APRIL - MEI 1967
Battambang, Cambodja
Verdwaald in de eindeloze, donkere jungle, bewoog Sokha zich in noordelijke richting. Onweerswolken gaven het hemeldak een smerige grijze kleur en meermalen dreunde de grond vanwege het sonische geweld van laag overvliegende jachtvliegtuigen, en eenmaal hoorde hij een zware klap die hij aanvankelijk voor een donderklap hield. Maar het ruisen van de bladeren van de bomen in zijn nabije omgeving, bewees dat het geluid een door de mens veroorzaakte, dodelijke oorzaak had.
Intuïtief meed hij de groepen Montagnards die hij in het noordwesten signaleerde. Hij voelde zich rusteloos en vreesde voortdurend troepen van Lon Nol tegen te komen. Dorpelingen gaven hem eten en boden hem één nacht onderdak, maar de reuk van hun bezorgdheid, die ze als een misselijkmakend parfum uitwasemden, kon hij slechts korte tijd verdragen. Hij was nu soldaat en tijdens de lange marsuren, waarbij hij geen enkele afleiding voor zijn geest kon vinden, zocht hij zijn toevlucht in de schamele troost die de militaire discipline hem bood en hij bereidde zich voor op hetgeen in het verschiet lag. Hij had niet om deze oorlog gevraagd. Sterker nog: hij had Boeddha in zijn gebeden gesmeekt om deze oorlog niet plaats te laten vinden. Maar nu was het zover en zijn betrokkenheid was een feit. Hoe het zou aflopen was ook voor hem een vraag waarop hij het antwoord niet kende, maar hij besefte dat hij er rekening mee diende te houden dat hij zou worden gedood. Dood en vernietiging waren alomtegenwoordig.
Het was ongeveer de tijd dat het regenseizoen zou beginnen en Sokha zag zich meer dan eens genoodzaakt om via een omweg verder te trekken. De laaglanden in de omgeving van Tonle Sap liepen onder water en de doortocht was er verraderlijk.Als een monnik leefde hij van het voedsel dat de dorpelingen hem gaven. In een kleine buitenpost, op twee dagen afstand van Phnom Penh vandaan, hoorde hij voor het eerst over de Angka. Volgens de geruchten had de organisatie niets met de maquis te maken. Niemand wist echter precies wat de Angka was, maar iedereen sprak met angst en ontzag over haar macht. Vanaf dat ogenblik hoorde hij in de dorpen die hij passeerde met vaste regelmaat het woord Angka. In de omgeving waar hij zich nu bevond, was aan voedsel geen gebrek. Er was rijst in overvloed en, vanwege de nabijheid van Cambodja's ver buiten de oevers getreden grootste meer, was er altijd verse vis. De eeuwenoude Khmer-goden, wist hij, hadden het grote meer, Tonle Sap, in het verre verleden aan de bewoners geschonken. Het meer bevatte een vrijwel onuitputtelijke voedselvoorraad in de vorm van vis. Na zijn vertrek uit de gelijknamige stad had hij zich, natuurlijk, van zijn bril en zijn uit twee lettergrepen gevormde naam ontdaan. Hij had lang genoeg in de nabijheid van Sam en René vertoefd om iets van de aard van de maquis af te weten. Ze hadden een hekel aan intellectuelen en zouden hem naar alle waarschijnlijkheid executeren als hij zijn afkomst zou verraden. Een bril was een veelzeggend voorwerp, evenals zijn naam. Tegen iedereen die hem naar zijn naam vroeg, zei hij dat hij Sok heette.
Eén keer beging hij de vergissing om zich in schools Frans tot een van de bergbewoners te wenden die hem in die taal aansprak. Aan de gezichtsuitdrukking van de man kon hij zien dat er iets scheef zat. Toen de man opnieuw iets tegen hem zei, begreep hij wat hij fout had gedaan. Om te midden van deze mensen niet op te vallen, zou hij zijn Frans moeten verbasteren, 's Avonds, als hij doodvermoeid in de wildernis zijn kamp opsloeg, oefende hij zich consequent in het breken van alle grammaticaregels die hij zich op het lycée zo moeizaam eigen had gemaakt.
Op een grauwe en bewolkte dag, waarop het in de vroegste ochtenduren al regende en zijn voortgang aanzienlijk trager verliep, liet hij zich op een zeker ogenblik tegen de doorweekte stam van een oude palmboom op de grond zakken. Hij liet zijn hoofd tegen de ruwe bast rusten en, zonder acht te slaan op het gezoem van de zwermen insekten, viel hij in slaap. Hij was nu al vier dagen onderweg, en hij was uitgeput. Zijn ledematen deden pijn en zijn hoofd bonsde. Ondanks het feit dat hij, overal waar hij kwam, had beweerd lid van de Angka te zijn, had hij die dag niet voldoende te eten gehad. De boeren werden systernatisch van hun oogst beroofd en hun schulden aan de plaatselijke geldschieters waren tot ondraaglijke hoogten opgelopen. Het tweelingspook van constante armoede en honger werd hier langzaam werkelijkheid. Sok kon het nauwelijks geloven. Wat was er met het Cambodja van vroeger gebeurd? Het land werd opgeslokt door revolutie, oorlog en politieke hebzucht. Een gedachte schoot hem te binnen. Hij had altijd in de veronderstelling verkeerd dat er na het uitbreken van de revolutie een tijd van vrede zou aanbreken. Als een zon die vanachter een donkere wolk te voorschijn komt en de andere, donkere wolken oplost. Tegelijkertijd kreeg hij plotseling het angstige gevoel dat Cambodja geen vrede, geen oplossing voor de problemen had en er geen einde zou komen aan de rampspoed die het land verscheurde.
Hij begon te snikken en op dat ogenblik hoorde hij zachte geluiden die zich duidelijk onderscheiden te midden van de andere, normale oerwoudgeluiden. Hij was meteen op zijn hoede, maar hij wist voldoende om zich niet te bewegen, of zijn ogen zelfs maar te openen. Wie er ook aankwamen, hij zou hen laten naderen.
'Mit mork pee na ?'
'Mit chmuos ey?' Een tweede stem.
Hij opende zijn ogen en zag zich geconfronteerd met drie in het zwart geklede, met geweren bewapende mannen. Alle drie droegen ze een oud M-l geweer. De lopen waren op hem gericht. Maquis.
'Ik kom uit het zuiden,' zei hij in antwoord op hun vraag. 'Uit de omgeving van de rijstvelden. De meesten van mijn familieleden werden door de mannen van Lon Nol gedood. Ik heet Sok -'
'Mit Sok,' corrigeerde een van de maquis hem. Sok knikte. 'Ja. Kameraad Sok. Ik wil meewerken aan de totstandkoming van de revolutie.'
Ze namen hem met zich mee, maar hij kon niet bepalen of ze hem als gevangene of als fcameraadbeschouwden. Over een afstand van ongeveer dertig kilometer legden ze een kronkelige route door de jungle af, tot ze uitkwamen op een open plek waar een aantal gebouwen was opgetrokken. De grootste was een pagode met een bleekgroen pannendak. Een van de maquis nam hem bij de arm en leidde hem naar de ingang van een kleiner bouwsel, tegenover de pagode. Een deur ontbrak.
Het interieur was stoffig. In een hoek van het vertrek zag Sok enkele gammele meubelstukken. Op een bank zonder poten, met slechts één armleuning, zat een man van middelbare leeftijd. Hij schonk Sok een lusteloze blik en verlegde toen zijn aandacht naar de vloer aan zijn voeten.
'Eén van Sihanouks varkens,' zei de maquis, waarbij hij met de loop van zijn M-l in de lucht prikte. 'Ze zijn van plan ons allemaal te vermoorden, de prins én Lon Nol, in Battambang. Maar wij hebben een verrassing voor hen in petto.'
'Dus hij is krijgsgevangene?' Sok voelde zich om begrijpelijke redenen totaal niet op zijn gemak.
De maquis wendde zich tot hem en sloeg hem met de kolf van zijn geweer tegen de zijkant van zijn hoofd. 'Kop houden,' gromde hij. 'Je zegt alleen iets als je iets wordt gevraagd, en anders niet.'
Sok drukte zijn handpalm tegen zijn wang. Die werd gloeiend heet en zijn vingertoppen beroerden iets kleverigs. Bloed. Hij was zo verstandig om van commentaar af te zien. De maquis stapte naar de ingang en stelde zich buiten als een schildwacht op. De dag liep snel ten einde, als een kaars die door een monnik met één ademtocht wordt gedoofd. Er werden vuren ontstoken en mitneary, vrouwelijke soldaten, droegen fakkels aan. Sok kreeg steeds meer trek, maar niemand bracht hem iets te eten of te drinken. De maquis aten bij het flakkerende oranje licht van de rokende vuren, in een ruwe cirkel op de grond gezeten. Toen de maaltijd voorbij was, bleven ze zitten waar ze zaten. Voor zover Sok kon bepalen, werden er geen gesprekken gevoerd. Een van de mannen ging de pagode binnen en kwam weer te voorschijn met een aap. Dit dier was in de jungle een alledaags verschijnsel, maar Sok verbaasde zich erover er een in een kamp van de maquis aan te treffen.
De aap werd naar de rand van de cirkel van mannen gebracht en vandaar zonder enige plichtpleging in het modderige middelpunt geworpen. Pas op dat ogenblik zag Sok dat het dier aan een touw vastzat, dat werd vastgehouden door de man die het dier had opgehaald.
De aap krijste en bewoog zich onrustig. Hij sprong van de ene kant van de kring naar de andere, maar werd telkens opnieuw aan het touw naar het midden van de kring teruggetrokken. Sok zag staal rossig glinsteren. De mannen hadden allemaal hun mes getrokken en terwijl de aap van de ene naar de andere kant sprong, hakten ze met hun messen naar de staart van het dier. Een van de mannen trof als eerste het beoogde doel en de aap krijste het uit. Bloed droop van zijn staart. Het dier ontblootte zijn tanden. Zijn ogen werden schrikachtig groot en hij keek schichtig en verwilderd om zich heen.
De messen hakten en staken, hakten en staken. Het dier krijste het uit van pijn en van angst, heen en weer springend in een vergeefse poging aan de kwelling te ontkomen. De staart werd langzaam bekort tot een bloedende stomp.
Sok werd zich gewaar dat achter hem iets bewoog. Toen hij zich omdraaide zag hij de krijgsgevangene vanachter zijn rug het tafereel buiten gadeslaan.
'En dat,' zei de man, 'moet de nieuwe orde van Cambodja worden.'
De maquis die voor de ingang op wacht stond, ramde hem als beloning de geweerkolf tegen zijn gezicht.
Sok keek sprakeloos toe. Was het dit waarvoor hij het ineenstortende Phnom Penh had verruild. Wat was erger? vroeg hij zich af, dat of dit? Het leek onmogelijk die vraag te beantwoorden. Als in een nachtmerrie werd alle logica uit zijn brein gewist en liet een leegte achter die zich niet liet opvullen.Iemand had medelijden gekregen met de lijdende aap en het dier de keel afgesneden. Het verminkte lijf lag op groteske wijze op de grond, duidelijk zichtbaar toen de cirkel van mannen werd verbroken.
Vijf van de mannen kwamen dichterbij. Langzaam liepen ze over de open plek op hem af. Hij werd zich ervan bewust dat de maquis-wachtpost zijn lichaamsgewicht van de ene naar de andere voet verplaatste, en dat maakte hem duidelijk dat de leider in aantocht was. Inderdaad, even later zag hij dat een van de mannen een zwartleren riem droeg. Op zijn heup bungelde een holster met pistool.
