8. Donderdag van 2 uur 'nachts tot 4.30 's nachts
Ik was van Eilean Oran naar het Island of Craigmore getogen, maar ik had nog steeds geen reden tot glimlachen. In de eerste plaats bezorgde de gedachte aan de nautische combinatie Oom Arthur-Charlotte Skouras mij kippenvel bij de gedachte alleen al - de noordelijke punt van Craigmore was bezaaid met rotsen en veel gevaarlijker dan de zuidkust van Eilean Oran, vervolgens werd de mist steeds dikker en ten slotte was ik uitgeput en bont en blauw geslagen door de enorme golven die mij op mijn zwemtocht naar de kust tegen alle mogelijke obstakels hadden geslingerd: onzichtbare klippen, rotsblokken en wat dies meer zij. En verder vroeg ik mij bezorgd af of er een gerede kans bestond dat ik mijn belofte aan Donald MacEachern waar kon maken. Hoe langer ik erover nadacht, des te meer redenen vond ik om niet te glimlachen, maar ik had geen tijd daar verder over na te denken: de nacht verstreek en ik had nog veel te doen vóór het aanbreken van de dag. Het eerste van de twee vissersschepen in het natuurlijke haventje trok zwaar aan zijn ankers op de hoge rollers die stormliepen op het rif dat aan de westzijde een natuurlijke golfbreker vormde. Ik hoefde dus niet bezorgd te zijn dat ik te veel geluid maakte als ik aan dek klauterde. Waar ik wel aan moest denken was dat ik door de lampen van de traankokerij vanaf de huizen aan de kade zichtbaar kon zijn... Maar mijn zorg daaromtrent was gering vergeleken bij mijn dankbaarheid dat er licht was. Daar in de verte zou Oom Arthur blij zijn met elk baken. Het was een typische vissersboot, ongeveer vijftien meter lang, en het ding zag eruit alsof het rauw een orkaan lustte. Alles was er onberispelijk in orde, er was niets dat er niet hoorde. Een echte, oprechte vissersschuit. Ik kreeg nieuwe moed. De tweede boot was in alle opzichten een volmaakte weergave van de eerste. Het zou nog steeds overdreven zijn te beweren dat ik nu in jubeltonen uitbarstte, maar het was een feit dat mijn stemming zienderogen rees. Ik zwom naar de kust, verborg mijn kikvorspak achter een getij tafel en liep naar de loods, er zorg voor dragend in de schaduw te blijven. In de loods vond ik windassen, stalen vaten en tonnen, een hele serie vervaarlijk grote messen die ongetwijfeld werden gebruikt om walvissen te villen, rijdende kranen, en allerlei machines waarvan ik niet wist waarvoor zij konden dienen maar die kennelijk onschuldig waren. Verder de overblijfselen van een stuk of wat haaien en de meest weerzinwekkende lucht die ik ooit van mijn leven had ingeademd. Zo gauw mogelijk ging ik weer naar buiten. Het eerste van de huisjes was onbewoond. Met mijn lantaren scheen ik door het gebroken venster. De kamer was leeg en het leek wel alsof er hier in minstens vijftig jaar geen sterveling een voet had gezet. Ik had alle reden om aan te nemen dat Williams' bewering waar was, dat dit gehucht al onbewoond was voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Merkwaardig genoeg maakte het behang de indruk of het gisteren was opgeplakt: een vreemd en nog niet verklaard verschijnsel op de westelijke eilanden. Grootmama - in die goede oude tijd zou grootpapa liever van zijn geloof zijn gevallen dan een vinger in het huishouden uit te steken - behing zelf de kamers met behangsel van een kwartje de meter, en vijftig jaar later zat het nóg, zo keurig als op de dag toen het werd geplakt. Het tweede huisje was al even verlaten als het eerste. Het derde evenwel, dat het verst van de loods afstond, werd door de haaienvissers bewoond. Een logisch en heel begrijpelijk iets. Hoe verder van de stank, hoe beter, dachten zij natuurlijk. Als ik in hun plaats was zou ik aan de andere kant van het eiland in een tent gaan wonen. Maar dat was natuurlijk een zuiver persoonlijke opvatting. De stank van die spekslagerij - de schuur waarin het spek in dikke repen van de vissenruggen werd gesneden - was voor de haaienvissers waarschijnlijk net zo draaglijk als de prikkelende ammoniumlucht van die afschuwelijke 'mist', de gier die de Zwitserse boeren over hun land uitstorten. Een soort levenselixer. Het symbool van welvaart. Maar ik vind dat je er een te hoge prijs voor kunt betalen. Ik opende de goed gesmeerde deur - levertraan natuurlijk -en ging naar binnen. De zaklantaren flitste weer aan. Grootmama zou de mooie kamer alleen bij heel bijzondere gelegenheden hebben betreden, maar grootpapa zou hier vol tevredenheid zijn baard grijs en wit laten worden en de seizoenen voorbij laten trekken zonder ooit weer naar zee te verlangen. Eén hele wand werd ingenomen door voedselvoorraden, enkele miserabele tientallen dozijnen kisten flessen met whisky en nog veel meer tientallen kisten met tinnetjes bier. Williams had gezegd: 'Australiërs'! Nu geloofde ik hem. De overige drie muren - er was nauwelijks iets van het behang te zien - waren gewijd aan een geenszins verboden maar wel dubieuze kunstvorm: alles in glorieuze technikolder; het genre portretwerk dat je over het algemeen niet in de betere soort musea aantreft. Bepaald niet grootmama's stijl. Ik baande mij een weg langs het meubilair dat ook niet uit Harrods' of London kwam en opende de volgende deur. Een korte gang lag voor mij, met twee deuren aan mijn rechter- en drie aan mijn linkerhand. Uitgaande van de veronderstelling dat de baas van het gezelschap ongetwijfeld de grootste kamer zelf in gebruik had, opende ik heel omzichtig de eerste deur rechts. Tot mijn verrassing kwam ik in een buitengewoon goed ingericht vertrek. Een behoorlijk tapijt, zware gordijnen, een paar heel behoorlijke leunstoelen, eikenhouten slaapkamerameublement, een dubbel bed en een boekenkast. Een afgeschermde lamp hing boven het bed. Die ruige Australiërs hebben gevoel voor huiselijke gezelligheid. Naast de deur bevond zich een schakelaar. Ik draaide de knop om en de plafonnière ging aan. Het tweepersoonsbed werd maar door één persoon beslapen, maar ook zó lag hij nog dubbelgevouwen. Het is moeilijk iemands lengte te schatten wanneer hij ligt, maar als deze knaap had geprobeerd rechtop te staan in een kamer van minder dan een meter of twee hoog had hij ongetwijfeld een hersenschudding opgelopen. Hij lag met zijn gezicht naar mij toe, maar ik kon er niet veel van zien omdat het werd bedekt door een dikke verwilderde pruik lang zwart haar dat over zijn voorhoofd