6. Woensdag van 8.40 uur 's morgens tot 10.40 uur 's avonds

 

Toen wij de 'Shangri-la' tot op ongeveer tweehonderd meter waren genaderd, lieten wij het anker vallen in vijftien vadem diep water. Ik doofde de navigatielichten, liet het licht in de stuurhut branden, ging naar de lounge en sloot de deur. 'Hoe lang zal het duren?' vroeg Oom Arthur. 'Niet zo lang. Zuidwesters op en oliejassen aan, meneer. Zodra het hard genoeg regent, gaan wij op pad.' 'Heb je ook niet de indruk dat ze ons al die tijd met nachtkijkers hebben bespioneerd?' 'Dat doen ze nog steeds, dat is wel zeker. Zij weten natuurlijk niet hoe ze het hebben en wat er in 's hemelsnaam verkeerd is gegaan, wat er terecht is gekomen van de twee makkers die ze ons op het dak hebben gestuurd. Tenminste: als wij werkelijk met de bende te doen hebben.' 'Je hebt alle kans dat ze opnieuw op onderzoek uitgaan.' 'Nu nog niet. Over een paar uur pas. Eerst wachten zij op hun vrienden, of die nu wel of niet komen. Best mogelijk, denken zij, dat ze er langer over hebben gedaan om bij de "Firecrest" te komen omdat wij bij voorbeeld het anker hadden gelicht en van plaats waren veranderd vóór zij aan boord waren. Of dat er iets met de dinghy aan de hand was.' De regen begon met kracht op het dek neer te slaan. 'Dit is hét moment.' Wij gingen door de kombuisdeur naar buiten, vonden tastend en zoekend onze weg naar het achterschip, lieten de dinghy neer en klommen langs de touwladder omlaag. Ik duwde af. De wind en het getij dreven ons naar de haven. Vaag zagen wij het zwaaiende licht van de 'Shangri-la' toen wij haar aan bakboord voorbij voeren op een afstand van ongeveer honderd meter. Halverwege tussen haar en de kust deed ik de buitenboordmotor aan en zette koers naar de 'Shangri-la'. Haar grote jol was vastgemaakt aan het uiteinde van een spier die een meter of drie vóór de brug aan stuurboordzij naar buiten stak. De spiegel van de jol was ongeveer vijf meter verwijderd van het verlichte gangboord. Scherp tegen de wind in stevenden wij op het achterschip af en voeren langszij. Een knaap in een oliejas, met een van die gekke Franse matrozenpetjes op die het kenmerk van de 'Shangri-la' schenen te zijn, kwam aanhollen en nam de lijn aan. 'Goedenavond, beste man,' zei Oom Arthur. (Dat was geen aanstellerij van hem, de meeste mensen sprak hij aldus aan.) 'Is Sir Anthony aan boord?' 'Jawel, meneer.' 'Kan ik hem even spreken?' 'Als u even wilt wacht...' De matroos slikte de rest in en staarde Sir Arthur aan. 'O... de... de admiraal, meneer?' 'Admiraal Arnford-Jason. Ach ja, jij was die vent die mij naar de kust heeft gebracht, naar het Columba hotel, na het diner.' 'Zeker, meneer. Ik zal u naar de kajuit brengen, meneer.' 'Mijn boot ligt hier goed, voor een ogenblik?' (Daarmee gaf hij dan meteen te kennen dat ik enkel maar de roerganger was.) 'Uitstekend, meneer.' Wij klommen op het bovendek en gingen naar het achterschip. Ik bracht tien seconden zoek met naar de brandende stormlantaren te kijken die het gangboord verlichtte, kwam tot de conclusie dat één flinke ruk voldoende was en volgde de beide mannen naar het achterschip. Ik ging de gang voorbij die naar de lounge voerde en verborg mij achter een luchtkoker. Bijna op hetzelfde ogenblik kwam de matroos weer te voorschijn op weg naar de bak. Even later zou hij zich misschien achter zijn oor krabben en zich afvragen waar de roerganger was gebleven. Dat deerde mij overigens niet. Toen ik de half geopende deur van de lounge bereikte hoorde ik de stem van Sir Arthur. 'Nee, nee, zég, het spijt mij werkelijk ontzettend dat ik jullie zo maar kom enteren... Nou, vooruit dan, een halfje, omdat je zo aanhoudt... graag, maar niet te veel soda!' Whisky galore! Oom Arthur had het gevonden! 'Dank je, dank je, zeg! Ciao! Lady Skouras! Gentlemen! Maar ik wil jullie niet ophouden! Om kort te zijn, ik heb hulp nodig. Dringend! Mijn vriend en ik maken ons uitermate bezorgd... Wel, wat is dat nou! Waar is hij gebleven? Ik dacht dat hij met mij meekwam...' Dat sloeg op mij. Ik sloeg de kraag van mijn oliejas omlaag die mijn gezicht tot de ogen bedekte, nam mijn zuidwester af, klopte beleefd en ging naar binnen. 'Goedenavond, Lady Skouras! Goedenavond, heren. Vergeef ons beiden dat wij zo komen binnenvallen, Sir Anthony.' Afgezien van Oom Arthur waren zij met zijn zessen, broederlijk om de open haard achter in de lounge. Sir Anthony stond, de rest zat: Charlotte Skouras, Dollmann, de 'bedrijfsleider' van Skouras, Lavorski, de 'accountant', Lord Charnley, zijn makelaar en een vijfde type dat mij onbekend was. Zij hadden allen hun glas in de hand. De manier waarop zij op mijn plotselinge verschijnen reageerden was belangwekkend. Skouras fronste vragend zijn wenkbrauwen. Charlotte Skouras verwelkomde mij met een gedwongen glimlach; Oom Arthur had niet overdreven toen hij het over die buil op haar voorhoofd had: het was een mooie! Het gezicht van de onbekende verried geen enkele aandoening; dat van Lavorski bleef ondoorgrondelijk, dat van Dollmann streng als een marmeren beeld en Lord Charnley zag eruit als de man die op het spookuur op een kerkhof wandelt en plotseling op zijn schouder wordt getikt. Of verbeeldde ik het mij? Maar het geluid van brekend kristal was geen verbeelding, evenmin als het voetje dat geruisloos op het zware tapijt viel. Een typisch Victoriaans tafereeltje. Onze vriend de aristocratische makelaar had iets op zijn geweten. Hoe het met de overigen gesteld was, viel moeilijk uit te maken. Dollmann, Lavorski en - daaraan hoefde ik nauwelijks te twijfelen -Sir Anthony konden met hun gezichten doen wat zij wilden. 'Wel, daar hebben we Petersen!' Er klonk verrassing in Skouras' stem, maar niet de verrassing van iemand die iemand verwelkomt wiens overlijdensbericht hij zojuist heeft ontvangen. 'Ik wist niet dat jullie elkaar kenden.' 'O, natuurlijk, zeg! Petersen en ik zijn jarenlang collega's geweest. UNESCO, weet je?' Oom Arthur deed het altijd voorkomen alsof hij een Britse gedelegeerde bij de UNESCO was, omdat zoiets een uitstekend alibi was voor zijn vele buitenlandse reizen. 'Diepzeebiologie is misschien niet bijzonder cultureel, maar het is wetenschap en het heeft zelfs een opvoedkundige kant. Petersen was een van mijn beste medewerkers. Hield lezingen. Nam deel aan buitenlandse missies: Europa, Azië, Afrika en Zuid-Amerika.' (Dat was nog waar ook, alleen waren het geen missies en nog minder lezingen.) 