Het vijftal bleef voor de ingang staan. De man met het pistool gebaarde Sok om naar buiten te komen. Langzaam stapte hij uit de veilige omgeving van zijn gevangenis naar buiten. Opeens voelde hij zich ontzettend kwetsbaar en blootgesteld aan de grillen van deze mannen. Zijn hart klopte in zijn keel en zijn mond werd droog van angst.
'Kameraad,' zei de man, 'men heeft mij verteld dat jij je bij de revolutionairen wilt aansluiten.'
Sok kon alleen maar knikken. De angst had hem nu volledig in haar greep en hij zag alleen de man met het pistool op zijn heup. Het volgende ogenblik werd hij zich ervan bewust dat de maquiswachtpost achter hem stond en dat bracht hem op een of andere wijze terug naar de werkelijkheid. Dit was niet een nachtmerrie waaruit hij opeens zou ontwaken, veilig in zijn eigen bed, binnen de beschermende muren van zijn ouderlijk huis in Chamcar Mon. Hij keek van de een naar de ander. Hij herkende twee van de mannen die hij in het oerwoud had ontmoet. De leider, in het midden. En opeens herkende hij nog iemand. Hij sperde zijn ogen wijd open.
Sam!
Maar Sam schudde zijn hoofd licht heen en weer, nauwelijks zichtbaar. Toen, langzaam, hief hij zijn hand op en drukte zijn wijsvinger tegen zijn samengeperste lippen.
De leider hield zijn hoofd een beetje schuin. 'Tenminste,' zei hij,
'dat heb je tegen ons gezegd, maar hoe weten wij of jij de waarheid spreekt. Misschien ben je wel een infiltrant. Misschien ben je wel de broer van dat stuk tuig daar.' Hij wees naar de gevangene die zich in de duisternis achter de rug van Sok bevond. 'Hoe komen we daar achter? Weet jij het?' Onverwacht deed hij een stap in de richting van Sok en vroeg: 'Heb je honger, kameraad Sok?'
Sok knikte opnieuw.
'Nou, hier moet je voor je eten werken, zoals wij allemaal.' De man staarde hem aan. 'Ben je daartoe bereid?'
'Ja,' zei Sok, die eindelijk de beheersing over zijn stembanden hervond. 'Natuurlijk. Daarom ben ik hierheen gekomen.'
'Mooi, je reactie bevalt me.' Hij knikte naar de wachter, die nog steeds achter de rug van Sok stond opgesteld, en Sok was zich ervan bewust dat de man zich van hem vandaan bewoog. 'Welnu, men heeft mij verteld dat jouw familieleden door de soldaten van die schoft van een Lon Nol werden vermoord. Is dat zo?'
'Ja.'
'Ja, kameraad.'
'Ja, kameraad.'
'In dat geval zul je het regime een ongelooflijke haat toedragen, of niet?' Hij glimlachte listig. 'Maar natuurlijk, ongetwijfeld, want daarom ben je immers hier!'
Sok keek hem aan. Angst overspoelde hem en zijn knieën knikten. Hij proefde een bittere angstsmaak, vermengd met zijn speeksel.
Alsof hij zijn gedachten had gelezen, voerde de wachter de gevangene ruw naar buiten.
'Deze man is een vijand van de revolutie. Hij heeft gemoord en verkracht en geplunderd, en dat allemaal in, de naam van dezelfde generaal die jouw familie uitmoordde. Vind je dat interessant, kameraad Sok?'
'Ja,' zei Sok zacht.
'Ik versta je niet.'
Hij schraapte zijn keel en likte zijn perkamenten lippen. Hij herhaalde zijn antwoord.
'Mooi,' zei de man. 'Dan zal ik je nu een grote dienst bewijzen, kameraad. Wat zeg ik, een hele eer! Als erkenning van de pijn die je hebt geleden. Je mag iets terugdoen.' Hij maakte de flap van zijn holster los en trok zijn pistool te voorschijn. De stalen loop glansde blauwig in het licht van het kampvuur. Hij knikte kortaf.
'Mok. Maak alles in orde om de gevangene te executeren.'
De soldaat greep de gevangene bij zijn haar vast, gaf een ruk, en nog een, tot de gevangene op handen en voeten in de modder belandde. Hij hield de man stevig vast.
'Welnu, kameraad Sok,' zei de leider toen hij een stap in de richting van Sok deed. Hij drukte de kolf van het pistool tegen Soks handpalm. 'Het is revolutie. Kogels zijn kostbaar, dus druk de loop tegen de zijkant van het hoofd van deze man als je de trekker overhaalt. Ik wil niet dat er kostbare munitie verloren gaat.' Hij deed een stap achteruit. 'Doe nu je revolutionaire plicht, kameraad. Uit naam van je moeder, je vader en die van je broers en zussen. Voor Cambodja!'
Sok deed moeizaam een wankele stap voorwaarts. Hij draaide zijn hoofd om en keek Sam aan. Niets in de gelaatsuitdrukking van zijn broer maakte hem duidelijk wat hem te doen stond. Hij moest zelf besluiten.
Hij voelde de ogen van de maquis op zich gericht. Hij was zich op een of andere bovennatuurlijke wijze van hun aanwezigheid bewust. Had hij daarom zo'n enorme afstand afgelegd, om iemand af te schieten als een hond? Hij deed opnieuw een stap naar voren en met een stijve arm drukte hij de loop van het pistool tegen de zijkant van 's mans hoofd. En haalde de trekker over. Maar in een fractie van een seconde, op hetzelfde ogenblik als waarop hij de trekker overhaalde, zag hij op het gezicht van de gevangene dezelfde uitdrukking die hij ook op het oude mannengezicht van de aap had waargenomen. Het volgende ogenblik reet het pistoolschot de stilte uiteen. De terugslag zwiepte de loop omhoog en weg van de verbrijzelde schedel van de man. Stukjes bot en hersens spatten weg. Sok onderdrukte de neiging tot braken. De maquis-wachter liet het hoofd van de man los en diens lijk zeeg op de grond ineen. De stank van warm bloed drong Soks neusgaten binnen en hij wendde zich met een ruk af van wat hij had gedaan.
'Kameraad,' zei de leider, die zijn arm om zijn schouder sloeg en hem met zijn andere hand tegelijkertijd het pistool afnam, 'de revolutie is trots op je. De vinyheanakhan kunnen in vrede rusten.'
Met deze woorden refereerde hij aan de geesten van de voorouders van de Khmer, waarschijnlijk aan die van Soks vader, hoewel hij de woorden ook in algemene zin kon hebben bedoeld. 'Nu wordt het tijd dat onze nieuwe held van de revolutie zijn lege maag vult.'
Hij maakte een handgebaar. 'Kom, mit Chea, mit Ros, laten we samen met mit Sok de maaltijd gebruiken.'
Ze zetten hem een kom met kleffe rijst voor. Boven op de rijst lagen een aantal vissekoppen. Sok kon niet bepalen waarom hij zich niet meteen op het aangeboden voedsel stortte. Hij keek neer op het dampende voedsel. De wangen van vissen, een favoriete lekkernij. Hoe wisten ze dat? Hij stond op het punt zijn hand naar de kom uit te steken, toen iets hem ervan weerhield. Een angstig voorgevoel ging door hem heen.
De wangen van vissen waren een lekkernij van de rijken. Als hij inderdaad van de rijstvelden in het zuiden afkomstig was, zou hij er niet zo gretig op aanvallen. Met die gedachte in zijn achterhoofd at hij, ondanks zijn knagende honger, alleen van de rijst.
'Aha!' riep de leider. 'Het is weer eens bewezen dat wij weten hoe we een ware kameraad kunnen herkennen tussen het tuig dat probeert bij ons te infiltreren.' Hij klopte Sok op zijn rug, verhief zijn stem, en zei: 'Mit Sok, swaiatm mok dal dambon rumdos!'
Kameraad Sok, welkom in de bevrijde zone.
'Welkom bij les Khmer Rouges.'
Delmar Davis Macomber wendde zijn blik af
van de uit steen en glas opgetrokken reuzengebouwen aan Wall Street
en richtte zijn aandacht op zijn computer-terminal. Hij drukte de
toegangscode in, vervolgens tikte hij zijn volledige naam en
bediende zich van de code die Khieu had bedacht.
Om de volgende redenen hadden ze besloten om de toegang tot de computer zo moeilijk mogelijk te maken: Macomber gaf er de voorkeur aan om zich te bedienen van de diensten van enkele computer-expertsi in plaats van er een klein legertje van assistenten op na te houden. Het systeem dat zijn mensen voor hem hadden ontwikkeld was vrijwel inbraakvrij. Hij was zich er maar al te zeer van bewust dat computers vandaag-de-dag bijzonder kwetsbaar waren voor handige inbrekers. Ook het dievengilde paste zich aan de moderne tijd aan.
Vanwege de aard van de zaken die Metronics
deed, was elk brokstukje informatie
topgeheim. Het totaal van de som aan informatie kon alleen worden
opgevraagd via de code die alleen Macomber kende. De computer was
het hart van de Angka, die veertien
jaar geleden in de jungle van Cambodja werd opgericht. Hij drukte
de toets van de printer in en langzaam gleed er een uitdraai uit
het apparaat. Als hij een indringer was geweest die had geprobeerd
zich langs elektronische weg toegang tot de informatie te
verschaffen, dan zou de computer het programma meteen hebben
geblokkeerd. Eén ding was onontbeerlijk om de gewenste informatie
te kunnen opvragen: de stem van Macomber. De uitdraai luidde als
volgt:
Esterhaas, Harlan, Comité voor Defensiezaken.
Leeftijd: 66; gehuwd: Barbara Parkinson/ leeftijd: 53
Kinderen: Robert: 337 Edward: 297 Amy:
18
Er was nog meer, woonplaats en adres, geboortedata, enzovoort, maar Macomber had de toets waarmee de uitdraai in beweging werd gezet, opnieuw ingedrukt. Vervolgens ging hij na wat zijn informanten de afgelopen week aan informatie aan de reeds aanwezige gegevens hadden toegevoegd, en wat dat voor gevolgen had.
Op het beeldscherm verschenen drie mededelingen. De computer zou gemakkelijk zodanig kunnen worden geprogrammeerd dat het apparaat zelf, na elk toegevoegd brokstukje informatie, nieuwe conclusies zou trekken. Maar Macomber had duidelijk een streep getrokken. Elektronische hulpmiddelen kwamen bijzonder van pas, maar het gevaar er té afhankelijk van te worden, was té groot. Bovendien, het trekken van conclusies was één van die dingen die zijn leven kleur gaven. En hij was er goed in. Dat talent had hem zo waardevol gemaakt voor de officieren van de Speciale Strijdkrachten in Ban Me Thuot. Hij had nog veertig minuten voor zijn afspraak met senator Esterhaas. Dat gaf hem ruimschoots de tijd om te bepalen welke koers hij moest volgen om zo snel mogelijk tot de zwakke plek van de senator door te dringen. Esterhaas was geen onbekende van Macomber, maar dat gold voor de meeste politici van enig gewicht. Macomber had de macht en het prestige van Vance Trower, de broer van Joy, handig benut om zich toegang tot deze gesloten kringen te verschaffen. De oudere Trower was een senator die veel invloed had en de wijze waarop hij zijn jongere zusje aanbad, was inherent aan zijn persoonlijkheid. Dat was een vaststaand gegeven waarvan Macomber dankbaar gebruik had gemaakt. Hij had eruit gehaald wat hij eruit kón halen. In feite, dacht hij nu, was Joy er des te begeerlijker op geworden toen dat gegeven eenmaal boven water kwam.
