten Tracy zonder pardon af te maken. Met hakkende bewegingen viel hij aan.

Tracy week voor de slagenregen achteruit. Hoewel hij nu de slagen op de juiste wijze pareerde, had hij zojuist zijn tweede explosie binnen vier dagen achter de rug; en de laatste had veel meer van hem gevergd dan hij had verwacht. Hoewel hij in het ziekenhuis en aan boord van de jonk had geslapen, besefte hij nu dat zijn lichaam langdurig rust nodig had en hij dacht: vierentwintig uur aan boord van een vliegtuig, slapend, op weg naar huis, dat zou me goed doen.

Drie zwaardslagen doorbroken zijn verdediging en beukten tegen zijn gewonde schouder. Pijnscheuten gingen vibrerend door hem heen, vóór hij besefte dat zijn concentratie het bijna begaf. Hij stootte zijn handpalm tegen de borst van Mizo, wat hem een ogenblik respijt gaf. Hij ademde moeizaam en transpireerde hevig; zijn kleren plakten tegen zijn huid. Hij droeg nog drie van de door zijn vader vervaardigde explosieven op zijn lijf, maar in zijn huidige fysieke toestand durfde hij geen ervan te gebruiken. Zijn oren suisden en zijn hoofd tolde; alleen al de gedachte een tweede ontploffing te veroorzaken, deed hem zijn kaken stijf op elkaar klemmen.

Hij schudde zijn suffe hoofd. Mizo had de aanval onderbroken. De Japanner kroop over de bank waarvan de bekleding er in flarden bijhing. Tracy vroeg zich af wat de ander van plan was en het volgende ogenblik, abrupt, zag hij het. Hij deed drie grote passen en dook op Mizo af. Een felle pijnscheut ontstond in zijn heup en trok via zijn bovenlijf naar zijn hersens. Hij wankelde, viel en rolde om.

De kristallen asbak die Mizo achter de bank vandaan had gegrist, had zijn heupbot geraakt. Mizo, woedend dat zijn opzet was mislukt, gleed in een kata die bekend stond als de kansetsu- waza. Als hij voldoende de ruimte had gehad, zou Tracy zich allerminst druk hebben gemaakt. Jinsoku had hem geleerd hoe hij de dodelijke stoten moest pareren. Nu verliep het anders. De eerste twee van Mizo's slagen misten hem; de derde trof hem tegen de pijnlijke schouder. In een flits besefte Tracy dat een tweede stoot tegen zijn schouder^ hem fataal zou worden. Als Mizo er, bij voorbeeld, in zou slagen om zijn sleutelbeen te breken, was het vrijwel zeker met hem gedaan. In zijn huidige vermoeide staat kon hij een formidabele tegenstander zoals Mizo niet aan. Hij moest naar een alternatief zoeken.

Hij bukte, rolde weg en bleef rollen, zodoende tijd winnend. Mizo, een geoefende vechter in het man-tegen-man gevecht, gaf hem die tijd niet. Toen Tracy weer overeind sprong, probeerde Mizo meteen opnieuw de pijnlijke schouder te raken. De ongelijke strijd kon volgens de wetten van de kansberekening slechts op één manier aflopen: met de dood van Tracy.

Tracy viel en stootte met zijn rug tegen iets hards. Alle lucht ontsnapte uit zijn longen. Mizo maakte zich op voor de dodelijke trap. Dat bleek uit zijn lichaamshouding: de positie van zijn voeten en die van zijn ellebogen en handen.

Tracy besefte dat het zover was; een-tiende seconde maakte het verschil uit tussen leven en dood. Hij krabbelde haastig achteruit en greep naar het voorwerp waar hij met zijn rug tegenaan was gevallen. Hij klemde zijn kaken op elkaar, greep het nog onbekende voorwerp vast en probeerde er greep op te krijgen. Mizo zette de laatste beweging van de trap in.

Tracy smeet het voorwerp naar voren. Mizo, niet in staat om correcties in de trap aan te brengen, zag het voorwerp pas toen het te laat was. Tracy was zich ervan bewust dat de gezichtsuitdrukking van zijn tegenstander zich wijzigde. Verwarring en ongeloof namen de plaats in van zelfverzekerdheid.

Het voorwerp was een koperen draak, massief en keihard. De puntige tong van de draak raakte Mizo's ribbenkast, vlak onder de linker borst. De puntige tanden van de draak reten de huid stuk. De tongpunt van de draak miste het hart op een haar na. Maar de punt bleef haken in een long. Een inwendige bloeding volgde. Mizo viel en bleef in het midden van het vertrek op zijn rug liggen. Zijn ademhaling verliep hortend en stotend. Zijn glazige blik richtte zich naar het plafond. Zijn gezichtshuid zag asgrauw. Tracy was zich ervan bewust dat de ander probeerde iets te zeggen en hij boog zich naar voren. Mizo's hoofd kwam iets omhoog van de vloer. 'Draak ...' Het klonk als een droge reutel en Tracy verkeerde een ogenblik in de veronderstelling dat Mizo het over de draak had die zijn dood had veroorzaakt. Toen begon hij opnieuw: 'Kleine Draak ...' Opnieuw hield hij op en hoestte bloed op. Tracy vermoedde dat Mizo nog maar heel kort te leven had. Mizo keek hem aan. 'Breng ... breng ...' Opnieuw werd hij door een hoestbui onderbroken; zijn lijf schokte. Ook Mizo besefte dat hij het niet lang meer zou maken. 'Breng haar naar... Gouden Draak.'

'Naar defeng shui-manl Waarom?'

Mizo's ogen knipperden. Alle kleur was nu uit zijn gezicht weggetrokken. Zijn longen probeerden lucht binnen te halen, wat mislukte. Zijn mond ging voor de laatste keer open. 'Haar vader,'

zei Mizo happend naar lucht, 'houdt veel van haar. Breng haar... terug naar hem.'

