4. Van woensdag 5 uur's nachts tot de ochtendschemering
Zoals men hier en elders pleegt te zeggen: het was aarde- donker. De lucht was zwart, de bossen waren zwart en de dikke, ijskoude motregen bracht het weinige zicht dat er eventueel nog mocht zijn, tot vrijwel niets terug. De enige manier waarop je merkte dat er ergens een boom stond, was dat je er tegenaan liep; dat er een kuil was: door erin te vallen. Toen Hunslett mij om drie uur dertig wakker maakte met een kop thee, vertelde hij me dat hij Oom Arthur had gesproken terwijl ik sliep; dat de helikopter klaar zou staan maar dat Oom buitengewoon weinig enthousiast was geweest omdat hij het hele geval als tijdverlies beschouwde. Het kwam maar heel zelden voor dat ik het hartgrondig met Oom Arthur eens was. Dit was een van die zeldzame gevallen. Het begon er overigens op te lijken dat ik die verduivelde helikopter toch niet zou vinden. Ik zou ook nooit hebben geloofd dat het zo moeilijk was je 's nachts een weg te banen door vijf mijl bebost eiland. Niet dat ik rekening moest houden met riviertjes of bruisende beekjes of kliffen of spleten in de grond of allerlei soorten dichte en verwarde vegetatie. Torbay was een doodgewoon matig bebost eiland, licht glooiend. Voor een tachtigjarige in niet al te slechte conditie zou een crosscountry van het ene einde naar het andere een aantrekkelijke zondagmiddagwandeling zijn geweest. Maar ik was nog geen tachtig, al voelde ik mij zo, en het was geen zondagmiddag. De ellende begon op hetzelfde ogenblik dat ik op Torbay aan land was gegaan, op de kust tegenover Garve Island. Op het ogenblik dat ik had geprobeerd te landen. Als je schoenen met rubberzolen aan hebt en je moet een rubber dinghy over slibberige, met zeewier begroeide rotsblokken van gemiddeld zo'n twee meter diameter slepen om een kust te bereiken die twintig eindeloze meters verder ligt, heb je aan zoiets op klaarlichte dag al je handen vol. In het pikkedonker is het een doeltreffende manier om op korte termijn een einde aan je verblijf in dit aardse tranendal te maken. Toen ik voor de derde keer viel, sloeg mijn zaklantaarn in stukken. Nadat ik een groot aantal ontvellingen, kneuzingen en andere meer of minder ernstige kwetsuren had opgelopen, was mijn polskompas aan de beurt. Maar de dieptemeter bleef intact. Zoiets gebeurt natuurlijk omdat je zoveel aan een dieptemeter hebt, als je 's nachts in een dichtbegroeid woud je richting probeert te bepalen. Toen ik de dinghy had laten leeglopen en met pomp en al verborgen, begon ik de tocht langs de kust, in tegenovergestelde richting van het dorpje Torbay. Het was logisch dat ik, als ik maar lang genoeg doorliep, te zijner tijd aan de zandige kreek moest komen waar de helikopter mij wachtte. Het was even logisch dat, waar het bos tot in zee afdaalde en de kust vol zat met kleine kreken en spleten, ik met de regelmaat van een klok mijn nek kon breken, de duisternis in aanmerking genomen. Toen ik voor de derde keer met veel moeite weer op de been was gekrabbeld, gaf ik het op en zocht het hogerop. Ik was niet bang om nat te worden; ik was toch al drijf, omdat ik mijn kikkerpak had thuisgelaten. Wat had je aan zo'n ding, als je alleen maar door een bos had te wandelen en verder rustig in een helikopter kon zitten? Ook was het niet vanwege de vuurpijlen die ik bij mij had om de helikopterpiloot te waarschuwen, en die wel eens nat konden worden. Zij waren verpakt in oliepapier, wat nog niet wou zeggen dat je er alles mee kon doen. Nee, als ik langs de kust verder was gegaan, zou ik nooit vóór de namiddag op het afgesproken punt aankomen. Het enige waarop ik mij nu nog kon oriënteren waren de door de wind opgezweepte regen en de ligging van het eiland. De kreek waar ik naar toe wilde lag in het oosten, de stormachtige wind kwam recht uit het westen. Zolang ik dus die koude, striemende regen in mijn nek voelde, liep ik wel zo ongeveer in de goede richting. Als extra controle hield ik mij voor ogen dat het eiland Torbay er een ruggengraat op na houdt in de vorm van een heuvelreeks, geheel met pijnbomen bedekt, die van oost naar west loopt. Zodra ik dus begon te klimmen of te zakken was het mis met mijn koers. Maar de regenwind kwam soms uit wisselende richtingen omdat het pijnbos nu eens dichter, dan weer dunner werd, de ruggengraat had zijn 'ups' en 'downs' en als gevolg van deze combinatie verloor ik veel tijd. Een half uur voor dageraad - voor zover mijn horloge betrouwbaar was - was het nog pikdonker en ik begon mij bezorgd af te vragen of ik het zou redden. En of de helikopter het zou redden! Ik wist dat hij kon landen - die oostelijke kreek lag bijzonder goed beschut - maar of hij dat punt zou bereiken was de vraag. Ik had zo'n vaag idee dat helikopters onhandelbaar zijn boven een bepaalde windkracht, hoewel ik niet wist welke. En veronderstel dat de helikopter niet verscheen: dan moest ik dezelfde weg terug, tot waar de dinghy lag verborgen, en dan zou ik opnieuw, nat, moe, hongerig en koud, moeten wachten tot de duisternis weer inviel om ongezien de 'Firecrest' te bereiken. Zelfs nu had ik nog maar vierentwintig uur! Als de nacht weer inviel nog maar twaalf. Ik begon hard te lopen. Vijftien minuten en een onevenredig groot aantal keiharde boomstammen. En plotseling drong tot mij door, eerst zwak en onregelmatig, dan steeds sterker - het klepperende ronken van een helikopter. Hij was te vroeg, veel te vroeg, Heer in de hemel, dat betekende dat hij zou landen, niemand vinden en weer vertrekken. Ik moet wel heel erg van streek zijn geweest dat ik er niet eens aan dacht dat hij misschien net zijn positie begon te bepalen, daar boven die kreek, bij een zicht van nul komma nul. Een ogenblik overwoog ik een vuurpijl af te steken om de piloot te laten weten dat ik er was. Ik had het bijna gedaan en bedacht mij op het laatste ogenblik. Wij hadden afgesproken dat het teken uitsluitend op de landingstrip zou worden gegeven; als ik hier al de aandacht begon te trekken, zou hij wel eens in de war kunnen raken en een landing proberen op de toppen van de pijnbomen. En dan... Ik begon nog harder te lopen. In jaren had ik niet meer zo mijn best gedaan: niet meer dan een paar honderd meter. Mijn longen gingen tekeer als de blaasbalg van een dorpshoefsmid waar een scheur in zit. In de blaasbalg. Ik deed mijn best, sprong als een stuiter terug als er een boom in mijn weg stond, nam blootliggende wortelstronken als een hordeloper, tuimelde hals over kop in ravijnen terwijl de laaghangende takken in mijn gezicht striemden, maar vooral: ik botste tegen die vervloekte bomen. Ik liep met mijn armen recht voor mij uitgestrekt; het leek een éénmans blindemannetjespel maar het hielp geen snars. Ik raapte een tak op om daarmee al lopend voor mij uit te zwaaien, maar het leek wel of de bomen op mij toesprongen, hoewel ik formidabele meppen uitdeelde met mijn tak; alle bomen kregen hun beurt. Ik voelde mij als een kegelbal na een druk seizoen op de baan. Maar zo'n bal gooit tenminste de