ZEVENDE HOOFDSTUK
Nadat Bas uit het
badhuis was gekomen, had hij eerst nog wat op zijn gemak door de
langzaam tot leven komende straten van de Maastrichtse binnenstad
geslenterd. En de kleffe croquetten van de vorige dag in gedachte
had hij in een broodjeszaak eerst een paar broodjes half-om gegeten
en een kop koffie gedronken, voor hij
zijn schreden terraswaarts richtte, in de hoop daar het meisje aan
te treffen.
Niet dat ze diepe indruk op hem had gemaakt,
of dat hij bepaalde plannen met haar had, maar nu Heiligers er niet
was om gezellig mee te kletsen, had hij behoefte aan gezelschap en
haar gebabbel had hem wel geamuseerd.
Er zaten nog niet veel mensen op het terras
toen Bas daar aankwam.
Een paar oude heertjes zaten met hun
ochtendkrantje aan hun kopje koffie. En wat achteraf zat, gestoken
in een onberispelijk kostuum, een man met blonde haren, wiens ogen
schuilgingen achter een bril met donkere glazen, achter een grote
pul bier.
Het vrouwelijk schoon ontbrak helaas op dit
nog prille uur.
Bas ging aan een tafeltje zitten en de oude
ober kwam naar hem toe en zei met een glimlach van herkenning:
‘Goedemorgen, meneer... wat mag het zijn? Een kopje koffie? Een
broodje croquet misschien? Of heeft meneer al
ontbeten?’
‘Ja, ik heb al ontbeten,’ zei Bas.
‘Misschien straks... eerst een kopje koffie,
graag.’
‘Heel goed, meneer.’
De ober schuifelde weg en Bas wachtte, zich
afvragend wat hij hier eigenlijk deed. Er werd van hem verwacht dat
hij iets ondernam, dat hij zijn voelhoorns uitstak en zijn ogen en
oren de kost gaf. En nu zat hij hier breeduit op een terrasje in de
zon en dronk koffie op rekening van de krant.
‘Ja... wat doe ik hier?’ mompelde Bas
binnensmonds. ‘Afgezien dan van wachten op dat meisje, dat
misschien helemaal niet komt...’
Hij zuchtte. Zijn gedachten dwaalden af naar
Ernesto, de vanger van de Flying Codonas, de
man die hij verdacht omdat hij nu eenmaal iemand wilde verdenken,
maar waarvan hij diep in zijn hart wist dat hij hem ten onrechte
verdacht, ook al was de schijn tegen hem...
In werkelijkheid tastte hij volkomen in het
duister. Hij wist niets van het hoe en waarom; de achtergronden.
Hij wist niet wat Heiligers inmiddels na zijn leerzaam gesprek met
Herr Kraxe aan de weet was gekomen. Heiligers had een uitgangspunt,
kende het motief... het mogelijke motief, dat had geleid tot die
reeks afschuwelijke voorvallen die het circus als mokerslagen
hadden getroffen.
De ober bracht hem de koffie en Bas bediende
zich van suiker en melk. De koffie smaakte beter dan de
croquetten.
Toen hij zijn koffie ophad en net een
sigaretje wilde opsteken, zag hij haar in de verte aankomen. Toen
het meisje hem zag zitten, wuifde ze enthousiast, alsof ze oude
kennissen waren.
De man met de blonde haren en de donkere
bril sloeg het gebeuren aandachtig gade.
‘Hallo,’ zei het meisje, ‘Dat’s ook
toevallig dat jij hier weer zit! Je was gisteren zo ineens
vertrokken dat ik dacht dat je kwaad was. Was je
kwaad?’
‘Welnee,’ zei Bas. ‘Ik ging er zo plotseling
vandoor omdat ik een oude kennis zag die ik een hele tijd niet had
gezien.’
‘Mag ik aan je tafeltje komen zitten?’ vroeg
het meisje. ‘Natuurlijk’, wilde Bas zeggen, maar ze zat
al.
‘Ik neem een sigaretje van je,’ zei ze. ‘Heb
je een vuurtje?’
Bas grinnikte en gaf haar vuur. Ze leek hem
een meisje dat zonder al te veel onkosten te maken best aan haar
trekken kwam.
Ze keek hem aan en zei peinzend: ‘Gek hè, we
zitten hier zomaar voor de hele wereld te kijk en ik weet nog niet
eens hoe je heet.’
‘Bas,’ zei Bas. ‘Bas
Banning.’
Het leek haar tegen te vallen en dat deed
het ook. ‘Helemaal geen naam voor een leeuwentemmer,’ zei
ze.
