Het is gek, maar hoe hopeloos alles ook scheen, niets hielp zo goed om mijn zorgen van me af te zetten dan het lezen over de ellende van anderen. Op zee, wanneer het met het weer uit de hand liep, greep ik heel vaak een boek en probeerde ik troost te putten uit het relaas van andermans moeilijkheden.
Aan het begin van mijn reis, tijdens die stormachtige overtocht naar Bermuda, was ik opgevrolijkt door het verhaal van dr. David Lewis. Hij was in een bootje, ongeveer zo groot als de Varuna, het noordelijk gedeelte van de Atlantische Oceaan overgestoken. Hij had een hele serie vreselijke stormen over zich heen gekregen terwijl hij moest uitkijken voor ijsbergen; en de hoeveelheden depressies die de Varuna over zich heen had gekregen, verdwenen in het niets bij het lezen van een nog veel slechtere tocht. Dr. Lewis op zijn beurt had troost gezocht door het lezen van de belevenissen van Hanns Lindemann, een dokter die de Atlantische Oceaan was overgestoken in een opvouwbare kano – twee avonturiers die beiden moediger waren geweest dan ik.
Hier in Port Soedan vermande ik mezelf en bracht een bezoek aan de kuip van de Christina. Daar was ik tenminste samen met Henry, Lauder, Christine en kleine Sebastian. Maar aldoor hield ik de havenmond in de gaten of ik de vertrouwde zwarte boot al zag. Terwijl ik luisterde naar het verhaal van de ondergang van de Debonaire, hielp het relaas van Henry’s pech mijn gedachten af te leiden van Len en Olivier, terwijl zijn fles rum hém weer hielp zijn problemen te vergeten. Samen herdachten we Len en wisselden verhalen over hem uit. Waarna we hoofdschuddend tot de conclusie kwamen dat we honger hadden, en uit eten gingen.
We zochten onze weg langs kamelen en ezels over de vijf meter omhooggaande stoffige weg langs de haven. Bij een openluchtrestaurant met sissende grillroosters zaten er aan de tafeltjes mannen uit de woestijn in hun wijde witte mantels en tulbanden, die ophielden met praten en ons aanstaarden toen we binnenkwamen. Christine en ik waren de enige vrouwen, en verlegen keek ik naar beneden om te zien of mijn kleding decent genoeg was onder die doordringende zwarte ogen.
Soedan is streng islamitisch, een land waar de plaats van de vrouw thuis is – op blote voeten en zwanger. Later viel ons op dat vrouwen van top tot teen ingepakt waren wanneer ze het huis uitkwamen, behalve een smalle gleuf in de sluier waardoor de ogen zichtbaar waren. Hopend dat mijn spijkerbroek en joggingjack ermee door konden, keken we een beetje verlegen om ons heen. In de knappe, ebbehouten gezichten van deze mannen viel het accent op de jukbeenderen, en we zagen dat ze wat lengte betreft niet onderdeden voor een uit de kluiten gewassen basketbalspeler van thuis.
Toen het zover was dat we ons diner bestelden, vroeg ik waarnaar ik op zee het meeste had verlangd – een groene salade. Toen het kwam, bleek het inderdaad groen te zijn, maar niet door de slablaadjes. Het was eerder een soort moes van avocado’s die ik me herinnerde van de oosterse restaurantjes aan McDougal Street in New York. Naast een plak pizza hadden mijn goedkoopste maaltijden in mijn zwerftijd bestaan uit falafels, shish kebab, hummus, baba ghanooi en tahina. Ik bedacht hoe ik dat vreemde eten naar binnen gewerkt had zonder er ooit maar aan te denken dat ik drie jaar later in de landen zou zijn waar die gerechten oorspronkelijk vandaan kwamen.
Verrassend genoeg smaakte het hier in Soedan allemaal precies eender, behalve dan één extra ingrediënt: zand. We verslonden een maaltijd bestaande uit groene moes, een tomatensalade en grote hompen op een houtskoolvuur gekookt schapevlees. En al die tijd probeerden we niet te kijken naar de stapels bloederige schapekoppen, die over een stenen muurtje vlak bij ons tafeltje gesmeten werden.
Het kostte ons de grootste moeite tijdens het eten onze linkerhand niet te gebruiken. Iedere keer dat één van ons dat heel even toch deed, was de blik van iedere aanwezige vol walging op ons gevestigd. De Soedanezen zijn wat betreft dit gebruik veel gevoeliger dan de inwoners van Sri Lanka, die meer gewend zijn aan westerse bezoekers. Met een kleur als vuur probeerden we zelfs om op onze linkerhand te gaan zitten, maar op de één of andere manier hadden we die binnen de kortste keren toch weer nodig.
Op de terugweg naar de kade kwamen we langs een kudde dromedarissen, die voor de nacht onder de bomen geparkeerd stond. Een paar strekten hun lange nekken uit om de onderste bladeren te pakken te krijgen, de rest lag met opgetrokken poten te slapen. Ik had ergens gelezen dat kamelen nogal nukkig zijn. Dat ze, wanneer ze een hekel aan iemand hebben, dat tonen door die persoon te bespugen of te bijten. De enige manier om dan weer bij zo’n beest in de gunst te komen zou zijn je kleren of andere eigendommen aan hem af te staan. Alleen wanneer een kameel zijn blaas boven je spullen heeft geleegd, is alles weer vergeten en vergeven. De aanblik van hun slappe lippen die wanneer ze omkrulden hun grote vierkante tanden lieten zien, weerhield ons ervan dicht bij ze te komen om ze te aaien en we vervolgden onze weg naar de boten.
Om middernacht was ik weer alleen aan boord van de Varuna. Mijn zorgen kwamen weer terug en ik kon niet in slaap komen. Ik bad voor Olivier en mijn gedachten keerden terug naar Len, een man die we misschien wel niet zo goed hadden gekend, maar die dezelfde dromen als wij had gehad en bijna voor onze ogen aan zijn eind gekomen was.
De volgende ochtend waren Alexio en ik bezig onze papieren in orde te maken voor het lange ritueel van inchecken bij de douane en immigratie-autoriteiten, toen de zwarte boot de haven in kwam zeilen. Mijn vreugdekreet liet de opvarenden van de Christina schrikken en alle buren glimlachten naar me. Er waren te veel verontrustende dingen gebeurd en eindelijk was er nu eens een reden om blij te zijn. Alexio leende me zijn dinghy en ik roeide als een gek over het water naar de Akka.
‘Waar was je?’ riep Olivier toen ik dichterbij kwam. ‘Ik heb drie dagen bij de Hanish Eilanden liggen wachten.’
‘Er stond zo’n sterke wind dat ik het niet aandurfde zonder motor tussen die rotsen door te varen. Heb jij een paar dagen later ook zo’n last gehad van die ellendige wind?’
‘Nee, de wind was het hele stuk heerlijk en kwam tot gisteren uit het zuiden.’ Al met al was deze reünie, ondanks het slechte nieuws, er toch één van opluchting en samen met Alexio gingen we ons laten inschrijven.
De volgende dag kwam Alexio na een wandeling door de stad terug met het nieuws dat de president van Soedan om drie uur op het plaatselijke vliegveld zou arriveren. ‘Laten we ook gaan,’ drong hij aan. ‘De president schijnt een rechtstreekse afstammeling van Mohammed te zijn. Daar komen duizenden mensen op af.’ En zo trokken we te voet naar die grote manifestatie in de woestijn. Langs de weg stonden tientallen nomadententen, omgeven door kinderen, vrouwen, geiten en kamelen. In de verte raceten mannen in wit op hun Arabische paarden over de gele zandvlaktes in de richting van de horizon. Alles leek te drijven in een olieachtig waas dat ontstond door de hitte die overal van afstraalde.
Rond het kleine vliegveld dromden Soedanezen met hun donkere huid, en de prachtige, lichter gekleurde bedoeïenen en Arabieren. Gesluierde vrouwen, in aparte groepjes en gehuld in soepele rode, oranje en groene stoffen vrolijkten het plaatje op. Terwijl we in een schouwspel van honderd jaar terug terechtkwamen, staarde ik openlijk naar de mensen, die daar geen bezwaar tegen hadden en precies hetzelfde deden.
De verschillende stammen onderscheidden zich door hun haardracht en de tint van hun naturelkleurige vesten die hun lange, witte kaftans bedekten. Sommigen hadden een grote bos afrokrullen; anderen hadden heel kort geknipt haar; weer anderen hadden kralen in hun haarstrengen geregen, of ze droegen in elkaar geklitte dreadlocks net over hun kraag heen. Blauwe, groene en bruine ogen staarden ons aan, en er krioelden kleine jongetjes om ons heen alsof we de rattenvangers van Hameien waren. Er vlogen tintelingen langs mijn ruggegraat omhoog en omlaag bij het besef in zo’n vreemde, prachtige wereld beland te zijn.
Alles leek wel een sprookje, totdat Alexio zijn nieuwe camera te voorschijn haalde. Het was meteen overduidelijk dat deze mensen er niet op gesteld waren zich te laten fotograferen; zij zijn bijzonder gebelgd over zo’n inbreuk op hun privacy, een feit dat algemeen bekend is bij de meeste bezoekers.
‘Maak je maar niet ongerust,’ zei Alexio schouderophalend. ‘Ik ben zo slim geweest om toestemming bij het bureau voor toerisme te vragen. Zie je wel?’ De glimlachen veranderden in vijandige blikken en er werd naar ons geroepen toen Alexio dóór bleef gaan met fotograferen terwijl hij met zijn vergunning zwaaide naar de kwade mannen die ons omringden. Het Arabisch klinkt hard in westerse oren die niet aan die keelklanken gewend zij n. Maar wanneer het wordt uitgesproken met opgekropte woede, klinkt het helemaal beangstigend.
