4: Woensdag 3 uur n.m. - 10 uur n.m.

 

Er was een oorlog aan de gang en ik zat er middenin. Ik kon niet zien wie of wat er links of rechts van mij was en ik wist niet eens zeker of het dag was of nacht. Maar er was een oorlog aan de gang, dat was zeker. Zware artillerie, die vóór een aanval een afsluitingsvuur legde. Ik hoorde het lage, onheilspellende gedreun van ontploffingen en de aarde schudde. Ik was geen held. Ik wilde weglopen. Ik wilde voor niemand kanonnenvlees worden. Ik liep, scheen te struikelen en voelde een scherpe pijn in mijn arm. Een granaatkartets misschien, of een kogel. Misschien zouden ze mij buiten gevecht stellen, dan zou ik van het front wegkomen. Toen deed ik mijn ogen open en merkte dat ik niet aan het front was: ik had de bijna onmogelijke toer volbracht uit een armstoel te vallen en op de houten vloer van professor Witherspoons veranda terecht te komen. Ik scheen keurig op één punt neergekomen te zijn. Op mijn rechter elleboog. Mijn elleboog deed pijn. Ik had gedroomd, maar het gedreun van de explosies en het schudden van de aarde had ik niet gedroomd. Toen ik overeind kwam, mijn arm greep en probeerde niet al te wild rond te dansen, hoorde ik weer een paar verre gedempte knallen en de vloer van de veranda trilde twee keer zeer hevig. Ik had niet eens tijd gehad naar de oorzaak van deze rustverstoring te raden, toen ik professor Witherspoon in het oog kreeg, die met een bezorgd gezicht in de deur van de veranda stond. Althans zijn stem klonk bezorgd, dus ik vermoedde dat wat er achter zijn baard verborgen was met zijn stem in overeenstemming zou zijn. 'Beste kerel! Beste kerel!' Hij kwam met uitgestoken handen naar mij toerennen, alsof hij bang was dat ik ieder ogenblik in elkaar kon storten, ik hoorde u vallen. Grote goden, wat een klap. U moet zich bezeerd hebben! Wat is er gebeurd?' ik ben uit mijn stoel gevallen,' zei ik geduldig, ik dacht dat het het tweede front was. Het komt van de zenuwen.' 'Lieve help, lieve help, lieve help!' Hij liep drukdoenerig rond te fladderen zonder ergens toe te komen. 'Heeft u… heeft u iets gebroken?’ Alleen mijn trots.' Ik betastte met voorzichtige vingers mijn elleboog. 'Niets gebroken, alleen maar verdoofd. Wat is dat voor een verduiveld lawaai?’ 'Ha!' Hij glimlachte opgelucht, ik dacht wel dat u dat zou willen weten. Ik stond op het punt het u te laten zien, dacht dat u in ieder geval het eiland eens zou willen bezichtigen.' Hij keek mij spottend aan. 'Heeft uw slaapje van twee uur u goed gedaan?' 'Op het ontwaken na, ja.' 'U heeft zes uur geslapen, meneer Bentall.' Ik keek op mijn horloge en naar de zon, die al ver over de middaghoogte was en werd mij ervan bewust dat hij gelijk had, maar het scheen mij niet de moeite waard mij er druk over te maken, dus ik zei alleen beleefd: ik hoop dat ik u geen last heb bezorgd? Dat u achter mij moest blijven staan en op mij letten terwijl u had willen werken?’ 'Helemaal niet, helemaal niet. We leven hier niet op de klok, jongeman, ik werk wanneer ik wil. Honger?' 'Dank u, nee.’ 'Dorst? Een glaasje Hong-Kong-bier voor we weggaan. Uitstekend spul. Gekoeld. Wat?' 'Dat klinkt goed, professor.’ Dus we gingen zijn bier drinken en het was zo goed als hij had beloofd. We dronken het in de woonkamer waar hij ons het eerst had heengebracht en ik keek naar de diverse zaken die in de vitrines lagen uitgestald. In mijn ogen was het gewoon een schimmelige verzameling beenderen, fossielen en schelpen, stenen stampers en vijzels, vermolmd hout, lemen potten en eigenaardig gevormde stenen. Het was niet moeilijk er in het geheel geen belangstelling voor te tonen, omdat de professor er blijk van had gegeven op zijn hoede te zijn voor mensen die zich voor archeologie interesseerden. Maar het scheen dat hij niet langer op zijn hoede was, want toen hij mijn dwalende blik ving, zei hij geestdriftig: 'Een prachtige verzameling specimina, hè?' ik ben bang dat het nauwelijks in mijn richting ligt,' begon ik verontschuldigend, ik weet niet…’ 'Natuurlijk niet, natuurlijk niet! Dat verwachtte ik ook niet.' Hij liep naar zijn cilinderbureau, haalde een stapeltje kranten en tijdschriften uit de middelste lade en gaf het aan mij. 'Als u dat eens bekijkt zult u er meer van begrijpen.'Ik bladerde snel de tijdschriften en de kranten door, ze waren bijna alle zes maanden oud en in acht van de kranten, vijf landelijke Engelse bladen uit Londen en drie belangrijke Amerikaanse kranten, stond de professor maar liefst met grote koppen op de voorpagina. Het moet een grote dag voor de oude zijn geweest. De meeste koppen waren van het slag 'De grootste archeologische vondst van deze eeuw', in betekenis ver uitgaand boven Toetanchamon, Troje of de Dode-Zeerollen. Natuurlijk wordt iedere nieuwste archeologische vondst aldus aangekondigd, maar om een dergelijke ophef te maken van deze laatste, daar schenen geen redenen voor aanwezig: Oceanië was naar het scheen lang door de archeologen verwaarloosd, maar nu beweerde professor Witherspoon op het eiland Vardu, ten zuiden van de Fiji Eilanden, de volledige bewijzen te hebben gevonden voor het feit dat de Polynesiërs vanuit het zuidoosten van Azië naar deze eilanden waren getrokken, en dat er maar liefst 5000 jaar voor Christus, zo'n 5000 jaar vóór de vroegste schatting, de een of andere primitieve vorm van beschaving op deze eilanden had bestaan. In drie tijdschriften stonden uitslaande, gekleurde kaarten, en één ervan bevatte een zeer fraaie foto van de professor en dr. 'Red' Carstairs, staande bij wat mij een gebroken straattegel leek, maar wat volgens het onderschrift een deel van een van trappen voorzien grafgewelf was. Dr. Carstairs had een merkwaardig uiterlijk, hij was één meter negentig lang, en had een vlammend rode snor in de vorm van een fietsstuur en van enorme afmetingen. ik heb het tot mijn spijt allemaal misgelopen,' zei ik. 