7

Een frisse passaatwind blies over de lagune van Arué, aan de noordkust van Tahiti. Zo nu en dan bracht een windstoot enige verkoeling van die eindeloze dagen onder de tropische zon. In de stilte van de namiddag kondigde een ritmisch gepeddel de zonsondergang aan; tegen de achtergrond van een in zee dalende zon roeiden de stevig gespierde Tahitianen en Fransen hun kano’s door de lagune. Langs de kade zaten Tahitiaanse gezinnen toe te kijken terwijl ze hun Hinanos, het plaatselijke bier, dronken of vanaf de steigers hun hengels uitgooiden.

Terwijl het regenseizoen zijn laatste tranen over de naburige eilanden Mooréa, Bora-Bora, Raiatea en Huahine vergoot, kwamen en zeilden er talloze cruiseschepen langs. Omdat ze zich niet los konden rukken van de charmes van Tahiti, dat fabelachtige Zuidzee-eiland, bleven ze soms een tijdje hangen vóór ze verder trokken naar nog niet zo door toeristen ontdekte eilanden.

De Varuna, afgemeerd aan een verlaten steiger, werd mijn vredig toevluchtsoord. Ik had me erop ingericht dat we daar een tijdje zouden blijven liggen. Boven het voorluik had ik een nieuw geel met blauw windscherm gespannen zodat de passaatwind de kajuit in kon blazen. Deze natuurlijke airconditioning was een hele verbetering vergeleken bij de benauwde lucht waarin het zweet me constant uitbrak.

De eilanden Tahiti en Mooréa worden door een kanaal van slechts vijf mijl breed gescheiden, en de lagune van Cook Bay op Mooréa ligt op slechts twintig mijl van het veel drukkere Arué. Vier maanden lang wisselde ik die twee ligplaatsen af, al naar gelang ik behoefte had aan rust of aan drukte om me heen. Wanneer ik aan de boot werkte, bleef ik in Arué, dat gunstig lag ten opzichte van Papeete met zijn winkels en markten; wanneer ik behoefte had aan rust en kalmte, zeilde ik naar Mooréa en liet ik het anker vallen waar het heldere water, afhankelijk van de diepte, de kleur had van turkoois, lapis lazuli of azuur. Daar leek het alsof ik de zanderige bodem, vijf meter onder de Varuna, zó kon aanraken.

Na een paar weken in Arué voer de Katapoul, een boot die ik kende uit Papeete, de haven binnen. Claude, de kapitein, zwaaide naar me. Nadat hij het anker had laten vallen nodigde hij me uit bij hem langs te komen.

Een maand eerder, toen ik naar New York vertrok, had Luc mij beloofd dat er voor de Varuna gezorgd zou worden, maar dat was helemaal fout gelopen. Hij had de Varuna van de Thea losgemaakt en was met een paar zakenrelaties naar Mooréa gevaren, waar de Thea aan de grond gelopen was. Terwijl zij daar vastzaten, was er in de haven van Papeete een storm tekeergegaan. Het anker van de Varuna was losgeraakt en de boot was tegen een andere boot aangeslagen.

Luc vertelde me later dat Claude ingegrepen had. Hij had een tweede anker gevonden en de boot weer vastgelegd. Hij had ook de dinghy, die volliep met regenwater, ondersteboven neergelegd, en de radarreflector die er los bij hing en tegen de mast aanbonkte, weer vastgemaakt. Toen ik na mijn terugkomst uit New York hoorde wat er gebeurd was, had ik Claude bedankt en we hadden een tijdje over het water heen met elkaar gepraat. Pas toen alles wat minder gecompliceerd werd, zou ik erachterkomen wat een goede vrienden hij en zijn vriendin Margot bleken te zijn.

Claude was een kwieke Fransman, met een droge humor en het uiterlijk van Crocodile Dundee. Hij huppelde met vrolijk twinkelende ogen rond en vertelde me over Margot, die naar de States was voor een familiebezoek. De Katapoul, vertelde hij, was tien meter lang. Hij had hem zelf gebouwd en, zoals met de meeste boten het geval was, het vakmanschap en de zorg die eraan besteed werden, onthulden veel over het karakter van de eigenaar.

Tijdens de dagen die volgden aten we samen, we zwierven samen wat rond en we winkelden samen. Claude bracht me weer aan het lachen. Met veel geduld probeerde hij me te leren windsurfen, maar dat hield ik na vele duiken in het water en een paar pijnlijke armen van het ophijsen van het zeil, voor gezien. Ik zat liever als passagier op de plank terwijl hij die door de lagune manoeuvreerde.

Op één van onze eerste dagen samen liepen Claude en ik langs het voetbalveld van Arué naar de autoweg, waar we le truck wilden aanhouden voor een ritje naar de stad. In de loop van het gesprek vertelde ik hem dat mijn moeder een week geleden gestorven was, en hij bleef abrupt staan.

‘Goeie genade, Tania,’ zei hij. ‘Wat klinkt dat onverschillig. Je moeder is pas gestorven? Je vertelt me dat op een toon alsof je pas een nieuwe jurk hebt gekocht.’

‘We wisten al een paar jaar dat ze ging sterven,’ zei ik, verbaasd dat ik het zo rustig kon zeggen. ‘Nu het voorbij is, voel ik eigenlijk alleen maar opluchting. Ze heeft geleden.’

‘Toch, je zit aan de andere kant van de wereld, zo ver van je familie. Dat moet toch erg voor je zijn.’

Ik haalde mijn schouders op en vertelde hem dat ik het niet onverschillig had bedoeld. Er was zoveel gebeurd dat ik me eerder als verdoofd voelde. Claude ging er niet verder op in.

Margot kwam terug uit de Verenigde Staten naar de Katapoul en wij werden meteen boezemvriendinnen. Ze was één brok energie, gevoeligheid, intelligentie en eindeloos geduld. En het mooiste was, ze was pas twintig. De zeilwereld wordt zó gedomineerd door mannen dat het vinden van een meisje van mijn eigen leeftijd, en dan ook nog een Amerikaanse, een enorme bof was. Het klikte meteen tussen ons. Met z’n drietjes werkten we aan onze boten en trokken dagelijks met le truck, naar het postkantoor, de markt en naar de patisserie, waar we ons te goed deden aan cappuccino’s en appeltaart. We hadden het naar ons zin en zittend in de schaduw keken we op ons gemak naar alle mensen die voorbijkwamen.

Margot en Claude waren altijd met de Katapoul in de weer. Er werd zo ijverig geolied, gesmeerd, geverfd en geboend dat ik erdoor aangestoken werd hetzelfde aan boord van de Varuna te doen. Zelfs Lawrence, een stille jongen aan boord van een boot naast de Varuna, bood zijn hulp aan, en samen begonnen we aan de eerste grote opknapbeurt van de Varuna. We liftten naar het industrieterrein op de kade van Papeete en kochten daar een paar stukken multiplex, moeren en bouten. We namen de maten op, we zaagden en boorden. We maakten mijn kleine kooi wat groter en maakten een extra stuk matras van een kussen dat in de voorpiek lag en op de nominatie stond om weggegooid te worden. Het eindresultaat was dat ik nu een comfortabel bed had over de volle breedte van de Varuna.

Op een middag liet Claude me zien hoe ik de Varuna met mijn dinghy naar de kade kon slepen. ‘Stel je voor dat je echt helemaal alleen bent,’ zei hij. ‘En er is niemand die je door een smalle doorgang de haven in kan slepen, terwijl je motor het ook niet doet. Dan hoefje alleen maar een lijn van een meter of drie tussen de Varuna en de dinghy te spannen, en te roeien. Het zal misschien even duren, maar het is mogelijk het in je eentje te doen. Probeer het maar. Als het niet gaat, kom ik je wel te hulp.’ Margot bleef in de kuip terwijl ik in de dinghy stapte en de Varuna alleen met spierkracht zo’n dertig meter door de lagune sleepte. Na al mijn bange voorgevoelens was het me tóch gelukt, en ik voelde me extra tevreden over mezelf en mijn capaciteiten.

Doordat Claude ons als een oudere broer plaagde en uitdaagde, kwamen Margot en ik ertoe dingen te doen die we normaal niet in ons hoofd gehaald zouden hebben. Op een dag in Mooréa klommen we in de mast van de Katapoul en omdat Claude daar zo graag een foto van wilde maken, sprongen we samen van de topzaling. Verstijfd van angst zaten we zeker een kwartier te aarzelen en we zagen ons al op het dek van de Katapoul te pletter vallen. Ten slotte maakten we elkaar aan het lachen; we telden tot drie en sprongen. In tegenstelling tot Margot, die haar benen bij elkaar hield, maakte ik helaas de fout met gespreide benen naar beneden te springen. De klap waarmee ik het water raakte was enorm. Het leek wel alsof ik vanuit een kanon gelanceerd was, maar nadat de pijn was weggetrokken, moest ik toegeven dat het een enorm spannende ervaring was geweest.

Op een andere dag probeerden we te vliegen vanaf de spinaker. Claude verankerde de boot en hees de kleurige, enorme Dacron driehoek. Daarna knoopte hij twee lijnen aan de twee schoothoeken van het zeil, met daartussen een plank. Margot en ik gingen op die plank zitten, en naarmate het zeil zich bolde in de wind, gingen wij omhoog en weer omlaag. We gierden het uit en plonsden als theezakjes het water in en weer uit.

Vervolgens vond Luc een monteur die bereid was iets aan mijn motor te doen. We brachten de Varuna naar de kust en maakten alle brandstof en elektrische leidingen en bedradingen los. We stelden een takel op tussen de motor en de giek en hesen het rode monster in de wachtende vrachtwagen. Door het verminderde gewicht kwam de Varuna een paar centimeter hoger in het water te liggen, en een maand later werd de gerepareerde motor weer aan boord gehesen.

Het geluid van de motor kwam me nu zo vreemd voor, dat ik hem steeds weer aan- en uitzette zodat al mijn vrienden konden meegenieten. Om hem in deze goede staat te houden, zou er wel iets gedaan moeten worden aan het water dat via het luik in de vloer van de kuip de motorruimte insijpelde. De spuigaten in de kuip konden het water niet snel genoeg verwerken wanneer de golven eroverheen sloegen, of wanneer ik een zonnebad nam en een paar emmers water over mijn platje gooide. En dan liep het water de motorruimte in.

Luc hielp me met het oplossen van dat probleem. We lieten een aluminium frame lassen dat precies in een ander aluminium frame paste. Het kleinste frame werd op het luik geschroefd, het iets grotere op het dek, en met een pakking daartussen, was het luik hermetisch afgesloten. Toen werd de Varuna, met hulp van een groepje missionarissen die met hun eigen zeilboot op weg waren, op een werf in Papeete uit het water gehaald. Daar schraapten en schuurden we de romp schoon, die daarna verscheidene lagen verf kreeg om de aangroei van algen en dergelijke tegen te gaan.

Op een dag ontdekte Claude een kaartje op het mededelingenbord waarin een zonnepaneel te koop werd aangeboden. Iemand had het met wat andere spullen kunnen redden van zijn boot, die op een rif te pletter was geslagen. Met de aankoop daarvan kwam een eind aan al mijn elektriciteitsproblemen. De motor kon het net zo vaak opgeven als hij wilde, die cellen zouden altijd het zonlicht blijven opslurpen en het omzetten in elektriciteit waarmee de accu’s geladen konden blijven. Om de accu’s, die in de kim stonden, te beschermen tegen het water bracht ik ze naar de kajuit, waar ik ze onder de kajuitstrap klemzette.