‘Tijgers,’ verbeterde Bas. ‘Bengaalse
tijgers.’
‘Nou ja, leeuwen of tijgers, wat maakt dat
nou voor verschil.’
Bas lachte en zei: ‘Hoe zou jij me dan
willen noemen?’
Ze haalde haar schouders op. ‘Kweenie...
Tarzan of zo... Ik weet het niet. Ik zou best wat lusten... Heb jij
geen dorst?’
‘Ach...’, zei Bas.
‘Ik trakteer,’ zei ze. ‘Gisteren jij,
vandaag ik.’
Het viel Bas alles mee. Hij dacht eerder dat
ze een portemonnee met een hangslot had. ‘Geen sprake van,’ zei
hij, terwijl hij snel narekende hoe lang hij nog met zijn geld kon
uitkomen. ‘Ik betaal.’
‘Wat aardig van je,’ zei ze. ‘Dan neem ik
een appelsapje. ’ Bas wenkte de ober en bestelde een appelsap en
een cola.
Het meisje zei: ‘Je gelooft het vast niet,
maar ik heb vannacht van je gedroomd. Gek hè?’
‘Meen je dat nou?’ zei Bas
ongelovig.
Ze knikte heftig. ‘Echt waar... Ik droomde
dat je door je tijgers werd opgevreten. Eng hè?’
‘Ik ben blij dat het maar een droom was,’
zei Bas, onwillekeurig huiverend.
‘Ik heb wel eens eerder dingen gedroomd die
later uitkwamen,’ zei het meisje. ‘Toen droomde ik dat mijn opoe
doodging en het kwam nog uit ook. Nou ja, ze was drieënnegentig,
dus het zat er wel in, hè?’
‘Zeg dat wel,’ zei Bas.
‘Eén appelsap en een cola,’ zei de
ober.
‘Lekker,’ zei het meisje.
Bas vroeg: ‘Hoe heet jij
eigenlijk.’
‘Teuntje,’ antwoordde ze en ze dronk haar
glas in één keer leeg.
‘Teuntje? Wat een leuke
naam.’
‘Een rotnaam,’ zei Teuntje. ‘Maar ik heb ’m
nu eenmaal. Zeg... Je moet niet zo opvallend omkijken hoor, maar
die griezel die daar aan dat tafeltje zit, die kerel met die blonde
pruik en die zonnebril op... zie je hem?’
Bas keek zo onopvallend mogelijk om zich
heen.
‘Ik zie hem,’ zei hij. ‘Wat is er met die
man.’
‘Nou... man,’ zei Teuntje geringschattend.
‘Hij lakt zijn nagels... Nou ja, gisteren, toen jij mij zo’n beetje
voor aap liet zitten... ik neem het je niet kwalijk, hoor... nou,
toen kwam hij naar mijn tafeltje toe en vroeg of ik iets van hem
wilde drinken. Hij was helemaal mijn type niet, maar ik had wel
dorst en dus zei ik: ‘Heel graag, meneer...’ Hij was heel
griezelig, met van die witte handjes, net een etalagepop... En hij
had zo’n eng hoog stemmetje, maar goed... Hij zat eerst zo’n beetje
over koetjes en kalfjes te praten en toen vroeg-ie opeens of ik jou
goed kende...’
‘Is het waar?’ vroeg Bas
verbaasd.
‘Ik zit hier geen sprookjes te vertellen,’
zei Teuntje verontwaardigd. ‘Natuurlijk is het waar. Toen hij dat
vroeg, zei ik ‘ja’, want ik kende je, waar of niet? Ik vertelde dat
je bij het circus werkte en dat je tijgers en zo temde en dat je
een heel beroemde artiest was...’
Bas deed er het zwijgen toe en liet het maar
zo.
‘En toen,’ ging Teuntje onvermoeibaar
verder, ‘toen vroeg hij of ik die andere man ook kende. Ik begreep
hem eerst niet, ik wist niet wie hij bedoelde. Maar toen legde hij
het uit en ik begreep dat het over die ouwe viespeuk ging, je weet
wel, die kerel die eerst met me wilde aanpappen...’ Bas glimlachte
en dankte de hemel dat Heiligers haar niet kon horen. Hij zou niet
erg gelukkig zijn geweest met die omschrijving.
‘Ik weet wie je bedoelt,’ zei hij. ‘Ga
verder.’
Teuntje ging verder. Ze had niet veel
aanmoediging nodig. Dat ene glaasje appelsap had haar zo spraakzaam
gemaakt als een disc-jockey.
