Zesde hoofdstuk
VIS MET DE VISSEN
Hoogtevrees, dat was eigenlijk het eerste
wat Bas voelde, toen hij kopje onder was gegaan. In zijn fantasie
leek hij een vogel die boven op een hoge rots zit en zich nu
klaarmaakte om de diepte in te zweven, een enorme diepte. Hij zag
heel duidelijk hoe ver hij moest zakken, voor hij grond onder zijn
voeten zou krijgen.
Het water was verrukkelijk — net koel genoeg om
je er plezierig bij te voelen, nu het boven zo heet was. Bovendien
was het zo doorzichtig als glas, of je in een pas schoongemaakt
aquarium keek. Tot twintig meter diep reikte zijn blik en daar zag
hij de bodem bedekt met oerwouden van koralen en de wuivende
wierslierten. De diepte boezemde hem toch wel een beetje ontzag in.
Ga maar eens in de dakgoot van een huis zitten dat twintig meter
hoog is — en dat is een hoogte! — en kijk dan naar beneden. Je
houdt je dan wel even vast. Maar Bas zat niet, die zweefde daar.
Vissen schoten onder hem heen en weer, kleurige wezens, die
fonkelden van het rood, geel, groen en zilver. Hij had niet gedacht
dat het onder zo kleurrijk zou zijn en zo mooi. Het was er nog
mooier dan op Hispaniola zelf. En dat wilde wat zeggen. In een
flits zag hij het eiland voor zich: blakerend onder een laaiende
zon. Iedere hut werd overschaduwd door palmbomen en overal bloeiden
en geurden de kleurigste bloemen. Het was daar een sprookjesachtig
paradijs. En dan de stad Geroux: in de smalle straten was het
altijd even druk. De winkels leken allemaal wel bloementuilen door
hun vele kleuren van stoffen, aardewerk, borduurwerk en vruchten.
Zwaar beladen ezeltjes trippelden tussen de menigte voort, baanden
zich een weg tussen de met elkaar pratende negers en negerinnen,
wier zwarte koppen schuilgingen onder hun grote hoeden. En overal
zag je er bloemen. Het land was arm, maar de mensen moesten er
gelukkig zijn, dat bleek wel uit al die bloemen,uit al die kleuren. Bas was in die paar dagen werkelijk
gaan houden van dit prachtige eiland en hij had in de
veronderstelling verkeerd dat er wel nergens een mooier plekje te
vinden zou zijn dan Hispaniola. Maar hoe had hij zich vergist. Want
hier, onder water, bleek het inderdaad nog prachtiger te zijn. Het
leek op een prachtige kleurenfilm, maar het was echt, zo echt als
de vis die nu tegen zijn tenen aan tikte. Bas keek om zich heen.
Door dit kristalheldere water kon hij heel ver kijken tot waar zijn
blik zich in een wazige, grijsblauwe verte verloor.
„Dat moest Heiligers in kleur kunnen
fotograferen, " dacht hij. Maar zelfs al zou de fotograaf onder
water willen zwemmen — en dat zou niet gebeuren, je kon net zo goed
proberen een kikker de samba te leren — dan kon hij nog geen
opnamen maken, omdat je daar speciale waterdichte camera's voor
nodig had.
Bas tuurde weer door zijn duikbril. Hij had aan
dat apparaat wel even moeten wennen, want het sloot de ruimte rond
ogen en neus luchtdicht af. Bas had een beetje vies gekeken, toen
Ru de bril had gepakt, op de glazen had gespuugd en ze toen had
uitgewreven, waarna hij ze met zeewater had
schoongespoeld.
„Dat moet je altijd doen, voor je duikt, " zei
Ru. „Op die manier voorkom je dat onder water je bril beslaat. Je
zou verkocht zijn, als je dat overkwam. " Ru had hem ook geholpen
de zwemvinnen aan zijn voeten te bevestigen. Bas vond dat hij er
bepaald niet erg knap mee uitzag: met die monsterlijke bril voor en
die enorme platvoeten. Maar a la, ze zouden daar beneden wel niet
zo nauw kijken, want een schol was nou ook niet direct een knap
persoon en dan moest je eens een schelvis aankijken of een
kabeljauw. Die zouden ook nooit in aanmerking komen voor een
hoofdrol als „mooie jongen" in een film.
Met bril en vinnen aan had Bas zich onder water
laten zakken, om eens te zien hoe het er daar allemaal aan toeging.
Hij moest steeds weer boven water, omdat hij de
aqualongnog niet had omgegespt, maar in
de korte tussenpozen dat hij onder water was, zag hij genoeg om
verlangend uit te kijken naar het ogenblik dat hij ook zo'n
kunstlong aan mocht doen. Het was een zwaar apparaat dat
met riemen op je rug werd bevestigd. In de stalen cilinder bevond
zich samengeperste lucht. Een slang leidde naar je mond. Wanneer je
iemand een aqualong zag aangespen, leek het een onhandelbaar
apparaat. Inplaats van dat het je hielp niet te verdrinken, zou het
je meteen naar de bodem van de zee trekken, zo leek het. Dat was
natuurlijk helemaal niet waar, want kijk maar eens, hoe moeiteloos
Ru daar rondzwom, even gemakkelijk en soepel als een vis. Eén
beweging van zijn voeten en hij schoot al weer vooruit, rustig en
snel.
