Eerste boek - Sovaz, Vrouwe van de Waanzin

1 De nachtelijke jacht 

De schemer viel en een tijdlang zat de jongeman op het hoge dak weg te staren in de wijde welving van de hemelkoepel. Toen nam hij zijn boek en las hardop: 'Blauw als de donkerblauwe ogen van mijn beminde vervult de schemering heel de hemel. De sterren hullen zich in hun zilvergewaden en zijn schoon, maar geen is zo schoon als zij.' Zijn metgezellen lagen met hun ellebogen onder hun hoofd en keken hem spottend aan. Hij sloeg het boek dicht en zei: 'Ook liefde is enkel waanzin.'
Waarop ze heftig en afkeurend begonnen te gebaren.
'Liefde bestaat niet. Wat vrouwen en hun akelige ouwe paaien liefde noemen, is de valstrik van de trouwring.'
'Liefde is belustheid. Waarom moeten we gedichten maken over de kriebel in je kont?'
De eerste jongeman glimlachte. Hij was ongewoon knap van uiterlijk, bleek en fijnblond, met fraaie ogen die de kleur hadden van zacht brandende lampen. Wanneer hij stilzat zoals nu, ging er iets lieftalligs van hem uit. Hij zuchtte met een zoete weemoed.
'Achèrm,' zeiden ze. 'En wat zit onze lieve Oloru vanavond dan wel dwars?'
'Een antwoord, waarop ik de vraag niet weet,' zei Oloru.
'Een raadsel!' riepen de andere jongelieden. Ze grijnsden en riepen: 'Laat ons eens lachen, Oloru!'
En opeens begonnen Oloru's ogen te glinsteren als van een vos bij nacht. Hij sprong overeind, rolde in elkaar, liet zich als een bal voorover vallen, drukte zich rechtstandig omhoog op zijn ene hand, met zijn benen als een kaars in de lucht. Toen begon hij het dak rond te hupsen, nog steeds op één hand, terwijl hij met schelle geërgerde stem riep: 'Ach, wat is dat toch lastig. Men zou toch denken dat de goden intussen een betere manier zouden hebben bedacht om je voort te bewegen!'
Het gezelschap was vermaakt, en begon te lachen en te klappen en hem kozende scheldwoorden toe te voegen. Oloru hopste voort, ofschoon zijn fraaie zijden handschoen nu wel aan flarden moest zijn. Hij hopte op de borstwering langs de westkant van het dak, waar zijn slanke lichaam even heen en weer zwaaide, zodat het leek of hij de sterren deed kaatsen op zijn voetzolen. 'Kijk,' riep Oloru. 'En hier is de zon net omlaag gevallen!' En hij duikelde zijwaarts weg door de blauwe schemerhemel en de sterren, over de borstwering, en was verdwenen.
De jongelieden op het dak van de taveerne slaakten kreten van afgrijzen en sprongen overeind waarbij ze wijnkruiken en allerhande gerei omstootten. Oloru was de lieveling van hun heer, een van de magiër-prinsen van de stad. Het was geen aantrekkelijk vooruitzicht hem te moeten melden dat Oloru geplet op de keien lag, verdiepingen lager.
Maar toen ze naar de borstwering waren gesneld en omlaag tuurden, zagen ze in het smalle steegje slechts dichte duisternis.
De stad lag rondom hen onder de hemel, met parelsnoeren van lampen langs de terrassen, en glinsterogende torens met verlichte vensters. Nergens in deze stad zouden ze veilig zijn als ze hun prins, Lak Hezoor, vertoornden. Vlakbij verhief zich zijn paleis, met torens als sombere kaarsen door de vlammende vuurbakens waardoor ze bekroond werden, torens die nu gespannen in hun richting leken te turen.
Grote opschudding. Sommigen draafden naar de trap met de bedoeling te voet de steeg te doorzoeken. Anderen waren al bezig verklaringen te verzinnen voor een gewelddadige dood waar ze werkelijk niets mee te maken hadden gehad. En te midden van dit alles kwam opeens Oloru te voorschijn uit een vruchtboom die zich aan de oostelijke borstwering had gehecht.
'Ja, liefde is waanzin,' zei Oloru. 'Zoals alles in het leven. Vroomheid, kwaad, plezier, verdriet - waanzin, stuk voor stuk. Ja, het leven zelf...'
'Oloru!' schreeuwden de jongelieden en twee kwamen er op hem af gelopen, als wilden ze hem een pak ransel geven. Oloru kromp ineen tegen de stam van de boom. Hij hief zijn handen gestoken in met juwelen bestikte handschoenen op, als om zich te beschermen. 'Nee, vrienden, vrienden, vergeef me - wat heb ik gedaan dat jullie kwaad op me zijn?'
Dreigend kwamen de vrienden naderbij. Oloru was een
reusachtige bangebroek. Ze wisten dat hij al doodsbenauwd werd bij een dreigement, een opgeheven vuist. En dus maakten ze hem verwijten terwijl hij steeds bleker wegtrok en angstig beschutting zocht in de slanke armen van de vruchtboom. Stamelend legde hij uit dat hij zich had vastgegrepen aan de gemetselde rand vlak onder de borstwering en zich zo ongezien naar de andere kant van het terras had gewerkt, bij de boom. Toen was hij weer naar boven geklommen. Hij had ze niet willen plagen, alleen maar laten lachen... Ze lieten hem praten, genietend van zijn zoete, stamelende stem, zijn vochtige ogen, overlopend van angsttranen. En toen ze hem naar hun gevoel voldoende klem hadden gezet zodat alleen de tengere boom hem nog overeind hield, kregen ze medelijden en sloegen hun armen om hem heen en kusten hem en streelden zijn gouden haar, en bezwoeren hem dat het allemaal vergeven was, hij was hen immers zo dierbaar? Hij lachte beverig. Hij bedankte hen. En toen ze erom vroegen, pakte hij zijn lier van verguld houtwerk en begon voor hen te zingen. Zijn stem was zo wonderschoon, dat her en der de luiken opengingen. Geliefden en verworpelingen leunden uit hun vensters in de nacht om het aroma van Oloru's lied op te vangen.

'In het rijk der lier brengt elke snaar
Mij in elke blik getover.
In elk woord muziek weerklinkt
Want je ogen zijn een zwaard
En je glimlach is een vogel
Die uit oude boeken zingt...

'Je vlijt me, Oloru,' zei er een. 'Maar je vlijt bepaald beter dan wie dan ook, en altijd volmaakt op toon...'
Lak Hezoor, de magiër-prins in donker pronkgewaad, was met twee wachters stil het dak op gekomen. Hij en zijn beulsknechten wisten zich uiterst zachtvoetig te bewegen als het nodig was, en het was een van zijn hebbelijkheden om geruisloos zijn intrede te doen. Op die manier had hij zijn hovelingen dikwijls betrapt bij hun divers en intiem verkeer. Die zorgden er dus wel voor om voortdurend, en zelfs in de meest gedreven daden van wellust, lovend te denken en zo nodig te spreken over hun heer. Schaduwzwart als zijn kledij was zijn lang golvend krullend haar, en op de gehandschoende handen van Lak Hezoor vlamden juwelen, zo donker als de nacht die inmiddels was gevallen. Twee forse jachthonden, even blond als Oloru in scherpe tegenstelling, keken fel om zich heen, huiverend van ongerichte begeerte om na te jagen en aan stukken te scheuren.
De jongelieden hadden direct hun buigingen gereed. Maar het was Oloru die door de magiër-prins werd omhelsd en overeind getrokken, en ongehaast op de mond werd gekust.
'Vannacht gaan we op jacht,' zei Lak Hezoor.
De aanwezigen op het dak die voor die nacht andere plannen hadden, zetten ze ogenblikkelijk uit hun hoofd. Alleen Oloru kon men klagend horen zeggen: 'Maar heer, ik vind het zo erg om te zien doden...'
'In dat geval, lieveling,' zei Lak Hezoor, 'mag je wanneer het ogenblik daar is je gezicht in mijn mantel verstoppen; je behoeft niet te kijken.'

De maan kwam op toen het jachtgezelschap uitreed. Het zou die nacht volle maan zijn, en door zekere dampen en uitwasemingen die uit de met tovenaarshand gesmede stad opstegen, leek ze ongewoon groot, en schenen de torens nietig in haar nabijheid. Ze bloosde, dat ze boven dit oord moest staan, en trok een wolk om zich heen. Maar haar koortsig licht straalde er dwars doorheen, en overspoelde de zwarte paarden en de zwarte en witte jachthonden van Lak Hezoor, en blikkerde op de krachtig gestoken jachthoorns, de messen, de edelstenen, en in de ogen van heel de schare.
De stad braakte de jachtpartij uit; de poorten werden zo wijd mogelijk geopend, vóór het bevel daartoe gegeven behoefde te worden. Achter de poort lag een brede geplaveide weg die door de vlakte voerde. Aan weerszijden lagen weelderige akkers en wijngaarden, maar verder weg naar het westen lag heuvelland, en een woud dat vele eeuwen ouder was. Daarover deden vreemde verhalen de ronde. Sommige lieden waren erin verzeild geraakt en nooit meer terug gekomen. En er waren wezens die helemaal geen mensen waren, en die eruit te voorschijn kwamen; soms in menselijke gedaante, soms ook niet. Maar de meester-magiërs van de stad voelden bij tijd en wijle de verleiding van het woud. En in het bijzonder Lak Hezoor wiens brein bezeten werd door nacht en duistere zaken (terwijl in gelijke mate zijn lichaam in vuur en vlam werd gezet door alles wat buitenmate bleek was).
Het was oogsttijd en op hun wilde rit, woest en gedreven,
als hadden ze de prooi al in het oog, passeerden ze zo nu en dan het kampvuur van boeren die op het land overnachtten, of een dorp dat dicht aan de weg lag. Dan kwam het eenvoudige volk dat daar was naar de kant van de weg gesneld om luide loftuitingen ten gehore te brengen ten aanzien van de magiër-prinsen, en Lak Hezoor in het bijzonder - als ze hem hadden herkend. Het zou niet verstandig zijn geweest dat na te laten. Maar Lak Hezoor besteedde er nauwelijks aandacht aan. Toen echter de hoge zwarte muren van het woud geen mijl meer van hen verwijderd waren, zag de toverheer iets dat hem deed inhouden. In het weiland hing een talglampje aan een paal en daaronder zat een man geknield. Vlak daarbij stond een meisje aan een boom gebonden. Parelbleek glansde ze in het flauwe licht en haar lange asbruine haar waarin witte bloemen waren gevlochten, was haar enig sieraad.
Toen Lak Hezoor en zijn gevolg hun paarden inhielden kwam de man naar de weg gedraafd en viel daar weer op zijn knieën.
'Spreek,' zei Lak Hezoor.
'Het is de dochter van mijn zuster, net vijftien; ze is nog maagd.'
Lak Hezoor, op zijn paard gezeten, bekeek het meisje eens goed terwijl zijn hovelingen veelbetekenende en flemende lachjes rondzonden, in zijn richting en ook naar elkaar.
'Vroeger,' zei heer Lak, 'werden maagden wel op die manier achtergelaten om draken te lokken. Verwacht je hier draken?'
'Nee, o, nee machtige Hezoor. De zaak is dat het grootste verlangen van haar hart is om u een ogenblik verstrooiing te mogen bieden, meer niet.'
Lak Hezoor steeg af. Hij liep over de weide naar de boom waar het meisje halfdood van angst in haar boeien hing. Een ogenblik nog was de magiër te zien, toen hij zich naar het drakenaas overboog. Toen breidde zich daar een waaier van duisternis uit die hen beiden aan het oog onttrok, terwijl in het donker een dofrode slang van vuur leek te dansen en vonken wegspatten zodat het pijn deed aan de blikken van hen die nog in die richting tuurden. Tot twee keer toe doorboorde een hoge kreet de toversluier maar verder was er niets te zien of te horen.
De man de zijn nichtje aan de heer had aangeboden stond geduldig te wachten met neergeslagen ogen. De hovelingen nipten aan gouden flacons met wijn, klopten hun paarden in de hals, en babbelden wat over gokken, en de nieuwste mode.
Lak had niet lang werk. Opeens kwam hij weer uit het zwarte scherm te voorschijn, kalm en onberoerd, alsof hij een vrucht was wezen proeven van een struik langs de wegkant. Het toverscherm begon direct op te trekken, en onthulde een bleek vod dat op de grond was weggeworpen, roerloos te midden van uitgerukt haar en geknakte bloemen.
'Wat wilde je van me?' vroeg Lak Hezoor de geduldig wachtende oom. 'Niet al te veel mag ik hopen, want ze was erg teleurstellend.'
'Nee, o, nee. Ik wilde u slechts een genoegen doen, heer.'
'Hm, veel genoegen heb ik er anders niet aan beleefd. Maar het was goed bedoeld neem ik aan. Ik zal je niet straffen. Is dat voldoende?'
'Machtige heer, ik ben de slaaf van uw edelmoed.'
Toen ze weg galoppeerden hadden ze, achteromkijkend, kunnen zien hoe de man zich boog over de bleke vlek in het gras, die niet meer reageerde, zelfs niet toen hij haar klappen gaf.
'Wel, mijn Oloru,' zei de magiër-prins toen ze op de hoge poorten van het woud toereden. 'Je ziet er een beetje somber uit.'
'Ik?' zei Oloru. 'Nee, ik was bezig met een gedicht te uwer ere.'
'Aha,' zei Lak Hezoor. 'Dat is mooi. Je mag het me straks laten horen.'

De diepten van het woud. Niet het hart, nee, het woud was zo oud, zo vol dwaalwegen - wie zou ooit tot het hart geraken, op die ene verdoolde reiziger na, in de sinistere verhalen die de ronde deden?
Of misschien bezat het woud wel meer dan één hart, harten die traag en bedwelmend klopten - voor elke eeuw die verstreek een fractie krachtiger, en een fractie trager.
Er waren in elk geval delen van het woud waar de sfeer bijzonder en intens geladen scheen te zijn. Op een van die plaatsen lag een ven waarvan de diepte nooit was gepeild, en waar de dieren van het woud, wat hun aard ook mocht zijn, heimelijk kwamen drinken. Ofschoon ook verteld werd dat een mens die van het water in het woud dronk ogenblikkelijk zelf in een dier veranderde, in een hert, een
wolf, of een bosgeest of een monsterwezen waarvoor geen naam bestond.
Rondom het ven lag zwarte duisternis, maar door de kolossale dakspanten van het bomendak scheen de rand van de maan. Ze bloosde al niet meer, maar was nu koud, en haar sneeuwvuur veranderde het geheimzinnige water in een egaal witte spiegel die men licht zou menen te kunnen betreden.
Tot driemaal toe hadden Lak Hezoors mannen een hert opgeschrikt. Bleek als geesten snelden ze ervandoor en de jacht zette hen na in dolle vaart. Fakkelschijnsel knetterde tussen de bomen. Geschreeuw en jodelkreten scheurden de loverlucht aan stukken. Soms verschrikte het rumoer en de wilde galop merkwaardige vogels - of ander gevleugeld gedierte - die zich op hogere takken in veiligheid stelden. Her en der lichtten ogen op van onzichtbare wezens, om snel weer uit te doven. Tot tweemaal toe verdween de prooi plotseling, spoorloos. Maar toen het derde hert uit de struiken te voorschijn sprong wierp Hezoor een lichtstraal over haar heen, als een net. En wat het dier ook probeerde, hoe het draafde en sprong en zelfs leek te vliegen, het kwam niet meer vrij uit die toverij. Het hijgde luid en kreunde als een vrouw in barensnood, zodat de nekharen van de hovelingen rechtop gingen staan. Maar tenslotte struikelde het dier en werd het bedolven onder een stortvloed van honden.
Het was een vrouwtje, maar een reusachtig dier desniettemin. De jagers voelden zich dus voldaan en trokken naar de open plek, naar het ven dat er lag als een spiegel, en daagden elkaar uit een slok van het water te nemen. Doch niemand nam de uitdaging aan. Ze vlijden zich op de tapijten en kussens die de bedienden van Lak Hezoor voor hen neerlegden en dronken wijn uit roemers die tussen de bomen gouden tranen geleken.
Lak Hezoor hield persoonlijk toezicht op het slachten en wierp zo nu en dan een brok ingewand naar zijn lieveling onder de huiverende honden. Vlakbij zat Oloru tegen een boom, met afgewend gezicht, terwijl zijn gehandschoende hand licht neus en mond bedekte.
'Kom, beminde, wees mijn hond, en ik werp je een brok lever toe,' zei Lak Hezoor.
Oloru sidderde, keek zijn heer aan vanonder zijn lange wimpers en wendde zijn hoofd af.
Toen Lak Hezoor genoeg had gehad van het bloederig bedrijf zette hij zich in de kussens tussen de kampvuren. Hij wenkte Oloru.
'Zing me nu het lied dat je voor mij gemaakt had,' zei Lak Hezoor.
'Het is nog niet af,' zei Oloru op achteloze toon.
Lak Hezoor draaide aan een van de ringen aan zijn linkerhand. Een oogverblindende lichtstraal schoot omhoog - met deze ring had hij het net rond het hert geworpen om het te verzwakken en te kunnen doden. Ook tegen mensen had hij hem wel gebruikt.
'Ik geef Oloru,' zei Lak Hezoor, 'precies drie hartekloppen om zijn lied af te maken. En aangezien zijn hart nu wel heel snel zal slaan, vrees ik dat de tijd alweer om is.'
Oloru sloeg zijn ogen als rookamber neer. Snel, op zoete en opperst klare toon zong hij:

'Onze heer vond een vrouw in het veld
En nam haar een ogenblik later.
Hij betaalde met kwaad, niet met geld.
Van hem wordt terecht nu gemeld:
Hij mint gelijk een ander mens watert.'