Ik was trots op mijn huisje. Het zag er leuk en gezellig uit. Het nieuwe bed was een ware luxe, met zijn kleurige Tahitiaanse katoenen lakens en slopen. De deur van het toilet die op zee altijd losraakte en klepperde, had ik weggehaald en vervangen door een gordijn. Van het hout maakte Claude een boekenplank voor de Katapoul. Wie wat bewaart, heeft wat. Alles wat van de Varuna afging, werd uiteindelijk op een andere boot weer opnieuw gebruikt.

Nadat ik bevriend was geraakt met Claude en Margot, leerde ik meer vrienden kennen, die me met z’n allen fijne herinneringen aan Tahiti bezorgden. Het kwam zover dat ik bijna geen moment meer voor mezelf overhield. Maar dat vond ik niet erg. Dit was de laatste keer tot het eind van mijn tocht in New York, dat ik wat langer ergens kon blijven zonder me zorgen te hoeven maken over een vertrekdatum.

Tussen dit alles door – het werk, het plezier, en vooral de vriendschap van de mensen om mij heen – was de gedachte aan mijn moeder toch nooit ver weg. Margot en Claude waren altijd bereid te luisteren terwijl ik in het reine probeerde te komen met het verleden, mijn moeder, de verstandhouding met mijn vader en Luc en alles wat er sinds mijn vertrek uit New York was gebeurd. Zij veroordeelden niet. Wanneer ik weer eens doordraafde, zorgde Claude met zijn grapjes en Margot met haar serene rust ervoor dat ik weer met beide benen op de grond terechtkwam. Naarmate de tijd de open wonden heelde, kwamen mijn depressieve buien steeds minder voor, en de herinneringen aan mijn moeder namen hun eigen plaats in in mijn hart.

Om de paar dagen ging ik naar het postkantoor, waar ik naar huis belde. Mijn vader was teruggekeerd van de Parijs-Dakar-rally. Hij had zijn auto total loss gereden en had bijna zijn ene been aan gangreen verloren. Nadat ze dwars door de Sahara waren getrokken met een in de soep gedraaide Landrover, hadden hij en zijn bijrijder één dag voor het beëindigen van de rally een iets andere route genomen. Daarbij hadden ze een brug gemist en waren met auto en al over de kop geslagen. Ik onderdrukte een lach, want het ongeluk lag te vers in het geheugen van mijn vader om hem de humor van de situatie te laten inzien.

‘Zo gauw mijn been beter is,’ zei hij, ‘ga ik in Holland mijn nieuwe boot halen. Daarna zeil ik meteen de oceaan over voor mijn kwalificatie in de BOC.’

Ik zou me altijd over mijn vader blijven verbazen. De BOC is een zeilrace rondom de wereld voor solozeilers. Er wordt gestart in Newport, Rhode Island, en onderweg worden er drie stops gemaakt: één in Zuid-Afrika, één in Australië en de laatste in Brazilië. Om hem een genoegen te doen zei ik een paar keer oh en ah, maar ik kon zijn dorst naar sensatie toch niet begrijpen. Naast een paar onhandige opmerkingen werd er maar weinig gezegd over mijn moeder, die gestorven was terwijl hij weg was. Verder kreeg ik een standje omdat ik te lang op Tahiti was gebleven en niet genoeg artikeltjes had geschreven. Binnen de kortste tijd, zijn been was nog amper genezen, vertrok mijn vader naar Holland, op weg naar een nieuw avontuur.

’s Avonds schreef ik in plaats van artikeltjes ijverig ellenlange brieven. Als gevolg daarvan was het A-vak van de afdeling poste restante in het postkantoor in Papeete altijd vol. Na mijn vertrek uit New York had ik drie artikelen geschreven die in Cruising World waren verschenen, en de lezers van dat blad begonnen naar aanleiding daarvan brieven te schrijven die naar mij werden doorgestuurd. Een paar schrijvers vonden mij roekeloos en mijn vader was een krankzinnige om een onervaren teenager in een bootje de oceaan op te sturen. Maar voor de rest stonden al die brieven vol aanmoedigingen en steunbetuigingen van mensen die wilden dat ze hetzelfde konden doen. De eerste negatieve brieven brachten me van de kaart, maar de positieve deden me goed en ik begon te corresponderen met enkele van de mensen die ze hadden geschreven. Ik realiseerde me dat ik niet langer alleen aan mijn vader en aan mezelf verplicht was door te zetten. En later, wanneer het me weer eens tegenzat, brachten hun aanmoedigingen me weer op de been. Op de één of andere manier gaf ik bepaalde mensen het idee dat als ik, onnozele hals die ik was, dit kon doen en het ook nog overleefde, zijzelf op een goede dag óók hun dromen waar zouden kunnen maken.

Jeri kwam me in maart twee weken opzoeken, en daarna mijn vriendin Elisabeth. Samen trokken we langs de overwoekerde wegen en ik liet hun de reusachtige watervallen zien die achter massieve schermen van tropische vegetatie schuilgingen. We baadden in de bergmeertjes en zwommen aan de vulkanisch zwarte zandstranden. We zoefden op gehuurde Vespa’s over Tahiti en het naburige Mooréa terwijl ik hen liet meegenieten van de simpele genoegens van het leven op die eilanden.

De ene zonnige dag ging over in de andere – één dag, twee dagen, twee weken, twee maanden. De vier maanden die eerst zo lang hadden geleken begonnen op te raken. Ik was verliefd geworden op dit land en ik had het gevoel dat ik mijn vrienden nooit meer wilde verlaten. Het stormseizoen was voorbij en de gedachte aan een vertrekdatum drong zich aan mij op. Het werd tijd dat Dinghy en ik weer verder gingen, maar er moest eerst nog iets anders gebeuren.

Iedere keer wanneer ik Dinghy op de boot alleen liet, voelde ik me schuldig door de zielige blik die hij me toewierp. Wanneer ik dan weer terugkwam, was het een genot hem zo blij over het dek te zien stappen, een luid welkom miauwend zodra hij aan de manier van roeien hoorde dat ik er aankwam. Zodra ik dan aan boord stapte, begon hij luid te spinnen en volgde me als een schaduw. Aan de wal op Arué, in een schamel onderkomen zonder muren, leefde een grijs poesje, dat de gewoonte had mij overal achterna te lopen. Ik speelde met haar en bracht wel eens iets te eten voor haar mee, en wanneer ik terugroeide naar de Varuna bleef ze jankend op de steiger achter. Eén dag voor mijn vertrek liet ik mij vermurwen en nam haar mee naar de Varuna, waar ik haar voorstelde aan mijn maatje. Dinghy accepteerde haar meteen, en vanaf dat moment was Mimine zijn kleine Tahitiaanse vahine.

Een journalist die me bij aankomst had geïnterviewd, had ervoor gezorgd dat Yamaha mij een 2 pk. buitenboordmotor voor de dinghy gaf in ruil voor een fotosessie bij mijn vertrek. Er werd een datum afgesproken.

Op 28 april was de Varuna afgeladen met Franse delicatessen en al het andere dat ik aan boord nodig kon hebben. De motor deed het en er was geen enkele reden om het vertrek uit te stellen. Ik had me nog nooit zo thuis gevoeld op Arué als toen. Ik keek om me heen naar alle boten naast mij en de mensen die zo aardig voor me waren geweest.

Ik ging voor de laatste keer naar de Thea en omhelsde het gezin waarvan ik zo was gaan houden. Ik nam afscheid van Claude, en zeilde toen samen met Margot de 20 mijl naar Mooréa. Vóór we vertrokken, gaf Claude me een tekening van de wereld in de vorm van een aangesneden meloen met insinuaties over een stinkende kattebak en karikatuurtjes van Australiërs, Amerikanen en King Kong, verkleed als Uncle Sam, zittend op het dak van het Empire State Building.

Margot en ik bleven twee dagen in de buurt van Mooréa rondhangen, en we huilden allebei toen ze aan boord ging van de veerboot die haar naar Claude terug zou brengen. Het is moeilijk te zeggen of we ooit zulke goede vriendinnen geworden zouden zijn wanneer we elkaar in New York hadden leren kennen. Maar na vier maanden samen op deze schitterende eilanden doorgebracht te hebben, terwijl we aan de boten werkten en een verstandhouding opbouwden die me door een moeilijke periode in mijn leven hielp, was Margot één van de beste vriendinnen die ik ooit had gehad.

In Mooréa wist ik nog twee weken allerlei smoesjes te verzinnen om het vertrek uit te stellen – slecht weer, een kapotte sleeplog, rottende groenten, niet genoeg boeken. Elke smoes was goed. Het lukte me zelfs nog een keer met de veerboot terug te gaan naar Tahiti voor een onderdeel van de sleeplog. Ten slotte, om negen uur ’s morgens, op vrijdag 9 mei 1986, liet ik de dinghy leeglopen, vouwde hem op en bond hem vast op dek. Nu was er geen mogelijkheid meer om aan land te gaan.

‘Vertrek nooit op een vrijdag’ is een oud zeemansgezegde, waarschijnlijk omdat vrijdag de dag was dat Jezus gekruisigd werd. Maar deze vrijdag besloot ik me niet aan dat bijgeloof te storen. ‘Als ik nog één smoes verzin om niet te vertrekken,’ zei ik bij mezelf, ‘kan ik net zo goed voor altijd hier blijven.’

Als ik was blijven wachten tot zaterdag had ik de waarschuwing gehoord voor de depressie die er vanuit het westen aankwam. En ik had naar een dokter kunnen gaan toen mijn oor die nacht pijn ging doen. Als, als, als… maar ik ging wél weg.

Ik hees het anker en voer op de motor de lagune uit, via de doorgang in het barrièrerif van Cook Bay. Als alles goed ging, zou ik pas 1200 mijl westnoordwestwaarts weer aan land gaan in Pago Pago, op het Amerikaanse Samoa. Zenuwachtig en onhandig stommelde ik rond op de boot. Ik trof voorbereidingen om de zeilen te hijsen en realiseerde me opeens dat het vijf maanden geleden was dat ik alleen de zee op was geweest.

Met een blik op de steeds groter wordende afstand tussen de Varuna en het rif, bevestigde ik de fokkeval aan de tophoek in de hoek van de genua. Daarna zwabberde ik terug naar de kuip als een landrob die niet gewend is aan de deining. Ik zette de boot in de wind, leunde naar voren onder de buiskap, hees het grootzeil en daarna de genua. Ik zette ze vast en trimde de zeilen. De spieren in mijn armen protesteerden terwijl ik de hendel ronddraaide om de zeilen zo strak mogelijk te krijgen. De Varuna liet zich gewillig met de noordelijke wind meevoeren.

Mijn hart sloeg over bij het zien van de ruige pieken van Mount Tohiea. Ik had er nooit op gelet toen ik in Opunohu en Cook Bay voor anker lag, maar nu begonnen ze achter ons steeds kleiner te worden. Het was zo’n diepe emotie, dat ik nauwelijks merkte dat de wind langzaam naar het westen draaide. Het feit dat we tegen de zwakker wordende passaatwind invoeren, die eigenlijk fors over de achtersteven had moeten komen, drong pas na een paar uur tot me door. Opeens zag ik het.

‘Wacht eens eventjes. Wat gebeurt er?’ zei ik hardop. ‘Zijn de weergoden soms vergeten de kaarten te bestuderen? Op deze plek in de oceaan is er 99 procent kans op windkracht vijf en het windje mee. Hoe komt het dan dat ik precies dat ene procent kans tref op tegenwind bij kracht twee, hm?’