kegels ondersteboven, terwijl de bomen mij ondersteboven kegelden. Een paar maal hoorde ik het geluid van de helikopter opnieuw naar het oosten afnemen en de derde keer wist ik dat hij niet meer zou terugkomen. Maar hij kwam telkens terug. De hemel begon in het oosten lichter te worden, maar het toestel zag ik niet; voor de piloot moest alles onder hem nog donker zijn als een pekmeer. Toen hield de grond onder mijn voeten het niet meer: ik viel. Ik probeerde af te remmen met uitgestrekte armen om de schok op te vangen. Maar er was niets. Geen schok. Ik bleef vallen, als een hoepel langs een helling, en voor de eerste keer in die nacht hoopte ik vurig op een boom, een pijnboom of wat voor een boom ook, zolang hij mij maar opving. Ik weet niet hoeveel bomen er op de helling stonden, maar ik miste ze allemaal. Als dit een ravijn was, was het het diepste van het eiland Torbay. Alleen, het was geen ravijn, het was het einde van het eiland. Ik kwam onzacht terecht op een licht glooiend, zacht zandstrand. En terwijl ik stond te hijgen en te kuchen en naar adem te snakken, drong het tot mij door hoe wijs en liefderijk de Voorzienigheid ten opzichte van mijn broze ik was geweest dat miljoenen jaren later hier zijn val zou beëindigen, en dat daarom, in plaats van puntige rotsen, een keurig meegevend strandje nodig had. Ik krabbelde overeind. Dit was de plaats. Aan de hele oostkust van het eiland was maar één zo'n zandige baai. Het was nu licht geworden, ik kon zien dat ik was waar ik wezen moest. De helikopter naderde opnieuw uit oostelijke richting, op niet meer dan honderd a honderdtwintig meter hoogte. Ik rende hem tegemoet langs het strand, stroopte een vuurpijl uit zijn huls van oliepapier en trok het ontstekingskoord af. Hij begon meteen te sissen en verspreidde zo'n verblindend blauw-wit magnesiumlicht, dat ik mijn hand voor mijn ogen moest houden. Het straalde maar een halve minuut, maar dat was genoeg. Terwijl hij nog nagloeide en met zijn scherpe kruitlucht mijn neusvleugels prikkelde, zwenkte de helikopter al boven mijn hoofd. Twee recht naar beneden gerichte zoeklichten, aan het voor- en achtereinde van het toestel, tekenden twee schitterende, verblindend witte cirkels op het bleke strand. Even later zonken zijn sloffen in het zand, het ratelende ploffen van de motor hield op en de schroefbladen kwamen tot rust. Ik had nog nooit in een helikopter gezeten, hoewel ik er heel wat had gezien; in het vage morgenlicht leek hij mij monsterachtig groot. De rechterdeur ging open en een lichtbundel scheen in mijn gezicht toen ik dichterbij kwam. Een stem met het accent van de Rhonna Valley zei: 'Mogge! Is dat Calvert?' 'Yep! Kan ik aan boord komen?' 'Hoe weet ik dat jij Calvert bent?' 'Dat hoor je toch? Maak het niet nog moeilijker! Hebben ze je soms gezegd dat je mijn identiteitspapieren moest opvragen?' 'Heb je bewijzen? Paspoort?' 'Heb jij nog gezond verstand over? Kun je je voorstellen dat er lui rondlopen zonder identiteitspapieren? Sta ik hier soms toevallig, acht kilometer van de bewoonde wereld, met vuurpijlen in mijn zak? Pas maar op dat jij niet de zak krijgt voor de dag ten einde is.' Wat een begin voor een eerste kennismaking! 'Spijt me. Ze hebben mij gezegd dat ik moest oppassen.' (Maar hij zag er even zorgelijk uit als een kat die in de zon zit te spinnen.) Overigens geen poging tot een gemakkelijker conversatietoon. 'Luitenant Scott Williams, Fleet Air Arm. Als ik de zak moet krijgen komt er een admiraal aan te pas. Stap maar in.' Ik stapte in, sloot de deur en zat. Hij stak geen hand uit, deed een lampje boven onze hoofden aan en vroeg: 'Wie heeft jou zo te pakken gehad?' 'Hoezo?' 'Je gezicht zit vol bloed.' 'O, dat zijn dennennaalden.' Ik begon mijn verslag. Toen: 'Waarom zo'n olifant van een machine? Daar kun je een heel bataljon mee verhuizen.' 'Nou, dat is overdreven. Veertien man, om precies te zijn. Ik doe een boel gekke dingen, Calvert, maar ik ga niet met een tweebladige pieremegoggel in zo'n weer aan de gang. Ik zou regelrecht naar de hemel worden geblazen. Zoals het nu is, met maar twee man, zijn de lange-afstand tanks al vol.' 'Dus je kunt de hele dag wegblijven?' 'Zo ongeveer. Ligt eraan hoe hard we gaan. Wat wil je eigenlijk?' 'Om te beginnen, een ietsje meer beleefdheid. Heb je last van morgenstemmingen ?' 'Luister eens, Calvert, ik ben een reddingspiloot. "Air-Sea-Rescue", als dat je iets zegt. Deze machine is de enige die groot genoeg is om met dit weer op te stijgen. En ik ben op zoek, ik ben niet van plan er een pleziertochtje van te maken. Ik weet niet hoe belangrijk jouw opdracht is, maar er zijn mensen in nood, die misschien op vijftig mijl afstand van hier ergens in de Atlantische Oceaan aan een reddingsvlot hangen. Dat is mijn baan! En nu krijg ik een speciale opdracht. Wat móét je?' 'De "Moray Rose"?' 'Precies! Heb je het ook gehoord?' 'De "Moray Rose" bestaat niet. Heeft ook nooit bestaan.' 'Wat vertel je me nou? De laatste berichten...' 'Ik vertel je precies zo veel als je moet weten, luitenant. Het gaat erom dat ik dit gebied wil afzoeken zonder dat het verdenking oproept. Als je zoiets wilt doen moet je een goed motief hebben. Ons motief is de zinkende "Moray Rose". Dus vertellen we dat rond.' 'Zit er iets achter?' 'Yep.' 'Zo, dus dat krijg jij voor elkaar,' zei hij langzaam. 'Jij kunt de BBC ervoor spannen?' 'Yep.' 'Dan zou je mij dus ook op straat kunnen laten zetten.' Hij glimlachte, waarachtig, hij glimlachte. 'Neem mij niet kwalijk, meneer. Luitenant Williams - maar u mag gerust Scotty zeggen - is tot uw orders. Waar gaat het om?' 'Ken je de kustlijn en de eilanden van dit gebied?' 'Vanuit de lucht?' 'Ja.' 'Ik ben nu twee jaar op de basis. Air-Sea-Rescue en daartussendoor leger- en vlootoefeningen en zoeken naar vermiste bergbeklimmers. Ik werk hoofdzakelijk met de marinecommando's. Als iemand de buurt kent ben ik het.' 'Ik zoek een plaats waar iemand een boot kan verbergen. Een tamelijk grote boot. Twaalf a vijftien meter lang. Misschien in een groot botenhuis, misschien onder overhangende bomen in een of andere kreek, misschien in een of ander afgelegen haventje dat vanuit zee onzichtbaar is. Tussen Islay en Skye.' 'Eh... is dat alles? Heeft u er een idee van hoeveel honderden mijlen kustlijn wij hier hebben, met al die eilanden? Misschien wel duizend? Hoe lang krijg ik voor dat karweitje? Een maand?' 'Tot vanavond, zonsondergang. Luister! Er valt wat te elimineren! Ten eerste alle bevolkingscentra, dat wil zeggen alles waar meer dan twee, drie huizen bij elkaar staan. Verder alle bekende visgronden. Dan de geregelde scheepvaartroutes. Maakt dat het gemakkelijker?' 'En of. Wat zoeken we in werkelijkheid?' 'Dat heb ik je al verteld.' 'All right, dat gaat mij dus niet aan. Heeft u een idee waar u wilt beginnen en hoe u de zaak wilt afbakenen?' 'Eerst het vasteland, oostwaarts. Dertig kilometer noordkust, dertig kilometer zuidkust. Dan proberen we Torbay Sound en het Isle of Torbay. Daarna de eilanden verder westelijk en noordelijk.' 'Torbay Sound heeft een bootdienst.' 'Pardon! Ik had moeten zeggen: een dagelijkse dienst. Torbay heeft een dienst tweemaal per week.' 'Maak uw stoelriem vast en doe die koptelefoon om. We zullen vandaag heel wat opstoppers krijgen. Ik hoop dat u een goed zeeman bent.' 'En de koptelefoon?' Ik had nog nooit zulke grote gezien: minstens tien centimeter met een voering van wel 3 centimeter dikte, een soort schuimrubber. Een microfoon met een verende haak was aan de hoofdband vastgemaakt. 'Voor uw oren,' zei de luitenant vriendelijk. 'Anders scheuren uw trommelvliezen! Is u over een week stokdoof! Verbeeldt u zich eens dat u in een stoomketel zit waarop een dozijn pneumatische hamers aan het werk zijn, dan krijgt u een indruk van wat u te wachten staat.'