‘Kom, Tania. Dan kan ik een foto van je maken met die mensen op de achtergrond,’ zei hij, in het geheel niet onder de indruk.
‘Beslist niet.’ Olivier sloeg beschermend zijn arm om mij heen en we begonnen weg te lopen. Alexio kwam achter ons aan, zwaaiend met zijn vergunning. Hij bleef foto’s maken en steeds meer jongetjes kwamen achter hem, en ons, aan. Er kwamen nu ook oudere mannen bij en een klein handje kneep mij.
‘Hou alsjeblieft op, Alexio,’ smeekte ik. ‘Denk je nou heus dat ze zich iets van dat papiertje aantrekken? Moet je zien, die lui lopen allemaal met van die enorme zwaarden.’
De meeste mannen hadden leren foedralen van zo’n meter lang op hun rug gebonden en daaruit staken de druk gegraveerde metalen gevesten. Dit waren geen bedaarde stadsmensen die zich hadden aangepast aan de gewoontes van westerlingen. Dit waren de nomaden die eeuwenlang de Sahara hadden doorkruist en nu in karavanen hier bijeengekomen waren om de afstammeling te zien van hun geliefde profeet en grondlegger van hun islamitisch geloof. Ik bewonderde hun koninklijke houding en ik schaamde me dat ik deel uitmaakte van het groepje mensen dat hen kwaad maakte. Alexio hield eindelijk op toen de bodem van mijn handtas opengesneden werd. De dader, een kind nog, stond glimlachend te wachten tot mijn spullen eruit zouden vallen.
‘Tania, weg wezen hier,’ zei Olivier. We drongen ons tussen de mensenmassa door terwijl Alexio ons zwijgend volgde. Ploeterend zochten we onze weg terug naar de stad, toen er opeens een witte Peugeot naast ons stopte. Uit het raampje keek een donker gezicht ons onderzoekend aan.
‘Hallo. Stap in, dan geef ik jullie een lift,’ zei de vreemdeling in perfect Engels. En zo ontmoetten we Ibrahim, een voedseluitdeler bij een antihonger hulporganisatie. In de auto beantwoordden we zijn vragen en vertelden hem waar we vandaan kwamen en wat we hier in Soedan deden. Het kostte enige moeite om hem ervan te overtuigen dat we alle drie solozeilers waren.
‘Ja, we zijn echt alleen, elk van ons vaart apart,’ legde Olivier naast me op de achterbank uit. ‘Zo nu en dan komen we elkaar weer eens een keer tegen. Maar in principe zijn we altijd alleen, elk op onze eigen boot.’
Ibrahim draaide zich om en keek mij aan. Hij was duidelijk van zijn stuk gebracht; in Soedan mogen veel vrouwen niet eens alléén hun eigen huis uit. Hij brandde van verlangen om er meer over te horen en bracht ons naar de Rode Zee Club, een instelling die nog stamde uit de tijd van de kolonialen, waar je alleen naar binnen mocht in gezelschap van een clublid. Hij bestelde Coca-Cola voor ons en wij vertelden hem wat hij weten wilde. Zijn belangstelling ging vooral naar mij uit, en in de loop van de middag kwamen we er ook achter waarom. Ibrahim had een vrouw en verscheidene concubines. Dat was heel normaal, zei hij. Als hij niet zoveel van zijn vrouw hield, had hij er nóg drie kunnen trouwen. ‘Met die concubines bespaar ik haar het verdriet van méér echtgenotes,’ redeneerde hij.
Sinds Djiboeti probeerde ik me al voor te stellen hoe het zou zijn om in zo’n soort maatschappij te moeten leven. Als ik hier ter wereld was gekomen had ik als kind een besnijdenis moeten ondergaan, en mijn vader had me op deze leeftijd kunnen uithuwelijken aan een man die van plan was er nog meer echtgenotes op na te houden. Ik had in een krant uit Saoedi-Arabië zelfs gezien dat foto’s van westerse vrouwen van de hals tot de voeten zwart gemaakt waren. Ibrahim had het idee dat alle westerse vrouwen van lichte zeden waren, dat wij dagelijks orgieën hielden en hij kon maar met moeite geloven dat ik trouw kon zijn aan één enkele man. Die middag, nadat ik hem het een en ander had uitgelegd, werd Ibrahim een goede vriend die erop stond ons de schoonheid te laten zien van de enige cultuur die hij kende.
Net als in elk ander islamitisch land was alcohol er streng verboden. Waar we ook aan land gingen, overal stond er bij de toegang tot de haven iemand op wacht die onze tassen nakeek om te zien of we misschien iets meesmokkelden. Maar Ibrahim vertelde ons op samenzweerderige toon dat er in Soedan illegale stokerijen waren, waar ze uit dadels hun eigen vuurwater, een gemeen goedje dat aragi werd genoemd, stookten. De dag nadat we hem hadden ontmoet, verscheen hij bij ons op de kade.
‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik heb een paar verrassingen voor jullie.’ Wij zagen dat wel zitten en sprongen in zijn Peugeot. Hij reed met ons de woestijn in, waar hij zijn auto bij een stel armoedige hutten tot stilstand bracht. Ibrahim stapte uit, kocht iets in één van de hutten en reed terug naar één van de kades om wat te kletsen. Uit beleefdheid nam ik ook een slokje van de pure alcohol, maar het brandde zich een weg door mijn keel en mijn maag leek wel te verschrompelen. Dat was mijn laatste slok. Alexio was ook een niet-drinker en zelfs Olivier vond het goedje te sterk naar zijn zin. Ibrahim dronk dus alleen. Als een Afrikaanse prins stond hij druk met zijn armen te gesticuleren terwijl zijn wijde, witte gewaad achter hem opbolde in de wind.
Toen we later bij een andere hut kwamen, bleek dat een smerig bordeel te zijn met erotische posters aan de muur. Op de motorkap van een oude vrachtwagen uit de jaren vijftig was een televisie gezet en daar hebben we samen met een paar mannen in wijde gewaden naar een uitzending in het Arabisch van Popeye zitten kijken. Vervolgens kondigde Ibrahim, die inmiddels aardig de hoogte kreeg, aan dat hij ons meenam naar de trouwerij van een vriend van hem. Dat was het begin van een avond vol pracht en magie, die rechtstreeks uit de verhalen van Duizend-en-één-nacht afkomstig had kunnen zijn.
De vrouwen en kinderen in de tuin waar het trouwfeest werd gehouden, moeten de wereldhandel in kant en organdie lamgelegd hebben; alle sokjes, taillebanden en zomen waren ermee versierd, samen met enorme hoeveelheden satijn, pailletten en glitter. De kinderen zagen eruit als de ouderwetse porseleinen poppen die ik als kind altijd zo graag had willen hebben en beeldschone, mysterieuze jonge vrouwen liepen af en aan. Niet alleen was hun kleding exotisch, maar de vrouwen waren voor deze ene keer ongesluierd. De meesten zagen eruit als prinsessen van het witte doek, met hun koninklijke houding, hoge jukbeenderen, amandelvormige ogen en ravezwarte haar.
Toen de bruid en bruidegom de tuin inkwamen, werden ze begroet door de andere vrouwen. In tegenspraak met hun elegantie braken zij los in een luid geluich met hoge stemmen, waarbij ze ritmisch met hun hand tegen hun lippen kwamen, zoals kinderen die een Indianendans uitvoeren. De bruid was gekleed in kilometers witte kant, en zelfs de bruidegom droeg make-up – poeder en eyeliner. Mijn ogen rolden zowat uit hun kassen, zo prachtig vond ik alles.
Toen het bruidspaar was gaan zitten, werden ze omringd door de andere feestgangers die hun goede raad en felicitaties aanboden, en even later begon er een orkest je te spelen. Vóór we vertrokken, ging ik even bij de bruid langs om haar een gelukkig leven toe te wensen. Ze was niet ouder dan achttien jaar en overweldigd door alles wat er om haar heen gebeurde, keek ze me met grote ogen aan en zei dank u wel.
De pracht en praal van de trouwceremonie stond in schrille tegenstelling met Port Soedan zelf. Dat is meer een nederzetting dan een stad, gebakken en gebleekt in de genadeloze Noordafrikaanse zon en zonder ook maar iets dat lijkt op de moderne westerse ideeën. Het financiële systeem was door en door corrupt, en de koers van het Soedanese pond en de Amerikaanse dollar was op de zwarte markt dubbel zo hoog als bij de banken. Internationale telefoonverbindingen bestonden er niet, zodat er niet naar huis gebeld kon worden. En toen we ons meldden bij de havenautoriteiten zagen we dat zelfs het vrachtvervoer één grote chaos was. Vrachtschepen met graan lagen soms maandenlang in de haven terwijl havenarbeiders de ruimen met manden leegschepten voor twintig cent per dag. Er stond één moderne graanelevator op de kade, maar die was kapot en er was niemand die hem kon repareren.
In de stoffige straten van de stad wemelde het van de gammele oude auto’s, bussen, bedoeïenen op kamelen en karren die getrokken werden door luid balkende ezels. Op elke straathoek zaten groepjes mannen aan waterpijpen te lurken en gezeten op ezels en kamelen trokken mannen van verschillende stammen de stad binnen om net als wij, voorraden in te slaan voordat ze de woestijn weer ingingen.
Huizenblok na huizenblok zaten er op de stoep oude mannetjes achter trapnaaimachines kaftans en vesten in elkaar te zetten, en overal woeien snippers van het materiaal in de wind omhoog. De geur van henna, dat gebruikt wordt om haren en huid te kleuren, overheerste alles, zelfs op de markt met zijn kruiden, sinaasappelen, grapefruits, noten en groenten. Omdat we niet genoeg geld hadden om geconcentreerd sinaasappelsap te kopen, kochten Olivier en ik maar een kilo van de goedkopere geurige rozenthee.