Hij was geen man die zich gemakkelijk aan vrouwen liet binden; vooral omdat de gebeurtenissen in Ban Me Thuot hem nog steeds nachtmerries bezorgden. Macomber had tijdens zijn leven slechts één vrouw werkelijk begeerd. Ruth, zijn eerste vrouw, was in bed ontzettend saai geweest... De relatie met Joy was hij om een volslagen andere reden begonnen. Het netwerk van de Angka, waarvan een reeks belangrijke sleutelfiguren uit de nationale politiek deel uitmaakte, was langzaam opgebouwd. Via de broer van Joy waren de meesten benaderd, gewogen en al dan niet gerecruteerd. De broer van Joy was zonder het te beseffen de schepper van zijn eigen noodlot geworden. Macomber had hem meteen bij de organisatie willen betrekken, maar voorzichtigheid was geboden. De keuze bleek een verstandige te zijn. Vance Trower was door en door eerlijk, en Macomber had besloten om af te zien van de mogelijkheid om de man in hun illegale activiteiten te betrekken.
Eens, lang geleden, had Macomber van Ruth gehouden. Oprecht, wat hij zich nu niet kon voorstellen. Zijn ervaringen in Ban Me Thuot hadden de herinnering aan zijn leven daarvóór echter tot een grijze massa gereduceerd. En dat allemaal vanwege één vrouw: een vrouw met amandelvormige ogen, lippen vol sensuele beloften en een lichaam dat, wat hem betrof, de stoutste mannenfantasie te boven ging. Met haar verdwijning was zijn verlangen naar haar niet afgenomen. Niets kon aan dat verlangen afbreuk doen. Ze leefde als een vuur in hem voort. Hij had haar ontmoet toen een groep terroristen erin slaagde om hem twee weken lang van een behoorlijke maaltijd verstoken te houden.
Geweervuur, het doffe whop-whop-whop van de helikopters, het ontploffen van bommen en het geluid van de bijgaande explosies echoden nog steeds na in zijn brein. Als hij zich inspande voelde hij opnieuw de druk en het schokken van het halfautomatische geweer in zijn handen, de warmte ervan; zag hij de oranje vlammetjes die uit de loop te voorschijn schoten, de doodsboden
- de kogels - die op hun doel af schoten. Maar toen, tijdens die weken in Ban Me Thuot, was hij rusteloos en opgefokt geweest. Rust en vrede: ze maakten hem gek.
En er was dat ene voorval, het incident dat zijn leven had veranderd. Op zekere dag had hij in het oerwoud twee mariniers aangetroffen. Het waren grote ruwe kerels die een oosters meisje te grazen namen. Ze gingen tekeer als stieren tijdens de paartijd. Ze zaten vol tatoeages, hun haar was kortgeknipt en de mouwen van hun overhemd opgerold. De spieren van hun blote armen waren opgezet en ze gingen hun boekje ver te buiten. Macomber had ze allebei een lesje gegeven, met behulp van zijn dikke schoenzolen en de eerste twee knokkels van zijn rechterhand. Hij was goed getraind; hij wist hoe hij te werk moest gaan om een zo groot mogelijk effect te sorteren en zo weinig mogelijk energie te verspillen.
De eerste man kreeg hij plat met een goedgerichte trap naar de knie, gevolgd door twee snelle uithalen met de zijkant van zijn hand, die beide de neusbrug van zijn slachtoffer troffen. Traan vocht verblindde hem. Vervolgens zijn maat. Die was kleiner, maar sneller, en Macomber begon met een schijnbeweging van zijn linkerhand. De man, die zijn kameraad had zien neergaan, reageerde verkeerd; hij trapte letterlijk in de schijnbeweging en werd beloond met een trap tegen zijn maag. En daarmee was het gevecht afgelopen. Macomber richtte vervolgens zijn aandacht op de oorzaak van de korte schermutseling, en begreep meteen waarom de mannen hun boekje te buiten waren gegaan.
Ze was buitengewoon lang - bijna een meter tachtig - en had een fraaigevormde hals. Haar gelaat was ovaalvormig en ze had een paar ogen dat van een andere wereld afkomstig leek te zijn. Ze had ranke heupen en brede schouders, en voor een oosterse waren haar borsten tamelijk groot.
'Die heb ik van mijn moeder,' zei ze later, waarbij ze ze met haar handen ondersteunde op een wijze die Macomber in alle staten bracht. 'Zij was een Cambodjaanse van koninklijke afkomst.'
'En je vader?' vroeg hij. Ze dronken whisky in haar appartement, op loopafstand van het hoofdkwartier.
Ze glimlachte vaag en Macomber voelde zijn knieën knikken.
'Mijn vader is een Zuidvietnamees. Heel machtig. Heel rijk.'
Ze had het voortdurend over haar vader, voor wie ze een enorme bewondering koesterde. 'De oorlog gaat voort,' zei ze, 'en hij verdient er goed aan.' Dat zei ze op een regenachtige avond waarop ze allebei vrij waren. Na deze woorden vleide ze zich tegen hem aan, een geweldige vrouw die elke beweging tot een poëtisch feest maakte. 'Het is niet zo dat hij ongevoelig is, hij is alleen slimmer dan de rest.'
Die nacht, toen de wereld onder stormgeweld gebukt ging, dacht Macomber over die woorden na. Af en toe zette een bliksemflits hun blote lijven in een onwerelds licht. Ergens verderop werden blinden door de wind tegen de gevel van een huis geslagen.
'Het is niet zo moeilijk om in een situatie als deze grof geld te verdienen,' zei hij opeens. 'Juist in een situatie als deze is het heel gemakkelijk. Er is een enorme vraag naar goederen en diensten.'
Ze schonk hem een sceptische blik. 'Als het zo gemakkelijk is, waarom doe jij het dan niet?'
'Omdat ik méér wil dan alleen geld.' De regen roffelde aanhoudend op het schuine pannendak boven hun hoofd. Van alle kanten klonk het geluid van stromend, druppelend en kletterend water. 'Ik wil macht.'
Ze kwam op een elleboog overeind en keek op hem neer; haar contour leek op die van een heuveltop. 'Over wat? Over wie? Over mensen?'
'Over mijn levensloop.'
Ze lachte, een volle, hartelijke lach, maar tegelijkertijd vol spot.
'Ik vrees dat de tijdperken van de grote rijken al geruime tijd achter ons liggen.'
'Misschien,' zei hij zacht. 'Maar dat is toch de reden waarom je zo tegen je vader opkijkt?'
Hij was hun verhouding begonnen met in zijn achterhoofd de gedachte dat hij er - als hij genoeg van haar had - een eind aan zou maken. Dat gebeurde meestal en in het begin had hij gedacht dat deze verhouding op dezelfde wijze als de voorgaande zou worden afgebroken.
Maar deze keer werd hij langzaam, zo subtiel dat hij het pas merkte toen ze onverwacht verdween, door haar ingepalmd. Hij raakte verstrengeld in een web van verlangens en begeerte, zodanig dat hij nauwelijks nog controle over zichzelf had. Begrijpen deed hij het niet.
In fysiek opzicht wond ze hem op zoals geen enkele vrouw er tot dusver in was geslaagd om hem op te winden. Als hij bij haar binnendrong, leken nare herinneringen als sneeuw voor de zon te smelten. Tijdens die maar al te schaarse ogenblikken, stortte hij zijn hart bij haar uit. Hij vertelde haar wat hij anderen had aangedaan, wat hij mensen elkaar had zien aandoen. Iets van zijn schuldgevoelens wat betreft de wetteloosheid van de oorlog, en het heimelijk plezier van de vrijheid die die hem gaf, kwamen voor de dag. Die bekentenissen luchtten hem op. Helaas was er één beperking: hij had haar nodig om dat punt van opluchting te bereiken. Dat alles besefte hij tijdens die keer toen hij van zijn laatste en gevaarlijkste opdracht in Cambodja terugkeerde. Toen legde hij de eerste bouwsteen van zijn nieuwe leven; hij richtte de Angka op. Vrijwel tegelijkertijd verliet zij haar appartement in Ban Me Thuot. Niemand zag haar vertrekken, daarvan overtuigde hij zich tijdens de dagen en nachten die op zijn terugkeer volgden. Van één ding was hij echter overtuigd: ze was niet vrijwillig vertrokken. Iemand had haar ontvoerd.
De mogelijkheden waren legio. Ze had hem keer op keer verteld dat er geen andere man in haar leven was. Maar er waren nachten en dagen dat hij afwezig was, ver van haar vandaan in het oerwoud, waar hij het bloed van de Rode Khmer die door zijn hand om het leven werden gebracht van zijn Bowie-mes veegde.
Nu speelde de gebeurtenissen die aan hun
eerste kennismaking vooraf waren gegaan als een videoband door zijn
gedachten. De twee mariniers. Het gevecht dat volgde. Was ze,
ondanks haar ontkenning, toch getrouwd geweest? Of had ze een
relatie gehad met een van de andere soldaten van de groep
commando's?
Hij zou het nooit te weten komen. Tijdens de laatste dagen van zijn verblijf in het oosten, vóór hij voor de laatste keer terugvloog naar de Verenigde Staten, hadden de geruchten die over haar de ronde deden zich opgestapeld. Ze zou een betaalde informante van de Vietcong zijn geweest - in werkelijkheid was ze een volbloed Khmer, die een ideologische band met de Cambodjaanse rebellen onderhield - ze zou een dubbelagente zijn die voor de communisten werkte. Het waren sombere dagen, toentertijd, ondanks de successen die de Angka behaalde. In gedachten doorliep hij elk intiem gesprek dat hij met haar had gevoerd. Over hoeveel van de opdrachten die hij had uitgevoerd had hij haar verslag gedaan? Welke van zijn diepste zieleroerselen had hij haar toevertrouwd? Hij kon het onmogelijk bepalen. Zijn verlangen naar haar maakte het hem onmogelijk alle feiten en uitspraken op een rij te zetten, tot hij tot de conclusie kwam dat het niets uitmaakte. Ze was de zijne geweest, en dat was al wat telde.
Voor hem was ze het belangrijkste in de hele wereld. Het Museum of Modern Art verkeerde in een wanordelijke staat toen hij er binnenstapte; het inrichten van een nieuwe expositie bracht onveranderlijk de nodige rommel met zich mee. Maar in de gangen was het koel en rustig. De lichtgrijze muren en de witstenen vloeren deden de kunstwerken optimaal tot hun recht komen. Senator Esterhaas was een man met een zuur gezicht, een dikke nek en een weerbarstige bos stroblond haar. Zijn hangwangen vielen bij de rest van zijn behoorlijk corpulente lijf niet uit de toon. De bril met de halve glazen rustte op het puntje van zijn neus. Hij ging gekleed in een driedelig pak, ondanks het feit dat het stralend weer was.
Diegenen die de senator niet zo goed kenden, maakten meestal de vergissing hem te onderschatten. Want hij was iemand die de ruwe kantjes die hij aan zijn opvoeding op het platteland had overgehouden, ook in het beschaafde Washington zorgvuldig koesterde. De tegenstanders die in hem een gemakkelijk doelwit hadden gezien, waren meer dan eens van een koude kermis thuisgekomen.Er bestond geen enkele twijfel over. Hij was bekwaam en door de wol geverfd wat betreft het uitvechten van vetes op het politieke strijdtoneel. Terwijl hij met zelfverzekerde passen op hem afstapte, hield Macomber zich voor dat hij deze man absoluut geen speelruimte moest geven.