Zelfs met de gewatteerde koptelefoon op was het net alsof ik in die stoomketel met zijn dozijn pneumatische hamers zat. Ik had niet de indruk dat de koptelefoon met de schuimrubber voering enig geluiddempend effect sorteerde. Het lawaai sloeg en hamerde en timmerde op je los, op elk bot en elk beentje van je gezicht en je schedel. Maar toen ik - één keer en nooit weer - voorzichtig één van de oorschelpen een eindje oplichtte om uit te vinden of die dingen al dan niet ergens voor dienden, begreep ik wat luitenant Williams bedoelde met gescheurde trommelvliezen. Hij had niet overdreven. Zelfs met die dingen om vroeg je je af hoe lang zij het zouden uithouden. Ik keek tersluiks naar het gezicht van de jonge Welshman naast mij, een man die dag in dag uit in dit helse lawaai moest doorbrengen. Hij zag er heel normaal uit. Mij zouden ze binnen een week in een gecapitonneerde cel moeten opbergen. (Het zou geen week worden, in die helikopter. Alles bij elkaar heb ik er acht vlieguren in doorgebracht, maar het leek een eeuwigheid.) Eerst vlogen wij in noordwaartse richting langs de kust van het vasteland, zonder noemenswaardig resultaat. Na twintig minuten zagen wij een riviertje dat in zee uitmondde. Wij volgden het ongeveer een mijl opwaarts, toen de bomen die tot dicht aan de oevers reikten, plotseling bij elkaar kwamen in het midden van de stroom, die daar klaarblijkelijk door een nauwe rotsspleet liep. 'Ik wil weten wat dat is,' schreeuwde ik in de microfoon. Williams knikte. 'Een kwart mijl terug was een geschikte plek. Ik zal u neerzetten.' 'Je hebt een hijstoestel. Kun je me niet neerlaten?' 'Als u net zo veel ervaring had als ik met winden die met een snelheid van zo'n vijfenzeventig kilometer voortrazen in een nauwe vallei met steile rotswanden, zou u zoiets niet vragen. Zelfs niet voor de grap. Ik hoop hier levend af te komen.' De helikopter beschreef een grote cirkel en zette mij zonder veel moeite af in de luwte van een klif. Vijf minuten later had ik het begin van de kloof bereikt. Weer vijf minuten later was ik in de helikopter terug. 'Geluk gehad?' vroeg de luitenant. 'Noppes. Een oude eik die boven de ingang van de kloof groeit.' 'Hebben ze misschien daar verplaatst.' 'Dat ding weegt wel drieduizend kilo, hij steekt diep in de grond en staat er al minstens een eeuw.' 'Wel, je kunt niet meteen beet hebben!' Een paar minuten later een andere riviermond. Leek niet bepaald geschikt voor navigatie van iets wat een beetje boot moest voorstellen, maar voor alle zekerheid vlogen wij stroomopwaarts. Een halve mijl verder vormde het water een witte schuimende massa: stroomversnellingen. Weer terug naar de kust. Toen het volop licht was, hadden wij de uiterste grens van ons gebied in dit gedeelte bereikt. In plaats van bergen met steile hellingen kregen wij hier rotsen, hoge kliffen die bijna verticaal in zee afdaalden. 'Hoe ver gaat dit door naar het noorden?' vroeg ik. 'Tien, twaalf mijl, naar de mond van Loch Lairg.' 'Ken je het daar?' 'Ik ben er meer dan eens overheen gevlogen.' 'Zijn er spelonken?' 'Niet één.' Dat had ik ook trouwens niet verwacht. 'Hoe ziet het er aan de andere kant uit?' vroeg ik, naar het westen wijzend, waar de bergachtige kustlijn, nog geen acht kilometer verder maar nauwelijks zichtbaar door de jagende regen en de lage wolkenflarden, bijna loodrecht doorliep van Loch Lairg naar de mond van Torbay Sound. 'Zelfs de zeemeeuwen vinden er geen houvast. Geloof mij.' Ik geloofde hem. Wij vlogen terug langs dezelfde weg die wij waren gekomen, en gingen het toen in zuidelijke richting proberen. Van het Isle of Torbay tot het vasteland leek de zee een eindeloos leger van grote, witgekuifde brekers die in oostelijke richting optrokken naar de donkere Firth, terwijl lange, roomkleurige strepen schuim tussen de rotsen kronkelden als even zo vele aderen. Zo ver het oog reikte was er geen boot te zien, zelfs de grote trawlers waren thuisgebleven, zo spookte het. In die bulderende stormwind kreeg onze helikopter het zwaar te verduren. Hij schudde heftig en stampte als een dolle exprestrein die van plan is uit de rails te lopen. Een uur vliegen onder deze omstandigheden had mij nu al een aversie-voor-het-leven tegen helikopters bezorgd. Maar als ik bedacht wat het nu zou zijn in een boot, daar in die ziedende draaikolken tussen de rotseilanden, voelde ik een band van groeiende waardering tussen mij en de helikopter ontstaan. Wij vlogen dertig kilometer zuidwaarts - als tenminste dat slingeren en op en neer ploffen vliegen mocht heten - maar dat betekende een oppervlakte van honderd vijftig kilometer in het vierkant. Wij onderzochten elke kleine doorgang tussen de eilanden en het vasteland, alle natuurlijke havens, elke inham. Meestal vlogen wij erg laag, niet veel hoger dan zestig meter; soms werden wij tot dertig meter omlaaggeduwd, zo zwaar was de regen en zo krachtig de wind die tegen het windscherm aansloeg, zodat de ruitenwissers bijna overbodig waren. Om iets te zien moesten wij wel zo laag mogelijk vliegen. Ik geloof overigens niet dat wij één meter van de kustlijn of de kleine eilandjes voor de kust misten. Wij zagen alles. En vonden niets. Ik keek op mijn horloge. Negen uur dertig. De tijd verstreek en wij hadden nog niets bereikt. 'Houdt de helikopter het uit?' vroeg ik. 'Ik heb met die kist tweehonderd vijftig kilometer over de Atlantische Oceaan gevlogen in een weertje waarbij dit kinderspel is.' Luitenant Williams scheen zich geen enkele zorg te maken, vermoeid noch gespannen te zijn. Als hij er al enig gevoel op na hield was het waarschijnlijk tevredenheid. 'Waar het om gaat is: houdt u het uit?' 'Niet lang meer. Maar ik moet wel. Laten wij terug gaan tot waar je me hebt opgepikt, en dan naar de kust van Torbay. Eerst zuidelijk, dan noordwaarts naar de westkust, dan oost langs Torbay en zuidwaarts naar de zee-engte.' 'Tot uw orders.' Williams zette de helikopter in een noordwestelijke richting met een zijwaarts glijdende beweging die mijn maag tot hevige protesten aanspoorde. 