Op de vleesmarkt hingen aan grote vleeshaken onthoofde schapen, koeien en kippen waar aan alle kanten het bloed nog uitdruppelde, terwijl de levende exemplaren in paniek in het rond liepen. Wat voor stuk vlees je kon krijgen hing af van het tijdstip waarop je arriveerde. Terwijl de bestellingen opgenomen werden, was men al druk bezig de vliegen van de hangende karkassen af te slaan, waarna met een botte bijl een stuk vlees afgehakt werd. Gezien deze omstandigheden hadden wij het niet zo voorzien op half rauwe biefstuk. In plaats daarvan kookten we het vlees door en door gaar in soep of stoof schotels.
Olivier en ik gingen naar de oude havenruïnes van Suakin, 30 mijl verderop langs de kust, waar we de resten bekeken van een woestijndorp dat verlaten en tot een hoop stenen vervallen was. Ooit was Suakin een druk kruispunt van wegen, waar karavanen stopten om hun waren te verhandelen met schepen die naar India voeren; het was de laatste plek aan de Rode Zee waar nog wel eens een zuidenwind stond, zodat die schepen niet verder konden omdat ze niet waren uitgerust om tegen de harde noordenwind op te kunnen tornen. Vandaag de dag, met de ontwikkeling van Port Soedan, ligt Suakin er verlaten en vervallen bij. We liepen door de straatjes en stelden ons voor hoe het leven hier gebruist moest hebben in de tijd dat hier nog karavanen arriveerden.
Toen we de bus terug naar Port Soedan wilden nemen, beleefden we nog onverwacht een spannend moment. Op het plein stond een groepje mensen te wachten en toen ons vervoermiddel aan de horizon zichtbaar werd, namen ze hun positie in als hardlopers bij een wedstrijd. Zodra de bus tot stilstand kwam, klommen de mensen er via de ramen en de deur naar binnen, terwijl iedereen vocht om een plaatsje. Het kostte Olivier en mij een paar bussen vóór we doorhadden hoe het moest. Maar toen stopte er gelukkig één vlak voor onze neus. We schoten naar binnen, terwijl we anderen door het raam heen hielpen binnen te komen omdat er bij de deur geen doorkomen aan was.
Over het algemeen zijn de Soedanezen een hartelijk en trots volk. Hoewel het land straatarm is en de buitenlandse schuld miljarden dollars bedraagt, vind je er zo goed als geen bedelaars. In plaats daarvan werden we op straat staande gehouden door mensen die ons alleen maar toelachten en hun Engels op ons uitprobeerden, waarbij ze ‘goed, goed,’ uitriepen wanneer ze hoorden dat ik alléén rondom de wereld zeilde.
Op een dag werden Olivier en ik in de stad aangehouden door een schoenpoetsertje dat in de schaduw van een boom zat. Om hem heen zaten zijn vriendjes die toekeken wanneer hij zo nu en dan iets te doen had. Een paar van hen stonden op en boden mij hun stoel aan. We lachten en praatten met handen en voeten en één van hen bracht ons wat Coca-Cola, terwijl de schoenpoetser op mijn leren teenslippers wees. Hij moest en zou het smalle reepje leer poetsen terwijl de anderen ons leerden in het Arabisch ‘dank u’ en ‘graag gedaan’ te zeggen. Toen we verder wilden gaan, probeerde ik hun wat geld te geven, maar dat werd vol vuur geweigerd. Ze schudden ons de hand en zwaaiden ons na. Ik kon het niet geloven. Deze mensen waren straatarm, en toch hadden ze ons op drinken getrakteerd en mijn ‘schoenen’ gepoetst zonder daarvoor betaald te wilen worden.
‘Shukran,’ bedankte ik hem in zijn eigen taal.
‘Afuan,’ antwoordde hij lachend.
De Penny en de Annatria waren op onze vierde dag gearriveerd en later bogen we ons met Bernard over mijn motor. Overboord gooien en er een buitenboordmotor voor in de plaats kopen, was onmogelijk in Port Soedan. Daar was het al een hele opgave om zelfs maar een rol toiletpapier te vinden. Verder bleek het probleem met de starter niet zo heel erg ernstig te zijn; de enige kabel die in Djiboeti niet was vernieuwd, bleek een roestige verbinding te hebben en hoefde alleen maar schoongemaakt te worden. We maakten een paar keer een proefvaart door de haven om te zien hoe de schroefaskoker zich hield, maar die bleef mooi op zijn plaats zitten. De kit die we in Djiboeti hadden gebruikt deed zijn werk goed en de Varuna was weer eens in het bezit van een motor die het deed. Toen klom Olivier in de mast en ontdekte dat er verschillende tieren van de voorstag gebroken waren; we vervingen de stag door een andere en bewaarden de gehavende als reserve. Om voorbereid te zijn op woeste rukwinden bracht hij ook versterkingen aan in het want en de zalingen van de Akka en intussen leende ik de naaimachine van de Peggy en lapte onze zeilen op met stukjes zeildoek.
We zaten nu al een heel eind in april en de klok tikte maar door. Binnen zes maanden werd ik verondersteld in New York terug te zijn, vóór het winterseizoen het noordelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan onveilig begon te maken. Sinds Australië was ik steeds verder achter geraakt op het schema. Dat kwam vooral door de tegenstrijdige winden en windstiltes, problemen met de motor en omdat ik nogal eens dagen verloor door mijn eigen onwil om de zee weer op te gaan. Ik had mijn vader beloofd deze reis binnen een bepaalde tijd af te leggen en ik was vastbesloten me ook aan die termijn te houden. Maar nu hing boven alles wat we deden en elke beslissing die Olivier en ik namen in voorbereiding op de onaangename reis door de Rode Zee naar Egypte, de alomtegenwoordige bezorgdheid dat ik tijd te kort zou komen.
Na één week in Soedan was Alexio gereed en hij vertrok, gevolgd door de Christine met Henry aan boord als bemanningslid. Daarna vertrokken de Penny en de Annatria ook, zodat alleen de Akka en de Varuna achterbleven. En net toen Olivier en ik eindelijk zover waren dat we konden vertrekken, wakkerde de gevreesde wind aan tot een loeiende zandstorm van 40 knopen, die de stad, de boten en het want bedekte met een laag geel stof. Toen de wind eindelijk afnam tot een redelijke snelheid van 15 knopen, legden we op de motor de 14 mijl af vanuit de haven naar het schonere water van het Sanganeb Rif. Daar wierpen we het anker uit om de boten te kunnen schoonmaken en de aangroei van de kiel af te kunnen schuren.
De volgende ochtend huilde de wind weer met een snelheid van 35 knopen om onze oren, zodat we nog eens zes dagen voor anker moesten blijven liggen. De wind begon op onze zenuwen te werken omdat we verder niets konden doen, dan ons mentaal voorbereiden op een moeilijke reis in noordelijke richting. Tenminste, als dit een indicatie was van het weer dat we konden verwachten. Het woord ‘laveren’ heeft in de zeilwereld al een slechte klank, laat staan laveren in zo’n straffe wind en met zulke steile golven, de één na de ander.
Op 30 april zwakte de wind af tot 20 knopen en gedurende de eerste periode van vierentwintig uur kwamen we 40 mijl vooruit. De lucht was de tweede avond vol ‘staartwolken’. Olivier wees ernaar en riep me over het water toe dat die wolken meestal stormwinden voorspelden. En ja hoor, bij het aanbreken van de volgende dag droegen de golven schuimkoppen, opgeklopt door de woedende windstoten waar we al voor gevreesd hadden.
Draaikolken of niet, ik zette de kleine stormfok op die Olivier me in Djiboeti had gegeven, en met driemaal gereefd grootzeil begonnen de Varuna en de Akka moeizaam te laveren. Dag in dag uit, twee weken lang, voortdurend op de uitkijk voor tankers en vrachtschepen, kwamen we langzaam vooruit in die zware zeegang. Stukje voor beetje passeerden we Jedda, in Saoedi-Arabië, hoewel we soms maar tien mijl per dag in de goede richting gingen. De wind was óf krachtig, of zéér krachtig en van tijd tot tijd, wanneer het even mogelijk was, verwisselde ik het derde bindrif voor het tweede of vice versa, waarbij het zeil bijna aan flarden ging.
Zoals het nu was, was het grootzeil in zo’n slechte staat dat er met gemak gaten in vielen wanneer ik ergens met mijn vingers te veel spanning op uitoefende. De helft van de tijd bracht ik door met scharen, plakkertjes en stukjes zeil onder mijn voeten, en naald en draad tussen mijn tanden, me vastklampend aan het hellende dek, terwijl de golven over me heen sloegen. Na al het oplappen ontdekte ik dat naaien de situatie alleen maar verergerde, omdat het zeil dan langs de naden begon te scheuren. Terwijl ik de opgelapte gaten ook weer oplapte, hoopte ik uit de grond van mijn hart dat mijn vader mijn laatste brief uit Soedan had ontvangen, zodat er in Suez een nieuw zeil op me zou liggen wachten.