Het zo luidruchtige gezelschap bleek ineens ook tot volstrekte stilte in staat te zijn. Met wijd open ogen en mond keken de mannen naar Oloru, de roemers roerloos halverwege geheven. Voor het paviljoen van sabelzwart satijn stonden de dienaren van de magiër-prins, die naar sommigen zeiden zelf niet helemaal menselijk waren - met strakke blik voor zich uit te staren, maar elk had de hand aan het gevest van zijn lange mes geslagen.
Na zijn lied keek Oloru zijn heer recht in het gezicht, met een flauwe glimlach en Lak Hezoor beantwoordde de blik met precies zo'n zelfde glimlachje. Toen stond hij op en Oloru volgde zijn voorbeeld. Lak Hezoor knipte met zijn vingers en uit het niets verscheen zijn zwaard dat in zijn hand gleed. Lak Hezoor strekte het zwaard tot de punt op Oloru's borst tot stilstand kwam.
'Nu ga ik je doden,' zei Lak Hezoor. 'Maar nog niet meteen. Nee, je zult voor je dood moeten vechten, je zult hem moeten verdienen.'
En Lak Hezoor sprak een toverwoord en een tweede vlammend zwaard viel Oloru in de hand; Oloru, die het, met een gezicht dat witter was dan het water van het ven, prompt liet vallen.
'Raap op,' zei Lak Hezoor. 'Raap dat zwaard op, kind, en laten we ons een tijdje verstrooien. Daarna zal ik je tot repen houwen voor mijn honden, stukje voor stukje.'
'Heer, heer...' fluisterde Oloru trillend, staand bij het zwaard, 'het was maar een grap en ik...'
'En daar zul je voor sterven, ja. Want ik moest er niet om lachen, mijn lieve Oloru, dus ik moet me wel op andere wijze zien te vermaken.'
'O, genadige heer ...'
'Raap het zwaard op, mijn liefste. Raap op.'
'Ik smeek u .. .'
'Raap het op. Men mag toch niet gaan rondvertellen dat ik mijn vrienden dood terwijl ze ongewapend zijn?'
'Dan laat ik het gewoon liggen...'
'En dan zal ik gewoon moeten doden.'
Oloru sloeg zijn handen voor zijn ogen. In het fakkelschijnsel leek hij wel gemaakt van kostbaar bleek goud, net als het glasgerei; van goud en ook van tranen.
'O, vergeef me, vergeef me,' huilde hij.
Lak Hezoor grinnikte, trok Oloru's handen weg en wees naar het zwaard in het gras.
'Zie je dat? Je raapt dat op en je sterft ermee.'
Oloru keek een laatste keer lang naar het zwaard, en viel in zwijm aan de voeten van Lak Hezoor, pal naast het zwaard.
Toen moest de magiër lachen. Hij wierp zijn zwijgende hofhouding een snelle blik toe. Een blik die door hen heen sneed, een blik zo vol minachting en onverschilligheid, en daaronder verscholen zo'n onuitgesproken dreiging, dat ze het gevoel hadden dat hij hen, stuk voor stuk, met zijn zwaard had neergehouwen. Toen verdween het zwaard, en tegelijk ook het andere, dat in het gras lag; overal namen de bedienden van de prins hun handen van hun messen. Lak Hezoor tilde Oloru op en droeg hem in zijn armen naar het zwarte paviljoen en ze zagen hem niet meer.
Slechts gadegeslagen door zijn prins kwam Oloru, de nar en dichter, weer bij kennis na een poosje. Hij kwam bij, vooroverliggend op de zijden kleden van de magiër, met zijn gezicht in de geborduurde kussens gedrukt, en Lak Hezoor lag zwaar bovenop hem.
'Jij, mijn kleinood, jij die me durft beledigen als geen ander,' murmelde Lak Hezoor, terwijl hij zijn gezicht naast dat van Oloru op het kussen legde zodat zijn zwarte ogen diep in de amberen ogen van Oloru brandden en hun lippen elkaar bijna raakten bij elk woord dat hij zei. 'Maar ik vergeef je. Want je weet dat je onwaarheid hebt gesproken.'
'O, mijn ziel, wachter van mijn lichaam, je was er niet en nu is mijn citadel genomen,' zei Oloru. Lak Hezoor glimlachte hem tartend toe, want zo was het inderdaad.
'Vertel over demonen,' zei Lak Hezoor, en zijn lenige lichaam roerde zich, kronkelde zich als een zware python op en in zijn derde prooi van die nacht. 'Vertel me van Azhrarn, Heerser van de Nacht, de Brenger van Pijn.'
Oloru begon te spreken, zacht, soms ademloos.
'Men zegt dat een koningsdochter, een tovenares, op een keer Azhrarn wist op te roepen door middel van een kleinood dat Azhrarn ooit geschonken had aan zijn geliefde, de schone jongeman Sivesh, of Simmu zoals anderen zeggen. En toen de Demon haar bezocht had deze tovenares een paviljoen opgericht met een dak van duisternis en juwelen als sterren, waarin wind en wolken voeren, maar dan op toverkracht. En Azhrarn zag zoals bedoeld het dak aan voor de hemel, en meende dat hij op tijd zou merken wanner de zon opkwam want naar men zegt is zonlicht dodelijk voor demonen. Men zegt...' (Oloru zweeg, maar Lak Hezoor drong aan: 'Ga verder, mijn Sivesh, mijn Simmu.') 'En toen hij dus door de heks in de val was gezet, toen de zon ongezien was opgekomen buiten de valse nacht van het paviljoen, toen moest Azhrarn aan haar wensen gehoor geven en haar schenken wat ze vroeg: macht, rijkdom, bovenal schoonheid, schoonheid... schoonheid...' (En nu kon Oloru niet meer verder spreken. Hij klampte zich vast aan de kussens en welfde zijn rug en zijn keel en door zijn gouden wimpers stroomden tranen als linten van zilver.)
Maar toen de python tot rust was gekomen en de zware zijden duisternis van de tent vanuit de bloedrode donder weer te voorschijn kwam, zei Oloru: 'Maar als ze dan zo'n groot tovenares was, waarom verschafte ze zich dan zelf dat alles niet, waarom maakte ze zichzelf niet mooi? Ach, dat kwam doordat de kern van haar tovermacht op woede was gebouwd, en woede wekt geen schoonheid. Buitendien verlangde ze naar liefde, en daardoor kon alleen liefde wonderen voor haar verrichten, zelfs de liefde van Azhrarn, prins der demonen. En daarbij komt, het was in het geheel niet zeker of het sieraad wel de macht had Azhrarn op te roepen als hij niet opgeroepen wenste te worden. Noch zou hij werkelijk gedwongen kunnen worden aan haar verlangens toe te geven, of zich kunnen laten bedotten door een tentdak met juwelensterren en wolken van illusie. Tenzij hij verlangde naar iets nieuws, naar gevaar, naar een valstrik. Waanzin, Lak Hezoor,' zei Oloru, 'heeft voor niemand achting. We zien dat zelfs de machtige prins Azhrarn zich door hem heeft laten duperen. Nog niet zo lang geleden was hij waanzinnig van liefde, want liefde is waanzin en meer niet. Een meisje met maanwit haar en schemerlicht-ogen. Liefde en dood en tijd vegen al het gebeurde op een hoop. En de waanzin zit zingend bovenop de mestvaalt en begeleidt zich met het geklepper van een ezelskakebeen.'
Maar Lak Hezoor sliep al. Diep in slaap lag hij, als verdronken in een rivier vol modder. En zo zag en voelde hij niet hoe Oloru voorzichtig onder hem vandaan gleed. En ook sloeg hij, de machtige magiër-prins, niet gade wat er uiteindelijk van de rustbank glipte, op de vloer sprong, en een ogenblik bleef staan kijken in het schemerlicht van de stervende kaarsen.
Mensen die dronken van het water in het woud veranderden van gedaante - in een dier, een natuurgeest, een monster. Maar Oloru had slechts het beste van de wijn tot zich genomen. Dus kon het niet het kristallen vocht van het woud zijn geweest dat deze verandering in hem had bewerkstelligd.
De hovelingen sliepen, buiten. De bedienden van de magiër sliepen, of stonden star in trance, omdat hij hen niets had opgedragen. Niemand schrok dus toen uit de tent een gele jakhals te voorschijn sloop, met ogen als dorre vuurkolen. Het dier keek om zich heen met open muil, als schaterde het, toen draaide het zich om en draafde weg door de zwarte gewaden van de bomen.

Het was nacht op aarde, overal, want de aarde was plat, en hoog in het koepeldak van de hemel was de daglamp gedoofd.. Géén aards woud dus dat niet zwart was, geen zee die niet zwart was, met witte zilverribben betekend door de maan, geen berg die niet bekroond werd door sterren. Maar beneden in de omgekeerde onderkoepel van de aarde was het geen nacht, was het nimmer nacht.
Onderaarde, het land der demonen, tierde welig in het onveranderlijke schijnsel dat de lucht zelf verspreidde. Een licht, zegt men, stralend als van de zon, teder als van de maan, lieflijker dan beide. En in dat lichtschijnsel strekte zich een landschap uit als in een donkere hartstochtelijke droom. En alsof ze van licht was opgetrokken verhief zich daar een stad, tegen de straling van een onbeschrijflijke en onbestaanbare hemel.
De stad der demonen was in de grond der zaak ook onveranderlijk. Ze glinsterde en glansde en fonkelde, en de wonderen der wereld konden aan haar niet tippen. Maar toch lag in Druhim Vanashta (waarvan de naam bij benadering betekent: Zij die schijnt zonder de zon en fonkelender is), toch lag in Druhim Vanashta een vreemde schaduw die niets te maken had met de lichtende schaduwen die normaal zijn in de Onderaarde. Het was een wade van een troosteloze, verscheurende, genadeloze en onuitgesproken treurklacht - de rouw van Azhrarn.
Er was op aarde enige tijd verstreken. Jaren mogelijkerwijs. En ook onder de aarde was er tijd verstreken, de tijd der demonen die niet van een zelfde orde van grootte is, al blijft het tijd. Maar het was de vloek en de glorie van de Vazdru, de hoogste kaste der demonen waartoe Azhrarn behoorde, dat ze niet konden vergeten, binnen of buiten de tijd. De grootste zoetheid niet, noch de verscheurendste pijn of smart. En het gezegde luidde dat het gekwetste hart van een demon alleen kon worden geheeld met mensenbloed.
Maar hij had geen wraak genomen, Azhrarn, had geen straffen opgelegd.
Zelden zal iemand betwisten dat hij van de vele en verscheidene geliefden die hij gekend heeft, haar het meest beminde, Dunizel Ziel-van-de-maan. De witharige Dunizel, blauw van oog als de vroege avondlucht, in wier lichaam hij als een wonderbloem zijn kind had doen groeien. Veel wijst erop, dat het niet behoeft te verbazen dat vergelding uitbleef of achterwege werd gelaten. Ze was zo teder geweest, zo vol mededogen. Zelfs die macht had ze hem ontnomen daarmee, voor een korte tijd. Het was ook misschien niet zo makkelijk om tegelijk aan haar en daden van bloed te denken in één ademtocht. Nee, het was zijn hart dat bloedde. En zijn pijn die zwarte wolken legde over de stad.
Ook in zijn dochter zocht hij geen troost. Hij had vanaf het begin gesteld, toen hij het kind vorm gaf tot kwaad zoals in zijn bedoeling had gelegen, dat wat hij verwekte van hem zou zijn en van niemand anders - al werd ze gedragen in Dunizels schoot. Het vrouwelijk tegendeel van Azhrarn, wier functie en doel wreedheid en kwaadaardigheid en leugens zouden omvatten. En daarom kon hij kennelijk haar aanblik nu niet verdragen. En kon hij zich er niet toe brengen in die ogen te kijken, zo blauw als blauw maar zijn kan, de ogen van haar moeder.
En zo had hij haar meegevoerd naar zijn rijk, maar haar ver weg gestuurd van de plaatsen waar hij verkeerde. En haar daar achtergelaten; ver, ver weg. Een uitgestrekt meer met eb en vloed - of misschien een kleine binnenzee - een van beide, allebei. Naar menselijke begrippen lag het drie dagreizen van de stad der demonen ofschoon een tijdsduur van drie dagen in demonisch opzicht niet eens bestaat. Het was zo dichtbij of zo ver als de wil het stelde.
In de kristallen lucht van de Onderaarde was ook het water van het meer als kristal. Zo helder was het, dat men tot op de bodem kon zien, die heel ver weg leek. Daar bewogen zich gedaanten, wier en zand zo op het oog, en vliegende vissen. Maar hoewel het water doorschijnend was, werd het zicht vertroebeld door de beweging van het getij. Hoe dat getij ontstaan was, was op zichzelf al onduidelijk. Mogelijk gehoorzaamde het water aan de lokstem van de maan van de aarde, vele mijlen boven haar maar ongezien, of aan de lokstem van een andere verborgen maan, beneden, in de substantie van de chaos die alle dingen om-vloeide, de aarde, de Opperaarde, en de onderste regionen.
In het kristallen zee-meer verhieven zich eilanden. Slank doorgaans, met een omtrek die juist groot genoeg was om een vogel tot zitplaats te dienen - als er daar vogels zouden zijn geweest. Sommige hadden de omvang van aardse schepen en droegen masten en zeilen van zware middernachtbomen die in het water afhingen maar er niet in werden weerspiegeld omdat het zo helder was. Dan weer verhieven zich gladde zuilen van rots, duizend voet hoog als torens zonder vensters. En in al deze eilandjes, in rotsen groot en klein, pulseerden vurige tinten, zwollen aan en namen af en doofden uit en vonkten weer aan. En deze tinten weerkaatste het zee-meer wél, zodat het kleurplekken had als van wijn, en van flakkerend duister lampschijnsel, en van doorschijnend heliotroop, als het bloed der goden.
Ergens te midden van al dit water en de vreemd gevormde rotsen lag een eiland dat een groter oppervlak en een geheel andere aanblik bezat. Het vertoonde geen bevende tinten, maar werd doorgaans omgeven door nevel zodat het een geestverschijning geleek, alsof het niet echt in het meer aanwezig was, en misschien was dat ook wel zo.
Wie het eiland wilde zien moest de mist binnengaan en dat had niemand ooit nog geprobeerd. Degenen die er huisden waren gekomen voor de mist. Niemand had sindsdien het eiland bezocht of verlaten.

Ze leefde in een holle rots, de dochter van Azhrarn.
Dat de steen naar haar eigen kille zuivere aard schoon was, zei haar niet veel, of liever in het geheel niets. Het was een klip van kwarts, door schijnbaar willekeurige verwering uitgekerfd tot terrassen en vensters en trappen, doorschoten met honderden grotten. Het nimmer veranderende licht speelde langs de klipwand, en slingerde zich eromheen en fonkelde op elk facet. De parelbleke mist sloop aan uit zee en reeg zich door de openingen zodat heel het bouwwerk leek te zweven in nevel. En soms fladderde de wind door de grotten en bracht de klip vreemd schallende, bevende klanken ten gehore alsof het bouwwerk één gigantisch instrument was met snaren en klankpij pen.
De twee grootste grotten waren omgevormd tot kamers. Ze waren van meubilair voorzien - op bevel van Azhrarn waarschijnlijk; ja, van wie anders? Maar zo hij al de opdracht had gegeven, het resultaat is hij nooit komen bekijken. Er hingen geplooide gordijnen en er lagen tapijten en zijde op de grond in donzige lagen, en in de lucht zweefden lampen die uit zichzelf aangingen wanneer men dat wenste - niet als verlichting, maar om het een of ander kleur en aandacht te lenen. Deze vertrekken bezaten vensters van beschilderd glas, die beelden toonden die van tijd tot tijd veranderden; die verhalen vertelden aan wie er naar kijken wou. In een aangrenzend vertrek stond een vuurrood hemelbed met zuilen van dieprode jade en gaasgordijnen.
Op het bed lag een pop van wit, op haar rug, in een japon van witte stof; alleen haar haar was zwart, zwarter dan zwart, dat om haar heen golfde tot op de grond, en haar open ogen waren blauw, zo blauw dat ze door hun eigen kleur welhaast verblind leken. Zag ze, kijkend door die twee saffieren lenzen, een wereld in tinten van blauw? Wie zou het zeggen? Wie zou het vragen? Zelf zei ze er in elk geval niets over. Want ze had nog nimmer gesproken, zelfs in de wereld niet, met haar moeder. Ze was een Vaz-dru kind, maar ze bezat de gave van de demonische Eshva, de dienstmaagden van de Vazdru. De Eshva spraken niet dan met hun ogen, hun aanraking, het rythme van hun ademhaling - maar met zulk een intensiteit dat men zou menen dat ze gesproken hadden. De enkele stervelingen die hun jeugd in hun gezelschap hadden doorgebracht (zoals Sivesh, de geliefde van Azhrarn; Simmu, die de Dood wist te overmeesteren) maakten gewag van de stemmen van de Eshva... Maar kennelijk was dat slechts bij wijze van spreken. En de dochter van Azhrarn, zij was ook met de Eshva vertrouwd. Ze hadden bij haar geboorte geholpen. Ze hadden haar demonenbloed te drinken gegeven en haar gedoopt in magische rook. Toen ze naar het eiland werd gebracht, naar de holle klip, was een groep Eshva met haar mee gestuurd om haar te dienen en te verzorgen. Maar deze Eshva waren ongelukkig. Ver van Azhrarn die ze boven alles liefhadden, ver van de verzengende droom van de wereld die hun danszaal was, gingen ze als schaduwen en stortten hun tranen. Tranen die zeiden: Ik ben wanhopig. Ze kwamen in een toestand van levend gestorven zijn, deze onsterfelijken, en de zingende klippen leken doordrongen van triest gezang.
Soms keek het meisje naar hen, alsof ze medelijden met hen had. Ze wilde geen slaven, maar weggaan mochten ze niet. Maar wie zou durven zeggen of ze inderdaad medelijden voelde? Zeggen deed ze het niet.
Ze was de Onderaarde binnengegaan als heel klein kind, zij het voor het oog al ouder en verder gevormd dan een mensenkind. Onder de invloed van de aura van Azhrarns rijk verviel ze een tijdlang tot een waastoestand, waarna de jaren haar plotseling overvielen als een wervelwind, aan haar rukten en trokken en haar groei bespoedigden, zodat soms haar botten door haar huid drongen en haar donkere bloed - demonenbloed - schuimend op de grond stroomde. Dan riep ze, schreeuwde ze het uit, want een stem bezat ze wel daartoe. In de tijdspanne van zeventien stervelingen-dagen - uren, oogwenken slechts in de Onderaarde, groeide ze op tot een leeftijd van omtrent zeventien jaar.
Tijdens dit gebeuren hadden de Eshva getracht haar te troosten. Ze hadden haar geliefkoosd, gestreeld met hun lange haren, haar verdoofd met hun geurige ademtocht. Toen het gruwelijke groeiproces tot stilstand kwam en niet weer werd hervat, schenen ze nog een tijdlang het verlangen te koesteren om haar te vermaken. Maar ze werd nu als een stenen beeld, ze sliep met open ogen. Een gesloten deur was ze. En allengs vielen de Eshva weg, als vlinders met geknakte vleugels.
Ze zwierven rond over het eiland, haar dienaren, haar medegevangenen en ballingen. Hun woordeloze ellende en heimwee doordrenkte al spoedig iedere vallei en elke rotspiek. Ze was ten slotte een Vazdru, een prinses. De loodzware leegte waaraan ze zich had overgegeven kwetste en verwondde hen. Ze verbleekten, ze vervaagden.
Ook zij wandelde soms over het eiland. Maar zelfs dan sliep ze nog. Een slaapwandelaarster. Soms hield ze stil aan de rand van een afgrond waar ze, gezien wie en wat ze was, waarschijnlijk toch niet in gevallen zou zijn. Of soms hoorde ze in de verte het gezang van haar klip en keek dan achterom. M!aar wanneer de nevel rond het eiland minder dicht werd en de Eshva bevallig omlaagslopen naar de oever om naar de zee achter de mist te staren, dan verroerde zij zich niet.
Ongetwijfeld had ze ook veel kennis, opgedaan zonder onderwezen te zijn; ongetwijfeld was ze geboren met kennis die de mensheid zelfs ontzegd is. Maar het lijdt even weinig twijfel dat ze niet wist wat kennis was en wat die waard was. En evenmin wat ze zelf was of zou kunnen zijn. Dat ze zich haar aanvang herinnerde, de moeder die haar verhalen had verteld toen ze nog in de moederschoot woonde, en de afgrijselijke dood van diezelfde moeder, en haar verlating, eerst in de macht van mensen, later op dit eiland; dat ze zich dat herinnerde staat wel vast. Maar zelfs die herinnering bewoog haar niet tot uitdrukking van emoties. Want ofschoon ze zich van zichzelf bewust was, wist ze niet wat ze was. Hoe zou ze zichzelf dan moeten uitdrukken?
Ze lag op het koninklijk bed in Onderaarde, drie dagen of ook drieduizend jaar verwijderd van Druhim Vanashta. Misschien dat ze, als de vage echo van een gigantische sterre-explosie, ook de weerklank voelde van Azhrarns rouw. Maar zelfs dan, die smart schonk haar niets, vroeg haar niets, keerde zijn gezicht van haar af.
En zo was het met haar gesteld - of ook niet gesteld.