krulde, en de prachtigste zwarte baard die ik ooit had gezien. Hij sliep als een marmot. Ik liep naar het bed, porde hem in zijn ribben met de loop van mijn pistool en met voldoende kracht om een reus van zijn kaliber wakker te krijgen en zei: 'Rijzen!' Hij werd wakker. Ik schoof behoedzaam wat naar achteren. Hij wreef met zijn machtige knuisten zijn ogen uit en duwde zich overeind met een paar armen die de omvang hadden van middelmatige boomstammen. Ik verwachtte hem een berehuid te zien dragen, maar hij droeg integendeel een pyjama die van goede smaak getuigde. Wat de kleuren betreft, die had ik zelf kunnen uitzoeken. De rustige burger die de wet hooghoudt en in het holst van de nacht wakker wordt gepord door een met een pistool gewapend individu reageert heel opmerkelijk op zoiets. Hij verbleekt van schrik of wordt purper van woede. De man met de baard deed het anders. Hij keek mij aan, met zijn diepliggende, door zware wenkbrauwen beschaduwde ogen, en het geheel had veel weg van een Bengaalse tijger die in gedachten zijn servetje uitspreidt vóór de flitsende sprong die culmineert in zijn lunch. Ik deed nog een paar stappen achteruit en zei: 'Waag het niet!' 'Weg met dat pistool, snotneus!' Het was de stem van KingKong, van de Neanderthalmens: die stem kwam uit de diepste keldergewelven van het kasteel van Blauwbaard. 'Leg als de bliksem dat pistool neer of ik kom bij je en sla je lens!' 'Doe dat nou niet,' riep ik klagelijk uit, en voegde er beleefd aan toe: 'Als ik het opberg: slaat u mij dan?' Hij overwoog dit gedurende enkele ogenblikken op zijn dooie gemak en zei toen: 'Nee!' Daarna strekte hij zijn arm uit en greep een grote zwarte sigaar die hij aanstak, zijn ogen nog steeds op mij gericht. De vreselijke walm vulde het vertrek en als het niet zo onbeleefd was geweest had ik meteen het raam opengegooid. Geen wonder dat hij nooit last had van de stank bij die spekslagerij; hierbij vergeleken vielen Oom Arthurs sigaren in dezelfde categorie als Charlottes parfum. 'Verontschuldig mij dat ik zo binnen kwam vallen. Bent u Tim Hutchinson?' 'Precies. En wie ben jij?' 'Philip Calvert. Ik zou een van uw scheepszenders willen gebruiken om mij met Londen in verbinding te stellen. Ik heb bovendien uw hulp nodig, en wel zo dringend als u zich nauwelijks kunt voorstellen! Er hangen mensenlevens van af en er kunnen miljoenen ponden verloren gaan vóór er vierentwintig uur voorbij zijn...' Hij keek peinzend een bijzonder vuile sliert stinkende rook na en toen mij aan. 'Schep je nou niet een beetje op, slappe kerel?' 'Ik sta hier geen geintjes te verkopen, jij grote zwarte aap! En doe mij een genoegen en houd je bijnamen vóór je, Timothy!' Hij boog zich voorover en de diepliggende, gitzwarte ogen keken lang niet zo vriendelijk als ik gewenst had. Plotseling barstte hij in lachen uit. 'Touché! zoals mijn Franse gouvernante het noemde. Misschien ben je nog niet eens zo'n kluns, achteraf. Wie ben je eigenlijk, Calvert?' Een kerel uit één stuk. Deze man zou alleen meedoen als hij de waarheid kende, de volle waarheid. En hij zag eruit als iemand wiens medewerking heel wat waard kon zijn. Dus gaf ik toe, voor de tweede keer in deze nacht en voor de tweede keer van mijn leven: 'Ik ben een agent van de Britse Geheime Dienst.' (Ik was blij dat Oom Arthur zijn handen vol had aan die boot, daar op volle zee; zijn bloeddruk was toch al niet meer je ware en een dergelijke bekentenis, tweemaal in één enkele nacht, zou misschien juist iets te veel voor hem zijn. Gedurende enige tijd bezon hij zich op mijn antwoord en zei toen langzaam: 'Geheime Dienst... Ja, dat zou ik me van jou kunnen voorstellen. Of je bent gek, één van de twee! Maar dat weet je nooit van je zelf. Ik dacht dat jullie niet over die dingen mochten spreken?' 'Ik kon toch niet anders? Het zou toch zijn uitgekomen wanneer ik je vertel wat ik je moet vertellen.' 'Ik zal mij aankleden. Kom zo dadelijk bij je. Ga maar in de voorkamer zitten. Neem een whisky.' De baard begon te krullen, waaruit ik opmaakte dat hij grijnsde. 'Voorlopig hebben we nog.' Ik ging naar de voorkamer, hielp mij zelf en was juist bezig aan een éénmans rondleiding door de Craigmore Kunstgalerij toen Tim Hutchinson binnenkwam. Hij was helemaal in het zwart: broek, trui, oliejas en lieslaarzen. Je vergist je inderdaad als iemand in bed ligt; die één meter drieëntachtig was uit de tijd toen hij twaalf werd. Maar toen was hij nog in zijn groei. Hij keek naar zijn verzameling en grinnikte. 'Wie had het ooit kunnen geloven,' zei hij. 'Guggenheim en Craigmore. Broedplaatsen van cultuur, nietwaar? Hoe vind je die met de oorbellen? Wat een lellebel, nietwaar?' 'U heeft zeker de grootste kunstverzamelingen ter wereld afgestroopt,' zei ik vol eerbied. 'O, ik ben geen kenner! Renoir en Matisse zijn mijn hobby.' Het was zo onwaarschijnlijk dat het wel waar moest zijn. 'Je kijkt net of je haast hebt. Voor de dag ermee, en bepaal je tot de hoofdzaken.' Dus liet ik alles weg wat bijzaak was, maar niets van de hoofdzaken. In tegenstelling tot MacDonald en Charlotte vatte Hutchinson niet alleen waar het mij om te doen was, maar ook waar het mij niet om te doen was. 'Wel, als dat niet het mooiste verhaal is dat ik van mijn leven heb gehoord... En dat alles terwijl wij er met onze stomme snufferds bovenop zitten.' (Het was soms moeilijk uit te maken of Hutchinson een Aussie of een Yankee was - later vertelde hij mij dat hij jarenlang in Florida op de tonijnen visvangst was geweest.) 'Dus jij was in dat zeetje, vanmiddag. Nou, dan heb je ervan gelust. Ik trek alles terug wat ik je daarnet naar je hoofd heb geslingerd. Was een van mijn slechtere ogenblikken. Waarmee kan ik je van dienst zijn, Calvert?' En dus vertelde ik hem waarmee hij mij van dienst kon zijn: zijn persoonlijke hulp, het inzetten van zijn schepen en bemanning gedurende de komende vierentwintig uur en het onmiddellijk gebruik van zijn zendinstallatie. Hij knikte. 'O.K. Ik zal de jongens inlichten. Wat de zender betreft: ga je gang.' 'Ik ga liever eerst met je naar onze boot,' zei ik. 'Ik wou jou daar laten en zelf terugkomen voor mijn boodschap.' 'Je hebt geen greintje vertrouwen in je bemanning, is het dat?' 'Je kunt elk ogenblik de boeg van de "Firecrest" door de voordeur zien laveren.' 