'Senator,' begon hij met een innemende glimlach, 'wat prettig u weer eens te treffen.' Hij schudde Esterhaas de hand. 'Hoe staan de zaken op Capitol Hul?'
'Ik zal er niet omheen draaien,' zei Esterhaas met zijn temende tongval, 'dat het sinds wij elkaar voor het laatst spraken nóg moeilijker is om iets van het congres gedaan te krijgen. Het is net kiezen trekken. We moeten ons steeds beter wapenen, maar dat niet alleen, we hebben jong bloed nodig. Ook prijswinnende stieren raken oud en vermoeid, en moeten op een zeker ogenblik de fakkel aan hun nakomelingen doorgeven. De apathie die op Capitol Hill heerst is, om eerlijk te zijn, allesbehalve bemoedigend. De schapen krijgen de overhand op de wolven.'
'Ik maak me vooral ongerust over de huidige ontwikkelingen in Egypte,' zei Macomber. Ze liepen nu langzaam zij aan zij door de half ingerichte expositieruimte. Buiten, in de beeldentuin, zagen ze hevig transpirerende mannen met las-apparaten in de weer. Vonken spatten in het rond.
'Wij ook,' beaamde de senator. 'Maar ik denk dat we Moebarak nu stevig vast hebben. Bovendien sturen we Roger DeWitt erheen
- hij wordt momenteel door de staatssecretaris gebriefd - morgen al. Ik weet niet of jij hem kent, hij geniet bekendheid als militair attaché, maar hij is veel meer. Hij is een bekwaam onderhandelaar en nog beter in het vergaren van inlichtingen.'
'Moebarak is niet degene om wie ik me zorgen maak,' zei Macomber toen ze allebei in bewondering voor een in primaire kleuren opgezette Calder bleven staan. 'Ik maak me zorgen over al die verschillende sekten van wie de leden in Russische kampen worden getraind. De hele situatie is ontzettend onstabiel en explosief.'
Esterhaas schonk hem een wrange glimlach. 'Ik merk het al, ook jij hebt nachten wakker gelegen. Maar ik zeg je, het komt allemaal dik in orde nu DeWitt zich ermee gaat bemoeien. Hij is de beste man die we hebben. Eerlijk.'
'Naar ik aanneem hebben jullie de
veiligheidsproblemen uitgebreid in kaart gebracht?'
'Dat is een zaak van de geheime dienst, daar bemoei ik me niet mee.' Ze wendden zich af van de Calder en begaven zich naar een omhoogtorenende sculptuur van Brancusi. 'Bovendien, we hebben momenteel geen harde bewijzen van Russische betrokkenheid in handen.'
Macomber gromde. 'Ik zou je meteen naar Zuid-Libanon moeten vliegen, zodat je daar met eigen ogen zou kunnen zien wat ik bedoel.'
De senator lachte. 'Heel amusant.'
Macomber wendde zich tot hem. 'Ik meen het serieus,' zei hij botweg. 'Ik kan het binnen twee uren regelen. Zeg het maar.'
Esterhaas werd bleek. 'Wat? Je bedoelt een PLO-kamp binnengaan? We zouden meteen doodgeschoten worden.'
Macomber knikte. 'Die mogelijkheid is inderdaad aanwezig.'
Hij walgde van het plotseling ineenzakken van het zelfvertrouwen van de senator. Ze waren allemaal eender, deze politici. Het was zo gemakkelijk om ze af te bluffen, en als dat eenmaal was gedaan, kon je ze krijgen waar je ze hebben wilde.
'Maar ik betwijfel of dat zou gebeuren. Ik zou er in ieder geval een stokje voor steken.' Hij bracht een hand omhoog en bewoog zijn vingers alsof hij ze iets losser wilde maken. De senator keek ernaar als een gans die zich door een slang belaagd weet. Macomber haalde zijn schouders op. 'Ik zal je vertellen waarover ik je wilde spreken. Tegenwoordig krijg ik rapporten van je die zijn samengesteld door mensen die zich alleen in statistisch opzicht met het verzamelen van inlichtingen bezig houden. Die rapporten deugen niet. Ik ondersteun mijn mening en mijn adviezen bij voorkeur met keiharde feiten. Geloof jij werkelijk dat de betrokkenheid van de Russen bij het internationale terrorisme van te verwaarlozen omvang is?'
'Je klinkt erg zeker van je zaak,' zei de senator verrast.
'Ik ken de feiten. Jij ook?'
Esterhaas keek snel een andere kant op, weg van Macomber. 'Ik dacht dat ik zeker van mijn zaak was,' zei hij. 'Maar nu begin ik te twijfelen. Toch ... het idee erheen te gaan, vind ik niet bepaald aanlokkelijk.'
'Je moet dit gesprek goed in je geheugen prenten, Harlan.'
Macomber deed een stap in de richting van de ander. 'Als een en ander misgaat, daarginds, zou ik niet graag zien dat jij aan plotseling geheugenverlies lijdt. Ik heb je de kans geboden om daar met eigen ogen een kijkje te nemen. Jij hebt die kans niet aangegrepen. Ik verwacht dat jij vanaf nu aan de hand van mijn inlichtingen besluiten neemt.'
'Aha.'
Macomber keek hem aan als een uil die een vaag reukspoor opvangt. 'Heb je daar op enigerlei wijze bezwaar tegen? Als dat zo is, heb ik liever dat je dat eerlijk zegt.'
Esterhaas schudde zijn hoofd. 'Dertig jaar in de landelijke politiek heeft mij geleerd dat eerlijk het langst duurt.'
Lafaard, dacht Macomber. Zodra het ook maar een beetje gevaarlijk wordt, geven jullie al toe.
Ze liepen verder. Macomber strengelde zijn vingers op zijn rug ineen. De handeling deed hem er iets minder streng uitzien. 'Een spijtige zaak, die toestand met senator Burke,' zei hij op een normale gesprekstoon. 'Het lijkt me afschuwelijk om op zo'n leeftijd op een dergelijke zinloze wijze vermoord te worden.'
'Je moet niet proberen een spelletje met me te spelen,' zei Esterhaas opeens nijdig. 'Roland belde me de dag vóór hij werd vermoord. Ik weet wat hij bekend wilde maken. Het valt zeer te betwijfelen dat hij, zoals de politie van Chicago bekendmaakte, door een gewone insluiper werd vermoord.'
'Het zou kunnen.'
De senator bleef staan. 'Hoor eens, van dergelijke praktijken moet ik niets hebben, en als je denkt dat jij mij bang kunt maken door me te wijzen op wat Burke overkwam, dan zou ik me tweemaal bedenken als ik jou was. Hij was zo stom om over zijn besluit te twijfelen, in plaats van meteen door te zetten. Als hij dat gedaan zou hebben, zou hij nu nog in leven zijn.'
'Als jij je daar moed mee denkt in te spreken,' zei Macomber luchthartig, 'moet je dat zeker niet laten. Maar om eerlijk te zijn, ik was niet van plan, zoals jij denkt, om zijn, eh, overlijden als dreigement te gebruiken. Niet bij iemand zoals jij. Ik onderschat je niet, je kunt net zo gevaarlijk zijn als je machtig bent, dat weet ik. Om die reden heb ik je ook gekozen.' Macombers stem kreeg een vleiende klank, sussend ook. 'Ik heb niets dan respect voor je.'
Esterhaas knikte. 'Dat lijkt er meer op. Weet je, ik ben een pragmaticus. Wat betreft de wereld waarin wij leven, weet ik precies wat er aan de hand is. En in mijn ogen beschik jij over de juiste instelling. Dit land zinkt nu al langer dan tien jaar weg in de zee van het wereldgebeuren. Verdomme, dat besef ik maar al te goed, en ik heb geprobeerd eraan te doen wat in mijn vermogen lag. Maar tot dusver is het een zinloze strijd geweest. Er zitten eenvoudig niet voldoende mensen die er allemaal precies eender over denken op de juiste plekken. Nu denk ik dat we een kans hebben er bovenop te komen. En ik ben jou dankbaar dat je dit land deze kans biedt.' Hij krabde zijn kaak. 'Aan de andere kant, je beseft heel goed dat je mij niet moet dwarszitten. Als het zadel waarop jij me hebt geplant niet langer comfortabel aanvoelt, heb ik het volste recht om van zadel te veranderen. Zo heb ik altijd mijn zaakjes geregeld.'
'En dat waardeer ik ook, Harlan.' Macomber klonk nog net zo vleiend als even tevoren. 'Ik heb ook best begrip voor de bezorgdheid, die jou tot deze uitspraak aanzet.' Ze liepen verder, langs een Lichtenstein waaraan Macomber een gruwelijke hekel had. 'Hoe is het met je gezin, Harlan?'
'Met iedereen gaat het goed.' De senator begon zich te ontspannen nu de pijnlijke ogenblikken achter de rug waren. 'Barbara is weer teruggegaan naar de universiteit, om haar studie af te maken.'
Hij grinnikte. 'Kun je je dat voorstellen? Op haar leeftijd.'
'Je bent nooit te oud om er iets bij te leren,' zei Macomber. 'En die beeldschone dochter van jou, Amy?'
'Het licht in mijn leven,' Esterhaas produceerde een gelukkige glimlach. 'Ze is de beste van haar klas in Stanford. Mijn enige klacht is dat Barbara en ik haar slechts af en toe op bezoek hebben. Maar afijn, Californië is tenslotte niet naast de deur.'
Macomber bleef pal voor zijn favoriete Brancusi staan. De pezige lijnvoering van het beeldhouwwerk was op adembenemende wijze sensueel. 'Brancusi is waarachtig een genie, Harlan, vind je ook niet?' En vervolgens, op exact dezelfde toon: 'Ik heb films van Amy in mijn bezit.'
'Wat?' Esterhaas dacht een ogenblik dat hij het niet goed had verstaan. 'Zei je films?'
'Van je dochter,' zei Macomber knikkend, 'jouw schatje heeft een minnares. Een radicale vrouw die aangesloten is bij een, laten we zeggen uitgesproken revolutionaire groepering.'
'Dat is een leu -' De rest van de zin bleef steken. De senator wankelde een beetje. Zijn gezicht werd vuurrood, maar toen Macomber hem vastgreep om te voorkomen dat hij zou vallen, schudde Esterhaas de helpende hand van zich af. 'Ik geloof geen woord van wat je zegt.'
Macomber haalde een kleurenfoto te voorschijn en gaf die aan de senator. 'Deze hebben we van een van de filmbeeldjes laten maken.'
De hand van Esterhaas die de foto aanpakte, begon hevig te trillen. Hij hield de afdruk vast alsof die besmettingsgevaar opleverde. 'O God,' kreunde hij bij het zien van het ongewone tafereel. 'O God, Barbara zal dit niet overleven als ze er achter komt.' Hij sprak alsof hij het tegen zichzelf had.
'Dat weet ik,' zei Macomber, waarna hij de foto tussen de verstijfde vingers van de senator vandaan plukte. Hij begaf zich naar de andere kant van de zaal en hield de foto boven een asbak. Zijn gouden aansteker klikte. De brandende foto krulde langzaam om en veranderde in as. Vervolgens liep hij terug naar de plek waar Esterhaas als aan de grond genageld was achtergebleven.
'Barbara zal er ook nooit achterkomen, en de rest van de wereld evenmin. Dat wil zeggen, niet via mij. Dat wil ik heel duidelijk stellen, Harlan. Niet via mij.'