Bas bleef wat rondscharrelen, telkens weer
boven water komend om lucht te happen. Dan kwam Ru naar hem toe.
Hij beduidde de jongen dat hij het water uit moest gaan. Ru volgde
hem. Ze klommen in het bootje dat ze als uitgangspunt voor hun
duikoefeningen gebruikten. Heiligers zat er op zijn gemak te lezen.
Hij scheen geen aandacht te hebben" voor de duikers en liet die
maar begaan. „We zullen jou nou ook maar eens een flesje lucht
omdoen, " zei Ru tegen Bas. „Je hebt nou lang genoeg rond kunnen
krabbelen. " Inderdaad, Bas had zich net een krab gevoeld naast Ru,
die zich daar snel en vaardig als een vis voortbewoog.
Het harnas, waaraan de cilinder samengeperste
lucht bevestigd was, werd om Bas' lichaam gehesen. De banden
schuurden over zijn schouders. Het apparaat was loodzwaar en Bas
had er een hele sjouw aan, maar voor onder water scheen het nog
niet eens genoeg te zijn, want aan zijn riem hing Ru ook nog een
paar stukken lood. Heepoppelepee, het zag ernaar uit of Ru hem net
als een nest jonge poesen wilde verdrinken. Moest hij nou werkelijk
als een levensechte IJzeren Hein naar beneden, dacht hij
onwillekeurig, want hij was behangen met metaal. Het scheen
inderdaad de bedoeling te zijn, want Ru ging rustig verder. Bas'
nieuwe zwemmeester drukte hem het mondstuk van de aqualong in de
mond. Aan. de voorkant bevond zich een stukje rubber, waarom hij
zijn tanden moest klemmen. Een soort van rubberkraag sloot aan de
buitenkant om zijn tanden. Daaroverheen kneep hij zijn lippen toe.
Hij kon nu slechts lucht binnen krijgen door de luchtslang, waaraan
het mondstuk bevestigd was. „Rustig doorgaan met ademhalen, " zei
Ru hem, op een toon of hij hem de uitspraak van een Engels woord
leerde, „heel rustig doorgaan met ademhalen. " Bas klom overboord.
De boot schommelde wat, Bas liet los en ging onder. Onmiddellijk
volgde Ru, die zich snel voor een volgende duik had
klaargemaakt.
Bas hoorde een zonderling geluid. Hij keek naar
Ru en die wees naar de cilinder. Ineens begreep Bas het: hij hoorde
zijn eigen adem die door het regelventiel ontsnapte en nu als een
snoer luchtkralen naar boven steeg. Zijn vrees was voorbij.
Onwillekeurig voelde hij zich onder water heel wat onzekerder dan
daarboven, maar nu hij merkte dat alles goed verliep, steeg zijn
zelfvertrouwen. Hij moest bekennen dat het iets fantastisch was: je
zo maar onder water kunnen voortbewegen zonder dat je ieder
ogenblik je hoofd weer boven hoefde te steken. Hij kon zich
begrijpen dat iedereen die eenmaal onder water had gezwommen,
voorgoed voor deze nieuwe sport gewonnen was. Zijn zekerheid kreeg
nog even een deukje, toen hij naar het touw greep dat van het
bootje omlaaghing. Hij tastte er volkomen naast. Maar dan
herinnerde hij zich dat Ru hem hiervoor had gewaarschuwd: „Wanneer
je onder water bent, zul je alles wat verder zien liggen dan het in
werkelijkheid het geval is. " Ru kwam weer naast hem zwemmen.
Optimistisch stak Bas zijn duim omhoog: het verliep allemaal veel
gemakkelijker dan hij had durven hopen.
Hij was nu werkelijk vis met de vissen. Als
een... nou, wat zou het zijn: als een stokvis voor zijn dood, als
een ongezouten haring of een schol op zijn kant zwom hij hier
voort. Van die zware last op zijn schouders merkte hij niets
meer.
Hij bewoog met de zwemvinnen aan zijn voeten en
gleed, nee, zweefde vooruit. In het gewone leven had Bas bepaald
niks weg van een balletdanser. Daarvoor bewoog hij zich te potig en
te vierkant en soms had hij wel iets weg van een polderwerker, zo
„elegant" waren zijn gebaren. Maar hier leek hij wel wat op een
balletdanseres, zo sierlijk en gracieus gleed hij voort. Althans,
hij dacht dat. Ru vond dat Bas het voor een beginneling niet
onaardig deed, maar dat was ook alles. De jongen zweefde namelijk
voorzichtigheidshalve zo dicht bij de oppervlakte van het water,
dat bij iedere duik-poging zijn achtersteven uit het water kwam. En
dat was nou niet direct een sierlijk gezicht. Ru betreurde het dat
hij niet op die gespannen zwembroek een fikse klap kon geven. Hij
durfde dat niet, omdat Bas in een schrikbeweging misschien iets
gevaarlijks zou doen...