Toen Tracy zich van Mizo afwendde, wendde hij zich af van een dode. Hij liep naar de jonge vrouw, die nog steeds zacht heen en weer wiegde, zonder zich bewust te zijn van de wereld om haar heen. Tracy voelde zich vermoeider dan hij ooit was geweest, maar de woorden die Mizo hem had toegefluisterd, gaven hem kracht. Op benen van lood stond hij op en begaf zich tussen de restanten van het meubilair door naar Kleine Draak. Buiten produceerden de krekels een ontzettend lawaai. Het was nog net zo warm als eerder op de avond. Tracy keek naar de lichtjes van Hongkong, en zuchtte.

Kim had een kamer genomen in een smoezelig hotelletje in het centrum van Dallas. Hij wachtte. Hij zat op het eenpersoonsbed, met zijn rug tegen het vale behang gedrukt. De krant van de vorige dag lag naast hem en maakte een gelezen indruk. Ergens buiten de beslotenheid van de hotelkamer, besefte hij, loerde de dood op hem. Hij wachtte echter rustig af.

Het enige raam dat het vertrek rijk was, bevond zich rechts van hem. Hij bevond zich op de zevende verdieping en als hij zich naar voren boog en zijn hoofd omdraaide, kon hij nog net de plek zien waar president John Fitzgerald Kennedy in november 1963 werd doodgeschoten.

Voor Kim had die dag geen bijzondere betekenis. Anderen konden er in bewogen bewoordingen over spreken, maar hij niet. Hij was te jong geweest en, dacht hij, als hij wel oud genoeg zou zijn geweest in 1963, dan nog zou de moord hem niets hebben gedaan. Bovendien had Kim nu andere dingen aan zijn hoofd. Hij zat al enkele dagen in het hotel. Hij mocht, dacht hij, van geluk spreken dat hij de afgelopen dagen zonder kleerscheuren was doorgekomen. Het was begonnen op de avond waarop Atherton Gottschalk door zijn partij tot presidentskandidaat werd benoemd. Zoals hem was opgedragen, bevond Kim zich die avond in Dallas. Hij was in het bezit van een VIP-pasje en bezocht de bijeenkomst met de bedoeling Gottschalk van de wensen van zijn opdrachtgevers op de hoogte te stellen.

Maar Kim was niet erg ver gekomen.

Meteen na de toespraak van de kandidaat werd het een gejuich en gehos van jewelste. Kim, die besefte dat dit het beste ogenblik was om zich naar voren te dringen, had zich in het feestgewoel gestort; naarmate hij het podium naderde, moest hij steeds vaker zijn pasje tonen. Toen hij zich op enkele passen afstand van Gottschalk vandaan bevond, bleef hij echter plotseling staan. Zijn nekharen kwamen overeind en een lichte rilling doorvoer hem. Aanvankelijk kon hij niet bepalen wat er mis was, maar dat er iets mis was, daarover bestond geen twijfel.

Ze zagen elkaar op hetzelfde ogenblik. Kim zorgde er bewust voor de man niet rechtstreeks aan te kijken, maar hij hield de ander vanuit een ooghoek in de gaten. Kim behoorde tot de handvol elite-moordenaars die de wereld rijk was. Hij herkende een expert zodra hij er een aan het werk zag, en hij vermoedde dat deze man ergens uit de subtop was gerecruteerd. Anders zou Kim hem beslist niet meteen hebben ontdekt.

Kim begon zich terug te trekken, maar zo langzaam dat de ander in staat was hem zonder moeite te volgen. Hij draaide zich om en zocht zich langzaam een weg door de vrolijke massa. Via een van de zijdeuren ging hij naar buiten. Parallel aan de dranghekken die de politie die middag rond het auditorium had geplaatst, begaf hij zich in de richting waar hij zijn huurauto had geparkeerd. Hij stapte haastig in en startte de auto. Tenminste, dat was zijn bedoeling geweest. Zijn poging bleef zonder resultaat. In de zijspiegel zag hij de man dichterbij komen. Kim probeerde opnieuw vergeefs de auto te starten. Hij hoopte dat de ander zo dom was geweest om niet met de auto hierheen te komen. Toen Kim voor de derde keer de contactsleutel omdraaide, zag hij de man echter met haastige passen in de richting van een oud model Dodge lopen.

Bij Kims derde poging startte de auto. Hij reed weg van de parkeerplaats en mengde zich in het drukke verkeer rond de plek waar de conventie werd gehouden. Vijftig minuten lang doorkruiste hij de stad, op enkele tientallen meters afstand door zijn achtervolger gevolgd. Daarna bereikten ze de rondweg, net buiten de stad, en daar kon Kim het gaspedaal helemaal indrukken. Alleen zijn opdrachtgevers wisten waar hij zich op dit ogenblik bevond, verder was absoluut niemand van zijn verblijfplaats op de hoogte. Dat kon slechts één ding betekenen. Ze wilden hem dood hebben. Maar waarom? Hij kon absoluut geen reden bedenken waarom ze hem zouden willen vermoorden. Ze hadden hem nota bene een opdracht gegeven. Na afloop had geen van beide partijen verplichtingen jegens de andere. Bovendien had hij zijn opdracht nog niet eens uitgevoerd. Kim snapte er niets van. Hij bleef erover piekeren en probeerde zich in de plaats van zijn opdrachtgevers voor te stellen. Maar vijftien minuten later was hij nog even ver als tevoren. Drie alternatieve mogelijkheden dienden zich aan toen hij nog eens tien minuten over het probleem nadacht. Twee ervan verwierp hij vrijwel meteen. De derde mogelijkheid bleef overeind.