'U vindt koffie en sandwiches in die doos daar.' Ik liet de koffie en de sandwiches waar zij waren. Wij deden bijna veertig minuten over de vijfentwintig mijl naar het oostelijke punt van het Isle of Torbay. Tegen elke drie meter vooruit dreef de wind ons er één achteruit. Het zicht was zo slecht geworden dat Williams voortdurend op de instrumenten vloog, en bij die zware zijdelingse wind zou je hebben verwacht dat hij het doel op geen stukken na zou bereiken. Maar hij bleef precies boven die zandkreek staan, alsof hij er op een radiopeiling naar toe was geloodst. Ik begon aanzienlijk meer vertrouwen in Williams' vliegkunst te krijgen: hij wist in elk geval precies wat hij deed, wat ik van mij zelf bepaald niet kon zeggen. Onwillekeurig moest ik aan Oom Arthur denken, wat mij zo bezorgd maakte dat ik haastig besloot iets plezierigers te verzinnen. 'Kijk daar eens,' wees Williams. Wij waren ongeveer halverwege de zuidkust van Torbay. 'Dat zou het wel eens kunnen zijn, vindt u niet?' Dat zou het best kunnen zijn, inderdaad! Een groot, wit stenen gebouw van drie verdiepingen in George V stijl, neergezet op een open plek, ongeveer honderd meter van de kust. Op de meest verlaten, troosteloze eilanden van de Hebriden liggen tientallen van dergelijke huizen verspreid, op de onwaarschijnlijkste punten. De hemel mag weten wie die dingen daar neerzette en waarom. Overigens ging onze belangstelling niet uit naar het huis in de eerste plaats, maar veeleer naar het grote botenhuis aan de rand van een kleine inham. Zonder mijn antwoord af te wachten zette Williams de grote machine keurig neer in de luwte van het zware geboomte achter het huis. Ik maakte het plastic tasje open dat ik onder mijn overhemd had gedragen. Twee revolvers. Ik stak de Luger in mijn zak, de kleine Duitse Lilliputter aan de clip in mijn linkermouw. Williams keek onbevangen toe en begon een deuntje te fluiten. Al jarenlang was er niemand in dat huis binnengestapt. Het dak was gedeeltelijk ingestort, door de langdurige inwerking van de zilte zeelucht was de verf overal afgebladderd en de kamers bleken leeg te staan; lange repen behangselpapier hadden losgelaten en hingen op de vloer, de ruiten waren gebarsten en gebroken. Het pad naar het haventje was met mos begroeid. De voetsporen die ik achterliet, vulden zich ogenblikkelijk met water: het was duidelijk dat hier lange tijd geen mens was geweest. Het botenhuis was heel groot, minstens zestig bij twintig meter, maar dat was dan ook alles wat erover te zeggen viel. De beide grote deuren hadden elk drie hengsels en twee zware sloten. Alles was aangevreten en half verteerd door de roest. De Luger woog zwaar in mijn zak en daardoor voelde ik mij ietwat belachelijk in deze omgeving. Peinzend slenterde ik naar de helikopter terug. Tweemaal stuitten wij gedurende de volgende twintig minuten op dergelijke situaties. Grote, witte villa's in George V stijl met bijbehorende botenhuizen. Ik wist van tevoren dat het voor niets zou zijn, maar ik moest mijn plicht doen. Het was voor niets. In deze vervallen burchten hadden eens mensen geleefd; de laatste bewoners waren gestorven vóór ik werd geboren. Misschien hadden zij gezinnen gehad, grote gezinnen. Zij hadden hun eerzucht gehad, hun ambities, geld en vertrouwen in de toekomst. Anders hadden zij hier niet zulke grote huizen laten bouwen. Nu waren zij er niet meer en alles wat van hun geloof in de toekomst was overgebleven, waren deze langzaam tot puin vervallende monumentale villa's. Een paar jaar geleden had ik plantages bezocht in Zuid-Carolina en Georgia, met huizen van een heel andere stijl maar precies zo vervallen, ingesloten door hakhout en klimplanten en overwoekerd met lange grijze guirlandes van mos. Droefgeestig en verlaten, stomme getuigen van een wereld die voor altijd voorbij was. De westkust van het Isle of Torbay leverde niets op. Wij gingen met een wijde boog om het stadje Torbay en Garve Island heen en vlogen in oostelijke richting langs de zuidkust van de zeestraat, de stormwind in onze rug. Twee gehuchten, elk met zijn eigen vervallen pier. Verderop: niets. Ten slotte hielden wij er vijf minuten mee op. Luitenant Williams zei dat hij honger kreeg. Ik niet. Ik was nu wel aan de helikopter gewend, maar ik had geen honger. Het was ongeveer twaalf uur. De helft van de tijd was voorbij en wij waren nog geen steek opgeschoten. Het begon erop te lijken dat wij niets zouden bereiken. Oom Arthur zou het prachtig vinden. Ik nam Williams' kaart. 'Wij zullen een keus moeten doen. Op ons geluk vertrouwen. Laten wij de zee-engte overvliegen tot Dolman Head, tegenover Garve Island, en dan naar Loch Hynart afzakken.' Loch Hynart was een elf kilometer lange fjord die zich, vol bochten en eilanden, naar het oosten toe uitstrekte, nergens meer dan een achthonderd meter breed, diep doordringend in het bergmassief. 'Dan weer terug naar Dolman Head, en langs de zuidkust van het schiereiland tot Carrara Point. Daarna oost langs de zuidelijke oever van Loch Houron.' 'Loch Houron,' knikte Williams. 'Het onstuimigste water en de meest verraderlijke plaats voor de scheepvaart in het westen van Schotland. Ik voor mij zou het daar niet zoeken, mr. Calvert, dat is een ding dat zeker is. Het enige dat je daar aantreft zijn wrakken en drijfhout. Er zijn meer riffen en klippen en rotspunten onder de oppervlakte en draaikolken en vloedgolven in die dertig kilometer dan in de rest van Schotland. De plaatselijke vissers mijden de plaats.' Hij wees op de kaart. 'Ziet u die doorgang tussen Dubh Sgeir en Ballara Island, de beide eilandjes aan de mond van Loch Houron? Dat is de meest gevreesde plek. Als de vissers erover aan de praat raken, moet je eens zien hoe krampachtig zij hun whiskyglas omklemmen! Ze noemen het Beul nan Uamh, de "gapende muil van het graf".' 'Ze zijn dan ook wel bijzonder optimistisch hier. Laten wij gaan.' De wind blies onverminderd met orkaankracht; de zee stond even hol als tevoren, maar het regende niet meer en dat maakte ons speurwerk heel wat gemakkelijker. Het stuk van de zandgroeven tot Dolman Head leverde niets op. Loch Hynart evenmin. Tussen Loch Hynart en Carrara Point, twaalf kilometer naar het westen, lagen alleen twee gehuchten, dicht tegen het water aangedrongen, met hun rug tegen de naakte heuvels. Ik vroeg mij verwonderd af waar de bewoners - als die er tenminste waren -van zouden bestaan. Carrara Point was het toonbeeld van door stormen geteisterde verlatenheid. Grote puntige kliffen, enorme met zeewier begroeide rotsen, steil uit zee oprijzend; zware massieve golfbergen, regelrecht uit het stormengebied van de Atlantische Oceaan, in enorme fonteinen tegen de klippen optornend, de vuurtoren, nietig in al die ontketende oerkracht... Als ik Sir Billy Butlin was, op zoek naar een geschikt oord voor mijn nieuwste vakantiekamp, zou ik hier met een héél wijde boog omheen lopen. Wij zetten daarna koers naar het noorden, vervolgens noordoost, daarna oost, langs de zuidelijke oever van Loch Houron. Heel wat plaatsen verheugen zich in een slechte reputatie. En er zijn er maar weinig die je bij nader inzien waar voor je geld geven. Maar... ze zijn er! In Schotland is de Pass of Glencoe, het toneel van de