Regelmatig koken was onmogelijk. De Varuna maakte zoveel slagzij, dat ik meer tijd kwijt zou zijn aan het opdweilen van het gemorste eten dan met het opeten ervan. Wanneer ik me te zwak voelde om nog verder te kunnen, kookte ik wat rijst, tonijn en tomatenpuree en deelde dat met Tarzoon. Vroeg in de ochtend klauterde ik in mijn vochtige bed, hopend even te kunnen slapen, terwijl de Varuna slingerde en tegen een muur van water opbotste. Aan dek werd ik verblind door het stuivende water dat van de steile golfkoppen afkwam en zich onderweg vermengde met het zand dat de huilende wind met zich meedroeg. Soms was het zicht goed en soms, met stofstormen vanaf het land, kreeg de horizon een vuilgele tint. We zetten koers naar het oosten en naar het westen, van kust naar kust, tussen de naar het noorden en het zuiden varende schepen, en zo nu en dan ging dat allemaal maar nét goed. Terwijl de schoorstenen voorbijgleden, zag ik aan bakboord de Russische Hamer en Sikkel, de Japanse Rijzende Zon en het rood, goud en groen van de Afrikaanse landen en aan stuurboord Arabië.
Wanneer mijn angsten en frustraties weer eens een hoogtepunt bereikten, liet ik al mijn opgekropt venijn los op de Rode Zee. Het is bijna niet te geloven hoe heerlijk ik me voelde na zo’n hysterische, vulgaire scheldpartij. En de zee brulde even hard terug terwijl ik in de kuip stond te schreeuwen en te vloeken tegen alles wat ik tijdens deze reis zo haatte. Vanuit zijn plekje in mijn kooi beneden hoorde Tarzoon het met filosofisch plezier aan, totdat het eindelijk zover was dat ik zelf ook plezier kreeg in die uitbarsting. Nadat ik me zo had laten gaan, kon ik heerlijk ontspannen tegen mijn vriendje aankruipen, totdat de ellende zich weer helemaal opnieuw ophoopte en de zee een nieuw hoogtepunt van kwaadaardigheid bereikte.
In vogelvlucht is het 250 mijl van het Sanganeb Rif naar Ras Banas, onze eerste geplande aanlegplaats in de territoriale wateren van Egypte. Na twee weken zigzaggen tegen de wind in, had de Varuna zeker 1000 mijl afgelegd, maar eindelijk zag ik op een ochtend bij het ontwaken het eilandje dat ons de weg wees naar de haven. Terwijl we onze aanlegplaats naderden, nam de wind af tot hij helemaal verdwenen was. En de twee dagen die we hadden uitgetrokken om te rusten, blééf het ironisch genoeg zo rustig.
De Akka en de Varuna arriveerden tegelijk met een bekende boot, de Broad uit Sri Lanka. Snel legden Olivier en ik onze boten vast en sprongen toen in de dinghy om ze daar te gaan begroeten. Na alle ellende van de overtocht was het een weldaad om weer wat oude vrienden te zien, vooral Dean en Faye, aardige mensen met veel gevoel voor humor. Dean, een Amerikaan van voor in de zestig, en zijn Australische vriendin Faye waren zojuist aangekomen uit Jedda en we vertelden elkaar wat we allemaal hadden beleefd sinds we die rustige Indische Oceaan achter ons gelaten hadden.
Olivier en ik herinnerden ons dat Dean ons over zijn romance met Faye had verteld toen we drieëneenhalve maand geleden in Sri Lanka bij Don Windsor en zijn zoon op mijn vader hadden zitten wachten. Dean was in gezelschap van familie en vrienden op de Broad naar Australië gevaren en in Brisbane had hij Faye ontmoet. Ze was ongeveer even oud als hij en werkte als serveerster in een restaurant daar. Hij nodigde haar uit met hem mee te gaan. Zij gaf al haar kamerplanten weg en samen trokken ze eropuit om de wereld te zien, met achter zich aan hun dinghy, de Tender Broad genaamd. Hier in Ras Banas ontfermden ze zich over ons. Dean vulde mijn lege koffiebus en schonk ons een paar blikken gerookte oesters, een ware delicatesse. Intussen bakte Faye een cake en brood, wat ons heerlijk smaakte nadat we het zo lang alleen met het hoognodige hadden moeten doen.
Een paar Egyptische soldaten nodigden ons uit voor thee en een etentje in hun eenvoudige barakken op het strand. Omdat het ons verboden was het binnenland verder in te gaan zonder de nodige visa, stonden zij erop ons te helpen met het inslaan van proviand. Eén man fietste bijna acht kilometer naar het dichtstbijzijnde dorp om boodschappen voor ons te doen. Na alles wat we hadden gehoord over de wettelijke rompslomp en moeilijke toestanden bij de Egyptische bureaucratie waren die aardige soldaten van Ras Banas een gouden vondst. De negatieve berichten die via andere boten tot ons waren doorgedrongen, waren waarschijnlijk afkomstig van het soort mensen dat overal slechte ervaringen opdoet.
Ons doel was Hurghada, gelegen aan de meest zuidelijke punt van de Golf van Suez, dat leidt naar het kanaal. We waren allemaal van plan Egypte daar officieel binnen te komen. We namen afscheid en na iedereen een goede wind gewenst te hebben, zeilden Olivier en ik, samen met de Broad de haven uit. Daarna gingen we uit elkaar. Terwijl we naar Ras Toronbi in het noorden koersten, smeekte ik mijn grootzeil: ‘Alsjeblieft, hou het alsjeblieft vol tot Suez.’ In de verte reden Egyptische soldaten op kamelen langzaam over de zandvlaktes.
’s Nachts, wanneer de wind was gaan liggen en we op motorkracht verder voeren, werd alles klam van het vocht. Dat verzamelde zich op het grootzeil, droop naar beneden en druppelde op mijn hoofd terwijl mijn handen zich om de helmstok klemden en gevoelloos werden door het voortdurende trillen van de motor. Tarzoon haatte dat grommende monster en verborg zich onder een zeil in de boeg, zo ver mogelijk van het lawaai. Ik bleef alleen en nat achter in de kuip.
Ik bleef zo dicht mogelijk onder de kust en staarde onophoudelijk naar de voorbij glijdende spookachtig grijze bergen die de Rode Zee omringden; ze zagen er onherbergzaam en kaal uit, zonder een enkel grassprietje. Ik nam aan dat de oude farao’s daar hun ideeën voor het bouwen van hun piramides vandaan haalden. Bijna elke bergtop zag eruit als een monsterlijke driehoek, en dat beeld was ontzagwekkend genoeg om de spanning van de laatste dagen te verdrijven terwijl we wachtten op het draaien van de wind. Olivier en ik sliepen onrustig en met korte tussenpozen in een poging elkaar in de gaten te kunnen houden. Maar het bleek onmogelijk om je te ontspannen met de kust en de gevaren daarvan zo dichtbij.
Eindelijk bereikten de Varuna en de Akka het vissersplaatsje Hurghada en we lieten nogmaals het anker vallen in een islamitisch land terwijl vanaf een nabijgelegen moskee de gebruikelijke oproep tot het gebed opsteeg. Die nacht brak de lijn waaraan Oliviers dinghy vastzat. En mét de roeiboot verdwenen ook mijn lievelingsschoenen terug in de richting van de Rode Zee.
Ik had het in Port Soedan al benauwd gekregen, maar nu werd de situatie door het verlies van tijd nog nijpender. Om vóór november 1987 in New York aan te kunnen komen, zou ik de Atlantische Oceaan moeten oversteken midden in een periode waarin zich veel stormen voordoen. En met iedere dag die ik aan land doorbracht, werd het risico groter. Door dat slakkegangetje waarmee we de Rode Zee doorkruist hadden, was er vanaf nu geen tijd meer te verliezen, en zelfs de meestal zo kalme Olivier begon zich zorgen om mij te maken. Na onszelf in Hurghada een paar dagen rust gegund te hebben, namen we brandstof in. Daarna voeren we door de van riffen wemelende ingang van de Straat van Glubal en zetten onze tocht voort door de 200 mijl lange flessehals die de Golf van Suez in feite is.
De eerste dag werden we teruggeslagen door de harde wind. Toen de duisternis inviel hadden we nog maar tien mijl afgelegd en lieten we het anker vallen op een plek in de beschutting van een rif. De volgende dag kropen we nog eens tien mijl vooruit in die windtunnel en we gingen voor anker bij de hoefijzervormige zandbanken van het eiland Tawila. We bevonden ons nog steeds in de Straat van Glubal en bleven daar een dag liggen tot de wind wat afnam.
Op Tawila wandelden we voor de laatste keer over ongerepte stranden en raapten schelpen op van het schitterende zand. Nooit meer, dacht ik verdrietig, zou ik na zo’n idyllisch mooie ochtend naar de zacht op het water deinende Varuna terug roeien, terwijl de elegante vormen van mijn boot zich in het wateroppervlak weerspiegelden. Van nu af aan zou ik slechts korte stops maken in de verschillende havens van de Middellandse Zee, terwijl het water van die zee trouwens toch stijf stond van de vervuiling. Nadat we het Suezkanaal eenmaal gepasseerd waren, zou ons hele levenspatroon overschaduwd worden door het commercialisme van Europa. Achter het kanaal lag het vasteland van Europa, mijn laatste etappes en thuis.
De volgende ochtend begon rustig, maar toen we op motorkracht van onze aanlegplaats wegvoeren, raakte mijn motor oververhit en barstte er een brandstofleiding open, waardoor zwarte rookwolken omhoog stegen. Olivier kwam terug en sleepte de Varuna vijf mijl naar de volgende aanlegplaats, waar we wat noodreparaties uitvoerden.
De ene keer voeren we op de motor, de andere keer op de zeilen, maar de laatste twee nachten voer ik als een robot voor de Akka uit, voorbij de olieplatforms, die overal als grote dozen op stelten in de golf staan; de vlammen van de afvoerpijpen zetten de nacht in een onwerkelijke, roze gloed. Het flakkerende licht weerkaatste op het witte dek van de Varuna. Met moeite probeerde ik wakker te blijven en het mastlicht van de Akka achter me in de gaten te houden. Boven ons hoofd trokken onzichtbare zwarte wolkensluiers langs de hemel.