'Ik wist niet eens dat hij hier was, tot ze het mij in het hotel vertelden. Maar laat ik nu eens ophouden over ons tweeën te spreken. Het gaat over Hunslett, de collega van Petersen, en dus ook de mijne, in de verte dan. Waar is die kaerel gebleven? Nergens een spoor! Jullie liggen het dichtst in de buurt - hebben jullie iets gezien?' 'Kan me niet herinneren,' zei Skouras. 'Eén van jullie hier? Niet? Niemand?' Hij drukte op een bel en de hofmeester kwam binnen. Skouras droeg hem op een onderzoek in te stellen en de hofmeester verdween. 'Sinds wanneer mist u hem, meneer Petersen?' 'Geen idee! Toen ik wegging was hij bezig met een onderzoek. Ik ben de hele dag bezig geweest specimens te verzamelen. Van kwallen.' (Dit met een geringschattend lachje, terwijl ik op mijn gezicht vol striemen wees.) 'Sommige zijn vergiftig, helaas. Toen ik terugkwam was hij verdwenen.' 'Kon uw vriend zwemmen, meneer Petersen?' vroeg de vreemdeling. Ik keek hem aan; hij was een gezette, donkere knaap van een jaar of vijfenveertig, met diepliggende, felle zwarte ogen in een gebruind gezicht. Onbewogen gezichten schenen die dag de grote mode te zijn, dus het mijne deed mee, hoewel het mij niet meeviel. 'Helaas niet,' zei ik rustig. 'U denkt, vermoed ik, in dezelfde richting als ik. Wij hebben geen reling op het achterschip. Eén onvoorzichtige stap...' Ik zweeg toen de hofmeester weer terugkwam om te zeggen dat niemand iets van Hunslett had gezien. Daarna ging ik verder: 'Ik ben van mening dat wij deze vermissing zo gauw mogelijk aan de politie behoren te rapporteren.' Het scheen dat iedereen het daarmee eens was, dus namen wij afscheid van het gezelschap. Bij de valreep deed ik net of ik slipte; ik sloeg wild met mijn armen om mij heen, greep naar de stormlantaren en viel in zee, met het ding in mijn hand. Met al die regen, de wind en de plotselinge duisternis ontstond er heel wat verwarring en het duurde enige tijd voor ze mij uiteindelijk weer aan boord hadden gehesen. Skouras was één en al medelijden en behulpzaamheid. Hij bood mij aan in de badkamer van kleren te verwisselen maar ik sloeg zijn aanbod af en ging met Oom Arthur naar de 'Firecrest' terug. Geen van ons sprak een woord. Toen wij de dinghy vastmaakten zei ik: 'Toen u op de "Shangri-la" dineerde, moet u toch een of andere verklaring hebben gegeven voor uw aanwezigheid hier, voor uw plotseling opdoemen in een R A F -reddingsloep.' 'Natuurlijk. Het was heel plausibel. Ik vertelde hun dat een zeer belangrijke UNESCO-conferentie in Genève niet door kon gaan door de afwezigheid van een zekere dr. Spenser Freeman (het mooiste is dat het nog waar is ook, alle kranten schrijven erover. Wel, dr. Freeman is niet in Genève omdat ons dat niet uitkwam, maar dat hoeft niemand te weten). Ik heb erbij verteld dat zijn aanwezigheid in Genève een kwestie van nationaal belang is, dat wij bericht hadden ontvangen dat hij bezig is met onderzoekingen in Torbay en dat de regering mij heeft opgedragen hem terug te halen.' 'Waarom heeft u de sloep dan weggestuurd? Dat is dan toch wel vreemd?' 'Nee. Als Freeman ergens in de wateren van Torbay is, zou ik hem toch niet voor daglicht kunnen vinden. Ik heb verteld dat er een helikopter klaarstond om hem op te halen. Ik had maar naar de telefoon te grijpen en het ding zou binnen een half uur te bestemder plaatse zijn.' 'En u wist natuurlijk niet dat de telefoonlijnen waren doorgesneden. Het klopte bijna - als u niet naar de "Firecrest" was gekomen met die reddingsloep vóór u naar de "Shangri-la" ging. U werd niet verondersteld te weten dat onze vrienden, die zich in de kajuit op het achterschip hadden opgesloten toen u aan boord ging, zouden rapporteren dat zij een R A F -reddingsloep hier hadden gehoord om die en die tijd. Zij hadden het door een patrijspoort kunnen zien natuurlijk, maar zelfs dat is niet noodzakelijk: die motor herken je uit duizenden. Bijgevolg: onze vrienden weten dat u staat te liegen dat u zwart ziet. Er is alle kans dat zij nu een heel aardig idee hebben van wat u hier komt doen. Mijn gelukwensen, meneer! Nu zitten wij in hetzelfde schuitje. Geen verzekeringsmaatschappij ter wereld zal nog bereid zijn een polis op uw leven te accepteren, zelfs niet tegen een premie van honderd procent.' 'Ons tochtje naar de "Shangri-la" heeft dus je laatste twijfel omtrent onze vrienden weggenomen?' 'Ja meneer! Zag u hoe onze adellijke vriend de makelaar reageerde? En dat voor een aristocraat...' 'Het komt mij voor dat de bewijskracht niet in overeenstemming is met de ernst van de beschuldiging, Calvert,' zei Oom Arthur ijzig. 'Jawel meneer!' Ik haalde mijn kikvorspak uit de achterdekhut te voorschijn en ging hem voor naar de kajuit. 'Ik viel niet zo maar in het water. Het was een doelbewuste handeling. Ik had u nog niet verteld dat ik een herkenningsteken in het roerblad van die boot heb gemaakt toen ik vanavond in het water lag, in die kreek. Een diep V-merk. Wel... de sloep van de "Shangri-la" ... hééft het. De V op het roerblad. Dezelfde V, meneer! Het is die boot!' 'Juist... juist... Ik begrijp...' Oom Arthur ging ervoor op de canapé zitten en doorboorde mij met de combinatie van zijn blauwe oog en zijn monocle. 'Je hebt mij niet van tevoren van je bedoelingen op de hoogte gebracht.' 'Ik heb het niet vergeten, meneer.' Ik begon mijn druipnatte kleren uit te trekken. 'Hoe kon ik weten dat u zo'n uitstekende toneelspeler bent, meneer?' 'Je verontschuldiging wordt aangenomen. Dus dat nam je laatste twijfel weg.' 'Nee, meneer. Om u de waarheid te zeggen had ik die bevestiging niet eens meer nodig. Herinnert u zich dat donkere type dat naast Lavorski zat en die mij vroeg of Hunslett kon zwemmen? Wel, ik wil er wat onder verwedden dat hij bij het diner nog niet aanwezig was.' 'En je zou het natuurlijk winnen. Maar hóe weet je dat?' 'Omdat hij het bevel voerde over de bemanning die de helikopter omlaag schoot, Williams vermoordde en daarna op mij wachtte om mij ook af te maken. Zijn naam is Imrie. Kapitein Imrie. De aanvoerder van de piraten die de "Nantesville" overmeesterden, de kapitein van de prijsbemanning.' Oom Arthur knikte maar zijn gedachten waren niet bij de zaak. Die waren bij het kikvorspak dat ik bezig was aan te trekken. 'Wat ben je in 's hemelsnaam van plan?' vroeg hij. 'Ik breng u van tevoren op de hoogte van mijn bedoelingen, meneer. Zó gebeurd. Ik wou nog eens een kijkje bij de "Shangri-la" nemen. Of liever, bij de sloep van de "Shangri-la". "On revient toujours a ses premiers amours". Als u het ermee eens bent, uiteraard.' 'Dus het is iets dat je me nog niet hebt verteld, Calvert? Bij voorbeeld dat het afrukken van die stormlantaren geen ongelukje was?' 'Ik wou er graag zijn vóór ze hem weer hebben opgehangen, meneer.'