‘Ik zei natuurlijk van nee, want ik kende
hem niet en toen zei hij dat het hem heel aangenaam was geweest en
dat hij hoopte mij nog eens te ontmoeten. Nou, ik hoop van niet! Ik
ben blij dat jij bij me bent, want hij zit naar me te kijken
alsof-ie me zo wil inpakken en meenemen.’
Bas zei langzaam: ‘Ik ben blij dat je me dat
hebt verteld. Heeft hij je ook verteld wat hij deed? Voor de kost,
bedoel ik?’
Teuntje knikte. ‘Ja, maar ik geloofde hem
niet. Ik denk dat hij opschepte. Hij vertelde dat hij ook bij het
circus werkte, maar dat loog-ie natuurlijk, want dan zou jij hem
wel gekend hebben.’
‘Ik ken hem niet,’ zei Bas naar
waarheid.
‘Zie je wel!’ riep Teuntje triomfantelijk
uit. ‘De smerige leugenaar. Hij probeerde mij wijs te maken dat hij
goochelaar was, maar dat hij eigenlijk zonder werk was omdat iemand
zijn duiven had vermoord.’
Bas voelde al het bloed uit zijn gezicht
wegtrekken.
‘Lieve help... word je niet lekker?’ riep
Teuntje geschrokken uit, toen ze zijn hand greep.
‘Laat maar,’ mompelde Bas. ‘Het gaat zo wel
weer over.’
‘Misschien heb je honger,’ opperde Teuntje.
‘Laten we een paar croquetten bestellen.’
Bas gaf de bestelling door. Al waren ze niet
te eten, Teuntje had wel een kleine beloning verdiend, dacht
hij.
Heiligers stond die ochtend laat op. Hij
waste en schoor zich snel aan de kleine wastafel met de lekkende
kraan in de ongezellige hotelkamer. Hij daalde, nadat hij zich had
aangekleed, af naar de eetzaal, een nogal weidse benaming voor het
vierkante vertrekje, waar niet meer dan vier tafeltjes en stoelen
op elkaar gedrongen stonden.
De meeste hotelgasten hadden al ontbeten,
stelde hij vast. Drie van de vier tafeltjes droegen daar de
duidelijke sporen van in de vorm van koffie- en jamvlekken. Er
lagen zoveel broodkruimels op de vloer dat een flinke zwerm mussen
best een gezellig dagje in het eetzaaltje zou kunnen
doorbrengen.
De hotelhouder was een oude man, die
rondliep in een slobberende broek, die door een paar brandweer- en politiebretels op zijn plaats
werd gehouden. Het leek als je hem in dat wijde geval zag
rondstappen alsof hij aan het zaklopen was.
Toen Heiligers het eetzaaltje binnenkwam,
zei de hotelhouder nors: ‘U bent te laat voor het
ontbijt!’
‘Dat is dan jammer,’ zei Heiligers. ‘Maar
geen man overboord.. . Ik was van plan geweest vannacht nog te
blijven, maar maakt u de rekening maar klaar. Ik
vertrek.’
De hotelhouder bond in en zei verzoenend:
‘Nou ja... ik kan nog wel een eitje koken...’
Heiligers schudde zijn hoofd. ‘Nee, dank
u!’
De hotelhouder haalde zijn schouders op en
verdween binnensmonds mopperend achter de kleine balie, terwijl
Heiligers de trap weer beklom om zijn weinige bagage te
halen.
Tien minuten later zat hij achter het stuur
van zijn Eend. Hij maakte zich voorlopig niet druk over de vraag
waar hij de komende nacht zou slapen. Het leek hem het beste nog
eens met Hofman of Herr Kraxe te praten. Het zou ’s ochtends vroeg
wel afschuwelijk lawaaierig zijn in en om het circus, maar
misschien was het toch wel verstandiger wat dichter bij Bas in de
buurt te blijven.
Hoewel Heiligers geen gewoontemens was,
keerde hij toch terug naar hetzelfde terras op het Vrijthof,
eenvoudig omdat de bediening er vriendelijk was en de koffie
redelijk.
Hij vond nog een parkeerplaatsje. Zijn
reistas liet hij op de achterbank staan, maar zijn Leica nam hij
mee. Hij stapte uit, sloot de Eend af en stak schuin over naar het
terras. Het was er inmiddels aanzienlijk drukker geworden, maar er
waren nog genoeg tafeltjes vrij.
De eerste die hij zag zitten was Bas.
Heiligers vroeg zich met enige verbazing af waarom Bas niet aan het
werk was. Spijbelde hij, of had hij de een of andere stommiteit
begaan en hadden ze hem de laan uitgestuurd.