'Hij is geen slechte zoon,' zei de weduwe. Ze wrong haar handen en liep de kamer op en neer. 'De mensen die van hem vertellen spreken goeds van hem. Maar natuurlijk zijn ze bang voor de meester die hij dient. Ze durven geen kwaad te spreken van mijn zoon uit angst dat men zou denken dat ze kwaad spraken van Prins Lak. Maar ze kijken me zo aan. "Heb je nog wat gehoord van je zoon Oloru?" zeggen ze en hun blikken zeggen: "Hij is een oplichter en een bedrieger, een potsenmaker aan een hof waarvan hij de grootste ondeugd niet schuwt."' De weduwe ging zitten. Haar oudste dochter die was binnengekomen om haar moeder te troosten toen ze haar heen en weer had horen lopen, pakte haar hand. 'Maar ik zeg je dit,' zei de weduwe. 'Het is gewoon zwakheid van hem, anders niet. Wijzen we soms iemand na die is geboren zonder het licht in zijn ogen, of iemand die zijn been gebroken heeft en de rest van zijn leven kreupelt? Waarom zouden we dan een jongen nawijzen wiens geest niet in staat is te zien, en wiens aard is kromgegroeid? Hij kan het toch ook niet helpen, evenmin als de blinde en de kreupele?'
'Stil maar moeder,' zei de dochter die jong was en schoon en blond, en veel weghad van Oloru.
'Je bent een braaf meisje,' zei de moeder. 'Jullie zijn allebei brave dochters. Maar o, mijn zoon...'
In het venster stond de nacht zwart en vol sterren, hoewel de maan al was ondergegaan. Over een uur of twee zou het ochtend zijn.
Achter het oude huis zag men zich de speren en veerbossen verheffen van het oude woud (hetzelfde woud waar Prins Lak op dit ogenblik de jacht bedreef). Vlak bij het huis boog het lint van een weg voor het woud af, in de richting van de stad. Langs die weg was Oloru, nu een jaar geleden, vertrokken. Hij was van goede afkomst, al was hij arm, en hij had naar hij zei het plan opgevat een belangrijk heer te vinden die zijn patroon wilde zijn. En hij had Lak gevonden, wiens veile lusten en beestachtige wreedheden ver uitstegen boven de ondeugden van alle andere prinsen bij elkaar.
'Oloru had thuis moeten blijven, bij ons,' zei de moeder. 'Hier was hij gelukkig.'
'Misschien is hij nu ook gelukkig,' zei de oudste dochter verdrietig.
Uit zijn brieven zouden ze dat wel kunnen opmaken. Hij vertelde niet wat hij aan het hof van de magiër deed, maar maakte alleen gewag van heerlijk eten en fraaie kleren en stuurde hen voortdurend buitensporige geschenken.
'Het komt door het woud,' zei de moeder op fluistertoon. 'Het is de schuld van het woud.'
De oudste dochter wierp een snelle blik uit het raam en maakte een licht handgebaar om zich tegen kwade betovering te beschermen.
Het was een feit; een maand voordat Oloru het plan had opgevat in de stad zijn geluk te gaan zoeken, was er iets vreemds voorgevallen, ofschoon het niet zo merkwaardig was voor lieden die aan de rand van het woud leefden. 'Zelfs overdag waren de meeste mensen zo verstandig om et; zich niet te wagen, maar Oloru, enige zoon van de weduwe had altijd gespot met bijgeloof. Van tijd tot tijd ging hij zelfs op jacht in het woud en kwam hij thuis met jachtbuit die meer dan welkom was. Maar toen gebeurde heb op een middag dat de knecht, de enige bediende die hen nog gebleven was, alleen naar huis terugkeerde met haastige spoed. Oloru was samen met hem vertrokken, bij zonsopgang, maar op een of andere manier waren ze elkaar tussen net geboomte kwijtgeraakt. De knecht had de hele ochtend lopen zoeken, tot ver na het middaguur nog, maar had geen spoor van de jongeman meer gevonden. Ten leste was de knecht vervuld van angst naar de weduwe teruggekeerd.
Er verstreken verschrikkelijke uren van verbijstering en verdriet. De moeder durfde het woud niet ingaan, maar ze ging aan de poort staan met haar twee blonde dochters en de knecht. Daar baden ze, of weenden in stilte, of trachtten elkaar gerust te stellen, of riepen vergeefs Oloru's naam, en beschutten hun ogen tegen de ondergaande zon en tuurden naar het woud, alsof hun wanhoop in staat zou zijn hem weer te voorschijn te toveren. De zon begon weg te zakken in een kolking van vuur, en het huis en de weg en de wachtende gedaanten werden bloedrood geverfd, en de bomen zwart, met brandende kronen. En opeens bewoog er iets, dat uit het zwart kwam en het rood binnenging. Op de weg kwam een vijfde gedaante aangelopen, een jongeman. Oloru.
Het gezin stormde op hem af, huilend en lachend tegelijk. En hij begon op hen toe te draven met uitgestrekte handen.
En toen gebeurde er iets vreemds. De weduwe en haar dochters vertraagden hun pas, bleven staan. De bediende bleef stokstijf staan en mompelde een verwensing. En ook Oloru hield stil. Hij sloeg zijn ogen neer en boog beschroomd zijn hoofd.
De moeder staarde naar de jongeman. Wat was er nu? Was dit haar zoon - ja, ja, wie zou het anders zijn? Haar eigen Oloru die ze verloren had gewaand. Maar... ze keek, en keek, en haar hart bonsde zo luid dat ze niets meer hoorde en dat haar ogen wazig werden, en tenslotte dacht ze dat het daar wel door zou komen. Ze holde op hem toe en sloeg haar armen om hem heen en hij omhelsde haar op zijn beurt en zei: 'Moeder, vergeef me, dat ik u zo'n schrik heb aangejaagd. Ik was verdwaald. Maar zoals u ziet heb ik de weg teruggevonden en nu ben ik er weer.' En zijn blonde haren streken langs haar wang en ze meende hem weer te kennen - natuurlijk, hij was toch haar zoon.
Maar ook de zusters, en de knecht hadden aanvankelijk het gevoel gehad dat er iets mis was, iets abnormaals. Later kreeg het oudste meisje een droom waarin het gezicht van haar broer, bij zijn terugkeer uit het woud, aan de linkerkant bedekt was door een half masker van emaille, en toen hij het afnam was de gezichtshelft daaronder veranderd in de rottende angstaanjagende kop van een duivel. Ook de jongere zuster had een droom, en daarin hadden de ogen van haar broer de kleur aangenomen van de zonsondergang, zwart en rood; gillend werd ze wakker. Maar die dromen werden snel weer vergeten want er was met Oloru niets mis. Het was hun verbeelding maar. Hij was net als altijd, goud van haar en knap van gelaat, en vol grappen en dichterlijke dagdromen.
In die maand leek het alsof ze meer hielden van hem dan ooit, nu ze hem verloren hadden gewaand. En toen vertrok hij, naar de stad, naar de heerser-magiërs en toen was hij werkelijk voor hen verloren.
Al gauw kreeg nu de moeder last van kwade dromen, en vaak stond ze dan 's nachts op en liep haar kamer op en neer, en wanneer de dochters dat merkten gingen ze naar haar toe om haar te troosten. En dan zei ze: 'Hij is niet kwaad.' En dan zei ze: 'Het is zwakheid van hem.' En dan zei ze: 'Het komt door het woud. Het is de schuld van het woud.'
De oudste dochter stond nu op en zei: 'Ik zal een andere kaars gaan halen, deze is bijna opgebrand. We moeten proberen opgewekt te zijn. Misschien wordt hij dat andere leven gauw moe.'
De moeder zuchtte diep.
Oloru's oudste zuster ging een nieuwe kaars halen. Ze liep daarbij langs het venster en keek toevalligerwijs naar buiten. Toen slaakte ze een kreet.
'Wat is er?' riep de moeder.
'Daar... bij de put... een groot bleek dier met afgrijselijke ogen...'
De moeder kwam toegesneld. Tegen het raam gedrukt tuurden de twee vrouwen naar de binnenplaats. De poort was gesloten, want het was nacht. Daar kon toch niets binnenkomen? Maar achter de stenen rand van de bron bewoog iets.
'Ik zag het zelfs bij dit sterrenlicht,' zei het meisje. 'Alsof het zelf licht gaf.'
'Houd de kaars eens wat hoger,' zei de moeder. 'Laten we proberen te zien wat het precies is.'
Het zwakke kaarsje werd omhooggehouden en er viel nu iets meer licht op de binnenplaats. En dadelijk schoot van achter de put, uit de schaduw van de boom die daar stond, een gedaante te voorschijn, en het meisje opende haat mond om te schreeuwen.
'Gezegende goden,' zei de weduwe. 'Wat is er met jou aan de hand? Het is je broer!'
En daar onder het venster stond Oloru, en hij zag eruit als een prins, en keek hen aan, schoner dan ooit met alle juwelen waarmee hij zich had uitgedost.
Al gauw waren de anderen in huis opgetrommeld en zaten met Oloru in de oude zuilenzaal. Het was een triest vertrek, de zaal, want er waren niet meer voldoende bedienden om alles te onderhouden naar behoren, en de fraaiste stukken waren al jaren geleden van de hand gedaan. Maar er werd een goede wijn uit de kelder gehaald en een legioen kaarsen werd aangestoken.
'Ik kan niet lang blijven,' zei Oloru. 'Maar ik kom gauw terug. En dan komt hij mee.'
'Wat wil je daarmee zeggen?' riep de weduwe met afschuw in haar stem.
'Precies wat u al dacht. Ik ben van plan Lak Hezoor de magiër mee te nemen naar mijn huis, als gast. Hij zal zich hier neerzetten en we zullen ons voor hem uitsloven. Hij zal mijn twee zusters zien en ze allebei begeren.'
De zusters deinsden achteruit. De oudste zei aarzelend: 'Maak je een grapje, broer?' Maar de weduwe riep: 'Hij is gek geworden!'
Daar moest Oloru om lachen. Hij hief zijn armen op en keek een tijdje naar de spinnewebben tussen de balken. 'Vertrouw je me niet, moederlief? Ik, je enige zoon?'
Een kille adem leek door de zaal te gaan. De kaarsen voelden het en de vlammetjes krompen ineen. De vrouwen voelden het en beefden. Maar toen liet Oloru zijn blik weer zakken en zei op vriendelijke toon: 'Het is een gevaarlijke onderneming, maar ik moet het doen. Vroeger was er mogelijk een andere weg geweest, makkelijker, en kleurrijker. Maar zoals de zaken nu staan moet ik me bedienen van instrumenten als jullie.'
'Wat zeg je toch allemaal?' vroeg de weduwe.
Oloru leek het ook niet te begrijpen. 'Dat weet ik niet goed. Maar ik beloof jullie één ding: jullie zal geen haar gekrenkt worden. Dat zweer ik. Waarop zal ik zweren?'
De drie vrouwen stonden angstig geboeid naar hem te kijken.
Tenslotte zei de moeder: 'Zweer bij je leven, dan.'
'Mijn leven? Nee, liever op iets beters. Ik zal zweren bij de macht van de liefde.'
De kaarsvlammen richtten zich op. De kilte verdween alsof ze genoeg had gehoord.
'Waar hebben we het nu toch over?' vroeg de moeder. 'Het is allemaal onzin.'
'Nee moeder. Niets is ooit zo zeker geweest als dit.' En hij sprong overeind. 'Nu verlaat ik u. Halverwege de ochtend zullen we aankomen, het monster en ik, en alle parasieten die zich aan het monster vastzuigen, en de vuige schepsels die hem dienen. Zorg dat alles klaar is.' En weg was hij, de zaal uit, de binnenhof op. Toen ze hem haastig achterna gingen zagen ze hem nergens meer. De oudste dochter liep voorzichtig naar de poort die openstond. 'Wat is dat voor wezen dat daar het bos in draaft?' Maar de nacht en het woud waren zwart en duister. Misschien was het wel niets.

Lak Hezoor de magiër-prins ontwaakte uit zijn verdoving en draaide zich om op het kussen. In de toegang van de tent stond een gedaante, bleek en duister, met ogen die gesmeed leken uit verre millennia van nachten en sterren. Lak Hezoor sprak ogenblikkelijk een woord van macht opdat zijn bezoeker niet zou vertrekken want hij werd een bovennatuurlijke aanwezigheid gewaar. Maar op datzelfde ogenblik was de gedaante verdwenen.
'Een demon,' zei Lak Hezoor. 'Een van de stam van Azhrarn. Of heb ik het gedroomd?'
'Gedroomd natuurlijk,' zei een bekoorlijke stem. 'Wat zouden demonen hier zoeken?'
'Ze worden aangelokt door tovermacht. Dat is algemeen bekend.'
'Maar er is hier toch geen tovermacht.'
'Het woud stinkt van toverij. Bovendien, vertel me eens wie en wat ik ben, Oloru.'
'Mijn meester,' zei Oloru die naast hem op de kussens zat. 'De zon van mijn leven. En een machtig magiër. Mijn heer van betovering, ik zie nu dat ik me vergist heb. Natuurlijk lopen demonen u na, als schapen hun herder.'
Lak Hezoor moest grinniken om het opgewekt gebabbel. Kennelijk had Oloru de demon niet gezien, omdat hij er niet toe in staat was, of omdat hij nog sliep... of misschien omdat hij al zijn aandacht nodig had voor het vreemde koperen speelgoed dat hij bij zich had, een soort ratel die hij heen en weer schudde.
'Hoe kom je daaraan?'
'Uit het woud, meester der meesters.'
'Wat deed je daar, kind?'
'Ik gaf de aarde terug wat ze me eerder geschonken had. Wat was de wijn die ik haar terugschonk veranderd!'
'Wel, het zal al gauw dag zijn,' zei Lak Hezoor, en begon het haar en het lichaam van zijn metgezel te strelen.
'Ik vraag me af,' zei Oloru, 'hoe het mijn familie vergaat. Hoe zou het met ze zijn?' En even later zei hij: 'Stel u voor, ik lig voor u in het stof, op de weg. En ik zeg u: "Die en gene, dat zijn mijn zusters. De ene is vijftien, de andere dertien, en allebei maagd."'
'En zou dat waar zijn?' vroeg Lak Hezoor met lome belangstelling.
'O, zeker. En het huis ligt een uur gaans hier vandaan.'
'En lijken ze nog op je, je zusters?'
'Als spiegels van elkaar zijn we. Alleen denk ik dat de jongste de bleekste en de blondste is van ons drieën.'
'En waarom vertel je me dit?'
'Om u een ogenblik te verstrooien.'
'Dat is je gelukt.'
De koperen ratel werd weggelegd, en rolde door de weelderige tent waarbij ze een vreemd onaangenaam geluid voortbracht, alsof ze gevuld was met het gruis van stukgeslagen verstand.