Ik praatte urenlang hardop tegen mezelf en probeerde, voor de eerste keer op zee, de autostereo uit die ik met Kerst in New York had gekocht. Het geluid van muziek klonk hier vreemd en ik voelde me er niet lekker bij, want ik wilde elke kraak en kreun van de Varuna kunnen opvangen terwijl ik weer gewend raakte aan het leven op zee. De muziek ging dus uit.

Ik probeerde een boek te lezen, maar ik was zo rusteloos dat ik het bijna ogenblikkelijk naast me neerlegde en naar buiten ging om de lucht te bestuderen. Die vochtige en nevelachtige lucht zei me niet veel, dus klauterde ik maar weer naar beneden, kauwde op een paar pompoenpitten en keek naar mijn kleine vriendjes. Zouden zij zich net zo voelen als ik? vroeg ik me af. Maar het scheen hen allemaal niet veel te doen. Zelfs Mimine leek op haar gemak in haar nieuwe levensomstandigheden.

Langzaam passeerden we het kleine bovenwindse eiland Maiao, waar ik nooit eerder van had gehoord, maar dat ik nu wel op de kaart moest opzoeken. Mijn oor, dat de hele ochtend al vreemd deed, begon tegen de avond echt op te spelen. Het bonkte in mijn hoofd. En op bijna hetzelfde moment zag ik dat de naald van de barometer langzaam daalde. ‘O, nee,’ mopperde ik, ‘ook dat nog.’ Er lag ons een woelig tochtje te wachten.

Tijdens de nacht verwisselde ik de genua voor mijn nieuwe fok en ik reefde en trimde het grootzeil terwijl de rukwinden over ons heen vlogen. De nieuwe fok had reefogen, zodat ik hem in slecht weer kon inkorten, een ongekende luxe.

Op de ochtend van de 10de mei, met zowel het grootzeil als de fok volledig gereefd, zwoegden we tegen de steeds hoger wordende golven in. Op een gegeven moment kreeg ik het bovenwindse eilandje Raiatea, mijn laatste positieve navigatiepunt, in het oog. Ik had geen gelegenheid gehad de kusten van dat eiland of dat van het nabijgelegen Bora-Bora en Huahine, te bezoeken. Mooréa en Tahiti waren zo fascinerend geweest dat ik er genoeg aan had gehad tussen die twee eilanden heen en weer te trekken. Deze legendarische eilanden zouden tot een andere keer moeten wachten.

Ik bleef niet lang stilstaan bij hoe het had kunnen zijn, want er wachtte nu een dringender probleem, de opstekende storm. We waren nog iets te dicht onder de kust maar gelukkig deed de wind er nogal lang over voor hij losbarstte, wat ons voldoende tijd gaf om een veiligheidsmarge met genoeg zeeruimte te krijgen. Ik zette alles in de kuip vast en stelde de zeilen en de stuurautomaat in op een zuidelijke koers landafwaarts. Daarna ging ik naar beneden om de storm af te wachten, maar eerst zette ik voor de veiligheid en tegen het lawaai de stormluiken voor de kajuitstrap.

Voor de zoveelste keer liet ik de Varuna met de Monitor voor zichzelf zorgen om ons door het bekende scenario van een storm te helpen. Voor onbepaalde tijd kwamen we niet meer vooruit op het reisschema, maar we voeren nu tenminste van het gevaar weg. De storm ging tekeer, de golven spoelden over ons heen, en het begon beneden vochtig te worden terwijl de stank van kimwater en benzine door de planken van de vloer naar boven kwam.

Het bonken in mijn oor belette me zelfs rustig te eten; het deed te veel pijn wanneer ik mijn kaak bewoog. De oordruppels in mijn medicijnkastje, die een dokter in New York me voorgeschreven had, bleken waardeloos. Het enige waarmee ik mezelf kon verdoven was aspirine.

Rond half twaalf doezelde ik in maar ik schrok wakker door een harde klap. Meteen drong de geur van sesamolie de kajuit binnen. Door een schokkende beweging van de boot was er een fles omgevallen en over mijn kooi leeggelopen, zodat ik in de vieze smurrie zat. In mijn woede trok ik het luik open en smeet de fles overboord; maar hij spatte tegen een lier kapot en de hele kuip kwam onder de olie en de scherven te zitten.

‘Het is niet te geloven!’ schreeuwde ik en klom naar buiten. Bij het zwakke schijnsel van de kajuitlamp dat dat kleine stukje leven midden in die inktzwarte duisternis verlichtte, raapte ik de scherven bij elkaar. Ik nam liever niet het risico ze in mijn voetzolen of die van de katten terug te vinden. Vlak vóór ik weer naar beneden ging kreeg ik het grootzeil in de gaten dat in de kuip opgerold lag. Er had een kat op zitten poepen.

Ik verlangde wanhopig naar een sigaret maar had me voorgenomen tijdens deze reis te stoppen met roken en had ze daarom niet meegenomen bij mijn vertrek. Nu vervloekte ik mezelf en ik verslond pompoenpitten tot mijn lippen en mijn tong brandden van het zout.

Ik sliep onrustig tijdens die stormachtige nacht en vaak schrok ik wakker uit levendige dromen waarin ik praatte met mijn vriendenen overal bedelde om een pakje sigaretten. Ik nam nog een aspirine en ruimde van alles op wat nú weer gemorst of van zijn plaats geraakt was. Daarna ging ik naar buiten om te kijken hoe het weer was en de horizon af te zoeken. Het schuim vloog over de Varuna heen en de zee kookte als soep in een heksenketel terwijl de regen op ons neerbeukte.

Om half zes ’s middags, op de dertiende mei, kon ik eindelijk in het logboek schrijven dat het voorbij was. ‘Ik heb zojuist de boot schoongemaakt,’ schreef ik, ‘en het ziet er nu beter uit. De storm ging vanmiddag opeens liggen. Van het ene op het andere moment. Nu rollen we wat heen en weer op de overgebleven deining. Ik ben koffie aan het zetten in het espresso-apparaat dat Claude me heeft gegeven en ik ben van plan er kilo’s melkpoeder en suiker in te doen. Ik heb wel iets lekkers verdiend. De Varuna is opgetuigd met allemaal droge zeilen. Dank U wel, God, dat alles weer prettig is. Ik begon al bang te worden. U weet wel, El Nino, radioactieve wolken…

Die angst voor radioactieve wolken kwam door de ramp met de kerncentrale in Tsjernobyl, vlak vóór mijn vertrek uit Tahiti. Nieuws dringt in de tropen maar langzaam door, dus het fijne wist ik er niet van terwijl ik daar alleen in de oceaan dobberde, uitkijkend naar paddestoelachtige wolken. In mijn fantasie kwam er van alles op me af: orkanen, opspuitende waterstralen, tornado’s, onderwatermonsters en woedende walvissen. Met een bijna macaber plezier kwelde ik mezelf met dat soort visioenen, net als wanneer je een griezelverhaal zit te lezen in een leegstaand huis.

Eindelijk stak de passaatwind weer op, maar die zwakte af en zwol weer aan zonder zich iets van mij aan te trekken. De lucht bleef somber en we zwoegden voort terwijl ik de zeilen bijstelde totdat mijn kapotte handen de pijn niet meer konden verdragen. We werden van alle kanten belaagd door rukwinden en regenbuien. Met direct daarachter de passaatwind, zodat het tijdelijk heel erg spookte, waarna het weer helemaal afzakte zodra ik de zeilen gereefd had. Mijn oorontsteking was zonder dat uiterst onaangename weer al erg genoeg. Nu hoefden alleen de katten nog maar op mijn bed te plassen, en dat deden ze dan ook. Razend van woede schreeuwde ik ze toe: ‘Ik hoop dat jullie reïncarneren als schoonmakers bij de herentoiletten in Grand Central Station!’

Op de ochtend van de zeventiende blies de passaatwind ons weer in de rug. Het begon als een zwakke bries maar terwijl ik de fok en het grootzeil uitzette, nam de wind toe. Ik stelde de stuurautomaat in totdat we op de juiste koers lagen.

De eerste vier dagen van deze tocht waren door de storm verloren gegaan. En de vier dagen daarop waren we iedere mijl nat en met moeite vooruitgekomen. Nu begon de Varuna echter met de wind in de rug vaart te maken. Het sleeplog was kapot, en hoewel ik niet precies wist hoe snel we gingen, wist ik toch wel dat we de tijd in begonnen te halen. ‘Hé, jongens,’ schreeuwde ik naar Dinghy en Mimine, ‘kom eens kijken hoe hard we gaan! Met deze snelheid kunnen we in zeven dagen in Pago Pago zijn!’ Dinghy stak zijn kop net boven de kajuitstrap uit toen er een golf over de kuip heen spoelde. Er vielen een paar spetters op zijn neus. ‘Niks hoor, dit is niet leuk,’ leek hij te zeggen. Hij draaide zich 180 graden om en sprong weer op mijn bed.

‘Hoera!’ joelde ik. ‘Nu gaat het beter!’ Terwijl ik achter Dinghy aan naar beneden klauterde, maakte de Varuna een onverhoedse beweging. Ik verloor mijn evenwicht en kwam met een smak op het bankje in de kuip neer, boven op mijn gebogen pols. Er schoot een heftige pijn door mijn arm heen en ik verstijfde. ‘Néé! Dat kan niet,’ huilde ik geschrokken. ‘Ik zal toch niets gebroken hebben?’

Tegen de avond was mijn pols opgezet. Hij zag helemaal blauw en ik kon nog geen tandenborstel vasthouden. Om alles nog erger te maken kwam mijn oorpijn ook weer terug, zodat ik dubbel zoveel redenen had om mijn aspirinevoorraad aan te spreken. Ik had Mineral Ice bij me, een zalf met warmtewerking, en een Ace-verband. Voorzichtig masseerde ik mijn pols met de koele gel, totdat de kalmerende warmte begon door te dringen. Daarna maakte ik met behulp van een tijdschrift een spalk en bond het hele spul vast.

Gelukkig bleef de wind vijf dagen lang constant, tot 22 mei, toen hij afnam en verdween. Ik had al die tijd de koers niet hoeven bij te stellen en de ergste pijn in mijn pols was weggetrokken. In mijn stommiteit dacht ik dat dat van vrijdag gewoon pech was geweest, want dank zij de aspirine deed mijn oor niet meer zo’n pijn en alles leek er weer wat beter uit te zien. Maar toen zag ik, terwijl ik mijn haar borstelde, een klein bruin dingetje op mijn schoot vallen, gevolgd door een heleboel andere. Ik had luizen.

Ik snap nog niet waar ik met die oorpijn, de walging vanwege die luizen en een gekneusde pols, de energie vandaan haalde om buiten met de sextant het zonnetje te gaan schieten. Mijn pols maakte het dubbel zo moeilijk, want ik kon me nu niet vasthouden om te voorkomen dat ik omviel op het rollende dek. In plaats daarvan zette ik me schrap tussen de buiskap en de handsteun terwijl ik de golven in de gaten hield om te zorgen dat ik op de been bleef. Navigeren werd mijn enige afleiding, ik genoot van het maken van al die berekeningen en schattingen.

Een vriend in Tahiti had me een makkelijke manier geleerd hoe je de sterren kon herkennen en gebruiken om op te navigeren. Dus dat oefende ik op rustige avonden, maar ze waren soms erg moeilijk te zien en door de sextant op één lijn met de horizon te krijgen. Het beste moment om de sterren te gebruiken is de schemering, vlak nadat ze aan de hemel verschenen zijn en vóór het zonlicht helemaal verdwijnt. Maar meestentijds schoof er op het cruciale moment juist een wolk voor.