'Ik was indertijd in het Midden-Oosten en vrijwel van de wereld afgesneden. Het moet heel wat beroering hebben verwekt.' 'Het was de bekroning van mijn levenswerk,' zei hij eenvoudig. 'Dat moet het wel zijn geweest. Waarom heb ik er de laatste tijd niet meer over gelezen?’ 'Er heeft sindsdien niets meer over in de kranten gestaan en dat zal ook niet meer gebeuren, zolang ik hier ben,' zei hij duister, ik heb, dom genoeg, nadat mijn eerste aankondiging enige beroering had verwekt, nieuwsagentschappen en kranten en tijdschriften faciliteiten verleend om hierheen te komen. Zij huurden in Suva een speciaal schip af. Zij kwamen op mij af als sprinkhanen, als sprinkhanen, zeg ik u, meneer. Van alle kanten, bemoeiden zich overal mee, staken overal hun neus in, deden de resultaten van wekenlang hard werken te niet. Hulpeloos, ik was volkomen hulpeloos.' Zijn boosheid verergerde. 'En er waren spionnen onder hen.' 'Spionnen? Neem me niet kwalijk…’ 'Concurrerende archeologen. Die mijn onderzoeksresultaten trachtten te stelen.' Dat moest voor de oude het toppunt van misdadigheid zijn. 'Zij probeerden ook andere dingen te stelen, een paar van de waardevolste vondsten die er in de Grote Oceaan ooit zijn gedaan. Vertrouw nooit mijn collega-archeologen, beste kerel,' zei hij bitter. 'Vertrouw ze nooit.’ Ik zei dat ik het nooit zou doen en hij vervolgde: 'Eén van hen had een paar maanden geleden de brutaliteit om hier met zijn jacht te komen. Een Amerikaanse miljonair die archeologie als liefhebberij bedrijft. Het was hem alleen om de eer te doen. De brutaliteit om te zeggen dat hij verdwaald was. Vertrouw nooit een archeoloog. Ik heb hem afgepoeierd. Daarom had ik zo'n wantrouwen tegen u. Hoe kon ik weten dat u geen verslaggever was, nietwaar? Tenminste, in het begin.' ik begrijp het volkomen, professor,' zei ik geruststellend. 'De regering staat nu trouwens achter mij,' ging hij triomfantelijk verder. 'Dit is natuurlijk Brits gebied. Het eiland is verboden gebied zo lang ik hier bezig ben.' Hij dronk zijn glas leeg. 'Ach, ach, ik moet u niet met mijn moeilijkheden lastig vallen. Zullen wc het eiland eens gaan bezichtigen?' 'Met genoegen. Hebt u er bezwaar tegen dat ik eerst even naar mijn vrouw ga?' 'Nee, nee. U weet de weg.’ Marie Hopeman bewoog zich, draaide zich om en keek mij slaperig aan toen ik de krakende deur opendeed. Het bed was een primitief geval, een houten ledikant met gevlochten banden, maar het scheen dat zij gemakkelijk genoeg lag. Ik zei: 'Neem me niet kwalijk als ik je wakker heb gemaakt. Hoe gaat het?' 'Je hebt me niet wakker gemaakt. Het gaat tien keer beter.' Dat scheen wel waar te zijn, de blauwe kringen onder haar ogen en de helrode vlekken op haar wangen waren verdwenen. Zij rekte zich wellustig uit. ik wil nog in geen uren en uren opstaan. Hij is heel vriendelijk, hè?’ 'We hadden niet in betere handen kunnen vallen,' gaf ik toe. Ik spande mij er niet voor in zacht te praten. 'Het is het beste dat je maar weer gaat slapen, liefje.’ Ze deed even haar ogen dicht voor dat 'liefje', maar liet het zo. 'Dat zal niet zo moeilijk zijn. En jij?’ 'Professor Witherspoon zal me het eiland laten zien. Hij heeft hier naar het schijnt een paar heel belangrijke archeologische vondsten gedaan. Moet heel interessant zijn.' Ik sloeg nog een paar banaliteiten meer uit, nam afscheid van haar op een manier die professor Witherspoon naar ik hoopte teder genoeg zou vinden en ging weg. Hij wachtte op de veranda op mij, met een tropenhelm op het hoofd en een rotan wandelstokje in de hand. De volmaakte Britse archeoloog in het buitenland. 'Hier woont Hewell.' Hij wees met zijn stok in de richting van het met palmbladeren bedekte huis naast het zijne. 'Mijn opzichter. Een Amerikaan. Een ruwe klant, natuurlijk' - met de toon waarop hij dat zei plaatste hij tweehonderd miljoen inwoners van de Verenigde Staten in dezelfde categorie - maar bekwaam. Ja, werkelijk. Zeer bekwaam. In het volgende huis breng ik mijn gasten onder. Ongebruikt, maar het is uitgewoond. Het ziet er een beetje nietig uit, dat geef ik toe.' Hij overdreef niet; het bestond alleen uit een dak, een vloer en vier hoekpalen waarop het steunde. 'Maar zeer comfortabel. Aan het klimaat aangepast. Een gordijn van riet verdeelt het in tweeën en alle muren - schermen van gevlochten kokosbladeren - kunnen tot op de vloer worden neergelaten. De keuken en de badkamer zijn achter - in een huis van dit soort kun je die niet binnen hebben. En het volgende huis, dat lange, is van de arbeiders, de gravers.' 'En dat lelijke ding?' Ik wenkte met mijn hoofd naar het gebouw van gegolfd plaatijzer. 'Een stampmolen of zo iets?' 'Niet slecht geraden, beste kerel. Het is inderdaad lelijk, hè? Eigendom - of ex-eigendom - van de British Phosphate Commissioners. Als je er dichter bij bent kun je de naam op de zijkant zien staan. Hun stampmolen. Die schuur met dat platte dak erachter was de droogschuur.' Hij zwaaide zijn wandelstokje zwiepend in een halve cirkel rond. 'Het is al bijna een jaar geleden dat zij weggingen, maar alles is nog steeds met dat vervloekte grijze stof bedekt. Het grootste deel van de plantengroei aan deze kant van het eiland is eraan doodgegaan. Verdomme!’ 'Het is niet erg mooi,' gaf ik toe. 'Wat doet een Britse firma in dit vergeten deel van de wereld?’ 'Niet zuiver Brits. Internationaal, maar voornamelijk door Nieuw-Zeeland gedreven. Het rotsgesteente wordt opgedolven, natuurlijk. Kalkfosfaat. Een jaar geleden haalden ze er duizend ton per dag uit. Waardevol goedje.' Hij keek mij schrander aan. 