infame massamoord, er één. De Pass of Brander is er nog een. En zonder twijfel is Loch Houron er ook een. Je had niet veel verbeeldingskracht nodig om te begrijpen dat dit een donker, gevaarlijk oord was waar de Dood rondwaarde. Je zag het zó! De kust bestond uit zwarte rotsen die steil in zee afliepen, zonder een spoor van plantengroei. De vier eilanden die van oost naar west op een rij voor de kust lagen deden weinig voor de kust onder wat uitnodigende gastvrijheid betreft. In de nevelige verten naderden de noordelijke en zuidelijke oevers van het Loch elkaar en verenigden zich in een hoog optorenende verticale spleet in de sinister dreigende bergen. Aan lijzijde van de eilanden lag het water stil en zwart, maar overal elders vormde het een ziedende, wit schuimende, bruisende massa, vol kolken en stroomversnellingen, draaiend en wentelend waar het zich een weg baande in de nauwe doorgangen tussen de eilanden onderling en de kust. Gepijnigd, gemarteld water. In Beul nan Uamh - de 'gapende muil van het graf' - tussen de twee voorste eilanden, deed het mij aan de watervallen van de Mackenzie in de lente denken, als de sneeuw smelt. Het paradijs van de watersportliefhebber? Alleen een krankzinnige zou er zijn leven en zijn boot aan wagen. Maar klaarblijkelijk waren er dergelijke lieden. Wij lieten het eerste van de eilanden, Dubh Sgeir, aan stuurboord achter toen mijn oog viel op een smalle spleet in de rotsen van het zuidelijke vasteland. Een kleine, door rotsen omgeven baai - als die naam al niet te weids was - ongeveer ter grootte van een tennisbaan en bijna geheel van de zee afgesloten. De ingang was waarschijnlijk niet breder dan ongeveer tien meter. Ik keek op de kaart - Little Horseshoe Baai; niet origineel maar wel juist. Er lag een boot, een tamelijk grote zelfs, een omgebouwde motortorpedoboot leek het, voor en achter verankerd in het midden van de baai. Daarachter was een klein plateau, bedekt met gras of mos; daarna, naar het mij voorkwam, een opgedroogde rivierbedding die in de heuvels omhoogliep. Op het plateautje stonden vier kakikleurige tenten waarbij mannen aan het werk waren. 'Zou dit het kunnen zijn?' vroeg Williams. 'Misschien.' Het was 'het' niet. Een blik op de magere bebrilde jongeman met zijn uitgeplozen sikje die op mij toe kwam hollen om mij te begroeten was het afdoende bewijs. Nog een snelle blik op de zeven, acht gebaarde, in montycoats gehulde knapen die, zoals ik nu pas merkte, een taaie strijd leverden met de wind die hardnekkig probeerde hun tenten weg te blazen, was nog meer afdoende. Deze jongens zouden zelfs geen begerige blikken op een onbeheerde roeiboot werpen. De omgebouwde motortorpedoboot leunde met de spiegel omlaag en had een behoorlijke portie slagzij naar stuurboord. 'Hallo, hallo, hallo!' zei de knaap met het sikje. 'Goedemiddag! goedemiddag! God, wat leuk dat u ons komt opzoeken!' Ik schudde zijn uitgestrekte hand, keek naar de gestrande boot en zei welwillend: 'U heeft misschien schipbreuk geleden, maar u bevindt zich nauwelijks in wat ik zou willen noemen "een hopeloze positie". U is niet op een verlaten eiland. U staat hier op vasteland. Redding is nabij.' 'O, wij weten best dat wij hier veilig zijn.' Hij wuifde de veronderstelling luchtig terzijde. 'Wij hebben hier drie dagen geleden het anker laten vallen maar er zijn gaten in onze boot geslagen, 's nachts, tijdens de storm. Jammer, treft heel ongelukkig.' 'Gaten in geslagen? Terwijl zij voor anker lag?' 'Ja. Hoe is het mogelijk, nietwaar?' 'Pech gehad! Oxford of Cambridge?' 'Oxford natuurlijk!' Hij scheen enigszins verontwaardigd dat ik iets anders kon veronderstellen. 'Geologie, met zeebiologie als bijvak.' 'Wel, rotsen en water in overvloed hier,' gaf ik toe. 'Hoe zwaar is de schade?' 'Een plank afgebroken. Gesprongen. Geloof niet dat wij het zelf kunnen klaren.' 'Voldoende voedsel?' 'Natuurlijk'. 'Geen zender?' 'Alleen een ontvangtoestel.' 'De helikopterpiloot zal een boodschap uitzenden om een scheepstimmerman te sturen zo gauw het weer het toelaat. Tot ziens.' Zijn mond viel open: 'Gaat u nu al weg? Zo zonder meer?' 'Reddingswerk. Vannacht noodseinen opgevangen van een schip in zinkende toestand.' 'Ja, dat is waar ook. Wij hebben naar de nieuwsberichten geluisterd.' 'Ik dacht dat jullie het misschien waren. Gelukkig is dat niet zo. Wij moeten nog een heel gebied afzoeken.' Wij vervolgden onze vlucht in oostelijke richting naar de kop van Loch Houron. Halverwege zei ik: 'Dat is voldoende. Laten wij even een kijkje nemen op die vier eilandjes daar, te beginnen met het meest oostelijke - hoe heet dat? O ja, Eilean Oran - en zo terug naar de monding van het Loch.' 'U zei toch dat u helemaal tot het einde wilde gaan?' 'Ik ben van gedachte veranderd.' 'U heeft het maar voor het zeggen,' zei hij gelijkmatig. Hij was een bijzonder gewillige jongen, die luitenant Williams. 'Naar het noorden, naar Eilean Oran.' In drie minuten waren wij erboven. Vergeleken met Eilean Oran is Alcatraz een groen, lieflijk vakantieoord. Eén en een kwart vierkante kilometer keiharde rotsen zonder één grashalmpje. Maar wel een huis. Een huis met een rokende schoorsteen. Daarnaast een botenhuis zonder boot. De rook wees op inwoners, op minstens één bewoner en één ding was zeker: hij kwam niet aan zijn dagelijks brood door in het zweet zijns aanschijns de aarde te bewerken. Hij moest dus een boot hebben, een vissersboot: om aan de kost te komen en om naar het vasteland te kunnen gaan, want bij alle ongewisse zaken die de wereld te bieden heeft, stond één ding als een paal boven water: sedert Robert Fulton de stoomboot uitvond had nooit één passagiersschip Eilean Oran aangedaan. Williams landde op nog geen twintig meter van het botenhuis. Ik liep de hoek van dat botenhuis om en bleef stokstijf, met een knik in mijn middel, staan. Ik blijf altijd met een knik staan wanneer ik met een stormram in mijn maagstreek wordt geprikt. Na een paar minuten was ik weer in staat genoeg lucht in mijn longen te pompen om mij op te richten. Hij was groot, een grijze reus van ongeveer vijfenzestig jaar. Hij had zich zeker een week niet geschoren en minstens een maand lang geen schoon overhemd aangetrokken. Het was ook geen stormram, het was een geweer, niet zo'n modern flutding van een machinepistool, nee, een eerlijk, ouderwets tweeloops 12 mm geweer, van het soort dat op de korte baan - vijftien centimeter in dit geval — zelfs de Vredesengel met stukken slaat als her erop aankomt brokken te maken. Nu hield hij het op mijn rechteroog gericht. Het was of ik in de Merseytunnel staarde. Toen hij zijn mond opendeed merkte ik dat hij alle boeken over de gastvrijheid en de hoffelijkheid van de Highlander te schande maakte. 'Wie ben jij, voor de duivel?' bulkte hij. 'Jones is de naam. Ga weg met dat geweer, ik...' 'En wat kom jij hier doen, voor de duivel?' 'Als u eens de Ceud Mile Failte ter hand nam,' antwoordde ik. 'Is hier overal verkrijgbaar: "Honderdduizend welkomstgroeten voor de arme vreemdeling"...' 