Wat als - zo legde hij zichzelf de vraag voor - een van zijn opdrachtgevers niet diegene was voor wie hij zich uitgaf? Wat als, bij voorbeeld, de groep zakenmensen door de Sovjets was geïnfiltreerd. Zoiets paste precies in hun straatje, en ze beschikten over de mankracht en de ervaring om het voor elkaar te kunnen krijgen. Wat zouden ze ermee bereiken? Het antwoord was tegelijkertijd voor de hand liggend en beangstigend: een raam met uitzicht op het geheime mechanisme van de Amerikaanse politiek. Op die manier zouden de Sovjets vooraf weten welke koers de Amerikaanse politiek zou inslaan, en derhalve zouden ze ruimschoots van tevoren kunnen anticiperen. Kim was verbijsterd toen hij besefte wat voor een voorsprong dat de Sovjets zou geven.

Maar dat nam niet weg dat inmiddels nog niet duidelijk was waarom hij uit de weg moest worden geruimd. Opnieuw lag de oplossing echter voor de hand. Gottschalk mocht niet de nieuwe Amerikaanse president worden. De Russen hadden liever een zwakke in plaats van een strijdbare Amerikaanse president tegenover zich. En als hij, Kim, uit de weg werd geruimd, zou niemand Gottschalk van de financiële middelen kunnen voorzien die hij op weg naar het presidentschap nodig zou hebben. Als Kim vermoord zou worden, zou weliswaar duidelijk zijn dat er in het gezelschap van zakenlieden een verrader zitting had, maar dat was minder belangrijk dan een mogelijke benoeming van Atherton Gottschalk tot president van de Verenigde Staten van Amerika. Enfin, dacht Kim, er is een manier om zekerheid te krijgen. Hij keek vluchtig in zijn achteruitkijkspiegel en voelde zich ontzettend boos worden.

Nu strekte hij zich languit op het bed uit en toen de deur met een wilde zwaai door zijn achtervolger werd geopend, zag hij er levenloos uit.

De moordenaar in spe, een Nederlander, aarzelde een fractie van een seconde; dit had hij niet verwacht. Roerloos bleef hij in de deuropening staan, met zijn vinger rond de trekker van zijn automatic gekromd.

De korte aarzeling was al wat Kim nodig had om overeind te komen van het bed. In een flits overbrugde hij de afstand die hem van de man scheidde. Hij beukte met zijn schouder tegen de Nederlander, bracht hem uit evenwicht en greep de loop van de automatic vast, en dat allemaal in één vloeiende beweging. Een klap tegen zijn slaap was voldoende om de man buiten bewustzijn op de vloer ineen te laten zakken.

Het verhoor dat volgde duurde vier uur. Kim had de man met zijn martelingen tot nog grotere wanhoop kunnen drijven, maar hij vermoedde dat de man hem toch niet veel meer zou kunnen vertellen. Hij maakte abrupt een eind aan het verhoor door met een zwaardstoot het strottehoofd van de man te vernielen. De executie werd snel en humaan uitgevoerd, in tegenstelling tot wat Kim de man daarvóór had aangedaan.

Meteen daarop doorzocht Kim het vertrek naar tekenen die erop zouden kunnen wijzen dat de man zich in zijn gezelschap had bevonden. Toen hij de kamer huurde, had hij dat natuurlijk onder een valse naam gedaan. Hij was tien minuten achtereen druk bezig met het afstoffen van alle gladde oppervlakken. Toen vertrok hij. Hij legde ongeveer een kilometer te voet af, vóór hij een taxi aanhield. Vervolgens liet hij zich naar het Hilton brengen, waar hij onder zijn eigen naam een kamer huurde. Voor hij zich naar boven begaf, stuurde hij eerst een korte telex naar Eindhoven. 


WALKURE: JULLIE ZIJN GEÏNFILTREERD. FEIT IN DALLAS ONTDEKT. GRAAG OP KORTE TERMIJN GESPREK. BIJ VOORKEUR IN D.


Hij las het bericht een keer over en gaf het tevredengesteld aan de man aan de andere kant van de balie.

Ja, dacht hij op weg naar boven, dit is de enige manier om de mol uit zijn schuilplaats te lokken.

Vervolgens richtte hij zijn aandacht op andere zaken. Thu, bij voorbeeld, vormde een probleem. In gedachten vormde hij zich een beeld van zijn broer, gekleed in spijkerbroek, een Amerikaans T-shirt en met een zonnebril met spiegelglazen op, samen met zijn Amerikaanse vriendin.

De Vietnamese levenswijze dreigde onder de wals van de Amerikaanse cultuur te verdwijnen, en dat kon Kim niet zetten. De Amerikaanse vriendin interesseerde hem niet. Maar Thu interesseerde hem wel. Thu was zijn broer. En Thu was veranderd. Thu was zodanig veranderd dat Kim op de hele wereld niemand meer had op wie hij een beroep kon doen.

'Als ik naar je gezicht kijk,' zei de Monnik, 'zie ik dat je niet gelukkig bent.' Hij riep de kelner. 'Kan ik nog iets voor je bestellen?'

Lauren glimlachte en schudde haar hoofd. 'Nee.' Zij glimlachte niet blij, maar bedroefd. 'Ik denk niet dat u iets voor me kunt doen.'

De Monnik fronste en gebaarde de kelner dat zijn diensten niet nodig waren. Ze bevonden zich in de Jin Jiang Club, waar ze het middelpunt vormden van gefluisterde gesprekken en jaloerse blikken. Het is net, dacht Lauren, alsof ik thuis ben.

'Ik geloof dat u me onderschat, mejuffrouw Marshall,' zei de Monnik. Hij streek met een vingertop langs zijn snor. 'Ik geniet hier de status van tovenaar.' Hij glimlachte en boog zich over de tafel heen naar voren. 'Welnu, wat kan ik voor u betekenen?'

'Nog een drankje dan, alstublieft,' zei Lauren.

'Maar natuurlijk.' De Monnik knipte met zijn vingers en een ogenblik later was Laurens glas gevuld.

Ze sloot haar vingers eromheen en keek naar de inhoud. 'Hoe weten ze hier zo goed hoe ze een borrel moeten mixen?'

De Monnik grinnikte. 'Ik ben zoveel in het buitenland geweest.'