'Weet u iets van archeologie?’ De professor scheen wantrouwen te koesteren jegens iedereen die iets wist van wat dan ook, dus ik zei maar van niet. 'Nu ja, wie weet daar tegenwoordig wel iets van,' zei hij geheimzinnig. 'Maar om je op de hoogte te brengen, kerel, je moet weten dat dit eiland Vroeger blijkbaar op de bodem van de zee lag - en aangezien de zee hier vijf kilometer diep is, is dat een heel eind. Maar op een dag - geologisch gesproken duurde het waarschijnlijk een miljoen jaar - kwam de bodem bijna tot aan de zeespiegel. Opwaartse druk of vulkanische activiteit gepaard gaande met het voortdurend uitstoten van lava. Wie zal het zeggen?' Hij kuchte verontschuldigend. 'Als je wat van dat soort dingen weet' - uit de toon waarop hij dat zei maakte ik op dat als hij ergens maar een klein beetje van wist, iedereen die beweerde er een heleboel van te weten een leugenaar voor hem was - 'wil je daar niet te dogmatisch over zijn. In ieder geval, het netto resultaat was dat na enkele eeuwen deze massieve onderwaterberg ontstond, met de top nog net niet boven het water uit, maar minder dan veertig meter onder de zeespiegel.' Hij gluurde naar mij alsof hij op de voor de hand liggende opmerking wachtte, dus ik deed hem het genoegen maar. 'Hoe kunt u zo zeker zijn van iets dat miljoenen jaren geleden gebeurd is?' 'Omdat dit een koraaleiland is,' zei hij triomfantelijk, 'en omdat de poliepen die de koraalriffen hebben gebouwd in het water moeten leven, en sterven als zij minder diep komen dan veertig meter. Nou, enige tijd later…' 'Weer een miljoen jaar?’ 'Een miljoen meer of minder… Dit moet een groot, diepliggend koraalrif zijn geweest toen het naar boven werd gestuwd. Die opstuwing viel waarschijnlijk samen met het begin van de opkomst van de gevleugelden. Het werd een wijkplaats voor ontelbare aantallen vogels - er zijn veel van die eilandjes in de Grote Oceaan - die hier ontelbare jaren bleven. Ten slotte lag er een laag guano van misschien vijftien meter dik. Dat waren miljoenen tonnen, miljoenen tonnen - en toen zakte het eiland, koraal en guano en al, naar dc bodem van de zee.’ Dit eiland had nogal een veelbewogen geschiedenis, kwam het mij voor. 'Enige tijd later,' vervolgde hij, 'kwam het weer naar boven. Intussen hadden de afzettingen uit het zeewater en het zout de guano in zeer vruchtbare kalkfosfaat omgezet. Toen volgde het langzame, moeizame bodemvormingsproces, het groeien van gras, struiken, bomen, een waar tropisch paradijs. Toen, waarschijnlijk in de laatste ijstijd, kwamen de zwervende zeeschuimers uit Zuidoost-Azië en vestigden zich op dit idyllische plekje.' 'Als het zo idyllisch was, waarom gingen zij er dan weer weg?' 'Maar zij zijn nooit weggegaan! Zij zijn nooit weggegaan om de eenvoudige reden dat die fabelachtige afzettingen van kalkfosfaat tot voor kort niet ontdekt waren, hoewel de meeste andere afzettingen in de Grote Oceaan aan het einde van de afgelopen eeuw waren uitgeput. Dit is, meneer Bentall, een zeer vulkanisch gebied, er zijn nog werkzame vulkanen op de naburige Tonga Eilanden, weet u. Binnen een paar uur tijd barstte er een vulkaan uit de zee, deed de helft van dit koraaleiland verzinken en bedekte de andere helft - koraal, fosfaat, plantengroei en de ongelukkige mensen die hier woonden - met een reusachtige laag lava. Vergeleken hierbij', zei de professor ten slotte kleinerend, 'was de uitbarsting in het jaar 79, die Pompeï verwoestte, een kleinigheid.'in de lucht verhief. 'Is dat de vulkaan die ontstond?' 'Ja, inderdaad.’ 'Wat is er met de andere helft gebeurd?’ 'Er moet tegelijk met de vulkaan een breuk in de aardbodem zijn ontstaan. Op een nacht brak het eiland precies doormidden en de ene helft verdween in zee. De zeebedding werd meegenomen en de koraalriffen breidden zich naar het noorden uit: u kunt zien dat de lagune daar open ligt.’ Hij liep met kwieke pas voort, kennelijk niet gehinderd door dc gedachte dat hij op zeer onzekere bodem woonde, waar catastrofale aardbevingen van een zeer ingrijpend karakter aan de orde van de dag waren. Hij klom langs de lichtelijk hellende bodem naar» boven en minder dan driehonderd meter van de stampmolen bereikten wij plotseling een kloof in de zijkant van de berg. Er lagen zeer smalle spoorbanen, die uit de holte kwamen, langs de vlakke bodem van de kloof liepen en dan naar het zuiden afbogen, waar zij uit het gezicht verdwenen. Er stonden vlak bij de ingang twee of drie kleine schuren, en uit een ervan kwam het gonzende geluid dat ik op weg erheen steeds beter had kunnen horen. Generators die gedreven werden door een benzinemotor. Ik had het mij tot op dat ogenblik niet gerealiseerd, maar als de professor en zijn assistenten ergens binnen in de berg hun onderzoekingen deden, hadden zij natuurlijk elektrische energie voor verlichting en waarschijnlijk ook voor het drijven van ventilatoren nodig. 'Nou, we zijn er,' kondigde de professor aan. 'Op deze plek merkte de een of andere nauwgezette en intelligente onderzoeker van de fosfaatmaatschappij deze eigenaardige breuk in de bergwand op, begon in de grond te graven en stootte vóór hij een meter diep was op fosfaat. De hemel mag weten hoeveel miljoenen tonnen rotsgesteente ze er uit hebben gehaald - de berg is een ware honingraat. Juist toen zij ermee wilden ophouden vond iemand hier aarden vaatwerk en merkwaardig gevormde stenen. Zij lieten ze zien aan een archeoloog uit Wellington en hij stuurde ze onmiddellijk naar mij.' De professor hoestte bescheiden. 'De rest is natuurlijk geschiedenis.’ Ik volgde de geschiedenismaker door de ingang en door een kronkelende gang tot wij bij een enorme cirkelvormige uitholling in de rots kwamen. Het was een reusachtige spelonk van twaalf meter diep en de wallen eromheen waren zes meter hoog; het hol werd gestut door betonnen palen en was ongeveer honderdzestig meter in doorsnee. Een zestal kleine elektrische lampen, die op een hoogte van drie meter aan enkele van de palen hingen, verleenden de goor-grijze rots een luguber en afschrikwekkend aspect. Op gelijke afstanden om het hol heen waren nog vijf andere tunnels, ieder met hun eigen spoorbaan. 'Nou, wat zegt u ervan, meneer Bentall?’ 'Het lijken de catacomben van Rome wel,' zei ik, 'alleen niet zo vrolijk.’ 'Het is een opmerkelijke prestatie in de mijnbouw,' zei de professor streng. Hij kon geen grapjes verdragen over wat hem zo na aan het hart lag, en deze vochtige en sombere holen in de grond zouden hem altijd het naast aan het hart liggen. 'Die kalksteen is een heel moeilijk goedje om mee te werken, en wanneer je een dikke laag basaltlava en de helft van het gewicht van een vulkaan erboven moet stutten wordt het werkelijk heel hachelijk. Deze bergwand is doorzeefd met dergelijke holen, allemaal verbonden door gangen. Een zeshoekig systeem. Met die koepelvormige daken krijg je de sterkste structuur, maar de afmeting ervan is aan grenzen gebonden. De mijnbouwmaatschappij kon maar een derde van de beschikbare kalksteen opdelven vóór de kosten van het stutten van het dak te hoog werden.' 'Maakt dat het gebruik van springladingen dan niet nogal gevaarlijk?' Ik dacht dat een belangstellende vraag mij weer bij hem in een goed blaadje zou brengen. 'Nou ja, inderdaad, dat gaat nogal,' zei hij peinzend. 'Dat risico moeten we nemen, dat risico moeten we nemen. In het belang van de wetenschap. Kom eens kijken waar we onze eerste vondsten hebben gedaan.’ Hij ging mij dwars door de spelonk voor naar een gang tegenover de gang waardoor wij naar binnen waren gegaan en liep hem door, terwijl hij kwiek over de dwarsliggers van de spoorbaan hupte. Na ongeveer twintig meter gelopen te hebben, gingen wij een andere spelonk binnen die wat hoogte, breedte en het aantal uitgangen betrof sprekend geleek op de spelonk die wij zo pas hadden verlaten. Deze werd verlicht door maar één enkele lamp, aan een elektrische kabel die over de hele lengte van de spelonk liep en in de gang in de verte verdween, maar er was licht genoeg om te kunnen zien dat de twee gangen aan de linkerkant door zware houten balken waren afgesloten.'Wat is daar gebeurd, professor? Ingestort?' 'Jammer genoeg.' Hij schudde zijn hoofd. 'Twee gangen en gedeelten van de spelonken waar zij heenleidden tegelijkertijd ingestort. Ze moesten de ingangen van de gangen stutten voor het geval dat de verzakking zich tot deze ruimte zou uitstrekken. Vóór mijn tijd, natuurlijk. Ik geloof dat er daar in de spelonk aan de rechterkant drie mannen zijn omgekomen - zij waren pas begonnen met graven. Heel naar, heel naar.' Hij bleef enkele ogenblikken zwijgen om mij te laten merken hoe naar hij het vond en zei toen stralend: 'Nou, dit is de historische plaats.’ Het was een nis van anderhalve meter diep in de muur, aan de rechterkant van de gang waardoor wij de spelonk waren binnengekomen. Voor mij was het gewoon een nis van anderhalve meter diep. Maar voor Witherspoon was het een tempel en hijzelf was de dienstdoende priester. 'Hier,' zei hij eerbiedig, 'werd het mysterie van Polynesië en de Polynesiërs opgelost. Hier werden de eerste bijlen, vijzels en stampers gevonden. Zo begon de grootste archeologische ontdekking van onze generatie. Begint u dat ook niet te geloven, meneer Bentall?’ 'Zeer zeker.' Ik weerhield mij ervan bijzonderheden te verstrekken over de aard van mijn gedachten. In plaats daarvan greep ik een uitstekend stuk rotssteen, dat vochtig en kleverig aanvoelde, en trok het met weinig krachtsinspanning los. Ik zei verrast: 'Dat is vrij zacht. Je zou zeggen dat om die rommel te verwijderen pneumatische boren en houwelen even doeltreffend zouden zijn als het gebruik van explosieven.’ 'Dat is ook zo, kerel, dat is ook zo. Maar zou je basalt graag met houwelen en schoppen te lijf gaan?' vroeg hij joviaal. 'Dat is nog een andere zaak.’ 'Dat had ik vergeten,' gaf ik toe. 'Natuurlijk, toen de lava naar beneden stroomde werd alles ermee bedekt. Wat voor dingen vindt u in het basalt - aardewerk, stenen gereedschappen, bijl- stelen, en zulke dingen?’ 'Eigenlijk maar heel weinig,' knikte hij. Hij aarzelde en zei toen: 'Eerlijk gezegd heb ik, anders dan de gemiddelde winkelier, alleen mijn slechtste artikelen in de etalage liggen. De dingen die u in mijn kamer gezien hebt beschouw ik gewoon als siervoorwerpen, als snuisterijen zonder veel waarde. Ik heb hier een paar geheime bewaarplaatsen - ik zou er niet over denken u ook maar de kleinste wenk te geven omtrent de plaats waar ze liggen - waarin een fantastische collectie neolithische Polynesische overblijfselen liggen, die de wetenschappelijke wereld zullen verbazen. Verbazen!’ Hij liep weer door, maar in plaats van de ruimte te doorkruisen en de elektrische kabel met de lampjes die daar op grote afstanden van elkaar aan hingen in de gang daar tegenover te volgen, knipte hij een lantaarn aan, sloeg de eerste gang rechts in en wees de verschillende plaatsen aan waar die Polynesische overblijfselen waren opgegraven. Hij hield stil voor een bijzonder grote uitholling in de kalksteen en zei: 'En hier hebben we de balken en het timmerwerk opgegraven van wat het oudste houten huis ter wereld moet zijn. Bijna volmaakt geconserveerd.' 'En hoe oud was dat?’ 'Om en bij zevenduizend jaar,' zei hij prompt. 'Van Duprez uit Amsterdam, die hier met al die krantenmensen was, zei dat het maar vierduizend jaar oud was, maar de man is natuurlijk gek.' 'Op grond waarvan stelt u de ouderdom van deze dingen vast?' vroeg ik nieuwsgierig. 