'Ik vraag het geen tweede keer, kerel!' 'Er wordt een boot vermist. Dit is reddingswerk...' 'Ik heb geen boot gezien! En nou: als de donder van mijn eiland af...' Hij liet zijn geweer zakken tot het op mijn maag wees, waarschijnlijk omdat hij dacht dat het daar beter zijn werk zou doen. 'Ik tel tot drie...' 'Daar kun je de gevangenis voor indraaien!' 'Dat kan zijn - en dat kan ook niet zo zijn! Het enige wat ik weet, is dat ik geen vreemden op mijn eiland duld en dat Donald MacEachern zijn eigendom weet te beschermen.' 'Én je doet het verdomd goed ook, Donald,' zei ik bewonderend. Het geweer bewoog en ik riep vlug: 'Ik ben al weg! En zeg er maar niet "Tot weerziens" bij want je ziet me nooit meer terug. Toen wij weer opstegen, zei Williams: 'Ik zag daar zoiets... Was dat een geweer dat hij in zijn handen had?' 'In elk geval niet de uitgestrekte vriendschapsband waarmee je de vermoeide reiziger een hartelijk welkom toeroept,' antwoordde ik bitter. 'Wie was hij, wat doet hij?' 'Een geheim agent van het Schotse Bureau voor Vreemdelingenverkeer die oefent voor zijn uitzending naar het buitenland om reclame te maken. Hij is in elk geval niet de vent die wij zoeken. Hij is ook niet gek - hij is net zo intelligent als jij en ik. Hij heeft zorgen - hij is het niet ééns met de wereld.' 'U heeft niet in het botenhuis rondgekeken. Misschien had iemand hem wel op de korrel genomen.' 'Daarom maakte ik ook dat ik wegkwam. Met dat geweer had ik het wel klaargespeeld.' 'Bent u daar zo zeker van?' 'Revolvers behoren tot mijn gereedschap De veiligheidspal was al omlaag.' 'Jammer.' Ik kon aan Williams' gezicht zien dat hij het meende; hij verborg zijn emoties lang niet zo goed als ik. 'Wat nu?' 'Het tweede eiland westwaarts.' Ik keek op de kaart: 'Craigmore.' 'Dat is louter tijdverlies.' Hij sprak met grote stelligheid. 'Daar ben ik wel eens eerder geweest. Heb er een zwaargewonde opgehaald voor een hospitaal in Glasgow.' 'Hoezo, gewond?' 'Had zich in zijn dij gestoken met een speksnijmes. Er was infectie bijgekomen.' 'Een speksnijmes? Voor walvissen? Ik heb nog nooit gehoord...' 'Voor haaien. Reuzen haaien! Zijn hier net zo gewoon als makrelen. Ze worden gevangen om hun levers - je haalt een ton levertraan uit een flinke grote.' Hij wees een punt op de kaart aan, een stipje aan de noordkust: 'Craigmore Village. Was al voor de Eerste Wereldoorlog verlaten, zeggen ze. Wij komen er direct boven. Sommige van die snuiters hebben hun huizen op de gekste plaatsen gebouwd.' Als één ding waar was, was het dat. Als ik de keus had tussen een huis daar of op de Noordpool zou ik het niet weten. Vier dicht-opeengedrongen huisjes op een landtong, een aantal levensgrote kliffen die een natuurlijke golfbreker vormden, een verraderlijk uitziende ingang tussen de rotsen en twee vissersboten die vertwijfeld aan hun ankerketting rukten. Bij een van die huizen was de muur aan de zeekant geheel weggeslagen. Op de ongeveer tien meter brede helling die het huis van het water scheidde lagen onmiskenbaar drie haaien. Een paar mannen verschenen in de open deur om naar ons te wuiven. 'Dat is hun slagerij,' vertelde Williams. 'Zij slepen ze van het water meteen daar naar binnen.' 'Dat is óók een manier om aan de kost te komen. Kun je me neerzetten ?' 'Wat had u gedacht, mr. Calvert?' 'Ik geloof er niets van.' Tenzij hij zijn helikopter op het dak van een van die huisjes neerzette! 'Heb je die zieke opgehesen?' 'Ja. En als het u hetzelfde is: ik laat u liever niet op zo'n manier neer, zolang het zulk weer is en niemand erbij om te helpen. Tenzij u er voorgoed de brui aan geeft.' 'Zo erg is het ook weer niet. Zou jij je hand voor die mensen in het vuur durven steken?' 'Ja. Ze zijn O.K. Ik ken de baas, Tim Hutchinson. Hij is een Australiër, een kerel als een boom. Ik wed dat alle vissers aan de westkust hun hand voor hem in het vuur willen steken.' 'Wel, dan zijn we daar gauw mee klaar. Het volgende eiland: Ballara.' Wij vlogen er één keer overheen. Eén keer was genoeg. Zelfs een eendenmossel zou het niet in zijn hoofd krijgen daar te gaan wonen. Wij kwamen nu boven het kanaal tussen Ballara en Dubh Sgeir en het gezicht op de Beul nan Uamh zou zelfs een vis het hart in zijn vinnen doen zinken. Ik was er bepaald van onder de indruk. Vijf minuten in zo'n zeetje - in een boot of in een kikvorspak, dat zou geen enkel verschil maken - en je was er geweest. Het afnemend tij en de wind stonden hier pal op elkaar en het gevolg was de meest fascinerende heksenketel die ik ooit had meegemaakt. Er kwamen niet eens golven bij te pas: alleen maar een bruisende, borrelende, kolkende, kokende massa schuim, wervelend alle kanten uit en nergens naar toe, stomend en spuitend; donker, glad en sinister in het hart van de maalstroom. Niet bepaald de meest geschikte plaats voor een rustig roeipartijtje op een mooie zomeravond. Maar vreemd genoeg had je, vlak onder de oost- en zuidkust van Dubh Sgeir, je bloedeigen tante op een rustig tochtje kunnen onthalen. In dergelijke zee-engten tussen de eilanden komt het vaak voor - waarom weet niemand precies - dat het water vlak onder de kust kalm en spiegelglad is, terwijl het even verder kolkt en schuimt en bruist. Zoiets was ook hier het geval. Over een afstand van bijna anderhalve kilometer tussen het meest zuidelijke en het meest oostelijke punt van Dubh Sgeir, tot een twee-, driehonderd meter zee-inwaarts was het water donker, dreigend en stil. Het maakte een spookachtige indruk. 'Weet u zeker dat u hier wilt landen?' vroeg Williams. 'Is het gevaarlijk?' 'Nee, gemakkelijk. Helikopters landen dikwijls op Dubh Sgeir. Niet de mijne, tot dusverre - die van anderen. Alleen: ik ben bang dat u hier op dezelfde manier wordt ontvangen als op Eilean Oran. Er zijn tientallen van die eilanden hier, alle privé-bezit, en de eigenaars houden over het algemeen niet van ongenode gasten. Die van Dubh Sgeir haat ze.' 'Die wereldberoemde gastvrijheid van de Hooglanden schijnt bij tijden bepaald overweldigend te zijn. Het huis van de Schot is zijn kasteel, nietwaar?' 'Er Is hier een kasteel. De voorvaderlijke woning van de Dalwhinnie clan. Dat geloof ik tenminste.' 'Dalwhinnie is een stad, niet een familie.' 'Nu ja, het is in elk geval moeilijk uit te spreken.' (Die was goed, aangezien hij zelf naar alle waarschijnlijkheid afkomstig was uit Rhosllanerchrugog of Pontrhydfendgaid.) 'Lord Kirkside is het hoofd van dat geslacht. Vroeger baljuw van het graafschap. Een van de belangrijkste notabelen, maar nu wat je noemt een zonderling. Gaat bijna nooit uit, behalve naar de Highland Spelen, of eens in de maand naar Londen om de aartsbisschop van Canterbury in het Hogerhuis op zijn vingers te tikken.' 'Ja, dat klopt. Ik heb wel eens van hem gehoord. Hij had niet bepaald een hoge opinie van het Lagerhuis en dat stak hij dan ook niet onder stoelen of banken. Vandaar dat hij vroeger om de andere dag een lange redevoering hield - uitsluitend om zijn hart te luchten.' 