Op 24 mei, na een achtenveertig uur durende windstilte, maakte ik in het logboek een gedetailleerde tekening rondom het woord ‘Stik!’ en daaronder schreef ik: ‘Gisteren heb ik wat zout opgewarmd, in een sok gedaan en dat tegen mijn oor gelegd. Dat hielp wel even en misschien probeer ik het vanavond weer. De zee is volkomen glad. Er bestaat voor mij even niets anders dan plagerige windstootjes, wolken en mijn boeken. De glijkoker van de ballonfok is halverwege de mast blijven steken en zoals ik nu ben kan ik er niet inklimmen om hem los te maken, dus moet ik dat oude waardeloze exemplaar gebruiken. Ik geloof dat ik verslaafd raak aan chocolademelk. Mijn oor klopt nog steeds, mijn hoofd jeukt en we hebben nog 300 mijl voor de boeg. Met een beetje harde wind zijn dat nog twee dagen. De barometer is langzaam aan het zakken, dus misschien… Alles is beter dan dit…

Die avond, rond een uur of half tien, sloeg er een enorme rukwind in de zeilen en we vlogen vooruit. Honderden liters regenwater plensden op het dek, en ik zat beneden terwijl de potten en pannen me om de oren vlogen. Op zee probeerde ik alles zoveel mogelijk vast te zetten, maar altijd was er wel iets dat over het hoofd werd gezien en op zulke momenten in een moordwapen veranderde. Deze dag was het vergeten object een plastic kan die met een boog de kajuit in vloog, zodat het water alle kanten opspatte. De katten schrokken zich dood en terwijl ik mijn best deed alles op te ruimen, zag ik uit mijn ooghoek dat Dinghy op mijn schone kussen zat te plassen.

Dit is een nachtmerrie! dacht ik en de tranen sprongen in mijn ogen. Ik gaf het op, het enige wat ik nu nog kon doen was me vasthouden zodat ik niet zelf door de kajuit geslingerd werd.

Vier uur later ging de wind liggen en kon ik zonder doorweekt te worden naar buiten om de koers bij te stellen. Toen alles eindelijk weer normaal was kroop ik rond half vier ’s morgens naar beneden en viel in slaap in mijn zuur ruikende kooi.

Volgens mijn navigatie schatte ik binnen vierentwintig uur mijn bestemming te bereiken. Toen ik bij het ochtendgloren op de zesentwintigste wakker werd, verwachtte ik half en half een donkere streep aan de nevelige horizon te zien liggen. De meest oostelijk liggende eilanden van de Amerikaanse Samoa-groep zouden mij, zodra ze zichtbaar waren, de weg wijzen naar Tutuila en Pago Pago. De wind stak weer op en ik streek de fok, zodat ik alleen op het dubbel gereefde grootzeil voer. Het was een zonnige dag en we hadden nog steeds het windje mee. Hoe ellendig de toestand ook was geweest, het was fantastisch om aan boord van de Varuna te zijn terwijl ze met volle snelheid op haar bestemming afstoof.

En ja hoor, daar lag de eilandengroep en zestig mijl verder mijn eindbestemming. Mijn jeukende hoofd en alle pijn was vergeten. Zingend stelde ik een koers in die ten zuiden langs de eilanden zou voeren. Met iedere afgelegde mijl kwamen de bruine silhouetten van Tau, Olosega en Ofu dichterbij. Ik bond voor de veiligheid een touw om mijn middel en ging naar voren om een emmerbad te nemen.

Die avond draaide ik vijftien mijl buiten de kust bij en om het half uur deed ik een dutje, dacht ik aan mijn eerste stappen op het land en dankte de Almachtige dat dit godvergeten stuk oceaan eindelijk achter me lag. Vlak vóór het aanbreken van de dag barstte er een ei in de voorraadhangmat boven mijn hoofd open en droop het slijm naar beneden op mijn bed.

Het eerste dat ik bij aankomst deed, was elk stuk stinkend beddegoed en kleding bij elkaar in een plunjezak proppen en op een bus naar de wasserette stappen. Daarna nam ik een bus die de andere kant opging en zocht een ziekenhuis op. De mensen zaten in die kleine bussen als haringen in een ton. Wilde je dat hij stopte dan moest je met je vuist op het dak slaan, wat van zo’n busrit een bijzonder luidruchtige ervaring maakte. Ik kon mezelf er niet zo snel toe krijgen zo agressief te reageren, dus riep ik alleen maar ‘Stoppen, alstublieft…’ Er gebeurde echter niets, tot één van de andere passagiers zo vriendelijk was voor mij een roffel tegen het plafond te geven.

Alles gaat overal precies eender in ziekenhuizen, zelfs aan de andere kant van de wereld. Nadat ik ingeschreven was, kon ik twee uur zitten wachten eer de dokter tijd voor me had. Mijn pols was verstuikt, niet gebroken, zei hij terwijl hij hem goed inpakte in een rekverband. Hij schreef een nieuwe voorraad oordruppels voor en bevestigde mijn bange vermoeden dat de diertjes in mijn haar inderdaad luizen waren.

‘Je moet beter opletten,’ zei de dokter. ‘Luizen komen hier veel voor. Je kunt ze overal krijgen waar iemand met zijn hoofd iets aangeraakt heeft. Neem deze shampoo maar mee, was je haar elke dag en kam de neten eruit.’

De zeeliedendouche was een klein hokje op de kade waar de dinghy’s vastgebonden lagen. Ik schaamde me dood om die luizen en was ervan overtuigd dat iedereen die op zijn beurt bij de douche stond te wachten de medicinale shampoo zou ruiken en achteruit zou deinzen wanneer ik langs kwam. Ik boende en desinfecteerde iedere centimeter van de Varuna en waste en kamde mijn haar iedere dag door. Maar elke keer wanneer ik in de spiegel keek, zag ik nog steeds die ellendige kleine witte eitjes tussen mijn haren zitten.

De haven van Pago Pago is een langgerekte inham, die het eiland Tutuila bijna in tweeën deelde. Omdat het omgeven is door een ring van hoge bergen, krijgt Pago Pago alle passerende rukwinden over zich heen. Ik trok ter bescherming mijn blauwe zeil over de giek en bond het als een tent vast aan de zeereling. Het was zijn bestaan in Tahiti begonnen als zonnescherm, maar hier deed het ook nog dienst als beschutting tegen de regen voor de kajuitstrap en de kattebak.

Op een gegeven moment belde ik via de telefoon naast het douchehokje naar huis en hoorde dat mijn beste vriendin, Rebecca, zojuist een dochter had gekregen en dat ik nu een petekind had.

Was ik werkelijk alweer vijf maanden uit New York weg? Jeri vertelde me dat mijn vader met zijn nieuwe boot ergens midden op de Atlantische Oceaan zat, op weg naar Newport voor de start van de BOC.

‘Dus hij doet het werkelijk, hè?’ zei ik. Jeri en ik deden net alsof we hoopten dat hij een verschrikkelijke overtocht zou hebben, alleen op de Atlantische Oceaan, zodat hij zich in de toekomst wel twee keer zou bedenken om mij in het stormseizoen de oceaan op te sturen. Met Tony en Jade ging het prima, zei ze. Ze schenen zich aan te passen aan hun vrijheid. Nina deed het heel goed op school. Jeri was plannen aan het maken voor haar daktuin en alle bloemen en groenten die ze daarin kon zetten. Het leven ging ook zonder mij zijn gewone gangetje. Het nieuws over de baby van Rebecca zette me wel aan het denken. Het was een teken des tijds zoals ik nog nooit eerder had meegemaakt, en terwijl ik de telefoon ophing, voelde ik me verder van huis dan ooit tevoren.

Het vervallen koloniale stadje Pago Pago, met zijn smerige restaurantjes en goedkope barretjes, was een vervelende tegenvaller. Ik had me zó verheugd op een vleugje van thuis midden op de Grote Oceaan. Maar dit hier liet me steenkoud. Hamburgers, Rambo-posters, popmuziek, ‘Dallas’ en ‘Dynasty’ op elke beeldbuis. In tegenstelling tot de vrolijke opgewektheid van Tahiti, was dit maar een zielige vertoning.

Kort na de Varuna arriveerde er een Noorse boot, de Renica, in Pago Pago. Ik was zo blij Reidar en Magrete en hun zoons, Bent en Carl-Frederic, weer terug te zien na een paar maanden in Arué naast hen gelegen te hebben. Samen met Claude en Margot hadden we samen leuke tijden meegemaakt en weer werd ik als een dochter aan boord van hun boot verwelkomd. Ik was van plan 830 mijl naar het westen, naar Vanuatu te zeilen, maar zij raadden me aan een paar dagen naar het naburige eiland, West-Samoa te gaan. Volgens Magrete en Reidar was het doodzonde over de Stille Oceaan te varen en van de Samoa Eilanden alleen Pago Pago gezien te hebben.

Ik vulde de voorraadruimtes van de Varuna met biscuitjes, muesli, gedroogd fruit, noten, houdbare melk en tofu, en allerlei andere levensmiddelen die je alleen maar in een Amerikaanse supermarkt kunt vinden. Bij het inslaan van voorraden kwam altijd veel pas- en meetwerk kijken. Er moesten tien tassen met conservenblikken, gereedschap, fruit, groenten, toiletpapier en zo in de ruimtes onder de banken en in de kleine ruimte voorin gestouwd worden, terwijl die al vol zaten met extra gereedschap en kleren. Nadat de boot was volgeladen, lag de witte streep die de waterlijn aangaf een paar centimeter onder water vanwege het extra gewicht.

Vervolgens ruilde en kopieerde ik kaarten van andere zeilers en stelde het reisplan voor de Stille Zuidzee bij. Ik wilde Nieuw-Caledonië aandoen om die typische Franse sfeer waarvan ik in Tahiti zo had genoten, weer eens te proeven. Maar nu ik de kaarten bestudeerde, zag ik dat er veel te veel riffen op de route daarheen lagen, dus dat plan viel af. Er waren routes genoeg die niet zoveel hindernissen bevatten.

Vlak vóór mijn vertrek kwam bij het douanedok één van mijn nieuwe vriendinnen, Colleen, naar me toe. Ze vertelde dat ze van de boot waarop ze als bemanning meevoer, afgestapt was en nu ook naar Apia ging om een ander baantje te vinden. Dat is boffen, dacht ik, en ik nodigde haar uit met mij mee te gaan. Apia lag 80 mijl verderop, een kippeëindje voor de Varuna, en ik zou voor de eerste keer aan boord in plaats van tegen Dinghy, tegen iemand anders kunnen kletsen. Iemand die me zo nu en dan vroeg of ik trek had in een kop koffie of vruchtesap.

Tot Colleens teleurstelling was er die dag zo weinig wind, dat ze niet de gelegenheid kreeg de Varuna onder zeil mee te maken. Het bleef windstil en we legden het stuk op de motor af. De twee grootste eilanden van West-Samoa behoren tot de grootste in de Stille Zuidzee. Het leek dan ook eindeloos te duren vóór we de grillige en soms bergachtige kustlijn langs getuft waren.

Eindelijk, op de middag van de veertiende, tuften we via de doorgang in een barrièrerif langszij het douanedok van Apia.

We lagen met drie boten naast elkaar te wachten tot we geregistreerd waren, waarna we ergens anders het anker uit zouden mogen werpen. Ik was bang dat Dinghy en Mimine aan land zouden gaan en daar verdwalen. Maar ze bleven aan boord en joegen de buren die naast ons lagen de stuipen op het lijf door in het holst van de nacht via het openstaande luik boven op hen te springen.