'Ervaring en kennis,' zei hij vlak. 'Van Duprez bezit, ondanks zijn opgeblazen reputatie, van geen van beide erg veel. De man is gek.’ 'H'm,' zei ik, en hield mij op de vlakte. Ik keek vreesachtig naar de derde ruimte die voor ons lag. 'Hoe diep zijn we hier?' 'Ongeveer dertig meter, geloof ik. Misschien veertig. We lopen nu de flank van de berg in, ziet u. Zenuwachtig, meneer Bentall?' inderdaad, ik ben zenuwachtig. Ik heb me nooit gerealiseerd dat jullie archeologen zo diep gingen of dat u op een dergelijke diepte sporen van oude beschavingen kon vinden. Dit moet zo ongeveer een record zijn, hè?’ 'Scheelt niet veel, scheelt niet veel,' zei hij zelfvoldaan, ik geloof dat ze in de Nijl-delta en bij Troje ook aardig diep gingen, ziet u.' Hij ging mij voor door de derde ruimte en een gang binnen die schaars verlicht werd door batterijlampen. 'We moeten Hewell en zijn ploeg daar aantreffen.' Hij keek op zijn horloge. 'Het is ongeveer tijd dat zij ophouden. Ze waren hier de hele dag.'Toen wij arriveerden op de plaats waar de gang zich verwijdde tot het begin van een vierde hol, waren zij nog aan het werk. Er waren in totaal negen man, enkelen waren bezig met pikhouwelen en koevoeten brokken kalksteen los te hakken om ze op de hoop puin die vóór hen lag te gooien, anderen laadden het puin op de kruiwagens met rubberbanden, terwijl een reusachtige kerel met alleen een katoenen broek en een hemd aan ieder brok bij het licht van een krachtige lantaarn nauwkeurig onderzocht. Het was de moeite waard naar de beide werklieden en de man met de lantaarn te kijken. Alle arbeiders waren Chinezen, voor hun ras ongewoon lang en zwaar gebouwd, en leken mij de taaiste en hardnekkigste kerels die ik ooit had gezien. Maar het zou louter verbeelding kunnen zijn, dat zwakke licht dat de met zweet en stof bedekte gezichten bescheen kon iedereen een onnatuurlijk uiterlijk verlenen. Maar wat de voorman betrof, die zijn onderzoek staakte, overeind kwam en op ons toeliep, had ik het mij niet verbeeld. Hij was inderdaad de taaiste en hardnekkigste kerel die ik ooit had gezien. Hij was ongeveer één meter negentig lang, maar wat zijn breedte betrof in zijn ontwikkeling achtergebleven, hij had een paar geweldige armen en handen als kolenschoppen die bijna tot aan zijn knieën reikten. Hij had een gezicht dat uit harde rotssteen scheen gehouwen door een beeldhouwer wiens enige ambitie het scheen te zijn geweest het werk zo gauw mogelijk af te krijgen: er was in het hele gezicht geen enkele gebogen lijn die men met enig recht een gebogen lijn kon noemen, het was enkel een granieten massa van elkaar snijdende vlakken, die de oude kubisten van vreugde zou hebben doen opspringen. Hij had een kin als een kolengrijper, een mond als een diepe snijwond, een neus als een enorme snavel en koude, zwarte ogen, die onder de uitstekende, borstelige wenkbrauwen zo diep waren ingeplant dat men de indruk kreeg van een wild dier dat uit de duistere diepten van zijn hol naar buiten gluurt. De zijkanten van zijn gezicht - men kon het nauwelijks wangen noemen - en zijn voorhoofd vertoonden diepe groeven, door de zon verweerde, kruiselings over elkaar liggende lijnen, zoals op een oud stuk perkament. Als hij de hoofdrol in een operette had moeten spelen, zou hij het verschrikkelijk moeilijk hebben gehad. Professor Witherspoon stelde ons aan elkaar voor en Hewell stak mij zijn hand toe en zei: 'Prettig je te ontmoeten, Bentall.' Zijn diepe, holle stem was in overeenstemming zowel met zijn kolossale gestalte als met zijn bezigheden, en hij begroette mij met evenveel vreugde als het kannibalenopperhoofd honderd jaar tevoren de laatste van een lange rij smakelijke zendelingen moest hebben begroet. Ik spande mijn spieren toen de reusachtige hand zich om de mijne sloot, maar hij was verrassend zachtaardig, het voelde aan alsof ik door een wringer werd gehaald, maar toen hij mij mijn hand teruggaf zaten al mijn vingers er nog aan, een beetje verbogen en gemangeld, maar ik had ze nog. ik heb vanmorgen over u gehoord,' bulderde hij. 'Uit Canada of het noordwesten van Amerika, dat wist ik niet zeker. Ik heb ook gehoord dat uw vrouw zich niet zo goed voelde. Op de eilanden kan van alles gebeuren. Je moet een paar verschrikkelijke uurtjes hebben doorgemaakt.’ Wij praatten er een tijdje over hoe verschrikkelijk ik het had gehad en toen zei ik nieuwsgierig: 'U heeft ver moeten gaan om werkkrachten voor dit karwei te werven.’ inderdaad, kerel, inderdaad.' Het was Witherspoon die antwoord gaf. 'Indiërs deugen helemaal niet - traag, werken niet mee, achterdochtig, zijn er lichamelijk niet geschikt voor. De Fiji's wel. maar ze zouden een beroerte krijgen als je ze voorstelde te gaan werken. Met de blanken die je zou kunnen krijgen is het net zo - stuk voor stuk leeglopers en verkwisters. Maar de Chinezen zijn anders.’ 'De beste arbeiders die ik ooit heb gehad,' bevestigde Hewell. Hij had een merkwaardige manier om te spreken zonder dat hij zijn lippen scheen te bewegen. 'Als het aankomt op het aanleggen van spoorwegen en het graven van mijngangen, kun je geen betere krijgen. De grote spoorlijnen van Amerika zouden zonder hen nooit zijn aangelegd.’ Ik maakte een toepasselijke opmerking en tuurde om mij heen. Witherspoon zei scherp: 'Wat zoek je, Bentall?' 'Overblijfselen, natuurlijk,' zei ik met de nodige verbazing, ik zou graag eens iets willen zien dat uit de rots is opgedolven.' ik ben bang dat we vandaag niets zullen vinden,' bulderde Hewell. 'Als we één keer per week iets vinden, hebben we al geluk gehad. Nietwaar, professor?’ 'Als we héél veel geluk hebben,' stemde Witherspoon in. 