'Precies - dat is onze man. Maar hij is veranderd. Zijn oudste zoon is gestorven en hij verloor zijn toekomstige schoonzoon bij een vliegtuigongeluk, enige tijd geleden. Een zware slag voor hem. Hier in deze streken staat hij in hoog aanzien.' Wij waren nu de zuidelijke punt van Dubh Sgeir gepasseerd en plotseling werd het kasteel zichtbaar. Ondanks zijn kantelen, ronde torens en schietgaten haalde het niet bij Windsor, Balmoral of andere beroemdheden op dit gebied. Het was een kasteel in vestzakformaat. Maar wat zijn ligging betreft had het alles op Windsor of Balmoral vóór. Het stond boven op de top van een vijftig meter hoge klif en als je te ver uit het raam van je slaapkamer leunde zou je val pas een einde nemen op de rotsen heel, heel ver beneden. Er zou zelfs niets zijn om je val te breken. Ver onder de voet van het kasteel en een heel eind rechts daarvan had het afbrokkelende rotsgesteente in de loop der eeuwen een soort natuurlijk strandje gevormd. Daarvan uitgaande hadden vroegere bewoners, God weet ten koste van hoeveel bovenmenselijke inspanning, een kunstmatige haven gebouwd. De zware rotsen en het puin waren gebruikt om een havenhoofd te maken, in de vorm van een paardenhoef, waarvan de ingang niet meer dan zes of zeven meter breed was. Daarbinnen lag een botenhuis, niet breder dan de haveningang en niet meer dan zes meter lang. Het was opgetrokken tegen de wand van het klif. Het was groot genoeg voor een behoorlijke roeiboot, meer niet. Williams liet het toestel stijgen tot wij zeventig meter boven het kasteel waren. Het was gebouwd in de vorm van een holle vierhoek, open aan de landzijde. Aan de zeekant verrezen twee gekanteelde torens, waarvan de een werd bekroond door een vijf meter hoge vlaggenstok met vlag, de andere door een nog hogere TV-mast. Uit een oogpunt van esthetica gaf ik aan de vlaggenstok de voorkeur. Tot mijn verrassing was het eiland niet zo dor als het er vanuit zee uitzag. Tamelijk dicht, bij het kasteel, zich uitstrekkend tot aan de door kliffen afgesloten noordkant van het eiland, strekte zich een tweehonderd meter brede strook grasland uit; niet het malse, sappige gras van onze golflinks, maar toch ongetwijfeld echt gras, zoals bleek uit de naar beneden gerichte koppen van een aantal geiten die dicht bij het kasteel aan het grazen waren. Williams deed een poging op het gras te landen maar de wind dreef hem af; ten slotte ging hij omlaag aan de oostelijke lijzijde van het kasteel, dicht - maar niet te dicht - bij de rand van de klif. Ik stapte uit, met een bezorgde blik op de geiten, en toen ik aan de landzijde om de hoek van het gebouw liep, botste ik letterlijk tegen het meisje aan. Ik heb altijd al geweten waar je naar moet kijken als je plotseling een meisje ontmoet op een afgelegen Hebriden-eiland. In de eerste plaats natuurlijk naar de kilt - een meisje van de Hebriden zonder kilt kan niet - een Shetlands deux-pièces en bruine kniekousen. Dat zij een schoonheid zou zijn met ravenzwart haar en de wilde, groene ogen van de fatale vrouw, sprak natuurlijk vanzelf. Haar naam zou Deirdre luiden. Dit meisje leek er in geen enkel opzicht op. Behalve de ogen dan, die niet groen waren en ook niet fataal, maar die ongetwijfeld wild genoeg leken. Tenminste, voor wat ik ervan kon zien. Haar stroblonde haar was een staaltje van het kiekeboekapsel dat tegenwoordig in de mode is: één lange golf tot onder de kin, en de rest een pony tot vlak boven de wenkbrauwen zodat, zodra de windkracht hoger is dan één, er niet meer dan één tiende van het gezicht overblijft. Verder droeg zij een horizontaal gestreepte blauw-witte zeiltrui en een verschoten spijkerbroek die wel aan haar vastgenaaid leek, omdat ik mij met geen mogelijkheid kon voorstellen hoe zij er anders in had kunnen komen. Zij liep op blote, bruine voeten, maar het was een geruststellende gedachte dat de zegenrijke, beschaving brengende invloed van de televisie zelfs deze afgelegen grensposten van het imperium had bereikt. 'Goedemiddag, miss... eh,' begon ik. 'Panne?' vroeg zij op ijskoude toon. 'Wel, eh... nee...' 'Technische storing? Andere moeilijkheden? Niet? Wel, dit is eigen terrein. Ik verzoek u hier onmiddellijk weer vandaan te gaan. Direct!' Ik had hier niet veel te zoeken, kwam het mij voor. Een uitnodigend toegestoken hand, een warme glimlach ter verwelkoming en ik had haar zonder meer op mijn lijst van verdachten geplaatst. Maar zó was het volgens de regels: de vermoeide reiziger bij de poort ziet geen open armen maar de opgeheven voet. Afgezien van het feit dat zij geen donderbus bij zich had en een beter figuur, had zij veel gemeen met mr. MacEachern. Ik boog mij voorover om onder het door de wind toegeslagen camouflagenet van haar blonde haar te gluren. Zij zag eruit alsof zij de hele nacht en een groot gedeelte van de dag in de wijnkelders van het voorvaderlijk slot had doorgebracht: een wit gezicht, bleke lippen, zware wallen onder de blauw-grijze ogen. Maar die ogen mochten er zijn! 'Wat bezielt u?' vroeg ze. 'Niets. Het einde van een droom. Deirdre zou zoiets nooit hebben gezegd. Waar is de oude heer?' 'Mijn oude heer?' Ik had nooit gedacht dat dat ene oog dat ik kon zien, vonken van zo'n hoog voltage kon afschieten. 'U bedoelt mijn vader?' 'Pardon. Lord Kirkside.' Het was niet moeilijk te raden dat zij Lord Kirksides dochter was. Gehuurde krachten zouden nooit in staat zijn geweest de abominabele manieren van hun aristocratische meesters zo volmaakt weer te geven. 'Ik ben Lord Kirkside.' Ik maakte rechtsomkeert-op-de-plaats. De eigenaar van die diepe stem stond achter mij. Een grote, ruige beer van een Schot van ongeveer vijftig jaar, met een haviksneus, borstelige grijze wenkbrauwen en snor, in grijs tweedpak, grijze pet met kleppen voor en achter, een knoestige stok in zijn hand. 'Wat is er aan de hand, Sue?' Sue! Natuurlijk! Ik had het kunnen weten! Daar gaat het laatste restje van mijn Hebriden-droom. 'Jones is de naam,' zei ik. 'Kustwacht reddingbrigade. Er is een schip in nood, de "Moray Rose", ergens ten zuiden van Skye. Het is mogelijk dat ze naar deze kant afdrijft, ze schijnt niet meer naar het roer te luisteren. Wij wilden weten...' 'En Sue stond op het punt u in de afgrond te stoten nog vóór u iets tot uw verdediging had kunnen inbrengen?' Hij keek zijn dochter vol genegenheid aan. 'Ja, zo is mijn Sue. Ze heeft niet veel op met journalisten.' 'Dat zijn er meer, maar het omgekeerde komt ook voor. Maar waarom heeft ze speciaal iets tegen mij?' 'Toen u eenentwintig was, kon u toen een journalist van een menselijk wezen onderscheiden? Ik niet. Maar nu, op mijn leeftijd, wél. Op een mijl afstand. Ik weet ook wanneer ik met een helikopter van de kustwacht te doen heb als ik er een voor mij zie. En dat kun jij ook, jongedame. Het spijt mij, mr. Jones, wij kunnen u niet helpen. Mijn mannen en ik hebben vannacht urenlang langs de kliffen gepatrouilleerd om uit te kijken naar lichten, noodseinen of wat dan ook. Alles tevergeefs, helaas.' 