Na allerlei pogingen slaagde Bas er in volgens
de aanwijzingen van Ru te duiken. Hij schoof naar een koraalrif,
misschien zes meter diep, waarop hij nu ging zitten. Een visje, dat
hij had opgeschrikt, stoof op hem af en botste verwoed keer op keer
tegen het glas van zijn duikbril. „Binnen!" dacht Bas, maar die vis
bleef tikken. Bas maakte een gebaar of hij een vlieg wilde
verjagen, liet het koraalrif los en schoot onverhoeds naar boven.
Weer kwam de achterkant van de zwembroek boven. Had hij daarvoor nu
zoveel moeite gedaan om te duiken?
Ru had het gezien en maakte een gebaar naar
zijn riem. Bas begreep het: hij was niet zwaar genoeg en zou zich
met nog meer lood moeten behangen. Als het zo doorging, zou hij
straks nog op handen en voeten door het bootje kruipen, omdat hij
zich eenvoudig onder al dat gewicht niet meer staande zou kunnen
houden.
Bas klauterde het water uit. Meteen werd hij
met recht loodzwaar en hompelde wat over het dek. Heiligers, die
daar zat te soezen, keek hem eens minzaam aan. „Heb je er al genoeg
van jongen? Groot gelijk, hoor! Een mens is geen kikker die onder
en boven water leeft. "
„Ik begin pas, " antwoordde Bas.
„Dan ga ik weer slapen, " zei de fotograaf
gelaten. „Je ziet er echt niet zo uit dat ik een foto van je kan
maken als een van de helden, die naar de schat van de Spanjaard
duiken. Je lijkt meer op een koopman in oud ijzer. " Hij sloot
demonstratief zijn ogen. „Nou jongen, ga jij maar weer goudvisje
spelen, ik doe wat een mens het beste kan doen: slapen! Doet hij
geen kwaad en hij loopt geen gevaar. "
Bas had nog twee loodblokjes aan zijn riem
gegespt en ging nu weer opnieuw onder water. Opnieuw schrok hij
even van het borrelend geluid van het ventiel, waardoor zijn adem
ontsnapte. Maar dan vatte hij het op als een geruststellend teken:
het apparaat werkte nog goed.
Bas kon nu beter duiken en zonder moeite bleef
hij nu daar beneden op het rif. Zo zou hij straks op zoek gaan naar
de schat van de Spanjaard, droomde hij reeds. Hij schrok even, toen
iemand hem op de schouder tikte. Een geintje van Ru zeker. Maar het
was Ru niet. Het was een vis, die in zijn nieuwsgierigheid tegen
zijn schouder was gebotst. Zo van: „Hallo, mag ik me even
voorstellen?"
Het was overigens wel een brutaal dier, want
nou kwam het notabene naar Bas' duikbril zwemmen om de jongen eens
diep in de ogen te kijken. Misschien was het een politieagent onder
de vissen die eens kwam controleren of Bas wel brave bedoelingen
hadBas was een uitstekend zwemmer. Al
van zijn achtste jaar zwom hij als een waterrat en iedere week vond
je hem wel een paar maal in het zwembad. Maar dat was nog niets bij
hetgeen hij nu beleefde — dat overtrof verre alle genoegens van het
gewone zwemmen. En dan kwam er nog iets bij. De kans dat ze de
schat zouden vinden werd nu groter. Ze hadden er Ru alles over
verteld, Bas een en al enthousiasme, Heiligers een tikje spottend
en ook wel met enig leedvermaak om zichzelf, omdat Bas hem zo
heerlijk voor zijn wagentje had weten te spannen. Ru stond direct
in vuur en vlam voor het plan naar de schat te gaan
zoeken.
„Heerlijk, een schat' zei hij, „wat
verrukkelijk. Die moeten er bij tientallen in de Caraïbische Zee
liggen, van de Spanjaarden en de zeerovers die hier indertijd ook
nogal rondzwierven. Misschien vinden we niets, maar dat hindert
niet. Je hebt gelijk, Bas, het is een avontuur. Ik zou niks
spannenders weten. Toen ik nog op school zat, droomde ik er al van:
ik zou óf een zeerover worden en dan zo'n ruige met één oog en een
houten been, je kent ze wel van die tekeningen, óf ik zou iemand
worden die de schat van een zeerover vond. Ik had hele lijsten
opgesteld wat ik met dat geld zou doen. " Heiligers had Ru nog
gevraagd of hij werkelijk meende dat ze een schat zouden
vinden.
„Laten we ernaar zoeken en op niks rekenen, "
had Ru heel handig geantwoord. „Het valt dan altijd mee. En uw
reportage komt er in ieder geval uit. "
Heiligers had Ru eens aangekeken en daarna Bas.
Hij vertrouwde het niet helemaal. Het leek wel of die twee hem erin
wilden laten lopen. Dan haalde hij zijn schouders op. Hij wist veel
te goed dat hij ernaar verlangde de nasporingen naar de schat te
beginnen. Het was precies zoals Bas had gezegd: er zat een
uitstekende reportage in. Van de andere kant vroeg hij zich echter
af of dit zoeken geen gevaar zou kunnen. Tenslotte was hij
verantwoordelijk voor Bas en hij zou zeker niet graag willen dat de
jongen iets overkwam. Ru had hem verzekerd dat er bij het zwemmen
niets kon gebeuren. Hij zou er wel voor zorgen dat Bas niet zo diep
dook dat het riskant zou beginnen te worden. Beneden de vijftien
meter zouden ze niet gaan, dat was ook niet nodig, want volgens het
verhaal van het notitieboekje lag het wrak op vijftien meter diepte
en het had geen zin dieper te gaan zoeken. Maar daarmee waren al
Heiligers' bedenkingen nog niet weggenomen. Hij was geschrokken van
die poging tot inbraak bij hemzelf en bij Bas. Goed, het was waar,
er was niets gestolen, maar dat had toch kunnen gebeuren. Hoewel...