 

 

'Ik kan het niet geloven! Ik kan het niet geloven!' herhaalde Oom Arthur hoofdschuddend. Ik dacht een ogenblik dat hij zijn verbazing erover uitsprak dat ik nu al weer terug was van mijn tweede tocht naar de sloep, maar uit het vervolg bleek dat hij met belangrijker zaken bezig was. 'Dat die Tony Skouras hier tot aan zijn nekharen bij betrokken is. Daar moet iets wel héél erg verkeerd zijn gegaan. Ik kan het eenvoudig niet geloven. Grote God, weet je dat hij op het punt stond in de adelstand te worden verheven?' 'Nu al? En hij vertelde mij juist dat hij wilde wachten tot de uitverkoop.' Oom Arthur zei niets. Onder normale omstandigheden zou hij zoiets als een dodelijke belediging hebben opgevat, daar hij zelf automatisch een Lordstitel zou krijgen wanneer hij met pensioen zou gaan. Maar neen hoor! Zó 'kapot' was hij ervan. 'Natuurlijk zou ik het liefst de hele bende zonder meer laten arresteren,' ging ik verder, 'maar wij zijn aan handen en voeten gebonden. Wij staan schaakmat. Nu ik dit alles weet, vraag ik mij af of u mij zou willen helpen vóór wij aan land gaan, meneer. 'Twee dingen: in de eerste plaats of Sir Anthony werkelijk een paar dagen geleden naar een scheepswerf aan de Clyde is geweest om stabilisatoren op zijn boot te laten maken ... een heel werk, dat maar weinig werven zouden aandurven in een jacht van deze grootte. Het moet toch mogelijk zijn daar in een paar uur achter te komen. Weet u, soms vertellen de mensen domme leugens, zelfs als het helemaal niet nodig is. En verder zou ik willen weten of Lord Kirkside de nodige stappen heeft gedaan om de titel van zijn zoon die dood is - Viscount die en die - overgeschreven te krijgen op zijn jongste zoon.' 'Jij zet het programma maar in elkaar en ik zal hun alles vragen wat je wilt,' zei Oom Arthur neerslachtig. Hij luisterde niet eens meer; hij was nog steeds met stomheid geslagen bij de gedachte dat iemand die, net als hij, op het punt stond tot de hoogste adel van het koninkrijk te gaan behoren, tot zijn nek toe verwikkeld bleek in misdadige activiteiten van de gevaarlijkste soort. 'En zet een nieuwe fles klaar voor je naar buiten gaat.' Zoals Oom Arthur de consumptie opvoerde, was het toch maar weer een wijze ingeving van de Voorzienigheid geweest dat de kelders van een van de beroemdste distilleerderijen in de Hooglanden zich op nauwelijks een halve mijl bevonden van de plek waar wij voor anker lagen, schoot mij door het hoofd.

 

 

Ik liet de loze kap van de stuurboorddiesel op de vloer van de machinekamer zakken alsof het ding een ton woog. Ik ging rechtop staan en stond daar een minuut lang onbeweeglijk. Toen ging ik naar de deur. 'Sir Arthur?' 'Ik kom, ik kom.' Even later was hij er, met een glas whisky in zijn hand. 'Heb je de sleutel van het drama?' 'Ik heb Hunslett gevonden, meneer.' Oom Arthur deed een paar stappen, onzeker, als iemand die slaapdronken is. De zender was verdwenen. AI onze explosieven, afluisterapparaten en kleine draagbare zenders waren verdwenen. Er was wel veel ruimte overgebleven. Zij hadden hem dubbel gevouwen naar binnen gestouwd; zijn hoofd lag op zijn armen en zijn armen lagen op zijn knieën en er was nog plenty ruimte over. Ik kon zijn gezicht niet zien. Ik zag ook geen sporen van geweld. Zoals ik hem half zittend, half liggend had aangetroffen, leek hij vredig te slapen: een man die op een warme zomermiddag op een rustig plekje is weggedoezeld. Het zou een lange zomermiddag worden, een heel lange, want de eeuwigheid duurt lang. Had ik hem de vorige avond niet verteld dat hij zo veel zou kunnen slapen als hij wilde? Ik raakte zijn gezicht aan. Het was nog niet verstijfd. Hij was misschien twee, drie uur dood, niet langer. Ik draaide hem om om te zien hoe hij was gestorven. Zijn hoofd viel opzij als bij een gebroken lappenpop. Ik keek Sir Arthur aan. De uitdrukking van slaapdronkenheid was verdwenen; zijn ogen stonden hard, koud, onverbiddelijk. Vaag herinnerde ik mij de verhalen die ik dikwijls had gehoord over de meedogenloosheid van Ooms optreden, verhalen die ik altijd zonder meer naar het rijk der fabels had verwezen. Nu was ik er niet meer zo zeker van. Oom Arthur was ten slotte niet geworden wat hij nu was omdat hij op een advertentie had geschreven in de 'Daily Telegraph', nee, hij was uitgekozen door twee of drie heel knappe koppen die het hele land hadden uitgekamd om juist die ene man van uitzonderlijke kwaliteiten te vinden. Die man was Oom Arthur, en volkomen meedogenloosheid moest één van die belangrijke eigenschappen zijn. Ik had er eerlijk gezegd nooit bij stilgestaan. 'Vermoord, natuurlijk,' zei hij. 'Ja, meneer.' 'Hoe?' 'Zijn nek is gebroken, meneer.' 'Zijn nek? Zo'n gespierde kerel als Hunslett?' 'Ik ken iemand die zoiets doet met één druk van zijn handen. Die man heet Quinn. Hij heeft Baker en Delmont vermoord. Hij had mij bijna!' 'Juist!' Oom zweeg even, ging toen bijna verstrooid verder: 'Jij gaat er nu natuurlijk op uit, en vóór alle dingen: je vernietigt die man. Hoe,dat is jouw zaak. Kun jij de zaak reconstrueren, Calvert?' 'Ja meneer.' Als het erom ging iets te reconstrueren, moest je bij mij zijn. 'Onze vriend - of vrienden - zijn aan boord van de "Firecrest" geklommen kort nadat ik was weggegaan. Vóór het aanbreken van de dag. Zij zouden het nooit hebben gewaagd bij daglicht te werken. Zij hebben Hunslett overmeesterd en hem vastgebonden. Zo heeft hij de hele dag gezeten, wat ik opmaak uit het feit dat hij zich niet aan het dagrooster heeft gehouden. Toen u aan boord kwam, hielden zij hem nog steeds vast. Zij hadden er geen belang bij de indruk te wekken dat er iemand aan boord was - de boot die hen hier had gebracht was natuurlijk meteen weer vertrokken. Zij konden de boot van de "Shangri-la" niet de hele dag langszij de "Firecrest" laten liggen.' 'Dergelijke conclusies kun je me wel besparen, ik ben niet achterlijk.' 