'Nou, Hewell, we zullen je niet ophouden, we zullen je niet ophouden. Ik heb Bentall alleen maar hierheen gebracht om hem te laten zien waar al die knallen goed voor zijn. We zien je aan het diner.’ Wij gingen terug en Witherspoon ging mij door de mijngang voor; wij stonden weer in de stralende zonneschijn en liepen naar zijn huis, hij kwebbelde voortdurend, maar ik luisterde er niet langer naar, ik had alles gehoord en gezien wat ik weten wilde. Toen wij terug waren verontschuldigde hij zich op grond van het feit dat hij nog werk te doen had en ik ging naar Marie kijken. Zij zat op in bed met een boek in haar handen en voor zover ik kon zien was er met haar niets meer aan de hand. Ik zei: 'Ik dacht dat je weer zou gaan slapen.’ 'Ik zei dat ik nog niet wilde opstaan. Dat is ten slotte iets anders.' Zij lag weelderig in de kussens achterover. 'Een warme dag, een koele bries, het geruis van de wind in de palmen, dc branding en al dat blauwe water van de lagune en dat witte zand buiten. Prachtig hè?' 'Natuurlijk. Wat lees je daar?’ 'Een boek over de Fiji Eilanden. Heel interessant. Zij maakte een gebaar naar de stapel boeken die op het tafeltje naast haar lag. 'Nog een paar andere over de Fiji Eilanden en een paar over archeologie. Tommy - de Chinese bediende - heeft ze me gebracht. Je moet ze ook lezen.' 'Later. Hoe voel je je?’ 'Het duurt nogal lang voor je me dat vraagt, hè?' Ik fronste mijn wenkbrauwen en wenkte tegelijkertijd met mijn hoofd naar achteren. Zij begreep het dadelijk. 'Het spijt me, lieverd.' Een impulsieve kreet, heel goed gedaan. 'Dat had ik niet moeten zeggen. Veel beter, ik voel me veel beter. Morgen ben ik weer zo gezond als een vis. Heb je een prettige wandeling gemaakt?' Een tikje banaliteit, evenals de kreet uitstekend gedaan. Ik was midden in mijn verhaal over de prettige wandeling die ik had gemaakt, toen Witherspoon beschroomd aanklopte, zijn keel schraapte en binnenkwam. Volgens mijn berekening had hij ongeveer drie minuten achter de deur gestaan. Achter hem kon ik de bruine gestalten van John en James, de Fiji-jongens, onderscheiden. 'Goeienavond, mevrouw Bentall, goeienavond. Hoe gaat het met u? Beter, ja, beter? U ziet er beslist veel beter uit.' Zijn blik viel op de boeken die naast het bed lagen, hij zweeg en fronste zijn wenkbrauwen. 'Waar komen die vandaan, mevrouw Bentall?' ik hoop dat ik er niets verkeerds aan gedaan heb, professor Witherspoon,' zei zij bezorgd, ik vroeg Tommy iets te lezen en toen heeft hij me dit gebracht. Ik ben juist aan de eerste begonnen en…' 'Dit zijn zeldzame en waardevolle edities,' zei hij knorrig. 'Heel zeldzaam, heel zeldzaam. Persoonlijke bibliotheek en zo, dat lenen wij archeologen nooit uit. Tommy had niet het recht… Nu ja, doet er niet toe. Ik heb een uitstekende sortering romans, detectiveromans, u kunt krijgen wat u wilt.' Hij glimlachte en was het incident grootmoedig vergeten, ik kom u goed nieuws brengen. U en uw man mogen zo lang uw verblijf hier nog duurt mijn gastenhuis betrekken. Ik heb John en James bijna de hele dag aan het werk gehad om het schoon te maken.' 'Ach, professor!' Marie stak haar hand uit en nam de zijne. 'Wat alleraardigst van u. Het is zo vriendelijk van u — u bent veel te vriendelijk.’ 'Helemaal niet, mijn beste, helemaal niet.' Hij klopte haar op de hand en hield hem langer vast dan nodig was, een keer of tien te lang. ik dacht alleen dat u afzondering op prijs zou stellen. Ik geloof vast en zeker' - hij zei dit met halfgesloten, dwalende ogen, en ik vatte het op als een blijk van gewetensknaging, maar dat was het niet: het was bedoeld als een schalks knipoogje - 'dat u nog niet lang getrouwd bent. Vertel me nu eens, mevrouw Bentall, voelt u zich goed genoeg om vanavond met ons te dineren?’ Zij kon zo vlug zijn als een kat. Ze zag dat ik nauwelijks waarneembaar mijn hoofd schudde en zij keek niet in mijn richting. 'Het spijt me erg, professor.' Er is oefening voor nodig een stralende glimlach te combineren met een toon van oprechte spijt, maar zij kreeg het voor elkaar, ik zou niets liever doen, maar ik voel me er echt nog te zwak voor. Als u me tot morgen wilt excuseren…’ 'Natuurlijk, maar natuurlijk. We moeten uw herstel niet overhaasten, nietwaar?' Hij scheen op het punt te staan haar hand weer te vatten, maar zag er liever van af. 'We zullen het u op een blaadje laten brengen. En we zullen ú ook laten brengen. U hoeft niet te lopen.'Op zijn wenk pakten de twee Fiji-mannen ieder een kant van het bed vast en tilden het op, wat niet zo'n toer was, daar het bed op zichzelf waarschijnlijk nog geen vijftien kilo woog. De Chinese jongen kwam binnen om alle kleren weg te dragen die wij bij ons hadden, de professor ging ons voor en terwijl wij tussen de twee huizen liepen bleef mij niet veel anders te doen over dan haar hand te nemen, mij zorgzaam over haar heen te buigen en te mompelen: 'Vraag hem een lantaarn.’ Ik zei niet waarom zij om een lantaarn zou kunnen vragen, eenvoudig om dat ik geen reden kon bedenken, maar zij deed het prachtig. Toen de professor de twee dragers had weggezonden en er eindeloos over uitweidde hoe het huis uitsluitend uit de produkten van twee soorten bomen was opgetrokken: de pandanus- en de kokospalm, viel zij hem bedeesd in de rede en vroeg: 'Is er… is er hier een badkamer, professor?' 'Maar natuurlijk, mijn beste. Wat onachtzaam van me. Het trapje af, links en dan is het het eerste hutje dat je ziet staan. Het volgende is de keuken. Om begrijpelijke redenen kun je in dit soort huizen geen vuur en water hebben. God zal me zegenen! Wat moet u van me denken? Een lantaarn, natuurlijk, u moet een lantaarn hebben. Na het avondeten krijgt u er een.' Hij keek op zijn horloge, ik verwacht u óver een halfuur, meneer Bentall.' Nog een paar gemeenplaatsen, een gemaakt glimlachje voor Marie en hij repte zich kwiek weg. De dalende zon was al achter de helling van de berg verdwenen, maar de hitte van de dag bleef nog in de lucht hangen. Ondanks dat huiverde Marie en trok de sprei dichter om haar schouders. Zij zei: 'Wil je de zijschermen neerlaten? Die passaatwinden zijn niet zo aangenaam als men beweert. Niet als het donker wordt.’ 