Bas was in gezelschap van het meisje, waar
hij blijkbaar erg gecharmeerd van was. Ze aten
croquetten.
Teuntje stootte Bas met haar elleboog aan en
zei met een volle mond: ‘Drhebbieopaokwer...’
‘Wat zei je?’ vroeg Bas. ‘Ik verstond je
niet.’
Teuntje slikte een kleffe hap door en
herhaalde: ‘Daar heb je opa ook weer, zei ik.’
Bas keek op, zag Heiligers op nog geen vijf
meter afstand aan een tafeltje dat vrij was, neerstrijken en keek
gelijk weer voor zich, tot tevredenheid van de
fotograaf.
‘O... die vent,’zei Bas onverschillig.
‘Gewoon niet op letten.’
De blonde goochelaar sloeg het tafereel met
belangstelling gade. Er speelde een verachtelijk glimlachje om zijn
mondhoeken. ‘Zielige amateurs...’, mompelde hij binnensmonds. Hij
was er wel heel zeker van dat die twee mannen en dat meisje onder
één hoedje speelden. Misschien zou het wel aardig zijn een
steekproef te nemen. Hij zou voorzichtig te werk moeten gaan, ook
al was hij er heilig van overtuigd dat niemand hem ook maar in de
verste verte verdacht. Een klein ongelukje, dat de twee bondgenoten
naar de plaats van het onheil zou lokken. Hij had nog de hele dag
de tijd om iets aardigs te bedenken. De gemakkelijkste weg zou
natuurlijk zijn het circus in brand te steken, maar ‘The Great
Adolfo’ hield meer van het verfijnde werk, een langzaam-aan-actie,
die die vervloekte Kraxe langzaam maar zeker het graf in zou
helpen.
‘Hij zit maar naar ons te gluren,’ zei
Teuntje. ‘Niet die ouwe, hoor, maar die blonde
griezel...’
‘Misschien heeft hij een oogje op je,’
maakte Bas een grapje. ‘Of misschien zoekt hij een nieuwe
assistente. Je zou het goed doen in
de piste...’
‘In de wat?’ vroeg Teuntje. ‘Je moet geen
rare taal gebruiken, hoor.’
‘In de arena dan,’ zei Bas. ‘Ik zie het al
helemaal voor me... Jij in een strak tricot van witte zijde,
bestikt met gouden lovertjes en zwarte netkousen en dan kom je op
hoge hakjes binnentrippelen en je maakt je buiging voor het
Hooggeëerd Publiek.’
‘Ik ben daar gek,’ zei Teuntje. ‘Jij met je
zwarte netkousen... kom zeg, ik ga daar een beetje voor aap staan.
Hij zoekt maar een ander.’
Bas luisterde nog maar met een half oor naar
haar gebabbel. Hij zon op een middel om Heiligers te laten weten
dat hij de blonde goochelaar in de gaten moest houden. Hij zag de
oude kelner met een bestelling de zaak binnengaan en kwam op een
idee. Hij dacht wel dat hij de man kon vertrouwen.
Hij zei tegen Teuntje: ‘Wil je me even
excuseren?’
‘Wat moet ik?’ vroeg
Teuntje.
‘Ik vroeg of je me even wilt
verontschuldigen,’ verduidelijkte Bas. ‘Ik eh... ik moet even naar
het toilet, als je het niet erg vindt.’
Teuntje gierde het uit van het lachen.
Daarmee trok ze de aandacht van het voltallige terraspubliek, iets
waar Bas bepaald niet blij mee was. Hoe minder aandacht, hoe liever
het hem was.
‘Waarom zou ik dat erg vinden?’ zei Teuntje,
nog een beetje nahinnikend. ‘Als je moet, dan moet je toch, zo is
het.’
‘Ja, zo is het,’ zei Bas.
Hij verdween naar binnen. De kelner stond
bij het buffet te wachten op zijn bestelling. Bas haastte zich naar
hem toe en vroeg gejaagd: ‘Als ik een kort briefje schrijf, wilt u
dan zo vriendelijk zijn om dat in handen te spelen van die meneer
met dat geruite sporthemd en dat leren vest? Weet u wie ik
bedoel?’
De oude kelner knikte. ‘Zeker... die meneer
gaf mij gisteren een vorstelijke fooi. Maar dat briefje, daar kan
ik toch geen kwaad mee? Je hoort tegenwoordig zulke rare
dingen...’
‘Ik geef u mijn woord van niet,’ zei Bas.
‘Ik heb nu geen tijd om het u allemaal uit te leggen, maar u dient
er een goede zaak mee.’