Hij ging rechtop zitten. 'Ik heb overal mijn ogen goed de kost gegeven.'

Lauren glimlachte. De goedgehumeurde Chinees stelde haar op haar gemak. 'Ik moet zeggen dat u heel anders bent dan ik me u voorstelde.'

'O?' De Monnik hield zijn hoofd een beetje schuin. Zijn dikke wenkbrauwen schoven naar elkaar toe en hij fronste. Op dat ogenblik maakte hij een nijdige indruk. 'Had je je de modale oosterling soms op deze wijze voorgesteld?'

'Precies,' lachte Lauren. 'U slaat de spijker op de kop.'

'Je ne c'est quoi?'

'Ik zou een foto van u moeten maken.'

'O, nee, alsjeblieft niet,' riep de Monnik quasi-gealarmeerd.

'Niemand zou me herkennen.'

De maaltijd werd opgediend en ze aten. Ze voelden zich allebei op hun gemak in het gezelschap van de ander.

Tenslotte schudde de Monnik zijn hoofd. 'Ik meende wat ik daarnet zei, mejuffrouw Marshall.'

'Zegt u maar Lauren.'

De Monnik knikte. 'Ik heb bewondering voor je talent, Lauren. Ik heb sowieso grote bewondering voor mensen die zich met volledige toewijding met hun beroep bezig houden. Concentratie bevordert de aanmaak van energie. Althans, zo denken de Chinezen erover.'

'Nu weet ik weer niet of u me plaagt of niet.'

'Mijn compliment was gemeend.' De Monnik drukte voorzichtig zijn servet tegen zijn lippen. 'Wat de rest betreft...' Hij maakte een beweging met zijn hand waarmee hij een wegvliegende vogel uitbeeldde. 'Wat jij doet is zo totaal verschillend van wat wij hier ballet noemen. Ballet lijkt hier meer op gymnastiek. Jij weet emoties in je dans tot uiting te brengen.' Opeens keek hij haar bedroefd aan. 'Ik mis het ballet als ik hier ben om me aan mijn officiële plichten te wijden.'

Lauren keek verrast op. 'Wat bedoelt u?'

'Het grootste gedeelte van mijn werk verricht ik in het buitenland. De bureaucratische kant ervan doe ik echter hier.' Hij zuchtte. 'Ik zou hier onmogelijk twaalf maanden van het jaar kunnen wonen.'

'Ik dacht altijd dat uw regering haar mensen, eh, strakker in de hand hield. Mag u zo maar naar het buitenland?'

'De afgelopen jaren is er hier heel wat veranderd, mijn lief.' De Monnik boog zich naar voren en nam haar hand in de zijne. De hand van de Monnik voelde stevig aan; een hand waarop je kon vertrouwen. 'Dit land kan niet voortbestaan en tot ontwikkeling komen in het vacuum dat na de revolutie is ontstaan. Tot dusver waren we echter te kwetsbaar om ons ver buiten de landsgrenzen te wagen. Maar de tijd heeft enige hervormingen tot stand gebracht. Een besef van werkelijkheid overheerst momenteel ons denken. Helaas, de regering besloot in het verleden het contact met het buitenland zoveel mogelijk te beperken, en men wijkt hier niet gauw van de officiële koers af. Bovendien weet men hier weinig of niets van het buitenland af. Bovendien kan de oosterse geest niet worden gehaast. En wij zijn er nog niet rijp voor om ons als natie naar buiten toe te manifesteren. Ik ben, eh, een van de weinige mannen die voor deze natie het buitenland verkent.'

'Maar China probeert toch ook officieel allerlei vriendschappelijke betrekkingen aan te knopen.'

'Jazeker,' zei de Monnik. 'Maar de handelsbetrekkingen die ik met het buitenland aanknoop, verlopen buiten de officiële kanalen. Ik ben, laten we zeggen, een vrije ondernemer.'

'En de regering geeft u de vrije hand?'

'Het zou heel onverstandig zijn als ze dat niet deed. Per slot van rekening zorg ik ervoor dat er via mijn activiteiten heel wat dollars het land binnenkomen.'

'Dus hier hebt u "officieel" een functie en in het buitenland bent u een vrije ondernemer?'

'Precies.' De Monnik lachte. 'Naar ik hoop is mijn geheim bij jou veilig.'

Lauren haalde haar schouders op. 'Aan wie zou ik het moeten doorvertellen? Ik heb geen vriendjes die bij Buitenlandse Zaken werken.' Ze schoof haar wijnglas naar hem toe. 'Mag ik nog een slokje?'

'Waarom vertel je me niet wat je dwarszit, meisje,' zei de Monnik terwijl hij aan haar verzoek voldeed.

Een ogenblik keek Lauren aandachtig naar zijn vriendelijke vollemaansgezicht, toen dacht ze: ach, waarom ook niet. En dat zei ze ook. 'Misschien kunt u wat objectiever oordelen,' voegde ze eraan toe. En vervolgens vertelde ze hem van Tracy, haar broer Bobby, en van de ruzie. Ze noemde echter geen namen.

'Ik hou van hem,' besloot ze. 'En ik weet niet waarom ik zo kwaad op hem ben geworden.'

De Monnik dacht er een poosje over na. 'Je handelingen zijn compleet tegenstrijdig aan je gevoelens.'

'Dat is niet helemaal waar,' protesteerde ze. 'Op het ogenblik waarop hij me vertelde dat hij voor de dood van mijn broer verantwoordelijk was, haatte ik hem echt, met hart en ziel.'

'Maar zojuist heb je gezegd dat je van hem houdt. Wat moet ik nu geloven? Dat je van hem houdt, of dat je hem haat?'

'Allebei, geloof ik.'