'Ik weet iets beters. Ik zal een stuk of wat jongens meenemen, we pakken de "Charmaine" - die ligt het dichtst bij de loods - en stevenen naar de "Firecrest". Ik ga aan boord, wij gaan wat spelevaren tot jij de boodschap hebt uitgezonden, daarna kom jij weer op de "Firecrest" en de jongens nemen de "Charmaine" mee terug.' Ik dacht aan de wervelstorm en de woedende schuimkoppen die op het haventje beukten, en vroeg: 'Is het niet te gevaarlijk om op zo'n boot met zulk weer buitengaats te gaan?' 'Wat voor weer? Het is toch een prachtig fris weertje, vannacht? Man, je had het onmogelijk beter kunnen treffen. De branding? Kom nou! Ik heb de jongens hier 's avonds om zes uur in het hartje van de winter tijdens een zware storm naar buiten zien gaan.' 'Was dat een noodgeval?' 'En wat voor een! De whisky was op en de jongens wilden in Torbay zijn voor de kroegen dicht gingen. Kop op, Calvert!' Ik zei maar niets meer. Ik kon van boffen spreken dat ik tegen een knaap als Hutchinson was aangelopen. In de gang keerde hij zich om en zei aarzelend: 'Twee van mijn mannen zijn getrouwd. Is er gevaar...' 'Nee. En ze krijgen bovendien een behoorlijke beloning voor hun werk.' 'Bederf de zaak niet, Calvert.' Merkwaardig dat die zware stem soms zo zacht klonk. 'Voor dit soort werk nemen we geen geld aan.' 'Ik huur jullie niet,' zei ik vermoeid. Er waren al meer dan genoeg lui tegen mij zonder dat het nodig was ook nog Tim Hutchinson in hun armen te drijven. 'Maar de verzekeringsmaatschappijen hebben een beloning uitgeloofd. Ik ben bevoegd jullie de helft aan te bieden' 'O, dat verandert de zaak. Het zal mij een waar genoegen zijn de verzekeringsmaatschappijen van hun overtollige contanten af te helpen. Maar de helft is overdreven, Calvert. Voor die ene dagtaak die wij eraan hebben, en nadat jullie alles al hebben voorbereid. .. Vijfentwintig procent voor ons, de rest voor jou en je vrienden.' 'De helft, heb ik gezegd. De andere helft is bestemd voor de lui die hartzeer hebben gehad. Op Eilean Oran bij voorbeeld, zit een bejaard echtpaar. Die oude mensen zullen het beter krijgen dan ze het ooit gehad hebben.' 'En jij?' 'Ik krijg mijn salaris, en daar zal ik het nou maar niet over hebben want dat is een wonde plek. Je weet dat regeringsambtenaren geen beloningen mogen aannemen.' 'Dus jij laat je bont en blauw slaan, neerschieten, verdrinken, moordaanslagen op je plegen voor een rottig loonzakje? Wie krijgt je zo gek, Calvert? Kun je je tijd niet beter besteden?' 'Dat hebben ze mij al meer gevraagd. Ik vraag het me zelf ongeveer twintig keer per dag af. Zullen we gaan?' 'Ik zal de jongens porren. Zij zullen zich het vuur uit de sloffen lopen voor die gouden horloges of wat het dan ook zijn mag, die de verzekeringskongsies in het vooruitzicht stellen. Met inscripties, natuurlijk. Daar staan wij op.' 'De beloning wordt in contant geld uitgekeerd, niet in natura. Het hangt er ook van af hoeveel van het gestolen goed wordt achterhaald. Wij zijn er vrijwel van overtuigd dat, op de "Nantesville" althans, alles nog aanwezig is. De beloning is tien procent. Daarvan krijg jij er vijf. Het minste waarop jij en je mannen mogen rekenen zal ongeveer vierhonderdduizend pond zijn; het maximum achthonderd vijftig. Duizendjes, bedoel ik.' 'Zeg dat nog eens!' Hij keek mij met uitpuilende ogen aan, alsof hij het in Keulen hoorde donderen. Dus zei ik het nog een keer en toen kwam hij enigszins bij en zei langzaam: 'Voor zoiets mag je wel wat extra's doen. Je hoeft niets meer te zeggen. Ga niet naar de concurrentie! Tim Hutchinson is je man!'
Eén ding is zeker: Tim Hutchinson was mijn man! Op een nacht als deze. donker als bij het Laatste Oordeel, met regen die in bakken uit de hemel kwam vallen, gevolgd door dichte mist was het, voor mij althans, onmogelijk onderscheid te maken tussen een natuurlijke stortzee en een golf die over een rif te pletter sloeg. Onder die omstandigheden was een half miljoen niet te veel voor Tim Hutchinson. Hij behoorde tot die bevoorrechte stervelingen voor wie de zee hun natuurlijk levensgebied is, die zich er 'thuis' voelen. Twintig jaar lang op het ruime sop, gehard door wind en weer, gepolijst door de golven, en dan de aangeboren liefde voor vrijheid, lucht en water, dat maakt de man. Het gaat ermee als met de grote coureurs van wereldfaam, de Carraciola's en de Clarks, die een perfectie ontwikkelen die voor de bestuurders van om het even welke snelle wagen onbegrijpelijk is, al zijn zij ook nog zo competent. Met Hutchinson was het net zo: zijn niveau lag ook voor de beste amateur op het gebied van de watersport onvoorstelbaar hoog. Kijk maar eens om je heen, bij de mondaine zeil- en jachtclubs en de Olympische wedstrijdteams: een man van het kaliber van een Hutchinson zul je er niet vinden. Die vind je alleen - en dan nog maar uiterst zelden - in de gelederen van de beroepsvissers, zij die op de hoge zeeën hun gevaarvol werk doen. Die enorme handen aan gashandel en stuurrad waren zo delicaat als die van een vrouw. Hij doorboorde de duisternis met de ogen van een nachtuil en hij onderscheidde op het gehoor de golven die over zich zelf heen stortten of die op een rif of op de kust te pletter sloegen. Met een onfeilbaar oog mat hij omvang en richting van de zeeën die op hem af kwamen stormen uit het rijk van mist en duisternis en hij regelde met vaste hand koers en snelheid van de boot die hij bestuurde. Hij had een ingebouwde rekenmachine in zijn hoofd die in een oogwenk de samenhang berekende tussen wind, getij, stroom en onze eigen koers; hij wist tot op de seconde nauwkeurig waar hij zich bevond. Ik zweer dat hij het land rook, zelfs aan lijzij, en dat terwijl mijn eigen reukzin onduldbaar gekweld werd, door de dikke zwarte rook die door zijn zware sigaren werd geproduceerd. Die sigaren schenen bij hem te horen als neus en oren aan het hoofd. Na tien minuten had ik begrepen dat ik niets, maar dan ook niets van de zee en van schepen afwist. Een louterende ontdekking! Met volle kracht vooruit kliefde de 'Charmaine' door het water tussen de Scylla en de Charybdis van de slecht befaamde haven. Aan beide kanten grijnsden de met schuim bedekte riffen ons aan, op een afstand van nog geen dertig centimeter. Hij keek er niet eens naar. Twee van zijn 'jongens' die hij had meegenomen, geeuwden hartgrondig. Zij behoorden ook tot dat ras dat langer is dan een meter tachtig. Hutchinson had de 'Firecrest' al ontdekt een honderd meter voor ik mij begon te verbeelden dat ik in de verte iets zag schemeren, en hij bracht de 'Charmaine' langszij met hetzelfde gemak waarmee ik mijn auto op klaarlichte dag langs het trottoir parkeer - en dan moest ik bepaald nog een gemakkelijke dag hebben ook. Ik klom aan boord tot grote ontsteltenis van Oom Arthur en Charlotte, die niets hadden gehoord of opgemerkt, legde hun de situatie uit, stelde Hutchinson voor en ging weer over op de 'Charmaine'. Een kwartier later, na mijn radiopraatje, was ik voor de tweede maal aan boord van de 'Firecrest'. Oom Arthur en Tim Hutchinson hadden elkaar gevonden. De gebaarde Australische reus was de hoffelijkheid zelf; om de andere zin noemde hij Oom: 'admiraal' en Oom Arthur was onvoorwaardelijk verrukt over zijn aanwezigheid. Ik blééf beleefd, hoewel ik wel voelde dat het van Ooms kant een onderwaardering van mijn zeemanschap inhield. 