'Het scherm neerlaten? En maken dat er binnen een paar minuten een stuk of zes luisterende oren tegen worden gedrukt?' 'Denk je… denk je dat?' zei zij langzaam. 'Heb je het gevoel dat er hier iets niet in orde is? Met professor Witherspoon?' 'Over dat stadium ben ik allang heen. Ik wéét verduiveld goed dat er hier iets niet in orde is. Ik heb het geweten sinds we hier aankwamen.' Ik trok een stoel bij haar bed en nam haar hand: honderd tegen één dat wij een scherpzinnig en geïnteresseerd gehoor hadden en ik wilde ze niet teleurstellen. 'Wat ga jij doen? Voel je je weer ten dode opgeschreven of is het vrouwelijke intuïtie, of dc harde feiten?’ 'Doe niet zo vervelend,' zei zij rustig, ik heb me al verontschuldigd voor mijn dwaze gedrag - het was gewoon de koorts, dat heb je zelf gezegd. Dit is intuïtie, of een voorgevoel, iets heel anders. Deze ideale plaats, die glimlachende Fiji-jongens, die wonderbaarlijk goede Chinese bediende, die Hollywooddroom van hoe een Engelse archeoloog eruit moet zien en zich moet gedragen - het is allemaal te idyllisch, te volmaakt. Je krijgt de indruk dat… dat er zorgvuldig een façade is opgetrokken. Het lijkt te veel op een droom, als je begrijpt wat ik bedoel.' 'Je bedoelt dat je je beter zou voelen als je de professor brullend en vloekend zag rondlopen of iemand op een veranda zag liggen met een whiskyfles aan zijn mond?' 'Nou, zo iets, ja.’ ik heb gehoord dat het zuidelijk deel van de Grote Oceaan aanvankelijk die indruk op de mensen maakt. Dat gevoel van onwerkelijkheid, bedoel ik. Vergeet niet dat ik de professor verscheidene malen voor de televisie heb gezien. Hij is het nu alleen in levenden lijve. En als je de volmaaktheid verstoord wilt zien, wacht dan maar tot vriend Hewell toevallig langskomt.' 'Nou, hoe is die dan?’ ik zou hem niet kunnen beschrijven. Je bent te jong om de King-Kong-films te hebben gezien. Je zou je niettemin niet in hem kunnen vergissen. En terwijl je naar hem uitkijkt wil ik dat je nagaat hoeveel arbeiders er de arbeidershut in- en uitgaan. Daarom wilde ik niet dat je vanavond aan het diner zou aanzitten.’ 'Dat zal niet zo moeilijk zijn.’ 'Evenmin zo gemakkelijk. Het zijn allemaal Chinezen - voor zover ik ze gezien heb tenminste - en ze zullen je waarschijnlijk allemaal hetzelfde lijken. Ga na wat zij doen, hoeveel er binnenblijven, of degenen die naar buiten komen iets bij zich hebben of niet. Laat niemand er iets van merken dat je ze nagaat. Laat wanneer het donker genoeg is, de schermen neer en als er geen raamopeningen zijn kun je er doorheen gluren.' 'Waarom schrijf je het niet voor me op?' vroeg zij liefjes. 'Goed. Dus je hebt dit langer gedaan dan ik. Het is alleen maar een lafhartige angst voor mijn eigen hachje. Ik ga midden in de nacht eens rondwandelen en ik zou graag willen weten met hoeveel ze zijn.’ Zij sloeg haar hand niet voor haar mond, hijgde niet en probeerde niet mij ervan af te brengen, ik zou zelfs niet hebben durven zweren dat zij mijn hand steviger drukte. Zij zei zakelijk: 'Wil je dat ik meega?’ 'Nee. Ik wil alleen maar rondkijken en mijn ogen zijn uitstekend. En hoewel ik niet verwacht dat er moeilijkheden zullen rijzen, zie ik niet in dat je me van veel nut zou zijn als dat welgebeurde. Ik wil je natuurlijk niet beledigen.' 'Nou,' zei zij weifelend, 'Fleck heeft mij mijn revolver afgenomen, het zou niet veel zin hebben de politie te roepen en ik geloof niet dat ik er veel aan zou kunnen doen als iemand mij overviel. Maar als ze jou overmeesterden…’ 'Je hebt er een heel verkeerde voorstelling van,' zei ik geduldig. 'Je bent er niet op gebouwd om hard weg te lopen. Ik wel. Je hebt nooit iemand gezien die zo hard van een gevecht kan weglopen als Bentall.' Ik liep de kokosvloer over en trok een opgemaakt bed dicht naast het hare. 'Heb je er bezwaar tegen…?' 'Ga je gang,' zei zij toestemmend. Zij keek mij van onder haar halfgeloken oogleden lui aan en haar mond krulde zich tot een geamuseerde glimlach, maar het was in het geheel niet dezelfde glimlach die zij mij op het kantoor van kolonel Raine in Londen had laten zien. ik zal je hand vasthouden. Ik geloof dat je gewoon een schaap in wolfskleren bent.’ 'Wacht maar tot ik buiten dienst ben,' dreigde ik. 'Jij en ik en de lichten van Londen. Je zult eens zien.’ Zij keek mij lang aan en draaide zich toen om, om uit te kijken over de lagune waarover het duister viel. Zij zei: ik zie het niet.' 'Ach, zo. Het verkeerde type. Gelukkig dat ik niet het sentimentele type ben. Ik weet dat het een hele teleurstelling voor je zal zijn, maar het kwam bij me op dat wanneer ik vannacht een wandeling ga maken, het nuttig is hier een soort stroman achter te laten, en het is niet waarschijnlijk dat zij hem op zijn echtheid zullen gaan onderzoeken wanneer het bed zo dicht naast het jouwe staat.' Ik hoorde het geluid van stemmen, keek op en zag Hewell en zijn Chinezen om de hoek bij de stampmolen komen en in mijn gezichtsveld verschijnen. Hewell was een wandelende berg, er was iets bijna afschrikwekkend aapachtigs aan zijn gebogen gestalte, zijn lichtelijk deinende gang, het langzame zwaaien van zijn handen die onder het lopen tot zijn knieën kwamen. Ik zei tegen Marie: 'Als je vannacht een flinke nachtmerrie wilt hebben, draai je dan eens om en kijk even. Daar is onze vriend.'