'Dank u, meneer. Wij zouden meer van dergelijke daadwerkelijke hulp kunnen gebruiken.' Van het punt waar ik stond zag ik recht naar het zuiden toe de zachtjes zwaaiende masten van de boot waarmee de Oxfordbiologen naar de Little Horseshoe Baai waren getogen. De boot zelf en de tenten lagen verborgen achter de rotsachtige oostkust van de baai. 'Maar wat hadden die journalisten hier te zoeken, meneer?' vroeg ik Lord Kirkside. 'Westminster is veel dichterbij dan Dubh Sgeir.' 'Inderdaad, meneer Jones.' Hij glimlachte, maar zijn ogen bleven droefgeestig. 'U heeft misschien wel gehoord van onze - wel, onze familietragedie. Mijn oudste zoon, Jonathan - John Rollinson, Sues verloofde.' Ik wist wat hij bedoelde. Al die maanden die sindsdien waren verstreken, hadden haar tranen niet kunnen drogen. Zij moest wel heel veel om hem hebben gegeven. Het was bijna niet te geloven. 'Ik ben geen krantenman, mijnheer. Ik houd mij niet op met overal rond te loeren.' Ik hield mij er niet mee op: ik deed niets anders; het was mijn bestaan, mijn stiel. Maar dat kon ik hem nu niet vertellen. 'Ja... dat vliegongeluk. Jonathan had zijn eigen Beechcraft.' Hij wees vaag naar de strook grasland die zich tot de noordelijke kliffen uitstrekte. 'Hier is hij die morgen vertrokken. Zij - de reporters - wilden ooggetuigenverslagen. Zij kwamen met helikopters, met boten - er is een steiger aan de westzijde.' Opnieuw die vreugdeloze glimlach. 'Wel, een plezierig bezoek was het niet. Wilt u iets drinken? U en uw piloot?' Lord Kirkside, Williams mocht dan over hem vertellen wat hij wilde, was zeker heel wat vriendelijker dan zijn dochter of mr. Donald MacEachern. Aan de andere kant, zoals de aartsbisschop van Canterbury tot zijn schade en schande had ondervonden, was Lord Kirkside een heel wat moeilijker medeburger dan om het even zijn dochter of MacEachern. 'Dank u. Ik vind het heel vriendelijk van u, maar wij hebben niet veel tijd meer vóór het donker wordt.' 'Natuurlijk, dat begrijp ik. Dom van mij. Maar u zult wel niet veel hoop meer hebben...' 'Om u de waarheid te zeggen, neen. Maar... ach, u weet hoe het is...' 'Wij duimen met u mee voor die ene kans op de duizend. Succes, meneer Jones.' Hij schudde mijn hand en ging heen. Zijn dochter aarzelde een ogenblik, toen stak ook zij haar hand uit en glimlachte. Een rukwind had het haar voor haar gezicht weggeblazen en toen zij glimlachte, zelfs met die verdrietige ogen, wist ik dat het sprookje van Deirdre en de Hebriden-droom er niet eens veel toe deden. Langzaam liep ik naar de helikopter terug. 'Wij mogen onze tanks en onze tijd wel in de gaten houden,' merkte Williams op. 'Nog een paar uur en dan zitten wij in het donker. Waarheen nu, mr. Calvert?' 'Noordwaarts. Laten wij deze strook grasland volgen. Schijnt vroeger als startbaan voor lichte vliegtuigen te zijn gebruikt. Dan steken wij zo de klif over. Kalm aan.' Zo geschiedde. Hij deed kalm aan zoals ik hem had gevraagd en tien minuten lang ging het in noordelijke richting. Toen wij er zeker van waren dat niemand ons meer kon volgen, beschreven wij een grote halve cirkel west-zuid-oost en zetten koers naar huis.
De zon was al vertrokken en de wereld beneden ons meer nacht dan dag, toen wij boven de zandkreek aan de oostkant van het Isle of Torbay kwamen om er te landen. Vaag herkende ik de donkere bossen, het zilverachtig glanzende strand en de witte halve cirkel waar de in zee vooruitstekende rotsblokken de baai voor het geweld van de golven beschutten. Hier te landen scheen mij een uitermate riskante bezigheid toe, maar Williams was zo onbezorgd als de aanvoerder van de kampioensclub die de scheidsrechter heeft omgekocht. Wel, als hij het niet benauwd kreeg, was er voor mij geen reden het wel te zijn: ik wist niets van helikopters maar ik wist genoeg van mensen af om een eersteklas piloot te kunnen herkennen als ik naast hem zat. Het enige waar ik mij bezorgd over hoefde te maken was die wandeling terug door de Stygische wouden. Een geluk bij veel tegenslag: ik hoefde dit keer geen nieuw wereldrecord snelwandelen te vestigen. Williams stak zijn hand al uit om de landingslichten aan te steken, maar licht was het, een fractie van de seconde vóór zijn vingers de schakelaar aanraakten. Het kwam niet uit de helikopter maar van de grond. Een wit, verblindend licht, afkomstig van een flink zoeklicht dat ergens verdekt was opgesteld tussen de vloedlijn van de kreek en de bomen daarboven. Eén ondeelbaar kort ogenblik bewoog de lichtbundel heen en weer voor hij op de cockpit bleef rusten, waardoor het daarbinnen helder werd als onder de tropenzon op zijn hoogste punt. Ik dook weg om de gloed te ontwijken. Williams hief zijn hand op om zijn ogen te beschermen, toen hij plotseling ineenzakte, terwijl het witte linnen van zijn hemd bloedrood werd. Ik liet mij voorovervallen om zoveel mogelijk dekking te zoeken tegen de salvo's machinegeweerkogels die het windscherm verbrijzelden. De helikopter was stuurloos, hij dook plotseling voorover, draaiend om zijn as. Ik stak mijn hand uit naar het dashboard, maar op hetzelfde ogenblik veranderden de salvo's van richting, ofwel omdat de man met het machinegeweer zijn doelwit had verlegd, ofwel vanwege de plotselinge duik van de helikopter. Het geraas en gekletter van brekend glas en scheurend metaal vermengden zich met het inslaan van de kogels op de dekplaten en het geknal. De motor sloeg af, plotseling, alsof de ontsteking werd uitgeschakeld. Het toestel was volkomen buiten controle en scheen een ogenblik in de lucht rond te draaien, maar dat zou niet lang duren en ik kon niets doen om de val te vermijden. Ik spande al mijn spieren om dat éne schokkende ogenblik op te vangen waarop de machine in het water te pletter zou slaan, en toen dat ogenblik kwam was het niet schokkend, het was van een vernietigende kracht die ik mij niet had kunnen voorstellen. Wij kwamen niet in het water terecht, maar op de rotsen van het rif. Ik probeerde de deur open te maken maar dat ging niet; het toestel was voorover neergevallen, met zijn neus naar de zee gekeerd, en vanuit de positie waarin ik door de schok was terechtgekomen, onder het instrumentenbord, bevond de deur zich boven mij en was buiten mijn bereik. Ik was te versuft, te gebroken om het ook maar te proberen. IJskoud water drong door het verbrijzelde windscherm en de opengebarsten bodem van de cockpit naar binnen. Een ogenblik was alles stil als het graf; het ruisen van het binnenstromende water verhoogde die indruk nog, en toen, opeens, begon het machinegeweer weer te ratelen. De kogels sloegen door het lagere achtergedeelte van de romp en vlogen door de bovenkant van het windscherm naar buiten. Tweemaal voelde ik een woedende ruk aan de rechterschouder van mijn jas, zodat ik nog dieper in het ijskoude water wegdook. Toen, waarschijnlijk ten gevolge van het vele water in de neus en het schokken van de inslaande kogels aan de achterkant van de romp, leunde de helikopter voorover, bleef een ogenblik hangen en gleed toen langs de helling van het rif omlaag, stortte met de neus vooruit in zee.