'Ik denk dat ik...' De senator sprak alsof hij langzaam uit een trance kwam. 'Ik snap het.' Er verscheen een dierlijke uitdrukking op zijn gezicht. 'Jij bent een verachtelijke schoft.'
'Dat,' zei Macomber over zijn schouder, 'klinkt uit de mond van een man als jij bijzonder vreemd.'
Het was benauwend en vochtig toen de schemering inzette. Een klamme hitte viel als een vochtige deken over Washington en omgeving.
Gottschalk, alleen gekleed in zijn blauwe broek, had zich ontdaan van zijn jasje, vest en overhemd en, vanzelfsprekend, zijn gestreepte das. De kledingstukken hingen als afgedankte vlaggen over de rugleuning van een tuinstoel. Hij nam het hoge glas met de gekoelde drank van het bovenblad van de smeedijzeren serveerboy en drukte de koude ronding van het glas tegen zijn wang. Hij zuchtte.
Kathleen lag aan zijn voeten, op het onberispelijk gemaaide gazon. Ze ondersteunde met beide handen haar kin. Ze droeg een ruime kamerjas van een groen-bruine kleur; het ontwerp op de kamerjas deed Gottschalk denken aan de camouflagejacks die hij de soldaten in Zuidoost-Azië had zien dragen. Verder droeg ze een mosgroen kort broekje dat haar billen nauwelijks kon bevatten. Ze had haar zilverkleurige sandalen uitgeschopt en een enkel over de andere geslagen.
Gottschalk had haar opgezocht om enkele ogenblikken verlichting te zoeken voor de ongelofelijke druk die de verkiezingsrace met zich meebracht. Hij moest er een ogenblik tussenuit, weg uit de zeven dagen per week draaiende tredmolen. De afgelopen acht maanden had hij in het kader van de voorverkiezingen elke staat minstens drie keer bezocht. Tussentijds had hij lange uren doorgebracht in gezelschap van de delegaties die hem voorafgaand aan de conventie in Dallas wilden spreken. Het was zowel een uitputtend als een opwindend bestaan. Hij had geconstateerd over reserves te beschikken waarvan hij zelf niet eens wist dat hij ze had. Niettemin moest hij zich soms aan zijn verplichtingen onttrekken, aan alles: de aanhoudende druk, de politiek, aan het beeld van zichzelf dat hij aan de massa van kiezers presenteerde, aan de plannenmakerijen voor de campagne, de interne machtsstrijd, de eindeloze aaneenschakeling van interviews, lezingen, speeches, listige opmerkingen, schouderklopjes, handjes geven en sigaren uitdelen. Zelfs Roberta was hem soms teveel.
Kathleen, die in een ogenblik van verpozing en meer voorzag, staarde langs hem heen naar de struiken die dicht tegen de bamboe-omheining groeiden die het zicht op de tuin en het huis vanaf de straatkant belemmerde. Hier voelde ze zich veilig en zelfverzekerd. Bovendien hield ze van het huis, omdat het voor haar een symbool vertegenwoordigde. Het puntdak was als een pijl die haar de weg door het leven wees.
Ze draaide haar hoofd om en keek ernaar. De voordeur was toegankelijk via een marmeren trap en een klein bordes. De galerij, die de gehele voorgevel besloeg, werd begrensd door een laag smeedijzeren hekwerk. Het huis was van rode bakstenen opgetrokken en de hoge ramen gaven het een klasse die niet van deze tijd leek.
Het was een schitterend huis, maar toch voelde Kathleen zich er niet helemaal gelukkig in. Elke keer als Gottschalk op bezoek kwam, besefte ze dat ze het huis aan hem te danken had. Als ze nog dieper in haar binnenste had gekeken, zou ze waarschijnlijk tot de conclusie zijn gekomen dat ze het niet prettig vond door hem aan een riem te worden gehouden. Zijn wenk was voor haar een bevel. Hoe het ook zij, over het algemeen was ze redelijk gelukkig. Tenslotte dienden de middelen het doel, en zo wansmakelijk waren de middelen nu ook weer niet. Ze hield van haar eigen lichaam en genoot van de onverholen sensualiteit ervan. Morele beperkingen kende ze nauwelijks en de enkele die ze had, werden door haar ambitie overtroefd.
Lang geleden had ze haar hart geschonken aan
een minnaar die veeleisender was dan welke man ook. Wat ze ook met
haar lichaam moest doen, wat er van'haar werd verwacht, ze vond het
allemaal uitstekend; diep in haar hart, haar allerheiligste
heiligdom, bleef voor de buitenwereld ontoegankelijk. Wat seks
betreft was er niets wat ze niet wilde of niet kón doen. Het maakte
voor haar niets uit, met dit verschil dat sommige handelingen
aangenamer waren dan andere.
Bovendien was Gottschalk geen varken, zoals een aantal van haar vroegere minnaars uit de tijd dat het haar minder voor de wind was gegaan. Hij was, op zijn manier, goed voor haar. Maar ze wist zeker dat hij niet echt begreep hoe hun relatie precies in elkaar stak. Ze zou evengoed een flipperkast kunnen zijn, waarvan hij zich van tijd tot tijd bediende om zichzelf een poosje te vergeten en zich te ontspannen.
Ze was er echter van overtuigd dat hij het niet op die manier zag. Dat verontrustte haar in het geheel niet. Integendeel, ze zou het op dit ogenblik niet anders willen. De tijd dat zijn ogen geopend zouden worden, zou nog komen, maar pas als zij het wenste. Bij die gedachte verscheen er onwillekeurig een glimlach om haar lippen. Zo dicht bij hem en er zulke kwade gedachten op nahouden! In stilte genoot ze ervan.
Gottschalk rekte zich uit. Zijn glas was leeg. Hij wreef met de rug van zijn hand over zijn bezwete voorhoofd. Donkere vlekken markeerden de plaatsen waar zijn lijf overvloedig zweet afscheidde.
'Christus,' mopperde hij, 'je moet een behoorlijk masochistisch trekje hebben om hier 's zomers te willen wonen.'
In de verte zakte de zon naar de horizon; het hemelblauw ging over in oranje. 'Enfin, ik denk dat ik er best nog een maand of wat tegen kan. Daarna zal ik een paar weken in Camp David moeten doorbrengen, en daar is het nóg warmer.'
God, wat beschikte hij over een enorm zelfvertrouwen. Kathleen kende hem echter goed genoeg om te vermoeden dat hij dit zelfvertrouwen niet uitsluitend aan zichzelf te danken had. Maar waar kwam het vandaan? Of van wie? Het was een vraag die ze al maanden had geprobeerd te beantwoorden. Het was een raadsel dat ze, vond ze, moest oplossen.
Op dat ogenblik stond hij op. 'Ik ga nog wat werken,' zei hij toen hij op haar neerkeek.
Ze duwde haar handen plat tegen het gras en
drukte zich op; haar haar glom als een natte badmuts. 'Ik ga met je
mee.'
Zijn wenkbrauwen kwamen iets omhoog. 'Nee, laat maar, ik werk bij voorkeur alleen.' Hij keek haar over zijn schouder heen aan en schonk haar een flauwe glimlach. 'Bovendien wek je de indruk echt van deze avond te genieten.'
Hij stapte over haar heen en een ogenblik kreeg ze het idee dat hij aarzelde, halverwege de stap, toen zijn voet zich pal boven haar rug bevond, als een grote en machtige hand. Het volgende ogenblik stapte hij over haar heen en tegelijkertijd verdween die indruk. Ze keek hem na tot hij de deur achter zich dichttrok. Toen sloot ze haar ogen en telde langzaam tot zestig. Vervolgens stond ze op en liep geluidloos over het gazon. Bij het huis aangekomen, hield ze haar hoofd vlak bij de deurpost iets naar voren gebogen en luisterde in die houding naar ongewone geluiden. Ze hoorde er geen, draaide langzaam de knop om en duwde de deur open. Vrijwel meteen hoorde ze Gottschalk praten. Langzaam begaf ze zich naar de keukendeur. Ze stak haar hand uit naar de telefoon aan de keukenwand, en aarzelde. Ze keek om zich heen. Toen ze de fruitschaal in het oog kreeg, aarzelde ze geen ogenblik. Een handbeweging later kletterde de schaal in duizend scherven op de keukenvloer uiteen. Op het ogenblik waarop de schaal de vloer raakte, nam ze de hoorn van de haak.
'Wat ben jij in vredesnaam aan het doen?' vroeg Gottschalk vanuit de woonkamer.
'Een ongelukje,' riep ze terug. 'Ik kwam iets inschenken en gooide per abuis de fruitschaal van de keukentafel.'
'Als je alle scherven maar opraapt. Ik voel er niets voor om er een in mijn voet te krijgen.'
'Maak je maar geen zorgen,' riep ze terug. En even later luisterde ze naar zijn stem.
'Niets aan de hand,' zei hij tegen de onbekende aan het andere eind van de lijn. 'Iemand gooide iets om. Zeg jij maar tegen hem dat ik een paar verzekeringen wil, meer niet.'
'Ik ben niet gek,' zei de ander. Kathleen spitste haar oren om geen woord verloren te laten gaan.
'Maar jij bent niet echt geïnteresseerd,' zei Gottschalk. 'En dat is net zo gevaarlijk. Ik begrijp niet waarom hij per se van jouw diensten gebruik wil blijven maken.'
'Omdat ik zijn zoon ben,' antwoordde de tweede, minder zware stem. 'Hij vertrouwt niemand anders. Zou jij dat wel doen?'
'Ik zou zelfs mijn zoon niet vertrouwen ...
vooropgesteld dat ik er een had.' Hij lachte 'Ik vertrouw mijn
eigen vrouw niet eens.'
'Wat heb jij een geweldig huwelijk.'
'Niet te vrijpostig worden, jochie,' snauwde Gottschalk. 'We zullen eens zien hoelang jij nog meedraait nadat ik Macomber heb gesproken.'
'Jezus,' riep de ander geschrokken, met een vreemde ondertoon van pure angst. 'Wat doe je nu? Geen namen noemen. Hij is mijn vader!'
Kathleen kon Gottschalk naar lucht horen happen; hij deed geen enkele poging om dat feit te verhullen. 'Dat is je eigen schuld, moet je me maar niet op stang jagen, snotaap. Trouwens' - zijn stem klonk nu weer vrijwel normaal - 'dit geheimzinnige gedoe vind ik knap lastig. Wie zal het in vredesnaam in zijn hoofd halen om deze lijn af te luisteren ? Ik zou het meteen weten als het gebeurde. Ik laat de zaak twee keer per week nakijken.' Hij haalde opnieuw diep adem. 'Doe jij nu maar wat je moet doen en laat de psychologie aan de experts over. Begrijp je wat ik bedoel? Heb je de boodschap?'
De stem aan het andere eind van de lijn herhaalde de boodschap en Gottschalk hing op.
In de keuken hing Kathleen de hoorn uiterst voorzichtig weer op de haak. Ze wilde niet door Gottschalk worden betrapt, mocht deze het plotseling in zijn hoofd halen om via de gang en de keuken weer naar buiten te gaan.