'Ja meneer. Ongeveer een uur of zo na uw vertrek kwam de sloep van de "Shangri-la" opdagen, met kapitein Imrie en Quinn & Co. aan boord om te melden dat ik was omgekomen. Dat betekende Hunsletts doodvonnis. Als ik dood was, konden zij deze gevaarlijke getuige niet in leven laten. Dus werd hij door Quinn vermoord. Waarom op deze manier? Dat weet ik niet. Misschien waren ze bang dat schoten te ver doorklinken; misschien wilden ze geen slag- of steekwapen gebruiken omdat die te veel bloed achterlaten. Zij waren namelijk van plan vannacht terug te komen, tegen een uur of twaalf, om de boot weg te brengen naar de Sound en hem daar tot zinken te brengen en er mocht eens iemand in die tussentijd aan boord komen... Maar persoonlijk geloof ik dat Hunslett op die manier is vermoord omdat die Quinn een psychopaat is; een lustmoordenaar, en deze manier hem de meeste bevrediging schenkt.' 'Ja. Misschien wel. Zij hebben natuurlijk gedacht: "Waar kunnen wij het lijk verbergen tot wij vannacht terugkomen. Voor het geval iemand aan boord klimt." En toen kwamen zij op een idee: "Ha! Gevonden! Wij zullen hem in de loze diesel stoppen." Daarop hebben zij de zender en alle overige spullen buitenboord gegooid of meegenomen, dat doet er niet toe, en Hunslett erin gestopt.' Al die tijd had Oom Arthur heel rustig en gelijkmatig gesproken. Plotseling, voor het eerst zolang ik hem kende, begon hij te schreeuwen: 'En hoe konden zij in godsnaam weten dat dit een loze diesel was, Calvert? Hoe zijn ze dat te weten gekomen?' Hij beheerste zich bijna op hetzelfde ogenblik en met bijna toonloze stem ging hij verder: 'Iemand heeft gepraat, Calvert... Of iemand heeft zich schuldig gemaakt aan misdadige zorgeloosheid.' 'Niemand heeft gepraat, mijnheer. Maar wel is er iemand misdadig zorgeloos geweest. Ik! Als ik mijn ogen voldoende de kost had gegeven zou Hunslett daar nu niet liggen. In de nacht dat die twee zogenaamde douaneambtenaren aan boord waren, wist ik dat zij iets hadden gevonden toen wij in de machinekamer waren. Tót het moment waarop zij de batterijen hadden geïnspecteerd waren zij met de fijne zeef aan het werk geweest. En plotseling kon het hun niets meer schelen. Hunslett beweerde zelfs dat het iets met de batterijen te maken had, maar natuurlijk was ik weer te knap om hem te geloven.' Ik liep naar de werkbank, nam een lamp en gaf die aan Oom Arthur. 'Ziet u iets verdachts op die batterijen?' Hij keek mij aan, met dat verbitterde, harde monocle-oog, pakte de lamp aan en begon de batterijen zorgvuldig te onderzoeken. Na een ogenblik richtte hij zich op: 'Niets!' 'Wel... Thomas - de douaneman die zich als Thomas aandiende - zag wel wat. Hij had ons geen minuut uit het oog verloren. Hij wist waar hij naar zocht: naar een sterke radiozender. Niet dat onnozele dingetje dat wij in de stuurhut hadden opgesteld. Hij wilde weten waar en hoeveel stroom aan die batterijen werd onttrokken. Hij keek naar krassen en dergelijke die door schroefklampen of sterk getande klemmen worden gemaakt.' Oom Arthur vloekte zacht en hevig, welgekozen slechte woorden, en boog zich opnieuw over de batterijen. Nu deed hij er maar een paar seconden over. 'Je slaat de spijker op de kop, Calvert.' Zijn gezicht stond verbitterd, maar het was duidelijk dat zijn belangstelling gewekt was. 'Geen wonder dat zij precies wisten wat ik vandaag deed,' zei ik woedend. 'Geen wonder dat zij wisten dat Hunslett hier alleen zou zijn; dat ik bij die kreek zou landen, vanavond. Het enige dat zij nodig hadden was een seintje van iemand in de buurt van Loch Houron dat Calvert er rondscharrelde, en de helikopter was tot ondergang gedoemd. Al die kolder van radiozenders vernielen zodat wij dachten de enigen in het land te zijn die over een zender beschikten... God, hoe kan iemand zo stom zijn...' 'Ik neem aan dat er ergens een logische gevolgtrekking achter die uitbarsting schuilt,' zei Oom Arthur koel. 'Die avond toen Hunslett en ik aan boord van de "Shangri-la" waren om er een borrel te drinken... Ik vertelde u immers al dat er bezoek was geweest tijdens onze afwezigheid? Wij wisten alleen niet waarom! Grote God!' 'Je hebt nu genoeg moeite gedaan om aan te tonen dat ik niet slimmer was dan jij met die batterijen. Dat hoef je niet nog eens te herhalen...' 'Laat mij uitspreken,' onderbrak ik hem. Oom Arthur hield er niet van onderbroken te worden. 'Zij gingen dus naar de machinekamer. Zij wisten dat er een zender was. De stuurboordcilinderkap. Vier bouten — de rest is loos — waarvan de verf strepen en krassen vertoont. De bouten van de cilinders aan bakboord zijn onberispelijk. Zij halen de kap eraf, plaatsen een antenne en een microfoon die zij verbinden met een kleine zender, die zij - waarom niet - achter die accu's daar opstellen. Zij wisten precies wat zij van plan waren, dus hadden zij alles meegenomen wat zij nodig hadden. Vanaf dat ogenblik konden zij elk woord afluisteren dat wij spraken. Zij kenden al onze plannen, al onze voornemens, en zij stelden hun eigen plan de campagne daarop in. Zij waren van mening - en dat hadden zij verdomd goed gezien - dat het voor hen uitstekend uitkwam als Hunslett en ik rechtstreeks met u in verbinding bleven, zodat zij precies op de hoogte waren van ons doen en laten. Daar hadden zij veel meer aan dan deze zender onklaar te maken, zodat wij gedwongen zouden zijn naar andere communicatiemiddelen om te zien waar zij niets van af wisten.' 'Maar waarom...' Hij maakte een niet-begrijpend gebaar naar de lege machineruimte.'Waarom verknoeiden zij dan hun voorsprong?' 'Het was geen voorsprong meer,' zei ik vermoeid. 'Toen zij die zender eruit trokken was Hunslett dood en zij wisten niet beter of ik was ook dood. Zij hadden het ding niet meer nodig.' 'Natuurlijk, natuurlijk... Grote God, wat een stel doortrapte boeven is dat.' Hij liet zijn monocle vallen en begon zijn rechteroog te masseren. 'Zij begrijpen natuurlijk wel dat wij Hunslett zullen vinden zodra wij deze zender willen gebruiken. Ik begin je opmerking naar waarde te schatten, dat het ons nog moeite zal kosten een levensverzekering af te sluiten. Zij weten niet precies hoeveel wij weten, maar zij kunnen geen enkel risico nemen. Zeker niet als er een slordige zeventien miljoen pond sterling op het spel staat. Zij zullen ons het zwijgen moeten opleggen.' 'Erop of eronder, dat is de vraag,' stemde ik toe. 'Wij zitten hier al veel te lang beneden, zij zouden wel eens naar ons op weg kunnen zijn. Laat die Luger geen ogenblik los, meneer! Als wij eenmaal op pad zijn zal het wel loslopen. Maar eerst moeten wij Hunslett en onze vriend in de kajuit op het achterschip aan wal brengen.' 'Ja, ja! Zij moeten eerst aan wal.'