Oloru's moeder en zusters geloofden mogelijk dat ze te lijden hadden gehad van een gedeelde droom. De uitstraling van het woud kon heel wel iets dergelijks bewerkstelligen. Desalniettemin troffen ze gehaast, en met enige angst, zo goed ze konden voorbereidingen voor de intocht van hun ongewenste gasten.
De zon was halverwege het zenith toen, zoals Oloru hen gewaarschuwd had, de bomen een grootse ruiterstoet uitstortten. Een paar minuten later bonsde het jachtgezelschap van Lak Hezoor op de deur.
De moeder en haar twee dochters lagen geknield op de binnenhof en Lak Hezoor keek op hen neer, gezeten op zijn paard, gehuld in alwetendheid.
'Hij laat zich gunstig over jullie uit,' zei de prins tegen Oloru's zusters. 'Hij zegt dat jullie deugdzaam zijn en nog nooit een man hebben bekend. Zijn de mannen in deze streek stekeblind, of eunuchen misschien?' Dat was opperste hoffelijkheid van zijn kant, want Oloru was zijn gunsteling.
Ze gingen het huis binnen en de vrouwen beefden zo, dat ze nauwelijks een voet konden verzetten.
'Heer,' fluisterde Oloru. 'Zou het niet mogelijk zijn uw dienaren en de rest van het gezelschap buiten te laten blijven... U ziet hoe mijn zusters beven.'
'Ik dacht dat ze bang waren voor mij.'
'Nee, heer. Ze zijn ontsteld van angst voor uw slaven. Als u die factor verwijdert zullen ze slechts uit doodsangst voor u sidderen.'
Dat beviel Lak Hezoor machtig. In het stenen huis, met alleen een oude knecht, een oude weduwe, twee maagden en een meisjesachtige Oloru, die al flauwviel als hij een zwaard zag... wat zou hij daar duivelse lijfwachten nodig hebben? En dus stuurde hij zijn dienaren weer naar buiten, en zijn mopperende hofhouding, die naar binnen had gewild om het huis op zijn kop te zetten. De deuren gingen dicht achter het intieme groepje van zes.
Om een of andere reden, misschien omdat het geheel nieuw voor hem was, had de prins het in zijn hoofd gezet om hoffelijk te zijn. En dus legde hij zich op de divan en hield een luchtig gesprek gaande met de weduwe en haar dochters. (Hij gedroeg zich hierbij, als had hij een hoerenmadam voor zich met twee van haar meisjes.) Voedsel was er in overvloed want de jachtpartij was goed voorzien. De schitterende wijn, de enige rijkdom die het huis nog bezat, werd aangedragen en door Lak als water achterover geslagen. Oloru deed zijn uiterste best om te bekoren. Zijn grappen waren sappig maar geestig en zijn verzen scherp als azijn. Zelfs zijn bezorgde zusters merkten dat het maal hen smaakte, en soms lachten ze zelfs, hoewel ze hun broer voortdurend van terzijde blikken toewierpen, want ze zagen wel hoe goed zijn verstandhouding was met zijn meester. Toen de namiddag begon te lengen en de zon naar de horizon terugkeerde pakte Oloru zijn lier en zong voor hen. Geen schunnige liedjes, maar liederen van liefde. En ook zong hij van de blinde dichter Kazir, en van diens tocht door de Rivier van de Slaap in de Onderaarde, waar hij Ferazhin de Bloemgeboortige voor zich won, door zijn hart in de strijd te werpen tegen het kwaadaardig verstand van Azhrarn.
'Hij is mijn glanzend juweel,' zei Lak na een tijdje tegen de moeder van Oloru en streelde diens dij, zodat er voor de weduwe geen twijfel meer aan kon bestaan, dat dit juweel niet alleen in vrolijkheid en zangkunst schitterde, maar ook tussen de lakens.
'Wat stompt men toch af in een paleis,' zei Lak Hezoor. 'Dit eenvoudige buitenleven is een verrukking.' En hij brulde dat er meer wijn moest komen.
Buiten gingen de hovelingen zich op hun eigen wijze te buiten, en lieten zich niet weerhouden door voorgewende hoffelijkheid. Ze spoorden hun paarden aan de binnenhof te bevuilen, en volgden daarop hun voorbeeld. Huisraad en gerei dat hen onder de hand kwam werd kapotgeslagen, uit pure kwaadaardigheid. Ze trokken takken van de boom op de binnenhof om een vuur aan te leggen en waterden in de put.
En boven dit alles neigde de zon ter kimme en verdween achter het woud, slechts een rozerode wolk achterlatend. De avondster kwam op in het oosten als bevroren zilveren vuurwerk.
'Wel, mevrouw,' zei Lak Hezoor tegen de weduwe. 'Ik ben vermoeid. Waar vind ik mijn slaapvertrek?'
Gedwee vertelde de weduwe waar hij zijn moest.
'Ik hoop,' zei de prins, 'dat ik niet al te lang alleen zal blijven.'
De weduwe sloeg haar handen voor haar mond. Lak verliet het vertrek met een sierlijke buiging, zonder de zusters een blik waardig te keuren.
'De gangen zijn duister, lieve meester,' zei Oloru. 'Ik zal u de weg wijzen.'
En zo gingen ze samen naar boven, Lak als altijd met zijn tred lichter dan zwart stof, en Oloru - het zij gezegd -niet veel zwaarvoetiger. Ze bereikten een deur die Oloru opende. De grote slaapkamer van het huis. Een hoog hemelbed reikte tot bijna aan de zoldering.
'Goed,' zei Lak Hezoor. 'Je weet dat ik je zusters kom zoeken als ze niet binnen het uur hier zijn. Of anders leg ik ze een betovering op zodat ze uit zichzelf hier komen, beroofd van verstand, en niet in staat zich te verzetten.'
'O, ja,' zei Oloru, 'maar dat is toch niet erg spannend? Is het niet veel vermakelijker om aan te randen, te verkrachten, onder luide kreten van pijn? Of, en dat is weer iets geheel anders, één te verkennen die willig is en haar genot uitkrijst? En wel zo luid dat hun moeder in de aangrenzende kamer het wel moet horen?'
'Hij kent me zo goed,' zei Lak Hezoor. 'Wel?'
'Heer, de oudste kan ik verleiden tot willige wellust want onder haar koele uiterlijk is ze brandend heet. Met de jongere kan ik u helpen zodat er geen toverij nodig zal zijn die haar verdoft en haar maakt tot een slappe pop. Ze zal krijsen en zich te weer stellen. U krijgt een feestmaal van begeren en een feestmaal van doodsangst.'
'En jij, wat verlang jij daarvoor in ruil? Waar ben jij al die tijd op uit geweest, mijn lieveling, dat je me hierheen hebt gebracht en me verleid hebt met je bekoorlijke familieleden?'
'Hij kent me zo goed,' zei Oloru. 'Wel.' En hij bekende wat hij van Lak Hezoor wilde.
Lak Hezoor dacht na. Hij bekeek het plan van Oloru van alle kanten, als een man met een bot dat hij aan het kluiven is, om te zien of hij niet ergens een lekker hapje heeft laten zitten, en het leek hem alles bij elkaar niet zo'n buitensporig verzoek.
'En daarom zong je van Kazir,' zei hij. 'Hoe ben je op het idee gekomen?'
'Door de demon bij uw tent. Toen hebben we over demonen gesproken.'
'Maar je bent volstrekt niet dapper, mijn lief. Beef je niet in je schoenen bij het idee van zulk een avontuur?'
'Hoe zou ik bang zijn? Ik ben in de hoede van mijn heer.'
'Je denkt dat ik aan Azhrarn wel gewaagd ben?'
Oloru lachte zijn meest zedige glimlachje. 'Wie weet luistert een zeker iemand mee,' zei hij. Toen liep hij naar Lak Hezoor toe en fluisterde hem in het oor: 'Ja!'
Het beviel de magiër. Het was zijn grote zwakheid dat hij zich inbeeldde een soort van aardse Azhrarn te zijn, een demonische prins zowel als een prins van de wereld. Donker van oog en haren, lichtvoetig als een kat, begiftigd met buitengewone krachten en aan alle kanten omgeven door lieden die hem vreesden; buitendien verslaafd aan kunstzinnig sadisme... Lak meende over uitstekende getuigschriften te beschikken. En hoe vaak had hij zijn mooie speelpop niet 'Sivesh' genoemd of 'Simmu', of een van de andere namen toegevoegd die toebehoorden aan Azhrarns mannelijke of tweeslachtige gelieven? Vervuld van wijn en van zijn eigen belangrijkheid zoals gewoonlijk, gretig en traag van inzicht tegelijk door hetgeen hem te wachten stond, was Lak wel genegen toe te stemmen in het waagstuk.
Misschien zou hij er eensdaags, eensnachts, zelf ook op gekomen zijn. En dan zou hij het mogelijk hebben verworpen. Want er was iets in het bekoorlijk fluisteren van Oloru dat hem voortdreef. En zo stemde Lak toe, en meende dat hij slechts verlokt werd en niet gedreven tot het verlenen van die gunst.
'Doe met de vrouwen zoals je hebt toegezegd, dan beloof ik dat ik je waagstuk zal ondernemen. Ik ben alleen bang dat je prompt zult flauwvallen van angst en geen enkel wonder te zien krijgt. Verwijt me dat naderhand dus niet. En heb geen spijt over het lot van je zusters. Het kan,' zei de magiër terwijl hij zich uitrekte en geeuwde, 'een stormachtig nachtje voor ze worden.'
'Och,' zei Oloru, 'dat moest er toch van komen.'
Hij verliet het vertrek terwijl zijn heer zich op het grote bed neerlegde.
Nee, Oloru's tred was bepaald niet zwaar. Hij warrelde door het huis ais een blonde papiersnipper, langs de ramen waardoor hij de beschonken ellendelingen van 's magiërs hofhouding bezig had kunnen zien - en horen - met hun liederlijkheden op de binnenhof van de weduwe, door de gang waar de knecht van de weduwe zat met een knuppel in zijn hand, bereid zijn meesteressen te verdedigen - heel de loze kracht van zijn oude afgeleefde lijf en een eind hout tegen Laks macht en toverij. (Hij wierp Oloru een korte blik toe toen de jongeman geruisloos voorbijging en slaakte een grauwend geluid, maar verroerde zich verder niet.) En zo kwam Oloru bij de deur van de zuilenzaal met haar spinnewebben. Het was nu volop nacht en er brandden slechts drie armetierige kaarsjes. Het was dus niet verbazingwekkend dat de weduwe en haar dochters hem niet zagen toen hij op de drempel verscheen. Ze zaten op hun stoelen, bleek, maar onbeweeglijk, met alle waardigheid van veroordeelden die zich niet wensen te verlagen tot protest.
Toen sprak Oloru. Een paar woorden slechts die hij had opgedaan in de toverboeken van de magiër. De uitwerking was ogenblikkelijk.
Een zachte veelklankige zucht voer door de zaal. In de gang klonk een bons van een vallende knuppel.
En al gauw tikte Oloru zachtjes op de deur van de slaapkamer, van zijn gast. 'Wat zal het 't eerste zijn, heer, verkrachting of verrukking?'
'Breng maar binnen wat je hebt,' zei Lak.
Toen traden drie schimmen door de deur, de flauw verlichte kamer in, en de een dreef de twee andere zoetjes voor zich uit. En daar was een glinstering van bleekblond haar en wit vlees, en een fluweelzwart bewegen en een flakkeren van vlammenschijn op ogen en tanden, en gesnik en smeekbeden, en dan een wild krijsen dat door het huis scheurde, maar of het van pijn was of van extase, dat viel niet uit te maken.

De drie kaarsen waren bijna opgebrand toen de zusters en de moeder van Oloru hun ogen opsloegen en om zich heen keken. Ze hadden klaarblijkelijk diep geslapen. Dat was op zichzelf al vreemd, want ze hadden erge angst gehad. En nog vreemder was het dat niemand hen ruw en gewelddadig was komen wakker schudden. En het was al heel laat. Zelfs de feestvierders buiten waren nu stil.
Na een tijdje zei de moeder: 'Wat zou er gebeurd zijn? Zou Oloru hem toch tot erbarmen hebben bewogen?'
'Dat denk ik niet,' zei het oudste meisje. 'En evenmin dat Oloru het zou hebben willen proberen.'
'Stil,' zei de moeder. Ze stond op en stak drie verse kaarsen aan. Het magere licht verbreidde nieuwe bleekheid op hun wangen. En toen kreet de jongste met onbeheerst overslaande stem: 'Moeder, kijk! Bij uw voeten, en bij de mijne!'
'Wat is er, wat is er?' vroeg de moeder en haar hart klopte in haar keel. Maar voor haar voeten op de vloer zag ze slechts haar schaduw die door het kaarslicht was opgeroepen. En toen keek ze naar de vloer voor haar jongste dochter en zag dat daar in het geheel geen schaduw lag, dat de vloer leeg en ongerept was.
'Moge de genadige goden je beschermen,' riep de weduwe met verstikte stem.
'En mij eveneens,' zei het oudste meisje, 'want ook mijn schaduw heeft me verlaten.'
En zo was het. Want hoe de twee zusters zich wendden of keerden, vanuit welke hoek de kaarsen hen ook omlijnden, het licht kon van hen geen schaduwen werpen.
Nu is en was een schaduw niets anders dan dat een deel van het licht belemmerd wordt door iets wat zich bevindt tussen de lichtbron en hetgeen dat beschenen wordt. In sommige landen van de vlakke aarde hield men weliswaar de schaduw voor een symbool van de ziel, althans de fysieke ziel die nauwkeurig geleek op het lichaam dat haar had voortgebracht. Elders was een schaduw gewoon een schaduw en niet meer. Maar ook het volgende ligt ter overweging: iemand die geen schaduw meer kan werpen moet toch iets van zichzelf zijn kwijtgeraakt, een element dat ondoorzichtigheid en inhoud geeft - hoe kan anders het licht dwars door haar heen gaan? Het verlies van de schaduw gaf toentertijd, en geeft op heden nog, aanleiding tot enige bezorgdheid.
De zusjes liepen naar hun moeder om troost, en ze deed wat ze kon om hen gerust te stellen.
Uiteindelijk was het de oudste zuster die zich losmaakte en zei: 'Dit heeft onze broer natuurlijk teweeggebracht. Een nieuw vermaak dat hij zijn heer heeft bereid.' Ze droogde haar ogen en wierp haar haar naar achteren. En ze zei: 'Verdriet maakt plaats voor boosheid. Ik ga naar boven en ik ga hen vragen wat ze hiermee voorhebben.'
'O. nee, nee, doe dat toch niet, om ons aller bestwil P
'Neen. Ik ga. Het is al verdorven genoeg om het lichaam te misbruiken en te vernederen. Maar dat ze zich nu ook vergrijpen aan ons psychisch deel, dat is onverdraaglijk. De goden zullen acht slaan op onze gerechtvaardigde smart, en zullen mij te hulp komen, moeder.' In die vrome overtuiging was ze er natuurlijk geheel naast (aangezien de goden in die dagen niets meer gaven om de mensheid). Maar haar misvatting gaf haar kracht en ze snelde de zaal uit. Door de gang liep ze, waar de bediende nog zat te snurken, en de trappen op, naar het vertrek dat de magiër was toebereid. Daar klopte ze kranig op de deur, voor haar moed haar in de steek zou laten, en riep: 'Laat me binnen!'
Niemand antwoordde.
'Ik kom nu binnen!' riep het meisje. En ze wierp de deur open en stapte snel de kamer in.
Wat leek die vertrouwde kamer vreemd met die veelheid van flakkerende kaarsen. Maar het was niet het licht, eerder een duisternis die daar zweefde, waardoor alles anders leek. Want de ruimte leek vervuld van een levende schimmigheid, een onzichtbaar, wervelend, murmelend iets; ze wist niet wat het was - dat het de inwerking was van een machtige toverban - maar ze kreeg het er koud van en was liefst direct weer weggelopen. Toen zag ze door de nevel van toverij de magiër op de bed de sprei liggen, zwaar als lood. Hij leek niet eens te ademen, gevangen in een zo hechte kerker van slaap dat ze direct aan de dood moest denken. En die aanblik, angstwekkender dan al het andere, bracht haar ertoe te blijven.
Op dat ogenblik verhief zich een witte waas die als damp boven de kussens op de vloer gelegen had.
Het oudste meisje stond als aan de grond genageld, in verbazing en afgrijzen, haar ogen wijd gesperd. Twee bleke, spookachtige meisjesgedaanten zweefden voor haar, de lange blonde haren los om hun lichaam. Naakt waren ze, en ze kende ze. De ene was de jongere zuster, de andere was de oudere zuster - zijzelf. Geen van beide bezat een schaduw, ja, ze kon het licht van de kaarsen recht door hen heen zien gaan.
'Wees niet bang,' zei de geest van de oudere zuster tot de werkelijke gedaante. 'Oloru heeft me te voorschijn geroepen en Oloru heeft me de macht geschonken het jou te vertellen.'
'Wie of wat ben je?' vroeg het meisje bevend.
'Je schaduw; althans, datgene dat je in staat stelt een schaduw te werpen. Ik ben een deel van jou, maar jouzelf ben ik niet. Op mij en de ander,' en hier gebaarde de geest naar de geest van de jongste zuster, 'heeft het monster Lak zijn lusten botgevierd. Hij meende een vleselijk lichaam open te scheuren en te overweldigen, maar dat was niet zo. En wat hij met ons deed deert ons niet. En wanneer we zodadelijk tot jullie terugkeren zal het jullie evenmin iets kunnen schelen.'
'Maar je bent mijn onsterfelijke essentie!' kreet het meisje, nog heviger ontsteld. 'Hij heeft schanddaden bedreven met mijn ziel en de ziel van mijn zuster.'
'Nee, je ziel ben ik niet. Zo ziet je ziel er niet uit. Wij zijn niet meer dan lucht met kleur en vorm. Laat me bij je terugkomen, dan begrijp je direct dat je niets is geschied.'
'Kom dan terug,' zei het meisje, en bereidde zich voor op pijn en waanzin. Maar de geest zweefde op haar toe als een manestraal en gleed door en over haar heen, en werd één met haar. En overgelukkig zag het meisje dat ogenblikkelijk haar schaduw weer verscheen op de muur, als een voorteken van groot goed.
'En breng me nu gauw degene bij wie ik hoor,' zei de tweede geest en het klonk als de stem van de jongste zuster; pruilend en alleen wat donziger.
'Maar hij...' zei het meisje, die zich er weer van bewust werd dat Lak op nog geen tien pas van haar vandaan lag te slapen.
'Hij heeft andere zorgen aan zijn hoofd.'
'Maar waar is Oloru, mijn broer?' wilde het oudste meisje weten. Van opluchting had ze weer moed gekregen. Maar de geest antwoordde niet en vouwde slechts geduldig haar handen, zoals de jongste deed wanneer ze zich ergerde.
De oudste zuster begreep dat haar niets anders overbleef dan snel naar beneden te gaan om het goede nieuws te vertellen. En wat Oloru aanging, ze zegende hem in gedachten en haar tranen stroomden, vol liefde, want ze wist dat ze weer volledig was en ongeschonden, zoals de geest haar had verzekerd, en hij was degene die haar had gered. En zo vergat ze dat hij ook degene was die haar in gevaar had gebracht.
En wat was die merkwaardige beloning waarvoor Oloru zoveel moeite had gedaan? Wat had hij van de magiërprins gekocht met de waan van bleke lichamen en wilde kreten? Ja, waartoe had Oloru Lak Hezoor nog nodig, nu hij zichzelf zo'n bedreven tovenaar had betoond?
Omlaag, omlaag, mijlen diep onder het land en de wereld en het begrip van de mensen, lag de Onderaarde, liet rijk der demonen.
Langs de grens van het rijk stroomde de Rivier van de Slaap, kronkelend en traag als zwarte stroop tussen de witte vlaspluimen die hier groeiden. Hier langs de vlasoevers van de rivier maakten de Vazdru met hun bloedrode honden jacht, niet op leeuwen of herten, maar op de zielen van slapenden die krijsend voor hen wegvluchtten, ofschoon de honden slechts die zielen wisten te vangen en verscheuren, die behoorden aan stervenden of krankzinnigen. En zelfs die lieten ze tenslotte ontsnappen - het was verstrooiing voor de demonen, meer niet. Bovendien, er was in lang niet meer gejaagd. Er was al lang zoveel niet meer bedreven - muziek, kansspel, intriges, liefde - het onsterfelijk tijdverdrijf van Druhim Vanashta en haar heren. En ook de hamers van de Drin, de demonensmeden, klonken zo vaak niet meer op. En evenmin zag men de schepsels van deze benedenwereld nog vaak zingen of vliegen, zag men bloemen buitensporig bloeien, of de wateren onweerstaanbaar flonkeren, zoals voorheen. De wade van Azhrarns woede en verdriet had alles bedrukt.
Desniettemin mocht het nog steeds een wonderwereld heten, die het aanschouwen meer dan waard zou zijn. Eeuwen geleden was Kazir daarheen gegaan, en was gesterkt door heksenkunsten de Rivier van de Slaap overgestoken, hetgeen mensen gemeenlijk onbewust doen. Kazir had een queeste te vervullen. Maar Laks dichter Oloru had hem gesmeekt ook eens een kijkje te mogen nemen in de verraderlijke benedenwereld, onder de beschermende hoede van Lak. Wat zou hij nadien, zo opperde Oloru, niet een fraaie verzen kunnen maken over deze tocht. (En over de bravoure en geslepenheid van de magiër.)
Om nu af te dalen in de Onderaarde zonder uitgenodigd te zijn, zonder dat de demonen persoonlijk de weg ontsloten, diende men zonder lichaam te reizen - zoals Kazir in het verhaal.
De ziel zou dus de reiziger moeten zijn, dat wil zeggen, de fysieke of astrale ziel, de geest die groter is dan schimmenspel, al draagt ze de vorm van het lichaam, en die ook is uitgerust met de talenten en vaardigheden van het lichaam, wat die ook mogen zijn.
In die tijd leefden er op aarde verscheidene magiërs van allesovertreffende macht. Het was misschien belangwekkend te weten dat slechts weinigen van hen deze tocht ooit hadden ondernomen. Kennelijk was er een heel goede reden dat zelfs de meest geslepenen zich hier niet mee inlieten... Maar Oloru had zijn heer aangepraat dat hij niet bang behoefde te zijn. Dat hij, Lak, zich met de Vazdru meten kon, dat hij aeonenlang ervaren was in al het ongerijmde. Dat hij, in feite, niets minder was dan een rivaal van Azhrarn. Waanzin.
Dus toen de orgie voleindigd was en de vrouwen als uitgetrokken kledingstukken waren weggeworpen, ving Lak - vrijwel zonder enige voorbereiding, vol van drank en vlees, loom en verzadigd - de astrale afdaling aan. 'Maar,' had Oloru bemoedigend gezegd, 'u moet mij, mijn arme bevende ziel, daar liever niet zo aan blootstellen. Draag me met u mee, zoals Azhrarn Sivesh droeg - hij een adelaar, Sivesh een veer van zijn borst. U zult een heer der heren zijn en ik... een bescheiden sieraad in uw kledij.'
Het preciese kaliber van Laks tovermacht is nergens opgetekend, maar hiertoe was ze blijkbaar toereikend.
In een oogwenk was de kamer doortrokken van magische adem, en viel de magiër neer in trance. De ziel was vertrokken. Vreemd genoeg bleef er van Oloru in het geheel niets achter, zelfs geen ooghaar op het kussen.