Het was een raadsel gebleven waarom het de indringer te doen was
geweest. Zowel de eigendommen van de fotograaf als
vanBas had hij intens doorzocht, alsof
het om iets heel bepaalds te doen was geweest. Hij had dat
kennelijk niet kunnen vinden, of was hij beide malen te vroeg
verrast? Bij de inbraak in Bas' kamer leek dat niet waarschijnlijk,
want toen de jongen in zijn kamer was gekomen, was de indringer al
lang verdwenen. Heiligers had zijn beklag gedaan bij de directeur
van het hotel. Die vond het natuurlijk verschrikkelijk dat zoiets
zijn gasten was overkomen, maar wat kon hij eraan doen? Hij
beloofde de politie te waarschuwen, die moest dan maar een oogje in
het zeil houden. Klaarblijkelijk deden de agenten dat uitstekend,
want beide Nederlanders hadden van indringers niet de minste last
meer. Tenslotte namen ze maar aan dat het de inbreker om juwelen te
doen was geweest of iets dergelijks. Nou, die waren er in de
koffers van Heiligers en Bas bij hopen te vinden, maar niet
heus...
Bas kreeg van het onderwater-zwemmen niet
genoeg. Steeds weer oefende hij. Tenslotte hadden ze maar een week
tot hun beschikking, want dan zou de Victor al weer naar Geroux
komen en zouden ze van Hispaniola vertrekken. Daarom was de jongen
voortdurend in de weer om zich in het zwemmen met een aqualong te
bekwamen. Hij maakte uitstekende vorderingen en al gauw kwam dan
ook het moment, dat Ru de boot verder zee in liet varen, daar waar
de bodem steiler omlaag liep. Daar zou Bas nu moeten leren tot
vijftien meter te duiken. Dat ging heel geleidelijk in zijn werk.
Eerst naar acht meter. Daar bleven ze even rondhangen, om plafond
te maken, zoals Ru dat noemde. Toen de oren gewend waren geraakt
aan de waterdruk op die diepte, zakten ze verder. Weer wachten en
rondkijken. Een grote vis, misschien wel twee meter lang, schoot
als een duikboot langs. Ru knikte geruststellend. Het was dus een
ongevaarlijke vis, hoe groot hij ook was. Bas dacht aan de
waarschuwing van zijn vriend: je mag wel schrikken, maar nooit in
paniek raken. Probeer je hoofd ook figuurlijk koel te houden.
Wanneer je in paniek raakt, ben je verloren. Eerst
den-ken, dan pas doen... Het was een
stoomcursus die Bas volgde, maar Ru ging daarom niet oppervlakkig
te werk. Hij probeerde Bas alle voorzorgsmaatregelen in te pompen.
Maar je kunt je van alles voornemen en van alles leren, er zijn van
die momenten waarin je alles vergeet. Zoiets gebeurde ook Bas. Ze
zakten dieper en dieper omlaag. De dieptemeter, die hij om de pols
droeg, wees reeds vijftien meter. En dan merkte hij opeens dat er
water in zijn duikbril kwam. Het drong onder het rubber door, eerst
heel langzaam maar dan wat sneller. In het begin had hij het niet
eens in de gaten. Tot hij bij het ademen ineens water in zijn neus
kreeg. Het drong in zijn longen en hij kreeg het verschrikkelijk
benauwd. Hij zou willen niezen en hij had een gevoel of hij zou
stikken. Hij wilde volop ademhalen en hij wilde naar boven. Woest
trapte hij om zich heen, als hing er iemand aan zijn keel om die
dicht te knijpen. Zijn hand ging in een benauwd moment naar het
mondstuk, om het los te rukken. Ru was gelukkig vlakbij hem
gebleven en greep in. In zijn paniek duwde Bas hem bijna weg, maar
Ru mocht een druk, onstuimig type zijn, nu wist hij zich kalm te
houden. Natuurlijk kon hij met Bas naar boven gaan zodat de jongen
daar volop zou kunnen ademen en zijn benauwdheid kwijt raken. Maar
er was die andere mogelijkheid waarover hij met Bas gesproken had.
Daarvan moest nu maar ineens gebruik worden gemaakt, dan wist hij
meteen voorgoed hoe hij in dergelijke omstandigheden had te
handelen. Met harde hand duwde hij de tegenstribbelende Bas
achterover, greep dan diens duikbril bij de bovenrand en drukte het
hoofd van Bas nog verder achterover. Die kreeg een gevoel of zijn
hoofd zou barsten. Hij had Ru wel van zich weg willen
slaan, om naar boven te kunnen. Maar rustig beduidde de ander hem
dat hij door zijn neus moest blazen. Eerst begreep Bas het niet.