'Waar gaan wij nu naar toe?' vroeg Charlotte Skouras. Het stelde mij nog meer teleur toen ik merkte dat zij net zo blij was met Tim Hutchinson als Oom. 'Dubh Sgeir! Even op visite bij Lord Kirkside en zijn charmante dochter.' 'Dubh Sgeir?' Zij scheen haar oren niet te geloven. 'Ik heb je horen zeggen dat het antwoord in Eilean Oran en Craigmore lag?' 'Dat is zo. Het antwoord op een paar inleidende vragen. Maar het slotkoor wordt in Dubh Sgeir gezongen. Aan de voet van de regenboog.' 'Praat niet zo onzinnig,' zei ze ongeduldig. 'Het is niet zo gek wat hij zegt, mevrouwtje,' zei Hutchinson joviaal. 'Natuurlijk aan de voet van de regenboog. Daar ligt de poet.' 'Eerst en vóór alles stem ik voor een kop koffie,' zei ik. 'Aannemen - vier koffie - of nee, ik zet het zelf.' 'Ik geloof, dat ik maar naar bed ga,' zei Charlotte. 'Ik ben zó moe.' 'Ik heb uw koffie gedronken,' zei ik wraakzuchtig, 'nu zult u de mijne drinken. Eerlijk is eerlijk ...' 'Als het dan moet... Maar vlug dan.' Ik was vlug. In een ogenblik stonden er vier koffie op het blaadje, een krachtig kopje 'oplos', natuurlijk, melk en suiker met een 'tic'. Niemand beklaagde zich. Hutchinson deed er niet lang over en zei toen uitnodigend: 'En waarom gaan jullie allemaal niet een tukje doen? Tenzij jullie denken dat ik het alléén niet klaar!' Iets dergelijks kwam bij niemand op. Charlotte gaf het goede voorbeeld, met de opmerking dat zij zo'n slaap had, en daar kon ik in komen. Ik hoorde het aan haar stem. Oom Arthur en ik volgden haar al gauw en Hutchinson beloofde dat hij mij zou roepen wanneer de steiger van Dubh Sgeir in zicht kwam. Oom Arthur hulde zich in een deken en nestelde zich op de canapé in de lounge. Toen ik drie minuten gelegen had, stond ik op, nam een driehoekige vijl, sloop mijn kajuit uit en tikte zachtjes op Charlottes deur. Er kwam geen antwoord; ik deed de deur open, slipte naar binnen, sloot hem weer behoedzaam en maakte licht. Zij sliep als een marmot; ze was duizend mijl ver. Zij had niet eens de moeite genomen het bed open te slaan, zij was zo op de sprei neergevallen, met al haar kleren aan. Ik legde haar op de bank en spreidde een paar dekens over haar uit. Voorzichtig schoof ik haar mouw omhoog en onderzocht nauwkeurig de striem, achtergelaten door het touw waarmee zij gebonden was geweest. De kajuit was niet groot, zodat het maar drie minuten duurde vóór ik vond wat ik zocht.
Voor de verandering was het wel eens heel plezierig om van de 'Firecrest' aan land te stappen zonder eerst dat lastige kikvorspak aan te moeten trekken dat je buiten water zo in je bewegingen belemmert. De manier waarop Tim Hutchinson dat oude stenen havenhoofd in regen, mist en duisternis wist te lokaliseren en te bereiken, scheen mij een meesterstukje van navigatiekunst te zijn waaraan ik nooit had kunnen tippen als hij het mij niet later had verklaard. Hij zond mij naar de boeg met een lantaren en waarachtig, de pier doemde uit de duisternis op alsof Tim er op een radiopeiling op af was gestevend. Hij zette de machine volle kracht achteruit zodat de boeg heftig op en neer schommelde, op een zestig centimeter van de pier, en wachtte tot ik de sprong aan land had gemaakt; daarna keerde hij en verdween opnieuw in de mist en het donker. Ik probeerde mij in te denken wat Oom Arthur hiervan terecht had gebracht, maar zover ging mijn voorstellingsvermogen niet. Gelukkig dat Oom Arthur sliep, de slaap des rechtvaardigen nog wel. Daar lag de zeeheld, als een tweede Drake in zijn kooi, en droomde van een glorierijk verleden. Het pad dat langs het klif van de landingsbaan tot het hoger gelegen plateau liep was steil en vol losliggende, ronde stenen. Met misdadige zorgeloosheid had iemand nagelaten het aan de zeekant van een hek te voorzien. Gelukkig was ik niet zwaar beladen: alles wat ik droeg, afgezien van de last der jaren, was een zaklantaren, een revolver en een rol touw - ik was niet voornemens Douglas Fairbanks te imiteren op de muren van het kasteel van Dubh Sgeir - maar de ervaring had mij geleerd dat je een lijn bij je hoort te hebben als je langs peilloze afgronden wandelt. Alles bij elkaar was ik behoorlijk uitgeput toen ik de top had bereikt. Ik liep evenwel niet naar het kasteel toe maar in noordelijke richting langs de strook gras die naar het klif op het uiterste noord-puntje van het eiland leidde. De strook die de oudste zoon van Lord Kirkside had gebruikt om op te stijgen in zijn Beechcraft, op die noodlottige dag toen hij en zijn zwager omkwamen; de strook waar Williams en ik nog geen twaalf uur geleden overheen waren gevlogen, na het gesprek dat ik met Lord Kirkside en zijn dochter had gehad. De strook, ten slotte, die in het noorden zo abrupt eindigde en waar ik mij verbeeldde datgene te hebben gezien wat ik wou zien, maar waarvan ik niet zeker was geweest. Nu zou ik mij die zekerheid verschaffen. De strook was zacht en vlak en ik kwam snel vooruit zonder dat het nodig was de zware rubber lantaren te gebruiken die ik bij mij had. Dat had ik trouwens toch niet durven doen, zo dicht bij het kasteel. Er was wel geen licht te zien, maar dat wilde niet zeggen dat er geen waakzame ogen achter de kantelen op de uitkijk waren. Als ik tot de clan had behoord, had ik ook waakzaam achter de kantelen gelegen. Op hetzelfde ogenblik struikelde ik over iets zachts en warms en levends en sloeg met een smak tegen de grond. Mijn zenuwen waren niet meer wat zij achtenveertig uur