De laatste dag was ik beneden bezig een kop koffie klaar te maken. Ik had de afgelopen anderhalve dag bijna om het uur de koers bijgesteld, en nu opeens deed de Varuna dat op eigen houtje. Dat was me nog nooit overkomen en ik ging snel aan dek om te zien wat er aan de hand was. De Monitor windvaanstuurinrichting zat nog steeds aan de helmstok vast, en ik zag niets dat erop wees dat iets niet in orde was. Dus schakelde ik de windvaan weer in, maar toen gebeurde het opeens wéér. Op mijn buik over de hekstoel hangend bestudeerde ik het apparaat van dichtbij en opeens zag ik wat er aan de hand was. Het had niet erger kunnen zijn.
Het meest essentiële onderdeel van het mechanische systeem, het roerblad, was afgebroken vlak boven de vanglijn die juist bedoeld was om hem aangesloten te houden wanneer er zoiets als dit zou gebeuren. Vloekend zette ik de motor aan en ging dezelfde weg terug die ik gekomen was, onderwijl het wateroppervlak afzoekend. Ik kon me niet veroorloven zo’n belangrijk onderdeel kwijt te raken en het zou eindeloos kunnen duren wanneer ik in Egypte op een nieuw zou moeten wachten, want ik had er niet een in voorraad. Mijn windvaan was een onmisbaar lid van mijn bemanning, die de besturing van de boot zonder ooit moe te worden van me overnam en ik moest er niet aan denken om zonder de Monitor de zee op te gaan. Wat een opluchting was het om het missende deel een paar honderd meter terug in het water te zien drijven! Ik schepte het uit het water en mijn toekomst als zeezeiler was weer verzekerd.
De Akka kwam langszij varen en ik vertelde Olivier wat er was gebeurd. Omdat ik niet in staat was het provisorisch te repareren, zou ik de boot voor de rest van de reis met de hand moeten besturen. ‘Luister, Tania,’ riep hij me over het water toe, ‘we zijn bijna bij onze laatste ankerplaats. Ik denk dat ik het wel kan maken, maar wil je voor vannacht stoppen?’. We hadden ruim dertig uur niet geslapen; maar als we verder gingen, zouden we daar om drie uur de volgende ochtend arriveren.
‘Nee, laten we maar doortuffen.’
Zonder ons te laten verleiden om wat te rusten of iets te eten, voeren we dus verder, aangespoord door ons verlangen de Rode Zee zo snel als maar enigszins mogelijk was achter ons te laten. Op 14 juni, om drie uur’s morgens, tufte de Varuna langs de immens grote tankers die lagen te wachten tot ze het Suezkanaal door konden, en zocht ik de aanlegplaats voor de kleinere boten op. Nadat ik het anker had laten vallen en alles nog even had nagekeken, roeide ik naar de Akka en liet me daar in een kooi zakken. Olivier gooide een deken over me heen en binnen een paar minuten vielen we allebei als een blok in slaap. Die ellendige Rode Zee was nog slechts een herinnering.
Er stonden in Suez twee levensgrote kisten van mijn vader op me te wachten. De inhoud bestond uit het nieuwe grootzeil, een toplicht, een Autohelm elektronische stuurautomaat, kant-en-klare maaltijden, zakken snoep en chocolade, boeken, brieven en een zaklantaarn. Wat een geluk dat mijn brief uit Soedan op tijd was aangekomen! De ochtend na onze aankomst neusde ik dolgelukkig door die hoorn des overvloeds. We huurden de agent die nodig was om in Suez het schrijfwerk voor ons op te knappen, en Abdul Manam Asukar was zo vriendelijk de benodigde formulieren in recordtijd voor ons klaar te maken. Hij zorgde ervoor dat het roerblad van de Monitor weer vastgelast werd en hij stond er zelfs op ervoor te zorgen dat onze was gedaan werd. Zijn vrouw, Asma, en zijn dochter, Didi, nodigden ons uit voor een diner bij hen thuis. Het eten bestond uit kip en hummus, en we voelden ons meer als welkome vrienden van de familie, dan als een paar zeilers op doorreis die betaalden voor bewezen diensten.
Een paar dagen later hadden Olivier en ik de brandstofleiding van de Varuna gerepareerd en de filters van de Akka vervangen. We vulden mijn voorraad gereedschappen weer aan en toen waren de boten klaar om het kanaal door te gaan. Dean en Faye waren wat later gearriveerd dan gepland was vanwege de oude motor van de Broad, die nodig vervangen moest worden. Met z’n vieren gingen we voor het laatst nog een keer uit eten. Voor ze naar Port Said vertrokken zou hun motor gerepareerd moeten worden, en dat zou waarschijnlijk nog wel even duren, dus leek het erop dat we afscheid van elkaar zouden moeten nemen. Trouwens, Faye vertelde dat ze hoe dan ook naar de kapper wilde en ook nog Cairo wilde bezoeken. Met de belofte elkaar te schrijven en iedereen een goede reis toewensend, namen we voor de zoveelste keer afscheid en gingen terug naar de boten. Vóór ik die nacht in slaap viel, bedacht ik nog dat ik wanneer ik zestig was hetzelfde zou willen als zij, zorgeloos ronddobberen over de oceaan en leven bij de dag.
Anders dan bij het Panamakanaal, zijn de 120 mijl van het Suezkanaal verdeeld in twee dagen tuffen over een kanaal dat uitgegraven is in de zandduinen die Azië van Afrika scheiden. Toen we de volgende morgen van start gingen, zag ik overal langs de kanten van het kanaal de uitgebrande oorlogsbuit liggen van de Zesdaagse Oorlog tussen Israël en Egypte. Die stille getuigen deden me denken aan een verhaal dat Asma ons had verteld over hoe de vijand Port Suez had bedreigd. Het kanaal zelf is maar een paar honderd meter breed, en vanuit Asma’s raam had ze de Israëli’s zien aankomen. ‘Ik moest Didi in mijn armen omhoog houden,’ had ze verteld, ‘om hun te laten zien dat ik een baby had, zodat ze ons huis niet zouden beschieten.’
Het was moeilijk te geloven dat Port Suez een stad was die nog maar zo kort geleden tijdens een oorlog belegerd was en waarvan de meeste bewoners hadden moeten vluchten. Port Suez had gewoon een moderne versie van Port Soedan geleken. De mensen hier hebben meer Arabisch bloed dan de Soedanezen, maar ze willen geen Arabieren genoemd worden. ‘Wij stammen af van de farao’s,’ hield één van hen ons voor. In tegenstelling tot de kleurige kledij van de Soedanezen, zijn de sluiers die de Egyptische vrouwen plegen te dragen meestal zwart. De meeste mannen dragen westerse kleding, bestaande uit een pantalon en een overhemd. We gingen verder, met spijt in ons hart omdat het enige dat we van Egypte te zien kregen de buitenwijken waren van een paar van de drukste zeevaarthavens ter wereld. Port Said in het noorden en Port Suez aan de zuidelijkste punt van het kanaal.
In Port Said ontmoetten we een stel op een Zwitserse boot die de andere kant opgingen, via de Rode Zee naar de Filippijnen. Morris, de kapitein, zag er wel wat tegen op en hij was, net als ik twee jaar geleden, niet echt vertrouwd met de oceaan. Olivier en ik brachten een paar dagen met hem door en met zijn vriendin, Ursula. We gaven hun kaarten, boeken en advies. Ursula vroeg om instructies voor het maken van berekeningen bij de astronavigatie en ik was maar wat trots dat ik in staat was haar daarbij te helpen. Als dank daarvoor maakte Morris, die kok was, gastronomische heerlijkheden voor ons klaar met gedroogde champignons en één keer zelfs een sappige biefstuk. Ik was dunner dan ooit en blij met de calorierijke maaltijden die we deelden met onze vrienden.
Ursula en Morris verloren in de dagen die we samen doorbrachten hun hart aan Mimine. Ik bekeek mijn routes over de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan en bezorgd om het gebrek aan ruimte op de Varuna stond ik met enige tegenzin toe dat zij Mimine adopteerden. Ze vroegen een lijst van wat ze het liefste at en maakten een bedje voor haar. klaar. Wetend dat ze het goed zou krijgen bij haar nieuwe baasjes, gaf ik hun haar wekelijkse anticonceptiepillen met vitaminen en kattesnoepjes. Op vrijdag 3 juli namen we afscheid van Morris, Ursula en Mimine en zetten koers vanuit Port Said naar Malta in de Middellandse Zee, 1000 mijl naar het noordwesten.
Ik was niet bang dat we de goden trotseerden door op deze vrijdag te vertrekken – de eerste keer dat we op een vrijdag vertrokken na dat rampzalige vertrek uit Mooréa – want het was ook nog eens Oliviers verjaardag. Zijn geboortedag kan ons onmogelijk ongeluk brengen, dacht ik.
Onder een verblindende zon koersten we recht tegen een stevige tegenwind in en de Varuna maakte zo’n 20 graden helling. De omstandigheden waren zoals ik had verwacht, maar ik hoopte dat het gedurende de rest van de dag beter zou worden. Bij het vallen van de nacht was de wind iets gaan liggen, maar hij stond nog wel pal tegen, en ik was doodmoe van het laveren en de wetenschap dat we na een zware dag weer eens nauwelijks vooruitgekomen waren. We bevonden ons nog steeds op een drukke route van schepen die op weg waren naar het Suezkanaal.