Christus, dacht ze, terwijl ze neerkeek op haar handen. Ze beefden van opwinding. Ze had zijn geheim ontdekt. Ze probeerde er logisch over na te denken, maar dat lukte haar niet. Voor de buitenwereld vertegenwoordigden Gottschalk en Macomber twee politieke tegenpolen. Ze schudde haar hoofd. Hoe machtig Gottschalk ook was, hij kon dit niet allemaal alleen doen; dat kon niemand. Het beeld van een president die op eigen kracht president werd en in alle eenzaamheid, omhuld door een heldhaftig imago, geheel alleen de beslissingen nam, hoorde in het verleden thuis. Kathleen had haar hele leven in Washington gewoond en ze kende de banale waarheid. De beslissingen van presidenten werden voor hen genomen. De baan van president was te veeleisend. De goeden voeren er wel bij, de mindere goden verlieten verslagen het ambt, vroegtijdig oud en uitgeblust.
Verdomme, dacht ze opeens. Misschien wordt hij wel president. En als dat zo is, ben ik degene die met hem meegaat naar Camp David. Ze wist dat ze iets in handen had dat de moeite waard was. Waarheen het haar zou leiden, was op dat ogenblik onmogelijk te bepalen. Maar van één ding was ze uiterst zeker: het verbond tussen Atherton Gottschalk en Delmar Davis Macomber was een monsterverbond met een reusachtig potentieel. Lauren bevond zich aan de barre. Haar hand rustte licht op het horizontale houtwerk dat haar in evenwicht hield. 'De barre,' had Stanilya, haar eerste lerares ooit tegen haar gezegd, 'stelt je in staat om je op één positie tegelijk te concentreren. Dat is van essentieel belang, want je moet de posities een voor een onder de knie krijgen. Wat nog belangrijker is, de barre stelt je in staat je in alle rust te concentreren, zodat, als het ogenblik daar is, je met een enorme inzet de beweging kan uitvoeren.' En omdat ze bij Martin haar sprongen enorm had verbeterd - ze waren hoger en suggereerden volmaakte gewichtsloosheid - had ze deze wijze woorden nooit vergeten.
Zodra ze de warming-up achter de rug had, nam ze de vijfde positie aan, omdat in die positie haar volledige gewicht op één voet steunde. Ze had jaren geleden al geleerd om de barre niet als steunpunt te gebruiken, een gewoonte die jeugdige studenten zich al gauw eigen probeerden te maken en die heel moeilijk af te leren was.
Ze begon met de pliés, waarbij ze het voornamelijk van haar voeten moest hebben, vervolgens de battements tendus, waarbij het gewicht op de knieën rustte, de battements frappes; heupen, de grands battements, maag en rug, de développés en rekoefeningen. Terwijl ze hiermee bezig was, werkte ze de oefeningen afwisselend snel en langzaam door. Toen ze eindelijk tevreden was, begon ze aan de openingspassen zoals die in de nieuwe choreografie stonden voorgeschreven. De choreografie was van Martin.
Enkelen van de jongere meisjes - solisten - staakten hun oefeningen en sloegen haar gade, waarbij ze zich afvroegen wanneer zij zover zouden zijn dat ze de pas de chat met zoveel precisie en élan konden uitvoeren.
Plotseling, om een onverklaarbare reden, schoot haar een herinnering te binnen. Een herinnering uit haar late jeugd, een onaangename. Op zekere dag - het regende - had ze haar broer Bobby betrapt toen deze op haar kamer tussen haar kleren snuffelde. Die aanblik had haar toen om een of andere reden ontzettend boos gemaakt. Op een vreemde, afstandelijke manier voelde ze zich vernederd. Ze had hem geslagen, hard en met haar vlakke hand. Waarom dacht ze juist nu aan dat vervelende incident?
'Dus het ging goed?'
'Uitzonderlijk. Hij schikte zich in de onvermijdelijkheid van zijn lot. Hij werd er een stuk nederiger door.'
Khieu glimlachte. 'Dat is heel mooi.'
Macomber had altijd al het gevoel gehad dat de wereld er een stuk fraaier uitzag als Khieu glimlachte. Zijn glimlach toonde een glimp van een vreemde kracht die hij onmogelijk kon definiëren. De glimlach miste ook op anderen haar uitwerking niet. Vooral vrouwen waren er bijzonder gevoelig voor.
'Harlan Esterhaas is voor ons een belangrijke schakel. Hij is degene die de defensie-lobby manipuleert. Nu kunnen wij hém manipuleren. Het doet me goed dat zich geen noemenswaardige problemen voordeden.'
Khieu kwam geruisloos in beweging. De geur van wierook hing zwaar in de lucht. Hij had zojuist zijn avondgebeden opgezegd. Macomber sloeg hem gade. Hij constateerde een zekere rusteloosheid in de ander. Kalm, bijna vriendelijk, vroeg hij: 'Khieu, wat is er?' Hij volgde de bewegingen van zijn helper met zijn blik.
'Ik voel me beschaamd,' zei Khieu, die plotseling bleef staan.
'Het feit dat senator Burke ons niet langer van dienst is ... is mijn schuld.'
'Vergeet Burke maar. Ik zou er evenmin in zijn geslaagd om hem te overtuigen. De vervanger die we vonden zal een middel blijken waardoor we ons doel sneller kunnen verwezenlijken. De Angka zal door hem groeien. Het is Jack Sullivan, de republikeinse senator die de commissie leidt die toezicht houdt op onze veiligheidsdiensten. Hij is rijp om geplukt te worden.'
'En Richter?'
Macomber dacht er een ogenblik over na. 'Ik vermoed dat het bezoek aan zijn oude heer hem op een dood spoor heeft gezet. Wat kan hij nu nog doen? Hij heeft geen enkel houvast in handen. Voorlopig laten we hem met rust. Ik moet zorgen dat ik uit zijn buurt blijf, dat is alles. Mocht het alsnog nodig zijn om hem uit de weg te ruimen, dan moet dat zonder falen worden gedaan, in één keer.'
Ze keken elkaar recht in de ogen. 'Ik snap het.'
Macomber knikte. 'Mooi.' Zijn lange wijsvinger streelde zijn onberispelijk geknipte snor. 'Toch vormt die microfoon een risicofactor. Het zou kunnen dat ik je binnenkort opdracht geef om dat ding terug te gaan halen. Let wel, zonder daarbij ook maar de geringste aandacht op je te vestigen.'
'Ik denk niet dat dat enig probleem zal geven.'
'Afgezien daarvan, we zitten precies op het tijdschema.'
'Dat zal Gottschalk prettig vinden om te horen. Via Eliott vroeg hij ons dat te bevestigen.'
Macomber gromde. 'Nou, laat Eliott het bevestigen. Hij beschikt nu over alle informatie die hij nodig heeft, is het niet? Meer hoeft hij voorlopig niet te weten.'
'Hij weet alles, inderdaad.'
Vanzelfsprekend had Macomber eerst een flinke hoeveelheid persoonlijke gegevens vergaard over de politici die hij als mogelijke presidentskandidaten geschikt achtte. Aanvankelijk waren er, wat hem betrof, vijf kandidaten geweest, maar de selectieprocedure die hij toepaste leverde slechts één werkelijke kandidaat op. Atherton Gottschalk. Pas toen hij daar voor honderd procent zeker van was, deed hij zijn voorstel. Hij bracht het langzaam, stukje bij beetje, aangepast aan het psychologische profiel van de man. Macomber vertelde hem niet meer dan hij strikt nodig achtte. Het voorstel paste Gottschalk als een maatpak.
Tijdens zijn verblijf in Zuidoost-Azië had Macomber geleerd om nieuwe plannen vanuit elke denkbare invalshoek onder de loep te nemen, zelfs vanuit die invalshoeken van waaruit op het eerste gezicht geen enkel gevaar te duchten was. In aanvulling hierop had Macomber zich ervan verzekerd dat hij voldoende van Gottschalk afwist om hem, mocht de man zich plotseling tegen zijn meester keren, meteen in het gareel terug te dringen. Nu was hij in het bezit van twee spoelen 8 mm-film waarop Atherton Gottschalk en Kathleen Christian tijdens een van hun sessies in volle actie te zien waren.
'Dan weet hij ook wat hij met de informatie aanmoet.'
Macomber liet zijn beide handen op de vensterbank steunen en keek met een afwezige blik naar de joggers in Gramercy Park. Hij had geen hekel aan dergelijke activiteiten. Fitheid had bij hem een hoge prioriteit.
Het kwam bij hem op dat hij Khieu eigenlijk voor zijn intuïtie moest belonen, maar dat kon hij beter niet doen. Khieu zou elke vorm van beloning als beledigend ervaren. Het feit dat Khieu Joy op aangename wijze bezig hield, was niet aan zijn aandacht ontsnapt. Hij was er niet kwaad om, integendeel. Hij had allang geen belangstelling meer voor Joy. Maar omdat hij niets wilde doen waardoor hij haar broer tegen zich in het harnas zou jagen, had hij er een gewoonte van gemaakt om het tweetal steeds vaker alleen in eikaars gezelschap thuis te laten. Hij had er, eerlijk gezegd, op gerekend dat Khieus magnetische aantrekkingskracht en Joy's eenzaamheid positief op elkaar zouden inwerken. En natuurlijk had hij op Khieus vreemde oosterse loyaliteit gerekend. Khieu had hem niet teleurgesteld. Hij was dik tevreden.
'Zet de TV aan,' zei hij. 'Het is bijna vijf uur.' Macomber sloeg geen late nieuwsuitzending over. De details las hij de volgende dag in The New York Times.
Dan Rather verscheen op het scherm, zijn gezicht maakte een beetje ontdane indruk. 'Wat is er verdomme aan de hand?' vroeg Macomber zich hardop af. 'Zet het geluid eens wat harder.'
De foto achter de nieuwslezer was die van een Amerikaanse officier. De opname werd door een zwarte rand omlijst.
'... amenvatting,' zei Rather. 'Luitenant-kolonel Roger DeWitt de Amerikaanse militaire attaché in Caïro, werd door onbekende sluipschutters doodgeschoten. Aan details ontbreekt het ons nog, maar ooggetuigen verklaarden dat er minstens drie mannen bij de aanslag betrokken waren.'
Rather keek vluchtig naar de stapel papieren voor hem. Van buiten het beeld werd hem een nieuw vel papier aangereikt. Hij keek op. 'Enkele ogenblikken geleden bereikte ons het bericht dat de verantwoordelijkheid voor de aanslag is opgeëist door een terroristengroep die zich de Libanese Revolutionaire Fractie noemt.
In Caïro werd de moordaanslag door president Moebarak als
"afschuwelijk" omschreven. Moebarak mobiliseerde het Egyptische leger in een poging de moordenaars van luitenant-kolonel DeWitt op te sporen.
Van de zijde van het Witte Huis werd tot dusver nog niet op de aanslag gereageerd. De persvoorlichter noemde vandaag de aanslag een afschuwelijk teken des tijds. Een van de belangrijkste kandidaten voor het Amerikaanse presidentschap, Atherton Gottschalk, richtte vandaag, meteen na de bekendmaking van de aanslag, een verzoek tot de president waarin hij uiteenzette dat nu de tijd rijp was om een speciale eenheid in het leven te roepen die zich in het bestrijden van terroristen dient te specialiseren.
De heer Gottschalk zei bijzonder geschokt te
zijn door de moordaanslag op DeWitt.
Voor het laatste nieuws gaan we nu over naar Caïro, waar CBS-correspondent David Collins -'
Macomber gebaarde naar het toestel. 'Ik heb genoeg gehoord.'
Khieu schakelde het toestel uit. Een ogenblik keken ze elkaar veelzeggend aan. Macomber glimlachte, als een mannelijke Mona Lisa, vreemd en raadselachtig.
'Is het niet schitterend,' zei hij, 'hoe het leven je soms in de kaart speelt?'