geleden waren en mijn reactievermogen had ook wel iets geleden. Ik had mijn mes in mijn hand en lag bovenop hem voor hij weer op zijn voeten stond. Op zijn vier voeten, welteverstaan. Hij verspreidde een aroma dat mij vagelijk aan Tim Hutchinsons spekslagerij deed denken. Het is ongelooflijk wat een geit niet weet te produceren, op basis van al die welriekende kruiden. Ik sprak mijn gehoornde vriend toe op verzoenende toon, wat nog scheen te helpen ook want hij liet het erbij, zodat ik mijn weg kon vervolgen. James Bond, dacht ik verbitterd, zou zoiets nooit zijn overkomen. En James Bond had er in elk geval nooit een gebroken staaflantaren aan overgehouden. Hij zou de fakkel brandend hebben gehouden, als het toevallig een fakkel was geweest. AI was het een waskaars geweest. Ik heb nooit zo'n 'veine'. Mijn lantaren, onbreekbaar, zoals de reclame hem aanprees, in rubber hoes, met in rubber gevat lampje, met onbreekbaar plexiglas in de kop, naar de bliksem! Ik had nóg een lantaren bij me, in de kop van mijn vulpotlood. Onder mijn windjack probeerde ik het ding. Ik had die voorzorg gerust weg kunnen laten: een glimworm zou ons uitlachen. Ik stak het potlood dus weer in mijn zak en zette de tocht voort. Ik wist niet hoe ver ik nog van de rand van het klif af was en ik dacht er niet over het te ervaren. Dus liet ik mij voorover vallen en kroop op handen en knieën verder, begeleid door mijn brandende glimworm. Na vijf minuten was ik bij de rand van het klif en daar vond ik wat ik zocht, bijna op hetzelfde ogenblik. De groef in de rand was ongeveer vijfenveertig centimeter breed en in het midden ongeveer tien centimeter diep. Hij was nog zichtbaar maar niet opvallend, en gedeeltelijk weer met gras begroeid. Wat de tijd betreft was dit nog juist het goede ogenblik. Dit merkteken was dus door de staart van de Beechcraft in de rots achtergelaten toen het, onbemand, met op volle toeren draaien de motor, afgerukte smoorkleppen en vastgezet richting roér gestart was. Het had niet genoeg vaart om zich in de lucht te verheffen en was over de rand gevallen, en het had die groef in de harde grond achtergelaten. Dat was alles wat ik nodig had, dat, en de gaten in die boot van de Oxford-jongens, en de donkere kringen onder de blauwe ogen van Sue Kirkside. Hier was zekerheid. Ik hoorde een licht geschuifel achter mij. Een gespierde kleuter van vijf jaar zou mij zonder moeite over de rand werken als hij mijn enkels te pakken kreeg, en ik zou er verduiveld weinig tegen kunnen doen. Maar misschien was het Gijsje de geit, terug om wraak te nemen dat ik haar in haar slaap had gestoord. Met één ruk had ik zaklantaren en pistool in de gewenste richting. Het was Gijsje de geit, die met bolle gele ogen tegen het licht knipperde. Ogen zijn de spiegel van de ziel, mijn geitje was nieuwsgierig of vriendelijk of beide tegelijk. Ik kroop voorzichtig 20 ver terug dat zij mij geen verraderlijke opstopper kon geven, en streelde haar flauwtjes over rug en flanken. Bij de vaart waarmee zij rechtsomkeert maakte en terugrende had ik allang een hartverlamming gekregen. De regen had inmiddels opgehouden en de wind deed het ook wat kalmer aan, maar daar stond tegenover dat de mist erger was dan ooit tevoren. Kil en klam kroop hij om mij heen; ik kon geen vier voet vooruitzien. Vaag vroeg ik mij af hoe Hutchinson het dacht te redden op zijn terrein, maar ik had mijn eigen zorgen. En hij was ongetwijfeld heel wat beter in zijn straatje dan ik in het mijne. Ik maakte dat ik de wind steeds op mijn rechterwang had en vervolgde mijn tocht naar het kasteel. Onder mijn gummiregenjas voelde ik dat mijn kleren nat waren tot op de draad. Het departement zou ditmaal een gepeperde rekening van de was- en strijkinrichting te betalen krijgen. Ik was bijna met mijn neus tegen de muur van het kasteel opgelopen, maar zag het juist op tijd voor mij opdoemen. Ik wist op geen stukken na of ik mij rechts of links van de poort bevond, dus begon ik voorzichtig mijn weg naar links af te tasten. Op een afstand van drie meter ongeveer maakte de muur een scherpe hoek met een ander muur. Dat betekende dat ik links, oostelijk dus, van de poort stond. Terug naar het westen, naar rechts. Het was een gelukkige omstandigheid dat ik op dat punt van de kasteelmuur was terechtgekomen: had het lot mij rechts van de poort geleid, dan had ik van de wind af gestaan en nooit de tabaksrook in mijn neusvleugels gekregen. Die tabak stelde overigens niet veel voor: lang niet zo robuust als Oom Arthurs stinkstokken en bepaald bloedarm vergeleken bij de rookbommen waarmee Tim Hutchinson placht rond te wandelen. Maar het was tabaksrook. Iemand rookte een sigaret, in de poort. Nu is het een axioma dat schildwachten nooit roken. Hier kon ik in actie komen. Ze hadden me nooit geleerd hoe ik op de rand van een afgrond met geiten moest omspringen, maar wat schildwachten betreft hadden zij het hele alfabet afgewerkt. Ik hield mijn pistool dus bij de loop vast en sloop geluidloos verder. Hij leunde tegen de hoek van de poort, nauwelijks te onderscheiden, maar duidelijk genoeg afgebakend door de stand van zijn sigaret. Ik wachtte tot hij hem voor de derde keer naar zijn mond bracht en toen het vuurpuntje op zijn sterkst gloeide, en hij bijgevolg met bijna gesloten ogen moest inhaleren, deed ik één stap en liet de kolf daar neerkomen waar volgens menselijke berekening zijn hoofd moest zijn — als het iemand van normale grootte betrof. Gelukkig was hij van normale grootte. Hij viel tegen mij aan. Ik ving hem op en een scherp voorwerp stak mij in de ribben. Daarom liet ik hem zijn val in de vrije sector afmaken en haakte het ding los dat in mijn jas was blijven steken. Een bajonet, welja, met een gemeen scherpe punt. Aan de bajonet zat een geweer vast, een Lee Enfield 303 nog wel. Volop militair. Het kwam mij voor dat dit nauwelijks een routinemaatregel was. Nee, onze vrienden begonnen ongerust te worden. Jammer genoeg wist ik niet in welke mate. Zij kwamen in tijdnood, ik helaas ook. Over een uur of zo zou het licht worden. Ik hield het geweer voor mij uit, de bajonet naar beneden, en schoof behoedzaam naar de rand van het klif. Ik was zo langzamerhand expert geworden in het randwerk langs afgronden, en bovendien had ik nu een opzegtermijn van ongeveer anderhalve meter lengte vóór de eeuwigheid beslag op mij kon