De deining van de Rivier van de Slaap krioelde van gezichten en gedaanten en zwervende gedachten. Het vergde enige handigheid en concentratie om het water over te steken zonder ten onder te gaan. Maar ze bereikten de overkant, Lak en zijn beminde vriend, en stapten aan wal.
Daar stonden ze en keken uit over het ebbezwarte landschap onder de gloed van het mystieke juwelenschijnsel.
Lak geleek zichzelf, een donkere ziel in prinselijke dos. Van de ziel van Oloru geen spoor, niets. Of wel? Ja, toch een enkel teken. Op de borst van Lak Hezoor hing een klein brokje gepolijst topaas, dat deed denken aan een dobbelsteen, maar zonder ogen. Oloru? Ja, Oloru.
Men zei dat bij helder weer de demonenstad te zien was vanaf de oever van de Rivier. Maar in de Onderaarde is het altijd helder, en 'weer' bestaat er niet. Kennelijk was er dus iets, mogelijk de blik van de nieuw aangekomene, waardoor Druhim Vanashta zichtbaar of onzichtbaar werd. Het staat te betwijfelen of Lak iets van het verre bouwsel wist te ontwaren. Maar wees ervan overtuigd dat voor het gele kleinood op zijn borst, bescheiden exemplaar van de dobbelsteenvorm als het was, niets verborgen bleef.
En mogelijk sprak het tot de magiër, met vleierij en zachte drang. Want het is een feit dat Prins Lak nu een bepaalde richting insloeg, door breekbare boompartijen van zilver en ivoor, tussen de zwarte wilgen die hun vingers lieten slieren als losgeraakte harpsnaren. Zijn tred verried geen aarzeling. Een enkele maal leek een schimmig wezentje op hem af de fladderen vanuit het niets (want uitwasemingen als deze kwamen hier veel voor), maar hij weerde het af met een machtswoord of een mantra, alsof hij een mug van zich afsloeg.
De heer en de topaas bereikten na enige tijd een brede weg, geplaveid met marmer, omzoomd door zuilen. Dit was de weg naar de stad, en het is aannemelijk dat Lak een ogenblik stilhield aan de rand. Ongetwijfeld was er toen opnieuw sprake van loftuitingen en overreding, want even later zette Lak Hezoor voet op de marmeren straatweg.
Bijna ogenblikkelijk werd hij gegrepen door een merkwaardige gewaarwording. Niet een gevoel waarmee hij erg vertrouwd was, al had hij het dikwijls bij anderen opgeroepen. Het was angst. Nu zou men kunnen denken dat het zelfs Lak enigszins bang te moede moet zijn geweest toen zijn essentie in dit vreemde oord belandde, maar klaarblijkelijk tot nog toe niet. Evenmin zag hij een in het oog lopende oorzaak voor het feit dat deze emotie hem juist nu overviel. Het was stil, er klonk geen enkel dreigend geluid, nergens was iets te zien wat angst kon aanjagen - met uitzondering mogelijk van de glinstering van de stad aan het einde van de weg, vooropgesteld dat hij die zien kon. Dus Lak hervatte vrijmoedig zijn wandeling, maar de angst neep hem steeds feller, en het gevoel onderdrukken kon hij niet. Met elke stap werd het erger, tot hij wel stil moest staan. Ditmaal zocht hij zorgvuldig de weg en het omringende land af, en keek toen achterom. En zo viel hem iets vreemds op. De marmeren straatweg waarvan hij slechts een klein eind had afgelegd strekte zich ver achter hem uit, wel meer dan een mijl. Een verlenging die Lak Hezoor niet bepaald geruststelde.
En zoals men wel doet wanneer men onthutst is, sprak de prins hardop tegen zijn metgezel. 'Deze straatweg is wel zeer ongebruikelijk van aard. Ongetwijfeld een streek van de demonen om pelgrims te ontrieven. Ik denk dat ik terugga naar het begin van de weg en dan een andere richting kies.' En toen er geen sprakeloos antwoord op volgde grijnsde Lak en zei: 'Wat, nu al flauwgevallen, mijn liefste?' En hij tastte naar zijn hals om de topaas te liefkozen. Maar zijn vingers vonden hem niet.
Deze ontdekking had een veelheid van gevolgtrekkingen kunnen doen opkomen bij Lak Hezoor. Hij had kunnen denken dat het juweel op een of andere wijze was losgeraakt en gevallen, en dat hij het verloren had, of dat een van de zwevende uitwasemingen het misschien had geroofd, of dat het door zijn eigen angst was teruggestoten naar de wereld hierboven. Maar de magiër dacht in werkelijkheid niets van dat alles. Men mag hieruit dus afleiden dat hij in elk geval wijs genoeg was om te begrijpen dat hij was bedrogen.
Nog geen minuut was hem het genot van deze gevolgtrekking vergund.
Want ten leste droeg de kuise, door wind onberoerde lucht hem een geluid aan. Zodra hij het hoorde wist Lak wat het beduidde. Het was de grondslag voor zijn nog immer groeiende angst. Het was een reeks schallende klanken, duidelijk herkenbaar voor iemand die zelf had gejaagd: het aanslaan van honden die hun prooi geroken hebben. Maar lieden die in staat zijn erover te vertellen, zeggen dat het eerder leek op het huilen van hongerende wolven - maar dan veel erger. Wie geluk had schrok wakker van de weerklank, gillend van angst. Wie geen geluk had keerde zich om en vluchtte, en het geluid zette hem na en werd voortdurend luider. Het was het bassen van de jachthonden van de Vazdru.
Lak Hezoor, magiër-prins van een aardse stad, bleef echter op de weg staan en sprak snel en zonder haperen de toverspreuk uit die hem vandaar zou doen verdwijnen. En de toverspreuk werkte niet. In het geheel niet. Er kwam geen fractie verbetering in zijn hachelijke omstandigheden. Hij bleef in de Onderaarde, en het blaffen van de honden weerkaatste tegen de zuilen rondom en in het holle schedeldak van zijn ontastbare ziel. En toen hij vooruit tuurde langs de weg, kwam het hem voor dat hij een wolk zag, bovenaan zwart en blikkerend zilver, en onderaan schitterend bloedrood; een wolk die op hem af kwam gesneld.
Toen keerde Lak Hezoor de magiër zich om en vluchtte. Langs de weg in de richting van de boomgroepen, en de Rivier omzoomd door vlas. Hij vluchtte, brullend, ontdaan van tovermacht, en tot overlopens vervuld van afgrijzen en wanhoop. En hoe hij ook draafde, aan de weg leek geen eind te komen. Ze bleef voor hem liggen, even ver als achter hem. Hij zou, hij kón de Rivier niet meer bereiken. En het geschreeuw van de honden was nu zo luid dat het hem al leek voor te gaan en hem insloot, en hoewel hij niet durfde omkijken, voelde hij een hete luchtstoot in zijn rug, - de hete adem van blijde moordenaars.
Maar eindelijk keerde de weg terug tot haar begin en zag Lak de Rivier van de Slaap voor zich liggen, de grens van zijn kwade droom, aan de rand van de verte. Hij stormde voorwaarts, maar op het ogenblik dat zijn voeten het zoete roetkleurige gras beroerden sprong een zwaar warm gewicht hem op de schouders met een smak, en werd hij bedolven onder langgerekte lijven, die vreemd aanvoelden alsof ze gladgeschubd waren, en die over hem kropen en woelden.
De rode honden sleurden hem tussen de wilgen tegen de grond. Ze sjorden hem her en der, en reten zijn vlees; en door de abstracte verblinding van zijn krijsen en zijn pijn zag hij hun vuurrode ogen, en hun tanden vuurrood van zijn astrale bloed. De kleur van bloed hadden ze, en al gauw dropen ze ervan. En de kwelling hield niet op. Het ondraaglijk onmogelijke onderging hij, niet eens maar vele malen: ten dode verscheurd te worden zonder te sterven.
Ten leste was het nog slechts een krankzinnige bundel lompen die tussen de honden heen en weer werd gespeeld. Tot een teken gegeven werd en ze zich sluipend verwijderden als schaduwslangen, terug naar de strelende handen van hun meesters.
Toen trad er een naar voren en kwam voor de lijfelijke ziel van Lak Hezoor staan, of wat daar van over was (en dat was niet veel). De waanzinnige blik van het opgejaagde schepsel kon maar weinig meer in zich opnemen, maar dit ene, deze ene, zag hij met opperste helderheid. Een man, lang en slank, gehuld in nacht, met haren als de nacht en
de nacht in zijn ogen. En zijn ijselijke schoonheid was een kwelling die op de voorgaande kwellingen volgde als zoutzuur in gapende wonden. Lak krijste het tomeloos uit toen het zuur toebeet, maar Azhrarn Prins der Demonen hief zijn hand en daarop kon Lak niet meer schreeuwen.
'Wat is dit hier?' vroeg Azhrarn. Er klonk geen wreedheid in zijn stem die, als tegenstelling, zo schoon was van wending dat het zelfs het slachtoffer voor korte tijd tot rust bracht. 'Een mens, meer niet. Ik heb me laten bedotten.' En de stem die geen wreedheid bevatte was in zichzelf een en al wreedheid. Ze ranselde op de geknakte kern van de ziel in, en de ziel verlangde naar sterven. 'Je kunt je broeders vertellen,' zei Azhrarn, 'dat je de Vazdru ontmoet hebt onder de aarde.' En mét dat hij dat zei verwijderde hij zich en verdween.
En daarmee verdween zijn beteugeling. De mishandelde ziel begon opnieuw te krijsen, wilder dan tevoren; en schreeuwend werd hij omlaag gesmeten in de Rivier van de Slaap.