Het drong niet door zijn opwinding heen wat Ru bedoelde en door de
benauwdheid stonden zijn ogen vol tranen zodat hij ook niet goed de
gebaren zag. Nog eens gebaarde Ru, terwijl hij Bas verder
achterover duwde. Bas blies door zijn neus en nu verdween het water
langs de onderkant van de bril. Meteen wist hij weer dat Ru dit de
methode had genoemd om water uit de duikbril kwijt te raken. Het
ergste was nu voorbij, maar de schrik zat Bas toch nog in de benen.
Hij wilde naar boven om even bij te komen en wat ruimer te ademen,
want tenslotte kon je met zo'n aqua-long maar beperkt ademhalen.
Geleidelijk stegen ze, maakten plafond op de hoogte waar dat nodig
was en kwamen boven water. Voor ze aan boord van de boot klommen,
gebaarde Bas naar Ru dat hij de fotograaf niets van het benauwde
avontuur moest vertellen.
Heiligers zat in een luie stoel op het dek. Het
leek of hij, wanneer de beide jongens aan het duiken waren, niets
anders deed dan op zijn gemak wat zitten soezen. Maar zo gauw Bas
zijn hoofd over de verschansing stak, keek de fotograaf op. „Heb je
het erg benauwd gehad?" vroeg hij alleen maar. Bas begreep er niets
van. Hoe had Heiligers dit nu toch weer door? Maar de jongen wist
niet dat zijn ogen nog rood omrand waren en dat zijn gelaat alle
sporen vertoonde van de voorbije benauwdheid. Daarbij kwam dat de
fotograaf werkelijk als een vader over hem waakte. Hij wist maar al
te goed hoe waaghalzig Bas was aangelegd en dat de jongen altijd
het avontuur zocht. Daarom lette hij op iedere gedraging van Bas om
snel te kunnen doorgronden wat de jongen van plan was. In zekere
zin had hij er spijt van dat hij dat onderwater-zwemmen had
goedgevonden. Hij vroeg zich steeds weer af of het niet te
gevaarlijk was voor Bas, voor wiens veiligheid hij immers
verantwoordelijk was. Maar hij had nu eenmaal zijn toestemming
gegeven en kon daar moeilijk meer op terugkomen. Het enige wat er
overbleef was dat hij een heel waakzaam oog in het zeil hield. Bas
en Ru gingen weer naar beneden en nu opnieuw naar vijftien meter
diepte. Het verliep allemaal voorspoedig. Bas ontdekte dat lopen de
lastigste manier is om je voort te bewegen. Je kunt veel beter
horizontaal over de bodem voortglijden, dat is heel wat
gemakkelijker. Hij zwierde en cirkel-de
er rond als een vis in een aquarium. Ru kwam naast hem zwemmen. Bas
hoorde het geluid van diens ventiel. Ja, warempel, Ru wist van het
geborrel nog een primitief melodietje te maken. Het was een bekend
deuntje, maar hoe heette het toch ook weer? Bas zag het grijnzende
gelaat van zijn vriend achter diens duikbril en ineens herkende hij
het wijsje: Alle eendjes zwemmen in het water...
Ru meende dat Bas geslaagd was voor het examen
schatzoeken en vond dat ze er nu op uit moesten trekken. Heiligers
vond dat hij moest tegenstribbelen, maar dat duurde niet lang. Al
gauw gaf hij toe. Ze hadden nu eenmaal A gezegd, de rest van het
alfabet moest ook maar volgen. Bovendien dacht hij aan zijn
reportage.
Het belangrijkste was nu allereerst dat ze aan
een goede boot kwamen. Het bootje dat ze bij het duiken hadden
gebruikt, was veel te klein om daarmee eventueel een stormpje te
trotseren. Dat was alleen maar geschikt voor een beetje spelevaren
dichtbij de kust. Ru wendde zich tot Karl, of die iemand wist die
enkele dagen met hen naar zee zou willen varen. De kellner beloofde
er onmiddellijk werk van te maken. Hij dacht wel iemand te kunnen
opduikelen. Die avond kwam Karl er al mee aan: een klein
negermannetje van onder tot boven vol rimpels. Zijn gezicht was
volkomen gekreukt, als een stuk papier dat in een prop is geduwd en
daarna weer uit elkaar gehaald. Zijn broek was eveneens één al
kreuk en zelfs de schoenen, die hij nu aan had, leken gekreukt. Hij
had een merkwaardig hoge stem; al met al was het wel een
schilderachtig kereltje. Karl, de kellner, vertelde dat de man
Landor heette en waarschijnlijk wel de beste schipper van heel
Hispaniola was. En hij had een boot... een juweel eenvoudig, je zat
erin als in een luxe auto, je merkte niet eens dat je voer. Landor
grijnsde en knikte maar, terwijl Karl dat alles stond te vertellen.
De rimpels in zijn gezicht verdiepten zich wanneer hij lachte, en
dat was een meer dan komisch gezicht. Bas had alle moeite om zich
goed te houden. Kennelijk had Landor het in de gaten, want hij
grinnik- * te eens naar Bas en toen kon die er niets meer aan doen.