De Monnik knikte. 'Hmm, de mens is een wezen dat ingewikkeld in elkaar steekt. Een mens is inderdaad in staat om tegelijkertijd haat en liefde jegens een en dezelfde persoon te voelen.' Hij trok zijn schouders iets op en zuchtte. 'Toch houd je van hem; je wilt hem terug. Ik kan me onmogelijk voorstellen dat een dergelijke wens uit haatgevoelens voortkomt.' Toen Lauren geen antwoord gaf, vervolgde hij met: 'Jij was degene die ruzie maakte en hem wegstuurde. Interessant. Waarom deed je dat, denk je?'

'Ik weet het niet, echt niet.'

'Hmm,' zei hij nadat hij haar een ogenblik aandachtig had gadegeslagen. 'Ik geloof je niet.'

'U durft wel,' zei ze opeens nijdig. Het volgende ogenblik schoot haar te binnen dat het gezelschap vanwege de vriendschappelijke betrekkingen in China was en ze hield zich in. 'Sorry,' mompelde ze, en ze dacht: O, God, nu heb ik hem beledigd.

De Monnik glimlachte. 'Kom-kom.' Hij klopte geruststellend op de rug van haar hand. 'Ik ben niet zo snel beledigd. Hoe dan ook, jij bent degene die het probleem moet oplossen.'

Nu kon ze weer glimlachen. 'Ik had niet zo moeten uitvallen.'

'Ach, ik begrijp het best,' zei de Monnik. 'Als de tandarts een zenuw raakt, reageer je ook, niet waar?'

Ze knikte.

'Weet je,' zei de Monnik nadenkend. 'Ik had vroeger ook een broer. Ik kom uit een gezin van negen kinderen, twee broers en zeven zussen.' Hij schudde meewarig zijn hoofd. 'Mijn broer was een heethoofd in wie het heilige vuur van de revolutie fel brandde. Hij wilde maar wat graag tegen de vijanden van de revolutie ten strijde trekken. Ik was wat bedachtzamer. Ik dacht liever eerst ergens over na, vóór ik tot de daad overging. En dat is nog steeds zo. Maar, en dat is een feit, daar voelde mijn broer zich een beetje onzeker bij. Hij sprak me er vaak over aan. Ik vond het niet erg. Ik was ouder en bovendien sterker. Over het algemeen konden we het echter goed met elkaar vinden.' Opnieuw schudde de Monnik bedroefd zijn hoofd. 'Hij kwam op een droevige manier aan zijn eind. In het leger. Tijdens een oefening granaatwerpen, klapte er een granaat vlak naast zijn hoofd uiteen.'

Laurens maag draaide een halve slag. Ze vond het een afschuwelijk verhaal, maar haar fysieke reactie op de afloop verbaasde haar. Opeens dacht ze weer aan Bobby, maar ditmaal aan de Bobby zoals ze hem als joch had gekend. In gedachten zag ze hem appels uit de appelboom in de voortuin plukken; glimlachend en haarscherp verscheen hij in haar gedachten. Wat gebeurt er toch met me? dacht ze vervolgens.

'Op de begrafenis van mijn broer huilde ik,' vervolgde de Monnik. 'Maar dat deed iedereen, mijn zeven zussen, mijn ouders, mijn ooms, mijn tantes en mijn neven en nichten.' Hij keek haar recht in de ogen. 'Maar daarna deed ik iets wat niemand deed. Ik ging naar huis en schoor mijn hoofd kaal. Driejaar achtereen heb ik mijn schedel glad gehouden en gedurende die periode droeg ik alleen zwarte kleding. En ik veranderde. Ik dacht niet langer na, maar richtte me in plaats daarvan op fysieke actie, precies zoals mijn broer had gedaan. En, Lauren,' vervolgde hij vriendelijk. 'Dat deed ik allemaal niet omdat ik het zo graag wilde. Eerlijk gezegd vond ik het helemaal niet leuk. Maar ik moest het doen. De schuld die ik voelde legde me dat op.'

Schuldgevoelens, dacht Lauren. Die vormden haar geheim, haar last. Ze had helemaal geen hekel aan Tracy. Ze wist heel goed dat hij Bobby niet had gedood; de oorlog was de schuldige. Ze haatte zichzelf. Omdat, ongeacht of ze gelijk had of niet, ze het idee had dat Bobby bij de commando's had getekend omdat hij indertijd met zijn leven niet tevreden was. En zij had ook deel uitgemaakt van dat leven waar hij niet tevreden mee was. Misschien was zij wel de oorzaak van zijn vertrek geweest. Als er iemand verantwoordelijk kon worden gesteld voor de dood van Bobby, dan was zij dat.

'Kom-kom, Lauren,' zei de Monnik rustig. 'Toe.' Maar ze huilde. Grote tranen glommen als dauwdruppels in haar ooghoeken en gleden over haar wangen. Ze tekenden grijze vlekjes op het smetteloos witte tafelkleed.

De Monnik hield haar hand vast en kneep er vriendelijk in. Zijn broer was nog in leven. Hij maakte het goed en bekleedde een hoge regeringspost. Maar deze Amerikaanse, die hij zo bewonderde, was in de ban van schuldgevoelens geraakt. Hij was geen psychiater, maar hij was geen onbekende op het terrein van de psychologie. Tijdens de Vietnamese oorlog had hij menige Amerikaanse commando weten te overreden om hem van de gewenste informatie te voorzien. Over de details die vaak aan een dergelijk verhoor vooraf waren gegaan, dacht hij maar liever niet na. Het scheppen van een parallel, zoals hij zojuist had gedaan, was soms echter voldoende om iemand die hopeloos vastzat de situatie vanuit een ander oogpunt te laten zien. De Monnik had in de loop der jaren ontdekt dat een indirecte benadering vaak vrucht afwierp. Dat was een van de redenen waarom hij zo goed was in zijn werk.

Lauren pakte de linnen zakdoek vast die de Monnik tussen hen in op het tafelblad had gelegd en snoot haar neus. Vanonder haar lange wimpers staarde ze hem lange tijd aan. 'Dank u,' zei ze. Ze pakte zijn hand vast en gaf hém nu een kneepje. 'Het spijt me heel erg ... van uw broer.'