 

 

Onder normale omstandigheden is het lichten van een anker met behulp van een elektrische windas geen werkje voor de amateur, zelfs niet voor de intelligente amateur. Zelfs een kleine windas heeft een trekkracht van over de 1250 pond. Eén onvoorzichtige beweging van hand of voet, een te wijde broekspijp of de flapperende onderkant van een oliejas, gegrepen tussen de ketting en de trommel en je mist een hand of een voet vóór je tijd hebt om te brullen, laat staan om de hefboom te grijpen die onvermijdelijk achter de windas is geplaatst. Het is tweemaal zo gevaarlijk met het ding te manipuleren op een nat, glibberig dek. Maar om het op een nat, glibberig dek te doen in totale duisternis, bij zware regenval en op een hevig stampende boot, wanneer dan nog bovendien de rempal buiten werking is en en het geheel wordt bedekt met een stuk zeildoek - wel, dat is zonder meer 'gevaarlijk'. Maar nog steeds niet zo gevaarlijk als de aandacht te trekken van onze vrienden op de 'Shangri-la'. Misschien kwam het omdat ik zo volmaakt verzonken was in de job, misschien omdat de binnenkomende ankerketting tóch geluid maakt, wat je er ook aan doet: in elk geval vermocht ik niet het geluid zo vlug te identificeren en te lokaliseren als ik wilde. Tweemaal dacht ik ergens ver weg het geluid van een vrouwenstem te horen en tweemaal schreef ik het op rekening van mijn verbeelding of maakte mij vage voorstellingen van fuiven of 'parties' aan boord van de kleine jachten verderop in de baai. Niet ten onrechte overigens: je staat versteld als je hoort over de liters, de okshoofden gin en andere opwekkende dranken die aan boord van Britse jachten worden geconsumeerd als de zon eenmaal is ondergegaan. De enige kreet van wanhoop die je bij dergelijke gelegenheden ooit te horen krijgt, weerklinkt wanneer ze niet genoeg drank meer hebben. Ik hoorde de stem opnieuw, nu veel dichterbij naar het mij voorkwam, en de wanhoop die erin doorklonk was van een heel andere soort. Ik zette mijn voet op de dekschakelaar en het werd stil op de bak. Tot mijn verbazing constateerde ik op hetzelfde ogenblik dat ik de Lilliputter al in mijn hand had. 'In godsnaam, sta me bij!' De stem klonk gedempt, dringend en wanhopig. 'Help, red me!' De woorden schenen uit het water te komen, midscheeps aan bakboord. Ik sloop op mijn tenen naar de plaats waar het geluid volgens mij vandaan kwam, en bleef onbeweeglijk staan. Ik dacht aan Hunslett en verroerde geen vin. Ik was niet van plan wie dan ook te helpen tot ik er volkomen zeker van was dat de stem niet van een of ander rubbervlot kwam - een vlot met twee passagiers, beide met een machinepistool gewapend. Eén woord, één onbedachtzame lichtstraal, één druk op de trekker en Calvert zou zijn voorvaderen gezelschap kunnen gaan houden - tenminste, als zij iets met zo'n uil van een nakomeling te maken wilden hebben. 'In godsnaam, help, help me dan toch!' Ik hielp haar. Niet eens zozeer vanwege de wanhoop in de stem, die ongetwijfeld echt was, als wel omdat het wel degelijk Charlotte Skouras was die om hulp riep. Tussen de spiegaten en de reling liet ik een rubber stootkussen neer dat altijd aan een van de stangen was bevestigd en liet het zakken. 'Lady Skouras?' vroeg ik. 'Ja, ja, ik ben het. Goddank, goddank.' Het ging haar niet gemakkelijk af, zij snakte naar adem. 'Er hangt een lijn omlaag. Pak die vast.' Even later: 'Ik heb hem.' 'Kunt u zich ophijsen?' Geplas en gehijg; en toen: 'Nee, nee, het lukt niet!' 'Geeft niet. Wacht even!' Ik wilde mij omdraaien om Oom Arthur erbij te halen, maar hij was er al. 'Lady Skouras zit daar ergens op een vlot in het water,' zei ik hem. 'Het kan een valstrik zijn, hoewel ik niet de indruk heb. Maar schiet zodra iemand licht maakt.' Hij zei niets maar ik voelde zijn arm bewegen toen hij de Luger te voorschijn haalde. Ik klom over de reling en liet mij zakken tot ik met mijn voeten op het stootkussen stond. Toen reikte ik omlaag en greep haar arm. Charlotte Skouras had geen slank elfenfiguurtje; bovendien had zij een omvangrijk pak om haar middel gebonden en ik was niet zo fit als ik het eens, lang geleden - wel achtenveertig uur geleden - was. Maar dank zij de behulpzame hand van Oom Arthur slaagde ik erin haar aan dek te hijsen. Met zijn tweeën droegen wij haar meer dan dat zij liep, naar de lounge, waar wij haar op de canapé neerzetten. Ik schoof een kussen in haar rug en bekeek haar oplettend. Zó was zij nooit op de omslag van 'Vogue' verschenen. Zij zag er verschrikkelijk uit. Naar haar donkere lange broek en haar trui te oordelen had zij minstens een maand op dat vlot in zee rondgedreven, in plaats van een paar minuten, zoals waarschijnlijker. Haar lange, verwarde bruine haar plakte aan haar voorhoofd en haar wangen; haar gezicht was doodsbleek, de grote, bruine ogen met de donkere kringen eronder stonden hol en verbijsterd en haar mascara en haar lippenrood begonnen uit te lopen. En zó mooi was zij nu ook al weer niet. Ik had nog wel gedacht dat zij de meest begerenswaardige vrouw was die ik ooit was tegengekomen. Toen was ik zeker dronken. 'Mijn lieve mevrouw Skouras! Mijn lieve mevrouw Skouras!' Oom Arthur was weer helemaal in de aristocratische sfeer en liet niet na dat te demonstreren. Hij knielde naast haar neer en begon zonder merkbaar resultaat haar gezicht met een zakdoek te betten. 'Wat is er in godsnaam gebeurd? Cognac, kerel, haal de cognacfles. Sta daar niet te suffen, man, kom op met die cognac!' Oom Arthur scheen te denken dat hij zich in zijn stamcafé bevond, maar gelukkig had ik nog wat cognac over. Ik duwde het glas in zijn handen en zei: 'Als u zich over Lady Skouras wilt ontfermen, meneer, dan ga ik verder met het lichten van het anker.' 'Nee, nee!' Zij nam een slok cognac, verslikte zich zodat ik moest wachten tot zij was uitgehoest om te horen wat zij nog meer te vertellen had. 'Het duurt nog minstens twee uur voor ze komen. Ik weet het. Ik heb alles gehoord. Er is iets verschrikkelijks aan de hand, Sir Arthur. Ik moest komen, ik moest, ik moest!' 'Lady Skouras, u moet niet zo wanhopig zijn! Lady Skouras, kalm aan, kalm aan...' Alsof het zó al niet erg genoeg was. 'Drink maar eens, Lady Skouras.' 'Nee, dat niet, dat niet!' Ik vond het bepaald beledigend, het was verdomd goeie cognac, maar toen begreep ik dat zij er iets anders mee bedoelde. 'Geen Lady Skouras! Nooit, nooit meer! Charlotte. Charlotte Meiner. Charlotte voor jullie!' Eén ding is kenmerkend voor vrouwen: zij denken altijd het eerst aan zich zelf. Daar had je nu een stel lui op de 'Shangri-la' die van plan waren een zelfgemaakte atoombom door onze ramen te gooien en het enige waar zij aan kon denken was dat wij haar Charlotte moesten noemen. 'Wat komt u hier eigenlijk doen?' vroeg ik. 'Calvert!' Oom Arthurs stem flitste door de lounge als een bliksemstraal. 'Ben je gek geworden? Lady - Charlotte, bedoel ik -is net bezig van een hevige schok te bekomen en daar begin jij... Wil je mevrouw eerst wat op verhaal laten komen?' 'Nee!' Zij hees zich overeind en dwong zich te glimlachen, half beangst, half spottend. 'Nee, meneer Petersen, meneer Calvert of hoe u nog meer heet, u heeft volkomen gelijk. Actrices zijn geneigd te veel aan hun emoties toe te geven. Maar ik ben geen actrice meer,' Zij nam nog een slok cognac en er kwam wat kleur op haar bleke wangen. 