Hij schoot luidkeels in de lach, toen hij al die rimpels over
Landors gezicht zag bibberen. Landor lachte nu ook hardop, het leek
op het hinniken van een paard. En zo stonden die twee te lachen,
terwijl ze nog geen woord met elkaar hadden gewisseld. Karl keek
het eens aan en zei dan Heiligers dat ze het zeker wel met Landor
zouden kunnen stellen. Kijk maar eens naar die twee.
Landor bleek alleen Creools te spreken, maar
dat was weer niet zo erg, want Ru kende die taal vrij behoorlijk en
ze konden dus met elkaar overleggen. Karl trok zich terug. Ru vroeg
Landor of hij hen enkele dagen lang naar een bepaald punt in de
Heksenketel wilde brengen.
Maar natuurlijk, antwoordde de neger, maar
natuurlijk. Hij snapte wel niet wat de heren eraan vonden, maar als
zij erheen wilden, zou hij hen er wel brengen. Morgenvroeg zou hij
present zijn. Hij lichtte zijn reusachtige strooien hoed, die als
een soort muziektent op zijn hoofd stond, lachte nog eens met al
zijn rimpels naar Bas en verdween.
De zon was net als een vurige bal boven de
vlammende horizon opgerezen, toen ze uitvoeren. Karl had niets
teveel gezegd: Landor had een juweel van een boot. Glanzend wit lag
het scheepje langs de kant. Iedere lijn ervan wees erop dat het op
snelheid berekend was. Er was een vrij grote kajuit aan boord,
waarin ze hun uitrusting konden opbergen en waar ze bij regen heel
gerieflijk onderdak zouden vinden. Landor maakte het schip los. De
motor brulde en het schip spoot als het ware de baai van Geroux
uit. Tjonge wat een schuit, dacht Bas. Wijd waaierde achter hen het
boegwater uit. Schepen langs de kant deinden op de golfslag die het
scheepje veroorzaakte.
De grote tocht was nu begonnen. Een stoutmoedig
plan begon werkelijkheid te worden: ze waren op zoek naar het wrak
van het Spaanse galjoen, de Santa
Rosa. Voor zichzelf herhaalde Bas nog
eens de gegevens, die in het aantekenboekjevermeld stonden: twee riffen als de armen van een wassende
• maan. Een van die riffen heette de Ambrosiabank. Beide lagen zij
veertig kilometer ten noorden van Geroux. Tussen de beide riffen
zou dan een hoge rots liggen, die aan een grafzerk deed
denken.
Zonder Landor te vertellen waarom het hun te
doen was, hadden de Nederlanders hem gevraagd of hij de
Ambrosiabank kende. Nooit van gehoord, had hij geantwoord. Ze
hadden hem gezegd dat het bij de Heksenketel moest zijn, veertig
kilometer boven Geroux. Ja, hij begreep wel waar dat moest zijn.
Hij zou erheen varen en dan moesten de heren maar zeggen waar ze
precies wilden zijn. Landor stond rustig aan het roer, maar toch
leek het of een zekere gespannenheid zich van hem had meester
gemaakt. Voortdurend hield hij de drie blanken in het oog en hij
deed alles om het hun maar naar de zin te maken. Het drietal zat
maar te turen of het die beide riffen zag in de vorm van een halve
maan...
Uren kruisten ze rond, ze tuurden en staarden,
maar geen riffen, geen rotsen die aan de beschrijving
beantwoordden. Het was voor Bas een diepe teleurstelling. Hij had
eigenlijk verwacht dat ze zo ongeveer regelrecht zouden afvaren op
het punt waar het wrak lag, maar de dag verstreek zonder dat ze
maar iets vonden dat op de bewuste plek leek. Heiligers nam
tenslotte een besluit. „Het wordt tijd om terug te gaan, willen we
niet door de duisternis overvallen worden, " zei hij. „Morgen
zullen we het weer proberen. " Ze bleven nog even kruisen, maar
toen moesten ze toch werkelijk terug. Bas had een beetje de smoor
in dat ze geen succes hadden gehad. Ru zei niet veel en Heiligers
lachte alleen maar eens. Die scheen het weinig te kunnen schelen.
Landor zong weemoedige negerliedjes, terwijl hij zijn boot naar de
haven van Geroux stuurde.
's Avonds keek Ru wat somber voor zich uit,
toen ze beneden in de eetzaal van het hotel wat zaten na te
tafelen. Ook tij-dens de maaltijd had
hij weinig gezegd. Het leek of hij met zijn gedachten heel ergens
anders was. Op een gegeven ogenblik stond hij abrupt op, liep naar
zijn kamer en kwam terug met een kaart van het gebied waar ze aan
het zoeken waren. Met de centimeter schoof hij over de kaart heen,
maakte allerlei ingewikkelde berekeningen en schudde telkens weer
het hoofd. Tenslotte scheen hij tot een besluit te komen, want
ineens vouwde hij de kaart dicht en stak die met een resoluut
gebaar in zijn zak. Nieuwsgierig keken zijn beide landgenoten hem
aan. Hij maakte een sussend gebaar. „Morgen horen jullie het wel.
Het komt wel goed. " Van buiten klonk weer eens het geluid van de
tam-tam. Bas had die trommels in heel wat winkels te koop zien
staan. Het waren hoge trommels, bijna wel een meter hoog, schatte
hij. Naai onderen werden ze smaller. Wanneer je stond, kon je net
je handen laten rusten op het vel, dat met dikke touwen strak over
de trommel was gespannen. Wanneer je een hand liet neerkomen op het
vel, weerklonk er een hol geluid dat zich ver
voortplantte.