‘Dan zal het wel in orde zijn,’ antwoordde
de ober. ‘Schrijft u dat briefje maar, dan zal ik ervoor zorgen dat
het op het juiste adres terechtkomt.’
Bas zocht in zijn zakken naar een velletje
papier, vond het niet en griste een papieren servetje van het
buffet. Snel schreef hij een kort briefje. Toen hij klaar was,
vouwde hij het servetje zo klein mogelijk op en gaf het aan de
ober, waarna hij terugkeerde naar het terras.
‘Je hebt het knap lang uitgehouden,’ zei
Teuntje. ‘Ik dacht dat je daar bleef wonen.’
‘Ik had er twee voor me,’ loog Bas. Hij keek
demonstratief op zijn polshorloge en zei: ‘Wat vliegt de tijd
toch... Ik zie, dat het bijna voedertijd is.’
‘O, leuk,’ riep Teuntje verrukt uit,
‘bestellen we nog wat lekkers?’
‘Voedertijd voor mijn tijgers,’ hielp Bas
haar uit de droom.
‘O..zei ze
teleurgesteld. ‘Wat ben jij toch een rare. Je holt altijd weg als
het net gezellig begint te worden. Zie ik je nog?’
‘Ik hoop morgen,’ zei Bas. ‘O, daar is de
ober... Ik reken wel even af.’
Dat had hij niet hoeven te zeggen, want dat
was voor Teuntje vanzelfsprekend. Eerder die ochtend had ze gezegd
dat zij zou tracteren, maar dat was ze allang weer
vergeten.
Bas wenkte. De ober kwam langs met een
volgeladen dienblad en zei:
‘Een ogenblikje, meneer. Ik kom zo bij
u.’
Hij bracht zijn bestelling weg, zocht zijn
terugweg via het tafeltje van Heiligers en mompelde: ‘Mag ik even
uw vuile asbakje, meneer?’
Tegelijkertijd liet hij het opgevouwen
briefje van Bas op het tafeltje vallen en gaf Heiligers een niet
mis te verstane knipoog en slofte weer weg.
Heiligers trok heel even vragend zijn
wenkbrauwen op en vouwde het servetje zo onopvallend mogelijk
open.
Hij las: Hoorde van dat meisje dat die
blonde kerel met die zonnebril aan dat tafeltje rechts van je
belangstelling voor ons toont. Houd hem in de gaten.
Bas
Heiligers scheurde het servetje aan snippers
en stak een sigaret op, schijnbaar argeloos om zich heen kijkend.
Hij zag de blonde Edelgermaan onmiddellijk zitten en knikte hem
vriendelijk toe. Hij had de man eerder ontmoet op het circusterrein
en herkende hem zonder moeite als de voorlopig van het programma
geschrapte goochelaar.
De blonde man knikte minzaam
terug.
Heiligers keek weer voor zich en herinnerde
zich het onthullende gesprek met Herr Kraxe.
Hij herinnerde zich ook dat de van zijn
duifjes beroofde goochelaar op de later overgeplakte affiches
vermeld had
gestaan als ‘The Great
Adolfo’.
‘Adolfo... Adolf...,’ mompelde
Heiligers.
Je hoefde je hersens niet eens zulke
gymnastische toeren te laten verrichten om tot de conclusie te
komen dat Bas het met zijn vermoedens deze keer wel eens bij het
rechte eind kon hebben. Hij keek zo onopvallend mogelijk in de
richting van het tafeltje van Bas en zag zijn vriend
afrekenen.
Het meisje zat er een beetje triest bij.
Heiligers dacht dat het wel de moeite waard zou kunnen zijn een
babbeltje met haar te maken. Ze zou hem allicht iets meer kunnen
vertellen, dan Bas in zijn haast op dat servetje had kunnen
neerkrabbelen. Maar hij veronderstelde - terecht - dat hij niet
veel kans bij haar zou maken.
Hij was trouwens ook te
laat.
Want Bas had zijn hielen nog niet gelicht of
‘The Great Adolfo’ stond van zijn stoel op en liep langzaam naar
het tafeltje van het meisje, sluipend als een panter die op het
punt staat zijn niets vermoedende prooi te
bespringen.
‘The Great Adolfo’ wist dat Heiligers al
zijn bewegingen volgde, maar dat interesseerde hem niet. Hij zou
zijn tegenstanders hoe dan ook te slim af zijn en als het ogenblik
daar was meedogenloos met hen afrekenen.
‘The Great Adolfo’ kon niet gedogen dat wie
dan ook hem een spaak in het wiel zou steken...