'Ik wist al enige tijd dat er heel erge dingen op "Shangri-la" gebeurden. Er kwamen allerlei rare lieden aan boord. Een aantal beproefde bemanningsleden werd zonder motief afgedankt. Ik werd verscheidene keren samen met de hofmeesteres op de kust gezet en naar een hotel gestuurd terwijl de "Shangri-la" geheimzinnige tochten ging ondernemen. Mijn echtgenoot - Sir Anthony - vertelde mij niets. Sinds wij getrouwd zijn is hij vreselijk veranderd - ik denk dat hij zich overgeeft aan bedwelmende middelen. En overal wapens! Als die vreemde kerels aan boord kwamen werd ik naar mijn hut gestuurd, na afloop van het diner.' Zij lachte een vreugdeloos lachje. 'Het was geen jaloersheid van mijn man, dat kunt u wel denken. De laatste paar dagen voelde ik dat de climax naderde. Deze avond werd ik naar mijn hut gestuurd, onmiddellijk na uw vertrek. Ik verliet de lounge maar bleef in de gang staan. Ik hoorde Lavorski zeggen: "Als die vriend van jou, die admiraal, een UNESCO-afgevaardigde is, Skouras, dan ben ik Neptunus. Ik weet wie hij is. Iedereen hier weet wie hij is. Het is nu te laat en zij weten al veel te veel. Het is: wij of zij!" En toen kapitein Imrie - wat haat ik die man! -: "Ik zal Quinn, Jacques en Kramer er vannacht op afzenden. Om één uur zullen zij de buitenboordskranen openzetten, wanneer zij in de Sound zijn." ' 'Die echtgenoot van u heeft toch maar gezellige vrienden,' mompelde ik. Zij keek mij aan, half onzeker, half afwachtend, en zei toen: 'Meneer Petersen of meneer Calvert - ik hoorde dat Lavorski u Jones noemde...' 'Ja, het is verwarrend,' gaf ik toe. 'Calvert is de naam. Philip Calvert.' 'Wel, Philippe,' - zij sprak het op zijn Frans uit en zó klonk het bijzonder plezierig - 'je bent een heel dom jongetje, als dat alles is wat je erop hebt te zeggen. Je verkeert in levensgevaar.' 'Meneer Calvert is zich ten volle bewust van de gevaren die hem bedreigen,' kwam Oom Arthur enigszins bits tussenbeide. Hij had niets tegen haar zinswendingen, maar hij was in principe tegen een zo vérgaande familiariteit - voornamen - tussen de aristocratie en het vulgus. 'Hij houdt er een zonderlinge manier op na om aan zijn gevoelens uitdrukking te geven, dat is alles. U bent een uitzonderlijk dappere vrouw, Charlotte.' (In aristocratische kringen is het gebruik van voornamen op een andere manier geregeld.) 'U nam groot risico door dat gesprek af te luisteren. Veronderstel dat zij u hadden gesnapt...' 'Ik werd gesnapt, Sir Arthur.' Haar lippen plooiden zich tot een glimlach, haar ogen deden niet mee. 'Dat is de tweede reden waarom ik hier ben. Want zelfs als ik niets had geweten van het gevaar waarin u beiden verkeert, was ik gekomen. Mijn echtgenoot verraste mij. Hij sleepte mij naar zijn kajuit.' Zij stond wankelend op, draaide zich om en trok haar druipnatte trui omhoog. Dwars over haar rug liepen drie grote bloedrode striemen. Oom Arthur stond als versteend; hij was niet in staat een woord te uiten. Ik deed een stap opzij en keek naar haar rug. De striemen waren wel twee centimeter breed en liepen over de hele achterkant van haar lichaam. Hier en daar waren kleine plekjes gestold bloed. Heel voorzichtig raakte ik de wonde aan. Deze was rauw, de striemen waren kortgeleden toegebracht. 'Dat is toch gemeen, nietwaar? Hij heeft mij veel pijn gedaan!' Zij glimlachte; het was dezelfde verdrietige glimlach. 'Ik zou u nog veel erger dingen kunnen laten zien.' 'Nee nee, dat is niet nodig,' zei Oom Arthur haastig. Hij zweeg een ogenblik en barstte toen los: 'Charlotte, mijn lieve Charlotte, wat moet je niet hebben geleden! Het is erg, werkelijk, het is afschuwelijk. De onmens! Het monster! Ja, het monster! Misschien onder invloed van hasjiesj! Wie had ooit zoiets verwacht!' Zijn gezicht was rood als een tomaat van verontwaardiging en zijn stem klonk alsof Quinn zijn handen om zijn keel geklemd hield. Gesmoord! 'Wie had dat ooit kunnen geloven.' 'De vorige Lady Skouras,' antwoordde Charlotte rustig, zij het ongevraagd. 'Nu begrijp ik waarom zij het ene gekkenhuis uit en het andere inging, voor zij stierf.' Zij rilde. 'Ik ben niet van plan een voorbeeld aan haar te nemen. Ik ben van taaier substantie gemaakt dan Madeleine Skouras. Daarom pakte ik mijn tas en vluchtte.' Zij wees op het plastic valiesje dat zij om haar middel had gebonden. 'Net als Dick Whittington, nietwaar?' 'Zij zullen hier wel vóór middernacht aankloppen als zij merken dat u er vandoor bent,' bracht ik in het midden. 'Best mogelijk dat zij pas morgenochtend tot die ontdekking komen. Meestal doe ik mijn kajuit op slot; vanavond heb ik hem aan de buitenkant afgesloten.' 'Dat helpt,' zei ik. 'Maar niet, als u in die natte kleren blijft rondlopen. U komt er niets verder mee als u wegloopt om een paar dagen later aan een longontsteking te overlijden. Er zijn schone handdoeken in onze kajuit. Daarna zoeken wij een kamer voor u in het Columba hotel.' 'Ik had iets beters verwacht.' Was het verbeelding dat zij onwillekeurig ineenkromp? De doffe blik in haar ogen liet overigens niets aan de verbeelding over. 'U wilt mij daar naar toe brengen waar zij het eerst zullen zoeken. In Torbay ben ik nergens veilig. Zij zullen mij vinden, terugbrengen en mijn echtgenoot zal mij weer naar zijn kajuit slepen. Ik moet wég, er is geen andere hoop voor mij. Het is ook uw enige mogelijkheid. Kunnen wij niet samen vluchten?' 'Nee.' 'U windt er geen doekjes om, nietwaar?' Er klonk oneindige moeheid uit dit verwijt; neerslachtigheid en vernederde trots die mijn zelfrespect geen goed deden. Zij wendde zich tot Oom Arthur, nam zijn beide handen in de hare en zei met een diepe, gevoileerde stem: 'Sir Arthur, ik doe een beroep op u als Engelsman en man van eer.' Weg met Calvert, die laag-bij-de-grondse lomperik van buitenlandse afkomst. 'Mag ik blijven? Ik smeek het u!' Oom Arthur keek mij aan, aarzelde, keek Charlotte Skouras aan, keek in die grote, diepbruine ogen, en was verloren. 'Natuurlijk mag u blijven, mijn lieve Charlotte!' Hij maakte een stijve, ouderwetse buiging. Ik moest toegeven dat het uitstekend paste bij zijn sikje en zijn monocle. 'U gebiedt, mijn lieve dame!' 'Dank u, Sir Arthur.' Zij glimlachte tegen mij, geen triomfantelijk lachje, geen lachje van voldoening maar iets van: 'Laten wij alsjeblieft vrienden zijn.' En toen zei ze - o schande over mij: 'Het zou zo prettig zijn, Philippe, als ik jullie - hoe noem je dat ook weer... - jullie eensgezinde toestemming had.' 'Als Sir Arthur bereid is u aan een oneindig veel groter gevaar bloot te stellen aan boord van deze boot dan u in Torbay zou lopen, wel, dan is Sir Arthur verantwoordelijk. Overigens is mijn toestemming niet vereist. Ik ben maar een betaalde kracht en ik doe wat mij wordt opgedragen.' 'En je bent zo inschikkelijk dat ik er beroerd van word,' zei Oom Arthur ijzig. 'Het spijt mij, meneer!' Plotseling had ik het licht in Charlottes ogen zien stralen en het had mij volkomen verblind. 'Hoe kon ik ook maar een ogenblik uw inzicht in twijfel trekken! Mevrouw is heel welkom. Maar ik ben wel van mening dat zij veilig aan boord moet blijven wanneer wij aan land gaan, meneer.' 'Dat is een redelijk voorstel, wijs en voorzichtig,' zei Oom Arthur mild. Het scheen hem genoegen te doen dat ik zo plotseling van idee was veranderd; dat ik er blijk van gaf de wensen van de betere klassen te respecteren. 'Het is maar voor even,' glimlachte ik naar Charlotte Skouras. 'Binnen een uur zijn wij Torbay weer uit.'