Nu klonk de tam-tam weer door het donker van de
avond. Het was een dof geluid, dat eigenlijk helemaal niet zo luid
klonk, maar dat je niet kon vergeten. Al was je nog zo druk in een
gesprek gewikkeld, je bleef het horen, een gelijkmatig gedreun, dat
op een of andere manier een enigszins opwindende uitwerking had.
Het deed denken aan oerwouden en negers die dansten bij het rode
schijnsel van een vuur en elkaar opzweepten met hun woeste
kreten... „Ik heb wel eens gelezen, " zei Bas, „dat ze bij de
tam-tam beginnen te roffelen met een tempo dat gelijk ligt met je
polsslag en dat ze dan het aantal slagen steeds hoger opvoeren,
zodat ook je hart sneller gaat werken, omdat dit hetzelfde ritme
wil aanhouden. Zo zouden ze dan de mensen opzwepen en buiten
zichzelf brengen van opwinding. " „Het is mogelijk, " antwoordde
Ru. „Ik heb dat nooit gehoord, maar dat wil nog niet zeggen dat het
niet waar is. Hier op Hispaniola geldt dat natuurlijk niet meer.
Hier wordt detam-tam gebruikt als
begeleiding bij dansen. In heel veel dancings wordt hij 's avonds
bespeeld. " „Het is een geluid dat je vasthoudt, hè?" vond
Heiligers. „Ik vind het onheilspellend en geladen van een zekere
dreiging. " Ru knikte.
„U kunt zich dan ook voorstellen hoe de taal
van de tam-tam vroeger geklonken moet hebben, toen hij als enig
communicatiemiddel tussen de negers dienst deed, " vertelde hij.
„In een razend snel tempo werd een bericht over het eiland geseind.
De blanken konden de taal niet verstaan, maar de toon verried vaak
al wat de inhoud van het bericht was... Zo klonken de trommels ook
in de nacht dat Hispaniola zelfstandig werd... " Ru leek blij te
zijn dat hij een thema had gevonden waarop hij kon doorborduren,
zodat er hem geen vragen gesteld konden worden waarover hij
daarstraks had zitten piekeren.
„Hispaniola, " zo begon hij, „werd door
Columbus ontdekt. In de zeventiende eeuw vielen hier Franse
boekaniers binnen en een eeuw later was het eiland een Franse
kolonie. De oorspronkelijke Westindische bevolking was nagenoeg
uitgeroeid en daarom brachten de Fransen negers over van Senegal en
de Kongo om de plantages van goedkope werkkrachten te voorzien.
Ruim honderdvijftig jaar geleden waren er zo hier maar liefst bijna
een half miljoen zwarte slaven, waarover de Fransen heer en meester
waren. Hoe getyranniseerd die slaven ook werden, zij hadden toch
iets gehoord over de revolutie die daarginds in Frankrijk had
gewoed. Zij kenden zelfs de leuzen daarvan: vrijheid, gelijkheid,
broederschap. De zwarten verwachtten dat ook zij daarin zouden
delen. Maar de Franse kolonisten wilden daar niets van weten. Zij
bleven met de negers omspringen zoals het hun goeddacht,
mishandelden ze en doodden ze zelfs, wanneer hun dat zo uitkwam.
Maar de negers zaten intussen niet stil. Als in Frankrijk het doel
was bereikt door een revolutie, dan zou dat ook hier mogelijk zijn.
Op een zaterdagavond in 1791 veranderde ergens op
eenplantage, waar negers de tam-tam
zaten te spelen, het tromgeroffel van ritme. Op andere plantages
namen tam-tams dat merkwaardige, verontrustende ritme over en gaven
het door. Razend snel verplaatste het zich over het eiland. Toen
het minuten later overal, tot in de verste hoeken, weerklonk, kwam
de zwarte bevolking in opstand. Fakkels werden in de
suikerrietvelden geworpen, die knetterend in lichte laaie vlogen.
Met hooivorken en messen gewapend trokken de negers tegen de Franse
planters op, van wie zij er die nacht tweeduizend vermoordden. Eén
neger had hierbij de leiding. Hij was zelf ook slaaf geweest, een
koetsier. In de komende tien jaar leidde hij de zwarten en bevocht
hij de ene overwinning na de andere op de Fransen die het eiland
weer in handen probeerden te krijgen. Napoleon zond maar liefst
negentig schepen en veertigduizend veteranen die in Egypte
gevochten hadden, maar ook zij konden het verzet van de negers niet
neerslaan. Slechts door verraad slaagden zij erin hun zwarte leider
gevangen te nemen. Ze voerden hem mee naar Frankrijk. Ver van zijn
warme vaderland kwam hij daar in een kerker van ellende om. Maar
zijn land was nu zelfstandig en Frankrijk zou het niet meer in
handen krijgen. De neger, die zich nu tot koning over het eiland
uitriep, was misschien een nog groter despoot dan de Fransen. Hij
bouwde op een bergspits een monumentaal stenen fort. Het is het
grootste bouwwerk dat ooit door negers is vervaardigd, maar het
heeft stromen bloed en tranen gekost. Van de vroege morgen tot de
late avond liet de koning zijn onderdanen in de suikerrietvelden
zwoegen, opdat hij zijn schatkist maar zou kunnen vullen. Als
slaven hadden zij het maar weinig slechter gehad. Eens zag de
koning vanuit zijn bergfort heel in de verte een neger liggen
slapen voor de deur van zijn hut. Een kanon werd geladen en even
later waren luilak en hut verdwenen...