En waar was Oloru, de aanstichter van dit alles? En wat was Oloru dat hij kans had gezien dit alles te ontgaan? Men zou denken dat deze dichter een queeste had in Onderaarde, als Kazir in het verhaal. Er moest een buitenissige reden voor zijn, dat hij er zelf niet kon binnengaan en door Lak moest worden binnengebracht, maar nu Oloru er eenmaal was, was hij vrij te gaan en staan waar hij wilde.
Oloru bezat geen ziel, astraal of anderszins. Hij had iets in zich wat met een ziel gelijk kon worden gesteld en er voor door kon gaan. Het is denkbaar, zij het niet zeker, dat hij onder enigszins andere omstandigheden in het rijk der demonen had kunnen doordringen, maar dan had hij dat moeten doen in zijn eigenlijke gedaante. En in dat uiterlijk zou heel de onderwereld zijn komst hebben gevoeld, zoals een oester zich samentrekt wanneer een zandkorrel in zijn schelp belandt. Het was ook zeker de vleug van Oloru's aanwezigheid die de sombere werkeloosheid van Azhrarn had verstoord en hem genadeloos op jacht had gedreven langs de weg. En de slachtpartij was een aangename afleiding gebleken.
Zodra de topaas zich van Lak Hezoor had verwijderd was hij weggewerveld in tegenovergestelde richting. Niet naar de opeenstapeling van staal en sterresplinters, Druhim
Vanashta. De stad der demonen was zijn bestemming niet Met zijn verdwijning verdween tevens de dobbelsteengedaante. Het voorwerp dat de a-typische essentie van Oloru bevatte, veranderde in een slank staafje van gele straling, vaag purperachtig omlijnd.
Urenlang snelde het voort, dagenlang, maandenlang, jarenlang - of slechts een halve minuut. Na deze niet-absolute tijdsspanne kon men het zien voortjagen over een doorschijnende binnenzee. In die zee lagen eilanden, kleine, beboste, hoge, die reikten tot aan de hemel-die-geen-hemel-was en die zich als glas in lood spiegelden in het water. En dan een ander eiland, omgeven door mist.
Het staafje van amber en amethyst wierp zich in de nevel en kwam aan de andere kant weer te voorschijn. Waar het, enigszins verfomfaaid, neerviel voor de voeten van een Eshva dienares die aan de oever zat te wachten -maar waarop zou ze hebben moeten wachten?
Een vreemde verwording had de Eshva-bannelingen op het eiland aangegrepen. Als demonen hadden ze doorgaans een voorkeur voor de schone menselijke gedaante, in welk uiterlijk ze de aarde bezochten en de mensheid met ontzag sloegen. Maar juist omdat Vazdru en Eshva in staat waren een veelheid van gedaanten aan te nemen, was hun eigenlijke aard geheel anders van voorkomen. De Eshva op het eiland, die waren gekomen als tengere blanke mannen en vrouwen met ogen van duisternis en lang zwart haar, waarin zilveren slangen woonden, waren inmiddels weggekwijnd tot hun elementaire gedaante. Het meisje - of het wezen -aan de voeten (maar het waren geen voeten) van wat of wie Oloru zich had doen neerkomen, bestond nu slechts uit een rijzige verticale baan van stralende lapislazuli.
Maar toen het glinsterende staafje de stralende baan beroerde gebeurde er toch iets.
Eerst begon de baan heen en weer te bewegen, toen boog ze zich voorover. En toen werd het staafje opgepakt in wat zich allengs verdichtte tot twee slanke handen. En tenslotte kwam uit de damp een albastwit gezicht te voorschijn, met ogen.
'Het leeft,' zei de Eshva en bedoelde het staafje. Ze sprak natuurlijk niet op een wijze die voor mensen herkenbaar zou zijn. De woorden werden gevormd door haar ogen, de beweging van haar vingers. Maar Oloru verstond haar. In haar bijna werkelijke handen straalde en sidderde hij. En ze drukte hem tegen zich aan, verrukt door de gevoelens die hij haar schonk.
Alles wat buitengewoon was, was op het eiland nieuws. Geen wonder dat de Eshva tot leven kwam. En evenmin een wonder dat zij, dienares als ze was, daarna met haar vondst liefdevol in haar handen op weg ging naar de holle rotsklip waar haar Vazdru meesteres huisde.
Azhrarns dochter lag zoals zo vaak op het bed met de roodjaden pilaren, en sliep haar slaap van negatief niet-zijn. Daarbij, het kan niet genoeg gezegd worden, zag ze er wonderbaarlijk en onthutsend schoon uit. Dat had ze van haar ouders, mag men wel zeggen.
De wereldlijke lezing van wat toen plaatsvond luidt als volgt. Een aantrekkelijk kamermeisje stormt het paleis van haar wonderschone meesteresje binnen, roepend: 'Prinses, kijk toch eens. Zoiets boeiends wat ik aan het strand gevonden heb!' Maar tegen alle verwachting in verroert de vrouwe zich niet. Ze blijft ruggelings op haar rode dek liggen, de ogen gesloten. En na een tijdje wordt de dienstmaagd treurig en raakt haar belangstelling voor alles om zich heen weer kwijt.
Ze werd weer een rechtstandige doorschijnende baan van licht die nog even bleef zweven en dan verdween, om het melancholieke wachten op niets weer op te vatten, aan de oever. Het stralende staafje bleef bij het bed liggen.
Nu is hij alleen, alleen met degene om wie hij kwam. Niemand in de buurt. Geen demon kan vermoeden dat hier in de schoot van het rijk iets wordt uitgebroed. Zelfs Azhrarn niet, die ter jacht is getrokken, omgeven door honden en hovelingen, en de drogschim van Lak Hezoor nazet - die hij aanziet voor de geur, de glans van iemand anders.
Dus.
Na korte tijd beginnen moleculen zich te herschikken. Amber en amethyst vlammen op en doven uit, en uit het gedoofde niets springt een jongeman te voorschijn, in de duurste kleren en met zijden handschoenen aan. Met zijdezacht goudblond haar, smeulende, brandende ogen, en zo knap, o, zo knap dat hij heel het eiland zou verzengen. En deze bekoorlijke heer kijkt een ogenblik naar de lieflijkheid die daar slaapt, of liever, onaanwezig ligt te zijn, op het dek. (De laatste keer dat hij haar zag was ze een klein kind. Nu de belofte van haar jeugd is uitgekomen vindt hij haar adembenemend.) Dan buigt hij zich over haar heen en zijn fraaie haren strijken langs haar fraaie keel. Hij drukt zijn lippen heel zachtjes op haar oogleden waar de irissen in een fonkeling van vervoerend blauw nog doorheen schijnen, geloken als ze zijn. Maar dan zet hij zijn lippen teder en stevig op de hare. Hij kust haar. En op dat moment brengt heel de op muziek voorbereide klik een zoete melodie voort, als werd de opgekropte zang van jaren in één ogenblik geuit.
En zij slaat haar ogen op; natuurlijk.
'Lief en schoon en verbazingwekkend meisje,' zegt Oloru, zo zacht dat het eigenlijk nauwelijks spreken is. 'Je vader haat je en verwaarloost je. Maar ik ben je voogd, en misschien dat je je mij nog herinnert.'
De blauwe ogen (wat is 'blauw' toch een krachteloos, smakeloos woord. O, was er nog maar een woord van de eerste oude aarde om die kleur te beschrijven!), de blauwe ogen keken terug, diep in de ambergele ogen van Oloru. Ze zei geen woord. Maar haar ogen zeiden, als een Eshva: 'Nee, ik herinner mij jou niet. Maar je mag proberen me te doen herinneren.'
'Ja, maar niet hier, niet nu. Hier en nu loop ik gevaar. Van ganser harte ben ik het gevaar tegemoet gesneld om jouwentwil. Heb nu medelij, breng me in veiligheid.'
Hij had haar handen gevat in de zijne, de gehandschoende. Ze bood geen weerstand. Ze lag naar hem te kijken. Zij, die door haar moeder Soveh was genoemd, Vlam, en door haar vader in een kort, honend, harteloos ogenblik van contact: Azhriaz.
Toen sprak ze. Eén woord slechts. 'Hoe?'
Oloru kuste haar handen, allebei. En zij streek, heel zacht, met haar lippen over zijn haar. Ze was verlaten, nu kwam er iemand om haar - is verdere uitleg nog nodig?
Oloru voelde die vlinderkus, zacht als ze was, en hief zijn hoofd op en keek haar aan. Hij vertelde haar hoe makkelijk het voor haar zou zijn (en voor hem, zolang hij bij haar was) om te ontsnappen - niet alleen van het eiland, maar uit de Onderaarde. En toen ze met haar glimlach: Nee, vast niet, beduidde, zei hij: 'Bedenk toch. Hij is Azhrarn. Maar wat ben jij? Azhrarns dochter' En kennelijk had ze hier nog niet eerder bij stilgestaan.
Ze stond op van haar rode bed en haar haren streelden de vloer. Ze keek op naar Oloru die voor haar stond. Ze bleef zijn ene hand, de rechter, stijf vasthouden, maar liet de andere los. Als kinderen draafden ze de trappen af in de rots van filigrein, de helling af, naar de oever van het eiland.
Daar wachtten op enige afstand de ontlichaamde Eshva op niets. Azhrarns dochter murmelde een bevel en gehoorzaam, lusteloos zweefden de Eshva weg.
Aan de zeekant was niets te zien dan mist. Azhrarns dochter, Oloru's toevertrouwde, legde haar handen om haar mond en floot. Het was geen menselijke klank, geen geluid van een belichaamde demon zelfs. Het was het pijpen van een zilveren fluit in de vorm van het dijbeen van een haas. Ze had het een keer gehoord toen haar vader haar ondergronds voerde, en ze kon het precies nabootsen. Het had tot doel een rijdier op te roepen.
En ja, voordat zeven hartekloppen verstreken waren kwam er een duisternis aanstormen door de mist, vergezeld van zilte spatten van het zee-meer waarover het was komen aansnellen. Een demonenpaard, zwart met azuurblauwe manen, dat naast hen stil bleef staan, maar met zijn hoeven over de aarde schraapte, in zijn verlangen weer verder te gaan.
De dochter van Azhrarn keek Oloru aan. 'Ik ben gereed om te vertrekken. En jij?'
'Als je dat wilt kun je je indenken hoe ik hier gekomen ben. De rest zul je zelf moeten beslissen. Ik ben overgeleverd aan jouw genade, maar ik zou die staat voor geen andere willen ruilen.'
'O, vleier van demonen,' zei ze hardop. Toen knipte ze met haar vingers. Het lijdt geen twijfel dat ze op dat moment al de voorboden voelde van haar macht. Want hij, iemand die toch niet uit te vlakken was, verdween en keerde terug, en viel als een dobbelsteen van topaas in haar hand. In een ondeugende opwelling legde ze de topaas in haar mond, onder haar tong, om hem niet te verliezen.
Ze klom op het demonenpaard. Haar verlangen vertelde het al waar ze heen wilde.
Het dier brak opnieuw door de mistdeken heen, flarden als sluiers achter zich aan trekkend, en snelde over het water naar de overgelegen oever.
Al die tijd alleen, en nooit had ze eraan gedacht zoiets te doen, nooit had ze bedacht dat ze zoiets kon. Ze was verlaten, en iemand was om haar gekomen - is verdere uitleg nog nodig?
En dan over de landstreken der demonen, langs de glinsterende stad, en de gevleugelde wind van hun voorbijgaan scheerde langs de muren. Niemand kende haar, niemand wist wat ze ondernam. Maar alles, alles herkende haar. Voortsnellend op een zwarte bliksemstraal, een edelsteen in haar mond, voelde Azhrarns dochter hoe de ziel van het verdorven rijk zich balde in onsamenhangende woede. Door de diamanten hemel trokken sporen van ontluikende donderbuien. Het water van poel en fontein spatte brullend op. Wouden van bomen als met glitter bezette beenderen strekten hun handen uit naar haar wapperende haren maar ze sloeg ze van zich af.
De toe- en uitgang van de Onderaarde herinnerde ze zich nog. Drie poorten, de binnenste van zwart vuur, de middelste van blauw staal, de buitenste van agaat. En daarachter de uitgeschuurde slagader van een dode vulkaan die uitkwam in een land van vuurspuwende bergen - het magmahart van de aarde.
Ze bereikte de eerste poort. Voor haar vader, de heerser, hadden de drie poorten zich wijd, wijd geopend. Maar voor Azhrarns dochter kwamen ze niet in beweging. En het ingetoomde paard snoof, en schraapte met de ene hoef over de grond, en dan met de andere. En het vluchtende meisje, dat zoveel meer was dan een meisje op de vlucht, voelde achter zich de donder die zich samenbalde. Wat nu?
De dobbelsteen onder haar tong prikkelde haar mond, als citroensap.
Daardoor moest ze denken aan iets dat zo voor de hand lag dat ze haar haren uitschudde, omdat ze haar mond niet kon opendoen om te schateren. Want de Demon was weliswaar haar vader, maar haar moeder was een sterveling geweest, en nog iets meer: verwekt door een komeet van de zon.
De zon.
Ze sprak het slechts in gedachten uit, het meisje op de vlucht. Maar het gezag van dat vijandig symbool, op wie ze onvervreemdbaar recht kon doen gelden, en dat blijkbaar niemand hier hanteren kon, kwam aan als een mokerslag, Het berstte door de poort van zwart vuur en sloeg er een groot gat in en door deze opening dwong ze haar paard, al ging het ongaarne. Daarna kwam de poort van staal, en ook tegenover deze poort liet Azhrarns dochter het beeld zien dat in haar gedachten was, en de poort deinsde verschrompeld open en ze stormde erdoor. De poort van agaat was diplomatieker van aard en had zich al veiligheidshalve ontsloten, zodat ze zonder omhaal door kon rijden.
Boven haar lag nu de schoorsteen van de vulkaan, waarin geen licht was te zien, geen spoor van wat dan ook.
Het paard was uitgeput. Ze gleed eraf en stond het toe weg te sjokken met hangend hoofd, terug naar de poorten, voor die zich zouden hebben hersteld.
Ze hoefde geen vragen meer te stellen, Azhrarns dochter. Ze hief haar armen op en raakte de koele lucht aan in de vulkaanader. En ze riep een vulkanische wervelwind omlaag, een smeulend zeil met een franje van enorme sintels. Hij wervelde om haar heen en droeg haar omhoog, steeds hoger, steeds hoger, door de schoorsteen tot in de lucht van de hemel van de aarde.
Dc aardse hemel was ook vol duisternis, van onder slechts verlicht door de stookplaatsen van brandende bergen. Maar vele mijlen verderop in het oosten brandde een berg die geen berg was - de dageraad.
De wind, haar horige, droeg haar een eindweegs voor hij, ontdaan van uit vuur voortgekomen bewegingsdrang, ging liggen. Op de heuvel waar hij haar uiteindelijk neerzette, stond Azhrarns dochter en sloeg de dageraad gade. Alleen en niet van zins dit te delen, want naar haar gevoel was haar deze aanblik duizend jaar lang ontzegd geweest.
En dus schonk die ene zonsopgang haar de glorie van duizend morgens. En de kleuren van de aarde verblindden haar en deden haar wenen. Ze kon de dag verdragen als geen ander demonenkind. Maar de ene helft van haar stoffelijkheid kromp angstig weg voor wat haar andere helft beminde, waar haar andere helft verwant aan was. Ze was gedoemd de zon gelijkelijk te schuwen en na te jagen.
Ze had de topaas uit haar mond genomen en op een kei neergelegd. Ze zocht de schaduw van een rotsblok op.
Ze zeggen dat de tranen uit haar blauwe ogen veranderden in saffieren toen ze de aarde van de wereld beroerden, dat ze korund weende. Maar misschien waren het toch slechts tranen.
Toen kwam Oloru tot haar en nu droeg hij een pruimkleurige mantel die hij om haar heen sloeg. Hij kuste opnieuw haar ogen, nu nat van tranen of saffieren.
'Hier in de wereld, laten mijn gaven mij vliegenderwijs in de steek,' zei hij. 'Maar vooreerst...'
De mantel breidde zijn vleugels uit en ving de zon en naar het scheen een legioen sterren.
En de heuvel lag verlaten.

Het was dezelfde zon die opkwam achter het huis van de weduwe. Het tafereel dat ze verlichtte was om te beginnen althans aanmerkelijk minder van hartstocht vervuld.
Op de binnenplaats lagen de vandalen waar ze na hun wandaden van de nacht waren neergevallen. In het bos aan de overkant ontwaakten de vogels en begonnen te zingen, maar degenen die op de binnenplaats ontwaakten voelden geen lust hun voorbeeld te volgen. Ze grepen naar hun hoofd of naar hun buik en riepen om medicijn of meer drank. Sommigen verstoutten zich zelfs de naam van hun heer, Lak Hezoor, te roepen. Toen ieder antwoord uitbleef begonnen de nobele hovelingen op de deuren en vensters van het huis te bonzen. Ze schreeuwden met gebarsten of schorre of bulderende stem dat ze vreesden dat hun heer iets overkomen was, dat hij zich mogelijk verwond had bij de verovering van de weerbarstige ijzige boezem van een maagd.
Het docht hun dat ze nu alle reden hadden om het huis binnen te dringen - het ging immers om het welzijn van hun prins? Het vooruitzicht monterde hen al een stuk op. En toen klonk er opnieuw gezang.
Het was een lied dat in de ochtend niet op zijn plaats leek, maar dat al zo oud was als het lijden der mensheid.
De hovelingen deinsden achteruit. Ze grepen elkaar beet en vroegen: 'Wat zou dat zijn?' Ofschoon ze heel goed wisten dat dit iemand was die buiten zinnen was, die krijste en jammerde. En dus zeiden ze: 'O, dat is die Oloru natuurlijk weer die ons angst probeert aan te jagen.'
Op dat ogenblik werden de luiken voor een raam op de bovenverdieping opengestoten. Er verscheen een man voor het raam. Eerst herkenden ze hem niet, geen van allen. Zijn gezicht was vertrokken, zijn ogen weggedraaid zodat alleen het wit te zien was, zijn mond stond wijd open en er stroomde bloed uit, want hij had zijn tong half doorgebeten. Zijn lichaam scheen overdekt te zijn met bloedige kwetsuren en toen begon hij op zichzelf in te klauwen en te krabben, zich nieuwe verwondingen toe te brengen met zijn nagels, zichzelf te bijten in armen en schouders, terwijl ze vol afgrijzen toekeken. Ongaarne begrepen ze wie dit dierlijk wezen moest zijn. Alleen het zwarte haar, dat hij met handenvol uitrukte, bewees hen dat dit Lak Hezoor was.
Met grauw gezicht lieten de mannen op de binnenplaats het tot zich doordringen. En ze gingen achteruit. Sommigen holden naar de paarden en namen direct de vlucht. De anderen stonden te beven en te stamelen. Eén waagde het zijn meester nog eens aan te roepen - waarop de verschijning aan het venster nog rauwere kreten begon te slaken, zich door de raamomlijsting wrong en langs de stenen muur omlaag begon te kruipen, naar de binnenplaats.
Hierop gingen ze er als één man vandoor. Lak was krankzinnig geworden, en wie hij te pakken kreeg zou hij aan stukken scheuren, dat stond wel vast.
Even ongebreideld als ze waren gekomen vertrok Laks hofhouding dus weer, elkaar als het moest vertrappelend.
Ergens onderweg, al staat niet vermeld waar, hielden degenen die daar nog toe in staat waren een beraadslaging, om te besluiten wat ze in de stad zouden vertellen. Ze hadden inmiddels al besloten dat Oloru en zijn familie machtige magiërs moesten zijn, veel machtiger dan Lak, gezien wat ze hem hadden aangedaan. Het zou dus verkieslijker zijn maar geen gewag te maken van Oloru's huis, Oloru zelf, of Oloru's verwanten. Wat moesten stervelingen tegen zulke lieden beginnen? (Want er was nog iets, dat in de paniek niet helemaal tot hen was doorgedrongen maar dat ze zich nu weer herinnerden: de bijzondere dienaren en lijfwachten waarmee Lak zich omgeven had, daarvan was er niet één hem te hulp geschoten. Ze waren als standbeelden blijven staan...) En als zulke schepsels al niet in staat waren hulp te bieden, dan konden gewone mensen zich er maar beter helemaal niet mee bemoeien.
Wat Lak betreft, een van de laatsten die was weggereden zwoer dat hij zijn vroegere prins met schuim op de mond, klauwend aan zijn lijf, in de richting van het bos had zien hompelen. Dus wat konden ze in de stad beter vertellen, dan dat ze hun prins waren kwijtgeraakt in het woud, waar naar men wist ijselijke wezens huisden die hij inmiddels waarschijnlijk met zijn aanwezigheid verrijkte.
'Wat moeten we anders doen?' vroegen ze terwijl ze naar de stad afdropen. 'We zijn maar doodgewone mensen, ten slotte.'
Waarmee ze bedoelden dat ze buitengewone mensen waren, die tot elke prijs hun eigen huid moesten zien te redden.
In het stenen huis waren de vrouwen en de bediende, opgeschrokken door de aanval van de hovelingen, naar een van de kleinste vertrekken gevlucht, een oude kelder onder de grote zaal, en hadden de grendels voor de deur geschoven. Daar bleven ze zitten, en toen de ijselijke kreten van de ontwaakte Lak Hezoor tot hun schuilplaats doordrongen waren ze dubbel dankbaar dat ze zo verstandig waren geweest.
Maar uiteindelijk werd alles weer rustig. Na een tijdje vertrokken de oudste dochter en de knecht, allebei met een knuppel in de hand, naar boven om eens rond te kijken. Het was een grote beestenstal op de binnenhof, maar van de bezoekers geen spoor.
Ze doorzochten het huis, begonnen zelfs te roepen, maar iedereen was weg. Alleen de zon kwam binnen en verfde randjes en richels vrolijk goudgeel. Achter de muur zongen de vogels. Het woud en haar bewoners begrepen ongetwijfeld hoe het gebeuren kon dat een man, die al half krankzinnig was door eigenwaan en sadistische uitspattingen, een nachtelijke ontmoeting aanging met de Vazdru onder de aarde, en hen zijn laatste restje verstand afstond.
Alleen op de binnenhof troffen ze nog iets aan dat hen wat zorgen baarde. Keiharde klompen steen, net beelden van graniet die waren uitgelopen. (Laks onpeilbare dienaren misschien?)
'Hij heeft ons dus weer in de steek gelaten,' zei de weduwe terwijl ze haar ogen bette. 'Mijn zoon, mijn Oloru. Weggereden met zijn heer, en niet eens afscheid genomen.'
'Maar hij heeft ons behoed voor Laks euveldaden,' zei de oudste zuster. 'Ik zal me nooit meer geringschattend over mijn broer uitlaten.'
'Hij is toch geen slechte zoon,' zei de weduwe. 'Kijk toch eens, die juwelen en die rijke gewaden die Prins Lak als beloning voor ons heeft achtergelaten. Nu kunnen we weer rijk leven, zoals in geen jaren. Dat heeft Oloru natuurlijk gedaan. En dat andere, dat is zijn zwakheid. O, maar ik wou dat hij bij ons gebleven was. Ik had er al die juwelen en het gerief dat we ermee kopen voor willen geven, als hij weer bij ons kon zitten bij de haard. Dat leven is niets voor hem.'
'Wie weet,' zei de jongste zuster weemoedig. 'Misschien dat hij er op een dag genoeg van krijgt.'
Misschien was het het woud waar Lak ging jagen, misschien ook een heel ander woud, waarin de open plek lag. Het was er oud in elk geval, en licht doortrokken van toverij, en heel donker. Overdag zweefde het zonlicht er in zeldzaam getinte lichtbanken, of viel uiteen in een gouden regen die alles overstroomde. Bij nacht als de maan opkwam viel er een regen van opalen.
Voor een schepsel van ochtend- en avondschemering, dat de zon zocht en vreesde, een ideale woonplaats.