Het landschap van Apia is een sprookjesland van nevelachtige, reusachtige bergtoppen, bespikkeld met koeien. De huizen zijn open bouwsels – betonnen funderingen met palen waarop een dakbedekking van pandanusbladeren ligt – en vanaf de weg kunnen voorbijgangers zó naar binnen kijken in al die mini-Parthenonnetjes. Nadat ik een paar eilandjes had bezichtigd, ontdekte ik dat ze één ding gemeen hadden: de alomtegenwoordige pandanusboom, die een essentieel onderdeel uitmaakt van het leven van de eilandbewoners in de Stille Zuidzee. De bladeren zijn buigzaam en onverslijtbaar; er worden manden van gevlochten, bedmatjes, muren van huizen, en de inlanders gebruiken ze ter bescherming tegen de zon en de regen.

De mensen van Samoa begraven hun doden vlak bij huis, vaak zelfs op het grasveld voor hun huis onder helder wit gekalkte grafstenen, versierd met bloemen. Er zijn geen hekjes of schuttingen die de grenzen aangeven van weidegronden en dergelijke. De mensen rijden er nog trots rond op hun ongezadelde paarden, dwars door de kuddes geiten en koeien die het eigendom van iedereen lijken te zijn.

De inlanders van Samoa zijn enorme mensen, niet echt dik, maar goed gezond, weldoorvoed en gespierd. Vanwege hun Polynesische en Melanesische afkomst hebben veel van hen kroezig haar. De lichtbruine huid van heel veel mannen is van top top teen bedekt met gedetailleerde tatoeages van dieren en ingewikkelde geometrische ontwerpen. Ze dragen hun prachtige tatoeages met zoveel trots, dat ik met de gedachte begon te spelen er één op mezelf te laten aanbrengen.

Rondom de haven was de bodem van Apia vlak en de zon reflecteerde scherp tegen de pastelkleurige koloniale gebouwen. Er hing een vredige, slaperige sfeer op het eiland, ongeveer zoals ik me de woonplaats van Tom Sawyer voorstelde. Hier was niets te vinden van het aangeboren vurige Latijnse temperament dat ik in Franse en Spaanse landen had aangetroffen. De eilandbewoners schenen meer overgenomen te hebben van de vredige, trage Duitsers, en later, de Nieuwzeelanders die het eiland vroeger koloniseerden. De tweede taal is Engels en bijna iedereen spreekt het met een charmant Nieuwzeelands accent, vermengd met hun eigen muzikale klanken. In mijn oren klinkt de taal van de Marquesas, Tahiti en Samoa allemaal zo’n beetje hetzelfde, een soort fonetisch uitgesproken Aziatische taal met veel gymnastische tongbewegingen. Ik deed mijn best, maar omdat ik er te kort was, kwam ik niet verder dan het gebruikelijke alstublieft en dank u wel in het Samoaans.

Aan boord van de Varuna bleven vlees- en zuivelprodukten niet langer dan vierentwintig uur goed, maar eten uit blik stelde ik zo lang mogelijk uit. Vanwege het vochtig-warme klimaat en het gemis van een koelkast, ging ik dagelijks naar de markt voor verse groenten en fruit. Totdat de Kreiz arriveerde.

De Kreiz an Ael, een drieëntwintig meter lange schoener, was de dag vóór mijn vertrek in Pago Pago aangekomen. Kort nadat de Varuna in Apia arriveerde, voer ook de Kreiz binnen en liet vlakbij het anker vallen. Colleen kende de kapitein nog uit Tahiti en vóór ze van boord ging, stelde ze me aan Fred voor. Hij op zijn beurt stelde ons voor aan zijn bemanning – Patrick, een Tahitiaanse jongen, en drie meisjes, Estelle, Laurence en Marie – die allemaal op weg waren naar Nieuw-Caledonië.

Ik voelde me vergeleken bij die drie fantastische Franse meiden onmiddellijk een onnozele teenager, maar ze stelden me meteen op mijn gemak en betrokken mij bij hun maaltijden of wanneer er pret gemaakt ging worden. Ze vormden een luidruchtig groepje en hadden allemaal zwerversbloed in de aderen. Met uitzondering van Estelle, voor wie deze reis een vakantie was van haar drukke leven als danseres in Frankrijk.

De Kreiz was een gerieflijke schoonheid; Fred had het interieur zelf ontworpen, en eenmaal binnen vergat je bijna dat je op een boot zat. Rondom de grote salon, met zijn eettafel, kombuis en lounge, bevonden zich verscheidene slaapkamers. Een enorme vrieskist was volgestouwd met heerlijkheden als biefstuk, kip en vis. De mogelijkheid om al die spullen in te slaan was volkomen nieuw voor me. Op de Varuna had ik alleen maar een koelkast, en als ik zo gelukkig was ijs te kunnen vinden, kon ik alles slechts een paar dagen iets koeler dan warm houden. Na een schranspartij kroop ik gezellig met Estelle in de kajuit van Marie en Laurence, waar we babbelden over handcrèmes, voetmassage en films, of ik zat in de grote salon met Fred over motorolie en waterpompen te praten. Lol trappen deed ik met de meiden en serieuze zaken bewaarde ik voor de twee kapiteins.

Patrick, de Tahitiaan, was een knappe, verlegen jongen. Hij had al een tatoeage op zijn schouderblad, maar hij wilde er nog één bij hebben. Colleen en hij ontdekten Sam, een lokale tatoeëerder, en samen gingen we naar zijn fale om te zien hoe Patrick werd versierd.

In afwachting van zijn behandeling ging hij op de grond liggen, met om zich heen een groepje enorm grote Samoanen die gezellig bier zaten te hijsen. Het ontwerp dat Patricks dij omcirkelde kostte Sam twee lange middagen. Ik lette goed op of ik nawerkingen of tekenen van erge pijn kon ontdekken, maar Patrick verzekerde me dat het zo erg niet was. Die middag besloot ik om de volgende dag een blijvende Samoaanse enkeltatoeage aan te laten brengen.

Toen Sam en drie van zijn vrienden de volgende ochtend bij de Varuna arriveerden, haastte Colleen zich om een fles pijnstillende rum te gaan kopen. Ik kookte het water en Sam vermengde dat met zwarte roet van een kerosinelamp. Dat was de verf. Hij maakte een mapje naainaalden open en bond vijf van die dingen met touw op een houten stok. Terwijl hij dat deed, vertelde hij ons dat een echte man wordt getatoeëerd met een haaietand in plaats van met naalden. De tand, die heel wat minder scherp is dan een naald, wordt met een houten hamertje in de huid getikt. Eén van zijn vrienden wilde opscheppen met zijn tatoeage van een vluchtende vos, en toen hij zich omdraaide zagen we de enorme Zuidzee vleermuis die zijn hele rug bedekte.

Bij het zien van de littekens van die tand begon ik me toch niet zo lekker te voelen; de gedachte aan die vijf naalden vond ik al erg genoeg. Colleen was precies op tijd terug. Ze schonk een koffiekopje vol rum en ik, die normaal genomen nooit drink, nam het in en leverde mezelf en mijn enkel over aan Sams behandeling. Drie uur lang lag ik uitgevloerd in mijn kooi, terwijl hij zorgvuldig het mooiste enkelkettinkje ontwierp dat ik ooit had gezien, en het daarna met zijn naalden in mijn huid kraste. Sam verzekerde me dat al zijn ontwerpen uniek waren en dat die van mij helemaal nieuw was. ‘Ik kan ze trouwens niet goed genoeg onthouden om ze nog een keer precies eender na te maken,’ zei hij.

Patrick was zó enthousiast over mijn tatoeage, dat hij Sam vroeg zodra hij met mij klaar was, er bij hem ook zo een rondom zijn enkel aan te brengen. Maar Sam had langzaam aan mijn fles rum leeg gedronken en zijn volgende schepping viel, jammer genoeg voor Patrick, nogal scheef uit. Die avond kwam iedereen in onze ligplaats langs om naar mijn enkel te kijken of er foto’s van te maken. De volgende ochtend, toen Sam weer nuchter was, liet Colleen een ring om haar vinger tatoeëren. En zo werd een nieuwe trend geboren.

Als een laatste dankjewel gaf ik Sam, die dolgraag muziek maakte, mijn gitaar. Hij was er zó blij mee dat hij terugkwam en een paar riemen voor me uitsneed met op elk de naam Varuna. De één was vervaardigd van het hout van een limoeneboom en de ander van een mangoboom.

Op een avond, toen ik na een diner aan boord van de Kreiz op de Varuna terugkwam, zat er een anoniem briefje op de zeereling geplakt. ‘We willen je waarschuwen dat iemand wil verraden dat je van Pago Pago naar Apia iemand aan boord had. We raden je ten sterkste aan naar Pago Pago terug te gaan en dan weer alléén hierheen te komen.’ Geen afzender.

Met een gevoel alsof ik een stomp in mijn maag had gekregen las en herlas ik het briefje, waarbij mijn nekharen overeind gingen staan. Ik had er geen geheim van gemaakt dat Colleen met mij was meegekomen. In Pago Pago was het niet bij me opgekomen dat ik mijn record in de waagschaal zou stellen door iemand over een afstand van 80 mijl mee te nemen. En dat op een reis van 30.000 mijl! Terwijl ik nog maar moest afwachten of het me zou lukken op tijd thuis te komen. Dat iemand veronderstelde dat ik van plan was de aanwezigheid van Colleen geheim te houden, was een aantasting van mijn integriteit. Nu teruggaan ging dan ook helemaal in tegen wat deze reis voor mij betekende. Ik maakte deze reis om de wereld te zien, niet om in het Guinness Book of Records te komen. Ook al drongen verscheidene mensen aan om dat stuk alleen over te doen, ik bleef onvermurwbaar. ‘Ik heb Colleen niet meegenomen op een lange overtocht,’ verdedigde ik me. ‘Het was een dagreis varen, een roteindje van 80 mijl. We hebben niet eens gezeild, maar zijn op de motor hierheen gevaren.’

Het was allemaal heel onnadenkend. Wat mijn vader zou zeggen en hoe teleurgesteld hij zou zijn, kwam gewoon niet bij me op. Het waren tenslotte maar 80 mijl en ik was er heus niet aan doodgegaan om dat stuk nog eens te zeilen. Maar uiteindelijk stond mijn eer op het spel, dus ging ik zonder spijt verder en zette het hele gedoe uit mijn hoofd.

Ik vertelde Fred dat ik had gespeeld met de gedachte om Wallis Eiland, een Frans gebied iets ten westen van Samoa aan te doen. Er kwamen daar maar weinig boten. Een vriend in Tahiti had me erover verteld. Het scheen een plek te zijn die ik niet mocht missen, zelfs met mijn overvolle reisschema. ‘Ga er alsjeblieft heen,’ had hij gezegd, ‘het is maar twee dagen vanaf Pago Pago en het ligt op je route.’ Ik had beloofd Magrete en Reidar daar aan te treffen en verheugde me daar erg op. Ik maakte Fred enthousiast over Wallis, hij beschreef het aan Patrick en de meiden en ze waren het er allemaal over eens. ‘Dat wordt leuk,’ zei hij. ‘We zeilen samen en gooien dineetjes naar je toe.’