leggen. Ik vond de rand, deed een stap terug, keerde het geweer om, maakte twee evenwijdige inkepingen in de doorweekte zoden, met een tussenruimte van ongeveer dertig centimeter, en vijfenveertig centimeter lang, die precies op de rand ophielden. Ik veegde de kolf schoon en legde het geweer op de grond. Als de dag aanbrak zou de wacht worden afgelost en natuurlijk zou er een onderzoek volgen. Ik verwachtte dat zij niet zouden nalaten de juiste gevolgtrekkingen te maken. Ik had hem niet zo hard geraakt als ik dacht. Hij begon zich te bewegen en zachtjes te kreunen toen ik weer bij hem terugkwam. Dat kon niet beter uitkomen; anders had ik hem moeten dragen en dat was het minste waartoe ik mij geroepen voelde. Ik stopte mijn zakdoek in zijn mond en het kreunen hield op. Niet dé manier, dat wist ik, want een geknevelde man met een verstopte neus loopt een behoorlijke kans de verstikkingsdood te sterven, maar ik had geen tijd voor nader onderzoek en bovenal, het was zijn gezondheid of de mijne. Binnen de twee minuten stond hij overeind. Hij probeerde niet weg te komen of weerstand te bieden, want hij had nu zijn enkels in een korte singel, zijn handen vast op zijn rug en de loop van een machinepistool in zijn nek. Ik raadde hem aan te lopen en hij liep. Tweehonderd meter verder, aan het begin van het pad dat naar de startbaan leidde, drong ik hem naar de kant, bond zijn polsen en enkels aan elkaar vast en liet hem liggen. Hij scheen vrij behoorlijk adem te halen. Er stonden geen andere schildwachten, tenminste niet bij de grote poort. Ik liep de vierkante binnenplaats over en kwam bij de hoofdingang. De deur was gesloten maar niet op slot. Ik ging binnen en vloekte binnensmonds omdat ik de schildwacht de lantaren had laten houden, die hij bijna zeker bij zich had. De gordijnen voor de ramen waren gesloten en er heerste een Egyptische duisternis. Ik voelde er niet veel voor in een Schotse kasteelhal rond te dolen bij zo weinig licht, want de kans was groot dat ik in mijn onschuld tegen een of ander ridderharnas zou aanlopen, wat een groot geraas van kletterend metaal tot gevolg moest hebben; ik kon morgensterren, goedendags of ridderzwaarden op mijn hoofd krijgen of in volle vaart in een gevelde lans lopen. Ik nam mijn vulpotlood zaklantaren ter hand, maar het gloeiwormpje dat erin verborgen zat was bezig zijn laatste adem uit te blazen. Zelfs mijn polshorloge was onzichtbaar. De dag tevoren had ik vanuit de lucht gezien dat het kasteel volmaakt symmetrisch om de drie zijden van een binnenplaats was gebouwd. Redelijkerwijze kon ik aannemen dat, als de hoofdingang zich in het midden van de naar de zee gekeerde zijde bevond, de hoofdtrap daar tegenover zou liggen. En het was ook waarschijnlijk dat het midden van de hal niet door slagzwaarden of hertengeweien werd versperd. Mijn veronderstelling was juist. De trappen zaten precies op de goede plaats. Tien brede lage treden die zich daarna splitsten in een rechter- en linkertrap. Ik nam de rechtertrap omdat ik mij verbeeldde aan het boveneinde zoiets als een lichtschijnsel te zien. Zes treden naar boven, opnieuw een bocht naar rechts, weer acht treden en ik stond in een gang. Vierentwintig treden zonder één kraakgeluid. Hulde aan de architect die hier marmer had voorgeschreven. Het zicht was nu veel beter. Ik schoof voorzichtig verder naar de bron van al dat licht, een deur die op een klein, klein kiertje openstond, en keek met behoedzame ogen naar binnen. Het enige dat ik kon zien was de hoek van een garderobekast, een strook van het tapijt, de rand van een bed waar een bemodderde laars op lag. Een laag, onregelmatig ronkend geluid dat wel van een distilleerketel afkomstig leek, kwam mij halverwege tegemoet. Ik duwde de deur verder open en trad binnen. Ik was gekomen voor Lord Kirkside, maar wie dit ook was, zeker niet Lord Kirkside, want wat voor vreemde gewoonten Lord Kirkside er eventueel op mocht na houden, ik kon met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aannemen dat hij niet, zoals deze knaap, met modderlaarzen aan, bretels om en linnen pet op, op bed ging liggen met een geweer-met-bajonet-op naast zich. Ik kon niets van zijn gezicht zien omdat hij zijn pet tot over zijn neus had getrokken. Op het nachttafeltje naast hem lagen een staaflantaren en een duchtig aangesproken fles whisky. Er stond geen glas, maar afgaande op het weinige dat ik van hem te zien kreeg, kon ik mij voorstellen dat hij niet tot het geaffecteerde, door de westerse beschaving gedegenereerde slag lieden behoorde dat voor een simpele slok een glas nodig heeft. De poortwachter die met beleid zich zelf aan het voorbereiden was op de gestrengheid van barre Hooglandse nachten, wanneer het zijn beurt zou zijn. Maar dat zou niet doorgaan, want er was nu niemand meer om hem te porren. Hij mocht van geluk spreken wanneer hij vóór het eten present zou zijn. Hij had een gezond snurken over zich, hij was er nog lang niet aan toe al snurkende de eeuwige rust in te gaan. Hij leek mij een type dat, zodra hij weer bij de tijd kwam, enig geestrijk vocht als lafenis tot zich zou wensen te nemen en daarom maakte ik de fles open en liet er een half dozijn van de kalmerende tabletjes in vallen die ik met zo veel moeite van mijn vriend de apotheker in Torbay had losgekregen. Daarna bracht ik alles weer in zijn oorspronkelijke staat terug en ging heen. Achter de volgende deur aan mijn linkerhand was de badkamer. Een vuil fonteintje waarboven een spiegel vol vlekken, twee scheerkwasten waar het schuim nog op zat, een pot scheercrème zonder deksel, twee niet schoongemaakte scheermessen en op de grond een paar handdoeken, die in lang vervlogen tijden misschien wit waren geweest. Maar de badkuip was van binnen schoon en droog. Dit was de plek waar onze poortwachters hun rituele reiniging volbrachten, op zon- en feestdagen. De volgende kamer was weer een slaapkamer, al even smerig en wanordelijk als de eerste. Waarschijnlijk de kamer van de man die ik ergens in de ruige beemd tussen plaggen en stenen had laten liggen, aan de kant van de heuvel. Ik ging verder naar de linkervleugel van het hoofdgebouw -misschien zou ik Lord Kirksides kamer daar ergens vinden. Ik vond hem, maar Lord Kirkside was niet thuis. De eerste kamer achter die van de slapende krijgsman was de zijne, een blik in zijn garderobekast bevestigde