Zonsondergang: een regen van koraal.
De demonenvrouw met de blauwe ogen zat op een oever waar donkergestengelde lelies groeiden en staarde naar haar spiegelbeeld in de poel, net als de lelies. De poel werd gevoed door een bron en het water was nooit helemaal rustig. Ze was niet zeker van zichzelf in die rusteloze spiegel. Alleen haar ogen straalden haar tegemoet. Het kwam de demonenvrouw voor dat ze in haar kindstijd bleker waren geweest, en kouder. Verdiept door hartstocht, dan. 'Hartstocht,' zei ze hardop want ze schaamde zich nu enigszins voor haar stilzwijgen tijdens haar ballingschap.
Aan de andere kant van de poel lag hij, haar voogd, leunend op zijn elleboog. De prins die haar wakker had gekust en haar het laatste stuk van de reis gedragen had in zijn mantel. Maar de mantel was er nu niet meer en met de mantel was een deel van zijn persoonlijkheid verdwenen. Tegenover haar lag nu slechts een buitensporig smakelijk ogende jongeman. Haar kinderlijk geheugen en haar intuïtie waren spits gescherpt, anders was ze er nog aan gaan twijfelen, was ze het zelf wellicht vergeten.
Ze hadden al uren niet gesproken, of dagen misschien, deze vluchtelingen van de Onderaarde. Tot ze achteloos tot hem zei: 'Lieve voogd, geef me een naam.'
Maar hij boog slechts, die bekoorlijke, excentrieke Oloru, en antwoordde: 'Wie ben je dan dat ik zou weten hoe je heten moest?'
'Je kende me, en dat heb je me verteld.'
'Werkelijk? In een droom misschien...'
'En nu ken je me niet meer.'
'Ik weet alleen dat ik je gevonden heb zoals Kazir Ferazhin vond, de bloem die in de schaduw bloeide. De rest -weet ik niet meer.'
'Waarom?' vroeg ze, en nu waren haar ogen inderdaad bleker, harder, killer. Als speerpunten van turkoois, en hij zou ze zich moeten herinneren want hij had ze zo kort geleden nog gezien in de tempel in heilig Belsheved, de dag nadat haar moeder was gestorven. Maar Oloru herinnerde het zich niet. Hij haalde onnavolgbaar gracieus zijn schouders op. 'Waarom?' vroeg hij. 'Waarom niet? Vergeef me. Ik ben een beetje gek. Dat zeggen ze allemaal.'
'Ja,' zei ze. 'Het is verstandig van je dat je jezelf vergeten bent, jij die door je streken mijn moeder deed sterven. Zou ik je niet moeten verafschuwen en me op je moeten wreken, zoals mijn vader vast voornemens is? Hij zal je najagen tot alle hoeken van de aarde. Ik heb het hem horen zweren pal in je gezicht. (Dat dubbele gezicht dat jou eens toebehoorde en dat je eens weer zult dragen.) Eén belofte deed Azhrarn jou, en één belofte deed hij mij, en toen voerde hij me mee naar omlaag. Maar toen borg hij me op en vergat me, ik was daar van zo weinig waarde. Hier ook trouwens.' De demonenvrouw die ook een mensenkind was geweest strekte haar hand uit en raakte een van de lelies aan. 'Mijn liefhebbende ouders,' zei ze, en de lelie schrompelde ineen en rotte weg Op haar stengel. 'De nacht dat Dunizel stierf en me zonder troost achterliet, toen zocht ze Azhrarn. Haar geest vloog naar hem toe, en hulde zich in vleselijke gedaante voor hem, en samen bedreven ze de liefde. Wat betekende ik voor hen in die lange ogenblikken? Niets. Hij maakte me voor een ingewikkeld spel dat hij beloofde te spelen, maar dat plan heeft hij sindsdien kennelijk opgegeven. En zij - ze droeg me in haar buik en ze bracht me ter wereld, maar alleen te zijnen gerieve. Toen ik kind was,' zei het meisje dat tevens een demon was, Vertelde Dunizel me verhalen. Ik hoorde haar stem in de moederschoot, mijn moeders stem, zoeter dan de liederen die de sterren zingen. Maar voor haar betekende ik niets anders, dan iets wat hij haar gegeven had, en hij heeft me altijd gehaat.'
'Je ogen verschroeien me,' fluisterde Oloru.
'Verschroei dan, potsenmaker!' antwoordde ze nijdig. 'Speel je malle rol en wacht maar af of ik je verraad of niet.' Maar toen nam ze op zachte, moordende toon haar verhaal weer op. 'Hij gaf me de naam Azhriaz, om me te brandmerken als zijn eigendom. Maar ik ben niet van hem. Zij gaf me de naam die haar het eerst gegeven was, Maanvuur, Soveh. En ofschoon ik mijn moeder niet meer erken, ben ik toch liever van haar dan van hem. Ik zal die naam weer opnemen.'
'Je ogen,' fluisterde de jonge man, 'branden het merg uit mijn botten. Ze vermoorden me.'
'Sterf dan; maar dat kun je niet.'
'Wanneer ik als as aan je voeten lig, bedenk dan één ding. Je bent een tovenares, en welke naam je ook kiest, je dient het symbool van je roeping erin te doen klinken.'
Ze keek hem aan. 'Goed,' zei ze. 'Het is ook beter haar naam te veranderen. Dus niet Soveh, maar Sovaz de heks. Sovaz zal ik zijn.' (Zoals de k aan het eind van een mansnaam een magiër aanduidt, zo duiden de symbolen as of az bij een vrouwennaam (op het eind of een heel enkele keer in het midden) aan dat de draagster tovenares is.)
'Sovaz, je bent schoon,' zei Oloru. 'Je bent de avondster, de blauwe hyacint die heel de hemel kleurt, de zilveren kaars die de maan aansteekt.'
'Zo, is dat Sovaz?' zei Sovaz maar glimlachte niet. 'Nu zie ik welk spel je speelt.'
Daarna zweeg ze. De stilte was haar ambacht, spraak was een nieuwigheid nog maar, die ze elk ogenblik kon opgeven.
Ze liet haar hyacintblauwe haren in het water hangen. De lelies ritselden en rekten hun stengels als dorstige zwanen om hun blaadjes te kunnen dopen in het water dat gekruid was door heur haren.
Korte tijd later, misschien zes of zeven uur nadien, hieven de lelies en de hyacint heur hoofdjes op van hun weerspiegeling bij het horen van een onverwacht gedruis. Het was een rumoer dat al eerder beschreven is, uitvoerig. Een bassen van honden die niet sterfelijk waren; en het was niet veraf.
Zij die nu Sovaz was, wierp eerst een blik op haar metgezel. Oloru sliep de slaap der onschuldigen en schonen. Van het rumoer schrok hij niet wakker, ofschoon het afschuwelijk, geestdoordringend en grenzeloos, het woud leek te verkrachten, de takken leek af te scheuren, het gras leek uit te rukken. Geen levend wezen, natuurlijk of onnatuurlijk, kon zulk een rumoer naast zich neerleggen. Dat Oloru doorsliep was slim van hem. Ze bewonderde en verachtte hem erom. En ook bedacht ze: dus Azhrarn is niet op jacht naar mij. Ik heb geen waarde voor Azhrarn, zelfs niet om na te jagen. Weet hij al wel dat ik uit mijn gevangenis ben ontvlucht? En wat verliest hij daar dan nog bij ? Nee, hij zoekt die ander.
En ze stootte de 'ander' licht aan met haar voet toen ze naar de rand van de open plek liep om te kijken.
Zij nu was Vazdru; Sovaz, het kind van de Demon, en ze had haar macht om zich heen getrokken. Toen de wilde jacht blikkerend aan kwam stormen door de bomenlanen, doofde de open plek uit als een vlam onder water, omdat zij het
beval. Wat was haar magie krachtig, zelfverzekerd! Zelfs Azhrarn die te midden van zijn volgelingen reed, zag niet wat ze daar verborgen had, ofschoon hij even zijn hoofd omwendde toen hij voorbij stormde; misschien voelde hij een onzekerheid, misschien dacht hij nog even... maar zelfs de vuurgloed van haar ogen bleef voor hem verhuld. Ik ben niet hier, Azhrarn, Prins der Prinsen. En hij is ook niet hier, die andere prins die je zoekt.
Toen waren ze weer voorbij, als een voortgedreven donderwolk, en het gehuil van de honden stierf weg als de napijn van een verdovende slag, weg door het woud, weg door de wereld, en toen uit heel de wereld weg.
Na een tijdje liep Sovaz terug naar de poel. Ze keek neer op Oloru die haar Avondster had genoemd.
'Ja, hij jaagt je, zoals hij beloofd had. Hij weet dat je je in zijn land hebt gewaagd, krankzinnig idioot schepsel dat je bent. Hij is je heel dicht op het spoor gekomen. Ben je bang van hem, van je demonische on-broeder? Goed. Ik heb je niet verraden. Kennelijk zullen we toch vrienden zijn.' En ze knielde bij hem neer.
'Wat?' zei Oloru terwijl hij traag zijn amber en ogen opsloeg.
'Dwaas,' zei Sovaz. 'Ja, het is een slimme vermomming dat je jezelf niet meer kent. Misschien dat hij je daarin nooit vindt. Maar nu om te beginnen, lieve voogd...' en voor Oloru er iets tegen kon uitrichten had ze zijn handen gegrepen en rukte de juweelbestikte zijden handschoenen af en wierp ze weg.
Oloru staarde onthutst naar zijn handen.
De linker was fraai gevormd maar grauw als rivierklei, en hij zag dat de lange nagels rood waren, als waren ze gelakt, en dat de handpalm zwart was. Haastig legde hij hem in het gras en wilde er niet meer naar kijken. Bleef over de rechterhand. Oloru's rechterhand was van koper, maar de vier vingers waren vier kopergouden slangen die sisten en hapten. De duim was een vlieg van donkerblauwe steen, die zodra ze uit de handschoen bevrijd was haar vleugels uitzette en koortsachtig haar kaken op en neer deed klapperen.
Oloru begon te gillen. Hij sprong overeind en trachtte de monsterhand te ontvluchten. Maar de hand volgde hem -natuurlijk - terwijl de slangen kronkelden en woedend spuwden en de vlieg geërgerd met haar vleugels en kaken en voelsprieten klepperde.
Weg, het woud in, vluchtte Oloru, gek van angst en schrik.
Sovaz wachtte niet, ze ging hem achterna, even licht van voet als hij en even snel. Nog geen minuut later had ze hem ingehaald en greep hem bij zijn mouw en zijn glinsterende haren. Toen liet Oloru zich tegen een boom vallen, bleek als de dood, sidderend en schreiend, terwijl hij op jammerlijke toon alle goden aanriep.
'De goden,' zei Sovaz vragend. 'Je weet toch dat die niet om mensen geven? Waar heeft iemand als jij goden voor nodig?'
'Is het een vloek die je op me hebt afgestuurd?' vroeg Oloru, 'O, alsjeblieft, bevrijd me toch.'
'Een vloek? Kijk er eens goed naar, wat jij een vloek noemt. Kun je je, al was het voor een ogenblik van een ogenblik, niet degeen herinneren die dit bedacht heeft?'
Oloru keek. Hij keek naar de levendige slangen en de blauwe vlieg. En toen vielen zijn lange wimpers toe over zijn ogen en zakte hij bezwijmd op de grond. Typisch Oloru.
Ze lachte een vol ogenblik lang, Sovaz. Maar toen was haar lachen gedaan. Een ander gevoel kwam over haar mei grote hevigheid. Het kende haar naam nog niet. Het vervulde haar met onverklaarbare opwinding en pijn.
Weer knielde ze naast hem neer. Ze drukte hem tegen zich aan zodat haar bovennatuurlijke warmte zich dringen kon tussen hem en de huid van de wereld, die voor al wat boven natuurlijk was altijd een lokstem zou zijn, de omhelzing van een geliefde, de hinderlaag van een vijand. In dat oogwenk van verwarring was ze er na aan toe haar vader te begrijpen, Maar het ging voorbij.