Ik nam afscheid van Colleen en alle andere zeilvrienden die ik in Pago Pago had leren kennen. Ik wist dat dit het laatste algemene ontmoetingspunt was, als ik de route ten noorden van Tonga en Fiji nam, eilanden waar bijna iedereen na Apia naartoe ging. Van hieraf zou ik een minder gebruikte route bevaren en niet veel bekende boten meer tegenkomen. Het reisplan van de meesten was veel losser dan het mijne, en hun koers zou hen naar de eilanden verder naar het zuiden voeren.

Op 21 juni, om drie uur ’s middags, haalde ik het anker op en stuurde de Varuna op motorkracht de haven van Apia uit. Achter me zaten de meiden bij elkaar op het voordek van de Kreiz, waar ze giechelend op een knop drukten die automatisch hun ankerketting innam. Er woei een zachte, frisse bries uit het oosten. Ik hees de zeilen, zette de genua uit en de Varuna gleed over de golven, terwijl ik een zinnetje fluisterde dat ik beslist niet wilde vergeten: ‘Tofa soy fua. Tofa soy fua. Tofa soy fua…’ ‘Dank je wel’ in het Samoaans.

Het was een heerlijke tocht van 250 mijl naar Wallis. De zeilen van de Kreiz waren gereefd, zodat de Varuna hem bij kon houden, en ik hees zoveel mogelijk zeil om op snelheid te komen. Met als resultaat dat we sneller gingen dan ooit tevoren. Mijn astronavigatie klopte prachtig wanneer ik het via de radio vergeleek met die van Fred, en ik voelde me de koning te rijk.

Met het nieuwe zonnepaneel was het energiegebruik geen probleem meer, zoals op vorige overtochten. Op allerlei manieren gebruikte ik de extra elektriciteit die ik nu tot mijn beschikking had. Ik babbelde urenlang met de meiden over de marifoon wanneer ze zich tijdens hun wacht verveelden en we elkaar de volle maan beschreven die hoog boven ons stond. Zij riepen me op om te vertellen wat er ’s avonds op het menu zou staan, en ik riep hen op om gewoon even gedag te zeggen. Zo nu en dan zetten ze alle zeilen bij en kwamen dan vlak bij de Varuna zodat we foto’s van elkaar konden maken.

Laat in de middag op de 23ste juni dook Wallis als een lage, ronde bult boven de vurige horizon uit in de oranje en gele stralen van de ondergaande zon. Zelfs met de ondersteunende aanwezigheid van de Kreiz maakte ik me zenuwachtig voor het afmeren op Wallis. Het eiland is bijna een atol te noemen en daar had ik nog geen ervaring mee opgedaan. Er lag een ring van riffen omheen en een heel eind buiten de kustlijnen was er maar één opening groot genoeg om de lagune binnen te kunnen varen. De loodsboeken hadden alleen maar slecht nieuws voor boten die de Honi Kulu-doorgang wilden gebruiken, en waarschuwden voor gemene tegengestelde stromingen van wel vijf knopen en enorme golven. De lagune werd gevuld door de branding van de Stille Oceaan die over de riffen denderde, maar het water kon er alleen maar via die ene doorgang weer uit. Vrezend dat het onmogelijk zou blijken te zijn de lagune binnen te komen, kwamen we dichterbij met stationair draaiende motoren. Voorop de Kreiz, gevolgd door de Varuna.

Na een alles-veilig-teken van Fred voerden we het toerental op en gingen we de doorgang in. Zelfs met de motor voluit draaiend, was de stroom nog zó sterk dat het de Varuna bijna twintig minuten kostte om de nog geen twintig meter lange doorgang te passeren. De avondwind was ook aangewakkerd, en tegen de wind in tufte ik in de invallende duisternis naar de plek waar de Kreiz voor anker lag, beschut tegen de branding achter een rif. Het was te laat om onze weg tussen de koraalrotsen door te zoeken naar een veiliger ankerplaats. Dat zouden we de volgende ochtend in alle vroegte doen, wanneer de zon ons op de rug scheen. Anders zou de schittering van de zon in onze ogen ons zicht belemmeren, zodat de eerste waarschuwing dat er een rif onder water lag, het geluid zou zijn van de romp die erdoor opengescheurd werd. Heel vroeg in de ochtend, vóór de passaat zou opsteken, maakten we de Varuna achter de grotere boot vast en sleepten hem langs de koraalrotsen naar een ankerplaats in de luwte van het eiland.

Vanaf het moment dat we elkaar hadden leren kennen, had Fred mij alles willen leren wat hij over boten wist. Terwijl Patrick en de meiden het eiland gingen verkennen, wijdden Fred en ik ons aan de Varuna. Met zijn achtentwintig jaar was Fred de trotste eigenaar van zijn eigen prachtboot en dat was hem niet gelukt door slordig te zijn. Vóór we aan de Varuna begonnen, liet hij me vol trots zijn motor zien, zijn nieuwe kombuispomp, en de kapiteinshut met alle elektronische snufjes. Het viel me op dat de motorruimte kraak- en kraakhelder was. Hij zei: Toen mij werd geleerd hoe je een boot moest onderhouden, werd me gezegd dat je ieder onderdeel van de motor met witte handschoenen moet kunnen aanraken zonder dat ze vies worden.’ Ik dacht aan het kleine, rode monster aan boord van de Varuna en hoe zelden ik het luik zelfs maar een stukje had geopend, laat staan de boel had schoongemaakt.

‘Een boot is een heel gevoelig ding,’ zei hij. ‘Je moet hem behandelen als een mooie vrouw die veel liefde nodig heeft.’ Fred probeerde het toilet van de Varuna door te pompen en schudde zijn hoofd. Terwijl we elkaar ons levensverhaal vertelden, haalde hij de pomp uit elkaar en legde me de werking van ieder onderdeel afzonderlijk uit. In minder dan geen tijd had hij alle pakkingen vernieuwd en weer in elkaar gezet. Tot dat moment had ik nog nooit de binnenkant van een toiletpomp gezien. Ik had eenvoudig een schietgebedje gedaan dat mijn pomp die ene pomp zou zijn die nooit kapot ging.

We sloten mijn radioantenne aan door hem met tape via de kajuitstrap, langs de handreling, tegen de zijkant van de mast te plakken. In het verleden ging ik altijd met radio en al aan dek. Daar draaide ik de kleine, telescopische antenne in het rond tot ik een vaag tijdtikje hoorde, waarop ik mijn horloge dan gelijk zette. Verder gingen mijn behoeftes niet. Maar daarvoor alléén is de radio niet uitgevonden. Als de antenne maar hoog genoeg staat, kun je eruit halen wat erin zit. Door de verbeteringen die Fred aanbracht, kon ik over de middengolf allerlei muziek- en nieuwsprogramma’s in verschillende talen van de omringende eilanden ontvangen. Over de korte golf kon ik naar de BBC luisteren, de Voice of America, Radio France en Radio Moskou. De hele wereld was binnen mijn bereik en ik was dolblij met mijn nieuwe speeltje. Hiermee zou ik de verveling tijdens mijn volgende overtocht kunnen verdrijven.

Nadat Fred nog een nieuw schakelpaneel aan de slecht geworden elektrische installatie had aangebracht, sopten we de motor voorzichtig af met zeep en schoon water. We lijmden de houten lijst van een kastluikje weer vast en hij gaf me allerlei verschillende soorten kit die volgens hem, met zijn jarenlange ervaring, eigenlijk onmisbaar waren: zoals tweecomponentenlijm en kneedbaar metaal.

We kochten limoenen en hij liet me zien hoe ik het teakhouten dek van de Varuna schoon en glanzend kon krijgen. ‘Die limoenen zijn fantastisch,’ zei hij terwijl hij het sap over het houtwerk uitkneep. ‘Wie gebruikt er nou chemische schoonmaakrommel terwijl de natuur je de gemakkelijkste methodes biedt?’ Het hout glansde. De kleur veranderde in een heel andere tint lichtbruin en het kon weer vrij ademen nu alle olie en andere viezigheid was verwijderd. We haalden mijn stuurautomaat uit elkaar en vervingen alle versleten onderdelen, waarna Fred alle roestvrij stalen onderdelen te lijf ging. Hij boende elk roestplekje weg met zijn eigen speciale produkten.

Fred was fanatiek, maar dat werkte aanstekelijk. Het was leuk werk om de boten op te knappen en manieren te verzinnen om dingen te repareren met het materiaal dat voorhanden was. En hoe méér tijd we samen bezig waren, hoe méér ik erachter kwam hoeveel ik eigenlijk al wist. Ik had in het afgelopen jaar allemaal verschillende geduldige leermeesters gehad, en ieder van hen had mij iets bijgebracht over het functioneren van mijn eigen boot. In die tijd had ik mijn verlegenheid overwonnen om toe te geven dat ik ergens niets vanaf wist, en ik had geleerd niet te aarzelen met het stellen van vragen, vragen en als ik het dan nóg niet begreep, nóg eens vragen. Ik had nog lang niet alles geleerd, ik had het tot hier gebracht dank zij dit ene besef: er is overal een oplossing voor te vinden wanneer je maar rustig blijft en je gezonde verstand gebruikt.

De bemanning van de Kreiz en ik waren van plan geweest maar een paar dagen op Wallis te blijven, maar we vonden voldoende goede redenen om daar twee weken van te maken. Om te zien was dit onaanzienlijke, ronde eilandje niets bijzonders. Dit in tegenstelling tot de eilanden van Frans Polynesië. Het mooie zat in wat de mensen met hun land deden.

Het was maar een minuscuul stukje grond, ongeveer dertien kilometer lang en acht kilometer breed, maar toch hadden ze het voor elkaar gekregen het in drie schitterende koninkrijkjes te verdelen. Het eiland viel onder Frans bestuur, samen met Futuna, een eilandje dat 120 mijl naar het westen lag. Hun enige verbinding met de buitenwereld liep via Nieuw-Caledonië. We slenterden langs leuke, stoffige paadjes. Opzij van het pad stonden bloemen en knusse huisjes met rieten daken. De schitterende koninkrijkjes van Wallis leken met elkaar te wedijveren welk het meest schilderachtig was. Op een middag zag ik zelfs een man die zijn gazon aan het schuieren was.

Op Wallis waren de varkens prinsen. In plaats van katten en honden zwierven er overal grote en kleine varkens in alle vrijheid rond. Op keurig verzorgde veldjes stonden schattige kleine bungalows, omringd door bloembedden. Hibiscusheggen in ontelbare kleuren en groottes omlijstten elk tableau. Fred en ik keken vol ontzag om ons heen en zeiden hallo tegen elke vriendelijke inlander die we ontmoetten. De kleuren van hun pareus waren exotisch en vrolijk; ze drapeerden die prachtige lappen stof zelfs over de graven op het kerkhof.

Op de plek waar we met onze dinghy’s aanlegden, stond een huis met ontelbare kinderen en hordes varkens. Ze glimlachten en wezen ons hun bron, waar we onze jerrycan met water konden vullen. Uit beleefdheid en om ze niet te storen bij hun middagdutje bleven we uit de buurt van het gazon.

De Polynesiërs hebben eeuwenlang tussen deze eilanden heen en weer gevaren. Het zijn verbazend bekwame zeevaarders die heel goed overweg kunnen met hun antieke vlerkprauwen. Ze hebben een enorm netwerk gecreëerd waarbij de naburige eilanden in een soort broederschap verenigd zijn. En ondanks alle veranderingen die ze opgelegd hebben gekregen door de mensen die probeerden hen te koloniseren, zijn ze steeds hetzelfde gebleven.