*** 

Zonder het gezicht van vriend Hewell, het onophoudelijke gekwebbel van de professor en de fles wijn die hij, naar hij zei, voor de gelegenheid te voorschijn had gehaald, zou het een plezierig dineetje zijn geweest. De Chinese bediende kon beslist koken en ook de flauwe onzin van vogelnestjes en haaienvinnen ontbrak. Maar ik kon mijn ogen niet van dat naargeestige en ruige gezicht tegenover mij afhouden, het smetteloze witte pak dat hij had aangetrokken accentueerde alleen zijn afzichtelijkheid. Ik kon mijn oren niet dichtstoppen voor de banaliteiten van Witherspoon; de wijn, een Australische bourgogne, was heel goed als je niet meer gewend was dan azijn met suiker, maar ik had dorst en slaagde erin wat naar binnen te werken. Maar, merkwaardig genoeg, het was Hewell die het diner draaglijk maakte. Achter dat primitieve, doorploegde gezicht huisde een scherpzinnige geest - hij was althans verstandig genoeg de bourgogne te laten staan en een flinke hoeveelheid Hong-Kong-bier te drinken - en het was goed luisteren naar de verhalen uit zijn leven als mijningenieur, wat hij in ongeveer de helft van alle landen ter wereld was geweest. Dat wil zeggen, ik zou er met genoegen naar hebben geluisterd als hij mij terwijl hij sprak niet voortdurend zonder met zijn ogen te knipperen had zitten aanstaren, de zwarte ogen zo diep in hun kassen verzonken dat het idee dat er een beer uit zijn hol zat te loeren zich sterker aan mij opdrong dan ooit. Ik zou daar de hele nacht aan mijn stoel genageld hebben gezeten als Witherspoon ten slotte niet zijn stoel achteruit had geschoven, vergenoegd in zijn handen had gewreven en mij gevraagd had hoe ik het diner vond. 'Het was heerlijk,' zei ik. 'Stuur die kok maar nooit weg. Werkelijk heel erg bedankt. En nu ga ik, als u het goedvindt, maar eens terug naar mijn vrouw.’ 'Onzin! Onzin!' Op en top de gekrenkte gastheer. 'Nu komt er koffie en cognac, kerel. Wanneer zijn wij archeologen ooit eens in de gelegenheid om te fuiven? We vinden het buitengewoon prettig hier eens een vreemd gezicht te zien, nietwaar, Hewell?’ Hewell sprak hem niet tegen, maar stemde evenmin met hem in. Het kon Witherspoon niet schelen. Hij trok een rotan ligstoel naar voren, zette hem voor mij in de stand en liep drukdoenerig rond als een oude kip tot hij er zeker van was dat ik gemakkelijk zat. Toen bracht Tommy de koffie en de cognac binnen. Vanaf dat ogenblik werd de avond goed. Nadat de Chinese bediende voor de tweede maal borrels had gebracht zei de professor hem de fles te brengen en hem te laten staan. Het niveau in de fles daalde alsof er een gat in de bodem zat. De professor was geweldig in vorm. Het niveau daalde nog wat meer. Hewell glimlachte tweemaal. Het was een grootse avond. Het kalf werd vetgemest voor de slacht. Zij verspilden al die kostelijke cognac niet voor niets. De fles raakte leeg en er werd een andere gebracht. De professor vertelde een paar enigszins gewaagde moppen en schudde van het lachen. Hewell glimlachte weer. Ik pinkte een paar vreugdetranen weg en merkte dat zij snel een paar blikken wisselden. De bijl zwaaide omhoog. Ik complimenteerde de professor enigszins lallend en hakkelend om zijn geestigheid. Nooit in mijn leven had ik mij nuchterder gevoeld. Zij hadden het hele geval kennelijk zorgvuldig ingestudeerd. Witherspoon, op en top de toegewijde geleerde, begon met mij enkele van de uitgestalde zaken uit de vitrines die langs de muren stonden te brengen, maar na een paar minuten zei hij: 'Kom, Hewell, we beledigen onze vriend hier. Laten we hem eens wat van onze echte schatten laten zien.’ Hewell aarzelde en Witherspoon stampvoette werkelijk, ik sta erop. Verdraaid, man wat steekt daar voor kwaads in?' 'Heel goed.' Hewell liep naar de grote brandkast en nadat hij een paar minuten vruchteloos aan de knop had gemorreld, zei hij: 'De combinatie doet het weer niet, professor.' 'Nou, probeer het dan eens aan de achterkant,' zei Witherspoon knorrig. Hij stond rechts van mij met een stuk gebroken vaatwerk in zijn hand. 'Kijk nu hier eens naar, meneer Bentall. Let u speciaal op…’ Maar ik lette helemaal niet, laat staan speciaal, op wat hij zei. Ik keek niet eens naar het aarden potje. Ik keek naar het raam achter hem, een raam dat door de petroleumlamp binnen en de duisternis buiten in een bijna volmaakte spiegel was veranderd. Ik keek naar Hewell en de brandkast die hij van de muur wegsleepte. Die brandkast woog op zijn minst honderdvijftig kilo. En door de manier waarop ik zat, naar rechts in mijn stoel geleund en met mijn linkerbeen over mijn rechterbeen geslagen, lag mijn voet precies op de plek waar de brandkast terecht zou komen als hij omtuimelde. En hij zóu omtuimelen. De brandkast stond nu een halve meter van de muur en daar keek Hewell zowaar opzij om te zien of mijn voet lag waar de kast moest vallen. En toen duwde hij. 'Mijn God!' schreeuwde professor Witherspoon. 'Kijk uit!' De kreet van schrik was even echt als welbewust te laat geuit, maar hij had zich geen zorgen hoeven te maken, ik paste wel op mijzelf. Ik was al begonnen mij uit mijn stoel te laten vallen toen de brandkast op mijn been viel, en draaide mijn voet zo dat hij zijdelings plat op de vloer lag, meer dan een centimeter stevig leer, maar het was evengoed een waagstuk. Een groot waagstuk, maar ik moest het doen. Er was niets onechts aan mijn kreet van pijn. Het voelde aan alsof die stevige leren zool dubbel werd gevouwen en mijn voet ook. Maar de brandkast raakte geen enkel ander deel van mijn voet of mijn been. Ik lag daar naar adem te snakken, onder het gewicht van de brandkast gevangen als in een val, tot Hewell naar voren liep om hem op te tillen en Witherspoon mij er onder uit trok. Ik kwam kermend van pijn overeind, schudde de arm van de professor van mij af, deed één stap met mijn gekwetste voet en zakte op de vloer in elkaar. Eerst die kast en toen ik, de vloer kreeg er die avond flink van langs. 'Heeft u… heeft u zich erg bezeerd?' De professor was ontzettend bezorgd. 'Bezeerd? Nee, ik heb me niet bezeerd. Ik voelde me alleen een beetje moe en ik ben gaan liggen om even uit te rusten.' Ik keek hem woedend aan en hield mijn voet met beide handen vast. 'Hoe ver denkt u dat je lopen kunt met een gebroken enkel?’