dat. Maar het bed was niet beslapen. In zo'n symmetrisch ontworpen huis moest de volgende kamer weer een badkamer zijn. De poortwachter had zich hier vast niet thuis gevoeld; een dergelijke antiseptische zindelijkheid kon uitsluitend het kenmerk zijn van een steriele aristocratie. Een medicijnkastje hing aan de wand. Ik haalde er een rolletje leukoplast uit waarmee ik de lamp van de zaklantaren bedekte tot er niet meer dan een gaatje ter grootte van een kwartje overbleef. Daarna stak ik het leukoplast bij me. De volgende deur zat op slot, maar toen het kasteel Dubh Sgeir werd gebouwd moest Lips nog patent aanvragen. Ik had de beste loper ter wereld bij me: een lang rechthoekig stukje stijf celluloid. Dat stak ik tussen de deur en de stijl ter hoogte van het slot, duwde de deurknop omlaag, duwde de loper voorzichtig tastend naar binnen, liet de deurknop los, herhaalde de procedure en stond verstijfd van schrik. De 'klik' zou mijn vriend de poortwachter hebben doen ontwaken, laat staan degene die daar binnen was. Maar ik hoorde niets. Ik opende de deur een fractie van een centimeter en bleef opnieuw stokstijf staan. Er brandde licht in de kamer. In plaats van de lantaren nam ik mijn revolver ter hand, zonk op mijn knieën neer, bukte en duwde de deur snel wijd open. Daarna stond ik op, deed de deur achter mij op slot en liep naar het bed toe. Susan Kirkside snurkte niet, maar zij sliep even vast als de man die ik zojuist had verlaten. Haar haar werd bijeengehouden door een blauwzijden lint en haar gezicht was duidelijk herkenbaar, een gezicht dat zij zelden vertoonde wanneer zij wakker was. Zij was eenentwintig, had haar vader gezegd, maar zoals zij daar lag, met de oogschaduw nog op haar oogleden, leek zij niet ouder dan zeventien. Een tijdschrift lag naast haar op de vloer. Op het nachttafeltje stond een glas halfvol water, en daarnaast een buisje met een bekend slaapmiddel. Het scheen niet gemakkelijk te zijn in Dubh Sgeir vergetelheid te vinden, en ik twijfelde er niet aan of voor Susan Kirkside was het nog moeilijker dan voor anderen. Ik nam een handdoek van het fonteintje in de hoek van de kamer, veegde mijn gezicht zo goed mogelijk schoon, kamde mijn haar tot het er redelijk goed uitzag en oefende mij voor de spiegel in vriendelijk glimlachen, met het gevolg dat ik leek op iemand wiens opsporing en voorgeleiding wordt verzocht in het politieblad. Het duurde bijna drie volle minuten voor zij wakker werd, beter gezegd, voor zij uit de diepten der vergetelheid tot een staat van gedeeltelijk bewustzijn ontwaakte. Er was nog een minuut voor nodig om haar helemaal wakker te krijgen en dat was waarschijnlijk mijn redding: zij kreeg de tijd om zich langzaam te realiseren dat er een vreemdeling naast haar bed stond, in het holst van de nacht, en dat voorkwam dat zij in paniek om hulp ging roepen. En dat nog wel terwijl ik van oor tot oor glimlachte tot mijn kaken er kramp van kregen, en ik mij al begon af te vragen of het veel zou helpen. "Wie bent u? Wat doet u hier?' Haar stem trilde, haar blauwe ogen, hoewel nog dof van de slaap, stonden wijd open en keken mij angstig aan. 'Raak mij niet aan! Waag het niet! Ik roep om hulp, ik ga gillen...' Ik nam haar handen in de mijne, uitsluitend om haar te tonen dat er verschil is tussen aanraken en aanraken. 'Ik zal u niet aanraken, Sue Kirkside. Overigens zou het nutteloos zijn om hulp te roepen, want er is hier niemand in de buurt. Wees verstandig. En praat niet harder dan nodig is, dat dient nergens toe.' Zij staarde mij een ogenblik zwijgend aan, haar lippen bewogen alsof zij naar woorden zocht, maar de angst verdween langzaam uit haar ogen. Plotseling ging zij met een ruk overeind zitten: 'U bent meneer Jones. De man ,met de helikopter.' 'Niet zo haastig,' zei ik berispend. 'Wij zijn hier niet in de Folies Bergères.' En terwijl zij haar dekens tot aan haar kin omhoogtrok ging ik verder: 'Mijn werkelijke naam is Calvert en ik ben in dienst van de regering. Ik kom als vriend en ik heb er zo'n idee van dat u een vriend nodig heeft, nietwaar? U en uw vader, Lord Kirkside.' 'Wat wilt u,' herhaalde zij. 'Wat komt u hier zoeken?' 'Ik kom u uit de moeilijkheden halen. En een uitnodiging veroveren ter gelegenheid van uw huwelijk met de hoogwelgeboren heer John Rollinson. Kunt u aan het einde van de volgende maand trouwen? Ik heb nog vakantie te goed, ziet u?' 'Ga heen, ga heen alstublieft.' Het was een wanhopig fluisteren. 'Ga heen, ik smeek het u, u bederft alles! In godsnaam, ga weg, als u mijn vriend is, ga dan!' Het was duidelijk dat zij het meende. 'Ze hebben u behoorlijk bang gemaakt,' zei ik. 'Als u die lui vertrouwt Iaat u zich alles wijsmaken. Geloof mij, ze zullen u nooit met rust laten, dat kunnen zij niet. Vroeg of laat zullen zij zelfs het kleinste spoortje bewijs vernietigen dat nog tegen hen zou kunnen getuigen. Weet u wat dat betekent? Allen die ooit iets met hen te maken hebben gehad.' 'Niet waar! Het is niet waar! Ik was erbij toen meneer Lavorski vader beloofde dat ons geen haar op het hoofd zou worden gekrenkt. Zij waren zakenmensen, zei hij, en dat heeft niets met geweld te maken. En hij meende het!' 'Zo... Lavorski is dus de man! Dat dacht ik wel.' Ik keek naar haar ernstige, dodelijk beangste gezicht. 'Best mogelijk dat hij het meende. Hij heeft er natuurlijk niet bij verteld dat zij deze laatste paar dagen vier mensen hebben geliquideerd en dat zij mij ook al een paar keer hebben willen vermoorden.' 'U liegt! Ik geloof er niets van. U... u fantaseert. Dergelijke dingen gebeuren niet meer. Vroeger misschien. Nu niet meer. In godsnaam, laat ons met rust.' 'Ben jij een echte dochter van een oude Schotse familie?' zei ik ruw. 'Voor mij in elk geval niet. Waar is je vader?' 'Dat weet ik niet. Meneer Lavorski en kapitein Imrie - hij hoort er ook bij - kwamen hier gisteravond om elf uur. Mijn vader heeft niet gezegd waar hij heenging. Hij vertelt mij nooit iets.' Zij zweeg, haar handen gleden omlaag. Een zwakke blos kleurde haar wangen: 'Wat bedoelt u met: voor mij in elk geval niet? Deug ik niet?' 'Vertelde hij wanneer hij terugkwam?' 'Wat bedoelt u: dat ik niet deug?' 