Toen Patrick daar met een zeilboot aankwam, werd hij door de jongens van Wallis verwelkomd als een verloren broeder, ook al sprak hij een andere taal. Toen ik ze met elkaar zag praten, leek het alsof ze elkaar prima konden verstaan, alsof ze op een soort universele golflengte zaten waarop de verschillende eilanden onderling konden communiceren. Ze haalden hem in als een vorst en hij genoot van die aandacht, terwijl Fred trots toekeek, als een vader die dit mogelijk heeft gemaakt voor zijn zoon. We zagen Patrick daarna alleen nog maar zo nu en dan, wanneer hij met zijn vrienden langs roeide om zelf gevangen vis te brengen voor Dinghy en Mimine.

Magrete, Reidar en hun twee zoons arriveerden en lieten naast ons het anker van de Renica vallen. Boven ons hing reeds enkele dagen een depressie, waardoor wij ons vertrek steeds weer uitstelden. Op een dag was onze hele groep uitgenodigd op een jaarlijks terugkerend feest in één van de koninkrijkjes. Mannen en vrouwen, gekleed in kleurrijke kostuums, zongen religieuze liederen en dansten vóór een veranda waar de koning en zijn hele hofhouding zaten. De dansers hadden hun armen en schouders ingesmeerd met petroleumgel en de toeschouwers plakten papiergeld op hun favorieten. Op zo’n manier werd geld bij elkaar gebracht voor een nieuw gebouw.

De koning en zijn familie kregen royal kava aangeboden, een Zuidzeedrankje dat wordt gemaakt uit de wortels van de kavaboom, terwijl in het zonnetje vijftig manden met geroosterde varkens lagen te wachten. Ik klom in een boom om de feestelij kheden op film vast te leggen, maar mijn voet gleed uit en ik belandde op de grond, met mijn jurk over mijn hoofd heen. Het duurde even vóór de sterretjes waren verdwenen, maar toen realiseerde ik me dat er allemaal giechelende kinderen om me heen stonden. Met dat onverwachte spektakel had ik een familieritueel opgevrolijkt waar ze zich anders maar bij hadden verveeld.

Toen werd het vier juli. Niet alleen is dat een feestdag in Amerika en vindt in New York het jaarlijkse feestgala voor het Vrijheidsbeeld plaats, maar het was ook de verjaardag van Fred. Voor het grootste deel van de dag zaten Laurence, Marie, Estelle en ik in de kajuit van de Varuna, waar we met mijn viltstiften en kleurpotloden verjaardagskaarten voor hem maakten en beraadslaagden over mogelijke cadeautjes. Ik kocht een lap stof en gebruikte dat om een stripboek van Fat Freddy’s Cat in te pakken. Ik had dat boek in New York van iemand gekregen en kende het nu zo ongeveer uit mijn hoofd. Op de kaart tekende ik een afbeelding van de Varuna, Dinghy en Mimine, die Fred bedankten voor alles wat hij had gedaan en omdat hij zo’n goeie vriend was.

Die avond bakte Laurence een chocoladecake met frambozenvulling. Marie pakte haar camera’s en maakte foto’s van ons groepje, waarna we aan dek gingen en een rode vuurpijl afschoten. Dit was de eerste keer dat ik zo’n noodsignaal zag afschieten. Hij verlichtte de hele hemel en zakte heel langzaam, waarbij het dek van de Kreiz in een roze gloed werd gehuld. De volgende ochtend drong het pas tot ons door dat we zo’n paar honderd meter van een dichtbevolkt eiland een SOS hadden omhooggeschoten, en niemand had het gezien. Ik vroeg me af wat er was gebeurd wanneer ik midden op de oceaan in nood had gezeten…

Niet lang daarna dineerde ik voor de laatste keer aan boord van de Renica. De volgende dag zouden ze vertrekken naar nieuwe eilanden, en dat was voor de rest van ons een stimulans om ook eens aan verder varen te denken.

Met een blik op de lucht en op de barometer haalden we op de winderige ochtend van de 7de juli het anker op en namen we afscheid met de belofte elkaar heel veel brieven te sturen. De Kreiz nam de Varuna op sleeptouw de lagune uit. Ik stond bij de boeg ten afscheid te zwaaien terwijl we de laatste grapjes over en weer naar elkaar riepen.

Afscheid nemen ging me nog steeds moeilijk af. Ik dacht aan de tekening die Fred me had gegeven. Daarop stonden onze twee boten met een onderschrift dat mijn gevoelens heel goed weergaf: ‘Wat een fijne ontmoeting. Dit is wat ik haat bij onze manier van reizen. “Hallo”… “Tot ziens”… “Vaarwel”…’

Eenmaal voorbij het laatste rif gooide ik de tros los en ging naar voren om het grootzeil te hijsen. Vanwege de straffe wind stak ik twee reven, draaide hem naar buiten en bond de veiligheidslijn vast. Daarna ging ik terug naar de kuip om de stuurautomaat af te stellen. Ik pakte het fokzeil, en klauterde terug naar het voordek waar ik het aan de voorstag haakte. Ik ging zo op in de voorbereidingen om de Varuna onder zeil te krijgen, dat ik de Kreiz pas in de gaten kreeg toen hij al vlakbij was. Als hij niet snel van koers veranderde, zou hij me rammen. Geschrokken kwam ik overeind om te kijken of ze de steven al wendden. Maar iedereen was druk bezig met de zeilen, dus schreeuwde ik een waarschuwing en rende naar de stuurautomaat om opzij te sturen vóór we op elkaar botsten.

Te laat. De stuurautomaat weigerde snel genoeg los te schieten, en als in slow motion zag ik Fred zijn hoofd in mijn richting draaien. Er verscheen een uitdrukking van grote schrik op zijn gezicht en de uitlaat van de Kreiz spuwde blauwe rook toen hij de motor met een ruk in zijn achteruit zette. Tot mijn verbazing bleef de harde klap die ik verwachtte uit. De boeg van de Varuna raakte de Kreiz midscheeps precies op hetzelfde moment dat ik de boot eindelijk rond kreeg, terwijl de Kreiz volle kracht achteruit ging.

Vlug stelde ik de stuurautomaat weer in. Ik keek naar de Kreiz, in de verwachting een groot gat te zien. Niets. Stomverbaasd keek ik naar de Varuna en besefte dat daarmee wel iets mis was. De zeereling hing slap over het dek en mijn blik ging naar de boegpreekstoel. Ik stapte om de buiskap heen en hield me vast aan de handreling om de schade in ogenschouw te nemen. De preekstoel had de schok opgevangen en was uit zijn deksteunen geslagen en als een harmonika in elkaar gedeukt.

Plotseling zag de Varuna er kaal en hulpeloos uit. Ik realiseerde me hoe veilig ik me met die zeereling had gevoeld. Die vormde de veilige begrenzing van mijn speelhoekje. Wat er buiten de Varuna ook gebeurde, die twee lange lijnen hadden me een veilig gevoel gegeven. Uit alle kracht probeerde ik de preekstoel weer op zijn plaats te duwen en te fatsoeneren, maar het roestvrij staal gaf niet mee. Ik rende terug naar de kuip, dook de kajuit in en hoorde daar Freds stem over de radio.

‘Hallo. Fred. Hé, dat scheelde maar een haar. Hoe is het met de Kreiz? Heb jij nog schade?’

‘Nee, wij niet,’ zei hij. ‘Maar hoe zit het met de Varuna?’

‘Nou, ik denk dat ik terug zal moeten naar Wallis voor reparatie,’ antwoordde ik hem beverig. ‘De preekstoel is helemaal verkreukeld, dus ik heb geen zeereling meer. En zo wil ik niet verder zeilen.’

‘Wacht eens even,’ antwoordde hij. In gedachten zag ik hem met de geschrokken meisjes achter zijn kaartentafel zitten, zoekend naar een oplossing. Daar kwam zijn stem weer. ‘Luister eens, Tania. Ik heb een idee en iedereen hier is het ermee eens. Natuurlijk moeten we je helpen. Wij hadden moeten uitkijken voor de Varuna. Wat we gaan doen is dit: we varen naar Futuna en daar doen we ons best om de schade te verhelpen. Het is maar 120 mijl. Dat is één dag zeilen. Wat vind je ervan?’

‘Bedankt, Fred. Dat lijkt me prima. Hé, zo erg is het niet, hoor. We zien elkaar gewoon wat sneller terug dan we hadden gedacht.’

Onze stemming verbeterde en we maakten grapjes over slecht zeemanschap. Als de Varuna was gezonken, zo plaagden we elkaar, hadden ze me moeten redden en dan hadden we nooit meer afscheid van elkaar hoeven te nemen. De rest van de dag en die nacht hielden we elkaar in het zicht op een oceaan waar de wind uit alle richtingen leek te komen.

De volgende middag doemde een eenzame berg op en op motorkracht voeren we naar de lijzijde van het eiland tot we in Sigave aankwamen, de enige aanlegplaats. Rondom Futuna waren geen riffen en zolang de passaatwind aanhoudend uit het oosten blies, vormde het eiland zelf onze enige beschutting. Een eindje buiten de kust lag een meerboei voor een zo nu en dan langskomend bevoorradingsschip. Zodra we afgemeerd lagen, werden we begroet door een zwerm lachende Polynesiërs in hun kano’s van uitgeholde boomstammen. En zodra ze Patrick zagen was het helemaal dolle pret.

Fred kwam de schade aan mijn preekstoel opnemen. We besloten er de volgende ochtend, wanneer we uitgerust waren, aan te beginnen. Die avond gingen we aan land naar een hut waar één van de vrouwen een diner van kippen voor ons zou bereiden. Na alle opwinding van die dag gingen we na het eten terug naar onze boten en vielen als een blok in slaap. Toen ik de volgende dag wakker werd, had ik het gevoel dat er iets vreemds aan de hand was.

Ik keek de kajuit rond. Al mijn favoriete cassettebandjes, waar ik zo vaak naar had geluisterd, waren verdwenen. Ook de bandrecorder waar ik de bandjes voor mijn familie en vrienden op insprak, was verdwenen. Ik schoot de kajuitstrap op en sprong op het dek van de Kreiz.

Marie was nog slaapdronken op zoek naar haar walkman, en Fred graaide naar een slof sigaretten die ‘hier ergens’ moest liggen. Ik vertelde ze dat ik ook spullen kwijt was. Terwijl het besef langzaam tot ons doordrong dat we waren bestolen terwijl we de avond tevoren aan land dineerden, renden de anderen in het rond om te zien hoe groot de schade eigenlijk was. Bij elkaar genomen bleek hun waterproof cassettedeck, nog méér bandjes en de walkman gestolen te zijn. Marie en Laurence werden aangewezen om naar het dorpshoofd en de gendarmerie te gaan. Verder konden we alleen maar afwachten wat dat op zou leveren.

Futuna was verder van de moderne wereld verwijderd dan enig ander land dat ik ooit had gezien. Behalve de mensen die een eigen generator bezaten, had niemand op het eiland elektriciteit en de jongere mannen en vrouwen van het dorp namen, gescheiden en om beurten, een douche onder een kraantje dat uit een gemetseld muurtje op het strand kwam. Giechelende meisjes vormden een menselijke muur rondom de baders. Er waren twee warenhuizen met de gebruikelijke Sao-crackers en de ronde doosjes met kaaspartjes van La Vache Qui Rit. Vanaf mijn verblijf in Tahiti had ik daar altijd een voorraadje van aan boord, want het was goedkoop en makkelijk klaar te maken.