 

 

'Wat kan het mij schelen waarvóór u hem arresteert?' Ik keek van brigadier MacDonald naar de man met zijn gebroken neus en de handdoek vol bloed, en weer terug naar MacDonald. 'Redenen te over: diefstal met braak. Manslag en geweldpleging. Onrechtmatig wapenbezit met de kennelijke bedoeling een aanslag te plegen, met andere woorden: poging tot moord! Wat u maar wilt!' 'Kalm aan, kalm aan! Zó gemakkelijk gaat dat niet!' Brigadier MacDonald spreidde zijn grote handen op de balie van het kleine politiebureau en keek op zijn beurt van mij naar de gevangene en van de gevangene naar mij. 'Hij heeft geen diefstal met braak gepleegd, meneer Petersen. Hij zette voet aan boord. Dat is niet bij de wet verboden. Manslag en geweldpleging? Het lijkt er meer op dat hij het slachtoffer is en niet de aanvaller. En wat voor wapen droeg hij, meneer Petersen?' 'Dat weet ik niet. Het is waarschijnlijk overboord gevallen.' 'Juist! Overboord gevallen, zei u toch? Dan is er geen enkel bewijs van een misdadig voornemen.' Ik kreeg een beetje genoeg van brigadier MacDonald. Hij was er als de kippen bij om met namaak douaneambtenaren samen te werken en mij saboteerde hij. 'Straks gaat u mij nog vertellen dat het alles spel van mijn verbeelding is! Dat ik aan land kwam, de eerste de beste voorbijganger bij zijn kraag heb gegrepen, hem met een knuppel zijn neusbeentje insloeg en hem toen hier naar toe heb gesleept terwijl ik mijn verhaal uitbroedde. Kom nou! Zelfs u kunt niet dom genoeg zijn om zoiets te geloven.' Zijn bruine gezicht werd rood van woede en op de balie werd de huid op de knokkels van zijn gebalde vuist wit. Met ingehouden adem zei hij: 'U wilt wel zo goed zijn niet zo'n toon tegen mij aan te slaan.' 'Als u erop staat zich als een dwaas aan te stellen zal ik u net zo behandelen. Zet u hem achter slot en grendel, ja of nee?' 'Met alleen uw ja tegen zijn nee?' 'Nee! Ik heb een getuige. Hij wacht op mij, bij het oude havenhoofd. Als u hem wilt zien..., schout-bij-nacht Sir Arthur Arnford-Jason. Een bijzonder hooggeplaatst functionaris.' 'U had een zekere meneer Hunslett bij u, toen ik onlangs bij u aan boord was'. 'Die is er ook!' Ik maakte een hoofdbeweging naar de gevangene. 'Waarom stelt u hem niet eens een paar vragen?' 'Eerst de dokter. Wij moeten eerst iets aan dat gezicht doen. Ik versta geen woord van wat hij brabbelt.' 'Dat is niet de schuld van zijn gezicht,' gaf ik toe. 'De voornaamste oorzaak van die moeilijkheid is dat hij Italiaans spreekt.' 'Italiaans? Is hij Italiaan? Daar kan ik gauw genoeg achter komen. De eigenaar van het eilandencafé is een Italiaan.' 'Kijk eens aan. Er zijn een stuk of drie, vier vragen die hij misschien aan deze knaap hier zou kunnen stellen: waar zijn paspoort is, hoe hij het land is binnengekomen, wie zijn werkgever is en waar hij verblijf houdt.' De brigadier keek mij een ogenblik zwijgend aan en zei toen langzaam: 'U is wel een buitengewoon vreemde diepzeebioloog, meneer Petersen.' 'U is wel een buitengewoon vreemde politieambtenaar, meneer MacDonald. Goedenacht!' Ik sloeg de slecht verlichte straat in naar de strandboulevard waar ik bleef wachten in de schaduw van een telefooncel. Even later kwam een man met een handkoffertje voorbij hollen en verdween in het politiebureau. Vijf minuten later kwam hij weer naar buiten. Dat was niet verwonderlijk; wat kon een dorpsdokter doen in een geval als dit, het was echt iets voor een operatietafel. Opnieuw ging de deur van het bureau open en brigadier MacDonald kwam haastig naar buiten, in een lange zwarte regenjas, tot aan zijn kin toe dichtgeknoopt. Hij liep vlug langs de kademuur, keek niet op of om, zodat ik hem heel gemakkelijk kon volgen toen hij de stenen trap afliep, het oude havenhoofd op. Aan het eind daarvan knipte hij zijn zaklantaren aan, ging nog een paar trappen omlaag en trok een bootje naar de wal. Ik leunde over de muur van het havenhoofd en stak mijn eigen lantaren aan. 'Waarom geven zij je geen telefoon of radio voor dringende boodschappen?' vroeg ik. 'Je zult nog een zware kou oplopen als je met zulk weer naar de "Shangri-la" moet roeien.' Hij kwam langzaam overeind en het touw viel uit zijn handen. De boot dreef in het duister weg. Hij kwam de trappen weer op met de langzame, zware tred van een oude man en vroeg rustig: 'Wat zei u over de "Shangri-la"?' 'Laat ik je niet ophouden, brigadier,' zei ik minzaam. 'Plicht gaat voor ijdele kout. Éérst je bazen! Vooruit, schiet op, vertel hun maar dat een van hun huurlingen het zwaar te verduren heeft gehad en dat Petersen zware verdenking koestert tegen brigadier MacDonald.' 'Ik weet niet waar u het over heeft,' zei hij met toonloze stem. 'De "Shangri-la" - wel... eh... ik ga helemaal niet naar die schuit toe.' 'O nee? Zou je mij dan eens willen vertellen waar je wél naar toe gaat? Vissen misschien? Heb je ergens je hengel laten liggen?' 'En zou jij je nou eens eindelijk met je eigen vervloekte zaken willen bemoeien,' zei hij grof. 'Dat is nou juist waar ik mee bezig ben. Kom, brigadier, schei uit. Denk je dat die Italiaan mij interesseert? Voor mijn part geef je hem een proces-verbaal wegens provoceren bij het standbeeld van Nelson. Ik heb hem naar jou toegespeeld, juist om je te waarschuwen dat jij je met gevaarlijke zaken inlaat, dat je in slecht gezelschap verkeert en om mijn eigen bevindingen aan jouw reacties te toetsen. Wel: je was een uitstekende toetssteen.' 'Ik mag dan niet een van de snuggersten zijn, meneer Petersen,' zei hij waardig, 'maar ik ben toch ook geen volslagen idioot. Ik dacht een ogenblik dat u erbij hoorde, of dat u achter hetzelfde doel aanzat als zij.' Hij zweeg even. 'Maar dat is niet zo. U bent iemand van de regering.' 'Ik ben overheidsdienaar!' antwoordde ik met een hoofdbeweging naar de 'Firecrest' op nauwelijks twintig meter afstand. 'Als je verstandig bent ga je mee naar mijn baas.' 'Ik heb niets met jouw soort overheidsdienaren te schaften.' 'Zoals je wilt,' zei ik onverschillig terwijl ik mij omdraaide om over de kademuur te kijken. 'O ja, over die twee jongens van jou gesproken: ik heb juist gehoord dat die enige tijd geleden in de Cairngorms zijn omgekomen.' 'Wat weet je van mijn zonen?' vroeg hij met toonloze stem. 'Ik vind het geen prettig idee hun te vertellen dat hun vader geen hand wou uitsteken om hen weer tot leven te brengen.' Hij bleef daar staan, met gebogen hoofd, in de regen en de donkerte, onbeweeglijk, zonder een woord te zeggen. Hij bood geen weerstand toen ik hem bij zijn arm nam om hem naar de 'Firecrest' te brengen.

 

 