Natuurlijk kwamen de zwarten tegen hem in
verzet. Met zijn rijk was het gedaan. Er begon nu een tijd, waarin
Hispaniola vergeten raakte. Niemand had er aandacht voor en op het
eiland zelf ontstond er zoiets als een chaos. Het land
raakte•uitgeput, omdat het niet oordeelkundig bewerkt werd.
Rivieren verdroogden, de mannen werden lui en hielden zich op de
duur nog alleen maar bezig met revoluties, die elkaar steeds
sneller opvolgden.
In het begin van deze eeuw waren elf van de
achttien presidenten door revoluties tot aftreden gedwongen. Toen
kwam het hoogtepunt. In vier jaar tijds werden er drie presidenten
afgezet en drie vermoord. Toen greep Amerika in. Mariniers bezetten
het eiland. Ze hebben hier veel goeds tot stand gebracht. Ze
rekenden de rebellen in, legden wegen aan, brachten verbetering in
de primitieve hygiënische toestanden en riepen een kleine
politiemacht in het leven. Eindelijk raakte Hispaniola bevrijd van
de last van zijn leger, dat ooit vijfenzestighonderd generaals en
stafofficieren had geteld. In 1934 trokken de Amerikanen zich
terug. Er werd een nieuwe president gekozen, maar in 1940 kwam hij
al ten val en wel om de zonderlingste reden die je je maar kunt
voorstellen. Op het naburige eiland werkten in die jaren van voor
de oorlog vijftienduizend bewoners van Hispaniola, die hier geen
arbeid konden vinden. De bewoners van het andere eiland koesterden
echter haat jegens die onderkruipers, zoals zij de Hispanolianen
noemden, omdat zij onder de prijs werkten. De president van het
eiland zat met het probleem in zijn maag. In een vlaag van woede
maakte hij er radikaal een eind aan. Hij liet zijn mensen de
vijftienduizend Hispanolianen vermoorden. Later probeerde hij zich
aan alle schuld te onttrekken. Maar toch zorgde hij dat Hispaniola
schadevergoeding voor het bloedbad kreeg, vijfhonderd en
vijftigduizend dollars... De bewoners van Hispaniola ontstaken in
woede; de vermoorden waren dus officieel gewaardeerd op
zevenendertig dollar per man, riepen zij verontwaardigd uit, en dat
terwijl ze veel meer waard waren. Een president, die dit goedvond,
moest maar verdwijnen. Er kwam een nieuwe president. Hij moest
niets van negers hebben en er werd van hem verteld dat hij
steekpenningenaannam. In 1946 werd hij
de laan uitgestuurd. De man die hem opvolgde, had prachtige dromen
hoe hij Hispaniola groot zou maken. Om te beginnen wilde hij er een
wereldtentoonstelling organiseren. Dat werd een wanhopige
mislukking. Bovendien ging het verhaal dat een bedrag van maar
liefst tien miljoen dollar, dat voor de tentoonstelling bestemd was
geweest, daaraan nooit besteed was. De president zou er wel meer
van weten waar het was gebleven. Weer begon het wiel te draaien en
weg ging de president. Nu was het de beurt van Paul Lescot. Hij had
de leiding gehad bij de opstand tegen de voorgaande president. Er
werd bij die revolutie geen druppel bloed vergoten, daarvoor had
Paul Lescot gezorgd. Het was echt zo'n revolutie op zijn
Hispanoliaans: alles en iedereen werkte niet meer. Het was volkomen
stil op het eiland en de president moest wel heengaan... Lescot is
nu al weer zes jaar aan het bewind. Hij heeft uitstekende dingen
tot stand gebracht.
„Dus deze president zal dan eens niet de straat
op worden gestuurd ?" veronderstelde Bas. Ru maakte een onzeker
gebaar.
„Ik weet het niet. Dezer dagen loopt zijn
ambtstermijn af en ik geloof dat het in de geschiedenis van
Hispaniola maar één keer is voorgekomen dat een president herkozen
werd. " „Wat denk je, " informeerde Bas, „zou hij de tweede
worden?"
Ru keek eens om zich heen. Het was nu vrij druk
in het restaurant. Dan haalde hij zijn schouders op. „Wat zal ik
ervan zeggen? Het is niet zo'n veilig onderwerp. Hispaniola is een
land waar alles mogelijk is, Bas. Maar laten wij ons in die vraag
wat er met de verkiezingen gebeuren gaat, maar niet verdiepen. Wij
gaan op zoek naar het wrak. Dat is het enige, waar wij belang bij
hebben. "
Dat was niet helemaal waar, maar dat kon Ru
niet weten. Die aanstaande verkiezingen waren wel degelijk ook voor
hen van belang en zelfs voor de schat, zoals ze nog zouden
bemerken.