In de namiddag begonnen Fred en ik aan de reparatie van de preekstoel, terwijl de rest aan land ging om de was te doen. Fred bekeek het karwei en stelde een werkplan op. Hij zwaaide de giek van de bazaan tot boven de beschadigde boeg van de Varuna. Daarna bevestigde hij een lijn van de preekstoel naar het einde van de giek. Door de kracht die we met de val en de schoot op de preekstoel konden uitoefenen trokken we de buizen van de preekstoel weer recht. Met behulp van glasmat en polyester, net als bij een gipsverband, repareerde Fred de beschadigde steunen en we smeerden de rest van dat spul over de verzwakte hoeken.

Als roestvrij staal wordt gebogen verliest het een deel van zijn kenmerkende eigenschappen en terwijl ik de preekstoel aan een nauwgezet onderzoek onderwierp, zag ik dat er zwakke plekken waren ontstaan. Ik wist dat het niet volledig te vertrouwen zou zijn en dat ik er nooit meer met mijn volle gewicht tegenaan zou durven leunen. Dit hield in dat de zeereling rondom de boot ook niet meer te vertrouwen was. Met een schuldig gevoel keek ik naar de boeg van de Varuna. Ik had het gevoel dat ík haar schoonheid had geschonden, ’s Avonds, toen iedereen ons werk kwam bewonderen, vertelde Patrick dat hij een boodschap had gekregen dat de kapiteins van de twee boten om zeven uur ’s morgens in het huis van het dorpshoofd werden verwacht.

Een stralend ochtendzonnetje gluurde door het gebladerte en over de bergtoppen. Omringd door kleine kindertjes die ook al vroeg op waren, gingen Fred en ik op weg. We volgden de route die Patrick ons had gegeven, tot we bij een huisje kwamen dat twee verdiepingen had en op palen stond. De vrouw van het dorpshoofd nodigde ons uit binnen te komen. Nieuwsgierig keek ik om me heen in het huis van iemand die bijna van koninklijken bloede was. De inrichting bestond uit een paar dingen aan de muur, een stromat en goed zichtbaar in het midden van de tafel twee plastic zakken. Het dikke dorpshoofd kwam binnen. Fred en ik sprongen in de houding en stelden ons aan hem voor. Met veel uiterlijk vertoon, als was hij de koningin van Engeland die een erewacht inspecteert, maakte hij zwaaiende bewegingen in de lucht. Zijn vrouw vertaalde zijn speech in het Frans.

‘We zijn heel bedroefd om wat er is gebeurd,’ begon ze. ‘Ziet u, onze kinderen begrijpen het woord “stelen” niet. Hier op Futuna is alles van iedereen. Het is maar zo’n klein eiland dat we het alleen maar “lenen” kunnen noemen. Hier zijn uw eigendommen.’ In de twee zakken zaten de spullen die van onze boten waren geleend – die van Fred en die van mij.

We bedankten het dorpshoofd eerbiedig en namen afscheid van hem en zijn vrouw, na ze het allerbeste toegewenst te hebben. Zelfs in Tahiti was ik geconfronteerd met dat lenen. Twee keer was ik bij de kade aangekomen om te ontdekken dat de dinghy weg was. En allebei de keren was hij aan de andere kant van de haven teruggevonden waar de leners hem hadden vastgelegd. Deze manier van leven kan behoorlijk storend zijn, maar het had geen enkele zin er kwaad om te worden. De mensen op deze eilanden waren er aan gewend alles wat ze hadden met anderen te delen, en ze begrepen niet waarom iemand anders dat niet kon.

Dat het dorpshoofd onze spullen had gevonden en niet de gendarmerie, bewijst wel hoe de inlanders één front vormen tegen de kolonisators. De Franse wetten werden bijna door iedereen aan de laars gelapt, maar niet zó dat het te erg in het oog liep. Deze mensen hadden honderden jaren hun eigen gewoonten in stand gehouden, ondanks de Fransen. Zij zagen de Franse regering waarschijnlijk als iets van voorbijgaande aard.

Ons onverwachte tweedaags bezoek en onze ervaring met het dorpshoofd had ons in elk geval iets geleerd over opvattingen die lijnrecht ingingen tegen de ideeën die wij van de bewoonde wereld daarheen hadden gebracht. We waren naar de andere kant van de wereld gereisd en hadden daar mensen gevonden die waarlijk onmaterialistisch waren. Voor hen was materialisme alleen maar een spelletje.

Op 10 juli nam ik voor de tweede keer afscheid van Fred en de Kreiz met haar gelukkige bemanning. Zij gingen snel verder naar hun volgende stopplaats, Fiji, om hun post op te halen. Dat gaf me een paar extra uur voor mijn eigen voorbereidingen, vóór ik ze achternaging. Er wachtte op mij namelijk ook post, maar niet in Fiji. Dinghy, Mimine en ik zetten koers naar Efate op Vanuatu, 750 mijl naar het west-zuidwesten. Om twee uur ’s middags maakte ik de touwen los van de meerpaal en zeilde weg van Futuna. De Varuna was op dat eilandje ver weg op de Stille Oceaan niet ongeschonden uit de strijd gekomen, maar ik was wél een ervaring rijker.

De eerste twee dagen was het heerlijk zeilweer – koel, met een aanhoudende passaatwind in de rug en dat alles onder een heerlijk zonnetje. Tussen het luieren door en het oppeuzelen van al het lekkers dat ik in voorraad had, lukte het me ook nog een paar uurtjes extra te slapen. Tegen het eind van de tweede dag draaide de wind iets naar het zuiden en kregen we wat meer snelheid. 11 juli 1986 is een dag die ik nooit vergeten zal; de Varuna passeerde de internationale datumgrens.

Tijdens de nacht had ik geen zin uit mijn warme kooi te komen en aan dek te gaan om iets aan de zeilen te doen nu de omstandigheden slechter werden. Toen ik de volgende ochtend het zonnetje schoot, zag ik dat we van onze koers waren afgedwaald en we zouden de achterstand weer moeten zien in te halen. Op de oceaan leidt elk uitstel onveranderlijk tot dubbel zoveel werk, maar dat was een les die maar niet tot mij door wilde dringen.

De spinaker zou gehesen moeten worden en ik zou moeten gijpen, wat het zeilen er niet gemakkelijker op maakte. En nu de weersomstandigheden slechter werden, zouden de fok en het grootzeil gereefd moeten worden. Nog vóór het tien uur in de ochtend was, ploeterden we recht vooruit de grootste golven in die de Stille Zuidzee ons ooit had gepresenteerd. En zo zou het blijven tot we vijf dagen later weer land bereikten.

De golven beukten tegen de boeg en sloegen over de kuip, zodat die aan beide kanten volliep. We kregen zoveel water over ons heen dat het geen tijd had via de spuigaten uit de kuip weg te stromen vóór de volgende golf alweer over ons heen sloeg. De gedachte dat mijn nieuw gekitte kuip de motor droger hield dan ooit tevoren was een grote troost. Beneden kropen Dinghy en Mimine bij elkaar in de beschutting van mijn kooi. Ze bewogen zich alleen nog maar wanneer ze hoorden dat ik een blikje voor ze opentrok.

Ik moest mijn oliegoed aantrekken wanneer ik aan dek ging om metingen te verrichten. En door het steigeren van de boot, zat ik er met mijn berekeningen vaak een stuk naast. De golven fungeerden als een valse horizon, en wanneer een berekening weer eens niet klopte, kon ik opnieuw naar buiten om alles nóg eens op te meten. Maar ik moest ook steeds opnieuw de spiegels schoonvegen, wanneer er weer eens een golf over ons heen sloeg.

De Varuna sprong verschrikkelijk op en neer, maar ik was diep onder de indruk van de enorme snelheid die ze toch nog wist te halen. Ik begon mezelf al een echte avonturier te voelen en was me heel scherp bewust van alles wat ik deed, alsof een paar onzichtbare ogen mij in de gaten hielden. Ik controleerde de zeilen extra zorgvuldig, en onder de ogen van mijn denkbeeldige publiek werd ik één met de boot. Als een ruiter met zijn paard.

Een golf nam ons op en smeet ons opzij, zodat mijn boeken, de radio, mijn cassettebandjes en haarborstel dwars door de kajuit vlogen. Het deed me niets. Dat was gewoon één van de consequenties van het varen op de oceaan. Driftbuien, het hartgrondig uitvloeken van een extra gemene golf, de gedachte dat ik nog steeds luizen had, de stank van de kattebak in de kajuit, het droeg allemaal bij tot mijn gevoel dat ik de aller- allerbeste was. Ik had het gevoel dat ik alles aankon. Samen ploegden de Varuna en ik door de golven onder luid gejuich van de toeschouwers.

Gedurende de nacht van de vijftiende drong langzaam het geluid van klotsend water mijn dromen binnen. Ik graaide naar de zaklantaarn onder mijn kussen en scheen ermee op de vloer. Het publiek begon te juichen terwijl ik in paniek overeind sprong. Er stond vijftien centimeter water op de vloerplanken. Met een klap was ik weer terug in de realiteit. Ik deed de veiligheidsriem om en rende met de zaklantaarn tussen mijn lippen geklemd naar boven om de fok neer te halen. Het stampen hield op toen de Varuna de wind uit de zeilen werd gehaald en recht overeind deinde ze zachtjes op de golven. Het oorverdovende lawaai van duizenden liters water dat met grote snelheid langs de romp vloog, hield op. Ik pompte de kim leeg en zocht naar het lek, maar vond niets; alles leek in orde te zijn.

Geschrokken hees ik de fok weer en klom met trillende benen de kajuit in. Ik kon niets anders doen dan afwachten. Het publiek jouwde me uit terwijl ik een sigaret opstak; mijn pogingen om te stoppen met roken waren op niets uitgelopen. Binnen een kwartier stond er wéér water in de boot en ik schoot het dek op, haalde het zeil naar beneden en begon weer te pompen. De Varuna dobberde verder en er kwam geen water meer binnen. Ik besloot te wachten tot het weer licht werd. Dan moest ik de oorzaak van deze pech zien op te sporen. Voorlopig kroop ik weer in mijn kooi en bracht daar rusteloze uren door met mijn zaklantaarn op de natte vloer gericht.

’s Morgens maakte ik het luik van de motorruimte open, controleerde de afsluiters nog eens en draaide de openstaande afsluiters dicht. Alles leek prima te functioneren. Toen ik in de kuip het kastje aan bakboord opendeed, schoot me ineens iets te binnen. Ik controleerde de elektrische kimpomp die het lang geleden al had opgegeven en ontdekte dat de afsluiter daarvan open stond. Vaag herinnerde ik me wat Luc me had verteld over zijn gevecht met een waanzinnig toiletsysteem. Dat was het probleem dus geweest. Toen de fok was gehesen, had de Varuna waarschijnlijk zoveel slagzij gemaakt dat de hele elektrische pomp onder de waterlijn kwam te staan. Het afsluitventiel moet doorgeroest of kapot zijn geweest en het water was zó naar binnen gestroomd. Hoe dan ook, zodra de afsluiter dicht was, was het probleem opgelost.

Op de zevende dag verscheen bij zonsopgang Efate aan de horizon. Na onze trage nadering en een zoektocht langs de kust naar Port Vila lag de immense baai open vóór ons. We zeilden naar binnen en lieten het anker vlak naast de gele quarantaineboei zakken. Hoewel dit een ongemakkelijke overtocht was geweest, had de Varuna toch een verbazingwekkende afstand afgelegd – 750 mijl in zeven dagen. De grote golven in aanmerking genomen en het feit dat we tegen de wind hadden ingevaren, was ik daar behoorlijk trots op. Dit was de eerste keer dat ik Melanesiërs zou zien en de laatste keer dat ik met de Varuna, Dinghy en Mimine op een eiland in de Stille Zuidzee aan land ging.