Er was dus eens een jonge edelman, heel knap maar ook heel arm, die met zijn moeder, een weduwe, en zijn ongerepte zusters woonde in de buurt van een betoverd donker bos. En daar ging hij op jacht, want hij spotte met bijgeloof, en nam alleen de enige knecht mee die zijn huis nog in dienst had. En daar raakte, op een goede of kwade dag, de knecht hem kwijt. Uren zocht de man naar hem, maar gevonden
werd hij niet. Nee, men zag hem pas weer toen hij tegen zonsondergang het woud uit kwam lopen, vanuit de diepste diepten waarvan men weet dat er vreemde ongerechtigheden uit te voorschijn komen.
De naam van de jonge jager was Oloru. Geweest, want zelf maakte hij er geen aanspraak meer op. Een ander liet er recht op gelden. Een ander werd die naam, liet zich erin groeien en mee verweven als een klimplant.
Als volgt gebeurde het.
Hij was niet wreed, die eerste Oloru, jegens de dieren van het woud. Hij jaagde alleen om zich voedsel te verschaffen, aangezien zijn familie altijd een extra gast aan tafel had: Vrouw Honger, die met hen aanzat en haar magere knoken afkloof en naar hun borden staarde van onder haar uitgemergelde wenkbrauwbogen.
Desalniettemin legde Oloru op zijn tochten jonge herten neer met zijn speer, zette hij vallen voor kaneelbruine hazen, stak hij de vleugels van wilde eenden vol gevederde pijlen.
Het woud was betoverd. Wie zou dat tegenspreken? Alleen Oloru besteedde geen aandacht aan de geruchten. En hij was er zo vaak te vinden, en hij woonde er zo dichtbij. De uit vele kleine onderdelen opgebouwde identiteit van het bos moest op die manier zijn naam en zijn persoonlijkheid toch wel leren kennen, door en door?
En zo stond de eerste Oloru op een morgen vroeg op en ging met de knecht naar het woud om te jagen op wild. De jongeman zong vrolijk voor zich heen want hij zag geen kwaad in wat hij deed en meende dat anderen er ook geen kwaad in zouden zien. Toen liep Oloru onder een boog van bomen door en voelde een plotselinge koude, alsof de dauw in sneeuw was veranderd. Hij keek achterom om er iets over te zeggen tegen zijn knecht, maar die was verdwenen. En het hele woud scheen zich te hebben aaneengesloten tot een ondoordringbare muur. Oloru bevond zich op een kleine open plek, waar hij met drie grote stappen om heen kon lopen. En verder was er slechts een donker torenende hoogte
bomen, of iets anders, iets ouders, met een diepere intensiteit, waarvan het huidige geboomte slechts een zwakke rest was.
Oloru was bang, maar hij was niet, zoals zijn latere uitvoering, een gelukzalige lafaard. Hij wilde wel vechten. Hij liep luidkeels om recht, tegen het woud in. En recht werd gedaan.
Het begon met een verscheurende dorst die hem opeens, zonder voorafgaande waarschuwing overviel. En daarna kwam een beekje dat langs zijn voeten klaterde. Hij had nog nooit van het water van het woud gedronken, dat was nooit nodig geweest. Maar dit water moest hij hebben, en ofschoon zijn instinct hem, tegen zijn ongeloof in, toeriep om toch op zijn hoede te zijn, schonk hij er geen aandacht aan. Hij zou het ook niet gekund hebben. Hij legde zich op de grond en dronk van het water. Hij voelde geen slag, geen stoot, zelfs geen ongerief. Niets van het gevecht dat hij had gedacht te voeren. Hij legde zich neer als mens en stond op als een gelige jakhals, die uitvallen deed en danste met zijn eigen schaduw, die blafte en huilde tegen het niets, en dan het bos in draafde. De menselijke heiligheden van lichaam en geest waren tenietgedaan, tussen twee slokken waters. Oloru, die niet langer Oloru was, voelde zich niet gestraft. Hij scharrelde en sprong tussen de bomen heen en weer, hij zocht zijn eigen soort, die hem aanvaardden en van hem hielden naar hun aard. Hij leefde zoals het een goede jakhals betaamt, en toen de tijdsspanne toegemeten aan jakhalzen voltooid was stierf hij. En toen kwam zijn ziel bepaald geschrokken weer tot zichzelf.
Maar de ongestrafte jaagde niet meer. En zo was hij ongestraft toch gestraft, Oloru; die als mens, als man geboren was.
Welnu. In die tijd, en tot deze tijd aan toe is het zo, dat het kleinste steentje dat uit de grond wordt opgelicht een indruk achterlaat, van vorm en afmeting gelijk aan zichzelf, maar ongevuld. En in die dagen gold datzelfde voor wezens van allerlei aard. Er had een jongeman door het woud gelopen, maar het woud had hem veranderd in een gele jakhals. Toen hij uit de teelaarde van het bestaan werd losgemaakt, liet hij inderdaad een indruk van zichzelf achter. Een soort vorm, een gietvorm, waarin een ander, mits die voldoende levenskracht bezat, zijn ongebonden gedaante zou kunnen overgieten en laten opstijven als het ware, tot vlees laten verharden, in een volmaakt evenbeeld van Oloru de sterveling, Oloru die niet meer bestond.
En zo één was in de buurt, en bezat inderdaad voldoende levenskracht.
Chuz, Prins Waanzin, zwierf al enige tijd over de aarde. Zijn laatste ontmoeting met Azhrarn mocht hem al dan niet onthutst hebben, hij had nu heel wat om over na te denken,
op zijn eigen ongrijpbare wijze. Dunizel, de beminde van de Prins der Demonen, was gestorven door iets wat Chuz had gedaan, dat was onomstotelijk bewezen. Maar of het een opzettelijke misgreep was geweest, een beoordelingsfout, of een krankzinnige impuls - wie zou het met zekerheid kunnen zeggen? Want de geest van die zijn als Chuz, neigt naar het absoluut ondoorgrondelijke. Dit niettegenstaande had hij zich de toorn van Azhrarn op de hals gehaald, en Azhrarn sprak van vergelding. Zou Chuz daar bevreesd voor zijn? Hij had macht, macht in overvloed, er was geen Heer der Duisternis zonder macht van velerlei en ontzagwekkende aard. En daarom juist kon men aan zulk een tweestrijd niet licht tillen. Er was een gelegenheid geweest waarbij Azhrarn ontdekt had, dat hij ná aan een opperst meningsverschil toe was met een van zijns gelijken, Koning Uhlume, Koning Dood, waarna hij Uhlume had benaderd en het geschil had
trachten bij te leggen, en zelfs tactvol had laten doorschemeren hoe Uhlume het spel zou kunnen winnen.
Men mag hieruit afleiden dat Chuz zocht naar een tactvolle manier om Azhrarns woede te doen bedaren.
Er was een tijd dat men veronderstelde dat alle Heren der Duisternis de aardse zonneschijn meden, omdat die hen zou verbranden of tot as verkolen. Dit ging echter slechts op voor een van hen, voor Azhrarn, wegens zijn demonische afkomst. Toch hadden alle andere Duistere Heren bepaald een voorkeur voor de nacht, en voor nachtelijk vermaak en schimmenspel en schaduwen. En zo kwam het ongetwijfeld dat Chuz door het sombere woud zwierf, genietend van de magie die er hing zoals een ander zou genieten van de geur van bloemen, ten tijde van Oloru's gedaanteverwisseling. En ongetwijfeld voelde Chuz zich onmiddellijk aangetrokken tot de plek waar het gebeurd was; de opslaande golf van magie riep hem, als de zang van een fascinerende vogel. Eenmaal daar aangekomen begreep hij wat er gebeurd moest zijn, en nam direct een besluit. Zodra hij nog een aantal bijkomende plannen had uitgedacht, goot hij in één keer zijn vloeibare, onkenbare zelf uit in de metafysische vorm van Oloru, verdichtte zich, liet zich uitharden, en stapte tenslotte verbijsterd het woud uit, tegen het einde van de dag.
Als vermomming was het een unieke vorm. Als nieuwe gedaante voor het menselijk ogende aspect van Chuz, was het niet helemaal geslaagd; zo was Chuz nu eenmaal. Prins Waanzin was altijd het aanzien waard geweest, tenminste
aan één kant. En hij had in die tijd grote ervaring in het aannemen van een rondom aantrekkelijke gedaante; hij had veel oefening gehad in Belsheved. Terwijl dus de gedaante van Oloru altijd al aantrekkelijk was, was hij nog nooit zo knap geweest als nu, nadat Chuz zich in hem had uitgestort. En ook was de eerste Oloru nooit zo dichterlijk geweest of zo dwaashoofdig als de tweede Oloru, hetgeen niet meer dan passend was. Wat het uiterlijk betrof was het dus niet meer dan een theatrale listigheid, die snel ondergraven kon worden. De staalharde wortel van de vermomming bevond zich echter in een geheel ander gebied. Herboren als Oloru werd Chuz Oloru. Chuz vergat dat hij Chuz was.
Voordien zou Chuz' tred op tweeduizend mijl afstand de zintuigen van Azhrarn hebben doen tintelen, want elke Heer der Duisternis ademde de tover van zijn ikheid uit door al zijn onaardse poriën. Maar nu was er alleen maar Oloru, die niet anders wist dan dat hij Oloru was.
Het was een feit: keer op keer was hij in het duister van de nachten van de wereld onvermoed tussen demonen gegaan. Soms werden ze zelfs tot hem aangetrokken, omdat ze iets voelden, ze wisten niet wat. Maar als ze dichterbij kwamen zagen ze alleen een knap ogend warhoofd die grollen of vertier maakte, of spotte, of bibberde van de zenuwen. Oloru's essentie straalde niet anders uit dan jeugd, mannelijkheid, gekunstelde seksuele tweeslachtigheid, charme, een neiging tot het uiterste te gaan, en overgevoeligheid. Dat was wat mensen zagen en dachten. En de demonen trokken zich terug en lieten hem links liggen, misschien een ogenblik verbaasd.
Van deze aard was de hoffelijke hulde die Chuz Azhrarn bewees: Zie, onbroeder, hoe ik je toorn eer en vrees. Ik houd me nu in alle ernst schuil.
Ook had Azhrarns periode van rouw en lusteloosheid zijn nut gehad. Het had Chuz tijd verschaft om rond te trekken en allerlei te proberen, en nadat de tweede Oloru uit het woud was gekomen had het hem ruimte vergund zijn rol te verkennen en uit te bouwen.
Pas toen Chuz de Onderaarde binnendrong had Azhrarn het hoofd omgewend en geluisterd en was zijn aandrang weer uitgegroeid tot een zucht naar vergelding. Maar de achtervolgers hadden het bij het verkeerde eind gehad. De arme Prins Lak, met een heel schitterend leven van euveldaden nog voor zich, had als onwetend lokaas de aanval opgevangen. De messcherpe geur van Chuz had hem omzweefd terwijl Chuz zelf, als dobbelsteen en als staafje, daar opmerkelijk vrij van was. Want zelfs in die gedaante meende hij enkel Oloru te zijn.
Chuz had als zichzelf zonder te verblikken Laks magische middelen kunnen toepassen voor een astrale afdaling, en nog veel verder gevorderde toverkunst. Maar als Oloru was hij daartoe niet in staat. Als zichzelf zou Chuz het waarschijnlijk nooit gewaagd hebben de Onderaarde binnen te dringen. Het zou een daad van onverzoenbare vijandelijkheid zijn geweest. Maar Oloru was een dichter op zoek naar verboden prikkeling, en meer niet.
Toen de betovering voltooid was, werd het geheel, Chuz-Oloru, vlees en levenskracht, in de vorm van een topaas naar het onderaardse overgebracht. Als onsterfelijke bezat Chuz geen ziel; of misschien was hij wel een en al ziel, zuiver demonische energie, al was hij zelf geen demon.
Alles wat Oloru gedaan had, tot en met de oversteek van het zee-meer en de landing op het eiland, was zo op het oog niets méér dan willekeurige zotternij, een krankzinnige streek. Dat was natuurlijk niet zo. Meer dan een jaar tevoren, in de paar seconden waarin hij besloot Oloru te worden, had Chuz bepaalde impulsen ingebed in zijn geheime brein dat zichzelf zodadelijk niet meer zou kennen. En wel om een meester-magiër te zoeken bij wie hij de benodigde magische kennis zou kunnen ontvreemden, en vervolgens die magiër te verlokken en over te halen tot de tocht naar het onderaardse, om daarna zijn eigen weg te zoeken en intuïtief het schepseltje te vinden dat hij het laatst gezien had als klein kind, ofschoon hij het zich niet meer zou herinneren. Azhrarns nakomeling, Dunizels dochter.
Al besefte hij dat niet, feitelijk was zij het enig doel geweest van Oloru's tweede leven. Haar vinden, haar wegroven, dat was zijn levensdoel.
Vanaf het begin had ze Chuz' aandacht gevangen gehouden. Hij had naar haar gekeken toen ze nog in Dunizels schoot rustte en hij had tegen Dunizel en haar demonische geliefde gezegd: 'Ik zal oom spelen voor je ongeboren kind.' En dat voorstel, dat op zichzelf al verdacht klonk, was zo ombouwd geweest met plagerij en liefkozende beledigingen jegens Azhrarn, dat het evenveel kans had aanvaard te worden als ijs in het vuur kan overleven. Chuz wist het, dwarszinnig als hij was. Hij wilde het, hij wilde het niet, hij wist niet wat hij wilde en zorgde er voor in de vorm van Oloru te vergeten wat hij wilde, waarop hij er op uit toog om het te halen, door zwavel en weerlicht.
En toverwezen dat hij nog was, onontkoombaar, werd hij door de nabijheid van andere toverwezens aangeraakt en geprikkeld, zelfs in zijn vergetelheid. En zo had het woud hem ertoe gebracht de gedaante van Oloru's eigen jakhals aan te nemen, om sneller vooruit te kunnen komen. En zo was Chuz' angstwekkende overredingskracht in hem gevaren, om hem in staat te stellen Lak Hezoor aan te zetten tot de laatste bewust overdachte waanzin die deze van zijn leven bedrijven zou. En zo had de verfijnde substantie van de Onderaarde op Oloru de uitwerking gehad van een fijne beeldhouwersbeitel, die zijn wapenrusting stukje voor beetje wegkapte.
Toen hij dus bij haar stond, de meesteresse van zijn queeste, was hij weer begonnen zichzelf zichzelf te binnen te brengen. Zijn kus was doortrokken van bonzende herinnering, en daarop kon ze toch niet anders doen dan ontwaken ?
De ontsnapping uit haar verfijnde hel, de vlucht door de opkomende zonneschijn in zijn pruimkleurige mantel, dat waren staaltjes van Chuz. Maar hier op de open plek, weergekeerd aan de boezem van de wereld, was de innerlijke Chuz weer weggeëbd. Oloru was opnieuw Oloru. Ofschoon helemaal, dat niet. Men kan geen rook in een doos opsluiten, en Chuz niet in een mensenhuid; niet geheel en al. Iets zou er toch wel ontsnappen. En dat iets bleek de ergste van Chuz' attributen te zijn, zijn handen.
En dus lag hij daar, een Heer der Duisternis geveld door zijn eigen afschrikwekkendheid. Ja, maar wie heeft er niet ooit in zichzelf gekeken en is niet bang geweest? En heeft het daarbij niet gelaten?
Nu rustte hij in haar armen, de armen van de demonische kindvrouw die vanaf het moment dat ze verwekt werd het doel van zijn waanzinnig hart was geweest. Heel die geschiedenis las ze in zijn bewusteloze onmenselijke geest. Ongelukkig als ze was, dat anderen haar verlaten hadden, koesterde ze zich in zijn psychotische trouw.

Middernacht. En er viel een regen die niet meer was dan dat. Maar het woud hulde zich in regendroppels als in trossen zirkonen.
Regen maakte de oogleden van Sovaz nat. Ze sloeg ze op en zag dat ook Oloru's ogen nu open waren.
'Ik ben, denk ik, een tijdje dood geweest,' mompelde hij.
Hij keek haar lang aan. Er hing een vreemd lichtschijnsel in het woud. De regen had het losgespoeld uit de boomstammen; de grassen en de lelies lichtten als de tongen van schimmige vlammen. En in deze gloed scheen ook Sovaz te stralen met een eigen zacht schijnsel. Oloru wierp een blik op zichzelf bij het licht van de lamp die ze hem was. Ik heb gedroomd,' zei Oloru. Hij strekte zijn elegante dichtershanden. Ze zagen er niet anders uit dan de handen van een dichter betaamde. (Op een of andere manier had ze had haar eigen occulte vaardigheden ingezet om de zijne te verdringen, en had zijn handen genezen.) 'Ik ben blij dat Heer Dood me niet als zijn gast heeft willen houden. Ik had schuil bij hem gezocht, maar ik hoopte er niet te hoeven blijven. Hij houdt er velen, beneden in de Binnenaarde, Sovaz met je blauwe ogen. Maar dat zijn lieden die hem voor duizend jaar hun ziel hebben verkocht. De dood,' zei Oloru, 'mag niet gaan waar niets ooit is gestorven. En die streken zijn er. Hij mag het rijk van de goden niet betreden. En het land der demonen niet. Want zelfs die wezens in Azhrarns rijk die schijnen te sterven, ondergaan slechts een nabootsing van de dood. Wie vertelt dat het anders is, is een leugenaar.'
'En ben jij dan geen leugenaar?' vroeg Sovaz, maar even zacht als het tere licht dat aan haar kleefde.
'Ik? Een leugenaar?'
'Dat denk ik wel,' zei ze. 'Want je spreekt over het rijk der demonen alsof we het niet allebei gezien hadden.'
Oloru deed ogenblikkelijk zijn ogen dicht. Zijn vingers kromden zich om het gras.
'Zeg dat niet,' zei hij. 'Dat doet me denken aan mijn angstdromen.' En ze zag dat haar eigen ontstaan nu moedwillig uit zijn bewustzijn was verdrongen. Ze vond het niet zo erg, Sovaz. Wat voor geluk had het begin van haar leven haar per slot van rekening geboden, dat ze het zou willen herdenken?
'Goed dan,' zei ze. 'We zullen alleen praten over hoe we elkaar gevonden hebben, zwervend in het woud. Ik als weeskind, en jij op geheimzinnige wijze beroofd van je meester, de magiër-prins.'
'Ja,' zei Oloru. En op dat ogenblik werden zijn ogen aangestoken door een innerlijke vuurtong, en leken een kort ogenblik op de ogen van een wreed, zeldzaam roofdier. Zie je, zeiden die kwaardaardige ogen van gesmolten metaal, zie je hoe spannend het zal zijn om dit spel te spelen.
Waarop haar ogen donkerder werden dan het glinsterend donker van het woud, zodat men er de sterrenhemel in zou menen te zien. Misschien, zeiden die ogen; misschien wel.
En toen kwam ze op hem liggen en greep hem vast onder zijn armen met haar slanke handen en sloeg haar slanke blote voeten om zijn krachtige kuiten en ving zijn mond met de hare.
Hun tweede kus verschilde van hun eerste als water van aarde en lucht. Maar was er niet minder krachtig om, niet minder Ievenwekkend.
'Schoonste van alle sterfelijke vrouwen,' loog Oloru.
'Schoonste van alle sterfelijke mannen,' loog Sovaz.
En ze lachten en wierpen als slangen hun kleren af en legden hun lichamen in elkaar als verstrengelde handen.
Maar nog was zij degene die boven hem lag en al gauw leek de zwarte vacht van haar haren te versmelten met het zwarte bladerdak van het woud, zodat hij lag uitgestrekt onder een meisje dat heel de nachthemel was en heel de nachtelijke aarde. En haar aanraking en haar huid en haar bewegingen waren als de beroering van de wereld, alsof de wereld zelf op hem lag en hem streelde en ontdekte en in zich trok. Maagd was ze, maar geopend behoefde ze niet te worden; alles was haar bekend, maar van alles was ze onkundig.
En toen hij doordrong tot haar diepste kern, de kern van haar haren en de nacht, en de bomen en de hemel, van haar strelingen, de lucht, en de wereld, toen was het of zelfs de grond onder hem de liefde met hem begon te bedrijven.
'Nee,' fluisterde Oloru toen.
'Nee?' fluisterde ze in zijn mond, haar tong als een vlam, een van de vurige lelies die brandden in het gras.
'Nee, Sovaz, Sovaz, anders zal ik daar zijn voor jij er bent, en dan is onze reis beëindigd.'
Maar in haar ogen waren alle oceanen en zeeën en rivieren van de wereld, en haar handen, of wellicht de handen van de aarde onder hem, slopen langs zijn rug en vonden een vuur daar, een slang die onder zijn ruggegraat huisde, een draak die begon te ontwaken.
'Wanneer je de poort bereikt,' zei ze, of misschien waren het haar ogen of haar stuwende lichaam die het zeiden, 'roep me dan. En dan zal ik dadelijk bij je zijn.'
En meteen ontwaakte de draak geheel en al. Het woud vlamde op in een zwerm van lichtjes en hij werd mee omhoog gevoerd zodat zij in de heftigheid van die welvende boog werd opgetild als op de kuif van een hoge golf. En hij schreeuwde luid en ze hoorde het en kwam dadelijk tot hem zoals ze gezegd had, en wierp haar hoofd achterover, haar keel gekromd als de sikkel van de maan. En haar kreten, drie in getal en wild als van een vogel in een wervelstorm, reten door de zoldering van gebladerte en regen en mogelijk sloegen ze tegen de vloer van de hemel zelf waar de bewoners dergelijke kreten niet begrijpen omdat ze er geen inzicht in hebben.
Maar na een tijdje, in de stilte, zei ze tegen hem: 'Dat is ook doodgaan. En daar ligt mijn voorteken. Ik zal sterven op een keer. Ik weet het nu zeker.'
'Die als wij zijn sterven niet,' zei Oloru, die een ogenblik vergat te vergeten.
Maar ze gaf geen antwoord.