De tocht over de drukke route door de Rode Zee had mijn zelfvertrouwen wat de besturing betrof wel goed gedaan. Natuurlijk was het zo nu en dan maar op het nippertje goed gegaan. Maar de Varuna had het nog steeds overleefd, dus ik nam aan dat de radarreflector zijn werk deed, samen met de felle lamp aan de achterstag die het dek en de zeilen verlichtte. Ik dacht dat de Varuna voor iedereen goed zichtbaar was, maar dat was een vergissing.
’s Avonds, na de hele dag in de kuip of de uitkijk gezeten te hebben, begonnen mijn tanden te klapperen. De avondnevel omhulde de Varuna met klamme vochtigheid, en ik stond aan de buiskap de wazige horizon af te zoeken. Het scheepvaartverkeer was net even rustig, de schepen die ik wel zag kwamen mijn kant niet uit en dus ging ik naar beneden om koffie te zetten vóór ik weer contact maakte met de Akka. Het was kwart voor negen en Olivier en ik hadden afgesproken op het hele uur bij elkaar te komen.
In de gloed van de kerosinelamp verwarmde ik het water voor mijn koffie. Ik schepte een paar lepels melkpoeder en suiker in mijn blauwe beker en goot het water erop, waarna ik me eens lekker uitrekte en een slok nam. Mijn benen en billen deden zeer van het op mijn hurken zitten in de kuip. Ik had de hele dag klaar gezeten om de helmstok te pakken voor het geval er een schip ontweken moest worden, en ik droomde even weg over Malta en de exotische klank van die naam…
Een schetterende scheepshoorn en het rommelende geluid van draaiende scheepsschroeven rukte me uit mijn dromerij en ik schoot het dek op. Met mijn ogen knipperend in de duisternis keek ik omhoog en zag daar de nachtmerrie van iedere zeiler. Op nog geen tien meter afstand stevende de torenhoge romp van een immens containerschip op ons af.
‘O, mijn God!’ Ik snakte naar adem. ‘Dit is het.’ Het moment was eindelijk aangebroken. Mijn eerste reactie was de motor aan te zetten. Maar daar had ik niet genoeg tijd voor! Moest ik dan mijn pas pakken en met Tarzoon overboord springen? Of kon ik de stuurautomaat bijstellen en tegen de wind oploeven? Nee, met het loskoppelen van de automaat zou ik kostbare seconden verspelen. Hoe dan ook, geen van deze briljante ideeën drong in mijn haast goed genoeg tot mij door. Alles smolt samen in de verwarring van het moment en ik kon alleen maar toekijken hoe het monster, nog steeds toeterend, die minieme afstand tussen ons aflegde.
‘Het spijt me, Mr. Tarzoon,’ schreeuwde ik naar mijn vriendje. De boeg van het schip passeerde ons op drie meter afstand en de Varuna sprong in het rond in de zijdelingse golfslag, veroorzaakt door een waterverplaatsing van duizenden tonnen. Toen de muur van het middenschip voorbij-gleed en daarna, nog steeds zonder ons te raken, het achterschip durfde ik te hopen dat we het zouden overleven. Mijn mond hing wijd open toen er bij de voorsteven iets knapte, gevolgd door een luide ploink.
De mast van de Varuna werd naar achteren gerukt en de fok klapperde vrij in de wind. Iemand scheen met een lantaarn op ons neer en er werd iets onverstaanbaars geschreeuwd terwijl de Arabische letters op de achtersteven geleidelijk kleiner werden. Wij bleven achter in de duisternis.
Ik rende naar voren en ontdekte tot mijn grote schrik dat de roestvrijstalen voorstag doorgesneden was en dat de fok er los bij hing. Als hij niet door de schoten en vallen was vastgehouden, was ik hem kwijt geweest. De ramp die het verlies van de mast betekende was ons bespaard gebleven dank zij een andere val, die ik in de Rode Zee aan de ankerrol had vastgezet als extra veiligheid voor het geval de voorstag zou breken. Achteraf bezien had ik, zelfs als ik niet zo verlamd van schrik was geweest, toch nauwelijks de tijd gehad om de helmstok los te zetten en recht in de wind te koersen om zo een ramp te vermijden. Tarzoon en ik mochten blij zijn dat we nog leefden.
Vlug haalde ik het grootzeil en de fok neer om te voorkomen dat er nog meer spanning op de mast zou komen staan en ik probeerde een noodwant op te zetten. Toen ik de lamp van de Akka in de verte ontdekte, zette ik de motor aan en tufte naar Olivier die in de kuip op de uitkijk stond.
‘Olivier, Olivier,’ schreeuwde ik. ‘Ik ben net geraakt door een schip.’ Ik was als een klein kind, zó opgewonden en blij dat me een grotere ramp bespaard was gebleven en de adrenaline joeg door mijn bloed.
‘Mankeer jij niets?’ was zijn eerste zorg.
‘Nee, nee. Maar de voorstag ligt helemaal in tweeën. Ik denk dat ik naar Port Said terug zal moeten.’
‘O, nee,’ riep hij uit. ‘Dat kunnen we niet doen. Dan zitten we nóg een week vast in die godvergeten smerige haven en kunnen we weer eindeloos formulieren gaan zitten invullen. Weet je zeker dat het hier niet gerepareerd kan worden?’
Ik weet het nog niet,’ zei ik. ‘Maar als het me niet lukt een goed noodwant op te zetten, dan ga ik terug. Ik kan het zelf niet repareren.’
‘Wat dacht je,’ antwoordde Olivier, ‘dat ik je dat alleen laat opknappen? Ik sta gewoon te popelen om op mijn verjaardag een nat pak te halen om jou te helpen met een noodreparatie aan je voorstag. Kom me maar halen.’
In de afnemende wind tufte ik tot vlak bij de Akka en gooide Olivier een lijntje toe. Hij sprong, miste en het eind van het liedje was dat hij naar de Varuna toe moest zwemmen. Zittend op het rollende dek met mijn gereedschapskist bekeken we de oude halfgebroken voorstag die we in Port Soedan hadden vervangen, en gebruikten die in plaats van de kapotte. We haalden het draad door de gaten in de masttop, trokken het verder door en maakten het toen, met een stel kabelklemmen aan het andere eind, vast aan de spanschroef in het dek. Nu de zee wat kalmer was, was dit allemaal op zich niet zo moeilijk. Omdat de boot heen en weer zwaaide was het wel ijzig tot boven in de mast te klimmen om het draad voor de nieuwe voorstag door de masttop te rijgen, maar na een uur was het voorbij. Olivier was terug op de Akka en dik ingepakt in truien en sokken gingen we weer op weg. Tot het aanbreken van de dag bleef ik klaar wakker; zelfs de twinkeling van lichtjes op een schip in de verte bezorgde me hartkloppingen.
Een week lang voeren we in noordelijke richting tot in de verte de purperen bergketens van Turkije oprezen aan de horizon. Toen stelden we onze koers weer bij, we passeerden Rhodos en voeren over een kalme zee langs Kreta, dat de wind voor ons opving die vanuit de Egeïsche Zee woei.
Ik was heel voorzichtig met de Varuna en probeerde het want niet te veel onder spanning te zetten. We waren doodmoe van het constant op elkaar letten en omdat onze brandstofvoorraad ook opraakte, besloten we uiteindelijk in Loutros te stoppen. Een verstandig besluit voor het voortbestaan van onze relatie. Iedere keer wanneer we tijdens de laatste twee dagen de boten vlak naast elkaar stuurden, hadden we elkaar de kop wel willen inslaan wanneer één van ons al was het maar vijf minuten langer was blijven slapen tijdens de wacht van de ander, en ook maar enigszins van de afgesproken koers was afgedreven. Loutros was het laatste dorpje aan de zuidkust van Kreta waar we proviand konden inslaan, wat konden rusten en alles weer eens even op een rijtje konden zetten.
Laat in de middag van de 15de juli, na een nacht zeilen met nu en dan harde windstoten vanaf de bergen, lieten we het anker vallen in de mooie baai van Loutros, die eruitzag als een openluchtgrot van steile kliffen en lichtblauw en groen water. Langs de rand van de haven kleefden een handjevol witgekalkte huizen tegen de rotsen. Toen we aan wal gingen bleken de meeste van die huizen pensions te zijn terwijl de rest, met hun geruite tafelkleedjes, tavernas bleken te zijn.
Op het eerste terrasje dat we op de kade tegenkwamen dronken we pistachemilkshakes uit hoge glazen en ontdekten daar dat de enige manier om Loutros te bereiken de veerboot was. Auto’s waren er niet, en dus ook geen diesel. Olivier en ik vonden het vreselijk komisch dat we het anker hadden laten vallen in zo’n onpraktisch ingerichte haven, maar we moesten onze plannen dus wel wijzigen. We besloten de volgende dag de veerboot te nemen naar een ander dorp. We zouden jerrycans meenemen, die met diesel laten vullen en ze daarna terug naar de boten sjouwen.
In de tussentijd maakten we gebruik van de situatie en zwierven over het rotsachtige strand, genoten van de sfeervolle Griekse tavernas en bekeken de jonge vakantiegangers om ons heen, met de nieuwste kapsels, kleding en trends. Er liepen moderne punkers rond met een hanekam, aan lager wal geraakte bohémiens, rijke Amerikaanse meisjes met twee horloges aan hun arm, giechelend en met z’n allen zich om één man verdringend, en meer gewone Europese families en stelletjes op vakantie. Het was een heerlijk weerzien met de westerse beschaving en we keken onze ogen uit. Het was gek, maar in onze ogen zagen ze er allemaal even vreemd uit als de Balinezen in hun sarongs en de mensen in Sri Lanka met hun roodgevlekte tanden van het betel kauwen, nog maar een paar zeeën geleden.