'Dat is alweer een hele poos geleden gebeurd,' zei de Monnik, die het haar gemakkelijk maakte. 'Helaas helen dergelijke wonden slechts langzaam. Maar ik verzeker je, ze helen wel.'

'U had vanaf het begin al gelijk,' zei Lauren. 'Ik heb helemaal geen hekel aan hem, laat staan dat ik hem haat.'

'Zal ik je eens iets vertellen,' zei hij langzaam. 'Een oorlog laat niemand geestelijk onberoerd. Het zicht op de werkelijkheid verandert erdoor. Mensen begaan in een oorlog daden waartoe ze zich daarvóór nooit in staat hadden geacht. Overleven is in een oorlog het belangrijkst.'

'Het was zijn fout niet, dat zie ik nu ook in. Hij deed niets verkeerd. Mijn broer -' Ze brak de ingezette zin abrupt af. De man die tegenover haar aan tafel zat, was een volslagen vreemde en toch had ze hem zoveel over haarzelf verteld. Ach wat, dacht ze, soms is het gemakkelijker om met een vreemde dan met een bekende te praten.

Aan de andere kant van de tafel dacht de Monnik hetzelfde. Bijna had hij haar alles verteld. Al weken had hij gezocht naar iemand die hij in voldoende mate kon vertrouwen om tijdens een lange sessie zijn hart bij uit te storten om zijn in beroering gebrachte geweten te sussen. Maar net zoals Lauren op dat ogenblik dichtklapte, werd ook hij geremd om door te zetten. Zweetdruppels gleden onder zijn oksels vandaan langs zijn zij en hij haalde diep adem om zichzelf weer in de hand te krijgen. Hij was er niet langer zeker van of de koers die hij had uitgestippeld de juiste was. Vóór de ontmoeting met deze vrouw had hij geen enkele twijfel gekend. Maar nu? Als hij in goden geloofde, dacht hij filosofisch, zou hij zich nu zeker tot hen wenden. Maar hij geloofde niet in goden; hij geloofde alleen in de grootheid van China. Dat maakte zijn besluit er niet gemakkelijker op. In het licht daarvan vond hij het afschuwelijk om zichzelf als een landverrader te zien.

'Nou... het kostte me heel wat moeite om bij jou toegelaten te worden.'

Atherton Gottschalk zat recht overeind op het ziekenhuisbed, met drie kussens als een dikke bobbel in zijn rug. De kussens hadden een ouderwetse donsvulling; hij was allergisch voor synthetisch materiaal. Zijn ogen gingen wijd open.

'Christus, Macomber. Wat een verrassing.'

Macomber nam hem aandachtig op. Toen begaf hij zich langzaam naar het voeteneind. De air-conditioning zoemde zacht.

'Jezus, Atherton, je ziet er aangeslagen uit.'

Gottschalks gezichtsuitdrukking versomberde. 'Hoe verwachtte je me anders aan te treffen, smeerlap! Ik had wel dood kunnen zijn.'

Macomber glimlachte. De glimlach bleef een hele poos gehandhaafd. Het is die schoft z'n verdiende loon, dacht hij. Laat hem het maar even benauwd krijgen; per slot van rekening was hij degene die via Kathleen Christian de zaak bijna had verknoeid. 'Ik constateerde dat het vest dat ik je stuurde de goede maat had.'

'Aan dat vest lag het niet.' Gottschalk boog zijn hoofd naar voren. 'Wat ging er verdomme mis?'

'Waarom praat je zo zacht?' vroeg Macomber. 'Wordt dit vertrek afgeluisterd?'

'Geef verdomme antwoord!'

Macomber rondde het bed en stelde zich aan de zijkant ervan op. Hij strengelde de handen op zijn rug ineen. 'Het plan werd uitgevoerd zoals het werd opgezet, Atherton.'

'Wat!' Alle kleur trok weg uit het gezicht van Atherton.

'Overigens, beneden liep ik je vrouw Roberta tegen het lijf. Ze ging een praatje maken met een aantal televisiejournalisten. Een echte presidentsvrouw, vind ik.'

'Geen smoesjes graag. Ik wil precies weten wat er verdomme aan de hand is.'

'Dat zal ik je vertellen,' zei Macomber vreemd zacht. 'Waarom denk je dat ik hier sta?' Hij nam plaats op de stoel die naast het bed stond en boog zich naar voren. 'Ik huurde die Islamiet, via bemiddeling van een derde partij. Die man dacht dat zijn land jou dood wilde hebben, maar enfin, wat hij denkt doet er niet toe.'

'Jezus Christus.' Atherton stikte bijna in de woorden. 'In godsnaam, waarom. Ik had wel dood kunnen zijn.'

Macomber knikte. 'Ja, daar zit iets in, je had nu dood kunnen zijn. Maar dat risico was bijzonder klein. Die man verstond zijn vak. En hij had opdracht op je hart te schieten. En op die plek was je beschermd.'

Gottschalk huiverde. 'Hij had gemakkelijk kunnen missen.'

'Maar,' zei Macomber, 'het blijft een feit dat hij dat niet deed.'

Hij stond op. 'Wat het waarom van deze zaak betreft,' hij wees naar de stapel kranten en tijdschriften op het nachtkastje naast Atherton, 'daar heb je je reden.'

'De pers?'

'Je bent momenteel verdomme een vierentwintig karaats held, Atherton. Ik heb jouw waarschuwingen werkelijkheid laten worden. Je hebt nu het grote publiek op je hand. Eerst zullen ze woedend worden omdat jij werd neergeschoten. Vervolgens zullen ze tot de conclusie komen dat de situatie werkelijk kritiek is. Ze zullen het voor honderd procent met je eens zijn dat er iets moet gebeuren. En om dat werkelijkheid te laten worden, hebben ze jou nodig. Dus wat gebeurt er, ze zullen allemaal op je stemmen.'