Kathleen stapte om precies tien over tien uit het vliegtuig dat haar naar de luchthaven LaGuardia had gebracht. Ondanks het noodweer dat was losgebarsten, had het vliegtuig slechts drie minuten vertraging opgelopen.
Kathleen begaf zich naar de aankomst-en vertrekhal en haalde daar haar bagage van de lopende band. Via de Magie Eye-deuren slenterde ze naar buiten en ademde Newyorks benauwende lucht in. Ze zuchtte. Het was hier tenminste koeler dan in Washington. Ze kreeg de limousine die ze had besteld in het oog en wuifde naar de chauffeur. Hij tilde haar bagage in de kofferbak, liep om de auto heen en hield het achterportier voor haar open.
'Naar het Parker Meridien.' Ze nam op de met pluche beklede bank plaats.
Het was ontzettend eenvoudig geweest, dacht Kathleen, om via de maatschappij een zakenreisje te regelen. Ze stond aan het hoofd van de afdeling research van Brady & Mheerson, een firma die op verzoek bedrijfsjuristen 'uitleende'. Mheerson bevond zich op dit ogenblik in New York en was maar al te zeer in zijn sas geweest toen ze opperde dat een bezoek van enkele dagen aan New York mogelijk nieuw licht zou werpen op de zaak die hij momenteel in handen had. Mheerson was een opgewekte Nederlander, die nog steeds voldoende karaktertrekjes van de Oude Wereld in zich had om elke zaak met persoonlijke aandacht en gevoel voor service te begeleiden. Kathleen wist dat hij haar gezelschap op prijs zou stellen, ondanks het feit dat sommige bedrijfsadvocaten haar met lede ogen zouden zien komen. In werkelijkheid had haar komst naar New York een volslagen andere reden.
Ze wierp een vluchtige blik op de met goud en diamanten omringde wijzerplaat van haar horloge. Kwart voor elf. Wat deed Gottschalk op dit ogenblik? Was hij thuis? Werkte hij aan zaken die hij liet versloffen als hij bij haar op bezoek kwam? Of verkeerde hij in gezelschap van \zijn dikke vrouw en speelde hij met haar enorme borsten? Kathleen voelde haar wangen gloeien; beroeps-halve was ze jaloers op haar. Nee. Het was waarschijnlijker dat hij op verzoek van een of andere financiële steunpilaar een van zijn befaamde donderpreken hield. Niet dat ze het niet met hem eens was. Integendeel. Maar als het inderdaad zo was dat de wereld naar de verdommenis ging, dan deed ze er beter aan te pakken wat ze te pakken kon krijgen. Bij voorkeur nu meteen.
Tracy, die in zijn eigen donkerblauwe Impala achter Thwaite's Audi 4000 was aangereden, parkeerde langs de trottoirband van Sixty-ninth Street in Bay Ridge, vlak achter Thwaite. Het was een rustige avond. Het liep tegen middernacht en het was bijna tijd voor hun afspraak met Ivory White, die hun de foto's van Johns lijk zou leveren. Ze stapten uit en begaven zich naar Thwaite's huis. Hun schoenzolen knarsten op het ruwe beton van het geveltrapje. Bij de voordeur bleef Thwaite, die vlak voor Tracy liep, onverwacht staan. Tracy, die zijn pas niet kon inhouden, botste tegen hem op. Hij vloekte hartgrondig.
Het volgende ogenblik deed Tracy een stap naar voren, zodat hij nu naast de rechercheur stond, en keek naar de boodschap die met een spuitbus op de voordeur van Thwaite's woning was aangebracht. HUO DE PUTA, stond er en, vlak eronder, PUERCO SIN COJONES.
'Tuig,' gromde Thwaite en hij ramde zijn sleutel in het slot. Precies op dat ogenblik rook Tracy een vreemde scherpe geur, die hem meteen terugvoerde naar een omgeving van dichte bebossing, vlammende, nachtelijke explosies en kreten van mensen die in doodsnood verkeerden.
'Niet doen,' riep hij. 'Ze hebben -'
Maar de rest van zijn woorden ging verloren. Thwaite had de deur geopend. Oranje, rode en gele vlammen verlichtten de nacht. Ze voelden de druk van een luchtverplaatsing, alsof een metrotrein hen op enkele centimeters afstand passeerde, het volgende ogenblik werden ze door de vuistslag van de schokgolf getroffen. Ze werden letterlijk van de geveltrap geslagen. Hun armen draaiden als molenwieken in het rond. Een donderklap pleegde een aanslag op hun trommelvliezen. De pijn was enorm. Instinctmatig sloegen ze hun handen voor hun gezicht. Kleine projectielen van onbekende herkomst en samenstelling kletterden tegen hen aan en prikten tegen de huid van hun handen en wangen.
'Nee,' krijste Thwaite. 'Christus, nee.' Hij kwam op handen en knieën overeind en ging staan, steunzoekend bij de stam van een palmboom. Zonder erbij na te denken wankelde hij naar voren, maar Tracy, die wel beter wist, dook naar zijn benen en wierp hem omver. Thwaite raakte de grond op het ogenblik waarop de tweede explosie het huis de lucht in blies. Complete brokstukken van de voorgevel rolden over het gazon, boorden zich in de aarde en sloegen gaten in het trottoir. Een regen van kleinere brokstukken hagelde rondom hen neer. Verstikkende rookwolken kolkten vanuit de richting waar het huis had gestaan op hen af. Een glasregen sloeg op het wegdek in nog kleinere splinters. De vlammen laaiden hoog op.
Het geluid van rennende voetstappen weerklonk en kreeg gezelschap van de janktonen van sirenes. Van alle kanten werd geroepen en geschreeuwd. Langzaam kwamen ze overeind, met zwartgeblakerde gezichten en aan flarden gereten kleren. Talloze sneetjes en schrammen lieten bloed los. Hun trommelvliezen deden pijn en behalve een lage ruis hoorden ze niets.
Thwaite wankelde over het zwartberookte, met brokstukken bezaaide gazon in de richting van de overblijfselen van zijn woning, van zijn vrouw en zijn kind. Hij wilde naar binnen. Hij was ervan overtuigd dat hij ze kon redden. Maar het vuur hield hem tegen; een withete muur maakte elke doorgang onmogelijk. Thwaite schreeuwde naar het vuur als was het een levende, zelfdenkende eenheid.
'Laat me erin,' krijste hij. 'Phyllis, schat, ik kom eraan.'
Maar Tracy stond nu vlak achter hem, een hand afwerend opgeheven naar de muur van verzengende hitte. 'Je kunt onmogelijk naar binnen,' zei hij zo kalm als de omstandigheden hem toestonden. Christus, dacht hij, wat een klap!
'En wie zal me tegenhouden?' vroeg Thwaite. Zijn reactie was irrationeel.
'Ze zijn dood, Thwaite.' Tracy greep de rechercheur stevig vast.
'Denk toch eens na, man. Kijk eens naar dat afschuwelijke vuur. Daarin kan niemand overleven. Je pleegt zelfmoord als je erin gaat.'
Thwaite draaide zich met een ruk om en Tracy schrok van het gezicht van de politieman. Alle kleur was uit het gezicht van de ander weggetrokken. Zijn gezichtshuid stond strak om zijn jukbeenderen gespannen. Zijn ogen lagen diep weggezonken in hun kassen. Tranen vloeiden over zijn wangen en lieten streperige sporen achter op die plekken waar ze de zwarte aanslag wegwasten.
'Laat me gaan,' zei Thwaite. Zijn pupillen schoten als bij een wild geworden paard van links naar rechts over het oogwit. 'Laat me los of ik vermoord je.'
Het volgende ogenblik liet Tracy zijn greep iets verslappen.
'Luister naar me, Thwaite -'
Maar de grote rechercheur greep onmiddellijk zijn kans. Hij rukte zich los en rende weg van Tracy. Maar niet, zoals Tracy had verwacht, in de richting van het brandende huis, maar ervandaan.
'Die schoft van een Antonio flikte me dit geintje,' krijste Thwaite. Hij bereikte de eersten van de kring van sensatiezoekers die op het geluid van de explosies en de brand afkwamen. Ze weken als het water van de Rode Zee voor hem uiteen. 'Ik scheur zijn ballen van zijn lijf en -' De rest van de woorden ging verloren.
'Wacht!' riep Tracy. Maar Thwaite rende verder door de straat. De sirenes waren nu heel dichtbij; de eerste brandweerauto arriveerde ter plekke. Jezus Christus, dacht Tracy, en rende achter Thwaite aan.
Huizenblok na huizenblok schoot aan hem voorbij. Hij zag vage gezichten, bleek, verrast en nieuwsgierig, vertekend in het rossige licht. Enkelen schreeuwden hem vragen toe. Wat was er gebeurd?
Maar de meesten schoven met strakke gezichten, gekleed in haastig aangeschoten broeken, langs hem heen.
Rechts van hem kwamen de eerste bomen van een klein park in het zicht. Zelfs de bladeren van de bomen weerspiegelden de gloed van het vuur en wekten de indruk dat het park zelf vlam had gevat. De lucht, zelfs op deze afstand, werd vervuild door dwarrelende asresten en was doortrokken van een scherpe chemische reuk. Tracy zag Thwaite om de hoek rechts van het park uit het zicht verdwijnen. Hij volgde hem, een steeg binnen met aan weerskanten klimop. Daar aangekomen, was hij de rechercheur kwijt. Abrupt bleef hij staan.
Waar was Thwaite gebleven? Met half dichtgeknepen ogen tuurde hij de steeg binnen. Aan weerskanten zag hij dichtgetimmerde deuren tussen de klimop. De meeste huizen hadden echter geen ramen op de begane grond. Hij liep een stukje verder, tot zijn aandacht werd getrokken door een deur rechts van hem. De deur was in de loop der jaren verschillende keren van een nieuwe verflaag voorzien. De plaatselijke jeugd had het gladde oppervlak met graffiti gedecoreerd. De deurknop was van metaal. Tracy probeerde de knop om te draaien. De deur zat op slot. De tweede deur bevond zich bijna aan het eind van de steeg. Voorzichtig liep Tracy erheen. Deze deur was met koperbeslag verstevigd. Tracy bekeek het deurslot van dichtbij. De krasjes bij de randen maakten hem duidelijk dat het slot in alle haast was geforceerd. Hij kwam overeind en probeerde in dezelfde beweging de deurknop. De deur ging geluidloos open. Voor hem strekte een donkere gang zich uit. Tracy stapte over de drempel en sloot de deur achter zich. Hij bleef roerloos staan en wachtte tot zijn pupillen op het duister waren ingesteld. Hij luisterde en keek. De gangwanden waren met hardboard verstevigd. De vloerplanken onder zijn voeten kraakten. Een licht geritsel duidde de plek aan waar een geschrokken rat haastig wegvluchtte.
Tracy schoof centimeter na centimeter naar voren. Zijn zintuigen stonden op scherp. Ergens van boven zijn hoofd drupte met vaste regelmaat een druppel op de vloer. Hij naderde een lichtvlak, vaag en geel-wit als de kleur van een lijk. Nu hoorde hij andere geluiden, gedempt en veraf. Tracy voelde zich een ogenblik als Orfeus die in de onderwereld afdaalde.
De lichtsterkte nam toe en nu hoorde Tracy een dof kloppend geluid, bijna machinaal.
'O, o, o,' hoorde hij opeens. Geluiden van pijn.