'U bent nog erg jong en niet bijster intelligent en u kent de wereld niet en daarom gelooft u alles wat een verstokte misdadiger u probeert wijs te maken. Maar het ergste is dat u niet wilt geloven dat ik de enige ben die u allen kan helpen. U bent een domme, bange en stijfhoofdige gans, juffrouw Kirkside. Als het niet was dat de hoogwelgeboren heer Rollinson van de regen in de drup is geraakt, zou ik bijna geneigd zijn hem geluk te wensen dat hij zo van u afkomt.' 'Wat bedoelt u?' Het is moeilijk voor een jong, van nature levendig gezicht, zonder uitdrukking te blijven, maar haar lukte het. 'Luister!' zei ik bars. 'Hij kan nooit met u trouwen als hij sterft. En hij zal sterven omdat Sue Kirkside geen vinger uitsteekt. Omdat zij te dom is de waarheid te herkennen als zij ermee wordt geconfronteerd.' Ik kreeg een inval - een geniale, voor mijn doen - ik trok de kraag van mijn trui omlaag en deed mijn das af. 'Vindt u dit mooi?' vroeg ik. Zij scheen het niet mooi te vinden; het bloed trok uit haar gezicht weg. Ik kon mij zelf zien in de spiegel van haar toilettafel en ik vond het evenmin mooi. Het werk van Quinns handen vertoonde zich in al zijn kleurenpracht. De dubbele regenboog om mijn hals sloot volmaakt aan. 'Quinn?' fluisterde zij. 'Hoe weet u dat? Kent u hem?' 'Ik ken hen allemaal. De meesten, tenminste. Onze kok vertelde dat hij op een nacht, toen Quinn te veel had gedronken, hem hoorde opscheppen in de keuken hoe hij eens voor de sterke man op de kermis had gespeeld. Op een avond kreeg hij ruzie met zijn kameraad om een vrouw. Hij vermoordde hem - op dezelfde manier.' Het kostte haar zichtbaar moeite haar blik van mijn hals af te wenden. 'Ik dacht - toen dacht ik - dat het maar kletspraat was.' 'En u gelooft nog steeds dat onze vrienden lid zijn van de vereniging voor dierenbescherming? Of onbezoldigde propagandisten van de sociëteit tot voortplanting van het geloof onder de heidenen?' probeerde ik grappig te zijn. 'Kent u Jacques en Kramer?' Zij knikte. 'Met die twee heb ik vannacht afgerekend. Zij hadden mijn vriend vermoord. Zijn nek gebroken. Verder hebben zij geprobeerd mijn baas en mij om zeep te helpen. Dat heeft hun een derde man gekost. Hij kwam in het donker op ons af om ons te vermoorden. Henry heette hij, als ik mij niet vergis. Gelooft u mij nu zo langzamerhand? Of denkt u nog steeds dat ik verhaaltjes sta te verzinnen?' Mijn shockbehandeling deed het bijna té goed. Zij was niet bleek meer, haar gezicht was asgrauw geworden. 'Ik word onpasselijk,' verklaarde zij. 'Later!' zei ik streng. Mijn plichtsgevoel begon tot een laag pitje terug te vallen; wat ik graag had willen doen, was haar in mijn armen nemen en met zachte woordjes sussen, zo in de trant van: 'Kom, klein lief ding, trek je er maar niets van aan hoor, van al die nare dingen. Leg die kleine bruine krullenbol maar op Oom Philips brede borst en je zult zien dat alles terechtkomt.' Maar in plaats daarvan zei ik bevelend - al viel het mij niet gemakkelijk -: 'Wij hebben geen tijd voor al dat onbeheerste gedoe. Je wilde toch met hem trouwen, nietwaar? Wanneer zei je vader dat hij terug zou komen?' Zij keek naar het fonteintje in de hoek van de kamer, alsof zij het nog niet met zichzelf eens was of zij al of niet onpasselijk zou worden; toen keek zij mij weer aan en fluisterde: 'U bent net zo slecht als zij. U bent een verschrikkelijk mens. U bent een moordenaar.' Ik greep haar bij haar schouders en schudde haar woedend door elkaar. 'Heeft hij gezegd wanneer hij terugkwam, ja of nee?' 'Nee.' De wanhoop in haar ogen trof mij tot in het diepst van mijn ziel. Het was lang geleden dat iemand mij zó had aangekeken. Ik liet haar los. 'Weet u wat die kerels hier uitspoken?' 'Nee.' Dat kon ik zonder meer aannemen. Haar vader wist het natuurlijk wel, maar hoe kon hij haar zoiets vertellen? Lord Kirkside was veel te intelligent om te veronderstellen dat zijn ongenode gasten hen ongemoeid zouden laten. Waarschijnlijk probeerde hij zich in zijn wanhoop in te praten dat, als hij zijn dochter maar vooral niets vertelde, als hij er een eed op kon doen dat zij niets, maar dan ook niets wist, zij haar leven zouden sparen. Als hij dat inderdaad dacht, was hij rijp voor een gekkenhuis. Maar zou ik in zijn plaats anders handelen? 'U weet natuurlijk dat uw verloofde nog in leven is,' ging ik verder. 'Evenals uw oudste broer. En de anderen. Zij worden hier vastgehouden, nietwaar?' Zij knikte zwijgend. Ik wou maar dat ze mij niet al die tijd zo aankeek. 'Hoeveel?' 'Wel twaalf. Wel meer. En er zijn kinderen bij: drie jongens en een meisje.' Dat kon wel kloppen. De beide zoons van brigadier MacDonald en de jongen en het meisje die aan boord waren geweest van de omgebouwde sloep, die bij dat nachtelijke uitstapje bij Torbay was verdwenen. Ik geloofde geen woord van Lavorski's mooie praatjes tegen Susan over hun eerbied voor een mensenleven. Maar ik kon best begrijpen dat de lui uit de boten waar zij tijdens hun illegale acties tegenaan waren gelopen, nog in leven waren. Daar hadden zij ten slotte hun bedoelingen mee. 'Weet u waar ze worden vastgehouden? Er zullen hier aardig wat onderaardse kerkers zijn, in dit kasteel.' 'Ja. Er zijn hier heel diepe kelders. Maar het laatste halfjaar mocht ik er nooit meer naar toe.' 'Dan krijgt u nu de kans. Kleedt u aan en breng mij ernaar toe.' 'Naar de kelders?' Ontzetting - ja, dat was het woord - tekende zich af op haar gezicht. 'Bent u niet wijs? Mijn vader heeft mij verteld dat er minstens drie man dag en nacht op wacht staan.' (Het waren er nog maar twee, maar zij dacht toch al dat ik niet wijs was, dus liet ik het maar zo.) 'En zij zijn gewapend! Ziet u wel dat u gek bent? Ik ga er niet heen!' 'Dacht ik het niet? Je laat je verloofde stikken omdat je niets anders bent dan een kleine misselijke lafbek!' Ik kon mij zelf wel op mijn tong bijten, maar ik was nog niet klaar: 'Lord Kirkside en de hoogwelgeboren heer Rollinson. Wat een trotse vader! Wat een gelukkige verloofde!' Pats! Zij had mij geraakt en goed ook. Ik wist dat ik het pleit had gewonnen. Zonder mijn gloeiende wang te wrijven zei ik: 'Dat moet je niet doen. Je zult die schildwachten nog wakker maken. Kleed je aan!' Ik keerde mij om, ging aan het voeteneinde van het bed zitten en begon de deur te bestuderen terwijl ik probeerde aan iets anders te denken. Vrouwen en ik... 'Klaar,' zei ze. Zij had haar jersey zeeroversuniform weer aan en die spijkerbroek waar ze uitgegroeid was toen zij vijftien werd. Dertig seconden ... en om de heupen gegoten! Onbegrijpelijk!