'Christus,' zei Atherton, 'je had in ieder geval zo fatsoenlijk kunnen zijn om me van tevoren over de werkelijke toedracht in te lichten. Ik zou me hebben kunnen voorbereiden -'

'En met voorbereidingen zou je het verknoeid hebben. Begrijp je het dan niet? Het moest er absoluut echt uitzien.'

'Maar, verdomme, man. Je speelde met mijn leven.'

Macomber haalde zijn schouders op. 'Dit spel moet op hoog niveau worden gespeeld. De inzet is te hoog. Alles of niets is mijn motto. Toen jij je ja-woord gaf, stemde je ermee in je naar de wensen van de Angka te zullen schikken.'

Gottschalk had nog steeds een rode blos van woede op zijn wangen. 'Ik wil niet dat dit ooit wordt herhaald. Want misschien zijn jullie wel van plan om nog eens zo'n stunt uit te halen.'

'Je hebt mijn woord, Atherton, dat het niet opnieuw zal gebeuren. Er staat echter wel iets anders op het programma. Op de dag dat jij officieel zal worden beëdigd, zal een groep terroristen een kerncentrale bezetten. Die kerncentrale zal dan al enkele weken buiten werking zijn, maar dat weet het grote publiek niet.'

'En dan?'

'Dan zul je kunnen laten zien wat je waard bent, Atherton.'

Gottschalk staarde met een lege blik naar de wand tegenover hem. 'Vóór ik verder ga, wil ik eerst jouw woord dat mijn leven in ieder geval geen gevaar zal lopen.' Zijn borst deed nog steeds pijn. Zijn hart. Zijn hart. Misselijkheid welde in hem op toen hij zich voorstelde wat er gebeurd zou zijn als hij het vest niet zou hebben aangetrokken. Hij zou nu zo dood als een pier zijn. Net als John Holmgren.

Gottschalk vermoedde diep in zijn hart dat Macomber iets met de dood van de gouverneur te maken had gehad. Als hij daaraan dacht, probeerde hij daarna zo snel mogelijk aan iets anders te denken. Hij wilde er niets over horen en hij wilde er niet aan denken. Dergelijke gedachten konden fataal zijn voor iemands geestesgesteldheid. Als een virus zouden ze hem aantasten en zich door zijn hele lichaam verspreiden, tot hij eraan zou bezwijken. Hij wilde niets weten van de vuile streken die achter zijn rug om werden uitgehaald. Ik wil alleen maar president worden, dacht hij meteen daarop.

'Ik wil een garantie,' zei hij en onwillekeurig balde hij zijn vuist. Hij wilde president worden, jazeker, maar hij voelde er niets voor om vroegtijdig aan zijn eind te komen.

' Atherton,' zei Macomber zacht, 'mag ik je erop wijzen dat jij je niet in een positie bevindt om iets te kunnen eisen.'

'O nee?' Athertons ogen schoten vuur. 'En hoe ver, denk je, zul je zonder mij komen?'

'Je zult heus de kans om president te worden niet opgeven. Ik ken je veel te goed. Je bent op macht belust. Iets anders interesseert je niet.'

'Godverdomme,' riep Gottschalk. 'Ik wil een garantie, meer niet.'

Macomber boog zich in een snelle beweging naar voren en bracht zijn gezicht tot vlak voor dat van de ander. 'Je hebt niets te willen, stommeling. Je hebt bijna de zaak zelf verziekt, via die maïtresse van jou.'

'Kathleen?' vroeg Gottschalk zacht. Hij sperde zijn ogen wijd open. 'Wat weet jij van Kathleen af? Hebben ze haar gevonden?'

'Nee,' zei Macomber. 'En dat zal nooit gebeuren ook. Ze ligt op de bodem van de rivier de Hudson.'

'Dood?' fluisterde Gottschalk. 'Is ze dood? Wat -' Plotseling maakte hij een doodsbange indruk.

'Precies. Morte. Ze heeft gekregen wat ze verdiende. Niet veel goeds. Jij was zo stom om haar in staat te stellen een gesprek tussen jou en Eliott af te luisteren.'

'Wat vertel je me nu?'

'Ze kende de datum, jij klootzak. Ze wist dat er op eenendertig augustus iets zou gebeuren. Ze kwam naar New York om de Angka te infiltreren. Ik vermoed dat ze uiteindelijk jou wilde chanteren, om zodoende Roberta buiten spel te zetten en haar plaats in te nemen. Gelukkig kwam ik er bijtijds achter.'

'Jij!' riep Gottschalk happend naar lucht. 'Christus, je liet haar vermoorden!'

Macomber bracht zijn lippen vlak bij Gottschalks oor. 'Ik beloonde haar op passende wijze voor haar moeite en ik kan jou op dezelfde wijze belonen, Atherton. Je hoeft het maar te zeggen en het gebeurt.'

Atherton Gottschalk beefde van woede en van angst. Hij deed zijn mond niet open, maar staarde met een strakke blik naar de wand tegenover hem.

Toen Thwaite het bureau binnenstapte, en even later zijn kantoor, trof hij Ivory White achter zijn bureau aan. De man had een lichtgroene map in zijn handen; de lichtgroene mappen werden alleen voor moordzaken gebruikt.

'Wat heb je daar?'

'Welkom thuis,' zei White. 'We zijn alle -'

'Ja-ja,' zei Thwaite knikkend, die al voelde aankomen wat de man daarna zou gaan zeggen. Te veel medeleven maakte hem zenuwachtig. 'Bewaar je toespraak en de bloemen maar voor een ander.'

'Ja, meneer,' zei White een beetje stijfjes. 'Het komt gewoon omdat het tijdens uw afwezigheid hier een ontzettende chaos was. De republikeinse kandidaat werd neergeschoten en nog geen vijf minuten later pakten Borak en Enders de moordenaar.'