Nadat we het onderwaterschip van de boten hadden schoongeschrobd, vertrokken we in de ochtend van de 18de juli naar Malta, 580 mijl naar het westen. Olivier en ik gingen al snel na ons vertrek uit elkaar en die avond voelde ik een zekere opluchting om weer alleen te zijn. Ik kende Olivier nu goed genoeg om te weten dat hij waarschijnlijk hetzelfde voelde. Wanneer we samen voeren, was er steeds de druk van het wachtlopen en de constante angst elkaar kwijt te raken. Nu dat niet meer meespeelde, was het alsof er een last van mijn schouders viel. Ik was die idyllische dagen alléén op zee gaan missen. Ik zeilde met de Varuna voorbij de luwte van Kreta en er stak een zachte bries op, die bij ons zou blijven tot ik, op een dag varen vanaf Malta, weer helemaal gewend was aan het alleen zijn en de zee.
Alles ging goed aan boord, alleen maakte mijn knagende angst voor tankers dat de weelde van een hele nacht lekker doorslapen tot het verleden behoorde. Terwijl de Varuna westwaarts ploeterde en de dagen voorbijgingen, piepte een wekker me om het halve uur wakker om de horizon af te speuren. Maar deze oplettendheid werd wel beloond. Op een ochtend stapte ik de kuip in en zag een olietanker recht op de Varuna afkomen. Snel schakelde ik de motor in en maakte dat ik wegkwam. Toen hij me op een afstand van zo’n meter of tachtig passeerde, riep ik hem aan via de VHF. Ik wilde, om mezelf gerust te stellen, weten of ze de Varuna eigenlijk wel hadden gezien.
‘Hallo,’ zei ik toen de marconist antwoordde. Tk ben de kleine zeilboot aan stuurboord van jullie. Kunnen jullie me zien?’
‘Wacht even. Dan ga ik kijken,’ was het antwoord. Hij had me niet gezien! Nou, ik zou geen rust meer hebben tijdens de tocht over de Middellandse Zee.
Op de ochtend van de 24ste juli verrees Malta met zijn uit de rotsen gehouwen stad boven de horizon, en tegen het middaguur voer ik op de motor voorbij de muren, gebouwen en forten de haven van Valletta binnen. Langs de kade lagen zeilboten in rijen aan elkaar vastgebonden, en in het midden ontdekte ik de witte masten en de zwarte romp van de Akka. Blij verrast dat hij hier vóór mij was aangekomen, riep ik Oliviers naam maar ik kreeg geen antwoord. Er was nog wat ruimte naast de Akka en daar koerste ik op aan. Ik legde de stootkussens en de landvasten klaar. Terwijl ik de Varuna vastlegde, realiseerde ik me dat dit mijn voorlaatste aanlegplaats was vóór ik weer thuis was. Als alles goed ging, zou de laatste Gibraltar zijn, de poort naar de Atlantische Oceaan.
Ik borg de zeilen op en ruimde de rommel in de kuip op. Daarna babbelde ik wat met mijn buurman tot ik Olivier vanaf de kant hoorde roepen. Blij sprong ik overeind en toen ik naar de kade keek zag ik iemand naast hem staan die mij vaag bekend voorkwam.
Hmmm, vroeg ik me af, wie is dat? Ik ken die vent ergens van. Toen drong het tot me door. O, mijn hemel, het is Tony!
‘Hee, zusje!’ reageerde hij grijnzend. Ik sprong over alle relingen, steunen en meerkabels heen die me van de kust scheidden en omhelsde mijn broer. Het onzekere jongetje met zijn beatlehaar had nu nota bene een baard en was een stuk groter dan ik.
‘Goeie genade, Tania,’ zei hij, ‘pap vertelde me dat je mager was, maar dit had ik niet verwacht. Hij heeft me als verrassing hierheen gestuurd, om jou een beetje vet te mesten en om je een nieuwe voorstag te brengen.’
Ik keerde me naar Olivier en sloeg mijn armen om hem heen. Tony had twee weken in zijn hotelkamer zitten wachten. Dagelijks was hij langs de haven gekomen om te zien of we er al waren. Mijn vader had hem verteld ook naar een zwarte kits uit te kijken, en zo had hij die ochtend Olivier gevonden. Olivier had al gedoucht en samen waren ze naar Tony’s hotel gegaan om zijn kamer te annuleren. Hij kon meteen aan boord blijven.
En wie kwam er vervolgens langs? Niemand anders dan Alexio, die we na Port Soedan niet meer hadden gezien. Hij was samen met zijn vriendin die hem vanuit Brazilië was komen opzoeken. In de tijd die het ons had gekost om van Port Soedan naar Malta te komen, had Alexio een paar weken in zijn geboorteland, Rusland, doorgebracht en hij had een paar weken langs de Griekse eilanden gecruist. Even later kwam nóg een andere zeilvriend uit Sri Lanka langs om ons in Malta welkom te heten. Die eerste avond liep uit op een opgewekt samenzijn van oude vriendenen familie, met Olivier en mij als bindende factor. Iedereen had verhalen te vertellen over leuke en nare dingen die ze op zee hadden meegemaakt, en dat vertellen deden we onder het eten. Niets maakt het relaas van een ongelukje of een smerige storm smeuïger dan het opnieuw te vertellen aan mensen die elkaar maanden niet hebben gezien.
Tijdens onze vier weken op Malta hing er maar één wolkje aan de stralend blauwe lucht en iedere keer weer bedierf het mijn stemming wanneer ik eraan dacht dat ik Olivier hier zou moeten achterlaten. Olivier had zijn wereldreis erop zitten, hij was hier in Malta om de Akka op te kalefateren en hem bij zijn eigenaar af te leveren. Ja, we spraken elkaar moed in, we wisten dat het maar voor twee maanden was, totdat ik mijn reis afgerond had. Hij zou naar Zwitserland terug vliegen en daarna, als alles goed ging, naar de States. Maar we waren bijna een heel jaar bij elkaar geweest, behalve dan de tijd die we op zee doorbrachten, en er konden nog zoveel dingen fout gaan. Het viel moeilijk te ontkennen dat het moeilijkste deel van mijn reis, het naderende winterseizoen op de Atlantische Oceaan, nog vóór mij lag.
’s Nachts, voor we in slaap vielen, praatten we vaak over de zee, wat er daar allemaal kon gebeuren en wat we zouden doen wanneer het inderdaad gebeurde. Het ongeluk met Len had me geleerd het leven niet klakkeloos te aanvaarden. En na zo vaak op het nippertje ontsnapt te zijn, was ik bang dat ik mijn geluk had opgebruikt, en ik voelde me opeensheel erg kwetsbaar. De Varuna leek opeens niet meer het kleine, knusse huisje waarvan ik zo had gehouden, maar meer op een vijand die me mee zou voeren in een verloren strijd.
De spanning van de afgelopen paar maanden, het gebrek aan goed eten en voldoende slaap hadden ook lichamelijk een zware tol geëist. Ik was op de Rode Zee altijd al zo moe geweest en ik had er last gehad van zware hoofdpijnen en duizeligheid, en hier op de Middellandse Zee leek het alleen maar erger te worden. Een hevige hittegolf teisterde Europa en in Griekenland waren al heel wat oudere mensen aan de hitte bezweken. In de Maltese kranten stond dat er al zoveel lijken waren, dat ze in koelcellen opgeslagen werden, totdat er een plek was gevonden om de doden te begraven en een geestelijke tijd had om de begrafenis te leiden.
Gekweld door koorts ijldromen en rillingen lag ik dag na dag voor Pampus in een kooi op de Akka. Ik had niet voldoende energie om me te bewegen, terwijl Tony en Olivier de hordes vliegen probeerden te verjagen die overal binnenkwamen. Het kostte me de grootste moeite overeind te komen om het stukje van de kade naar de douches en de stad te lopen. De hitte was claustrofobisch en alomtegenwoordig, zelfs Tony had er last van, en hij was een toonbeeld van gezondheid. Ondanks de hitte sprong hij elke ochtend na het opstaan op de fiets die Olivier in Egypte had gekocht en reed de stad in om vers brood, ham en melk voor ons ontbijt te kopen. Omdat ik bang was dat er toch iets ernstigs met mij aan de hand was ging ik ten slotte naar een dokter die me rust voorschreef, vitamines en een hoge dosis ijzer. Ik was ondervoed, zei hij, ik had bloedarmoede en leed aan algehele uitputting.
Intussen namen Tony en Olivier de Varuna eens goed onder handen. Zij-verwisselden de gebroken voorstag voor de nieuwe uit Amerika. Tony maakte een houder voor mijn accu’s. Olivier vernieuwde de motorolie en brandstoffllters en installeerde een nieuwe zekeringkast voor mijn zonnepaneel, fluorescerende lamp en een Autohelm elektronische stuurautomaat. Zo gauw ik me iets beter voelde, werkte ik met hen mee. Wanneer bij het invallen van de avond de zonnestralen in het westen verdwenen om andere landen in hun ondraaglijke hitte te hullen, liepen wij op ons gemak langs de aanlegsteiger naar een koele bar. Aan het eind van de steiger kwamen we over een brug, waaronder paarden door hun eigenaren in het zeewater werden gebaad. De Maltezers zijn enthousiaste paard- en sulkyracers en het gebeurde vaak genoeg datje ze met hun span door de straten zag rijden.
Tony bleek een gezellige prater geworden te zijn, met tal van E=MC2 theorieën over hoe we beter af zouden zijn zonder kernwapens en hoe de kleine onontdekte lapjes Aarde nog gered konden worden. Na de zomervakantie ging hij natuurkunde studeren en hij vond het heerlijk om onsmet cijfers en theorieën om de oren te slaan Onder het genot van heel wat biertjes en glazen sinaasappelsap probeerden Olivier en ik hem te overtuigen van de onwaarschijnlijkheid van al die cijfers en evaluaties.