Oom Arthur was erop uit te intimideren, en als Oom Arthur zich had voorgenomen te intimideren, werd dat een schouwspel om nooit te vergeten. Hij was niet opgestaan, had zelfs niet opgekeken toen ik MacDonald voor zijn bureau in de houding had gezet. Toen richtte hij zijn koude basiliskoog op de ongelukkige brigadier, dat verschrikkelijke oog dat nog werd vergroot door de glinsterende monocle. MacDonald stond recht als het klimmende touw van een Indische fakir. 'Jij bent dus op het verkeerde pad geraakt, brigadier,' begon Oom Arthur zonder inleiding. Zijn stem was vlak, koud, volkomen onpersoonlijk. Een stem die je kippenvel bezorgt. 'Het feit dat je hier voor mij staat is het afdoende bewijs. Meneer Calvert ging aan land met een gevangene en juist genoeg touw voor jou om je ermee op te hangen, en je greep de gelegenheid met beide handen aan. Nee, nee, brigadier. Niet handig gedaan. Je had beter niet kunnen proberen met je vrienden in contact te komen.' 'Ze zijn mijn vrienden niet, mijnheer,' zei MacDonald verbitterd. 'Ik zal je precies zoveel over Calvert - Petersen is een schuilnaam - en mij zelf vertellen als mij noodzakelijk voorkomt. En over onze plannen.' (Oom Arthur deed net of hij zijn opmerking niet had gehoord.) 'Als jij ooit - waar dan ook - één woord laat vallen over wat jij hier ziet of hoort, één woord navertelt van wat ik hier tegen wie dan ook zeg, zal het jou je betrekking kosten en je pensioen. Je hoeft dan geen hoop meer te koesteren dat je ooit nog eens, waar dan ook in het Verenigd Koninkrijk, aan de slag zult komen en bovendien draai je een aantal jaren de kast in, wegens schending van de Wet op het bewaren van dienstgeheimen.' Hij zweeg een ogenblik en voegde er langzaam als sluitstuk aan toe - een meesterstuk van een apotheose -: 'Heb je dat goed tot je laten doordringen?' 'Ik heb het goed tot mij laten doordringen,' herhaalde MacDonald grimmig. Waarop Oom Arthur hem vertelde wat hij vond dat MacDonald moest weten - wat niet veel was - en hij eindigde met de woorden: 'Ik ben er nu zeker van dat wij voor de volle honderd procent op je medewerking kunnen rekenen, brigadier.' 'Calvert heeft alleen maar vermoedens omtrent mijn aandeel in deze zaak,' antwoordde MacDonald op doffe toon. 'Om Gods wil,' riep ik uit. 'Je wist dat die douaneambtenaren geen douaneambtenaren waren. Je wist dat ze geen fotokopieerapparaat bij zich hadden. Je wist dat ze alleen maar aan boord wilden komen om onze zender te vernielen en uit te vinden wat wij hier nog meer hadden. Je wist dat ze onmogelijk aan land konden gaan in die vlet - de branding was levensgevaarlijk. Die vlet was in werkelijkheid de sloep van de "Shangri-la"; daarom hadden jullie geen lichten aan; bovendien heeft geen enkele vlet de haven verlaten na jullie vertrek. We hebben het wel gehoord! Het enige teken van leven dat wij naderhand hebben waargenomen, was toen zij het licht aanstaken in de stuurhut van de "Shangri-la" om hun eigen radiozender te saboteren - één van hun zenders, juister gezegd. En hoe wist jij dat de telefoondraden langs de kust waren doorgesneden? Omdat je wist dat zij het hadden gedaan. Toen ik je gistermorgen vroeg of er kans was dat de verbindingen weer waren hersteld, antwoordde je ontkennend. Vreemd, heel vreemd. Wij mochten toch zeker verwachten dat je de douaneambtenaren zou hebben verzocht het hoofdpostkantoor te waarschuwen zodra zij in de bewoonde wereld terugkwamen. Maar je wist dat zij niet naar de bewoonde wereld terugkeerden. En wat je beide zoons betreft, brigadier, die zogenaamd dood zijn: je hebt vergeten de rekening te vereffenen. Omdat je drommels goed wist dat ze niet dood waren.' 'Ik vergat de rekening,' herhaalde MacDonald langzaam. 'En al het overige. Ik geloof dat ik niet de geschikte man ben voor dat soort zaken.' Hij keek Oom Arthur aan. 'Ik weet dat dit het einde betekent. Zij hebben gedreigd mijn kinderen te vermoorden.' 'Als jij volledig met ons samenwerkt,' zei Oom Arthur afgemeten maar met grote nadruk, 'zal ik er persoonlijk voor zorgen dat jij bij de Torbay-politie blijft als brigadier tot je over je eigen baard struikelt. Wie zijn die "zij"?' 'De enige man die ik zelf heb gezien is een individu dat kapitein Imrie wordt genoemd - en dan de twee "douaneambtenaren": Durran en Thomas. De eigenlijke naam van Durran is Quinn, hoe die ander in werkelijkheid heet weet ik niet. Meestal kwamen zij bij mij thuis als het donker was. Ik ben zelf maar tweemaal op de "Shangri-la" geweest, om Imrie te spreken.' 'En Sir Anthony Skouras?' 'Ik weet het niet.' MacDonald haalde hulpeloos zijn schouders op. 'Hij is een goed mens, mijnheer, werkelijk waar. Dat heb ik tenminste altijd gedacht. Misschien is hij er per ongeluk bij verzeild geraakt. Iedereen loopt wel eens tegen slechte vrienden op. Het is heel vreemd, mijnheer.' 'Nietwaar? En wat is jouw aandeel nou in het geheel?' 'Er zijn hier de laatste maanden rare dingen gebeurd. Boten werden vermist, mensen verdwenen spoorloos. De vissers ontdekten dat hun netten in de haven waren vernield, motoren van jachten raakten onklaar. Misschien wil kapitein Imrie bepaalde boten op gezette tijden uit de buurt van bepaalde plaatsen houden.' 'En jouw taak was het, met grote ijver maar zonder resultaat, naar die voorvallen een onderzoek in te stellen,' knikte Oom Arthur. 'Je bent iemand van onschatbare waarde voor die snuiters, brigadier. Iemand met jouw staat van dienst en jouw karakter is boven elke verdenking verheven. Vertel mij eens, brigadier, wat zijn ze nu verder van plan?' 'Ik zweer op de bijbel, dat ik er geen idee van heb, mijnheer.' 'Tast je volkomen in het duister?' 'Absoluut, meneer.' 'Dat wil ik ook wel aannemen. Zó doen de topfiguren het. Alle touwtjes in één hand. En die jongens van je... geen idee waar ze zijn?' 'Nee, meneer.' 'Hoe weet je dat ze nog in leven zijn?' 'Drie weken geleden moest ik mee naar de "Shangri-la". Mijn jongens waren er, maar waar ze vandaan kwamen mag God weten.' 'En ben je werkelijk zo naïef te geloven dat je zoons blijven leven als alles achter de rug is? Terwijl ze weten wie hun kidnappers zijn, dus waardevol als getuigen als er ooit iets mis mocht gaan?' 'Kapitein Imrie heeft mij gezworen dat hun geen haar op het hoofd zou worden gekrenkt. Als ik maar meewerkte. Hij zei dat alleen gekken geweld gebruiken als dat niet nodig is.' 'Je was er dus van overtuigd dat zij het niet tot een moord zouden laten komen?' 'Een moord? Wat zegt u nou?' 'Calvert?' 'Mijnheer?' 'Een whisky voor de brigadier. Een dubbele!' 'Jawel mijnheer!' Als het erop aankwam rondjes uit mijn privé-voorraad te geven, kende Oom Arthurs edelmoedigheid geen grenzen. Het vervelende was dat ik het niet kon declareren. Ik deed dus wat mij was opgedragen en schonk de brigadier een dubbele in. En omdat mijn faillissement toch onvermijdelijk was, hetzelfde voor mij. Hij dronk het kostbare vocht alsof het water was: voor ik van mijn verbazing was bekomen, was zijn glas leeg. Toen pakte ik hem bij zijn arm en nam hem mee naar de machinekamer. Toen wij een minuut later terugkwamen was het niet eens nodig aan te dringen. Lijkbleek sloeg hij zijn tweede achterover. 'Ik heb je al verteld dat Calvert vandaag een verkenningsvlucht per helikopter heeft uitgevoerd,' begon Oom Arthur op zijn gebruikelijke conversatietoon. 'Wat ik je niet heb verteld, is dat zijn piloot nog dezelfde dag werd vermoord. Ik heb je ook nog niet verteld dat twee van mijn beste agenten de laatste zestig uur om zeep werden gebracht. Daarna is Hunslett het slachtoffer geworden, zoals je zojuist hebt gezien. Begrijp je nu, brigadier, met wie wij te maken hebben? Een bende schurken voor wie een mensenleven minder waarde heeft dan een mug.' 'Wat wilt u dat ik doe, meneer?' De kleur was weer op dat getaande gezicht teruggekomen; zijn ogen stonden hard, helder en verbitterd. 'Om te beginnen nemen jullie beiden, Calvert en jij, Hunslett mee naar het bureau. Daar bel je de dokter op en verzoekt hem officieel de doodsoorzaak vast te stellen. Wij hebben een formele overlijdensakte nodig voor het proces, later. De overige slachtoffers zullen wij waarschijnlijk nooit terugvinden. Daarna ga jij in je eentje naar de "Shangri-la" om Imrie te vertellen dat wij Hunslett en die andere kerel - die Italiaan - bij jou op het bureau hebben gedeponeerd. Je moet hem wijsmaken dat wij naar de stad gaan om een echolood te kopen en gewapende hulp te halen, en dat het minstens twee dagen duurt voor wij terug zijn. Is het je bekend waar de telefoondraden zijn afgesneden?' 'Zeker, meneer. Ik heb het zelf gedaan.' 'Als je van de "Shangri-la" terugkomt, maak dat dan even in orde. Zo gauw mogelijk. En dan moet je ervoor zorgen dat jij met je vrouw en je zoon morgenochtend voor dag en dauw verdwenen zijn. Ik wil vermijden dat er nog meer slachtoffers vallen. Heb je dat begrepen?' 'Ik begrijp wat u wilt. Niet het waarom.' 'Dat is voldoende. Aan de slag! Eén ding nog: Hunslett heeft geen "nagelaten betrekkingen". Wat dat betreft zit hij in hetzelfde schuitje als bijna al mijn mannen. De teraardebestelling kan dus voor hetzelfde geld in Torbay plaatsvinden. Vannacht bel je de plaatselijke begrafenisondernemer op en treft een regeling voor de begrafenis — aanstaande vrijdag. Calvert en ik zullen er hopelijk bij tegenwoordig zijn.' 'Maar... vrijdag al? Overmorgen al?' 'Overmorgen. Dan is de zaak gepiept. Je jongens zullen weer thuis zijn.' MacDonald keek hem een ogenblik zwijgend aan en zei toen langzaam: 'Hoe bent u daar zo zeker van?'  'Ik   ben er helemaal niet zeker van.' Oom Arthur streek met een vermoeide hand over zijn bezorgde gezicht en keek toen in mijn richting.  'Hij   is er zeker van. Jammer, brigadier, dat de Wet op het bewaren van dienstgeheimen je niet toestaat je vrienden te vertellen dat je ooit een zekere Philip Calvert hebt gekend. Als  iemand het kan klaarspelen, dan is hij het. Ik geloof wel dat hij het kan. En ik hoop het ongetwijfeld.' Ik hoop het ook,' zei MacDonald somber. Ik zelf ook, nog meer dan een van hen, maar er hing al zo veel neerslachtigheid in de lucht dat het niet raadzaam scheen er nog iets aan toe te voegen. Ik zette dus mijn meest optimistische gezicht en bracht MacDonald opnieuw naar de machinekamer.