Op dat ogenblik zag Thwaite het tweetal uit de lift stappen en naar hem toe komen. 'Ik weet er alles van,' gromde hij. De Times had in een gloedvol artikel de aanslag zwaar veroordeeld. De gelegenheid werd meteen benut om vast te stellen dat Amerika niets tegen het opkomende terrorisme ondernam. De volgende dag was de Washington Post met een artikel van gelijke strekking gekomen. De Post besteedde vooral veel aandacht aan het wapen waarmee de aanslag werd gepleegd, een AK-47 van Russische makelij. Het discussieprogramma 60 minutes was de vorige avond uitgebreid ingegaan op de verschillende facetten van het internationale terrorisme.

Kortom, binnen acht uur na de aanslag sprak iedereen in het land over Atherton Gottschalk, en het zag ernaar uit dat dit nog enkele dagen zou voortduren. Het laatste opinie-onderzoek van CBS-News toonde aan dat de ster van Gottschalk tijdens die acht uur sterk was gestegen. Meer dan zesenzeventig procent van de Amerikanen was het roerend met hem eens.

'Wel, wel, wel,' zei Borak grinnikend, 'je hebt net de opwinding gemist.'

'Hoe is het ermee, Doug?' vroeg Enders.

'Uitstekend,' zei Thwaite, hoewel dat allesbehalve waar was.

'Christus,' vervolgde Borak, die hen allebei negeerde, 'die gekke Gottschalk is meteen tot redder van de natie uitgeroepen. En gelijk hebben de mensen. De kerel heeft het allemaal zien aankomen. Let op mijn woorden, hij zal het heel wat beter doen dan die halfzachte die momenteel het heft in handen heeft.'

'Als ik het me goed herinner,' zei Enders, 'stemde jij op Lawrence.'

'En wat dan nog,' snauwde Borak. 'Toen had hij goeie ideeën. Maar Gottschalk ... tjonge, hij voorspelde dat zoiets binnenkort zou gaan gebeuren, en nu is hij nota bene zelf het slachtoffer.'

Thwaite was meteen alert. 'Dat telefoontje dat anoniem binnenkwam,' zei hij. 'Het is toch niet toevallig op de band opgenomen?'

Borak schudde zijn hoofd. 'Nee.'

'Dat zou ook te mooi zijn.'

'Zeg,' zei White vanachter zijn bureau. 'Als je hier even naar wilt kijken.'

Thwaite nam de map van de ander over en sloeg die open. Hij werd meteen krijtwit. 'Jezus Christus. Wanneer werd de zaak gemeld?'

'Gisterochtend vroeg.' White ging weinig op zijn gemak verzitten. 'Als de badkuip niet vol was geweest, zouden ze hem nu nog niet hebben gevonden. Die man woonde alleen.'

'En verder?' gromde Thwaite.

'Het bad liep over. De onderbuurman belde de huisbeheerder, die met zijn reservesleutel de deur openmaakte en de man vond.'

'Schoften,' zei Thwaite gemeend. Hij voelde zich hulpeloos en voor het eerst sinds zijn toetreding tot het korps voelde hij zich ook machteloos. 'Ik zie dat er inmiddels aan wordt gewerkt. Volhouden, niet loslaten, zeg dat maar tegen de jongens die de zaak behandelen. Ik wil elke -'

'De zaak is ons uit handen genomen,' viel White hem in de rede.

'Wat! Door wie?'

White haalde zijn schouders op. 'Het gebeurde een uur geleden. De FBI werkt nu aan de zaak. Let wel, officieel. Het staat allemaal zwart op wit in hun machtiging, waarvan overigens ook een kopie in de map zit. Ik denk dat die kerel vroeger voor de FBI werkte.'

Thwaite wendde zich af en dacht, de vader van Tracy. Wat is er verdomme allemaal gaande?

Buiten liepen een moeder en een kind hand in hand voorbij. Een klein meisje en een groot meisje. Samen. Doris. Phyllis, dacht Thwaite. Ik zal jullie nooit meer zien. En Tracy zal zijn vader nooit meer zien. Jezus. Inwendig huiverde hij.

We staan tot over onze oren in de vuiligheid.

De telex kwam omstreeks middernacht binnen. Dat betekende dat de boodschap de vorige dag, 's middags, vanuit Shanghai was verzonden.

Macomber was net terug van een uitgebreid diner in de club, waarbij hij meteen een zakelijke aangelegenheid had geregeld. De vorige avond was voor het eerst duidelijk geworden dat hun plan vruchten begon af te werpen. Gottschalks toenemende kansen om de volgende Amerikaanse president te worden, hadden ook Metronics geen windeieren gelegd. De koers op de beurs was flink omhoog gegaan. Iedereen had blijkbaar het idee dat de militaire projecten van Metronics in produktie zouden worden genomen zodra de aanstelling van Gottschalk een feit was.

Hij had meer dan genoeg redenen om zich prettig te voelen toen hij die avond naar huis liep. Zelfs Khieus vreemde gedrag kon zijn vreugde over de huidige ontwikkelingen niet overschaduwen. Hij had aan Khieu gedaan wat binnen zijn vermogen lag en had zodoende zijn geweten gesust.

Toen hij thuiskwam lag de telex op hem te wachten. Met een bevende hand maakte hij de langwerpige gele envelop open. Als het nu eens slecht nieuws was? Een ogenblik overwoog hij om de telex ongelezen in de papierversnipperaar te laten verdwijnen. Maar terwijl die gedachte bij hem opkwam, besefte hij meteen dat dat onmogelijk was. Hij hield nog steeds teveel van Tisah; zijn gevoelens bepaalden zijn handelingen. Met een briefopener van been ritste hij de envelop open. Hij was zich ervan bewust dat een dikke zweetdruppel langs zijn ruggegraat naar beneden rolde. Hij vouwde het papiertje open en las de telex.


HELAAS.

UITKOMST OPDRACHT NEGATIEF. HERHAAL! VOLSTREKT NEGATIEF. 

DEED WAT MENSELIJKERWIJS MOGELIJK WAS. 

MIJN DEELNEMING MET HET VERLIES.