Een plaatselijke zeilmaker maakte een nieuwe buiskap voor de kuip van de Varuna; de oude viel van ellende zowat voor mijn ogen uit elkaar. Die versleten buiskap was gevaarlijker dan helemaal geen buiskap, want ik steunde er vaak op wanneer ik tegen of opeenstuk zeildoek leunde dat die druk eigenlijk niet meer kon verdragen. Met behulp van een geleende zeereling van de kuip kon spannen, zodat ik in de toekomst wat meer beschut zat tegen het koude buiswater en de golven. De Monitor was geolied en kleine onderdelen die slijtage vertoonden, waren vervangen.
Na twee jaar zonder wasmachines was ik een expert geworden op het gebied van handwassen. Ik vulde emmers vol zeepwater en liet het goed daar een dag of zo intrekken, tot al het vuil en vet er vanzelf uitgetrokken was. Dan hoefde ik alleen nog maar een paar keer met mijn voeten in de emmer op het goed te stampen, het met veel schoon water na te spoelen en het wasgoed op te hangen aan de lijn die ik daartoe tussen het want en de voorstag had gespannen. In de hete zon duurde het maar een paar uur voor alles droog was en de volgende lading opgehangen kon worden.
Afhankelijk van de haven waarin ik lag, waren er soms voorzieningen die het werk gemakkelijker of juist moeilijker maakten. In sommige havens kon ik de emmers naast de kraan op de kade laten staan tot het tijd was om het door te stampen en te spoelen, in andere havens moest ik jerrycans vol water naar de boot slepen. Hier in Malta, met een waterslang vanaf de kade direct in de kuip van de Akka, was het nóg makkelijker. Dit kon alleen nog maar verbeterd worden door een echte wasmachine. Ik waste alle kleren van Olivier, Tony en mijzelf, alle lakens, handdoeken, dekens en dergelijke en ik boende de Varuna tot alles glom als een spiegeltje.
Veel te gauw kwam het moment dat Tony weer naar huis moest. Zijn vliegtuig vertrok vanaf Rome en dus besloten Olivier en ik hem een eindje weg te brengen. We namen de veerboot naar Syracuse op Sicilië, waar hij op de trein stapte. Bijna reisden we ook dat stuk nog met hem mee, want we zaten nog steeds in de trein toen hij al weg wilde rijden. Net op tijd sprongen Olivier en ik eraf De stationschef gaf ons een reprimande, maar ontdooide toen ik hem verdrietig uitlegde: ‘Mi brothero, afscheid genomen voor mucho tiempo.’
Terug in Malta waren Olivier en ik onafscheidelijk. Wij wilden genieten van elke minuut om zo een fijne herinnering te hebben die ons door de komende maanden heen moest helpen. We deden alles gezamenlijk. Iedere avond gingen we naar de douches en we namen om de andere dag de bus naar de stad om de post op te halen. Het lukte ons zelfs mijn nieuwe sleeplog door de douane te krijgen – een langdurige touwtrekkerij. We raakten bevriend met mijn dokter en hij nodigde ons uit voor een etentje bij hem thuis. Hij liet ons ook het dorpje zien waar de film Popeye is opgenomen – een havendorpje dat in de hoek van een kleine baai verborgen ligt en waarvan alle huizen een beetje krakkemikkig gebouwd zijn. Met de bus gingen we uit eten op andere delen van het eiland en soms gingen we’s avonds op bezoek bij vrienden op hun boten.
De ligging van Malta, midden in de Middellandse Zee, tussen Sicilië en Afrika, hield in dat het kleine eiland zich nauwelijks had kunnen verdedigen tegen de veroveringsdrang van de oude beschavingen. De bastions van de hoofdstad Valletta bestaan uit talloze forten, waarmee elk regerend rijk heeft getracht de opeenvolgende veroveraars – Mesopotamiërs, Feniciërs, Moren, Grieken, Romeinen, Engelsen en Fransen – tegen te houden. De mensen die daar wonen, de zonaanbiddende toeristen niet meegerekend, verbergen zich tijdens de hitte overdag in hun huizen. Net als wasberen komen ze alleen ’s avonds te voorschijn. Dan zitten ze in groepjes langs de kades. Wat dat betreft ademt Malta een levendige mediterrane sfeer; opa’s en oma’s, ouders, teenagers en kleine kinderen, allemaal brengen ze de avond opgewekt kletsend door.
Ten slotte werd het tijd dat we vertrokken. We hadden al drie weken stilgelegen. De Varuna was klaar, de klok tikte en ik voelde me sterk genoeg om verder te gaan. Iedere ochtend keken Olivier en ik elkaar aan en dan zei ik: ‘Nou, dan moet het maar…’ En hij antwoordde dan: ‘Ja, want voor je het weet is het winter.’ Ik kreeg dan tranen in mijn ogen en één van ons stelde het onontkoombare dan uit door te zeggen: ‘Ja, maar wat is nou één dagje meer?’ Van eerdere ervaringen wist ik heel goed dat het moeilijkste moment van het vertrek het losmaken van de landvasten is. Was dat eenmaal gebeurd, dan was ik verdwenen en de zee zou me wel helpen de open wonden te genezen. Maar het losmaken van die lijnen, of het hijsen van het anker was als een honderden meters hoge berg waar ik tegen opzag, en ik verzon wel duizend-en-één redenen om het niet te doen.
Ten slotte bestudeerde ik op een dag de routekaarten voor oktober van de Atlantische Oceaan, en toen was ik niet meer te houden. Voor de eerste keer zag ik die onheilspellende weerspatronen zwart op wit vóór me, in plaats van er alleen maar over na te denken. En dat joeg me zo’n angst aan dat ik meteen weg wilde.
We probeerden iets te verzinnen dat we tot in New York elke dag gelijktijdig konden doen, zodat we in gedachten even bij elkaar waren. Olivier stelde voor dat we allebei elke dag om precies twaalf uur Greenwichtijd een stukje uit de bijbel zouden lezen. We besloten meteen de volgende middag te beginnen met Psalm Een.
We pakten een paar dozen in met spullen van Olivier die ik aan boord van de Varuna mee naar New York zou nemen. Eén doos bevatte zijn schelpenverzameling, dierbare herinneringen aan stranden over heel de wereld. Wanneer ik een paar van die schelpen in mijn hand hield, zag ik weer hoe Olivier van de Akka afdook en met die tere trofeeën weer bovenkwam. We pakten ook zijn duikpak in en een paar truien, en hij gaf me zijn lievelingscassettes mee.
Ik keek om me heen naar de stukken koraal die ooit de wanden van de Akka hadden gesierd en nu naast de patrijspoorten van de Varuna hingen. Ik voelde me blij omdat ik wist dat een deel van hem altijd bij me zou zijn, maar ook verdrietig omdat we niet meer samen zouden reizen. De Varuna was nu het kleine vervoermiddel dat deze kostbare lading en onze hoop veilig thuis zou moeten brengen.
‘Ik beloof je niet met dit alles te zinken,’ zei ik met dichtgeknepen keel in een poging tot een grapje.
‘O, hier is nog iets.’ Hij overhandigde me twee pakjes. Op het één stond ‘Hartelijk gefeliciteerd’ en op het andere ‘Voor je eerste regenbui’. Dat was een grapje tussen ons tweeën over het genot van de eerste echte regenbui. Sinds Sri Lanka was er geen druppel meer gevallen, en we hadden ons allebei verheugd op de eerste keer.
De volgende dag, 22 augustus, huilden Olivier en ik allebei terwijl hij de landvasten voor me losmaakte. Nadat we elkaar nog eenmaal omhelsd hadden, zag ik hem door een mist van tranen met zijn roeibootje in de verte verdwijnen.
‘Sia chinta camo;’ riep ik in het Indonesisch.
‘Isuguru;’ riep hij terug in het Srilankaans.
‘Ana ahabek inta,’ zei ik in het Arabisch.
Toen eindigde hij met ‘I blong you!’ Hij glimlachte moeilijk en stak zijn hand op in een laatste vaarwel. Hoe gebroken we het misschien ook uitspraken, we hadden geprobeerd te onthouden hoe je Tk hou van je’ zei in elke taal die we tegenkwamen. Daar zouden we het een hele tijd mee moeten doen.
De afstand tussen de Varuna en de rotsachtige kust van Malta werd steeds groter, en de pijn werd zó erg dat ik bijna het roer had omgegooid en teruggevaren was. Wat deed ik in vredesnaam? Ik liet het beste achter wat me ooit overkomen was en nu zat ik hier weer alleen, met Tarzoon. Het feit dat Olivier op dezelfde oceaan en naar dezelfde bestemming voer als ik, had me steeds zoveel moed en kracht gegeven.
Het meeste plezier in de afgelopen twee jaar had ik beleefd aan het delen van de dagelijkse dingen met hem. De herinneringen, het werk, de reparaties, het winkelen en zelfs de bureaucratische rompslomp waren beter te verdragen geweest omdat we samen waren. Olivier was iemand met wie ik mijn toekomst wilde delen. Hij steunde mijn eigenzinnigheid met een onuitputtelijke voorraad geduld en liefde. Hij stond altijd voor me klaar, zonder zich te laten afschrikken door wat er ook gebeurde. Hij was mijn leraar, mijn steunpilaar, mijn schouder om op uit te huilen. Ik vroeg me af wat ik hem had gegeven om dit allemaal te verdienen. Olivier en ik hadden hetzelfde leven geleid, allebei op onze eigen boot en tóch samen, en dit afscheid betekende voor mij bijna het einde van alles.