Vóór hij ook maar een voet in Cambodja had gezet, hadden ze hem in Virginia alles wat hij er leerde keer op keer laten herhalen. Zonder die geautomatiseerde kennis, zeiden ze tegen hem, zul je daarginds niet overleven.
Tracy liep nu zoals hem door Joe Fox was geleerd. Fox was de enige Sioux-indiaan die Tracy ooit had gekend. De oude woudloper had hem geleerd dat hij zijn voeten niet plat, maar schuin moest neerzetten als hij zijn nadering zo geruisloos mogelijk wilde laten verlopen. Op die wijze drukte je voet over de gehele lengte tegen de ondergrond, stond je uiterst stevig en verplaatste je je volkomen geluidloos.
Terwijl hij zich over de half vergane vloerplanken voortbewoog, was er geen enkel geluid hoorbaar. Een openstaande deur. Hij ging er op af en keek naar binnen.
Hij zag een kamer zoals hij nog nooit had gezien. Dikke tapijten bedekten de gehele vloer en er stond een grote, verzakte sofa. Ouderwetse stoelen met rechte ruggen, een kloostertafeltje met krullerige poten. Tegen de wand hing een wandtapijt met de afbeelding van een hert dat naast een kabbelende stroom zijn kop ophief. De bergen op de achtergrond toonden sneeuwkappen. Een tweede tapijt toonde jachtluipaarden, in volle ren op een Afrikaanse vlakte. Het schaarse licht was afkomstig van twee staande schemerlampen; de kap van oliedoek onttrok de kale peertjes aan het zicht.
En Tracy zag de brede rug van de rechercheur. De man stond met zijn rug naar de deur.
'Hij is er niet... o, o, o!'
De stem was die van een vrouw, schel van angst. Het volgende ogenblik zag Tracy een koffiekleurig been in zijn blikveld verschijnen. De voet schopte, bijna als in een reflex, naar de rechercheur.
'Vertel me waar hij is ... je weet het, verdomme.' De woorden leken diep uit de keel van Thwaite te komen; ze klonken gesmoord en waren gezwollen van nauwelijks beheerste woede. Toen Thwaite zijn schouderspieren spande, klonk er een felle pijnkreet. Tracy besefte pas op dat ogenblik wat Thwaite de vrouw aandeed. Hij deed enkele stappen naar voren en één opzij. Thwaite hield een van de benen van de vrouw onder een arm geklemd en drukte haar met haar rug tegen de wand. Met zijn vrije hand bewerkte hij de knieschijf. Tracy hoorde het geluid van bot dat contact maakt met bot, meteen daarop schreeuwde de vrouw het opnieuw uit. Haar gezicht was met zweet overdekt en streperig van de doorgelopen make-up. Op haar voorhoofd, vlak bij de haargrens, glinsterden nog meer zweetdruppels, als diamantjes, speldeprikken in het duister. Haar gelaatstrekken werden door angst en pijn vervormd, maar ze verraadden haar. Ze wist waar Antonio was. Tracy vermoedde echter dat ze banger voor hém dan voor Thwaite was. Antonio zou er ongetwijfeld voor zorgen dat ze onder de groene zoden terechtkwam als ze Thwaite vertelde waar hij uithing.
Tracy wist precies hoe de vork in de steel zat, maar per slot van rekening was hij niet degene die zijn gezin en al zijn bezittingen in een baaierd van vuur had zien opgaan. Thwaite beschouwde deze vrouw enkel en alleen als de schakel die hem bij Antonio kon brengen.
Tracy voelde de aandrang om Thwaite van de vrouw weg te trekken, maar hij besefte ook dat de rechercheur met geen enkele uitleg genoegen zou nemen. Haastig keek hij het vertrek rond. Het was duidelijk dat Antonio meteen op de vlucht was geslagen of... Nee, Antonio was een amateur, en amateurs bleven altijd in de buurt om zich er persoonlijk van te kunnen overtuigen dat de opzet van hun plannetjes slaagde. Als hij het bij het juiste eind had, moest Antonio zich nog in dit vertrek bevinden. Maar waar?Hij sloot zijn oren voor de pijnkreten van de vrouw, en voor haar smeekbeden; de enige wijze waarop hij haar kon helpen was door zo snel mogelijk Antonio te vinden. Hij had er niet veel tijd voor nodig.
Hij vermoedde dat Thwaite het ook zou hebben gezien als hij niet half verblind door moordlust het vertrek was binnengestormd. Aan de andere kant van het vertrek, liet Tracy zich tot in hurkzit door zijn knieën zakken. Een van de punten van het vloerkleed was omgeslagen en onthulde een kale driehoek van vloerplanken. Tracy boog zich naar voren en trok het kleed voorzichtig weg. Eronder zag hij de helft van een rechthoek die de plek aangaf waar het luik zich bevond. Verzonken in het luik zag hij een ijzeren ring. Hij omvatte de ring met beide handen, haalde diep adem en blies in een langgerekte ademtocht de lucht uit. Dat herhaalde hij drie keer. Toen, terwijl vanuit zijn maagstreek de bloedstollende kiai opborrelde, gaf hij een enorme ruk en liet tegelijkertijd de kreet de vrije loop.
Het luik vloog met een enorme klap omhoog en Tracy was genoodzaakt om de ring los te laten om te voorkomen dat hij zijn vingers uit de kom trok. Maar hij staakte geen ogenblik zijn bewegingen. Zodra hij het luik omhoog had gerukt, sprong hij in de luikopening. Huizen als deze hadden over het algemeen lage kelders. Zijn vermoeden stemde overeen met de werkelijkheid. Drie meter lager kwamen zijn voeten in contact met een cementen vloer. Hij veerde door zijn knieën en bleef in gebukte houding roerloos staan,
De pooier stond in een hoek van de kelderruimte. Zijn bruine ogen staarden Tracy zonder te knipperen aan. Zijn vlakke, met sproeten overdekte gezicht was vuil van het stof. Zijn uitstekende oren verbraken nadrukkelijk de contouren van zijn hoofd. Zijn lippen waren weggetrokken van zijn tanden. Hij zag er uit als een in het nauw gedreven dier.
In zijn rechterhand hield hij een klein kaliber pistool, een .22. De haan was gespannen.
Dit alles nam Tracy in een fractie van een seconde in zich op. Antonio was nog steeds verstijfd door de uitwerking van de verschrikkelijke kiai De kreet was sinds het begin der tijden door de mens gebruikt en had geen ander doel dan het volslagen verlammen van de tegenstander. De Romeinse legioenen hadden de kreet al gebruikt orn hun vijanden tijdens de ogenblikken die aan veldslagen voorafgingen angst in te boezemen.
Tracy verplaatste zijn lichaamsgewicht naar zijn linkerbeen. Zijn rechterbeen schoot omhoog en de schoenzool ramde tegen de hand die het pistool vasthield. De .22 vloog uit Antonio's losgetrapte greep. De pooier haalde uit, maar Tracy wist de slag gemakkelijk te ontwijken. Terwijl hij wegdook strengelde hij de vingers van zijn beide handen ineen en dreunde beide vuisten tegen de maag van zijn aanvaller.
'Oef,' zei Antonio, en alle lucht ontsnapte uit zijn longen. Als een lappenpop boog hij vanuit zijn middel naar voren en duikelde op de grond. Tracy greep hem bij zijn jasje vast, wierp hem over zijn schouder en klom met hem via het rechte trapje de kelder uit. Thwaite stond hem stomverbaasd aan te kijken. Toen liet hij, als in trance, de vrouw los. Snikkend liet ze zich in een hoekje van het vertrek op de sofa zakken. Tracy bedacht zich dat hij haar het leven had gered. Hij duwde de pooier voor zich uit. 'Hier,' zei hij.
'Tonio.' Thwaite's stemgeluid, een schorre fluistering, deed de pooier huiveren. Thwaite's gezicht werd lijkbleek en zag er net zo uit als vlak na de explosie. Tracy kreeg het idee dat er een tweede explosie op komst was.
'Tonio, smerige rotschoft,' fluisterde Thwaite. 'Kom hier.' Terwijl hij de woorden uitsprak, leek hij over zijn hele lijf te trillen van woede. 'Jij vermoordde mijn Phyllis, mijn Doris.'
Antonio huiverde opnieuw en beroerde zijn schouder met zijn rechterhand. 'Je had me niet te grazen moeten nemen, kerel. Je had het kunnen weten. En dat waar de meisjes bij waren. Sinds die tijd luisteren ze nauwelijks nog naar me.'
'Dat is jouw probleem,' zei Thwaite en hij deed een stap naar voren. Zijn schouders zakten een beetje. De spanning die van hem uitging kwam overeen met die van een orkaan.
De pooier schudde zijn hoofd. 'Ons probleem. Wij waren compagnons, klootzak. Ik moest Carla verdomme opsluiten, daar, in de kelder. In het donker. Comprende? Con les gusanos. Bij de wormen, man, als een dode. Nu luistert ze weer naar me. Nu begrijpt ze weer dat ik de baas ben.'
'Je gaat eraan, Tonio,' grauwde Thwaite. 'Zo zeker als ik hier sta.'
De pooier deed een stap achteruit. 'Idioto. Jij hebt dit aangericht. Jij was de aanstootgever. Jij!' Maar Thwaite stapte op hem af, met zijn mahoniehouten knuppel in zijn hand. Tracy werd zich bewust van de uiterst geconcentreerde gelaatsuitdrukking van de politieman. Het volgende ogenblik keek hij naar de pooier, en kwam in een razendsnelle beweging in actie. De aanleiding daartoe was het glinsterende lemmet van het mes dat plotseling in de hand van Antonio was verschenen. Inwendig vervloekte Tracy zichzelf dat hij de pooier niet eerst had gefouilleerd. Maar Thwaite was Antonio al genaderd. Zijn knuppel flitste neerwaarts. Hij was te laat. Zelfs Tracy kon niet voorkomen dat de opwaartse messtoot die volgde doel trof. Alsof het mes door boter sneed, verdween de punt hoog in Thwaite's rechter zij en gleed tussen de ribben door. De pooier maakte een draaiende beweging met zijn hand en Thwaite schreeuwde het uit. Zijn knuppel gleed tussen zijn vingers vandaan.
Het volgende ogenblik werd het mes teruggetrokken. Tijdens de halve seconde vóór hij toesloeg, hoorde Tracy het snuivende geluid van de ademhaling van de rechercheur, zag hij de wijd opengesperde ogen. Tonio dreigde opnieuw toe te steken. Tracy had alleen voldoende tijd voor de kanashiki; het was de enige manier om Thwaite het leven te redden. Tracy zette de dodelijke trap vanuit zijn heup in, maakte tegelijkertijd een halve pirouette en zwaaide zijn bovenlijf naar achteren. Zijn schoenpunt schoot flitsend en strak naar voren, en naar boven. De punt raakte Antonio vlak achter zijn rechter oor, de plek waarop een beroepsmoordenaar het dodelijke schot richt. Thwaite, die recht tegenover Antonio stond, keek met stomme verbazing naar Antonio's plotseling veranderende gelaatsuitdrukking. Het ene ogenblik was het besproete gezicht nog vol haat, het volgende... niets meer. Alle dierlijkheid, al het leven, sijpelde weg uit de gezichtsuitdrukking. Het ogenblik daarop stortte hij op de vloer ineen en bleef roerloos liggen, net zo dood als een lappenpop. Thwaite keek over het roerloze lichaam heen naar de man die nu aan de andere kant van het ontzielde lijf voor hem stond.
'Jezus Christus,' zei hij zacht. Toen sloot hij zijn ogen.